31989L0336

Richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit

Publicatieblad Nr. L 139 van 23/05/1989 blz. 0019 - 0026
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 18 blz. 0241
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 18 blz. 0241


*****

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 3 mei 1989

betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit

(89/336/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat het noodzakelijk is maatregelen vast te stellen die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992; dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd;

Overwegende dat het de taak is van de Lid-Staten om radioverbindingen, alsmede inrichtingen, apparaten of systemen, waarvan de werking elektromagnetisch kan worden gestoord door elektrische en elektronische apparatuur, afdoende te beschermen tegen de problemen die door deze storingen worden veroorzaakt;

Overwegende dat de Lid-Staten eveneens dienen toe te zien op de bescherming van de distributienetten voor elektrische energie tegen elektromagnetische storingen welke die netten en bijgevolg ook door die netten gevoede apparatuur kunnen beïnvloeden;

Overwegende dat Richtlijn 86/361/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de eerste fase van de wederzijdse erkenning van goedkeuringen van eindapparatuur voor telecommunicatie (4) in het bijzonder betrekking heeft op de signalen die deze apparatuur bij normaal bedrijf produceert, evenals op de bescherming tegen alle schade aan de openbare telecommunicatienetten; dat derhalve een toereikende bescherming van deze netten, met inbegrip van de apparaten die daarop zijn aangesloten, tegen tijdelijke ontregeling veroorzaakt door incidentele signalen die deze apparaten kunnen produceren, moet worden gewaarborgd;

Overwegende dat in bepaalde Lid-Staten dwingende voorschriften in het bijzonder de toelaatbare elektromagnetische storingsniveaus die deze apparaten kunnen veroorzaken en hun mate van ongevoeligheid voor deze signalen bepalen; dat deze dwingende voorschriften niet noodzakelijk leiden tot van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillende beschermingsniveaus, maar door hun ongelijkheid het handelsverkeer binnen de Gemeenschap belemmeren;

Overwegende dat de nationale voorschriften die deze bescherming verschaffen dienen te worden geharmoniseerd ten einde het vrije verkeer van elektrische en elektronische apparaten te waarborgen zonder dat de bestaande en gerechtvaardigde beschermingsniveaus in de Lid-Staten worden verlaagd;

Overwegende dat in het huidige communautaire recht wordt bepaald dat, in afwijking van een van de fundamentele regels van de Gemeenschap als het vrije verkeer van goederen, de belemmeringen van het intracommunautaire verkeer, voortvloeiend uit verschillen in de nationale bepalingen betreffende de handel in produkten, moeten worden aanvaard voor zover deze voorschriften kunnen

worden geacht noodzakelijk te zijn om aan gebiedende eisen te voldoen; dat de harmonisatie van de wetgeving zich in het onderhavige geval dient te beperken tot de voorschriften die noodzakelijk zijn om aan de beschermingsoogmerken ter zake van de elektromagnetische compatibiliteit te voldoen; dat deze doelstellingen de nationale voorschriften ter zake moeten vervangen;

Overwegende dat in deze richtlijn derhalve uitsluitend de beschermingseisen met betrekking tot de elektromagnetische compatibiliteit worden omschreven; dat het, ter vereenvoudiging van het bewijs van overeenstemming met deze eisen, belangrijk is dat men over op Europees niveau geharmoniseerde normen beschikt betreffende de elektromagnetische compatibiliteit, waarbij de inachtneming van deze normen ten aanzien van deze produkten een vermoeden van overeenstemming met de beschermingseisen garandeert; dat deze op Europees niveau geharmoniseerde normen worden opgesteld door particuliere organisaties en hun status van niet bindende teksten moeten behouden; dat hiertoe het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) wordt erkend als bevoegde organisatie op het gebied van de onderhavige richtlijn voor de goedkeuring van de geharmoniseerde normen overeenkomstig de algemene richtlijnen voor samenwerking die op 13 november 1984 tussen de Commissie, enerzijds, en het Europees Comité voor normalisatie (CEN), anderzijds, werden overeengekomen; dat in de zin van deze richtlijn een geharmoniseerde norm een technische specificatie is (Europese norm of harmonisatiedocument) die door CENELEC wordt aanvaard in opdracht van de Commissie overeenkomstig Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 88/182/EEG (2), alsmede overeenkomstig bovenbedoelde algemene richtlijnen;

