Voorstel voor een verordening van de Raad - Europees Visserijfonds {SEC(2004) 965}
/* COM/2004/0497 def. - CNS 2004/0169 */
| BG | ES | CS | DA | DE | ET | EL | EN | FR | GA | IT | LV | LT | HU | MT | NL | PL | PT | RO | SK | SL | FI | SV |
| html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | |||||
| doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc |
Brussel, 14.7.2004
COM(2004) 497 definitief
2004/0169 (CNS)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN DE RAAD
Europees Visserijfonds
(ingediend door de Commissie){SEC(2004) 965}
TOELICHTING
De rechtsgrondslag voor optreden van de Gemeenschap in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) is Titel II van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name artikel 37.
Van het begin af aan heeft het gemeenschappelijk visserijbeleid dan ook een sterk structurele component gekend. De afgelopen 20 jaar heeft het structuurbeleid voor visserij gezorgd voor modernisering van de gehele visserijsector. Deze inspanningen moeten worden voortgezet, met name voor de nieuwe lidstaten, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het handhaven van kwalitatief goede werkgelegenheid in en de economische levensvatbaarheid van de sector, aan het aanpassen van de capaciteit aan de beschikbare visbestanden, aan het streven naar hoogwaardige producten, en aan de invoering van meer milieu- en visvriendelijke technieken, zonder daarbij de voortdurende verbetering van levens- en arbeidsomstandigheden uit het oog te verliezen.
De economische, sociale, milieutechnische en politieke omstandigheden veranderen voortdurend. De instrumenten voor steunverlening van de Gemeenschap moeten in het licht van hun functie worden aangepast om ervoor te zorgen dat zij kunnen blijven voldoen aan de behoeften die ontstaan door de veranderingen in de visserij en aquacultuur en op de wereldmarkten, door het gebruik van nieuwe technologieën, door de afname van de visbestanden, door de noodzaak van duurzame, milieuvriendelijke visserij, door de verslechtering van de waterkwaliteit in de aquacultuur, door regionaal ontwikkelingsbeleid en door de vraag van de consument.
De Gemeenschap moet, bij haar streven om de specifieke doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid te bereiken, ook zorgen voor de toekomst van de visserij op langere termijn en voor een duurzame exploitatie van de bestanden, wat betekent dat zij de nodige structurele wijzigingen moet aanbrengen om de visbestanden en de vangstcapaciteit met elkaar in evenwicht te brengen. De Gemeenschap moet de middelen krijgen om het overschot aan capaciteit sneller weg te werken en als hoogste prioriteit moet zij de bestaande herstelmaatregelen, beheersplannen en andere noodmaatregelen voor visbestanden herzien om deze economisch doeltreffender en in sociaal opzicht eerlijker te maken.
De ontwikkeling en verspreiding van vangsttechnieken die beter met het mariene milieu en met de visbestanden verenigbaar zijn, moet de Gemeenschap duidelijker steunen en verder moet zij investeringen in selectiever vistuig bevorderen, gebieden voor de visvangst sluiten en andere particuliere of gemeenschappelijke initiatieven voor selectieve visserij die verder gaan dan de verplichtingen op grond van communautaire voorschriften, stimuleren.
De ontwikkeling van de aquacultuursector biedt ook concrete mogelijkheden voor het scheppen van winstgevende werkgelegenheid en nieuwe economische activiteiten. Ook aan de aquacultuursector moet aandacht worden besteed wanneer duurzame ontwikkeling van hoogwaardige producten moet worden gecombineerd met een vermindering van de gevolgen voor het milieu.
Om de visbestanden te beschermen moet zoveel mogelijk waarde worden toegevoegd aan de vangsten en producten en moeten afval en teruggooi worden verminderd door een modern afzetbeleid en door het ontwikkelen van plaatselijke verwerkingsvoorzieningen voor visserij- en aquacultuurproducten. Communautaire steun voor een dergelijke beweging, die met name bedoeld is om zoveel mogelijk producten voor menselijke consumptie te maken, moet vooral worden gericht op kleine en micro-ondernemingen.
In deze tijden van grote veranderingen in de visserijsector moeten niet alleen stappen worden ondernomen om het menselijke kapitaal in de visserijsector te beschermen, maar ook om alle nieuwe know-how te verzamelen die nodig is voor een duurzame exploitatie van de visbestanden en voor de ontwikkeling van de aquacultuur; hiertoe moet met name degenen die in de visserijsector werkzaam zijn, gedurende hun gehele loopbaan passende opleiding worden geboden, moeten jongeren in de sector gaan werken en moet de gelijke behandeling van vrouwen en mannen worden bevorderd.
Het sociaal-economisch weefsel van de kustgebieden waar visserij wordt bedreven, zal hiervan gevolgen ondervinden en deze kustgebieden moeten leren omgaan met de beperkingen als gevolg van, onder andere, de veranderingen in de visserij en de aquacultuur, de ontwikkelingen op de wereldmarkt, de afnemende visbestanden en de noodzaak van een duurzame exploitatie van de natuurlijke rijkdommen en het milieu, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar de kwaliteit van het water in visgebieden en op aquacultuurbedrijven. De Gemeenschap moet zorgen voor begeleidende maatregelen bij de omschakeling in gebieden die worden getroffen door herstructureringen in de visserijsector. Het aantal gebieden dat voor steun in aanmerking komt, moet echter wel worden beperkt: het Fonds is niet bedoeld om alle kust- en merengebieden in de Gemeenschap te bestrijken.
Om beter in te spelen op de bijzondere kenmerken van de visserijactiviteiten, in combinatie met de sociale structuur van de visserijsector en de structurele en natuurlijke verschillen tussen de uiteenlopende visserijgebieden, moet het Europees Visserijfonds indien nodig meer rechtstreekse steun kunnen geven in het kader van beleid voor de duurzame ontwikkeling van kustgebieden, volledig afgestemd op en complementair met andere communautaire instrumenten, met name de fondsen voor structurele veranderingen en convergentie.
Gelet op de grote verscheidenheid aan gebieden en situaties in de Gemeenschap en op het subsidiariteitsbeginsel, moet steun uit het fonds voor de ontwikkeling van kustgebieden deel uitmaken van een geïntegreerde plaatselijke aanpak met een passende territoriale strategie, aangepast aan de plaatselijke situatie. Deze aanpak moet zo gedecentraliseerd mogelijk worden vormgegeven en uitgevoerd, waarbij de voorkeur uitgaat naar betrokkenheid van particuliere actoren in het veld en een bottom-upbenadering.
Het Europees Visserijfonds moet, net als het FIOV, een tweeledige rol spelen voor het toevoegen van communautaire waarde. In de eerste plaats moet het Europees Visserijfonds als financieringsinstrument dat integrerend deel uitmaakt van het gemeenschappelijk visserijbeleid, maatregelen voor het bestandsbeheer begeleiden en helpen bij de aanpassing van de productiestructuren en van de toezichtmiddelen van het GVB. Ten tweede moet het bijdragen aan de cohesie van de bevolkingsgroepen en gebieden die bij de visserij betrokken zijn.
Volgens het onderhavige voorstel kan het Europees Visserijfonds een grotere rol spelen bij de ontwikkeling en instandhouding van het economisch en sociaal weefsel van de visserijgemeenschappen die weinig alternatieven hebben, en kan het tegelijkertijd de doelstellingen van het Verdrag voor het gemeenschappelijk visserijbeleid nastreven.
Het Europees Visserijfonds handhaaft, net als de overige structuurfondsen, de bestaande beginselen van meerjarige programmering en monitoring, partnerschap, medefinanciering, subsidiariteit en voorrang voor probleemgebieden en gebieden die de grootste invloed dreigen te ondervinden van herstelmaatregelen.
Iedere lidstaat stelt een nationaal strategisch plan op met specifieke doelstellingen en prioriteiten voor acties van het Fonds in het licht van de communautaire strategische richtsnoeren voor het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dit strategisch plan, met daarin het optreden en de financiële bijdragen uit het Fonds alsmede de overige benodigde middelen, dient als referentiekader voor de opstelling van operationele programma’s.
Om acties van het Fonds doeltreffender te maken, is de voorgestelde aanpak gebaseerd op vereenvoudigde instrumenten, één enkele verordening en één enkel fonds voor communautaire bijstand. De operationele programma’s zullen zich ook toespitsen op een beperkt aantal prioriteiten, zonder nader in te gaan op alle technische details, die de naleving en de uitvoering zouden kunnen bemoeilijken.
De vijf prioritaire zwaartepunten zijn: “maatregelen voor de aanpassing van de communautaire vissersvloot”, “aquacultuur en verwerking van en handel in visserij- en aquacultuurproducten”, “maatregelen van collectief belang”, “duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij” en “technische bijstand”.
Het Fonds wordt uitgevoerd door middel van gezamenlijk beheer zoals gedefinieerd in het Financieel Reglement, en is gebaseerd op de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit. Het voorstel bevat belangrijke componenten voor vereenvoudiging en decentralisatie, met name de volgende:
De huidige programmeringsprocedure van drie fasen wordt vervangen door een aanpak met twee fasen, namelijk een strategische en een operationele. Bovendien worden operationele programma’s voortaan niet meer aangevuld met programmacomplementen waarin de maatregelen gedetailleerd worden beschreven, maar worden uitsluitend de belangrijkste prioriteiten voor de steunverlening vastgesteld.
Wat het financieel beheer betreft, is het betalingssysteem vereenvoudigd en wordt de steun alleen nog maar per prioriteit betaald, en niet langer per maatregel. Ook de medefinanciering wordt geregeld op het niveau van de prioriteiten.
De Commissie verlangt van de lidstaten uitsluitend dat zij het nodige doen om redelijke zekerheid te krijgen over een goed financieel beheer op basis waarvan zij haar verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de Gemeenschapsbegroting kan nakomen. Ook wordt het evenredigheidsbeginsel toegepast ten behoeve van evaluatie, inspectie, verslaglegging en lidmaatschap van het comité.
Met uitzondering van een korte lijst met negatieve criteria, worden de subsidiabiliteitsvoorwaarden vastgesteld op nationaal niveau. Het voorstel voorziet ook in de mogelijkheid van gedeeltelijke afsluiting.
Tot slot wordt het wettelijk kader radicaal vereenvoudigd aangezien bij de ontwerpverordening verscheidene bepalingen van de huidige Verordeningen (EG) nr. 1260/1999, (EG) nr. 1263/1999, (EG) nr. 2792/1999 en (EG) nr. 366/2001 gewijzigd of vervangen worden.
De financiële toewijzing voor het Fonds volgens de door de Commissie voorgestelde financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013[1] bedraagt 4,963 miljard euro voor een uitgebreide Europese Unie van 27 lidstaten, wat ruwweg overeenstemt met het bedrag voor het Europa van 15 landen in de periode 2000-2006 (3,7 miljard euro). Voor het verdelen van de financiële middelen over de lidstaten is de Commissie voornemens de methode op basis van objectieve criteria toe te passen die tijdens de Raad van Berlijn in 1999 is gebruikt voor de “convergentiedoelstelling” door de nodige redelijkheid aan de dag te leggen tegenover regio’s die hebben te lijden onder het “statistische effect” van de uitbreiding. Middelen voor regio’s die niet in aanmerking komen voor de convergentiedoelstelling zal de Commissie aan de lidstaten toewijzen op basis van de volgende objectieve criteria: de omvang van de visserijsector in de betrokken lidstaat, de mate waarin de visserij-inspanning moet worden aangepast, het aantal arbeidsplaatsen in de visserijsector, en de continuïteit van lopende acties.
Het grote publiek en de belanghebbenden zijn over het toekomstige instrument voor de visserij voor de periode 2007-2013 geraadpleegd tijdens een Europese conferentie van 27 tot en met 29 mei 2004 in Bundoran, Donegal County, Ierland. Tijdens deze conferentie hebben ongeveer 300 deelnemers hun mening kunnen geven. Het ging daarbij om vertegenwoordigers van zowel de sector en de bevoegde overheidsdiensten, als consumenten en niet-gouvernementele organisaties. De conclusies van deze conferentie zijn waar mogelijk verwerkt in dit voorstel voor een verordening.
Volgens de effectbeoordeling bij dit voorstel zal de steunverlening uit hoofde van het Europees Visserijfonds naar verwachting vooral zorgen voor: een bijdrage aan het streven naar evenwicht tussen de beschikbare rijkdommen en de visserij-activiteiten; een zekere compensatie voor de sociaal-economische moeilijkheden als gevolg van de ontwikkelingen in de activiteiten in de sector en de nodige herstructurering; een bijdrage aan de bescherming van het mariene milieu en een grotere selectiviteit van het vistuig en verbeteringen in de veiligheid aan boord, de arbeidsomstandigheden, de gezondheid en de productkwaliteit.
2004/0169 (CNS)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN DE RAAD
Europees Visserijfonds
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,
Gezien het voorstel van de Commissie[2],
Gezien het advies van het Europees Parlement[3],
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[4],
Gezien het advies van het Comité van de regio's[5],
Overwegende hetgeen volgt:
De ontwikkeling van de communautaire vissersvloot moet worden gereguleerd, met name bij besluiten die de Raad en de Commissie moeten nemen krachtens hoofdstuk II van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid[6].
Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) moet gericht zijn op een duurzame exploitatie van de levende aquatische rijkdommen en een duurzame aquacultuur in het kader van een duurzame ontwikkeling waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met milieutechnische, economische en sociale aspecten.
De werkingssfeer van het gemeenschappelijk visserijbeleid omvat de instandhouding, het beheer en de exploitatie van visbestanden en aquacultuuractiviteiten, evenals de verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten, voorzover deze activiteiten worden uitgeoefend op het grondgebied van de lidstaten of in communautaire wateren dan wel door communautaire vaartuigen of onderdanen van lidstaten.
Op grond van artikel 33, lid 2, van het Verdrag moet rekening worden gehouden met de bijzondere aard van de activiteiten die voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de sector en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende regio’s waar visserij wordt bedreven.
Duurzame ontwikkeling is een aspect van het gemeenschappelijk visserijbeleid dat sinds 1993 is geïntegreerd in de regels inzake de Structuurfondsen. Bij dit beleid moet ook in de toekomst worden gestreefd naar duurzame ontwikkeling door middel van het Europees Visserijfonds.
De doelstelling van het GVB om te komen tot duurzame ontwikkeling, kunnen de lidstaten niet bereiken vanwege de structurele belemmeringen voor de ontwikkeling van de visserijsector en de beperkte financiële middelen waarover de lidstaten in de uitgebreide Unie beschikken. Deze doelstelling kan beter worden bereikt op het niveau van de Gemeenschap door middel van meerjarige financiering die is toegespitst op de betrokken prioriteiten. Volgens het subsidiariteitsbeginsel dat is vastgelegd in artikel 4 van het Verdrag, kan de Gemeenschap maatregelen vaststellen.
In het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten de prioriteiten van de Gemeenschap inzake duurzame ontwikkeling worden verwerkt die zijn vastgesteld tijdens de Europese Raden van Lissabon en Göteborg.
Bij de programmering moeten de activiteiten van het Fonds met het oog op een duurzame ontwikkeling worden gecoördineerd met die van de overige fondsen en met die van de Structuurfondsen en het EIB, waarbij die coördinatie ook moet worden uitgebreid tot combinaties van subsidies en leningen.
Het optreden van het Fonds en de concrete acties waaraan het Fonds financieel bijdraagt, moeten verenigbaar zijn met de overige communautaire beleidslijnen en voldoen aan alle Gemeenschapswetgeving.
Acties van de Gemeenschap moeten complementair zijn met of een bijdrage leveren aan de acties van de lidstaten, en om een significante toegevoegde waarde te waarborgen moet het partnerschap worden versterkt. Dit partnerschap omvat de regionale en lokale autoriteiten, de overige bevoegde autoriteiten met inbegrip van die welke verantwoordelijk zijn voor het milieu en voor het bevorderen van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de economische en sociale partners, en andere betrokken instanties. De relevante partners moeten worden betrokken bij de voorbereiding van, het toezicht op en de evaluatie van de bijstand.
De Gemeenschap mag maatregelen nemen volgens het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag en volgens het evenredigheidsbeginsel dat in hetzelfde artikel is vastgelegd. Deze verordening gaat niet verder dan noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken.
Differentiatie van de middelen die Commissie en lidstaten gebruiken, kan worden toegepast om de tenuitvoerlegging van de Fondsen te vereenvoudigen en de verantwoordelijkheden van lidstaten en Commissie te verduidelijken.
Volgens artikel 274 van het Verdrag moeten de lidstaten met de Commissie samenwerken om naleving van het beginsel van goed financieel beheer te waarborgen. Hiertoe zijn in de verordening de voorwaarden opgenomen op grond waarvan de Commissie kan voldoen aan haar verplichtingen voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
Voor de doelmatigheid en de doorzichtigheid van het optreden van de Structuurfondsen is het nodig dat de bevoegdheden van de lidstaten en van de Gemeenschap nauwkeurig worden afgebakend. Deze bevoegdheden moeten voor elk stadium van de programmering, het toezicht, de evaluatie en de inspectie nader worden omschreven. Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie, zijn de uitvoering van en de controle op de bijstandsverlening, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel in eerste instantie bevoegdheden van de lidstaten.
De artikelen 2 en 3 van het Verdrag waarborgen het opheffen van ongelijkheden en het bevorderen van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
De Commissie moet een indicatieve verdeling maken van de beschikbare vastleggingskredieten volgens een objectieve en doorzichtige methode, met een sterke concentratie van middelen bij de regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen.
De beschikbare kredieten van het Fonds moeten met het oog op de programmering forfaitair worden geïndexeerd, en deze indexering moet zo nodig vóór 31 december 2010 technisch worden herzien.
Om het hefboomeffect van de Gemeenschapsbijdrage te vergroten door het gebruik van particuliere financieringsbronnen zoveel mogelijk te stimuleren, en om meer rekening te houden met de rentabiliteit van de concrete acties, moeten de bijstandsvormen van het Fonds gediversifieerd en de bijstandspercentages gedifferentieerd worden teneinde het communautair belang te bevorderen, het gebruik van gediversifieerde financieringsbronnen aan te moedigen en de bijdrage van het Fonds te beperken door het gebruik van adequate bijstandsvormen te bevorderen.
Om de strategische inhoud van het gemeenschappelijk visserijbeleid te versterken overeenkomstig de prioriteiten van de Commissie voor een duurzame ontwikkeling van de visserij en aquacultuur, moet de Raad op voorstel van de Commissie strategische richtsnoeren vaststellen met prioriteiten voor bijstandsverlening in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
Om de programmeringsprocedures te stroomlijnen, moeten de verantwoordelijkheden van de Commissie worden onderscheiden van die van de lidstaten. Daartoe moet worden bepaald dat de Commissie, op voorstel van de lidstaten, de ontwikkelingsstrategieën en -prioriteiten van de programmering, alsmede de daarmee samenhangende financiële bijdrage van de Gemeenschap en uitvoeringsvoorwaarden vaststelt, en dat de lidstaten over de toepassing daarvan beslissen.
Omwille van de vereenvoudiging en decentralisering moeten de programmering en het financieel beheer plaatsvinden op het niveau van de prioriteiten, en moeten de programmacomplementen en communautaire bestekken worden afgeschaft.
De programmering moet worden vereenvoudigd door de duur van de programmeringsperiode vast te stellen op zeven jaar. In dit verband moeten de bijstandsvormen en het aantal bijstandsregelingen worden beperkt en moeten deze als algemene regel worden teruggebracht tot één operationeel programma per lidstaat.
Voor het definiëren van in aanmerking komende gebieden moeten criteria worden vastgesteld. In dit verband moet voor de afbakening van de op communautair niveau als prioritair aan te merken zones gebruik worden gemaakt van het gemeenschappelijk systeem voor de indeling van regio’s, vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) [7].
Om de sociaal-economische gevolgen van het GVB te beperken, moeten begeleidende maatregelen worden vastgesteld in de vorm van een ontwikkelingsbeleid voor kustgebieden ten uitvoer te leggen.
Gelet op de grote verscheidenheid aan situaties en gebieden in de hele Gemeenschap en op het subsidiariteitsbeginsel, moet het beleid voor de ontwikkeling van gebieden voor de binnenvisserij deel uitmaken van een geïntegreerde aanpak met een passende territoriale aanpak en aangepast aan de plaatselijke context; bovendien moet dit beleid zo gedecentraliseerd mogelijk zijn, voorrang geven aan participatie van actoren in het veld en gebaseerd zijn op een bottom-upbenadering; voor het beleid moeten ook kleinschalige concrete acties in aanmerking komen en er moet sprake zijn van een substantiële participatie van actoren uit de particuliere sector.
De goedkeuring door de Raad van meerjarige herstelplannen is een absolute prioriteit en deze plannen moeten vergezeld gaan van door het Fonds medegefinancierde plannen voor het aanpassen van de visserij-inspanning.
Wanneer een visserijovereenkomst tussen de Gemeenschap en een derde land niet wordt vernieuwd of wanneer de vangstmogelijkheden in het kader van een internationale overeenkomst drastisch worden verlaagd, moeten eveneens meerjarige plannen voor het beheer van de visserij-inspanning worden vastgesteld die zijn gericht op het aanpassen van de vloot aan de nieuwe situatie.
Bepaald moet worden op welke wijze de visserij-inspanning moet worden aangepast bij noodmaatregelen van de lidstaten of van de Commissie op grond van respectievelijk artikel 7 en artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2371/2002.
