VERDRAG VAN AMSTERDAM HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE, DE VERDRAGEN TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN EN SOMMIGE BIJBEHORENDE AKTEN

Publicatieblad Nr. C 340 van 10 november 1997


VERDRAG VAN AMSTERDAM HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE, DE VERDRAGEN TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Protocol inzake artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland

Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

Protocol betreffende de positie van Denemarken

Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

Protocol betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen

Protocol betreffende het publieke-omroepstelsel in de lidstaten

Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren

Protocol betreffende de Instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

Protocol betreffende de plaats van de zetels van de instellingen van bepaalde organen en diensten van de Europese Gemeenschappen en van Europol

Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie

SLOTAKTE

1. Verklaring betreffende de afschaffing van de doodstraf

2. Verklaring inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Unie en de West-Europese Unie

3. Verklaring betreffende de West-Europese Unie

4. Verklaring ad de artikelen J.14 en K.10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

5. Verklaring ad artikel J.15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

6. Verklaring betreffende de oprichting van een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing

7. Verklaring ad artikel K.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

8. Verklaring ad artikel K.3, onder e), van het Verdrag betreffende de Europese Unie

9. Verklaring ad artikel K.6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

10. Verklaring ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

11. Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

12. Verklaring betreffende milieu-effectbeoordeling

13. Verklaring ad artikel 7 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

14. Verklaring betreffende het schrappen van artikel 44 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

15. Verklaring inzake de handhaving van het door het Schengen-acquis geboden beschermings- en veiligheidsniveau

16. Verklaring ad artikel 73 J, punt 2, onder b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

17. Verklaring ad artikel 73 K van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

18. Verklaring ad artikel 73 K, punt 3, onder a), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

19. Verklaring ad artikel 73 L, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

20. Verklaring ad artikel 73 M van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

21. Verklaring ad artikel 73 O van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

22. Verklaring betreffende personen met een handicap

23. Verklaring inzake de stimuleringsmaatregelen bedoeld in artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

24. Verklaring ad artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

25. Verklaring ad artikel 118 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

26. Verklaring ad artikel 118, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

27. Verklaring ad artikel 118 B, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

28. Verklaring ad artikel 119, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

29. Verklaring betreffende sport

30. Verklaring betreffende insulaire regio's

31. Verklaring betreffende het besluit van de Raad van 13 juli 1987

32. Verklaring betreffende de organisatie en de werking van de Commissie

33. Verklaring ad artikel 188 C, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

34. Verklaring inzake de inachtneming van de termijnen in de medebeslissingsprocedure

35. Verklaring ad artikel 191 A, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

36. Verklaring inzake de landen en gebieden overzee

37. Verklaring betreffende openbare kredietinstellingen in Duitsland

38. Verklaring betreffende vrijwilligerswerk

39. Verklaring inzake de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving

40. Verklaring betreffende de procedure voor het sluiten van internationale overeenkomsten door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

41. Verklaring betreffende de bepalingen inzake transparantie, toegang tot documenten en fraudebestrijding

42. Verklaring betreffende de consolidatie van de Verdragen

43. Verklaring aangaande het Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

44. Verklaring ad artikel 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

45. Verklaring ad artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

46. Verklaring ad artikel 5 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

47. Verklaring ad artikel 6 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

48. Verklaring betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

49. Verklaring betreffende punt d) van het enig artikel van het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

50. Verklaring betreffende het Protocol betreffende de Instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

51. Verklaring ad artikel 10 van het Verdrag van Amsterdam

1. Verklaring van Oostenrijk en Luxemburg betreffende kredietinstellingen

2. Verklaring van Denemarken betreffende artikel K.14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

3. Verklaring van Duitsland, Oostenrijk en België betreffende subsidiariteit

4. Verklaring van Ierland betreffende artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

5. Verklaring van België betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

6. Verklaring van België, Frankrijk en Italië inzake het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

7. Verklaring van Frankrijk betreffende de situatie van de landen en gebieden overzee ten aanzien van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

8. Verklaring van Griekenland aangaande de verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

GECONSOLIDEERDE VERSIE VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE

GECONSOLIDEERDE VERSIE VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

PROCES-VERBAAL VAN ONDERTEKENINGvan het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten

Verklaringen ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam


VERDRAG VAN AMSTERDAM HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE, DE VERDRAGEN TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN EN SOMMIGE BIJBEHORENDE AKTEN

