31982D0740

82/740/EEG: Beschikking van de Commissie van 22 juli 1982 inzake de vaststelling van ontwikkelingszones krachtens artikel 11 van de Belgische wet van 30 december 1970 (Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)

Publicatieblad Nr. L 312 van 09/11/1982 blz. 0018 - 0024


*****

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 22 juli 1982

inzake de vaststelling van ontwikkelingszones krachtens artikel 11 van de Belgische wet van 30 december 1970

(Slechts de teksten in de Nederlandse en de Franse taal zijn authentiek)

(82/740/EEG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE

GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Na belanghebbenden overeenkomstig de bepalingen van artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het EEG-Verdrag te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,

I

Overwegende dat de Belgische Regering bij schrijven van 14 november 1980 overeenkomstig de bepalingen van artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag een ontwerp heeft medegedeeld tot vaststelling van de ontwikkelingszones waarin zij voornemens is de steunmaatregelen met regionale strekking van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie toe te passen, welke met name bestaan uit rentesubsidies, kapitaalpremies, staatsgaranties en belastingverlichtingen ten behoeve van bedrijven in de industrie en de dienstensector;

Overwegende dat de Belgische Regering met de mededeling van dit ontwerp beoogd heeft te voldoen aan de uit artikel 2 van Beschikking 72/173/EEG van de Commissie van 26 april 1972 inzake de steun verleend krachtens de Belgische wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie (2) voortvloeiende verplichting; dat in de eerste alinea van dat artikel een grotere selectiviteit van het geografische toepassingsgebied van regionale steunregelingen wordt verlangd, waartoe met name in het ontwerp moest worden bepaald welke zones waren geschrapt en welke niet; dat ingevolge de tweede alinea van dat artikel de ontwikkelingszones moeten worden gedifferentieerd in twee categorieën naar de ernst van de problemen in de betrokken gebieden, en het intensiteitsmaximum van de steun moet worden bepaald aan de hand van deze twee categorieën;

Overwegende dat het medegedeelde ontwerp de verlening van regionale steun aan vrijwel het gehele nationale grondgebied beoogt, waarbij de voorgestelde ontwikkelingszones verdeeld zijn over alle negen provincies en over 40 van de 43 arrondissementen van het land, en meer dan 80 % van de bevolking omvatten; dat hoewel een groot aantal van deze arrondissementen slechts gedeeltelijk als ontwikkelingszones wordt aangehouden, de bevolking daarvan nog steeds 55 % van de Belgische bevolking vertegenwoordigt; dat één enkel steunintensiteitsmaximum voor alle voorgestelde zones wordt aangehouden;

Overwegende dat de door de Belgische autoriteiten voor de keuze van de steunzones gebruikte methodiek ten aanzien van Vlaanderen en Wallonië fundamenteel uiteenloopt;

Overwegende dat de Commissie op 5 december 1980 heeft verzocht om aanvullende inlichtingen, die haar binnen een maand zouden moeten worden medegedeeld; dat de Belgische Regering bij telex van 22 december 1980 verzocht heeft om verlenging van deze termijn tot 8 februari 1981, hetgeen door de Commissie bij telex van 13 januari 1981 is goedgekeurd; dat de Belgische Regering nadien de aanvullende inlichtingen waarom was verzocht niet heeft medegedeeld; dat de Commissie zich dientengevolge verplicht heeft gezien tot een eerste onderzoek van het ontwerp over te gaan op basis van de in haar bezit zijnde gegevens;

II

Overwegende dat het betrokken ontwerp, dat met een vertraging van meer dan zes jaar is aangemeld, niet beantwoordt aan de bovengenoemde vereisten van artikel 2 van Beschikking 72/173/EEG van de Commissie van 26 april 1972, namelijk een grotere selectiviteit van het geografische toepassingsgebied van regionale steunregelingen en een differentiëring van de ontwikkelingszones in twee categorieën naar de ernst van de problemen in de betrokken gebieden;

Overwegende dat de Commissie bij het onderzoek van dit ontwerp bovendien heeft opgemerkt dat de gebruikte methodiek bepaalde lacunes vertoont, waardoor de waargenomen verschijnselen niet kunnen worden gesitueerd in een voldoende ruime regionale context en evenmin de gronden voor deze verschijnselen kunnen worden vastgesteld;