De communautaire vloot moet worden verkleind zodat hij is aangepast aan de beschikbare en toegankelijke visbestanden.
Voor de uitvoering van de herstructurering van de vissersvloten zijn begeleidende sociaal-economische maatregelen noodzakelijk.
Er moeten voorwaarden worden vastgesteld voor de toekenning van toelagen en financiële compensaties aan vissers en reders wanneer zij hun activiteiten tijdelijk moeten stilleggen of wanneer technische beperkingen worden ingesteld ten aanzien van de technische uitrusting van vaartuigen of de vangstmethodes.
Het is voor de visserijsector van vitaal belang een duurzaam evenwicht te bereiken tussen de visbestanden en de exploitatie daarvan, daarbij voldoende rekening houdend met de gevolgen ervan voor het milieu. Derhalve moeten passende maatregelen worden vastgesteld, niet alleen ter bescherming van de voedselketen, maar ook voor de aquacultuur en de verwerkende industrie.
Er moeten voorwaarden worden vastgesteld voor de toekenning van steun aan de aquacultuur en aan de verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten, zonder afbreuk te doen aan de economische levensvatbaarheid van deze sectoren; hiertoe dient een beperkt aantal prioritaire doelstellingen voor bijstandverlening te worden gekozen en moet de structurele steun worden toegespitst op kleine en micro-ondernemingen.
Collectieve acties van de sector moeten eveneens worden opgenomen in de maatregelen van het Fonds.
Door middel van technische bijstand moet het Fonds steun verlenen voor evaluaties, studies, proefprojecten en uitwisselingen van ervaringen ter bevordering van innovatieve benaderingen en methoden met een eenvoudige en doorzichtige uitvoering.
De gedecentraliseerde uitvoering van de concrete acties van het Visserijfonds door de lidstaten moet voldoende garanties bieden inzake de aard en de kwaliteit van de uitvoering van de concrete acties, de resultaten van die acties en de evaluatie daarvan, alsmede goed financieel beheer en het toezicht daarop.
De doeltreffendheid en het effect van de concrete acties van de Structuurfondsen hangen ook af van een betere en grondiger evaluatie. In dit verband moeten de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie worden vastgelegd, evenals regelingen om de betrouwbaarheid van de evaluaties te garanderen.
Ten behoeve van de voorbereiding, herziening en effectbeoordeling van bijstand moet de bijstand worden geëvalueerd en moet het evaluatieproces worden geïntegreerd in de follow-up van de bijstand; te dien einde moeten de doelstellingen en de inhoud van elke evaluatiefase nader worden bepaald.
Voor een doelmatige werking van het partnerschap en om de bijstandsverlening door de Gemeenschap te bevorderen, is het noodzakelijk dat hieraan via voorlichting en informatieverstrekking een zo ruim mogelijke bekendheid wordt gegeven. De voor het beheer van de bijstandspakketten bevoegde autoriteiten zijn hiervoor verantwoordelijk, en zij moeten de Commissie op de hoogte brengen van de genomen maatregelen.
Ter waarborging van een doeltreffende en regelmatige uitvoering is het noodzakelijk de verplichtingen van de lidstaten inzake beheers- en controlesystemen, geldigverklaring van de uitgaven en voorkoming, opsporing en correctie van onregelmatigheden en overtredingen van het Gemeenschapsrecht, nader te bepalen.
Voor ieder bijstandpakket moeten een beheersautoriteit, een certificeringsautoriteit en een auditautoriteit worden aangewezen en moeten de verantwoordelijkheden daarvan worden gespecificeerd. Deze bevoegdheden behelzen in hoofdzaak het waarborgen van een goede financiële uitvoering, het organiseren van de evaluatie, het certificeren van de daadwerkelijk door de begunstigden gedane uitgaven en het nakomen van de verplichtingen inzake openbaarmaking en van de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen. Bepaald moet worden dat de Commissie en de betrokken nationale autoriteiten regelmatig bijeenkomen om toezicht te houden op de bijstandverlening.
Gepreciseerd moet worden dat het comité van toezicht een door de lidstaat benoemd orgaan is dat het bijstandspakket begeleidt, het beheer ervan door de beheersautoriteit controleert, de naleving van de voor de uitvoering vastgestelde richtsnoeren en voorwaarden waarborgt en de evaluatie ervan onderzoekt.
Indicatoren en jaarverslagen over de uitvoering zijn essentieel voor het toezicht en het is noodzakelijk deze elementen nauwkeuriger te bepalen, zodat zij een getrouw beeld geven van de voortgang van de uitvoering van de bijstandspakketten en van de kwaliteit van de programmering.
Onverminderd de bestaande bevoegdheden van de Commissie inzake financiële controle is het wenselijk de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten op dit gebied te versterken.
De voorschriften en procedures inzake vastleggingen en betalingen moeten worden vereenvoudigd zodat begrotingsmiddelen jaarlijks in één keer kunnen worden vastgelegd, in overeenstemming met de meerjarige financiële vooruitzichten en met het financieringsplan voor de bijstandspakketten, terwijl de bijdragen moeten worden betaald door middel van een voorfinanciering en vervolgens vergoedingen van de gedane uitgaven. De eventueel door de voorfinanciering voortgebrachte rente moet overeenkomstig de vaste rechtspraak worden aangemerkt als middelen van de betrokken lidstaat die, om het effect van de fondsen te versterken, voor dezelfde doeleinden als de voorfinanciering zelf dienen te worden gebruikt.
Goed financieel beheer moet worden gewaarborgd door te bepalen dat uitgaven naar behoren gerechtvaardigd en geldig verklaard moeten worden, en door de betalingen afhankelijk te stellen van de nakoming van de fundamentele verplichtingen inzake toezicht op de programmering, financiële controle en toepassing van het Gemeenschapsrecht.
Voor een goed beheer van de middelen van de Gemeenschap moeten de raming en de uitvoering van de uitgaven worden verbeterd. Daartoe moeten de lidstaten hun ramingen inzake het gebruik van de communautaire middelen regelmatig aan de Commissie meedelen en moet vertraging bij de financiële uitvoering aanleiding geven tot terugbetaling van de voorfinanciering en ambtshalve doorhaling.
Eén van de waarborgen voor de doeltreffendheid van concrete acties van de Structuurfondsen is een effectief toezicht. Het is noodzakelijk het toezicht te verbeteren en de verantwoordelijkheden in dat verband preciezer te omschrijven. Er moet met name een onderscheid worden gemaakt tussen beheersfuncties en toezichtfuncties.
Omwille van de doeltreffendheid van door het Fonds medegefinancierde maatregelen, moet afhankelijk van de beschikbaarheid gedurende twee jaar een voorfinanciering van 7% worden toegekend.
Omwille van een goed financieel beheer en efficiëntie moet bij doorhaling de n+2-regel worden toegepast.
Overeenkomstig artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[8] moeten de voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld volgens de raadplegingsprocedure van artikel 3 van dat besluit of, wanneer het beheersmaatregelen betreft, volgens de beheersprocedure van artikel 4.
Er moeten bijzondere overgangsbepalingen worden vastgesteld die het mogelijk maken de nieuwe programmering vanaf de inwerkingtreding van deze verordening voor te bereiden, en die waarborgen dat de bijstandsverlening aan de lidstaten niet wordt onderbroken in afwachting dat de plannen en bijstandspakketten volgens de nieuwe regeling worden opgesteld.
Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 en Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector en andere bepalingen moeten worden ingetrokken. Met het oog op een goede uitvoering van bijstand, concrete acties en projecten die tot en met 31 december 2006 worden goedgekeurd, blijven de ingetrokken bepalingen daarop echter wel van toepassing,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
TITEL I
DOELSTELLINGEN EN ALGEMENE VOORSCHRIFTEN INZAKE BIJSTAND
HOOFDSTUK IWerkingssfeer en begripsomschrijvingen
Artikel 1
Werkingssfeer
Bij deze verordening wordt een Europees Visserijfonds (hierna “het Fonds” genoemd) ingesteld en wordt het kader vastgesteld voor communautaire steun ten behoeve van de duurzame ontwikkeling van de visserijsector en van kustgebieden met visserij.
Artikel 2
Geografische werkingssfeer
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn van toepassing op het gehele grondgebied van de Europese Unie.
In afwijking van lid 1, selecteren de lidstaten op basis van de criteria van artikel 42, de leden 3 en 4, de gebieden die in aanmerking komen voor steunverlening ten behoeve van de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij als bedoeld in titel IV, hoofdstuk IV.
Artikel 3
Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
“visserijsector”: de economische sector bestaande uit alle activiteiten voor de productie, verwerking en afzet van visserijproducten;
“visser”: elke persoon die zijn hoofdberoep, zoals erkend door de betrokken lidstaat, uitoefent aan boord van een in bedrijf zijnd vissersvaartuig;
“in de visserij werkzame personen”: elke persoon die zijn hoofdberoep uitoefent in de visserijsector als gedefinieerd onder a);
“vissersvaartuig”: elk vissersvaartuig als gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002;
“aquacultuur”: de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu; deze organismen blijven in de gehele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;
“kleine en micro-ondernemingen”: iedere kleine en micro-onderneming als gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen[9];
“operationeel programma” (OP): het door de lidstaat opgestelde en door de Commissie goedgekeurde document waarin een coherente reeks prioriteiten is vastgesteld;
“programmering”: het proces van organisatie, besluitvorming en financiering dat in verscheidene fasen plaatsvindt en tot doel heeft op meerjarenbasis uitvoering te geven aan het gezamenlijke optreden van de Gemeenschap en de lidstaten ter verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het Fonds;
“prioritair zwaartepunt”: een van de prioriteiten van de strategie in een operationeel programma bestaande uit een groep samenhangende maatregelen die zijn vastgesteld in de communautaire strategische richtsnoeren;
“maatregel”: een reeks acties ter uitvoering van een prioritair zwaartepunt;
“concrete actie”: project dat door een of meer begunstigden ten uitvoer wordt gelegd;
“begunstigde”: een actor, instantie of onderneming uit de overheids- of de privé-sector die belast is met het initiatief nemen tot en/of de tenuitvoerlegging van concrete acties. In het kader van de steunmaatregelen als bedoeld in artikel 87 van het Verdrag zijn begunstigden overheids- of privé-bedrijven die een afzonderlijke actie uitvoeren en overheidssteun ontvangen;
“overheidsuitgaven”: overheidsuitgaven door nationale of territoriale autoriteiten of uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen alsmede elke soortgelijke uitgave, met inbegrip van uitgaven door publiekrechtelijke instellingen in de zin van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad[10];
”convergentiedoelstelling”: de doelstelling omschreven in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. …/2004 van de Raad van… houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds[11].
HOOFDSTUK II
Doelstellingen en taken
Artikel 4
Doelstellingen
De bijstand van het Fonds moet worden gericht op:
ondersteuning van het gemeenschappelijk visserijbeleid ter waarborging van een duurzame exploitatie van de levende aquatische rijkdommen en een duurzame aquacultuur die de nodige voorwaarden schept voor milieutechnische, economische en sociale duurzaamheid;
bevordering van een duurzaam evenwicht tussen de visbestanden en de capaciteit van de communautaire vloot:
versterking van de concurrentiekracht van de exploitatiestructuren en bevordering van de ontwikkeling van economisch levensvatbare ondernemingen in de visserijsector;
bevordering van de bescherming van het milieu en de natuurlijke rijkdommen;
stimulering van duurzame ontwikkeling en van verbetering van de levenskwaliteit in zee-, kust- en merengebieden die invloed ondervinden van visserij- en aquacultuuractiviteiten;
bevordering van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de ontwikkeling van de visserijsector en de kustgebieden met visserij.
Artikel 5
Taken
Steun voor de visserijsector wordt verleend door middel van een Europees Visserijfonds (hierna “het Fonds” of “EVF” genoemd). De uit hoofde van deze verordening uitgevoerde maatregelen moeten bijdragen tot de algemene doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag en de doelstellingen die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Indien nodig zullen deze maatregelen worden gecombineerd met of een aanvulling vormen op andere communautaire instrumenten en beleidslijnen.
HOOFDSTUK III
Beginselen inzake bijstandsverlening
Artikel 6
Complementariteit, coherentie en conformiteit
Het Fonds verleent bijstand als aanvulling op nationale, regionale en plaatselijke maatregelen waarin de prioriteiten van de Gemeenschap worden geïntegreerd.
De Commissie en de lidstaten waarborgen dat de bijstand van het Fonds samenhangt met de activiteiten, beleidslijnen en prioriteiten van de Gemeenschap.
De lidstaten waarborgen dat door het Fonds gefinancierde concrete acties voldoen aan de bepalingen van het Verdrag en de op grond daarvan genomen besluiten, en aan de communautaire beleidslijnen en acties, in het bijzonder aan de voorschriften inzake mededinging, gunning van overheidsopdrachten en bescherming en verbetering van het milieu.
Door het Fonds gefinancierde concrete acties mogen niet rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot een verhoging van de visserij-inspanning.
Het bepaalde in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 is van toepassing.
Artikel 7
Staatssteun
Onverminderd lid 2, zijn de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag van toepassing op steun van de lidstaten aan ondernemingen in de visserijsector.
De artikelen 87, 88 en 89 zijn niet van toepassing op verplichte financiële bijdragen van de lidstaten aan door de Gemeenschap medegefinancierde maatregelen waarin is voorzien bij een operationeel programma als bedoeld in titel III, hoofdstuk I.
Bij maatregelen waaraan de overheid een financiële bijdrage levert die groter is dan de in lid 2 bedoelde verplichte financiële bijdragen, wordt het bijstandpakket als geheel beoordeeld op basis van lid 1.
Artikel 8
Partnerschap
Besluiten tot bijstandsverlening uit hoofde van het Fonds neemt de Commissie in het kader van een nauwe samenwerking, hierna “partnerschap” genoemd, tussen de Commissie en de lidstaat. De lidstaat organiseert overeenkomstig de huidige nationale voorschriften en praktijken, een partnerschap met de autoriteiten en organen die zij daartoe aanwijst, namelijk:
de bevoegde regionale, plaatselijke en andere overheden;
de economische en sociale partners;
enig ander passend orgaan ter vertegenwoordiging van burgers, milieuorganisaties, niet-gouvernementele organisaties en organen ter bevordering van een gelijke behandeling van vrouwen en mannen.
De lidstaat wijst de meest representatieve partners aan op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, op economisch en sociaal gebied en in andere kringen (hierna “de partners” genoemd). De lidstaat zorgt overeenkomstig de nationale voorschriften en praktijken voor een brede en doeltreffende betrokkenheid van alle passende organen, rekening houdend met de noodzaak van het bevorderen van de gelijke behandeling van vrouwen en mannen, en van een duurzame ontwikkeling door het integreren van milieubeschermings- en milieuverbeteringseisen.
Het partnerschap moet voldoen aan alle op iedere partner afzonderlijk toepasselijke institutionele, juridische en financiële wettelijke bepalingen.
Het partnerschap is bevoegd voor de voorbereiding van en het toezicht op het in artikel 15 bedoelde nationale strategische plan, en voor de voorbereiding en uitvoering van en het toezicht op de operationele programma’s. De lidstaten betrekken alle relevante partners bij de verschillende fasen van de programmering binnen de voor iedere fase geldende termijnen.
Artikel 9
Subsidiariteit en evenredigheid
De lidstaten worden belast met de uitvoering van de operationele programma’s. Daarbij moeten zij op het passende territoriale niveau voldoen aan alle in deze verordening vastgestelde eisen inzake beheer en toezicht.
De door de Commissie en de lidstaten ingezette middelen kunnen variëren naargelang van de omvang van de bijdrage van de Gemeenschap. Dit geldt met name voor de middelen die de Commissie gebruikt voor evaluatie, inspectie en deelname in het kader van de comités van toezicht als bedoeld in artikel 61, en voor de jaarverslagen over operationele programma’s.
Artikel 10
Gedeeld beheer
De begroting van het Fonds wordt uitgevoerd onder gedeeld beheer door de lidstaten en de Commissie overeenkomstig artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1605/2002 van de Raad. De in artikel 45, lid 1, bedoelde begroting voor technische bijstand wordt echter uitgevoerd door de Commissie in het kader van direct beheer. De lidstaten en de Commissie waarborgen de naleving van het beginsel van goed financieel beheer overeenkomstig artikel 274 van het Verdrag.
De Commissie zal haar verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen als volgt uitoefenen:
De Commissie controleert het bestaan en de goede werking van beheers- en controlesystemen in de lidstaten overeenkomstig titel VII, hoofdstuk I.
De Commissie zal overeenkomstig de artikelen 84, 85 en 86 besluiten tot uitstel van, inhouding op of schorsing van alle of enkele betalingen indien de nationale beheers- en controlesystemen niet naar behoren functioneren, en past in voorkomend geval de nodige financiële correcties toe volgens de procedures van de artikelen 97 en 98.
De Commissie controleert de terugbetalingen van voorfinancieringen en haalt vastleggingen ambtshalve door overeenkomstig de artikelen 78, lid 2, artikel 87 en artikel 91.
Door toepassing van deze maatregelen vergewist de Commissie zich ervan dat de lidstaten de middelen op een wettige en correcte manier gebruiken volgens het beginsel van goed financieel beheer in de zin van de artikelen 27 en 28 van Verordening (EG) nr. 1605/2002 van de Raad.
Het bepaalde in titel II van het tweede deel van Verordening (EG) nr. 1605/2002 is van toepassing op bijstand van het Fonds.
Artikel 11
Gelijke behandeling van vrouwen en mannen
De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat de gelijke behandeling van vrouwen en mannen en de integratie van het genderperspectief worden bevorderd in de opeenvolgende fasen van de uitvoering van het Fonds, met inbegrip van het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie.
De lidstaten zorgen ervoor dat concrete acties die de rol van vrouwen in de visserijsector vergroten, worden bevorderd.
HOOFDSTUK IV
Financieel kader
Artikel 12
Middelen en concentratie
De middelen die beschikbaar zijn voor de vastleggingen voor het Fonds, uitgedrukt in prijzen van 2004, bedragen 4,963 miljard euro voor de periode 2007 tot en met 2013, over de betrokken jaren verdeeld als omschreven in bijlage I.
Van bovengenoemde middelen wordt 0,8 % gereserveerd voor technische bijstand voor de Commissie overeenkomstig artikel 45.
De in lid 1 bedoelde bedragen worden met het oog op de programmering en de opvoering ervan op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen per […] met […] per jaar geïndexeerd.
Bij de in lid 1 bedoelde verdeling van de begrotingsmiddelen die niet zijn gereserveerd voor de in lid 2 genoemde doeleinden, moet worden gezorgd voor een significante concentratie van middelen in de regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen.
De Commissie zorgt ervoor dat de totale jaarlijkse toewijzingen voor een lidstaat uit het Fonds krachtens deze verordening en uit het EFRO en het ESF krachtens Verordening (EG) nr. (…), met inbegrip van de bijdrage van het EFRO aan de financiering van het grensoverschrijdende deel van het European Neighbourhood and Partnership Instrument krachtens Verordening (EG) nr. (…) en uit het pretoetredingsinstrument krachtens Verordening (EG) nr. (…) en uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) krachtens Verordening (EG) nr. (…), afkomstig van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, als bijdrage aan de convergentiedoelstelling, niet meer dan 4% van het BBP van de lidstaat bedraagt, zoals geraamd op de datum van goedkeuring van de interinstitutionele overeenkomst.
De verordeningen betreffende de in dit lid genoemde andere financiële instrumenten dan het Europees Visserijfonds bevatten een vergelijkbare bepaling.
Artikel 13
Financiële verdeling
De Commissie stelt indicatieve verdelingen vast van de vastleggingskredieten over de lidstaten voor de programmaperiode 2007 tot en met 2013, waarbij het aandeel van de bijdrage aan de convergentiedoelstelling buiten beschouwing wordt gelaten en gebruik wordt gemaakt van de volgende criteria: omvang van de visserijsector in de lidstaat, de mate waarin de visserij-inspanning moet worden aangepast, het aantal arbeidsplaatsen in de visserijsector, en de continuïteit van lopende maatregelen.
TITEL II
STRATEGISCHE RICHTSNOEREN
HOOFDSTUK I
STRATEGISCHE RICHTSNOEREN
Artikel 14
Communautaire strategische richtsnoeren
De communautaire strategische richtsnoeren voor de ontwikkeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid vormen een kader voor de voorbereiding en tenuitvoerlegging van het Fonds. Zij zijn het referentiekader voor de bijdragen van het Fonds aan de tenuitvoerlegging van het in artikel 15 bedoelde nationaal strategisch plan.
De Raad stelt op het niveau van de Gemeenschap strategische richtsnoeren vast voor de duurzame ontwikkeling van de visserij- en aquacultuursector en de kustgebieden met visserij in de Gemeenschap voor de periode 2007 tot en met 2013.
In deze richtsnoeren worden de prioriteiten vastgesteld voor bijstandsverlening binnen dit prioritaire zwaartepunt overeenkomstig titel IV.
De communautaire strategische richtsnoeren worden uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening vastgesteld volgens de procedure van artikel 37 van het Verdrag.
De richtsnoeren worden indien nodig halverwege herzien op basis van de strategische evaluatie overeenkomstig artikel 48, lid 4.
