31970L0222

Richtlijn 70/222/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

Publicatieblad Nr. L 076 van 06/04/1970 blz. 0025 - 0026
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 1 blz. 0137
Bijzondere uitgave in het Deens: Serie I Hoofdstuk 1970(I) blz. 0172
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 1 blz. 0137
Bijzondere uitgave in het Engels: Serie I Hoofdstuk 1970(I) blz. 0194 - 0195
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 13 Deel 1 blz. 0091
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 13 Deel 1 blz. 0219
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 13 Deel 1 blz. 0219


++++

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 20 maart 1970

inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

( 70/222/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 100 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Overwegende dat de technische voorschriften waaraan motorvoertuigen krachtens de nationale wetgevingen moeten voldoen , onder andere betrekking hebben op de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaten ;

Overwegende dat deze voorschriften van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen ; dat het derhalve noodzakelijk is dat alle Lid-Staten dezelfde voorschriften aannemen , hetzij ter aanvulling , hetzij in plaats van hun huidige regeling , met name ten einde voor ieder type voertuig de E.E.G.-goedkeuringsprocedure van de richtlijn van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 1 ) te kunnen invoeren ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1

Onder voertuig wordt in deze richtlijn verstaan ieder motorvoertuig met of zonder carrosserie , op ten minste vier wielen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km per uur , bestemd om aan het wegverkeer deel te nemen , alsmede de aanhangwagens daarvan , met uitzondering van voertuigen die zich over rails bewegen , landbouwtractoren , landbouwmachines en toestellen voor openbare werken .

Artikel 2

De Lid-Staten mogen de E.E.G.-goedkeuring of de nationale goedkeuring van een voertuig niet weigeren om redenen die verband houden met de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaten , indien deze voldoen aan de voorschriften , vermeld in de bijlage .

Artikel 3

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlage aan te passen aan de technische vooruitgang , worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 13 van de richtlijn van de Raad van 6 februari 1970 betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan .

Artikel 4

1 . Binnen achtjien maanden na kennisgeving van deze richtlijn voeren de Lid-Staten de nodige maatregelen in om aan het bepaalde in deze richtlijn te voldoen . Zij stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis .

2 . De Lid-Staten zien erop toe dat de tekst van alle belangrijke interne rechtsbepalingen die zij aanvaarden op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is , ter kennis van de Commissie wordt gebracht .

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 20 maart 1970 .

Voor de Raad

De Voorzitter

P . HARMEL

( 1 ) PB nr . L 42 van 23 . 2 . 1970 , blz . 1 .

BIJLAGE

1 . VORM EN AFMETINGEN VAN DE PLAATS VAN DE ACHTERSTE KENTEKENPLAAT

Deze plaats moet een rechthoekige , vlakke of nagenoeg vlakke oppervlakte bezitten van ten minste de volgende afmetingen :

hetzij * lengte 520 mm *

* hoogte 120 mm *

hetzij * lengte 340 mm *

* hoogte 240 mm *

2 . PLAATS EN STAND VAN DE KENTEKENPLATEN

De plaats moet van dien aard zijn dat de op juiste wijze aangebrachte platen aan de volgende eisen voldoen :

2.1 . Stand van de plaat in de breedterichting

Het midden van de plaat mag niet rechts gelegen zijn van het in de lengterichting lopende symmetrievlak van het voertuig .

De linkerrand van de plaat mag niet links gelegen zijn van het verticale vlak evenwijdig is aan het symmetrievlak in de lengterichting van het voertuig en dat raakt aan het punt waar de dwarsdoorsnede van het voertuig in zijn totale breedte de grootste afmeting bereikt .

2.2 . Stand van de plaat ten opzichte van het symmetrievlak in de lengterichting van het voertuig

De plaat moet loodrecht of nagenoeg loodrecht op het symmetrievlak in de lengterichting van het voertuig staan .

2.3 . Stand van de plaat ten opzichte van de verticaal

De plaat moet zich in verticale stand bevinden , met een tolerantie van 5 * . Indien de vorm van het voertuig zulks vereist , mag de plaat evenwel de volgende helling ten opzichte van de verticaal hebben :

2.3.1 . een hoek van ten hoogste 30 * , indien de van het kenteken voorziene zijde naar boven gekeerd is en mits de bovenrand van de plaat zich niet meer dan 1,20 m boven het wegdek bevindt ;

2.3.2 . een hoek van ten hoogste 15 * , indien de van het kenteken voorziene zijde naar beneden gekeerd is en mits de bovenrand van de plaat zich meer dan 1,20 m boven het wegdek bevindt .

2.4 . Hoogte van de plaat boven het wegdek

De hoogte van de onderrand van de plaat boven het wegdek mag niet minder dan 0,30 m bedragen ; de hoogte van de bovenrand van de plaat boven het wegdek mag niet meer dan 1,20 m bedragen . Indien het praktisch onmogelijk is aan dit laatste voorschrift te voldoen , mag deze hoogte evenwel meer bedragen dan 1,20 m , doch slechts zoveel meer als de constructie van het voertuig vereist ; in geen geval mag deze hoogte meer dan 2 m bedragen .

2.5 . Geometrische zichtbaarheidseisen

De plaat moet zichtbaar zijn in de gehele ruimte die door de volgende vier vlakken wordt begrensd : twee verticale vlakken , gaande door de twee zijkanten van de plaat en naar buiten toe een hoek van 30 * vormende met het symmetrievlak in de lengterichting van het voertuig ; een vlak gaande door de bovenrand van de plaat en een hoek van 15 * in opwaartse richting vormende met het horizontale vlak ; het horizontale vlak door de onderrand van de plaat . ( Indien evenwel de hoogte van de bovenrand van de plaat boven het wegdek meer bedraagt dan 1,20 m , moet laatstgenoemd vlak een hoek van 15 * in neerwaartse richting met het horizontale vlak vormen . )

2.6 . Bepaling van de hoogte van de plaat boven het wegdek

De in de punten 2.3 . , 2.4 . en 2.5 . vermelde hoogten worden bepaald wanneer het voertuig ongeladen is .