Overwegende dat de Commissie ten einde de verenigbaarheid van de door de Belgische Regering voorgenomen steun met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 te kunnen beoordelen, in eerste instantie een vergelijkende analyse heeft uitgevoerd van de betrokken regio's door deze in communautair verband te bezien en vervolgens heeft nagegaan of er op nationaal niveau ernstige dispariteiten bestonden tussen deze gebieden, die de verlening van regionale steun zouden kunnen rechtvaardigen;

Overwegende dat de Commissie na beëindiging van haar onderzoek heeft besloten tot inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag ten aanzien van het voornemen van de Belgische Regering regionale steun toe te kennen in de arrondissementen Antwerpen en Mechelen in de provincie Antwerpen; in de arrondissementen Halle-Vilvoorde, Leuven en Nijvel in de provincie Brabant; in de arrondissementen Aat, Doornik en Zinnik met uitzondering van het zuidelijk gedeelte (gemeenten La Louvière en Le Roeulx) in de provincie Henegouwen; in de arrondissementen Borgworm, Hoei met uitzondering van het zuidelijk gedeelte (gemeenten Clavier, Ferrières, Hamoir en Ouffet) en Verviers met uitzondering van het zuidelijk gedeelte (gemeenten Amel, Buellingen, Burg-Reuland, Buetgenbach, Lierneux, Malmédy, Saint-Vith, Stavelot, Stoumont, Trois-Ponts en Waimes) in de provincie Luik; in het arrondissement Namen met uitzondering van het zuidelijk gedeelte (gemeenten Gesves, Mettet en Ohey) in de provincie Namen; in de arrondissementen Aalst, Dendermonde, Eeklo, Oudenaarde en Sint-Niklaas in de provincie Oost-Vlaanderen en in de arrondissementen Kortrijk, Oostende, Roeselare en Tielt in de provincie West-Vlaanderen; dat de Commissie te dien einde de Belgische Regering bij schrijven van 19 november 1981 heeft aangemaand haar opmerkingen te maken;

Overwegende dat de Commissie in dit aanmaningsschrijven en bij ontstentenis van desbetreffende bepalingen in het ontwerp van de Belgische Regering, eveneens de ontwikkelingszones heeft gedifferentieerd in twee categorieën naar de ernst van de problemen in de betrokken regio's, waarbij zij tot het oordeel kwam dat de maximumsteunintensiteit van de regionale steun zou moeten worden beperkt tot 20 % netto subsidie-equivalent van de investering in de ontwikkelingszones in de arrondissementen Bergen, Charleroi, in het noordelijk gedeelte van het arrondissement Thuin (gemeenten Anderlues, Binche en Morlanwelz) en in het zuidelijk gedeelte van het arrondissement Zinnik als hierboven omschreven, in de provincie Henegouwen; in de arrondissementen Hasselt, Maaseik en Tongeren in de provincie Limburg en in het arrondissement Luik in de provincie Luik, terwijl deze maximumintensiteit zou moeten worden beperkt tot 15 % netto subsidie-equivalent in de ontwikkelingszones in het arrondissement Turnhout in de provincie Antwerpen, in de arrondissementen Moeskroen en Thuin met uitzondering van het noordelijk gedeelte daarvan als boven omschreven, in de provincie Henegouwen; in de zuidelijke gedeelten van de arrondissementen Hoei en Verviers als hierboven omschreven, in de provincie Luik; in de arrondissementen Aarlen, Bastenaken, Marche-en-Famenne, Neufchâteau en Virton in de provincie Luxemburg; in het arrondissement Dinant, in het zuidelijk gedeelte van het arrondissement Namen als hierboven omschreven en in het arrondissement Philippeville, in de provincie Namen; in de arrondissementen Diksmuide, Ieper en Veurne, in de provincie West-Vlaanderen;

Overwegende dat de Commissie in het bovengenoemd aanmaningsschrijven overigens, onder voorbehoud van een heronderzoek van de sociaal-economische situatie, de verlening van regionale steun in het arrondissement Moeskroen in de provincie Henegouwen alsmede de indeling in de categorie regio's waar de steun 20 % netto subsidie-equivalent kan bereiken van de arrondissementen Hasselt, Maaseik en Tongeren in de provincie Limburg heeft beperkt tot een periode van 3 jaar;