HOOFDSTUK II
Nationaal strategisch plan
Artikel 15
Nationaal strategisch plan
Uiterlijk drie maanden na de goedkeuring van de strategische richtsnoeren en vóór de indiening van het operationeel programma stelt iedere lidstaat een nationaal strategisch plan voor de visserijsector vast.
Na nauw overleg met de partners wordt het nationaal strategisch plan bij de Commissie ingediend, rekening houdend met de bevindingen van de in artikel 47 bedoelde evaluatie.
Over het nationaal strategisch plan vindt een dialoog tussen lidstaat en Commissie plaats.
Het nationaal strategisch plan bestrijkt alle aspecten van het gemeenschappelijk visserijbeleid en bevat de prioriteiten, doelstellingen en termijnen voor de uitvoering ervan, met bijzondere aandacht voor:
de vermindering van de visserij-inspanning en vangstcapaciteit en de middelen en termijnen voor het bereiken van de doelstelling voor de betrokken visserijtak en vloot;
de ontwikkeling van de aquacultuur en van de verwerking en afzet van producten daarvan;
de uitvoeringsstrategie om te voldoen aan de vereisten inzake inspectie en controle van visserij-activiteiten en gegevens- en informatieverzameling betreffende het GVB;
de strategie voor de levering van visserijproducten en de ontwikkeling van visserij-activiteiten buiten de communautaire wateren;
de strategie voor de ontwikkeling van de kustgebieden en de criteria voor het selecteren van deze gebieden.
Artikel 16
Inhoud van het nationaal strategisch plan
Het nationaal strategisch plan bevat een beknopte omschrijving van:
de toestand van de visserijsector als geheel;
de milieueffectbeoordeling;
de indicatieve verdeling van de beschikbare overheidsmiddelen voor de uitvoering van het GVB met vermelding van, in voorkomend geval, het voor iedere nationale prioriteit voor bijstandsverlening uit het Fonds gefinancierde deel en het uit nationale overheidsmiddelen gefinancierde deel van de bijstand.
HOOFDSTUK III
Strategische follow-up
Artikel 17
Strategisch verslag van de Commissie en de lidstaten
De lidstaten dienen uiterlijk op 30 april 2011 bij de Commissie een verslag in over de tenuitvoerlegging van het nationaal strategisch plan met een samenvatting van de belangrijkste ontwikkelingen, tendensen en uitdagingen, onder andere over de tenuitvoerlegging van de strategische richtsnoeren.
Uiterlijk op 31 oktober 2011 dient de Commissie bij de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s een verslag in over de tenuitvoerlegging van de nationale strategische plannen en de communautaire strategische richtsnoeren.
De Commissie stelt het in artikel 100 bedoelde comité van het Fonds in kennis.
TITEL III
PROGRAMMERING
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen inzake het Fonds
Artikel 18
Inhoud van het operationeel programma
De operationele programma’s omvatten de strategie, de prioriteiten en de specifieke doelstellingen voor het gemeenschappelijk visserijbeleid en het gemeenschappelijk beleid op andere gebieden.
Bijstand wordt uitsluitend verleend in het kader van operationele programma's. De lidstaten stellen op nationaal niveau een operationeel programma vast na nauw overleg met de regionale en plaatselijke economische en sociale partners in de visserijsector en met alle andere relevante organen naargelang van hun institutionele structuur.
Elk operationeel programma bevat
de prioriteiten zoals gedefinieerd in de strategische richtsnoeren, de bijbehorende specifieke doelstellingen, waar mogelijk gekwantificeerd, het verwachte effect en de coherentie ervan met het nationaal strategisch plan;
een beknopte beschrijving van de belangrijkste geplande maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de prioriteiten;
de complementariteit met de acties die zijn gepland in het kader van het Europees landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en de overige Structuurfondsen;
een financieringsplan met twee tabellen:
de eerste tabel bevat voor ieder jaar overeenkomstig artikel […] een verdeling van het bedrag van de geplande totale financiële toewijzing voor de bijdrage uit het Fonds. In het financieringsplan wordt afzonderlijk vermeld welk gedeelte van de totale bijdrage uit het Fonds is gereserveerd voor de convergentiedoelstelling. De totale bijdrage van het Fonds moet verenigbaar zijn met de toepasselijke financiële vooruitzichten;
de tweede tabel bevat voor de gehele programmeringsperiode en voor iedere prioriteit afzonderlijk het bedrag van de geplande communautaire bijdrage en van de nationale overheidsbijdragen, het steunpercentage van de bijdrage uit het Fonds voor iedere prioriteit en het bedrag dat is toegewezen voor technische bijstand. In voorkomend geval wordt in de tabel afzonderlijk vermeld welke bijdrage van het Fonds is gereserveerd voor de convergentieregio’s, alsmede de overeenkomstige nationale overheidsbijdragen.
De operationele programma’s moeten in overeenstemming zijn met de strategische richtsnoeren en het nationaal strategisch plan.
Artikel 19
Bepalingen betreffende de uitvoering van het operationeel programma
Iedere lidstaat legt in de betrokken uitvoeringsbepalingen met name het volgende vast:
alle in artikel 57 bedoelde nationale autoriteiten die door de lidstaat zijn aangewezen;
een beschrijving van de in artikel 58 bedoelde procedures voor het beheer van operationele programma’s;
acties ter verbetering en modernisering van de bestuurlijke structuren voor de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid en versterking van de bestuurlijke capaciteit voor beheer en controle van het Fonds;
een beschrijving van de evaluatie- en controlesystemen en de samenstelling van het in de artikelen 46 en 61 tot en met 63 bedoelde comité van toezicht;
de procedures voor de controle van de tenuitvoerlegging van het operationeel programma als bedoeld in artikel 60;
een omschrijving van de procedures voor de beschikbaarstelling en de overmaking van de financiële middelen, teneinde de doorzichtigheid van deze geldstromen te verzekeren;
de voorzieningen om te waarborgen dat de operationele programma’s overeenkomstig artikel 50 bekendgemaakt worden;
een beschrijving van de door Commissie en lidstaat overeengekomen procedures voor de geautomatiseerde uitwisseling van gegevens om te voldoen aan de in deze verordening gestelde eisen inzake toezicht en evaluatie;
de aangewezen onafhankelijke auditsinstantie als bedoeld in artikel 69, lid 3.
Voor iedere vorm van bijstand als bedoeld in titel IV stellen de lidstaten in hun operationele programma’s de voorwaarden en procedures voor uitvoering vast. In het programma dient met name duidelijk het doel van iedere geplande maatregel te worden vermeld.
Artikel 20
Voorbereiding en goedkeuring
Iedere lidstaat stelt een operationeel programma op nationaal niveau vast na nauw overleg met de partners. Dit programma moet uiterlijk drie maanden na de goedkeuring van het nationaal strategisch plan door de lidstaat bij de Commissie worden ingediend.
De Commissie beoordeelt het voorstel voor een operationeel programma om te bepalen of het bijdraagt aan de doelstellingen en prioriteiten van de communautaire strategische richtsnoeren en het nationaal strategisch plan, rekening houdend met de evaluatie vooraf als bedoeld in artikel 47.
Indien de Commissie van mening is dat een operationeel programma niet coherent is met de communautaire strategische richtsnoeren of het nationaal strategisch plan, verzoekt zij de lidstaat het voorgestelde programma dienovereenkomstig te herzien.
Uiterlijk vijf maanden nadat de lidstaat het operationeel programma formeel heeft ingediend, keurt de Commissie het operationeel programma goed mits het is opgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 18.
Artikel 21
Geldigheidsduur en herziening
De operationele programma’s bestrijken de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.
Ieder operationeel programma wordt, indien er zich bij de tenuitvoerlegging problemen hebben voorgedaan, indien de strategie ingrijpend is gewijzigd of om redenen van goed beheer opnieuw onderzocht en, indien nodig, voor de rest van de looptijd herzien op initiatief van de lidstaten of de Commissie, na goedkeuring door het in artikel 61 bedoelde comité van toezicht. Bij herziening moet met name rekening worden gehouden met de jaarverslagen van de Commissie en de conclusies van het jaarlijks onderzoek, met name om de prioriteiten van het gemeenschappelijk visserijbeleid te herzien of te versterken, en met de bevindingen en conclusies van de evaluatie halverwege de looptijd als bedoeld in artikel 48.
Uiterlijk drie maanden na een formeel verzoek van een lidstaat om herziening van een operationeel programma, neemt de Commissie daarover een besluit.
Artikel 22
Cumulatie en overlapping
Gedurende de subsidieperiode kunnen concrete acties uitsluitend voor steun uit één enkel Fonds of communautair financieringsinstrument in aanmerking komen. De lidstaten zien toe op de naleving van deze bepaling.
TITEL IV
PRIORITAIRE ZWAARTEPUNTEN
HOOFDSTUK I
Prioritair zwaartepunt 1 — Maatregelen voor de aanpassing van de communautaire vissersvloot
Artikel 23
Werkingssfeer
Het Fonds draagt bij aan de financiering van:
overheidssteun voor reders en bemanningsleden die worden getroffen door nationale plannen voor het aanpassen van de visserij-inspanning, voor zover het gaat om:
herstelplannen als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2371/2002;
noodmaatregelen als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 2371/2002;
nationale plannen voor aanpassing van de visserij-inspanning wegens niet-verlenging van een visserij-overeenkomst tussen de Gemeenschap en een derde land of een aanzienlijke vermindering van de vangstmogelijkheden in het kader van een internationale overeenkomst of enige andere regeling;
beheersplannen als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2371/2002;
nationale plannen voor onttrekking aan de vloot voor de duur van maximaal twee jaar in het kader van de verplichtingen op grond van de artikelen 11 tot en met 16 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 over de aanpassing van de capaciteit van de communautaire vissersvloot;
investeringen aan boord van vissersvaartuigen als bedoeld in artikel 27;
sociaal-economische compensatie ter ondersteuning van het vlootbeheer, met inbegrip van beroepsopleiding.
Artikel 24
Programmering van de aanpassing van de visserij-inspanning
Iedere lidstaat stelt in zijn nationaal strategisch plan zijn beleid voor het aanpassen van de visserij-inspanning vast. Daarbij moet prioriteit worden verleend aan de financiering van de in artikel 23, onder a), eerste streepje, genoemde concrete acties.
Nationale plannen voor het aanpassen van de visserij-inspanning als bedoeld in artikel 23, onder a), eerste streepje, moeten maatregelen omvatten voor de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten overeenkomstig artikel 25.
Deze plannen mogen eveneens maatregelen voor de tijdelijke stillegging overeenkomstig artikel 26, alsmede alle andere relevante maatregelen van dit hoofdstuk omvatten.
In de regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen, moeten nationale plannen voor het aanpassen van de visserij-inspanning ook voorzien in sociaal-economische compensatie als bedoeld in artikel 28.
In regio’s die niet onder de convergentiedoelstelling vallen, moeten de lidstaten ondersteunende sociaal-economische maatregelen vaststellen in het kader van hun nationale plannen voor de aanpassing van visserij-inspanning.
De duur van nationale plannen voor de aanpassing van visserij-inspanning als bedoeld in artikel 23, onder a), mag niet meer dan twee jaar bedragen.
In de gevallen bedoeld in artikel 23, onder a), eerste, tweede en vierde streepje, moeten de nationale plannen uiterlijk twee maanden na de datum van het besluit van de Commissie of de Raad door de lidstaten worden vastgesteld.
In de gevallen bedoeld in artikel 23, onder a), derde streepje, stellen de lidstaten uiterlijk twee maanden na de kennisgeving door de Commissie herstructureringsplannen vast voor de betrokken vaartuigen en vissers.
Artikel 25
Overheidssteun voor de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten
Het Fonds verleent bijstand voor de medefinanciering van de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van vaartuigen mits deze beëindiging deel uitmaakt van een plan voor de aanpassing van visserij-inspanning als bedoeld in artikel 23, onder a). De visserijactiviteiten van een vaartuig kunnen uitsluitend definitief worden beëindigd door het vaartuig te slopen of het een nieuwe, niet-commerciële functie te geven.
Overheidssteun voor de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten geldt voor de vangstcapaciteit van het vaartuig en, in voorkomend geval, voor de bijbehorende visserijrechten.
Voor de uitvoering van nationale plannen voor het aanpassen van de visserij-inspanning mogen de lidstaten openbare aanbestedingen uitschrijven of oproepen tot het indienen van voorstellen doen.
De lidstaten stellen, met inachtneming van de gunstigste kosten-batenverhouding het niveau van de staatssteun vast op basis van een of meer van de volgende objectieve criteria:
de prijs van het vissersvaartuig op de nationale markt of de verzekerde waarde ervan;
de omzet van het vaartuig;
de leeftijd van het vaartuig en zijn tonnage of motorvermogen uitgedrukt in respectievelijk GT of kW.
Ieder jaar deelt de lidstaat in het in artikel 65 bedoelde jaarverslag over de uitvoering de resultaten mee die zijn behaald bij de uitvoering van het nationale plan voor het aanpassen van de visserij-inspanning. De resultaten zullen worden gemeten met behulp van relevante indicatoren die in de operationele programma’s worden omschreven.
Artikel 26
Overheidssteun voor de tijdelijke stillegging van visserijactiviteiten
In het kader van de in artikel 23, onder a), eerste, tweede en vierde streepje, bedoelde plannen voor het aanpassen van de visserij-inspanning kan het Fonds bijdragen aan de financiering van steunmaatregelen voor de tijdelijke stillegging van visserijactiviteiten van vissers en reders gedurende maximaal een jaar, welke periode met één jaar kan worden verlengd.
Maatregelen voor de tijdelijke stillegging van visserijactiviteiten moeten aansluiten bij een plan voor het aanpassen van de visserij-inspanning dat een permanente vermindering van de capaciteit waarborgt die ten minste gelijk is aan de vermindering van de visserij-inspanning die voortvloeit uit de tijdelijke stillegging.
Het Fonds kan bijdragen aan de financiering van uitkeringen voor tijdelijke stillegging aan vissers en reders voor een periode van maximaal zes maanden bij natuurrampen of andere uitzonderlijke gebeurtenissen die niet het gevolg zijn van instandhoudingsmaatregelen.
Ieder jaar deelt de lidstaat in het in artikel 65 bedoelde jaarverslag over de uitvoering de resultaten mee die zijn behaald bij de uitvoering van maatregelen voor de tijdelijke stillegging van visserijactiviteiten.
Steeds terugkerende seizoensgebonden stillegging van visserijactiviteiten wordt niet in aanmerking genomen voor de toekenning van uitkeringen of betalingen uit hoofde van deze verordening.
Artikel 27
Investeringen aan boord van vissersvaartuigen en selectiviteit
Het Fonds kan bijdragen aan de financiering van voorzieningen:
als bedoeld in artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002;
om vangsten aan boord te houden die niet meer mogen worden teruggegooid;
in het kader van proefprojecten voor het voorbereiden of testen van nieuwe technische maatregelen gedurende een door de Commissie of de Raad vast te stellen periode van beperkte duur;
om het effect van de visserij op habitats, op de zeebodem en op niet-commerciële soorten te beperken, met uitzondering van vistuig.
Het Fonds kan bijdragen aan de financiering van investeringen om de selectiviteit van vistuig te vergroten, mits het betrokken vaartuig onder een herstelplan als bedoeld in artikel 23, onder a), eerste streepje, valt, overschakelt op een andere visserijmethode, en de betrokken visserijtak verlaat om te gaan vissen in een andere visserijtak waar vissen gelet op de toestand van de visbestanden wel mogelijk is, en mits de investering uitsluitend betrekking heeft op de eerste aanschaf van het vervangende vistuig.
Naast de in lid 2 beschreven gevallen, kan het Fonds bijdragen aan de financiering van de eerste aanschaf van vervangend vistuig mits het nieuwe tuig selectiever is en beantwoordt aan erkende milieucriteria en –praktijken die verder gaan dan de bestaande wettelijke verplichtingen.
Artikel 27 bis
Kleinschalige kustvisserij
In dit artikel wordt onder “kleinschalige kustvisserij” verstaan de kleinschalige visserij door vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die geen gebruik maken van gesleept vistuig als genoemd in tabel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot[12].
Wanneer het Fonds uit hoofde van artikel 27 financiële steun verleent aan de kleinschalige kustvisserij wordt het percentage voor de particuliere bijdrage in groep 2 van de tabel in bijlage II verlaagd met 20%.
Wanneer het Fonds bijdraagt aan de financiering van maatregelen uit hoofde van artikel 28 zijn de in bijlage II voor groep 3 vermelde percentages van toepassing.
Het Fonds kan bijdragen aan premies voor vissers en reders in de kleinschalige kustvisserij om:
het beheer van en de controle op de toegangsvoorwaarden tot bepaalde visserijzones te verbeteren;
de organisatie van de productie, verwerking en afzet van visserijproducten te bevorderen;
vrijwillige stappen ter vermindering van de visserij-inspanning met het oog op de instandhouding van visbestanden te bevorderen;
technologische vernieuwingen te gebruiken (selectievere vangsttechnieken die verder gaan dan de relevante wettelijke vereisten) zonder de visserij-inspanning te vergroten.
De in bijlage II voor groep 3 vermelde percentages zijn van toepassing.
Artikel 28
Sociaal-economische compensatie voor vlootbeheer
Het Fonds kan bijdragen aan de financiering van door de lidstaten voorgestelde sociaal-economische maatregelen ten behoeve van door veranderingen in de visserij getroffen vissers, bestaande uit:
diversificatie om te bevorderen dat in de visserijsector werkzame personen verschillende beroepsactiviteiten combineren;
regelingen voor de omscholing naar beroepen buiten de zeevisserij;
vervroegde uittreding uit de visserijsector, met inbegrip van vervroegde pensionering.
Het Fonds kan ook bijdragen aan de financiering van opleidingsmaatregelen en opleidingsstimulansen voor jonge vissers die voor het eerst een vaartuig willen aanschaffen.
HOOFDSTUK II
PRIORITAIR ZWAARTEPUNT 2 AQUACULTUUR EN VERWERKING EN AFZET VAN VISSERIJ- EN AQUACULTUURPRODUCTEN
Artikel 29
Investeringen in aquacultuur
Het Fonds kan steun verlenen aan investeringen in de aquacultuur in het kader van de specifieke doelstellingen die worden vastgelegd in de in artikel 15 bedoelde nationale strategische plannen.
Dergelijke investeringen kunnen zijn gericht op de bouw, uitbreiding, uitrusting en modernisering van productie-installaties, met name ter verbetering van de hygiëne, de gezondheid van mens en dier en de productkwaliteit of ter vermindering van de negatieve gevolgen voor het milieu. De overdracht van de eigendom van een onderneming komt niet voor communautaire steun in aanmerking.
Wanneer investeringen worden verricht om te voldoen aan onlangs vastgestelde communautaire vereisten inzake het milieu, de gezondheid van mens en dier, hygiëne of dierenwelzijn, kan steun worden verleend voor zover dit nodig is om binnen de in de communautaire wetgeving vastgestelde termijn aan deze nieuwe eisen te voldoen.
Het Fonds verleent geen bijstand aan investeringen ter verhoging van de productie van producten waarvoor geen normale afzetmogelijkheden bestaan of die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het beleid voor de instandhouding van visbestanden.
Er wordt geen steun verleend voor projecten als bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 85/337/EEG[13] waarvoor de in bijlage IV bij die richtlijn genoemde informatie niet is verstrekt.
Artikel 30
In aanmerking komende maatregelen
Het Fonds verleent bijstand aan investeringen die bijdragen tot een of meer van de volgende doelstellingen:
diversificatie van de soorten en productie van soorten met goede afzetmogelijkheden;
invoering van teeltmethoden met aanzienlijk geringere gevolgen voor het milieu dan de gangbare praktijk in de visserijsector;
steun voor traditionele aquacultuuractiviteiten die van belang zijn voor de instandhouding van zowel het economisch en sociaal weefsel als het milieu;
maatregelen van algemeen belang in verband met de aquacultuur als bedoeld in hoofdstuk III van deze titel, en beroepsopleiding;
compensatie voor de toepassing van aquacultuurmethoden die bijdragen aan de bescherming van het milieu en de instandhouding van de natuur;
tenuitvoerlegging van maatregelen inzake de gezondheid van mens en dier.
Investeringssteun kan uitsluitend worden toegekend aan kleine en micro-ondernemingen.
Artikel 31
Steun voor milieumaatregelen in de aquacultuur
Het Fonds kan bijdragen aan compensatie voor het gebruik van aquacultuurmethoden die bijdragen aan de bescherming en verbetering van het milieu en aan de instandhouding van de natuur om te voldoen aan de doelstellingen van de Gemeenschap op visserij- en milieugebied.
Het doel van de steun is het bevorderen van:
vormen van aquacultuur waarbij het milieu, de natuurlijke rijkdommen en de genetische diversiteit worden beschermd en verbeterd, en het landschap en de traditionele kenmerken van aquacultuurgebieden worden beheerd;
deelname aan het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad[14];
biologische aquacultuur in de zin van Verordening (EEG) nr. 2092/91[15].
Om voor steun uit hoofde van dit artikel in aanmerking te komen, moeten initiatiefnemers van projecten zich ertoe verbinden gedurende ten minste vijf jaar milieunormen in de aquacultuur toe te passen die verder gaan dan de strikte toepassing van goede aquacultuurmethoden. De voordelen van deze aanpak moeten worden aangetoond door middel van een effectbeoordeling vooraf die moet worden uitgevoerd door een door de lidstaat aangewezen instantie.