Overwegende dat het, in afwachting van de aanvaarding van geharmoniseerde normen in de zin van deze richtlijn, wenselijk is het vrije verkeer van goederen te vergemakkelijken door op communautair niveau, als overgangsmaatregel, apparaten te aanvaarden die in overeenstemming zijn met nationale normen die gekozen zijn in overeenstemming met een communautaire controleprocedure, waardoor wordt gewaarborgd dat die nationale normen beantwoorden aan de beschermingseisen van deze richtlijn;

Overwegende dat de EG-verklaring van overeenstemming betreffende een apparaat een vermoeden van overeenstemming vertegenwoordigt met deze richtlijn; dat deze verklaring de eenvoudigst mogelijke vorm moet krijgen;

Overwegende dat echter, ten einde voor de apparaten die vallen onder het toepassingsgebied van Richtlijn 86/361/EEG een doeltreffende bescherming op het gebied van de elektromagnetische compatibiliteit te bewerkstelligen, de inachtneming van de bepalingen van de onderhavige richtlijn moet worden bevestigd door merken of certificaten van overeenstemming afgegeven door de instellingen waarvan door de Lid-Staten kennis is gegeven; dat het, ter vereenvoudiging van de wederzijdse erkenning van de door deze instellingen afgegeven merken of certificaten, wenselijk is de criteria die in aanmerking worden genomen om deze aan te duiden, te harmoniseren;

Overwegende dat het niettemin kan voorkomen dat apparaten de radio- en telecommunicatieverbindingen hinderen; dat het daarom gewenst is een procedure in te stellen om dit gevaar tegen te gaan;

Overwegende dat deze richtlijn van toepassing is op apparaten en materieel bedoeld in de Richtlijnen 76/889/EEG (3) en 76/890/EEG (4) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake respectievelijk radiostoringen, veroorzaakt door huishoudelijke elektrische apparaten, draagbaar gereedschap en soortgelijke apparatuur, en inzake de radiostoringsonderdrukking bij armaturen met starter voor fluorescentieverlichting en dat het daarom gewenst is die richtlijnen in te trekken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. »apparaten": alle elektrische en elektronische apparaten, alsmede uitrusting en installaties die elektrische en/of elektronische componenten bevatten;

2. »elektromagnetische storing": elektromagnetisch verschijnsel dat problemen in de werking van een inrichting, apparaat of systeem kan veroorzaken. Een elektromagnetische storing kan een elektromagnetische ruis, een ongewenst signaal of een wijziging in het voortplantingsmilieu zelf zijn;

3. »ongevoeligheid": de eigenschap van een inrichting, apparaat of systeem om bij aanwezigheid van een elektromagnetische storing te kunnen functioneren zonder dat de kwaliteit van de werking wordt aangetast;

4. »elektromagnetische compatibiliteit": de eigenschap van een inrichting, apparaat of systeem om op bevredigende wijze in zijn elektromagnetische omgeving te kunnen functioneren zonder zelf elektromagnetische storingen te veroorzaken die ontoelaatbaar zijn voor alles wat zich in die omgeving bevindt;

5. »bevoegde instantie": instantie die aan de in bijlage II genoemde criteria voldoet en als zodanig erkend is.

6. »EG-typeverklaring": document waarin een instantie waarvan kennisgeving is gedaan, verklaart dat het onderzochte type apparaat voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn die op dat apparaat van toepassing zijn.

Artikel 2

1. Deze richtlijn is van toepassing op apparaten die elektromagnetische storingen kunnen veroorzaken of waarvan de werking door deze storingen kan worden aangetast.

In deze richtlijn worden de beschermingseisen ter zake vastgesteld, alsmede de daarop betrekking hebbende controlemodaliteiten.

2. Voor zover in deze richtlijn vermelde beschermingseisen voor bepaalde apparaten geharmoniseerd zijn door bijzondere richtlijnen, geldt deze richtlijn niet of komt zij voor deze apparaten en voor deze beschermingseisen te vervallen bij de inwerkingtreding van die bijzondere richtlijnen.

3. De radioapparatuur gebruikt door radioamateurs in de zin van definitie nr. 53, artikel 1, van het radioreglement, dat een onderdeel vormt van het Internationaal Verdrag betreffende de Telecommunicatie, is van de werkingssfeer van deze richtlijn uitgesloten, behalve indien de apparatuur in de handel verkrijgbaar is.