III

Overwegende dat het Koninkrijk België bij brieven van 1 en 22 februari 1982 van zijn Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen zijn opmerkingen kenbaar heeft gemaakt; dat deze zijn aangevuld en nader toegelicht in bilaterale besprekingen tussen de Belgische autoriteiten en de Commissie;

Overwegende dat de Belgische Regering in haar opmerkingen van 1 en 22 februari 1982 kritiek uitoefent op de door de Commissie in haar sociaal-economische analyse gevolgde methodiek; dat deze kritiek anders geaard is al naar zij afkomstig is van de Vlaamse of Waalse regionale autoriteiten; dat de Vlaamse regionale autoriteiten hoewel zij het eens zijn met de basisidee van de Commissie, dat alleen grote homogene economische eenheden als steunzones moeten worden gekozen, met name van oordeel zijn dat de methode van de Commissie dubbelzinnig is en ertoe leidt, dat de regionale problemen in Vlaanderen worden ondergewaardeerd en die in Wallonië overgewaardeerd; dat de Waalse regionale autoriteiten daarentegen de Commissie verwijten dat zij alleen de grote geografische eenheden wil aanhouden, die plaatselijke dispariteiten maskeren, een methodiek gebruikt die het niet mogelijk maakt de zones aan de hand van hun economische problemen op passende wijze te selecteren en de problemen van Wallonië onderwaardeert in verhouding tot die van andere Europese regio's; Overwegende dat de Belgische Regering in haar opmerkingen van 1 en 22 februari 1982 nogmaals twee volledig verschillende methoden en benaderingen voor Vlaanderen en Wallonië hanteert, en dat deze voor het overige niet getoetst worden aan de Europese context; dat de gemaakte keuze vrijwel dezelfde blijft als de oorspronkelijke waarbij de voorgestelde ontwikkelingszones nog steeds in elk der negen provincies van het land en in 39 arrondissementen van de 43 met bijna 75 % van de Belgische bevolking liggen, terwijl de bevolking van deze zones nog 50 % van de landsbevolking uitmaakt tegen 55 % in het oorspronkelijke project; dat daarin nog steeds één enkel intensiteitsmaximum wordt voorgesteld;

Overwegende dat de Commissie in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag behalve van het Koninkrijk België van drie andere Lid-Staten opmerkingen heeft ontvangen; dat een daarvan zich ten volle aansluit bij het standpunt van de Commissie; dat een andere Lid-Staat enige kritiek heeft op de benadering van de Commissie doch over het algemeen het standpunt van de Commissie steunt; dat de derde ten slotte van mening is dat een beslissing van de Commissie ten aanzien van de Belgische regionale steunregeling eerst zou dienen te worden genomen nadat de thans uitgevoerde herziening van de beginselen voor de cooerdinatie van steunregelingen met regionale strekking is voltooid en nadat de van de Commissie verwachte voorstellen op het gebied van de cumulering van alle steunvormen voor het bedrijfsleven tot een oplossing hebben geleid;

Overwegende dat in het kader van deze procedure verschillende andere belanghebbenden hun opmerkingen aan de Commissie hebben doen toekomen; dat in deze opmerkingen argumenten voor de handhaving van steun in bepaalde gebieden werden aangevoerd;

IV

Overwegende dat de door de Belgische Regering voorgenomen steunmaatregelen ten behoeve van bepaalde regio's het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging kunnen vervalsen of dreigen te vervalsen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag, door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties;

Overwegende dat volgens artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag steunmaatregelen die aan de in dat artikel vermelde criteria voldoen, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt; dat de in artikel 92, lid 3, sub a) en c), van het EEG-Verdrag vermelde uitzonderingen op deze onverenigbaarheid, die de enige zijn die in het onderhavige geval kunnen worden toegepast aangezien het om regionale steunmaatregelen gaat, betrekking hebben op doelstellingen die in het belang van de Gemeenschap en niet in dat van de individuele begunstigden worden nagestreefd; dat deze uitzonderingen strikt moeten worden geïnterpreteerd bij de behandeling van regionale of sectoriële steunregelingen en van individuele toepassingen van een algemene steunregeling; dat een uitzondering met name slechts dan mag worden toegestaan wanneer de Commissie kan vaststellen dat bij ontstentenis van deze steunmaatregelen de begunstigde ondernemingen via het marktmechanisme alleen niet zouden overgaan tot de verwezenlijking van een der doelstellingen waarop deze uitzonderingen betrekking hebben;