Het maximale bedrag aan overheidssteun dat per jaar mag worden toegekend als compensatie voor milieumaatregelen in de aquacultuur wordt ieder jaar door de lidstaat in zijn operationeel programma vastgesteld op basis van de volgende criteria:
gederfde inkomsten;
eventuele extra kosten die voortvloeien uit de toepassing van milieuvriendelijke methoden in de aquacultuur, en
de noodzaak van financiële steun voor de uitvoering van het project.
Artikel 32
Maatregelen betreffende de gezondheid van mens en dier
Het Fonds kan bijstand verlenen:
aan schadeloosstellingen voor schelpdierkwekers die de oogst van gekweekte schelpdieren tijdelijk moeten stilleggen. Een dergelijke schadeloosstelling kan in de periode 2007-2013 gedurende in totaal zes maanden worden toegekend. De schadeloosstelling mag worden toegekend indien de oogst, wegens verontreiniging van de schelpdieren door de groei van toxineproducerend plankton of door de aanwezigheid van biotoxinehoudend plankton, ter bescherming van de volksgezondheid moet worden stilgelegd:
gedurende meer dan vier opeenvolgende maanden, of
waarbij het verlies als gevolg van de stillegging van de oogst meer bedraagt dan 35% van de jaarlijkse omzet van de betrokken onderneming, berekend op basis van de gemiddelde omzet van de onderneming in de voorgaande drie jaren;
ter financiering van de uitroeiing van pathologische risico’s in de aquacultuur indien daartoe door de Commissie een programma is goedgekeurd overeenkomstig het bepaalde in Beschikking 90/424/EEG[16].
Artikel 33
Investeringen in verwerking en afzet
Het Fonds kan in het kader van de specifieke strategieën die worden vastgelegd nationale strategische plannen, steun verlenen voor investeringen ten behoeve van de verwerking voor rechtstreekse menselijke consumptie en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten. Deze steun kan uitsluitend worden toegekend aan kleine en micro-ondernemingen.
Dergelijke investeringen kunnen zijn gericht op de bouw, uitbreiding, uitrusting en modernisering van bedrijven, met name ter verbetering van de hygiëne, de gezondheid van mens en dier en de productkwaliteit, of ter vermindering van de negatieve gevolgen voor het milieu. De overdracht van de eigendom van een onderneming komt niet voor communautaire steun in aanmerking.
Wanneer investeringen worden verricht om te voldoen aan onlangs vastgestelde communautaire vereisten inzake het milieu, de gezondheid van mens en dier, hygiëne of dierenwelzijn, kan steun worden verleend voor zover dit nodig is om binnen de in de communautaire wetgeving vastgestelde termijn aan deze nieuwe eisen te voldoen.
Artikel 34
In aanmerking komende maatregelen
Het Fonds verleent bijstand voor investeringen ten behoeve van de bouw, uitbreiding, uitrusting en modernisering van bedrijven op het gebied van verwerking en afzet.
Investeringen als bedoeld in lid 1 moeten bijdragen tot de instandhouding of uitbreiding van de werkgelegenheid in de visserijsector en aan een of meer van de volgende doelstellingen:
verbetering van de arbeidsomstandigheden en beroepsopleiding;
verbetering en controle van de omstandigheden betreffende hygiëne en volksgezondheid of productkwaliteit;
vermindering van de negatieve gevolgen voor het milieu;
bijdragen tot een beter gebruik van weinig gebruikte soorten, bijproducten en afval;
toepassing van nieuwe technologieën of ontwikkeling van internethandel;
afzet van producten die voornamelijk afkomstig zijn uit de aanvoer van de plaatselijke vloot.
Er wordt geen communautaire steun verleend voor investeringen ten behoeve van de kleinhandel.
HOOFDSTUK III
PRIORITAIR ZWAARTEPUNT 3 MAATREGELEN VAN COLLECTIEF BELANG
Artikel 35
Beginselen inzake bijstandsverlening
Het Fonds kan bijstand verlenen aan collectieve acties van beperkte duur die normaliter niet door particuliere ondernemingen worden gesteund en die worden uitgevoerd met actieve steun van marktdeelnemers, van organisaties die handelen namens producenten of van andere door de beheersautoriteiten erkende organisaties die bijdragen aan de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
Artikel 36
Collectieve acties
Het Fonds verleent steun aan collectieve acties die zijn gericht op:
een duurzame bijdrage aan een beter beheer of de instandhouding van visbestanden, dan wel aan de doorzichtigheid van de markten voor visserij- en aquacultuurproducten,
collectieve investeringen in de ontwikkeling van kwekerijen, afvalverwerking of de aanschaf van voorzieningen voor productie, verwerking of afzet,
het bevorderen van partnerschappen tussen wetenschappers en actoren in de visserijsector, of
een bijdrage aan de doelstellingen van artikel 27 bis, lid 4.
Artikel 37
Maatregelen ter bescherming en ontwikkeling van de aquatische fauna
Het Fonds kan bijstand verlenen aan acties van collectief belang ter bescherming en ontwikkeling van de aquatische fauna, met uitzondering van rechtstreeks uitzetten. De acties moeten bijdragen aan de verbetering van het aquatische milieu.
De acties moeten betrekking hebben op de installatie van vaste of verplaatsbare elementen om aquatische fauna te beschermen en te ontwikkelen of op het herstel van binnenwateren, met inbegrip van paaigronden en trekroutes voor trekkende soorten.
De acties moeten worden uitgevoerd door overheids- of semi-overheidsinstanties, erkende beroepsorganisaties of andere voor dit doel door de beheersinstantie aangewezen instellingen.
Artikel 38
Vissershavens
Het Fonds kan steun verlenen aan investeringen in vissershavens die van collectief belang zijn voor de vissers die van de haven gebruikmaken en bijdragen tot een betere dienstverlening aan de vissers.
De investeringen moeten betrekking hebben op:
het verbeteren van de aanvoer, de verwerking en de opslag van visserijproducten in de havens;
de bevoorrading met brandstof, ijs en water;
onderhoud en reparatie van vissersvaartuigen;
verbetering van de kaden om de veiligheid bij het laden of lossen van producten te vergroten;
geautomatiseerd beheer van visserijactiviteiten.
Artikel 39
Afzetbevordering en ontwikkeling van nieuwe markten
Het Fonds kan steun verlenen aan collectieve acties voor een beleid ter bevordering van kwaliteit en rendement of voor afzetbevordering en ontwikkeling van nieuwe markten voor visserij- en aquacultuurproducten.
Deze acties mogen niet zijn gericht op handelsmerken noch verwijzen naar specifieke landen of geografische gebieden, behalve wanneer het op grond van Verordening (EEG) nr. 2081/92[17] erkende producten betreft.
De investeringen moeten betrekking hebben op:
nationale en grensoverschrijdende afzetbevorderingscampagnes;
de afzet van soorten waarvan er een overschot is of die onderbevist zijn, die worden teruggegooid of die geen commerciële waarde hebben;
de tenuitvoerlegging van een kwaliteitsbeleid voor visserij- en aquacultuurproducten;
de bevordering van producten die zijn verkregen met methoden die geringe effecten op het milieu hebben;
de afzetbevordering van producten die zijn erkend op grond van Verordening (EEG) nr. 2081/92;
kwaliteitscertificering;
etikettering, met inbegrip van de etikettering van producten die zijn gevangen met milieuvriendelijke vangstmethoden;
afzetbevorderingscampagnes of campagnes ter verbetering van het imago van de visserijsector;
de uitvoering van marktonderzoeken.
Artikel 40
Proefprojecten
Het Fonds kan steun verlenen aan proefprojecten voor het verzamelen en verspreiden van nieuwe technische kennis die worden uitgevoerd door marktdeelnemers, erkende beroepsorganisaties of andere daartoe door de beheersautoriteiten aangewezen bevoegde organisaties, in samenwerking met een wetenschappelijke of technische instantie.
In het kader van de in lid 1 bedoelde proefprojecten moeten:
onder realistische omstandigheden in de productiesector de technische en financiële levensvatbaarheid worden getest om nieuwe technische of financiële kennis over de geteste technologie te verzamelen en te verspreiden;
tests kunnen worden uitgevoerd ten aanzien van beheersplannen en plannen voor het verdelen van de visserij-inspanning, indien nodig met inbegrip van het sluiten van gebieden voor de visvangst om de biologische en financiële gevolgen te kunnen evalueren, en het experimenteel uitzetten van vis.
Proefprojecten moeten steeds gepaard gaan met adequate wetenschappelijke follow-up om significante resultaten op te leveren.
Over de resultaten van de uit hoofde van lid 1 gefinancierde projecten moeten technische verslagen worden gepubliceerd.
Artikel 41
Aanpassing of omschakeling van vissersvaartuigen
Het Fonds kan steun verlenen om vissersvaartuigen dusdanig aan te passen dat deze uitsluitend door overheids- of semi-overheidsinstanties onder de vlag van een lidstaat voor opleidings- of onderzoeksdoeleinden in de visserijsector kunnen worden gebruikt.
Het Fonds kan steun verlenen voor acties om vissersvaartuigen definitief voor andere, niet-commerciële doeleinden dan visserij te gebruiken.
HOOFDSTUK IV
PRIORITAIR ZWAARTEPUNT 4 DUURZAME ONTWIKKELING VAN KUSTGEBIEDEN MET VISSERIJ
Artikel 42
Werkingssfeer van de bijstand
Het Fonds verleent, naast de overige communautaire instrumenten, bijstand voor duurzame ontwikkeling en verbetering van de levenskwaliteit in kustgebieden met visserij die daarvoor in aanmerking komen in het kader van een algemene strategie ter ondersteuning van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name rekening houdend met de sociaal-economische gevolgen.
De maatregelen voor de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij moeten streven naar:
de instandhouding van de economische en sociale welvaart van deze gebieden en van de waarde van visserij- en aquacultuurproducten;
de instandhouding en uitbreiding van de werkgelegenheid in deze gebieden door steun voor diversifiëring in en economische en sociale herstructurering van gebieden met sociaal-economische problemen als gevolg van veranderingen in de visserijsector;
bevordering van de kwaliteit van het milieu in kustgebieden;
ondersteuning en ontwikkeling van nationale en grensoverschrijdende samenwerking tussen kustgebieden.
Iedere lidstaat moet in zijn operationeel programma een lijst opnemen van gebieden die in aanmerking komen voor steun van het Fonds ten behoeve van de duurzame ontwikkeling van kustgebieden.
Een kustgebied met visserij is in de regel kleiner dan NUTS III, ligt aan de kust van een zee of meer, of omvat een riviermonding waar visserij wordt bedreven. Het gebied moet in geografisch, oceanografisch, economisch en sociaal opzicht redelijk coherent zijn.
Het gebied moet een geringe bevolkingsdichtheid kennen, alsmede significante werkgelegenheid in de visserijsector, afnemende visserij-activiteiten en gemeenten met niet meer dan 100 000 inwoners.
De lidstaat stelt de Commissie in kennis van de in lid 3 bedoelde in aanmerking komende gebieden.
Artikel 43
In aanmerking komende maatregelen
Steun voor de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij kan worden toegekend voor:
het herstructureren en heroriënteren van economische activiteiten, met name door stimulering van ecotoerisme, mits deze activiteiten niet leiden tot een verhoging van de visserij-inspanning;
het diversifiëren van activiteiten door stimulering van combinaties van beroepsactiviteiten voor mensen die in de visserijsector werkzaam zijn, via het scheppen van extra of vervangende werkgelegenheid buiten de visserijsector;
plaatselijke commerciële exploitatie van visserij- en aquacultuurproducten;
ondersteuning van voorzieningen voor kleinschalige visserij en bevordering van toeristische activiteiten;
het beschermen van het milieu op zee, in meren en in kustgebieden om deze aantrekkelijk te houden, en het nieuw leven inblazen en ontwikkelen van kustdorpen, en het beschermen en benutten van natuurlijk en architecturaal erfgoed;
het herstellen van het productievermogen van de visserijsector na natuurrampen of andere uitzonderlijke gebeurtenissen in de sector;
het ondersteunen van interregionale en grensoverschrijdende samenwerking tussen actoren in kustgebieden met visserij, voornamelijk door netwerken en het verspreiden van goede praktijken;
het verwerven van organisatorische en presentatievaardigheden voor het ontwerpen en uitvoeren van een plaatselijke ontwikkelingsstrategie.
Het Fonds kan, secundair en voor maximaal 15% van het betrokken zwaartepunt, financiële steun verlenen voor maatregelen ter bevordering en verbetering van de beroepsvaardigheden, het aanpassingsvermogen en de toegang tot werkgelegenheid van werknemers, in het bijzonder vrouwen, mits deze maatregelen integrerend deel uitmaken van een strategie voor duurzame ontwikkeling voor kustgebieden, en zij rechtstreeks verband houden met de in lid 1 beschreven maatregelen.
Uit hoofde van lid 1 verleende steun mag geen betrekking hebben op de vernieuwing of modernisering van vissersvaartuigen.
Begunstigden van steun als bedoeld in lid 1, onder a) en b), en in lid 2, moeten in de visserijsector werkzaam zijn of een van deze sector afhankelijk beroep uitoefenen.
Indien een maatregel als bedoeld in dit artikel ook in aanmerking komt voor steun uit hoofde van een ander communautair instrument, moet de lidstaat bij de opstelling van zijn programma duidelijk maken of de maatregel door het Fonds dan wel door een ander communautair instrument wordt gesteund.
Artikel 44
Deelname aan de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij
Acties ter ondersteuning van de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij moeten worden uitgevoerd door een daartoe opgerichte groep plaatselijke overheids- of particuliere partners, hierna “kustgroep” (KG) genoemd. Iedere KG, die volgens de wetgeving van de betrokken lidstaat is opgericht, moet op doorzichtige wijze worden geselecteerd op basis van een openbare oproep tot het indienen van voorstellen.
De verantwoordelijkheid voor concrete acties op initiatief van KG’s dient voor ten minste twee derde van de projecten te worden gedragen door de particuliere sector.
KG’s kunnen voor steun van het Fonds in aanmerking komen mits zij geïntegreerde acties voor plaatselijke ontwikkeling uitvoeren op basis van een bottom-upbenadering, in een bepaald gebied en voor een specifieke categorie personen of een specifiek type projecten. De lidstaten zorgen ervoor dat de KG over voldoende administratieve en financiële middelen beschikt om de vormen van bijstandsverlening te beheren en om de geplande concrete acties tot een goed einde te brengen.
Het door de KG bestreken gebied moet coherent zijn en over voldoende menselijke, financiële en economische middelen beschikken voor een haalbare ontwikkelingsstrategie.
De KG’s van een bepaalde lidstaat of, afhankelijk van de specifieke institutionele structuur, regio moeten een vereniging vormen met statuten die een goede werking garanderen.
HOOFDSTUK V
PRIORITAIR ZWAARTEPUNT 5 TECHNISCHE BIJSTAND
Artikel 45
Technische bijstand
Het Fonds kan tot 0,80% van zijn jaarlijkse toewijzing gebruiken om op initiatief en/of voor rekening van de Commissie maatregelen te financieren op het gebied van voorbereiding, toezicht, administratieve en technische ondersteuning, evaluatie, audit en inspectie die voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn. Deze acties worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 53, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en welke andere bepalingen van die verordening en van de uitvoeringsbepalingen daarvoor dan ook die voor de betrokken vorm van uitvoering van de begroting gelden.
Deze acties omvatten met name:
studies in verband met de opstelling van de communautaire strategische richtsnoeren en het jaarverslag van de Commissie;
evaluaties, deskundigenverslagen, statistieken en studies, met inbegrip van die van algemene aard betreffende het optreden van de Fondsen;
maatregelen gericht op de partners, de begunstigden van bijstand uit het Fonds en het grote publiek, waaronder voorlichtingsmaatregelen;
maatregelen ten behoeve van informatieverspreiding, het creëren van netwerken, bewustmaking, het bevorderen van samenwerking en het uitwisselen van ervaringen in de hele Unie;
het opzetten, doen functioneren en onderling koppelen van de computersystemen voor het beheer, het toezicht, de inspectie en de evaluatie;
verbeteringen van de evaluatiemethoden en uitwisselingen van informatie over de praktijken op dit gebied;
de totstandbrenging van grensoverschrijdende en communautaire netwerken van actoren inzake de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij om het uitwisselen van ervaringen en het verspreiden van goede praktijken aan te moedigen, interregionale en grensoverschrijdende samenwerking te stimuleren en tot stand te brengen, en informatie te verspreiden.
Op initiatief van de lidstaten kan het Fonds in het kader van elk operationeel programma acties inzake voorbereiding, beheer, toezicht, evaluatie, voorlichting, controle en audit financieren tot maximaal 5% van het totale bedrag van het operationele programma.
Op initiatief van de lidstaten kan het Fonds in het kader van elk operationeel programma acties financieren ter vergroting van de bestuurlijke capaciteit van de lidstaten waarvan alle regio’s in aanmerking komen voor de convergentiedoelstelling.
TITEL V
DOELTREFFENDHEID EN BEKENDMAKING VAN BIJSTAND
HOOFDSTUK I
Evaluatie van operationele programma’s
Artikel 46
Algemeen
De operationele programma’s worden aan een evaluatie vooraf, een evaluatie halverwege de looptijd en een evaluatie achteraf onderworpen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 47 tot en met 49.
De evaluaties hebben tot doel de kwaliteit en de doeltreffendheid van de bijstandsverlening uit het Fonds en de tenuitvoerlegging van de operationele programma's te verbeteren. Voorts wordt bij de evaluaties de impact van die bijstandsverlening en die programma's beoordeeld in het licht van de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap, van de nationale strategische plannen en van de specifieke problemen waarmee de betrokken lidstaten te kampen hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte aan duurzame ontwikkeling in de visserijsector en met het milieueffect.
De doeltreffendheid van de bijstandsverlening van het Fonds wordt gemeten aan de hand van de volgende criteria:
de algehele impact van het Fonds op de in artikel 4 van deze verordening vastgestelde doelstellingen;
de impact van de in de programma’s verwerkte prioriteiten.
De in lid 1 genoemde evaluatie-activiteiten worden naar gelang van het geval onder verantwoordelijkheid van de lidstaten of van de Commissie georganiseerd, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en in partnerschap tussen de lidstaat en de Commissie.
De lidstaten stellen de voor de uitvoering van de evaluaties vereiste menselijke hulpbronnen en financiële middelen ter beschikking, organiseren de productie en verzameling van de nodige gegevens en gebruiken de verschillende soorten gegevens die het toezichtsysteem oplevert.
De Commissie stelt de toe te passen evaluatiemethoden en -normen vast volgens de in artikel 100, lid 3, bedoelde procedure.
De evaluatie wordt uitgevoerd door onafhankelijke beoordelaars. Tenzij de voor de evaluatie verantwoordelijke autoriteit zich daartegen uitdrukkelijk verzet, worden de resultaten van de evaluatie bekendgemaakt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten[18].
De evaluatie wordt gefinancierd uit de begroting voor technische bijstand van de operationele programma’s indien de lidstaat ervoor verantwoordelijk is, dan wel uit de begroting voor technische bijstand van de Commissie indien zij ervoor verantwoordelijk is.
Artikel 47
Evaluatie vooraf
De evaluatie vooraf moet zijn gericht op het waarborgen van coherentie tussen de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap, de nationale strategische plannen en de operationele programma’s, op het optimaliseren van de toewijzingen uit de begroting aan de operationele programma’s en op het verbeteren van de programmakwaliteit.
De lidstaten voeren per operationeel programma een evaluatie vooraf uit in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en volgens evaluatiemethoden en –normen die moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 46, lid 5, bedoelde procedure.
Artikel 48
Tussentijdse evaluatie
Bij de tussentijdse evaluatie moet de doeltreffendheid worden onderzocht van het operationele programma of delen daarvan, teneinde het programma bij te stellen om de kwaliteit van de bijstandsverlening en de tenuitvoerlegging daarvan te verbeteren.
Operationele programma’s worden onderworpen aan een tussentijdse evaluatie in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel volgens een tijdschema dat de mogelijkheid biedt bij een verlenging van het programma met de bevindingen rekening te houden.
Tussentijdse evaluaties vinden plaats onder verantwoordelijkheid van de lidstaten en op initiatief van de beheersautoriteiten in overleg met de Commissie op basis van evaluatiemethoden en –normen die moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 46, lid 5, bedoelde procedure. De evaluaties worden meegedeeld aan het beheerscomité van het operationeel programma en aan de Commissie.
De Commissie verricht een tussentijdse evaluatie van de uitvoering van de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap volgens een tijdschema dat de mogelijkheid biedt bij ieder besluit over de voortzetting van het programma met de bevindingen rekening te houden.
Artikel 49
Evaluatie achteraf
De evaluatie achteraf betreft het gebruik van de middelen, de doeltreffendheid en efficiëntie van de operationele programma’s en de impact ervan in het licht van zowel de algemene doelstellingen van artikel 4 als de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap. Hierbij wordt nagegaan welke factoren tot het succes of het mislukken van de uitvoering van de operationele programma's hebben bijgedragen, ook wat duurzaamheid betreft, en wordt bepaald wat als goede praktijk kan worden bestempeld.