Artikel 3

De Lid-Staten treffen alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 2 bedoelde apparaten alleen in de handel kunnen worden gebracht of in gebruik kunnen worden genomen indien zij aan de in deze richtlijn gestelde eisen beantwoorden, wanneer zij op passende wijze worden geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt.

Artikel 4

De in artikel 2 bedoelde apparaten moeten zo geconstrueerd zijn dat:

a) de opwekking van elektromagnetische storingen beperkt blijft tot een zodanig niveau dat radio- en telecommunicatieapparatuur en andere apparaten overeenkomstig hun bestemming kunnen functioneren;

b) de apparaten een passend niveau van intrinsieke ongevoeligheid bezitten voor elektromagnetische storingen zodat zij overeenkomstig hun bestemming kunnen functioneren.

De voornaamste beschermingseisen zijn vermeld in bijlage III.

Artikel 5

De Lid-Staten mogen het in de handel brengen en het gebruik op hun grondgebied van onder deze richtlijn vallende apparaten die aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen, niet belemmeren om redenen in verband met de elektromagnetische compatibiliteit.

Artikel 6

1. De bepalingen van deze richtlijn vormen geen belemmering voor de toepassing van de volgende speciale maatregelen in een Lid-Staat:

a) de voor één bepaalde plaats genomen maatregelen betreffende de ingebruikneming en het gebruik van het apparaat om een bestand of te verwachten probleem in verband met de elektromagnetische compatibiliteit te verhelpen;

b) de maatregelen betreffende de installatie van het apparaat die zijn genomen om openbare telecommunicatienetten of om veiligheidsredenen gebruikte zend- of ontvangstations te beschermen.

2. Onverminderd Richtlijn 83/189/EEG stellen de Lid-Staten de Commissie en de overige Lid-Staten in kennis van de krachtens lid 1 genomen speciale maatregelen.

3. De speciale maatregelen die als gerechtvaardigd zijn erkend, worden door de Commissie op passende wijze bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 7

1. De Lid-Staten gaan uit van het vermoeden dat apparaten in overeenstemming zijn met de in artikel 4 bedoelde beschermingseisen indien zij in overeenstemming zijn met:

a) de desbetreffende nationale normen waarin de geharmoniseerde normen zijn omgezet en waarvan de referenties zijn bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De Lid-Staten publiceren de referenties van deze nationale normen; of

b) de desbetreffende, in lid 2 bedoelde nationale normen voor zover op de door dergelijke normen bestreken gebieden geen geharmoniseerde normen bestaan.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van hun in lid 1, onder b), bedoelde nationale normen die naar hun mening aan de in artikel 4 bedoelde beschermingseisen beantwoorden. De Commissie deelt die tekst onverwijld mede aan de overige Lid-Staten. Overeenkomstig de in artikel 8, lid 2, vermelde procedure stelt de Commissie de Lid-Staten in kennis van die normen ten aanzien waarvan het vermoeden van overeenstemming met de in artikel 4 bedoelde beschermingseisen bestaat.

De Lid-Staten maken de referenties van deze normen bekend. De Commissie maakt ze ook in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend.

3. De Lid-Staten stemmen ermee in dat apparaten, ten aanzien waarvan de fabrikant de in lid 1 bedoelde normen niet, of slechts ten dele heeft toegepast of waarvoor normen ontbreken, geacht worden in overeenstemming te zijn met de in artikel 4 bedoelde beschermingseisen, indien de overeenstemming met deze beschermingseisen wordt aangetoond door het in artikel 10, lid 2, vermelde certificatiemiddel.

Artikel 8

1. Wanneer een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat de in artikel 7, lid 1, onder a), bedoelde geharmoniseerde normen niet volledig voldoen aan de in artikel 4 bedoelde beschermingseisen, legt die Lid-Staat of de Commissie de zaak, met uiteenzetting van de redenen, voor aan het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde Permanent Comité, hierna te noemen »het Comité". Het Comité brengt onverwijld advies uit.