Overwegende dat de toekenning van een uitzondering zonder tegenprestatie als rechtvaardigingsgrond zou neerkomen op aanvaarding van een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en van vervalsing van de mededinging zonder dat daarmee enig belang van de Gemeenschap wordt gediend, terwijl men er zich anderzijds bij neerlegt dat sommige Lid-Staten ten onrechte bevoordeeld worden;

Overwegende dat de Commissie bij het hanteren van bovengenoemde beginselen bij haar onderzoek van steunregelingen met regionale strekking zich ervan dient te vergewissen dat in de betrokken regio's, ten opzichte van de gehele Gemeenschap, voldoende ernstige moeilijkheden bestaan om de conclusie te wettigen, dat de verlening van de steun en de intensiteit daarvan nodig zijn om het bereiken van een der in artikel 92, lid 3, sub a) of c), van het EEG-Verdrag bedoelde doelstellingen te bevorderen; dat het, wanneer zulks niet kan worden aangetoond, vaststaat dat de steun niet tot het bereiken van de in de uitzonderingsbepalingen genoemde doelstellingen bijdraagt, doch in hoofdzaak strekt tot begunstiging van de betrokken ondernemingen;

Overwegende dat de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten in het kader van de Raad bijeen naar aanleiding van een mededeling van de Commissie betreffende de algemene steunregelingen met regionale strekking in hun eerste resolutie van 20 oktober 1971 (1) hebben erkend dat steun met regionale strekking, wanneer deze op juiste en oordeelkundige wijze wordt toegepast, een onmisbaar middel vormt voor de regionale ontwikkeling en de Lid-Staten in staat stelt een regionaal beleid te voeren dat is gericht op een meer evenwichtige groei van de verschillende gebieden van eenzelfde land en van de Gemeenschap; dat de Commissie dientengevolge, op grond van de geldende cooerdinatiebeginselen voor steunregelingen met regionale strekking die de gevaren voor overbieding beogen te beperken, bij haar beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met regionale strekking met de bepalingen van artikel 92, lid 3, sub a) en c), van het EEG-Verdrag zowel rekening moet houden met de sociaal-economische situatie van de betrokken regio's in communautaire context als met de ernstige dispariteiten die eventueel tussen gebieden van eenzelfde land bestaan;

Overwegende dat uit de diepgaande sociaal-economische analyse van de Belgische regio's blijkt dat de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub a), van het EEG-Verdrag niet kan worden overwogen, daar in de

Belgische regio's de levensstandaard niet abnormaal laag is en daar evenmin een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst; dat dit door de Belgische Regering noch in haar oorspronkelijk ontwerp noch in de opmerkingen die zij in het kader van de bovengenoemde procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag heeft gemaakt is betwist; dat in het onderhavige geval derhalve alleen de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag, die bepaalt dat steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken wanneer de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden gewijzigd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd, kan worden overwogen;

Overwegende dat, om de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van de door de Belgische Regering voorgenomen steun aan bepaalde regio's te bepalen, de Commissie de hierboven genoemde beginselen heeft toegepast; dat zij aldus na de betrokken Belgische regio's te hebben gesitueerd in een communautaire context, met vergelijking van het bruto binnenlands produkt en de werkgelegenheidssituatie in de betrokken regio's in verhouding tot de overeenkomstige gemeenschapsgemiddelden, heeft nagegaan in hoeverre dispariteiten op nationaal niveau tussen de gebieden zouden kunnen bestaan, waardoor de verlening van regionale steun zou kunnen worden gerechtvaardigd; dat de Commissie te dien einde een aantal indicatoren van de economische ontwikkeling en de werkgelegenheidssituatie heeft gehanteerd, namelijk in hoofdzaak het belastbaar inkomen, de werkloosheid, de ontwikkeling van de werkgelegenheid, de structuur van de economische activiteiten, het migratiesaldo en demografische factoren;