De evaluatie achteraf vindt plaats onder verantwoordelijkheid en op initiatief van de Commissie in overleg met de lidstaat en de beheersautoriteit, die de nodige gegevens voor de uitvoering verzamelen.
De evaluatie achteraf dient uiterlijk op 31 december 2015 te zijn voltooid.
HOOFDSTUK II
Voorlichting en publiciteit
Artikel 50
Voorlichting en publiciteit
De lidstaten dragen zorg voor de voorlichting en de publiciteit met betrekking tot de gecofinancierde programma's en concrete acties. Die voorlichting is gericht op de Europese burgers. Zij heeft tot doel de rol van de Gemeenschap onder de aandacht te brengen en de bijstandsverlening uit de Fondsen doorzichtig te maken.
De beheerautoriteit is verantwoordelijk voor:
het bekendmaken van het operationeel programma onder potentiële begunstigden, beroepsorganisaties, economische en sociale partners, organisaties voor de bevordering van gelijke rechten en kansen, niet-gouvernementele organisaties op milieugebied en niet-gouvernementele organisaties in de visserijsector. De beheersautoriteit stelt dezen in kennis van de mogelijkheden die de bijstandverlening biedt, en van de voorschriften en methoden inzake de toegang tot financiering;
het meedelen van het bedrag van de communautaire bijstandsverlening aan de begunstigden;
het voorlichten van de Europese burgers over de rol die de Gemeenschap heeft gespeeld in de operationele programma’s en de resultaten ervan, en zorgt ervoor dat ook de begunstigden de Europese burgers over de rol informeren.
De lidstaten stellen de Commissie jaarlijks in kennis van de initiatieven die zijn genomen voor de uitvoering van dit artikel.
TITEL V
FINANCIËLE BIJDRAGE UIT HET FONDS
HOOFDSTUK I
BIJDRAGE UIT HET FONDS
Artikel 51
Intensiteit van de overheidssteun
De maximale intensiteit van overheidssteun is vastgesteld in de tabel in bijlage II bij deze verordening.
Artikel 52
Bijdrage uit het Fonds
In de beschikking tot vaststelling van een operationeel programma wordt het maximumbedrag van de bijdrage uit het Fonds per prioriteit vastgesteld.
De bijdrage uit het Fonds wordt berekend op basis van het totaalbedrag aan overheidsuitgaven.
De bijdrage uit het Fonds wordt voor elke prioriteit afzonderlijk vastgesteld. Daarvoor gelden de volgende maxima:
75% van de overheidsuitgaven die worden medegefinancierd door het Fonds in regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen;
50% van de overheidsuitgaven voor operationele programma’s in regio’s die niet onder de convergentiedoelstelling vallen;
85% van de overheidsuitgaven voor het deel van de operationele programma’s dat betrekking heeft op de ultraperifere regio’s en de Griekse perifere eilanden.
In afwijking van de in lid 3 vastgestelde maxima, bedraagt de bijstand van het Fonds:
85% van de overheidsuitgaven voor acties die vallen onder artikel 23, onder a), eerste streepje, in de regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen;
65% van de overheidsuitgaven voor acties die vallen onder artikel 23, onder a), eerste streepje, in de regio’s die niet onder de convergentiedoelstelling vallen.
De minimale bijdrage van het Fonds per prioriteit bedraagt 20% van de overheidsuitgaven.
Maatregelen op het gebied van technische bijstand die op initiatief of voor rekening van de Commissie worden uitgevoerd, kunnen voor 100% worden gefinancierd.
Het totale bedrag aan steun dat aan een concrete actie wordt verleend uit het Fonds of uit andere instrumenten van de Gemeenschapsbegroting mag niet meer bedragen dan 90% van de totale steun uit overheidsmiddelen aan de concrete actie.
Artikel 53
Non-cumulatie
Aan een prioriteit of concrete actie mag gedurende de subsidiabiliteitsperiode uit niet meer dan één communautair Fonds tegelijkertijd worden bijgedragen. Aan een concrete actie mag uit niet meer dan één operationeel programma tegelijkertijd worden bijgedragen.
Artikel 54
Subsidiabiliteit van de uitgaven
Uitgaven komen voor een bijdrage uit het Fonds in aanmerking als zij daadwerkelijk door de begunstigde voor de uitvoering van een concrete actie zijn betaald tussen 1 januari 2007 en 31 december 2015. De gecofinancierde concrete acties mogen niet vóór de begindatum van de subsidiabiliteit zijn voltooid.
Uitgaven komen slechts voor een bijdrage uit het Fonds in aanmerking als zij worden gedaan voor concrete acties waartoe door of onder verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit van het betrokken operationele programma is besloten volgens de vooraf door het toezichtcomité vastgestelde criteria.
Nieuwe uitgaven die worden toegevoegd bij een herziening van het operationele programma, zijn subsidiabel vanaf de datum waarop de Commissie het verzoek tot wijziging van het operationele programma heeft ontvangen.
De regels inzake de subsidiabiliteit van de uitgaven worden op nationaal niveau vastgesteld onder voorbehoud van de uitzonderingen die bij deze verordening zijn vastgesteld.
De volgende uitgaven zijn niet subsidiabel:
BTW;
debetrente;
aankoop van land voor een bedrag van meer dan 10% van de totale subsidiabele uitgaven voor de betrokken actie;
verblijfskosten.
Het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel laat het bepaalde in artikel 45 onverlet.
Artikel 55
Duurzaamheid van de concrete acties
De lidstaat of de beheersautoriteit ziet erop toe dat de bijdrage uit het Fonds voor een concrete actie slechts dan wordt gehandhaafd als die concrete actie gedurende zeven jaar vanaf de datum waarop de bevoegde nationale autoriteiten of de beheersautoriteit een financieringsbesluit hebben genomen, geen enkele belangrijke wijziging ondergaat:
die strijdig is met de aard van die concrete actie of met de uitvoeringsvoorwaarden die ervoor gelden, of die een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel oplevert;
die het gevolg is hetzij van een verandering in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij van de beëindiging of verplaatsing van een productieve activiteit.
De beheersautoriteit stelt de Commissie van iedere wijziging als bedoeld in lid 1 in kennis.
Onverschuldigd betaalde bedragen worden teruggevorderd overeenkomstig Titel VIII, hoofdstuk II.
De lidstaat ziet erop toe dat ondernemingen waarvan bedragen worden teruggevorderd overeenkomstig lid 3, geen bijdrage van het Fonds ontvangen.
TITEL VI
BEHEER, TOEZICHT EN CONTROLE
HOOFDSTUK I
Beheers- en controlesysteem
Artikel 56
Algemene beginselen van de beheers- en controlesystemen
De door de lidstaten opgezette beheers- en controlesystemen voor de operationele programma's voorzien in:
een duidelijke omschrijving van de functies van de bij beheer en controle betrokken instanties en een duidelijke toewijzing van de functies binnen elke instantie;
een duidelijke functiescheiding tussen de bij het beheer, de uitgavencertificering en de controle betrokken instanties en binnen elke van die instanties;
adequate middelen voor elke instantie om de functies te vervullen die eraan zijn toegewezen;
doeltreffende regelingen voor interne audit;
betrouwbare geautomatiseerde systemen voor de boekhouding, het toezicht en de financiële verslaglegging;
in de gevallen waarin de vervulling van taken is gedelegeerd, een doeltreffend systeem voor de verslaglegging en het toezicht;
procedurehandboeken voor de te vervullen functies;
efficiënte regelingen voor de audit om na te gaan of het systeem doeltreffend functioneert;
systemen en procedures om voor een toereikend controlespoor te zorgen.
De onder b), c), d), f), g) en h), vastgestelde maatregelen dienen evenredig te zijn met de overheidsuitgaven in het kader van het betrokken operationele programma.
Artikel 57
Aanwijzing van instanties
Voor elk operationeel programma wijst de lidstaat aan:
een beheersautoriteit: een autoriteit dan wel een nationale, regionale of plaatselijke overheids- of particuliere instantie die door de lidstaat is aangewezen om een operationeel programma te beheren, of de lidstaat zelf wanneer hij die taak verricht;
een certificeringsautoriteit: een instantie dan wel een plaatselijke, regionale of nationale autoriteit die door de lidstaat is aangewezen om uitgavendeclaraties en betalingsaanvragen te certificeren voordat zij aan de Commissie worden toegezonden;
een auditautoriteit: een instantie die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit en van de certificeringsautoriteit, door de lidstaat is aangewezen voor elk operationeel programma en verantwoordelijk is voor het verifiëren van de goede werking van het beheers- en controlesysteem.
Naast de in lid 1 vermelde instanties wijst de lidstaat ook een instantie aan die bevoegd is voor het ontvangen van de door de Commissie verrichte betalingen en een of meer instanties die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van de betalingen aan de begunstigden.
De lidstaat stelt voorschriften vast waarbij zijn relaties met die autoriteiten of instanties, alsmede de relaties met de Commissie worden geregeld. Onverminderd het bepaalde in deze verordening stelt de lidstaat de onderlinge relaties vast tussen deze autoriteiten en instanties, die hun taken moeten uitvoeren in volledige overeenstemming met de institutionele, juridische en financiële systemen van de betrokken lidstaat.
Met inachtneming van artikel 56, lid 1, onder b), mogen verschillende of alle beheers-, betalings-, certificerings- en inspectiefuncties door dezelfde instantie worden uitgevoerd.
Artikel 58
Functies van de beheersautoriteit
De beheersautoriteit is ervoor verantwoordelijk dat het operationele programma op een efficiënte, doeltreffende en correcte wijze wordt beheerd en ten uitvoer wordt gelegd, en moet met name:
erop toezien dat de concrete acties voor financiering worden geselecteerd met inachtneming van de voor het operationele programma geldende criteria en gedurende de hele uitvoeringsperiode in overeenstemming zijn met de geldende communautaire en nationale voorschriften;
verifiëren of de gecofinancierde producten en diensten zijn geleverd en of de voor de concrete acties gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en met de communautaire en nationale voorschriften in overeenstemming zijn;
zorgen voor een systeem om gedetailleerde boekhoudkundige gegevens over elke concrete actie in het kader van het operationele programma in geïnformatiseerde vorm te registreren en te bewaren en waarborgen dat de gegevens over de uitvoering die nodig zijn voor het financiële beheer, het toezicht, de controle en de evaluatie worden verzameld;
ervoor zorgen dat de begunstigden en de andere bij de tenuitvoerlegging van concrete acties betrokken instanties voor alle transacties betreffende de concrete acties hetzij een afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code gebruiken;
erop toezien dat de in artikel 46 bedoelde evaluaties van de operationele programma's binnen de in deze verordening gestelde termijnen plaatsvinden en voldoen aan de kwaliteitsnormen die de Commissie en de lidstaat hebben vastgesteld;
procedures instellen om te garanderen dat alle documenten met betrekking tot uitgaven en controles die nodig zijn om voor een toereikend controlespoor te zorgen, worden bijgehouden overeenkomstig de artikelen 83 en 93;
erop toezien dat de certificeringsautoriteit met het oog op de certificering alle informatie ontvangt over de in verband met de uitgaven gevolgde procedures en verrichte controles;
het toezichtcomité leiden en de documenten bezorgen die het nodig heeft voor het toezicht op de kwaliteit van de uitvoering van het operationele programma in het licht van de specifieke doelstellingen daarvan;
de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering opstellen en na goedkeuring ervan door het toezichtcomité indienen bij de Commissie;
erop toezien dat de voorschriften inzake voorlichting en publiciteit van artikel 50 worden nagekomen;
De beheersautoriteit moet beschikken over een interne auditdienst.
Artikel 59
Functies van de certificeringsautoriteit
De voor een operationeel programma aangewezen certificeringsautoriteit heeft met name tot taak:
gecertificeerde uitgavenstaten en betalingsaanvragen in geïnformatiseerde vorm op te stellen en bij de Commissie in te dienen;
te certificeren dat:
de uitgavenstaat juist is, afkomstig is van een betrouwbaar boekhoudsysteem en gebaseerd is op controleerbare bewijsstukken,
de gedeclareerde uitgaven in overeenstemming zijn met de geldende communautaire en nationale voorschriften en zijn gedaan voor concrete acties die aan de hand van de voor het programma geldende criteria voor financiering zijn geselecteerd en in overeenstemming zijn met de toepasselijke communautaire en de nationale voorschriften;
er, met het oog op de certificering, op toe te zien dat zij van de beheersautoriteit toereikende informatie ontvangt over de procedures die zijn gevolgd en de controles die zijn verricht in verband met de in de uitgavenstaten vermelde uitgaven;
voor de certificering rekening te houden met de resultaten van alle audits die door of onder de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit zijn verricht;
boekhoudkundige gegevens over de bij de Commissie ingediende uitgaven in geïnformatiseerde vorm bij te houden;
ervoor te zorgen dat alle van de Gemeenschapsbegroting afkomstige bedragen die als gevolg van geconstateerde onregelmatigheden onverschuldigd betaald blijken te zijn, worden teruggevorderd, eventueel verhoogd met rente, een boekhouding bij te houden van de terug te vorderen bedragen en de teruggevorderde bedragen aan de Commissie terug te betalen, indien mogelijk door ze in mindering te brengen op de volgende uitgavenstaat.
Artikel 60
Functies van de auditautoriteit
De voor een operationeel programma aangewezen auditautoriteit heeft met name tot taak:
erop toe te zien dat er volgens de internationale normen audits worden verricht om na te gaan of het beheers- en controlesysteem van het operationeel programma efficiënt functioneert;
erop toe te zien dat er aan de hand van een adequate steekproef audits op concrete acties worden verricht om de gedeclareerde uitgaven te verifiëren;
binnen zes maanden na de goedkeuring van het operationeel programma de Commissie een auditstrategie voor te leggen die betrekking heeft op de instanties die de in de punten a) en b) bedoelde audits zullen uitvoeren, de te volgen methode, de methode voor de monsterneming voor de controles van concrete acties en de indicatieve planning van de audits om ervoor te zorgen dat de belangrijkste instanties worden gecontroleerd en dat de audits gelijkelijk over de programmeringsperiode worden gespreid;
als gezamenlijke systemen voor meer dan één operationeel programma worden toegepast, mag krachtens punt c) één enkele gecombineerde auditstrategie worden voorgelegd;
uiterlijk op 30 juni van elk jaar in de periode 2008-2016:
i) een jaarlijks controleverslag op te stellen met de resultaten van de audits die het voorgaande jaar overeenkomstig de auditstrategie met betrekking tot het operationeel programma zijn verricht, en eventuele tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen voor het programma te melden. De informatie over de jaren 2014 en 2015 mag worden opgenomen in het eindverslag dat bij de geldigheidsverklaring wordt gevoegd;
ii) advies te geven over de vraag of het beheers- en controlesysteem voldoende efficiënt heeft gefunctioneerd om een redelijke garantie te kunnen bieden omtrent de juistheid van de uitgavenstaten die tijdens dat jaar bij de Commissie zijn ingediend, alsmede over de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende transacties,
informatie over de audits en de adviezen te verstrekken; indien een gezamenlijk systeem voor verschillende operationele programma's wordt toegepast, kan deze informatie in één enkel verslag worden gegroepeerd;
bij de afsluiting van het programma een verklaring af te geven met een beoordeling van de geldigheid van de aanvraag voor de betaling van het eindsaldo, alsmede van de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende transacties die zijn vermeld in de definitieve uitgavenstaat, die vergezeld gaat van een definitief controleverslag.
Als de in de punten a) en b) bedoelde audits worden uitgevoerd door een andere instantie dan de auditautoriteit, ziet de auditautoriteit erop toe dat dergelijke instanties de nodige functionele onafhankelijkheid hebben en dat de werkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met internationaal aanvaarde auditnormen.
HOOFDSTUK II
Toezicht
Artikel 61
Toezichtcomité
Voor elk operationeel programma richt de lidstaat in overeenstemming met de beheersautoriteit en na raadpleging van de partners een toezichtcomité op. Elk toezichtcomité wordt opgericht binnen drie maanden na de beschikking tot goedkeuring van het operationele programma.
De toezichtcomités stellen hun reglement van orde op binnen het institutionele, juridische en financiële kader van de betrokken lidstaat en keuren dit reglement goed in overeenstemming met de beheersautoriteit.
Artikel 62
Samenstelling
Het toezichtcomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat of van de beheersautoriteit. Op eigen initiatief kan een vertegenwoordiger van de Commissie met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deelnemen.
De lidstaat beslist over de samenstelling van het toezichtcomité, waarvan de in artikel 8 bedoelde partners en de beheersautoriteit deel uitmaken.
De beheersautoriteit coördineert het toezichtcomité.
Artikel 63
Taken
Het toezichtcomité vergewist zich van de doeltreffendheid en de kwaliteit van de uitvoering van het operationeel programma. Daartoe:
worden de criteria voor de selectie van de gefinancierde concrete acties door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd binnen vier maanden na de goedkeuring van het operationele programma. De selectiecriteria worden herzien naar gelang van de programmeringsbehoeften;
gaat het toezichtcomité aan de hand van de door de beheersautoriteit bezorgde documenten periodiek na welke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het operationele programma;
onderzoekt het toezichtcomité de resultaten van de tenuitvoerlegging, en met name de verwezenlijking van de voor elke prioriteit vastgestelde doelstellingen, en de in artikel 48 bedoelde tussentijdse evaluaties;
worden de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering als bedoeld in artikel 65 door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd voordat deze aan de Commissie worden toegezonden;
wordt het toezichtcomité in kennis gesteld van het jaarlijkse controleverslag en van de eventuele opmerkingen die de Commissie na onderzoek van dat verslag kan maken;
kan het toezichtcomité op initiatief van de lidstaat in kennis worden gesteld van het in artikel 17 bedoelde jaarverslag;
kan het toezichtcomité de beheersautoriteit elke aanpassing of herziening van het operationele programma voorstellen die erop is gericht de doelstellingen van het Fonds te bereiken of het beheer van het operationeel programma, met inbegrip van het financiële beheer, te verbeteren;
wordt elk voorstel tot wijziging van de inhoud van de beschikking van de Commissie over de bijdrage uit het Fonds door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd.
Artikel 64
Nadere voorschriften voor het toezicht
De beheersautoriteit en het toezichtcomité zien toe op de kwaliteit van de tenuitvoerlegging van het operationele programma.
De beheersautoriteit en het toezichtcomité oefenen het toezicht uit aan de hand van de financiële indicatoren en output-, resultaat- en impactindicatoren die in het operationele programma zijn vastgesteld.
Indien het gezien de aard van het bijstandspakket mogelijk is, worden de statistische gegevens uitgesplitst naar geslacht en, voor ondernemingen, naar grootteklasse van de begunstigde ondernemingen.
In partnerschap met de lidstaten onderzoekt de Commissie de indicatoren die nodig zijn om toezicht te houden op het operationele programma en dit programma te evalueren.
Artikel 65
Jaarverslag en eindverslag
Voor het eerst in 2008 en uiterlijk op 30 juni van elk jaar doet de beheersautoriteit de Commissie een jaarverslag over de uitvoering van het operationele programma toekomen. De beheersautoriteit dient uiterlijk op 30 juni 2016 een eindverslag over de uitvoering van het operationele programma bij de Commissie in.
Alle jaarverslagen over de uitvoering en het eindverslag bevatten de volgende elementen:
de vorderingen die bij de uitvoering van het operationele programma en de prioriteiten zijn gemaakt in het licht van de specifieke, controleerbare doelstellingen ervan, met waar mogelijk een kwantificering van de financiële, output-, resultaat- en impactindicatoren;
veranderingen in de algemene situatie met een rechtstreekse impact op de tenuitvoerlegging van de bijstand, met name significante sociaal-economische ontwikkelingen, veranderingen in het nationale, regionale of sectorale beleid en, indien nodig, de gevolgen daarvan voor de samenhang tussen bijstand uit het Fonds en uit andere financiële instrumenten;
de financiële tenuitvoerlegging van het operationele programma met per prioriteit de aan de begunstigden betaalde uitgaven en de overeenkomstige overheidsbijdrage, alsmede de totale van de Commissie ontvangen betalingen, met kwantificering van de in artikel 64, lid 2, bedoelde financiële indicatoren;
de financiële tenuitvoerlegging per type bijstandsverlening, uitgesplitst naar prioriteit overeenkomstig titel IV;
de maatregelen die de beheersautoriteit en het toezichtcomité hebben genomen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering te waarborgen, en met name:
de activiteiten op het gebied van toezicht en evaluatie, met inbegrip van de voorschriften inzake gegevensverzameling,
een samenvatting van eventuele belangrijke problemen die bij de uitvoering van het operationele programma zijn ondervonden, en de maatregelen die eventueel, al dan niet naar aanleiding van overeenkomstig artikel 67 gemaakte opmerkingen, zijn genomen,
het gebruik van technische bijstand;
de maatregelen die zijn genomen om voorlichting en publiciteit omtrent het operationele programma te waarborgen;
een verklaring dat de communautaire regelgeving tijdens de uitvoering van het operationele programma in acht is genomen, met vermelding van, in voorkomend geval, eventuele ondervonden problemen en de maatregelen die zijn genomen om deze problemen op te lossen;
in voorkomend geval, het gebruik van bijstand die tijdens de periode van de uitvoering van het operationeel programma aan de beheersautoriteit of een andere overheidsinstantie is terugbetaald.
De verslagen worden aanvaardbaar geacht als zij alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten en inzicht gegeven in de tenuitvoerlegging van het operationeel programma.