Aan de hand van het advies van het Comité stelt de Commissie de Lid-Staten zo spoedig mogelijk in kennis van de noodzaak al dan niet over te gaan tot het geheel of gedeeltelijk schrappen van de betrokken normen uit de in artikel 7, lid 1, onder a), bedoelde bekendmakingen. 2. Na ontvangst van de in artikel 7, lid 2, bedoelde mededeling raadpleegt de Commissie het Comité. In het licht van het door het Comité uitgebrachte advies deelt de Commissie zo spoedig mogelijk de Lid-Staten mede of voor de betrokken nationale norm al dan niet een vermoeden van overeenstemming moet gelden, en zo ja, of de referenties derhalve op nationaal niveau moeten worden gepubliceerd.

Indien de Commissie of een Lid-Staat van oordeel is dat een nationale norm niet langer aan de vereiste voorwaarden voldoet voor het vermoeden van overeenstemming met de beschermingseisen bedoeld in artikel 4, raadpleegt de Commissie het Comité, dat onverwijld advies uitbrengt. In het licht van het advies van het Comité stelt zij de Lid-Staten zo spoedig mogelijk ervan in kennis of ten aanzien van de betrokken norm het vermoeden van overeenstemming nog wel of niet meer moet gelden en, in het laatste geval, of de norm geheel of gedeeltelijk uit de in artikel 7, lid 2, bedoelde publikaties moet worden geschrapt.

Artikel 9

1. Wanneer een Lid-Staat constateert dat een apparaat, vergezeld van een van de in artikel 10 genoemde certificatiemiddelen, niet voldoet aan de in artikel 4 bedoelde beschermingseisen, worden alle dienstige maatregelen genomen om het apparaat uit de handel te nemen, het in de handel brengen te verbieden of het vrije verkeer ervan te beperken.

De Lid-Staat stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van deze maatregel en vermeldt daarbij de redenen van zijn besluit en in het bijzonder of het gebrek aan overeenstemming voortvloeit uit:

a) niet-inachtneming van de beschermingseisen bedoeld in artikel 4, wanneer het apparaat niet in overeenstemming is met de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen;

b) een verkeerde toepassing van de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen;

c) een leemte in de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen zelf.

2. De Commissie treedt op de kortst mogelijke termijn in overleg met de betrokken partijen. Wanneer de Commissie na dit overleg vaststelt dat de maatregel gerechtvaardigd is, stelt zij de Lid-Staat die tot de maatregelen is overgegaan, alsmede de overige Lid-Staten daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer het in lid 1 bedoelde besluit het gevolg is van een leemte in de normen, legt de Commissie de kwestie, na overleg met de betrokken partijen, binnen een termijn van twee maanden voor aan het Comité indien de Lid-Staat die de maatregelen heeft genomen, voornemens is deze te handhaven, en leidt zij de in artikel 8 bedoelde procedures in.

3. Indien het niet-conforme apparaat vergezeld gaat van een van de in artikel 10 genoemde certificatiemiddelen, treft de bevoegde Lid-Staat passende maatregelen tegen degene die de certificatie heeft verstrekt en stelt hij de Commissie en de overige Lid-Staten hiervan in kennis.

4. De Commissie ziet erop toe dat de Lid-Staten op de hoogte worden gehouden van het verloop en de resultaten van deze procedure.

Artikel 10

1. Bij apparaten ten aanzien waarvan de fabrikant de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen heeft toegepast, wordt de overeenstemming van de apparaten met het bepaalde in deze richtlijn bekrachtigd door een EG-verklaring van overeenstemming die is afgegeven door de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde. Deze verklaring dient ter beschikking van de bevoegde autoriteit te worden gehouden gedurende tien jaar na het in de handel brengen van de apparaten.

Voorts brengt de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde het EG-merkteken van overeenstemming aan op het apparaat of, als dat niet mogelijk is, op de verpakking, de gebruiksaanwijzing of het garantiebewijs.

Indien noch de fabrikant, noch zijn gevolmachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, rust deze verplichting om de EG-verklaring van overeenstemming ter beschikking te houden op een ieder die het apparaat op de communautaire markt in de handel brengt.

De bepalingen inzake de EG-verklaring en het EG-merkteken staan in bijlage I.