Overwegende dat deze methodiek, anders dan door de Belgische autoriteiten gebruikte methoden, het mogelijk heeft gemaakt door de analyse van de structuur van de activiteiten en andere causaliteitsindicatoren de aard en het eventueel structureel karakter van de economische problemen der betrokken regio's te bepalen; dat de door de regionale Vlaamse autoriteiten geuite kritiek niet gegrond lijkt, daar de Commissie stelselmatig dezelfde indicatoren heeft gebruikt voor de analyse van de Waalse en de Vlaamse regio's en dat de grotere omvang van de zones die in aanmerking kunnen komen voor de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag, in Wallonië uitsluitend verklaard wordt door het feit dat de regionale problemen in Wallonië van grotere omvang en intensiteit zijn dan in Vlaanderen; dat de Commissie, overeenkomstig het hierboven gestelde op grond van het beginsel van de regionale specificiteit (1) bij de afbakening van de steunzones niet, zoals door de Waalse regionale autoriteiten gesuggereerd, lokale verschijnselen in aanmerking kan nemen; dat een vergelijkende analyse is uitgevoerd van de situatie van alle Belgische regio's, met inbegrip van Wallonië, in vergelijking met de Europese regio's;

Overwegende dat de opmerkingen van de Belgische Regering van 1 en 22 februari 1982 er aldus toe strekken, dat het oorspronkelijk bij de Commissie aangemelde ontwerp vrijwel volledig wordt gehandhaafd en dat het grootste gedeelte van het nationale grondgebied, met uitzondering van de stadsgebieden in het centrum en het noorden van het land, in aanmerking zou kunnen komen voor de verlening van regionale steun; dat het hier om een regeling zou gaan waarbij het in de cooerdinatiebeginselen voor steunregelingen met regionale strekking neergelegde beginsel van de regionale specificiteit niet zou worden nageleefd, en waarbij de onder werkelijke structurele handicaps lijdende regio's nauwelijks compenserende voordelen zouden verkrijgen, alsook om een regeling die niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 2, eerste alinea, van bovengenoemde Beschikking 72/173/EEG, die een grotere selectiviteit bij de vaststelling van ontwikkelingszones beogen; dat bij de handhaving van een enkel intensiteitsmaximum evenmin de vereisten van de tweede alinea van dat artikel zouden worden nagekomen;

Overwegende dat de opmerkingen van de andere belanghebbenden geen elementen bevatten op grond waarvan de beoordeling van de situatie van de Belgische regio's uit hoofde van de hierboven beschreven sociaal-economische analyse van de Commissie kan worden gewijzigd; dat de Commissie om zowel materiële als juridische redenen niet, zoals door een Lid-Staat voorgesteld, chronologisch verband kan leggen tussen de tenuitvoerlegging van de nieuwe beginselen voor de cooerdinatie van steunregelingen met regionale strekking en haar uit artikel 93 van het Verdrag voortvloeiende verplichtingen;

Overwegende dat uit de hierboven beschreven sociaal-economische analyse van de Belgische regio's is gebleken dat de regio's en subregio's in België die moeilijkheden doormaken op grond waarvan zij in aanmerking zouden kunnen komen voor de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag zijn: de Westhoek, de Kempen, het ijzer- en staalbekken van Luik, het kolen- en staalbekken van Henegouwen, de regio Ardennen-Condroz-Gaume en de textielzone van Moeskroen-Komen;

Overwegende dat deze regio's en subregio's overeenkomen met de volgende administratieve eenheden of gedeelten van administratieve eenheden:

- Westhoek: arrondissement Diksmuide, Ieper en Veurne;

- Kempen: provincie Limburg, arrondissement Turnhout, gemeenten Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Diest, Geetbets, Holsbeek, Kortenaken, Linter, Scherpenheuvel-Zichem, Tielt-Winge en Zoutleeuw - hierna »Noord-Hageland" genoemd - in het arrondissement Leuven;

- ijzer- en staalbekken van Luik: arrondissement Luik;

- kolen- en staalbekken van Henegouwen: arrondissementen Bergen en Charleroi, noorden van het arrondissement Thuin (gemeenten Anderlues, Binche en Morlanwelz), zuiden van het arrondissement Zinnik (gemeenten La Louvière en Le Roeulx);