De Commissie beschikt over twee maanden om een besluit te nemen over de inhoud van het door de beheersautoriteit ingediende jaarverslag over de uitvoering. Voor het eindverslag over het operationeel programma bedraagt deze termijn vijf maanden. Als de Commissie niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, wordt het verslag beschouwd als aanvaard.
Artikel 66
Jaarverslag van de Commissie
Vóór 31 december brengt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze verordening tijdens het voorafgaande jaar. Dit verslag bevat een samenvatting van de belangrijkste ontwikkelingen, tendensen en uitdagingen in verband met de tenuitvoerlegging van de operationele programma’s.
het in lid 1 bedoelde verslag is gebaseerd op het onderzoek en de beoordeling door de Commissie van de in artikel 17, lid 1, bedoelde jaarlijkse strategische verslagen van de lidstaten en op alle andere beschikbare informatie. In het verslag wordt vermeld welke follow-upmaatregelen de lidstaten en de Commissie hebben genomen of moeten nemen voor een adequate follow-up van de bevindingen in het verslag.
Het verslag bevat tevens:
een samenvatting van de activiteiten van het Fonds per lidstaat met een uitsplitsing per lidstaat van de toegewezen en uitbetaalde kredieten en van het gebruik van technische bijstand door de Commissie en de lidstaten;
een beoordeling van de coördinatie van het Fonds met de Structuurfondsen en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling;
de bevindingen van de in artikel 48 bedoelde evaluaties zodra deze beschikbaar zijn;
bij de indiening van het vierde jaarlijkse verslag en bij de indiening van het verslag over het laatste jaar van de programmering, een samenvatting van de voor rekening van de Commissie uitgevoerde audits van de door de lidstaten tot stand gebrachte beheers- en controlesystemen, en van de resultaten van de door de lidstaten uitgevoerde audits van de bijstand van het Fonds en de eventuele financiële correcties.
Artikel 67
Jaarlijks onderzoek van de programma's
Elk jaar onderzoeken de Commissie en de beheersautoriteit ter gelegenheid van de indiening van de respectievelijk in artikel 60 en artikel 65, lid 4, bedoelde controleverslagen en jaarverslagen over de uitvoering, volgens in overeenstemming met de betrokken lidstaat en beheersautoriteit te bepalen regels, de vorderingen die bij de uitvoering van het operationele programma zijn gemaakt, de belangrijkste resultaten van het voorgaande jaar, de financiële uitvoering en andere elementen die op de verbetering van de uitvoering zijn gericht, met inbegrip van aspecten betreffende de werking van het beheers- en controlesysteem.
Na afloop daarvan kan de Commissie opmerkingen formuleren die aan de lidstaat en de beheersautoriteit worden gericht. De lidstaat deelt de Commissie mee welk gevolg aan die opmerkingen is gegeven.
Wanneer de evaluaties achteraf van de bijstandsverlening in de programmeringsperiode 2000-2006 beschikbaar zijn, worden de algemene resultaten onderzocht in het daaropvolgende jaarlijks onderzoek.
HOOFDSTUK III
Controles
DEEL 1
VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN
Artikel 68
Goed financieel beheer
De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het goed financieel beheer van de operationele programma's en voor de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties.
Zij zien erop toe dat de beheersautoriteiten, de certificeringsautoriteiten, de auditautoriteiten en alle andere betrokken instanties adequate richtsnoeren ontvangen voor het opzetten van de in de artikelen 56 tot en met 60 bedoelde beheers- en controlesystemen, die moeten garanderen dat de financiële middelen van de Gemeenschap efficiënt en correct worden gebruikt.
De lidstaten voorkomen onregelmatigheden, sporen ze op en corrigeren ze. Zij stellen de Commissie overeenkomstig de regelgeving in kennis van onregelmatigheden en houden haar op de hoogte van het verloop van administratieve en gerechtelijke procedures.
Als bedragen die onverschuldigd aan een begunstigde zijn betaald, niet kunnen worden teruggevorderd, is de lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van die voor de begroting van de Europese Gemeenschap verloren gegane bedragen, behalve als de lidstaat kan aantonen dat het verlies niet het gevolg is van een door hem begane onregelmatigheid of van zijn nalatigheid.
Artikel 69
Beheers- en controlesystemen
Voordat een operationeel programma wordt vastgesteld, vergewissen de lidstaten zich ervan dat de beheers- en controlesystemen voor de operationele programma's zijn opgezet overeenkomstig de artikelen 56 tot en met 60. Zij zijn verantwoordelijk voor de efficiënte werking van deze systemen gedurende de hele programmeringsperiode.
Binnen drie maanden te rekenen vanaf de goedkeuring van elk operationeel programma dienen de lidstaten bij de Commissie een beschrijving van de systemen in, die met name betrekking heeft op de organisatie en de procedures van de beheersautoriteiten, de certificeringsautoriteiten en de bemiddelende instanties, en op de interne auditsystemen die worden toegepast bij deze autoriteiten en instanties, de auditautoriteit en elke andere instantie die onder haar verantwoordelijkheid audits verricht.
Deze beschrijving gaat vergezeld van een verslag van een onafhankelijke auditinstantie waarin de resultaten van een evaluatie van de systemen zijn uiteengezet en een advies wordt gegeven over de conformiteit van die systemen met de artikelen 56 tot en met 60. Als in dit advies bezwaren worden gemaakt, worden in het verslag de tekortkomingen en de ernst daarvan aangegeven. De lidstaat stelt in overleg met de Commissie een plan op dat de te nemen correctiemaatregelen en het tijdschema voor de uitvoering daarvan bevat.
De onafhankelijke auditinstantie wordt uiterlijk op de datum van de vaststelling van het operationele programma aangewezen. De Commissie kan aanvaarden dat de auditautoriteit voor het operationele programma als onafhankelijke auditinstantie wordt aangewezen, op voorwaarde dat die over de nodige capaciteit beschikt. De onafhankelijke auditinstantie moet over de nodige functionele onafhankelijkheid beschikken en moet haar werkzaamheden uitvoeren volgens internationale auditnormen.
Deel 2
VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE COMMISSIE
Artikel 70
Verantwoordelijkheden van de Commissie
De Commissie vergewist zich er volgens de procedure van artikel 69 van dat de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet en, op basis van jaarlijkse controleverslagen en haar eigen controles, dat de systemen efficiënt functioneren tijdens de periode van de uitvoering van de operationele programma's.
Onverminderd controles door de lidstaten kunnen ambtenaren van de Commissie of gemachtigde vertegenwoordigers van de Commissie controles ter plaatse verrichten om de efficiënte werking van de beheers- en controlesystemen te controleren, waaronder audits van in het operationele programma opgenomen concrete acties; deze controles moeten ten minste één werkdag van tevoren worden aangekondigd. Aan deze controles mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat deelnemen.
De Commissie kan een lidstaat verzoeken een controle ter plaatse uit te voeren om de goede werking van de systemen of de juistheid van een of meer transacties te verifiëren. Aan deze controles mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de Commissie deelnemen.
Artikel 71
Samenwerking met de controle-instanties van de lidstaten
De Commissie werkt met de auditautoriteiten van de operationele programma's samen om hun respectieve controleplannen en inspectiemethoden te coördineren en zij wisselt de resultaten van de op beheers- en controlesystemen verrichte controles onmiddellijk uit om zo goed mogelijk gebruik te maken van de voor de controle beschikbare hulpbronnen en om ongerechtvaardigde herhaling van dezelfde werkzaamheden te voorkomen. De Commissie en de auditautoriteiten komen regelmatig bijeen, over het algemeen minstens één maal per jaar, om samen het krachtens artikel 60 ingediende jaarlijkse controleverslag te onderzoeken en om van gedachten te wisselen over andere kwesties in verband met de verbetering van het beheer en de controle van de operationele programma's. De Commissie maakt, binnen drie maanden of tijdens de eerste vergadering na ontvangst ervan, haar opmerkingen over de krachtens artikel 60 ingediende controlestrategie.
Om haar eigen controlestrategie vast te stellen gaat de Commissie na voor welke operationele programma's in het krachtens artikel 60 gegeven advies over de conformiteit van het systeem geen bezwaren zijn gemaakt, voor welke de bezwaren zijn ingetrokken omdat er correctiemaatregelen zijn genomen, voor welke de controlestrategie van de auditautoriteit toereikend is en voor welke de controles van de Commissie en de lidstaat een redelijke garantie hebben opgeleverd dat de beheers- en controlesystemen doeltreffend functioneren.
Voor die programma's kan de Commissie de betrokken lidstaten meedelen dat zij zich wat de juistheid, wettigheid en regelmatigheid van de gedeclareerde uitgaven betreft, voornamelijk op het advies van de auditautoriteit zal baseren en dat zij slechts in uitzonderlijke omstandigheden eigen audits ter plaatse zal uitvoeren.
TITEL VIII
FINANCIEEL BEHEER
HOOFDSTUK I
Financieel beheer
DEEL 1
VASTLEGGINGEN
Artikel 72
Vastleggingen
De communautaire vastleggingen voor de operationele programma's (hierna “vastleggingen” genoemd) worden verricht in jaartranches gedurende de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013. De eerste jaartranche wordt vastgelegd voordat de Commissie de beschikking tot goedkeuring van het operationele programma heeft gegeven. De daaropvolgende vastleggingen worden door de Commissie verricht op basis van het in artikel 20 bedoelde besluit een bijdrage uit het Fonds te verlenen.
Deel 2
BETALINGEN
Artikel 73
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende betalingen
De Commissie betaalt de bijdrage uit het Fonds overeenkomstig de vastleggingen. Alle betalingen worden afgeboekt op de oudste openstaande vastlegging.
De betalingen gebeuren in de vorm van een voorfinanciering, tussentijdse betalingen en een saldobetaling. De bijdragen worden betaald aan de door de lidstaat aangewezen instantie.
Elk jaar sturen de lidstaten uiterlijk op 31 januari de Commissie een bijgewerkte raming van de betalingsaanvragen toe voor het lopende begrotingsjaar en voor het volgende begrotingsjaar.
Alle uitwisselingen met betrekking tot financiële transacties tussen de Commissie en de door de lidstaten aangewezen autoriteiten gebeuren in elektronische vorm overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen die de Commissie volgens de in artikel 100, lid 3, bedoelde procedure vaststelt.
Artikel 74
Bepalingen inzake de berekening van de tussentijdse betalingen en de saldobetalingen
De tussentijdse betalingen en de saldobetalingen worden berekend door het cofinancieringspercentage voor elke prioriteit toe te passen op de overheidsuitgaven die in het kader van die prioriteit zijn gecertificeerd op basis van een uitgavenstaat die is gecertificeerd door de voor de certificering verantwoordelijke autoriteit.
Artikel 75
Uitgavenstaat
Alle uitgavenstaten bevatten voor elke prioriteit het bedrag van de uitgaven die de begunstigden voor de uitvoering van concrete acties hebben gedaan, alsmede de overeenkomstige overheidsbijdrage. De door de begunstigden betaalde uitgaven moeten worden gestaafd met gekwiteerde rekeningen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige bewijskracht.
Voor steunmaatregelen in de zin van artikel 87 van het Verdrag gelden als gecertificeerde uitgaven voor de Commissie de uitgaven die door de begunstigden zijn betaald en waarvoor een betaling is verricht door de steunverlenende instantie.
Artikel 76
Cumulatie van voorfinanciering en tussentijdse betalingen
Het gecumuleerde totaal van de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen mag niet meer bedragen dan 95% van de bijdrage aan het operationeel programma.
Zodra dit maximum is bereikt, stelt de certificeringsautoriteit de Commissie uiterlijk op 31 januari van het jaar n+1 in kennis van alle op 31 december van het jaar n gecertificeerde uitgaven en alle bedragen die in de loop van het jaar voor het Fonds zijn teruggevorderd.
Artikel 77
Volledigheid van de betalingen aan de begunstigden
De lidstaten vergewissen zich ervan dat de voor het betalen verantwoordelijke instantie ervoor zorgt dat de begunstigden het volledige bedrag van de bijdrage uit overheidsmiddelen zo spoedig mogelijk en volledig ontvangen. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of kortingen worden toegepast, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast die het totale bedrag voor de begunstigden verminderen.
Deel 3
VOORFINANCIERING
Artikel 78
Betaling
Nadat de Commissie de bijdrage uit het Fonds aan het operationele programma heeft goedgekeurd, keert de Commissie een enkele voorfinanciering uit aan de door de lidstaat aangewezen instantie. Deze voorfinanciering is gelijk aan 7% van de bijdrage uit het Fonds aan het operationeel programma.
Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt door de instantie die de lidstaat heeft aangewezen, aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalingsaanvraag voor het operationeel programma is toegezonden binnen een termijn van 24 maanden te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering.
De renteopbrengsten van de voorfinanciering worden voor het betrokken operationeel programma bestemd en in mindering gebracht op het in de definitieve uitgavenstaat vermelde bedrag aan overheidsuitgaven.
Het als voorfinanciering uitgekeerde bedrag wordt in het kader van de goedkeuring van de rekeningen behandeld bij de afsluiting van het operationeel programma.
Deel 4
TUSSENTIJDSE BETALINGEN
Artikel 79
Tussentijdse betalingen
De Commissie verricht tussentijdse betalingen onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen en op voorwaarde dat zij een redelijke garantie heeft dat de overeenkomstig de artikelen 56 tot en met 60 door de lidstaten opgezette beheers- en controlesystemen doeltreffend functioneren. Deze garantie moet zijn gebaseerd op het in artikel 69, lid 3, bedoelde verslag van de onafhankelijke auditinstantie.
Artikel 80
Ontvankelijkheid van betalingsaanvragen
Tussentijdse betalingen worden door de Commissie verricht op voorwaarde dat:
bij de Commissie een uitgavenstaat en een betalingsaanvraag zijn ingediend overeenkomstig artikel 73;
gedurende de gehele periode voor de betrokken prioriteit niet meer dan het maximale bedrag aan bijstand uit het Fonds is verleend;
de beheersautoriteit binnen de in artikel 65, lid 3, vastgestelde vereiste termijn het jongste jaarverslag over de uitvoering bij de Commissie heeft ingediend;
de betalingen niet uitgesteld of geschorst zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 84, en de Commissie geen met redenen omkleed advies heeft uitgebracht in verband met een inbreukprocedure overeenkomstig artikel 226 van het Verdrag ten aanzien van concrete acties waarvoor de uitgaven volgens de betrokken betalingsaanvraag zijn gedaan.
Onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen verricht de Commissie de betrokken tussentijdse betaling binnen twee maanden te rekenen vanaf de registratie van een betalingsaanvraag die aan de bovengenoemde voorwaarden voldoet.
De lidstaat en de voor de betalingen verantwoordelijke certificeringsautoriteit worden zo spoedig mogelijk door de Commissie geïnformeerd indien een van de in lid 1 genoemde voorwaarden niet is vervuld.
Artikel 81
Betalingsprocedure
Uiterlijk 45 dagen na de registratie van een betalingsaanvraag die voldoet aan de voorgaand artikel genoemde voorwaarden, verricht de Commissie de betrokken tussentijdse betaling.
De lidstaat en de met de betalingen belaste certificeringsautoriteit worden zo spoedig mogelijk door de Commissie geïnformeerd indien aan een van deze voorwaarden niet is voldaan.
De certificeringsautoriteit zorgt ervoor dat de aanvragen om tussentijdse betalingen voor operationele programma’s, voor zover mogelijk, driemaal per jaar gegroepeerd bij de Commissie worden ingediend. Voor betalingen die de Commissie nog in het lopende jaar moet verrichten, moeten de betalingsaanvragen uiterlijk op 31 oktober worden ingediend.
Deel 5
BETALING VAN HET SALDO EN AFSLUITING VAN HET PROGRAMMA
Artikel 82
Voorwaarden voor de betaling van het saldo
De Commissie betaalt het saldo op voorwaarde dat zij uiterlijk op 30 juni 2016 de volgende documenten heeft ontvangen:
een betalingsaanvraag en een uitgavenstaat overeenkomstig artikel 65;
het eindverslag over de uitvoering van het operationele programma, met inbegrip van de in artikel 65 bedoelde gegevens;
een verklaring betreffende de geldigheid van de aanvraag voor de betaling van het eindsaldo als bedoeld in artikel 60, lid 1, onder g), samen met het controleverslag.
Het saldo wordt uitgekeerd op voorwaarde dat het eindverslag over de uitvoering en de verklaring betreffende de geldigheid van de aanvraag voor de betaling van het eindsaldo worden aanvaard.
Indien niet alle in lid 1 genoemde documenten uiterlijk op 30 juni 2016 bij de Commissie zijn ingediend, wordt het saldo overeenkomstig artikel 87 ambtshalve doorgehaald.
Onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen betaalt de Commissie het saldo uiterlijk 45 dagen nadat zij het eindverslag over de uitvoering en de verklaring betreffende de geldigheid van de aanvraag voor de betaling van het eindsaldo heeft aanvaard. Onverminderd het bepaalde in lid 5, worden de bedragen die na de saldobetaling vastgelegd zijn gebleven, uiterlijk zes maanden na de betaling doorgehaald.
Uitgaven die niet vóór 30 juni 2016 zijn gecertificeerd, mogen na die datum niet meer aan een uitgavenstaat worden toegevoegd.
Onverminderd de resultaten van eventuele audits door de Commissie of de Europese Rekenkamer, kan het door de Commissie voor een operationeel programma betaalde saldo worden gewijzigd binnen 9 maanden na de datum van betaling van het saldo of, bij een negatief, door de lidstaat terug te betalen saldo, binnen 9 maanden na de datum waarop de debetnota is verzonden.
Artikel 83
Bewaring van documenten
De beheersautoriteit zorgt ervoor dat alle bewijsstukken betreffende betalingen en audits in verband met het operationeel programma ter beschikking van de Commissie en de Europese Rekenkamer worden gehouden. De bewijsstukken worden gedurende de in de nationale voorschriften vastgestelde termijn voor het bewaren van bewijsstukken, en ten minste vijf jaar na de afsluiting van het operationele programma ter beschikking gehouden. De bewijsstukken moeten hetzij als originele stukken, hetzij als voor authentiek gewaarmerkte versies op algemeen aanvaarde gegevensdragers worden bijgehouden. In geval van gerechtelijke vervolging of op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt deze termijn geschorst.
Deel 6
UITSTEL VAN, INHOUDING OP EN SCHORSING VAN BETALINGEN
Artikel 84
Uitstel
De betalingen worden door de gedelegeerde ordonnateur in de zin van het Financieel Reglement maximaal zes maanden uitgesteld als er twijfels zijn over de goede werking van deze systemen of als deze ordonnateur extra informatie van de nationale autoriteiten nodig heeft in verband met de follow-up van de opmerkingen tijdens het jaarlijks onderzoek. De Commissie stelt de lidstaat en de certificeringsautoriteit onmiddellijk in kennis van de redenen voor dit uitstel. De lidstaat neemt de nodige stappen om de situatie zo spoedig mogelijk te corrigeren.
Indien een besluit moet worden genomen als bedoeld in de artikelen 85 en 86, worden het uitstel van de betalingen met maximaal zes maanden verlengd.
Artikel 85
Inhouding
De Commissie besluit om 20% van de door de Commissie te vergoeden bedragen op de tussentijdse betalingen in te houden indien de essentiële onderdelen van het in artikel 69, lid 3, bedoelde plan voor corrigerende actie ten uitvoer is gelegd en de ernstige tekortkomingen vermeld in het in artikel 60, lid 1, onder e), punt i), bedoelde jaarlijkse controleverslag van de auditautoriteit, zijn verholpen, maar er nog steeds wijzigingen nodig zijn om de Commissie een redelijke garantie te geven met betrekking tot de beheers- en controlesystemen.
Alvorens te besluiten tot het inhouden van een deel van de betalingen, stelt de Commissie de lidstaat in de gelegenheid om binnen een periode van twee maanden opmerkingen te maken.
Het saldo van de tussentijdse betalingen wordt uitgekeerd zodra de vereiste maatregelen zijn genomen. Bij gebrek aan dergelijke maatregelen kan een financiële correctie worden toegepast overeenkomstig artikel 96.
Artikel 86
Schorsing van betalingen
De tussentijdse betalingen op het niveau van een prioriteit of programma kunnen geheel of gedeeltelijk door de Commissie worden geschorst indien:
ernstige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen van het programma afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de procedure voor de certificering van betalingen door de certificeringsautoriteit, en er in dat verband geen correctiemaatregelen zijn genomen;
uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat verband houden met een ernstige onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen;
een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 69 niet is nagekomen.
De Commissie kan besluiten de tussentijdse betalingen te schorsen na de lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld binnen twee maanden zijn opmerkingen te maken.
De Commissie heft de schorsing van de tussentijdse betalingen op als zij van mening is dat de lidstaat de nodige maatregelen heeft genomen om opheffing van de schorsing mogelijk te maken. Indien de lidstaat niet de vereiste maatregelen neemt, kan de Commissie besluiten het nettobedrag te verlagen of de bijdrage van de Gemeenschap aan het operationele programma in te trekken overeenkomstig artikel 96.
Deel 7
DOORHALING AMBTSHALVE
Artikel 87
Beginselen
Het gedeelte van een vastlegging voor een operationeel programma dat op 31 december van het tweede jaar na het jaar waarin de vastlegging voor het programma is verricht, niet voor een voorfinanciering of voor tussentijdse betalingen is gebruikt of waarvoor geen enkele ontvankelijke betalingsaanvraag als omschreven in artikel 80 bij de Commissie is ingediend, wordt ambtshalve door de Commissie doorgehaald.