2. Bij apparaten ten aanzien waarvan de fabrikant de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen niet of slechts ten dele heeft toegepast, of bij het ontbreken van normen, dient de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde reeds bij het in de handel brengen een technisch constructiedossier ter beschikking te houden van de betrokken bevoegde autoriteiten. Dit dossier moet een beschrijving bevatten van het apparaat, uiteenzetten op welke wijze de overeenstemming met de in artikel 4 bedoelde beschermingseisen is verzekerd en een technisch verslag of een certificaat bevatten die van een bevoegde instantie zijn verkregen.

Het dossier dient ter beschikking van de bevoegde autoriteit te worden gehouden gedurende tien jaar na het in de handel brengen van de apparaten.

Indien noch de fabrikant, noch zijn gevolmachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, rust deze verplichting om een technisch dossier ter beschikking te houden op een ieder die het apparaat op de communautaire markt in de handel brengt.

De overeenstemming van de apparaten met het in het technisch dossier beschreven apparaat wordt overeenkomstig de procedure van lid 1 bekrachtigd.

Onverminderd de bepalingen van dit lid nemen de Lid-Staten aan dat deze apparaten voldoen aan de in artikel 4 bedoelde beschermingseisen. 3. Voor zover de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen nog niet bestaan en onverminderd de bepalingen van lid 2 van dit artikel, mogen de betrokken apparaten, bij wijze van overgangsmaatregel, uiterlijk tot en met 31 december 1992, onderworpen blijven aan de nationale regelingen die van kracht zijn op het tijdstip van aanneming van deze richtlijn, mits deze regelingen in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Verdrag.

4. De overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn van de in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 86/361/EEG bedoelde apparaten, wordt volgens de procedure van lid 1 bekrachtigd nadat de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde, voor deze apparaten een EG-typeverklaring heeft verkregen die is afgegeven door een van de in lid 6 van dit artikel bedoelde instanties waarvan kennisgeving is gedaan.

5. De overeenstemming van apparaten, ontworpen voor het uitzenden van radiocommunicatie als omschreven in het Internationaal Verdrag betreffende de Telecommunicatie, met de bepalingen van deze richtlijn, wordt volgens de procedure van lid 1 bekrachtigd nadat de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde voor deze apparaten een EG-typeverklaring heeft verkregen die is afgegeven door een van de in lid 6 bedoelde instanties waarvan kennisgeving is gedaan.

Deze bepaling is niet op de bovenvermelde apparaten van toepassing indien deze uitsluitend ontworpen en bestemd zijn voor radioamateurs in de zin van artikel 2, lid 3.

6. Elke Lid-Staat stelt de Commissie en de overige Lid-Staten in kennis van de in dit artikel bedoelde bevoegde autoriteiten en de instanties die belast zijn met de afgifte van de in de leden 4 en 5 bedoelde EG-typeverklaringen. De Commissie publiceert de lijst van deze autoriteiten en instanties ter informatie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en draagt zorg voor het bijwerken van deze lijst.

In de kennisgeving wordt aangegeven of deze instanties bevoegd zijn voor alle apparaten die onder deze richtlijn vallen dan wel of hun bevoegdheid beperkt is tot bepaalde specifieke gebieden.

De Lid-Staten passen de in bijlage II vermelde criteria toe voor de beoordeling van de instanties waarvan kennisgeving dient te worden gedaan.

De instanties die voldoen aan de in de betrokken geharmoniseerde normen vastgestelde beoordelingscriteria, worden geacht aan de bovengenoemde criteria te voldoen.

Een Lid-Staat die kennisgeving heeft gedaan van een instantie, moet de erkenning van die instantie intrekken indien hij constateert dat zij niet langer aan de in bijlage II genoemde criteria voldoet. Deze Lid-Staat stelt de Commissie en de andere Lid-Staten daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 11

Richtlijn 76/889/EEG en Richtlijn 76/890/EEG worden ingetrokken met ingang van 1 januari 1992.

Artikel 12

1. De Lid-Staten dienen vóór 1 juli 1991 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis.

Zij passen deze bepalingen toe vanaf 1 januari 1992.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 3 mei 1989.

Voor de Raad

De Voorzitter

P. SOLBES

(1) PB nr. C 322 van 2. 12. 1987, blz. 4.

(2) PB nr. C 262 van 10. 10. 1988, blz. 82, en PB nr. C 69 van 20. 3. 1989, blz. 72.

(3) PB nr. C 134 van 24. 5. 1988, blz. 2.