- Ardennen-Condroz-Gaume: provincie Luxemburg, arrondissement Thuin (met uitzondering van de bovengenoemde noordelijke gemeenten), zuiden van het arrondissement Namen (gemeenten Gesves, Mettet en Ohey), zuiden van het arrondissement Hoei (gemeenten Clavier, Ferrières, Hamoir en Ouffet), zuiden van het arrondissement Verviers (gemeenten Amel, Buellingen, Burg-Reuland, Buetgenbach, Lierneux, Malmédy, Saint-Vith, Stavelot, Stoumont, Trois-Ponts en Waimes);

- textielzone van Moeskroen-Komen: arrondissement Moeskroen;

Overwegende dat uit de eerder genoemde sociaal-economische analyse eveneens is gebleken dat hoewel de ernst van de problemen waartegenover de provincie Limburg in de regio de Kempen, het ijzer- en staalbekken van Luik en het kolen- en staalbekken van Henegouwen zich gesteld zien, de handhaving van een steunmaximum van 20 % netto subsidie-equivalent van de investering (of 3 500 Ecu per geschapen arbeidsplaats tot een limiet van 25 % netto subsidie-equivalent van de investering) rechtvaardigen, zulks niet geldt voor de andere regio's en subregio's die in aanmerking kunnen komen voor de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub c), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, waar het steunmaximum moet worden beperkt tot 15 % netto subsidie-equivalent van de investering (of tot 2 500 Ecu per geschapen arbeidsplaats tot een limiet van 20 % netto subsidie-equivalent van de investering); dat de Commissie, door de zones aldus te differentiëren aan de hand van de ernst van de problematiek van de betrokken regio's, voldoet aan de vereisten van het bovengenoemde beginsel van de regionale specificiteit en het in gebreke blijven van het Koninkrijk België zich te conformeren aan artikel 2, tweede alinea, van Beschikking 72/173/EEG, ondervangt;

Overwegende dat uit deze sociaal-economische analyse eveneens is gebleken dat het bijzonder karakter van de sociaal-economische situatie in de textielzone van Moeskroen, en met name de in de afgelopen jaren waargenomen ontwikkeling en het meer plaatselijk karakter van deze problemen, de verlening van regionale steun slechts voor een periode van drie jaar rechtvaardigen; dat het feit, dat Noord-Hageland dichtbij de ontwikkelde zones van de provincies Brabant en Antwerpen ligt en dat de huidige situatie van de werkloosheid in deze subregio slechts op basis van ramingen kon worden beoordeeld, eveneens vereist dat de verlening van regionale steun daar beperkt wordt tot drie jaar; dat vóór het verstrijken van deze periode een nieuw onderzoek van de situatie van deze twee zones zal worden uitgevoerd;

Overwegende dat, gezien deze sociaal-economische analyse de aanzienlijke economische groei die in de laatste jaren in de provincie Limburg is waargenomen, vereist dat de indeling van deze provincie in de categorie regio's die in aanmerking kunnen komen voor een maximum van 20 % netto subsidie-equivalent van de investering (of voor de hierboven genoemde alternatieve maxima) beperkt wordt tot een periode van drie jaar, met dien verstande dat vóór het verstrijken van deze periode ook de situatie van deze provincie opnieuw zal worden onderzocht;

Overwegende dat deze sociaal-economische analyse heeft aangetoond dat hoewel de situatie van het arrondissement Oudenaarde vereist dat de indeling als steunzone wordt ingetrokken, dit arrondissement om de ondernomen diversificatie-inspanningen niet te doorkruisen, in aanmerking dient kunnen te komen voor een overgangsregeling waaronder de verlening van regionale steun, met een maximum van 15 % netto subsidie-equivalent van de investering (of met de bovengenoemde alternatieve maxima) kan worden verlengd tot 31 december 1983;

Overwegende eveneens dat uit deze sociaal-economische analyse is gebleken dat hoewel de situatie van de regio Ardennen-Condroz-Gaume vereist dat de verlening van regionale steun wordt beperkt tot een maximum van 15 % netto subsidie-equivalent van de investering (of tot de bovengenoemde alternatieve maxima), de bijzondere situatie in het vroegere ijzer- en staalbekken van Athus - gemeenten Aubange en Messancy in het arrondissement Aarlen, gemeenten Musson, Saint-Léger en Virton in het arrondissement Virton - de toepassing van een overgangsregeling rechtvaardigt, die de verlening van steun tot een maximum van 20 % netto subsidie-equivalent van de investering (of tot de bovengenoemde alternatieve maxima) tot 31 december 1983 toelaat;