Het op 31 december 2015 nog openstaande gedeelte van vastleggingen wordt ambtshalve doorgehaald indien de Commissie daarvoor op 30 juni 2016 nog geen ontvankelijke betalingsaanvraag heeft ontvangen.
Wanneer deze verordening na 1 januari 2007 in werking treedt, wordt de in lid 2 bedoelde termijn waarna de eerste ambtshalve doorhaling kan worden verricht, voor de eerste vastlegging verlengd met het aantal maanden tussen 1 januari 2007 en de datum van de eerste vastlegging.
Artikel 88
Uitzonderingen op de termijnen voor doorhaling
Indien een latere beschikking van de Commissie nodig is om een steunregeling toe te staan, loopt de termijn voor het doorhalen ambtshalve als bedoeld in artikel 87, van de datum van de latere beschikking tot de beschikking tot goedkeuring van het operationele programma. De bedragen waarop deze afwijking betrekking heeft, worden vastgesteld op basis van een door de lidstaat toegezonden met redenen omkleed schema.
Artikel 89
Schorsing van de termijn wegens administratieve en gerechtelijke procedures
De in artikel 87 bedoelde termijn waarna ambtshalve kan worden doorgehaald, wordt voor het bedrag dat met de betrokken concrete acties overeenkomt, geschorst voor de duur van een gerechtelijke procedure of een administratief beroep met opschortende werking, mits de lidstaat de Commissie uiterlijk op 31 december van het jaar n+2 een met redenen omklede kennisgeving toezendt. Voor het op 31 december 2015 nog openstaande gedeelte van vastleggingen wordt de in artikel 87, lid 2, bedoelde termijn geschorst onder dezelfde voorwaarden als voor het bedrag dat met de betrokken concrete acties overeenkomt.
Artikel 90
Uitzonderingen op de doorhaling ambtshalve
Bij de berekening van de ambtshalve door te halen bedragen worden niet meegerekend:
het gedeelte van de vastlegging waarvoor op 31 december van jaar n+2 wel een betalingsaanvraag is ingediend, maar waarvan de Commissie de betaling heeft uitgesteld, ingehouden of geschorst. Of uiteindelijk al dan niet met deze bedragen rekening wordt gehouden, hangt af van de uitkomst van het probleem op grond waarvan de betaling is uitgesteld, ingehouden of geschorst;
het gedeelte van de vastlegging waarvoor een betalingsaanvraag is ingediend maar waarvoor de vergoeding is geplafonneerd, met name vanwege een gebrek aan middelen;
het gedeelte van de vastlegging waarvoor geen ontvankelijke betalingsaanvraag kon worden ingediend wegens overmacht, voor zover deze situatie ernstige repercussies heeft gehad voor de uitvoering van het operationele programma. De nationale autoriteiten die zich op overmacht beroepen, moeten de rechtstreekse gevolgen van de overmachtsituatie voor de tenuitvoerlegging van het operationele programma als geheel of een deel daarvan aantonen.
Artikel 91
Procedure
De Commissie brengt de lidstaat en de betrokken autoriteiten tijdig op de hoogte wanneer er gevaar voor ambtshalve doorhalen bestaat overeenkomstig lid 2. De Commissie stelt de lidstaat en de betrokken autoriteiten in kennis van het bedrag dat volgens de haar beschikbare gegevens ambtshalve moet worden doorgehaald.
De lidstaat beschikt over een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst van die kennisgeving om akkoord te gaan met het betrokken bedrag of zijn opmerkingen kenbaar te maken. De Commissie gaat over tot het ambtshalve doorhalen uiterlijk negen maanden na de in artikel 87 bedoelde uiterste datum.
Indien een bedrag ambtshalve wordt doorgehaald, wordt de bijdrage uit het Fonds voor het betrokken operationeel programma voor het betrokken jaar met dat bedrag verlaagd. De lidstaat legt een herzien financieringsplan over waarin de verlaging van de steun over de prioritaire zwaartepunten van het operationeel programma is verdeeld. Bij ontstentenis daarvan verlaagt de Commissie de voor de onderscheiden prioritaire zwaartepunten toegewezen bedragen verhoudingsgewijs.
Deel 8
GEDEELTELIJKE AFSLUITING
Artikel 92
Gedeeltelijke afsluiting
Op door de lidstaat gekozen tijdstippen mogen operationele programma’s gedeeltelijk worden afgesloten. De afsluiting moet betrekking hebben op concrete acties waarvoor het saldo uiterlijk op 31 december van het jaar n-1 aan de eindbegunstigde is betaald. Voor de toepassing van deze verordening worden concrete acties voltooid geacht wanneer alle activiteiten in het kader van de actie daadwerkelijk zijn uitgevoerd en wanneer de begunstigde het saldo heeft ontvangen of een document van gelijke strekking aan de beheersautoriteit heeft verstrekt.
Het bedrag van de betalingen die verband houden met voltooide concrete acties dient in de uitgavenstaat te worden vermeld. Gedeeltelijke afsluiting is toegestaan op voorwaarde dat de beheersautoriteit de Commissie uiterlijk op 30 juni van het jaar n het volgende toezendt:
een definitieve uitgavenstaat voor de betrokken concrete acties;
een door de auditautoriteit voor het programma overeenkomstig artikel 60 afgegeven geldigheidsverklaring voor de aanvraag om betaling van het saldo voor de voltooide concrete acties, waarin de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende transacties worden gecertificeerd.
Artikel 93
Bewijsstukken
De beheersautoriteit houdt voor de Commissie een lijst beschikbaar van de voor gedeeltelijke afsluiting in aanmerking komende concrete acties waarvoor het saldo is betaald.
De beheersautoriteit zorgt ervoor dat alle bewijsstukken betreffende betalingen en audits in verband met de betrokken concrete acties ter beschikking van de Commissie en de Europese Rekenkamer worden gehouden. De bewijsstukken moeten worden bewaard gedurende ten minste vijf jaar na het jaar waarin de gedeeltelijke afsluiting heeft plaatsgevonden, onverminderd de bepalingen inzake staatssteun. De bewijsstukken moeten hetzij als originele stukken, hetzij als voor authentiek gewaarmerkte versies op algemeen aanvaarde gegevensdragers worden bijgehouden. In geval van gerechtelijke vervolging of op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt deze termijn geschorst.
Eventuele financiële correcties overeenkomstig de artikelen 95 en 96 ten aanzien van concrete acties waarvoor een gedeeltelijke afsluiting heeft plaatsgevonden, zijn netto financiële correcties.
Deel 9
GEBRUIK VAN DE EURO
Artikel 94
Gebruik van de euro
De bedragen van de beschikkingen van de Commissie betreffende operationele programma's en van de vastleggingen en de betalingen van de Commissie, en de bedragen van gecertificeerde uitgaven en betalingsaanvragen van de lidstaten luiden in euro's en worden in euro's uitgevoerd volgens de voorschriften die de Commissie heeft vastgesteld overeenkomstig de in artikel 100, lid 3, bedoelde procedure.
HOOFDSTUK II
Financiële correcties
DEEL 1
FINANCIËLE CORRECTIES DOOR DE LIDSTATEN
Artikel 95
Financiële correcties door de lidstaten
De lidstaten zijn in eerste instantie belast met het onderzoek naar onregelmatigheden en laten zich daarbij leiden door de vaststelling van elke belangrijke wijziging die de aard of de voorwaarden van de uitvoering of de controle van een bijstandspakket beïnvloedt, en het verrichten van de nodige financiële correcties.
De lidstaat verricht de financiële correcties die geboden zijn in verband met bij concrete acties of operationele programma’s geconstateerde eenmalige of systematische onregelmatigheden. De door de lidstaat verrichte correcties behelzen een gehele of gedeeltelijke intrekking van de communautaire bijdrage. De lidstaat houdt rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en het financiële verlies voor het Fonds. De communautaire middelen die op deze wijze beschikbaar komen, mag de lidstaat tot december 2015 opnieuw gebruiken voor het betrokken operationele programma in overeenstemming met de regelingen van lid 3. In de overeenkomstig de artikelen 60 en 65 aan de Commissie toe te zenden jaarlijkse controleverslagen en verslagen over de uitvoering geeft de lidstaat een overzicht van de intrekkingsprocedures die in het betrokken jaar zijn ingeleid.
De overeenkomstig lid 2 ingetrokken bijdrage uit het Fonds mag niet opnieuw worden gebruikt voor de concrete acties waarop de correctie betrekking had, noch voor concrete acties waarbij een systematische fout heeft plaatsgevonden ten aanzien waarvan een financiële correctie is toegepast. De lidstaten delen de Commissie in het in artikel 65 bedoelde verslag mee hoe zij hebben besloten of hoe zij voorstellen de ingetrokken middelen opnieuw te gebruiken en, in voorkomend geval, het financieringsplan te wijzigen.
Bij systematische onregelmatigheden breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle concrete acties waarbij de systematische onregelmatigheid opgetreden kan zijn.
Indien uit hoofde van een intrekking als bedoeld in lid 1 bedragen moeten worden teruggevorderd, leidt de bevoegde dienst of instantie een terugvorderingsprocedure in en stelt deze de certificerings- en beheersautoriteiten daarvan in kennis. Terugvorderingen moeten worden gemeld en verantwoord.
Deel 2
FINANCIËLE CORRECTIES DOOR DE COMMISSIE
Artikel 96
Criteria voor de correcties
De Commissie kan financiële correcties toepassen door de bijdrage van de Gemeenschap aan een operationeel programma geheel of gedeeltelijk in te trekken indien zij na het nodige onderzoek tot de conclusie komt dat:
het beheers- en controlesysteem van het programma ernstige tekortkomingen vertoont die de reeds aan het programma betaalde bijdrage van de Gemeenschap in gevaar brengen;
de uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat onregelmatigheden vertonen die niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid;
een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 68 heeft voldaan voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid.
De Commissie zal haar financiële correcties baseren op de afzonderlijke onregelmatigheden die worden geconstateerd, en afhankelijk van de vraag of sprake is van systematische onregelmatigheden besluiten of een forfaitaire dan wel een geëxtrapoleerde correctie moet worden toegepast. Indien de onregelmatigheid betrekking heeft op een uitgavenstaat waarvoor eerder al een positieve verklaring was afgegeven in het in artikel 60, lid 1, onder e), punt i), bedoelde jaarlijkse controleverslag, wordt uitgegaan van een systematisch probleem dat aanleiding geeft tot een forfaitaire of geëxtrapoleerde correctie, tenzij de lidstaat deze veronderstelling binnen twee maanden met bewijzen kan weerleggen.
De Commissie houdt bij het vaststellen van het bedrag van een correctie rekening met de ernst van de onregelmatigheid en met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen die in het betrokken operationeel programma zijn geconstateerd.
Wanneer de Commissie haar standpunt baseert op feiten die zijn vastgesteld door andere auditeurs dan die van haar eigen diensten, trekt zij met betrekking tot de financiële consequenties van die feiten haar eigen conclusies, na onderzoek van de op grond van artikel 69 door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, van de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1681/94 verstrekte verslagen en van de eventuele antwoorden van de lidstaat.
Artikel 97
Procedure
Alvorens te besluiten tot een financiële correctie, leidt de Commissie de procedure in door de lidstaat te vragen naar zijn voorlopige conclusies en te verzoeken binnen twee maanden zijn opmerkingen te doen toekomen.
Indien de Commissie geëxtrapoleerde of forfaitaire financiële correcties voorstelt, wordt de lidstaat in de gelegenheid gesteld om, door middel van onderzoek van de betrokken dossiers, aan te tonen dat de werkelijke omvang van de onregelmatigheid geringer is dan de Commissie in haar beoordeling stelt. In overeenstemming met de Commissie mag de lidstaat dit onderzoek beperken tot een passend deel of passende steekproef van de betrokken dossiers. Behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen mag dit onderzoek niet langer duren dan twee maanden na de bovengenoemde periode van twee maanden. De Commissie houdt rekening met alle door de lidstaat binnen deze termijn aangevoerde bewijzen.
Indien de lidstaat de voorlopige conclusies van de Commissie niet aanvaardt, wordt de lidstaat door de Commissie gehoord en trachten beide partijen middels samenwerking op grond van het partnerschap overeenstemming te bereiken over de opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, neemt de Commissie uiterlijk zes maanden na de datum van de hoorzitting een besluit over de financiële correctie. Indien er geen hoorzitting plaatsvindt, begint de periode van zes maanden op de datum waarop de Commissie de afwijzing door de lidstaat van de uitnodiging voor de hoorzitting ontvangt.
Artikel 98
Terugbetaling
Elke aan de Commissie te verrichten terugbetaling geschiedt vóór de datum die is vermeld in de [overeenkomstig artikel 72 van de uitvoeringsbepalingen van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[19] opgestelde] invorderingsopdracht. Deze datum komt overeen met de laatste dag van de tweede maand na de verstrekking van de invorderingsopdracht.
Elke vertraging van de terugbetaling geeft aanleiding tot rente wegens te late betaling, te rekenen vanaf de in lid 1 bedoelde datum tot de datum van de daadwerkelijke betaling. De toegepaste rentevoet is anderhalf procentpunt hoger dan die welke de Europese Centrale Bank toepast bij haar voornaamste herfinancieringstransacties op de eerste werkdag van de maand waarin de in lid 1 bedoelde datum valt.
Artikel 99
Verplichtingen van de lidstaten
Een financiële correctie door de Commissie laat de verplichting van de lidstaat tot terugvordering van bedragen op grond van artikel 96, en van staatssteun op grond van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 onverlet.
TITEL IX
COMITÉ
Artikel 100
Comité en procedures
De Commissie wordt bijgestaan door het Comité van het Europees Visserijfonds (hierna: “het comité”).
Dit comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. Het wordt opgericht onder auspiciën van de Commissie.
Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, is de beheersprocedure van de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.
De termijn als bedoeld in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG wordt gesteld op een maand.
Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 101
Uitvoeringsbepalingen
De uitvoeringsbepalingen van deze verordening worden vastgesteld volgens de in artikel 100 bedoelde procedure.
De aard van de maatregelen voor technische bijstand die door de Commissie worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 45, lid 1, wordt vastgesteld volgens de in artikel 100 bedoelde procedure.
TITEL X
SLOTBEPALINGEN
Artikel 102
Overgangsbepalingen
Deze verordening laat onverlet dat bijstandspakketten die door de Raad of de Commissie zijn goedgekeurd op grond van Verordening (EEG) nr. 2052/88, (EEG) nr. 4253/88, ((EG) nr. 1164/94, (EG) nr. 1260/99 en (EG) nr. 2792/99 of van enige andere wetgeving die op 31 december 2006 op de betrokken bijstandspakketten van toepassing is, worden voortgezet of gewijzigd, met inbegrip van gedeeltelijke of volledige intrekking.
Bij de voorbereiding van communautaire bijstand houdt de Commissie rekening met elke, door de Raad of door de Commissie vóór de inwerkingtreding van deze verordening goedgekeurde actie die een financiële weerslag heeft in de loop van de door de bijstand bestreken periode.
De delen van de bedragen die zijn vastgelegd voor bijstand die door de Commissie tussen 1 januari 2000 en 31 december 2006 zijn goedgekeurd en waarvoor de voor afsluiting van de bijstand vereiste documenten op de uiterste datum voor indiening van het eindverslag nog niet bij de Commissie zijn ingediend, worden door de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 ambtshalve doorgehaald en geven aanleiding tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen. De voor afsluiting van de bijstand vereiste documenten zijn de aanvraag om betaling van het saldo, het eindverslag over de uitvoering en het definitieve controleverslag en een verklaring die is opgesteld door een persoon of dienst die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit en waarin de conclusies van de verrichte controles worden samengevat en een oordeel wordt gegeven over de deugdelijkheid van de aanvraag om de saldobetaling, alsmede over de wettigheid en de regelmatigheid van de transacties die zijn vermeld in de definitieve uitgavenstaat, als bedoeld in artikel 38, lid 1 van Verordening (EG) nr. 1260/1999.
Bedragen die verband houden met concrete acties of programma’s die zijn geschorst wegens een gerechtelijke procedure of administratief beroep met opschortend effect, worden bij de berekening van de ambtshalve door te halen bedragen niet meegerekend.
Artikel 103
Intrekking van verordeningen
Verordening (EG) nr. 1263/1999 en Verordening (EG) nr. 2792/1999 worden met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken, onverminderd artikel 102.
De verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening.
Artikel 104
Herziening van deze verordening
Op voorstel van de Commissie beziet de Raad deze verordening vóór 31 december 2013 opnieuw.
Artikel 105
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.
Artikel 14 is evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, […].
Voor de Raad
De Voorzitter
[…]
BIJLAGE I
Overeenkomstig de op 10 februari 2004 door de Commissie goedgekeurde Mededeling over de financiële vooruitzichten worden vastleggingskredieten voor het Europese Visserijfonds in prijzen van 2004 per jaar als volgt uitgesplitst:
in miljoenen euro’s
+++++ TABLE +++++
Voor alle regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen in de 15 lidstaten, bedragen de voor vastlegging beschikbare begrotingsmiddelen 2,015 miljard euro voor de periode 2007-2013 in prijzen van 2004.
in miljoenen euro’s
+++++ TABLE +++++
Er zullen grote inspanningen worden geleverd om de begrotingsmiddelen te concentreren op de nieuwe lidstaten die onder de convergentiedoelstelling vallen. De begrotingsmiddelen die voor deze lidstaten kunnen worden vastgelegd bedragen 1,702 miljard euro voor de periode 2007-2013 in prijzen van 2004.
in miljoenen euro’s
+++++ TABLE +++++
75% van de voor vastlegging beschikbare middelen voor het Fonds, in absolute cijfers, moet worden besteed aan de regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen.
BIJLAGE IIMAXIMALE PERCENTAGES AAN OVERHEIDSSTEUN
Percentages van de financiële bijdrage
Voor alle in titel IV genoemde maatregelen gelden voor de financiële participatie van de Gemeenschap (A), het totaal van de (nationale, regionale en andere) financiële overheidsparticipaties van de betrokken lidstaat (B) en, in voorkomend geval, de financiële participatie van particuliere begunstigden (C), de hierna vermelde grenzen, uitgedrukt in procenten van de voor bijstand in aanmerking komende uitgaven.
Groep 1: Niet-productieve investeringen
Premies voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten (artikel 25), premies voor tijdelijke stillegging van activiteiten (artikel 26), sociaal-economische compensatie (artikel 28), maatregelen voor de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij (artikel 43), milieumaatregelen in de aquacultuur (artikel 31), maatregelen betreffende de gezondheid van mens en dier (artikel 32), collectieve acties (artikel 36), maatregelen ter bescherming en ontwikkeling van de aquatische fauna (artikel 37), uitrusting van vissershavens (artikel 38) afzetbevordering en ontwikkeling van nieuwe markten (artikel 39), proefprojecten (artikel 40), aanpassing of omschakeling van vissersvaartuigen (artikel 41), technische bijstand (artikel 45).
Groep 2: Productieve investeringen
Maatregelen voor de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij (artikel 43), investeringen aan boord van vissersvaartuigen (artikel 27), investeringen in aquacultuur (artikel 30), investeringen in de verwerking en afzet van visserijproducten (artikel 34), afzetbevordering en ontwikkeling van nieuwe markten (artikel 39).
Groep 3
- In het kader van de plannen voor het aanpassen van de visserij-inspanning als bedoeld in artikel 23, onder a), eerste streepje:
- premies voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten (artikel 25);
- premies voor tijdelijke stillegging van activiteiten (artikel 26),
- sociaal-economische compensatie (artikel 28).
- Maatregelen voor kleinschalige kustvisserij (artikel 27 bis, leden 3 en 4).
Groep 4
Andere dan door overheidsinstanties uitgevoerde proefprojecten (artikel 40).
Steunintensiteit en percentages van de financiële bijdrage voor uit hoofde van deze verordening gefinancierde concrete acties
+++++ TABLE +++++
*) Het percentage voor maatregelen van de particuliere sector uit hoofde van artikel 27 bis, lid 2, wordt verlaagd met 20%.
FICHE FINANCIÈRE LÉGISLATIVE
+++++ TABLE +++++
1. LIGNE(S) BUDGÉTAIRE(S) + INTITULÉ(S)
2. DONNÉES CHIFFRÉES GLOBALES
2.1 Enveloppe totale de l’action (partie B): millions d'euros en CE
2.2 Période d’application:
(années de début et d’expiration)
01 janvier 2007 au 31 décembre 2013.
2.3 Estimation globale pluriannuelle des dépenses:
a) Échéancier crédits d'engagement/crédits de paiement (intervention financière) (cf. point 6.1.1)
Millions d'euros (à la 3e décimale)
+++++ TABLE +++++
b) Assistance technique et administrative (ATA) et dépenses d’appui (DDA) (cf. point 6.1.2)
+++++ TABLE +++++
+++++ TABLE +++++
c) Incidence financière globale des ressources humaines et autres dépenses de fonctionnement(cf. points 7.2 et 7.3)
+++++ TABLE +++++
+++++ TABLE +++++
2.4 Compatibilité avec la programmation financière et les perspectives financières
[X] Proposition compatible avec la programmation financière existante.