(4) PB nr. L 217 van 5. 8. 1986, blz. 21.

(1) PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8.

(2) PB nr. L 81 van 26. 3. 1988, blz. 75.

(3) PB nr. L 336 van 4. 12. 1976, blz. 1.

(4) PB nr. L 336 van 4. 12. 1976, blz. 22.

BIJLAGE I

1. EG-verklaring van overeenstemming

De EG-verklaring van overeenstemming moet het volgende omvatten:

- beschrijving van het betreffende apparaat of de betreffende apparaten;

- vermelding van de specificaties waarmee het apparaat/de apparaten volgens de verklaring in overeenstemming is/zijn en in voorkomend geval de interne maatregelen die zijn getroffen ter verzekering van de overeenstemming van de apparaten met de voorschriften van de richtlijn;

- gegevens ter identificatie van de ondertekenaar die gemachtigd is om de fabrikant of diens gevolmachtigde te binden;

- in voorkomend geval de referentie van de EG-typeverklaring die is afgegeven door een opgegeven instantie.

2. EG-merkteken van overeenstemming

- Het EG-merkteken van overeenstemming bestaat uit onderstaande letters CE en het getal van het jaar waarin het merkteken is aangebracht.

- In voorkomend geval moet dit merkteken worden aangevuld met de kenletters van de opgegeven instantie die de EG-typeverklaring heeft afgegeven.

- Wanneer apparaten ook onder andere richtlijnen vallen die in het EG-merkteken van overeenstemming voorzien, betekent het aanbrengen van het EG-merkteken dat deze apparaten ook in overeenstemming zijn met de desbetreffende eisen van deze andere richtlijnen.

BIJLAGE II

Criteria voor de beoordeling van de instanties waarvan kennisgeving wordt gedaan

De door de Lid-Staten aangewezen instanties moeten aan de volgende minimumvoorwaarden voldoen:

1. beschikbaarheid van personeel, alsmede van de nodige middelen en uitrusting;

2. technische bekwaamheid en professionele integriteit van het personeel;

3. onafhankelijkheid bij het uitvoeren van proeven, het opstellen van verslagen, het afgeven van verklaringen en het uitoefenen van het in deze richtlijn voorgeschreven toezicht, van het kaderpersoneel en het technisch personeel ten aanzien van alle kringen, groeperingen en personen die directe of indirecte belangen hebben op het gebied van het betrokken produkt;

4. bewaring van het beroepsgeheim door het personeel;

5. afsluiting van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering, tenzij deze aansprakelijkheid op grond van het nationale recht reeds door de Staat wordt gedekt.

Door de bevoegde instanties van de Lid-Staten wordt periodiek gecontroleerd of aan de in de punten 1 en 2 genoemde voorwaarden is voldaan.

BIJLAGE III

Enuntiatieve lijst van de voornaamste beveiligingseisen

Het maximumniveau van de door de apparaten opgewekte elektromagnetische storingen moet dusdanig zijn dat het geen belemmering vormt voor het gebruik van met name de volgende apparaten:

a) radio- en televisieontvangers voor particulier gebruik,

b) industriële apparatuur,

c) mobiele radioapparatuur,

d) commerciële mobiele radioapparatuur en radiotelefonische apparatuur,

e) medische en wetenschappelijke apparatuur,

f) apparatuur voor informatietechnologie,

g) huishoudelijke apparaten en elektronische huishoudelijke apparatuur,

h) radioapparatuur voor lucht- en zeevaart,

i) educatieve elektronische apparatuur,

j) telecommunicatienetten en -apparatuur,

k) radio- en televisieomroepzenders,

l) verlichtingsapparatuur en fluorescentielampen.

De apparaten, met name die welke genoemd zijn in de punten a) tot en met l), moeten dusdanig geconstrueerd zijn dat zij een passend niveau van elektromagnetische ongevoeligheid hebben in een normale EMC-omgeving waar de apparaten moeten functioneren, zodat zij ongehinderd kunnen worden gebruikt bij de storingsniveaus die worden opgewekt door apparaten die aan de in artikel 7 vastgestelde normen voldoen.

De gegevens die nodig zijn voor een gebruik conform de bestemming van het apparaat, moeten voorkomen in een gebruiksaanwijzing die bij het apparaat is gevoegd.