Overwegende ten slotte dat, gezien de ernst van de door de crisis in de ijzer- en staalindustrie der Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal veroorzaakte werkgelegenheidssituatie in het Luikse staalbekken en in het Henegouwse kolen- en staalbekken, uitzonderingen op de uitsluiting van de indeling als ontwikkelingszone gemaakt zouden kunnen worden voor individuele gevallen van toepassing van regionale steunverlening in de arrondissementen Aat, Borgworm en Doornik, alsmede in de noordelijke delen van de arrondissementen Hoei en Verviers, na melding vooraf aan de Commissie conform artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag en voor zover de Commissie vaststelt dat deze steun rechtstreeks beoogt de werkgelegenheidssituatie welke het gevolg is van de door de crisis van de EGKS-industrieën veroorzaakte moeilijkheden in de aan deze arrondissementen of gedeelten van arrondissementen grenzende kolen- en staalbekkens, te verhelpen; V

Overwegende dat ten einde te kunnen overgaan tot het in artikel 93, lid 1, van het EEG-Verdrag voorgeschreven voortdurende onderzoek, de Commissie moet kunnen beschikken over een jaarlijks verslag inzake de toepassing van de regeling en een bepaald aantal concrete gevallen van toepassing moet onderzoeken;

Overwegende ten slotte dat de Commissie bijzondere regels heeft gegeven of zal geven ten aanzien van steunverlening aan ondernemingen in bepaalde sectoren, met inbegrip van het geval van steunverlening uit hoofde van de wetgeving inzake regionale steunmaatregelen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Het Koninkrijk België mag alleen steun verlenen op basis van het ontwerp tot vaststelling van ontwikkelingszones, dat bij schrijven van 14 november 1980 bij de Commissie is aangemeld, in de volgende arrondissementen of gedeelten van arrondissementen en onder de volgende voorwaarden:

a) tot een limiet van 20 % netto subsidie-equivalent van de investering of 3 500 Ecu per geschapen arbeidsplaats tot een maximum van 25 % netto subsidie-equivalent van de investering:

- provincie Henegouwen:

arrondissement Bergen; arrondissement Charleroi; noorden van het arrondissement Thuin, gevormd door de gemeenten Anderlues, Binche en Morlanwelz; zuiden van het arrondissement Zinnik, gevormd door de gemeenten La Louvière en Le Roeulx;

- provincie Limburg:

arrondissement Hasselt; arrondissement Maaseik; arrondissement Tongeren;

- provincie Luik:

arrondissement Luik;

- provincie Luxemburg:

zuiden van het arrondissement Aarlen, gevormd door de gemeenten Aubange en Messancy; zuiden van het arrondissement Virton, gevormd door de gemeenten Musson, St.-Léger en Virton.

De indeling van het zuidelijk gedeelte van de arrondissementen Aarlen en Virton in de provincie Luxemburg in deze categorie regio's waar de maximumsteunintensiteit 20 % netto subsidie-equivalent kan bedragen, wordt op 31 december 1983 beëindigd.

De indeling in deze categorie van de arrondissementen Hasselt, Maaseik en Tongeren in de provincie Limburg wordt beperkt tot een periode van drie jaar te rekenen vanaf de datum van deze beschikking met dien verstande dat de Commissie voor het verstrijken van deze termijn zal overgaan tot een nieuwe analyse van de sociaal-economische situatie van deze zones.

b) tot een limiet van 15 % netto subsidie-equivalent van de investering of 2 500 Ecu per geschapen arbeidsplaats tot een maximum van 20 % netto subsidie-equivalent van de investering:

- provincie Antwerpen:

arrondissement Turnhout;

- provincie Brabant:

»Noord-Hageland" gevormd door de gemeenten Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Diest, Geetbets, Holsbeek, Kortenaken, Linter, Scherpenheuvel-Zichem, Tielt-Winge en Zoutleeuw in het arrondissement Leuven;

- provincie Henegouwen:

arrondissement Moeskroen; arrondissement Thuin met uitzondering van het noordelijk gedeelte als omschreven sub a);