Cette proposition est compatible avec la proposition de la Commission pour les perspectives financières 2007-2013 (Com (2004) 101 final du 10.02.2004). Elle s’inscrit dans le cadre de la rubrique 2 « conservation et gestion des ressources naturelles ».
[…] Cette proposition nécessite une reprogrammation de la rubrique concernée des perspectives financières,
[…] y compris, le cas échéant, un recours aux dispositions de l’accord interinstitutionnel.
2.5 Incidence financière sur les recettes
[X] Aucune implication financière (concerne des aspects techniques relatifs à la mise en œuvre d'une mesure).
OU
[…] Incidence financière - L'effet sur les recettes est le suivant:
Millions d'euros (à la première décimale)
+++++ TABLE +++++
4. BASE JURIDIQUE
(Indiquer ici uniquement la base juridique principale.)
Articles 32 et 33 du Traité.
5. DESCRIPTION ET JUSTIFICATION
5.1 Nécessité d'une intervention communautaire[20]
5.1.1 Objectifs poursuivis
La présente proposition vise la mise en place d’un Fonds destiné à promouvoir le développement économique et social du secteur de la pêche, dans le cadre d’une gestion durable des ressources halieutiques conformément aux orientations arrêtées par la réforme de la politique commune de la pêche adoptée en Décembre 2002.
L’excès de capacité de flotte communautaire, en dépit des efforts entrepris dans le cadre des programmes structurels précédents (IFOP 1994-1999 et IFOP 2000-2006), demeure l’une des causes de la surexploitation de certains stocks. Le Fonds européen pour la pêche (FEP) devra désormais contribuer de manière décisive à la réduction nécessaire des capacités, notamment celles des flottes exerçant une pression sur les stocks menacés. Par ailleurs le Fonds devra accompagner la restructuration du secteur par un dispositif de mesures sociales et économiques de nature à limiter l’impact lié au déclin des activités de pêche ou aux mesures contraignantes prises en vertu de la politique de la conservation des ressources halieutiques.
L’aquaculture et la transformation communautaires demeurent confrontées à des problèmes de compétitivité, de productivité et de durabilité, ces domaines devraient faire l’objet d’un soutien ciblé, permettant aux entreprises de s’adapter aux contraintes de marché, environnementales et réglementaires auxquelles elles sont confrontées.
Les problèmes liés à l’évolution du secteur et à la rareté de la ressource frappent l’ensemble des activités économiques des zones pêche, il convient donc de mettre en place une politique de développement des zones côtières de pêche qui s’inscrit dans une démarche intégrée autour d’une stratégie territoriale pertinente et adaptée au contexte local.
Enfin, conformément aux objectifs fixés la PCP réformée, il conviendra d’accorder une importance accrue à la prise en compte de la dimension environnementale dans toutes les interventions du Fonds.
L’analyse d’impact réalisée par la DG FISH et mentionnée au point 5.1.2 développe davantage les objectifs poursuivis par les interventions du Fonds
5.1.2 Dispositions prises relevant de l’évaluation ex ante
a) d'expliquer comment et quand l'évaluation ex ante a été effectuée (auteur, calendrier et si le(s) rapport(s) est/sont disponible(s) ou comment l'information correspondante a été collectée[21].
L’analyse d’impact de la présente proposition réalisée par la DG pêche a été rédigée sur la base des évaluations disponibles notamment
- l’évaluation ex post des programmes IFOP pour la période 1994-1999,
- l’évaluation à mi-parcours des programmes IFOP pour la période 2000-2006,
- l’étude de l’impact de l’IFOP sur l’industrie de la transformation 1994-1999.
D’autres documents stratégiques ont été également pris en compte pour l’élaboration de cette proposition en particulier,
- le Livre Vert sur l’avenir de la PCP (mars 2001),
- la Communication de la Commission intitulée « une stratégie pour le développement durable de l’aquaculture européenne » - COM (2002)511 final du 19.9.2002,
- la Communication de la Commission « plan d’action pour pallier les conséquences sociales, économiques et régionales de la restructuration du secteur de la pêche de l’UE » -COM (2002) 600 du 6.11.2002.
b) de décrire brièvement les constatations et enseignements tirés de l'évaluation ex ante.)
La gestion des interventions soutenues par le Fonds sera plus décentralisée vers les Etats membres,,,, par analogie avec les règles de gestion qui régiront les nouveaux Fonds structurels et de cohésion et le nouvel instrument de développement rural. Un autre élément de simplification réside dans le choix d’un Fonds unique couvrant tout le territoire communautaire, régit par un règlement unique simplifié, se limitant à définir les principes et les critères d’intervention.
Les responsabilités de la Commission et des Etats membres seront également mieux définies à chaque stade de la programmation, du suivi, de l’évaluation et du contrôle. Au niveau de la programmation, cette proposition adopte le principe d’une feuille de route déterminant les objectifs stratégiques tels que prévu dans les conclusions du 3ème rapport de la Commission sur la cohésion économique de 2004. Ainsi le Conseil dans un premier temps adopte, sur proposition de la Commission, après avis du Parlement, des orientations stratégiques définissant les priorités d’intervention de la PCP et servant de cadre de référence pour la programmation du Fonds par les Etats membres. Les Etats membres adoptent à leur tour des plans stratégiques nationaux conformes aux orientations du Conseil, qui portent sur l’ensemble des volets de la PCP et indiquent les priorités et les objectifs pour sa mise en œuvre. Les programmes opérationnels des Etats membre devront tenir compte.
Les ressources du Fonds seront concentrées sur un nombre limité de priorités de manière à améliorer la transparence financière, la qualité et l’efficacité des interventions et faciliter l’évaluation de la valeur ajoutée communautaire. Ainsi la concentration de l’effort financier sur l’ajustement des capacités de pêche et l’atténuation des impacts socio-économiques qui en découlent devraient mieux contribuer à la réalisation des objectifs d’une pêche responsable et durable sur le plan économique, social et environnemental.
5.1.3 Dispositions prises à la suite de l’évaluation ex post
(Dans le cas du renouvellement d’un programme, il s’agit aussi de décrire brièvement les enseignements à tirer d’une évaluation intérimaire ou ex post.)
L’évaluation ex-post de l’impact du soutien de l’IFOP sur la période 1994-1999 montre que cet instrument n’a pas été suffisant pour enrayer la réduction des surcapacités de pêche, du fait, en partie, que l’IFOP s’est avéré difficile à gérer et inadapté pour susciter le retrait des navires ciblant les stocks halieutiques les plus menacés.
L’évaluation ex-post de l’impact du soutien de l’IFOP reçu par l’industrie de la transformation pour la période 1994-1999 montre que, quoique la politique communautaire en matière d’aide au secteur de la transformation ait évolué, vers des mesures de restructuration et un encouragement à l’adoption de techniques de production améliorant la compétitivité, des progrès restent à faire non seulement au niveau de la définition des priorités mais aussi à celui de la simplification des mécanismes de mise en œuvre de l’IFOP.
L’évaluation a mi-parcours des programmes relevant de la période 2000-2006 suggère que la programmation devrait être élaborée de manière partenariale, qu’il convient d’éliminer les mesures contradictoires pour la flotte (construction, modernisation versus démolition et déclassement) et de soutenir d’avantage des activités intra sectoriels, pour combattre la fragmentation du secteur. En ce qui concerne la gestion et le suivi des programmes, il est recommandé d’améliorer la promotion pour attirer d’avantage des projets, de simplifier les procédures administratives et de mieux définir les indicateurs de suivi.
5.2 Actions envisagées et modalités de l'intervention budgétaire
- L’adaptation des capacités de pêche :
Le fonds devra répondre à l’une des priorités de la PCP à savoir l’exploitation durable des ressources halieutiques. Il devra par conséquent accompagner la gestion de la flotte communautaire, aujourd’hui encore sur capacitaire, en visant en premier lieu les flottes pêchant des ressources en dessous des limites biologiques raisonnable. Le Fonds pourra accorder des aides aux armateurs et équipages affectés par des mesures d’ajustement des efforts de pêche lorsque celles-ci s’inscrivent dans le cadre :
- De plans de reconstitution ou de gestion de la ressource adoptés par le Conseil,
- De mesures d’urgence adoptée par la Commission ou les Etats membres pour la conservation,
- De la non reconduction d’un accord de pêche avec un pays tiers ou d’un arrangement international,
- De plans de sortie de flotte adoptés par les Etats membres sur une base volontaire.
Ces plans d’adaptation des capacités devront inclure des actions d’arrêt définitif des activités de pêche et pourront inclure des mesures d’arrêt temporaire.
Les crédits non alloués au titre de la réserve feront l’objet d’une programmation classique pour tous les autres domaines d’intervention ci-après. Dans ce cadre, le fonds apportera un concours financier aux plans de sortie de flotte qui seraient adoptés par les Etats membres suite à la non reconduction d’un accord ou d’un arrangement international, ou en vue d’adapter les capacités de leur flotte de pêche aux ressources disponibles dans le cadre de plans d’une durée limitée adoptés volontairement par les Etats membre.
Un soutien approprié sera accordé au financement d’équipements visant à améliorer la sécurité à bord, d’hygiène, la qualité des produits et des conditions de travail, l’expérimentation de nouvelles mesures techniques dans le cadre de projets pilotes et ou permettant de conserver les captures à bord ou de réduite l’impact de la pêche sur l’environnement marin.
Au titre de cette priorité « ajustement des efforts de pêche », des compensations socio-économiques pourront être octroyées en faveur des pêcheurs affectés par l’évolution de l’activité de pêche pour leur reconversion, la diversification de leur activité ou leur départ anticipé du secteur.
- Développement durable des zones côtières de pêche :
Le Fonds interviendra en faveur du développement durable des zones côtières, qui devra s’appuyer sur une stratégie territoriale pertinente et adaptée au contexte local, visant le maintien ou l’amélioration de la prospérité économique et sociale, la promotion de la valeur ajoutée des activités de pêche et d’aquaculture, le soutien à la diversification et à la reconversion économique et la promotion de l’environnement côtier. Le public visé dans ce cadre sera l’ensemble des communautés côtières liées au secteur, allant ainsi au-delà des pêcheurs et armateurs. La délimitation des zones éligibles incombera aux Etats membres sur la base de critères homogènes pour toute la Communauté et définis par la présente proposition. Afin de donner une préférence à la participation des acteurs de terrain, et de garantir une démarche ascendante à partir de la base, les stratégies de développement des zones côtières de pêches seront élaborées et mises en oeuvre par des regroupements de partenaires locaux publics et privés, sélectionnés par les Etats membres par le biais d’appels à propositions.
- Aquaculture, transformation et commercialisation des produits de la pêche et de l’aquaculture :
Les investissements dans ces secteurs devront s’inscrire dans une perspective de développement durable et d’amélioration de la compétitivité des entreprises, notamment à travers l’adaptation des conditions de production, le respect de la santé humaine et animale, de la qualité des produits et la réduction de l’impact de ces activités sur l’environnement. Les aides aux investissement dans les entreprises de transformation ou de commercialisation seront néanmoins limitées aux micro et petites entreprises.
- Mesures d’intérêt collectif
Les mesures d’intérêt collectif mises en œuvre par les professionnels et destinées à la protection et au développement de la faune aquatique constituent un autre domaine d’intervention du Fonds. Ces actions doivent être mises en œuvre par des organismes publics ou parapublics ou des organisations professionnelles ou similaires reconnues. Les autres domaines d’intervention au titre des mesures collectives éligibles sont les investissements dans les ports de pêche contribuant à l’amélioration des services offerts aux pêcheurs, la promotion et la recherche de nouveaux débouchés pour les produits de la pêche et de l’aquaculture dans le respect du droit de la concurrence, les projets pilotes dans le but d’acquérir ou de diffuser de nouvelles connaissance techniques, la transformation des navires de pêche à des fins exclusives de formation ou de recherche.
- Assistance technique
Dans la limite de 5 % des programmes opérationnels, le Fonds pourra concourir au financement d’actions de préparation, de gestion, de suivi, d’évaluation, d’information, de contrôle et d’audit des interventions. Par ailleurs le Fonds pourra apporter un soutien au renforcement de la capacité administrative nécessaire pour la gestion de la PCP et du Fonds, des Etats membres dont la totalité des régions relèvent de l’objectif de convergence.
A son initiative et pour son compte, et dans la limite de 0,8% de la dotation totale du Fonds, la Commission peut financer au titre du Fonds des mesures de préparation, de suivi et de mise en œuvre, d’évaluation, de contrôle et d’audit nécessaire à la mise en œuvre du Fonds.
Bien que ne relevant plus de la politique de cohésion pour la période 2007-2013, les interventions du fonds en conserveront les mêmes fondements à savoir les principes de partenariat, de subsidiarité et de concentration en faveur des régions les plus défavorisées. A ce titre, les taux d’intervention différenciés pour les différentes régions de la Communauté en vigueur pour les autres Fonds structurels (FEDER et FSE) seront d’application.
5.3 Modalités de mise en œuvre
La mise en oeuvre du Fonds relève de la gestion partagée entre la Commission et les Etats membres conformément à l’article 53 du règlement (CE) n° 1605/2002 à l’exception de l’assistance technique à l’initiative de la Commission effectuée en gestion directe. La Commission, sur proposition des Etats membres adopte les stratégies et les priorités de développement de la programmation et la participation financière communautaire. La mise en œuvre du Fonds et leur contrôle, en application du principe de subsidiarité, relève de la responsabilité des Etats membres.
6. INCIDENCE FINANCIÈRE
6.1 Incidence financière totale sur la partie B (opérationnelle) (pour toute la période de programmation)
6.1.1 Intervention financière
Crédits d'engagement en millions d'euros (à la 3e décimale)
+++++ TABLE +++++
L’allocation financière pour le FEP dans le cadre des perspectives financières proposées par la Commission[22] pour la période 2007-2013 est de EUR 4,96 milliard pour une Europe élargie à 25, ce qui correspond approximativement aux montants alloués pour l’Europe de 15 lors de la période 2000-2006 (EUR 3.7 milliard).
6.1.2 Assistance technique et administrative (ATA), dépenses d'appui (DDA) et dépenses TI (crédits d’engagement)
+++++ TABLE +++++
6.2. Calcul des coûts par mesure envisagée en partie B (opérationnelle) (pour toute la période de programmation)[23]
(Dans le cas où il y a plusieurs actions, il y a lieu de donner, sur les mesures concrètes à prendre pour chaque action, les précisions nécessaires à l'estimation du volume et du coût des réalisations.)
Les programmes opérationnels qui seront élaborés par les Etats membres se déclineront en 5 axes prioritaires pour les Etats membres concernés par des mesures relatives à la flotte et 4 axes prioritaires pour les pays qui ne seront pas concernés par ces mesures.
Ces axes sont détaillés au titre IV de la présente proposition, il s’agit respectivement de l’adaptation de la flotte de pêche communautaire ; de l’aquaculture, de la transformation et de la commercialisation des produits,,,, des mesures d’intérêt collectif, du développement des zones côtières de pêche ; et de l’assistance technique .
La répartition des crédits à l’intérieur de chaque enveloppe est de la compétence des Etats membres, elle doit néanmoins être compatible avec les orientations stratégiques prévues à l’article 13 de la présente proposition.
7. INCIDENCE SUR LES EFFECTIFS ET LES DÉPENSES ADMINISTRATIVES
Les besoins en ressources humaines et administratives seront couverts à l’intérieure de la dotation allouée à la DG gestionnaire dans le cadre de la procédure d’allocation annuelle.
L'allocation de postes dépendra d'une part de l'organisation interne de la prochaine Commission et d'autre part d'une éventuelle réallocation de postes entre services suite aux nouvelles perspectives financières.
7.1. Incidence sur les ressources humaines
+++++ TABLE +++++
7.2 Incidence financière globale des ressources humaines
+++++ TABLE +++++
Les montants correspondent aux dépenses totales pour 12 mois.
7.3 Autres dépenses de fonctionnement découlant de l’action
+++++ TABLE +++++
Les montants correspondent aux dépenses totales de l’action pour 12 mois.
(1) Préciser le type de comité ainsi que le groupe auquel il appartient :
+++++ TABLE +++++
8. SUIVI ET ÉVALUATION
8.1 Système de suivi
Un comité de pilotage est créé pour chaque programme opérationnel par l'État membre, en accord avec l'autorité de gestion après consultation des partenaires. Le comité de pilotage s'assure de l'efficacité et de la qualité de la mise en oeuvre de l'intervention. Il examine et approuve les critères de sélection des opérations financées, évalue périodiquementles progrès réalisés pour atteindre les objectifs spécifiques du programme opérationnel, examine les résultats de la mise en œuvre et examine et approuve le rapport annuel d'exécution et le rapport final d'exécution avant leur envoi à la Commission
L'autorité de gestion et le comité de pilotage assurent le suivi au moyen d'indicateurs de résultat, y compris les indicateurs physiques, d’impact et financiers définis dans le programme opérationnel. Ces indicateurs se réfèrent au caractère spécifique du secteur de l’Etat membre et aux objectifs poursuivis. La Commission en partenariat avec les Etats membres et en conformité avec le principe de proportionnalité examine les indicateurs nécessaires au suivi et à l’évaluation du programme opérationnel.
L'autorité de gestion envoie un rapport annuel d'exécution et de contrôle du programme opérationnel à la Commission, dans les six mois suivant la fin de chaque année civile entière de mise en oeuvre. Avant leur transmission à la Commission, chaque rapport est examiné et approuvé par le comité de pilotage.
8.2 Modalités et périodicité de l’évaluation prévue
Les programmes opérationnels des Etats membres pour la mise en œuvre du Fonds font l’objet d’une évaluation ex-ante, d’une évaluation intermédiaire et d’une évaluation ex-post conformément à des modalités convenues entre la Commission et les Etats membres. Le principe de proportionnalité est applicable aux évaluations.
L’évaluation ex-ante vise à assurer la cohérence entre les orientations stratégiques au niveau de la Communauté,,,, les plans stratégiques nationaux et les programmes opérationnels ainsi qu’à optimiser l’allocation des ressources budgétaires des programmes opérationnels et à améliorer la qualité de la programmation. Elle est conduite sous la responsabilité de l’Etat membre.
L’évaluation intermédiaire vise à examiner l’efficacité des programmes opérationnels en vue de leur adaptation pour améliorer la qualité des interventions et leur mise en œuvre. Elle est organisée à l’initiative de l’autorité de gestion, en concertation avec la Commission. Elle doit être conduite selon un calendrier permettant de tenir compte de ses conclusions en cas de reconduction du programme.
L’évaluation ex-post est conduite sous la responsabilité de la Commission en concertation avec l’Etat membre et l’autorité de gestion qui doit assurer la collecte des données nécessaires à sa réalisation. Elle est finalisée au plus tard deux ans à la fin de la période de programmation.
9. MESURES ANTIFRAUDE
La Commission s’assure de l’existence et du bon fonctionnement dans les Etats membres des systèmes de gestion et de contrôle. Elle se base également sur les rapports annuels de contrôle et sur ses propres contrôles sur place pour vérifier le bon fonctionnement des ces systèmes. La Commission coopère avec les autorités nationales d’audit des programmes opérationnels, avec lesquelles elles se réunit au moins une fois par an.
En cas de défaillance des systèmes de gestion et de contrôle nationaux, la Commission interrompt, retient ou réduit tout ou partie des paiements.
La Commission peut effectuer des corrections financière en annulant tout ou partie de la contribution communautaire pour un programme opérationnel lorsqu’elle constate qu’il existe des déficiences dans les systèmes de gestion et de contrôle qui mettent en péril les contributions communautaires déjà octroyées, que les déclarations des dépenses sont irrégulières et n’ont pas fait l’objet de mesures de correction par les Etats membres ou que les Etats membres n’ont pas donné suite aux observations formulées par la Commission sur le rapport annuel d’exécution et de contrôle établit par l’autorité de gestion.
[1] Mededeling van de Commissie aan de Raad en aan het Europees Parlement. Bouwen aan onze gemeenschappelijke toekomst. Beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013. COM(2004) 101 def. van 10.2.2004.
[2] PB C […] van […], blz. […].
[3] PB C […] van […], blz. […].
[4] PB C […] van […], blz. […].
[5] PB C […] van […], blz. […].
[6] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
[7] PB L 154 van 21.6.2003, blz 1.
[8] PB L 184 van 17.7.1999, blz 23.
[9] PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.
[10] PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.
[11] PB L […] van […], blz. […].
[12] PB L 5 van 9.1.2004, blz 25.
[13] Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/35/EG (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).
[14] PB L 114 van 24.4.2001, blz 1.
[15] Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen (PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 392/2004 van 24 februari 2004 (PB L 65 van 3.3.2004).
[16] Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31).
[17] Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen. (PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1.) Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 van 14 april 2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).
[18] PB L 145 van 31.5.2003, blz. 43.
[19] Verordening (EG) nr. 2352/2002, PB L 351 van 28.12.2002, blz. 29.
[20] Pour plus d'informations, voir le document d'orientation séparé.
[21] Pour les informations minimales obligatoires à présenter en ce qui concerne les initiatives nouvelles, voir le document SEC(2000) 1051.
[22] Communication de la Commission au Conseil et au Parlement européen. Construire notre avenir commun. Défis politiques et moyens budgétaires de l’Union élargie – 2007-2013. Document COM(2004) 101 final du 10.2.2004.
[23] Pour plus d'informations, voir le document d'orientation séparé.
| Haut |