- provincie Luik:

zuiden van het arrondissement Hoei, gevormd door de gemeenten Clavier, Ferrières, Hamoir en Ouffet; zuiden van het arrondissement Verviers, gevormd door de gemeenten Amel, Buellingen, Burg-Reuland, Buetgenbach, Lierneux, Malmédy, Saint-Vith, Stavelot, Stoumont, Trois-Ponts en Waimes;

- provincie Luxemburg:

arrondissement Aarlen met uitzondering van het zuidelijk gedeelte als omschreven sub a); arrondissement Bastenaken; arrondissement Marche-en-Famenne; arrondissement Neufchâteau; arrondissement Virton met uitzondering van het zuidelijk gedeelte als omschreven sub a);

- provincie Namen:

arrondissement Dinant; zuiden van het arrondissement Namen, gevormd door de gemeenten Gesves, Mettet en Ohey; arrondissement Philippeville;

- provincie Oost-Vlaanderen:

arrondissement Oudenaarde;

- provincie West-Vlaanderen:

arrondissement Diksmuide; arrondissement Ieper; arrondissement Veurne.

De verlening van steun in het arrondissement Oudenaarde in de provincie Oost-Vlaanderen wordt op 31 december 1983 beëindigd.

De verlening van steun in het arrondissement Moeskroen in de provincie Henegouwen en in het Noord-Hageland in het arrondissement Leuven wordt beperkt tot een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking, met dien verstande dat de Commissie voor het verstrijken van deze termijn zal overgaan tot een nieuwe analyse van de sociaal-economische situatie van deze zones. Artikel 2

In de arrondissementen Aat, Borgworm en Doornik, alsmede in de noordelijke gedeelten van de arrondissementen Hoei en Verviers, die niet als ontwikkelingszones zijn ingedeeld, kan het Koninkrijk België echter in afwijking van deze beschikking regionale steun verlenen na voorafgaande aanmelding bij de Commissie conform artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag en na beslissing van de Commissie waarin wordt vastgesteld dat deze steun rechtstreeks beoogt de werkgelegenheidssituatie welke het gevolg is van de moeilijkheden, die door de crisis van de EGKS-industrieën in de aan de bovengenoemde arrondissementen of gedeelten van arrondissementen grenzende kolen- en staalbekkens zijn veroorzaakt, te verhelpen.

Artikel 3

Het Koninkrijk België doet de Commissie voor het einde van het eerste halfjaar van elk jaar een verslag toekomen waarin het bedrag van de verleende regionale steun, van de betrokken investeringen alsmede het aantal betrokken gevallen wordt aangegeven; deze gegevens dienen regionaal te worden onderverdeeld aan de hand van de regio's van niveau III van de Nomenclatuur van de territoriale eenheden voor de statistiek van het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, alsmede sectorieel aan de hand van de tweecijfercodes van de Algemene systematische bedrijfsindeling in de Europese Gemeenschappen van het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen.

Voorts doet het Koninkrijk België de Commissie op haar verzoek de noodzakelijke gegevens toekomen om haar in staat te stellen over te gaan tot het onderzoek van een bepaald aantal individuele gevallen.

Artikel 4

De verlening van steun uit hoofde van deze beschikking doet niet af aan de nakoming van bestaande of toekomstige bijzondere regels welke van toepassing zijn op de in bepaalde sectoren verleende steun.

Artikel 5

Het Koninkrijk België stelt de Commissie binnen drie maanden na de datum van deze beschikking in kennis van de maatregelen die het heeft getroffen tot nakoming daarvan.

Artikel 6

Deze beschikking treedt in de plaats van de artikelen 1 en 2 van Beschikking 72/173/EEG inzake de steun verleend krachtens de Belgische wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie.

Artikel 7

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België.

Gedaan te Brussel, 22 juli 1982.

Voor de Commissie

Frans ANDRIESSEN

Lid van de Commissie

(1) PB nr. C 316 van 4. 12. 1981, blz. 4.

(2) PB nr. L 105 van 4. 5. 1972, blz. 13.

(1) PB nr. C 111 van 4. 11. 1971, blz. 1.

(1) PB nr. C 31 van 3. 2. 1979, blz. 11.