(97/C 340/01)

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN,

DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK,

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE,

DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK,

DE COMMISSIE DIE KRACHTENS ARTIKEL 14 VAN DE GRONDWET VAN IERLAND DE BEVOEGDHEDEN EN FUNCTIES VAN DE PRESIDENT VAN IERLAND MAG UITOEFENEN,

DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN,

DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK,

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND,

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN ZWEDEN,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

HEBBEN BESLOTEN het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten te wijzigen,

en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN:

De heer Erik DERYCKE,

Minister van Buitenlandse Zaken;

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN:

De heer Niels Helveg PETERSEN,

Minister van Buitenlandse Zaken;

DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND:

Dr. Klaus KINKEL,

Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervangend Bondskanselier;

DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK:

De heer Theodoros PANGALOS,

Minister van Buitenlandse Zaken;

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE:

De heer Juan Abel MATUTES,

Minister van Buitenlandse Zaken;

DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK:

De heer Hubert VÉDRINE,

Minister van Buitenlandse Zaken;

DE COMMISSIE DIE KRACHTENS ARTIKEL 14 VAN DE GRONDWET VAN IERLAND DE BEVOEGDHEDEN EN FUNCTIES VAN DE PRESIDENT VAN IERLAND MAG UITOEFENEN:

De heer Raphael P. BURKE,

Minister van Buitenlandse Zaken;

DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK:

De heer Lamberto DINI,

Minister van Buitenlandse Zaken;

ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG:

De heer Jacques F. POOS,

Vice-Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Samenwerking;

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN:

De heer Hans VAN MIERLO,

Vice-Minister-President en Minister van Buitenlandse Zaken;

DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK:

De heer Wolfgang SCHÜSSEL,

Minister van Buitenlandse Zaken en Vice-Kanselier;

DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK:

De heer Jaime GAMA,

Minister van Buitenlandse Zaken;

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND:

Mevrouw Tarja HALONEN,

Minister van Buitenlandse Zaken;

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN ZWEDEN:

Mevrouw Lena HJELM-WALLÉN,

Minister van Buitenlandse Zaken;

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND:

De heer Douglas HENDERSON,

Onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken;

DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten,

OVEREENSTEMMING HEBBEN BEREIKT OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN:

EERSTE DEEL

INHOUDELIJKE WIJZIGINGEN

Artikel 1

Het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. Na de derde alinea in de preambule wordt de volgende alinea ingevoegd:

_~BEVESTIGEND hun gehechtheid aan de sociale grondrechten zoals omschreven in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989,”.

2. De huidige zevende alinea in de preambule wordt vervangen door:

_~VASTBESLOTEN de economische en sociale vooruitgang van hun volkeren te bevorderen, met inachtneming van het beginsel van duurzame ontwikkeling en in het kader van de voltooiing van de interne markt en van versterkte cohesie en milieubescherming, en een beleid te voeren dat er borg voor staat dat de vooruitgang op het gebied van de economische integratie en de vooruitgang op andere terreinen gelijke tred met elkaar houden,”.

3. De huidige negende alinea en de huidige tiende alinea worden vervangen door:

_~VASTBESLOTEN een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden, overeenkomstig de bepalingen van artikel J.7, daarbij de Europese identiteit en onafhankelijkheid versterkend, teneinde vrede, veiligheid en vooruitgang in Europa en in de wereld te bevorderen,

VASTBESLOTEN het vrije verkeer van personen te vergemakkelijken en tegelijkertijd tevens de veiligheid en zekerheid van hun volkeren te waarborgen, door een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag,”.

4. In artikel A wordt de tweede alinea vervangen door:

_~Dit Verdrag markeert een nieuwe etappe in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa, waarin de besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen.”.

5. Artikel B wordt vervangen door:

_~Artikel B

De Unie stelt zich ten doel:

- bevordering van economische en sociale vooruitgang alsmede een hoog werkgelegenheidsniveau en totstandbrenging van evenwichtige en duurzame ontwikkeling, met name door de totstandbrenging van een ruimte zonder binnengrenzen, door de versterking van de economische en sociale samenhang en door de oprichting van een economische en monetaire unie die uiteindelijk een gemeenschappelijke munt inhoudt, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag;

- bevestiging van de identiteit van de Unie op het internationale vlak, met name door het voeren van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie, overeenkomstig het bepaalde in artikel J.7;

- versterking van de bescherming van de rechten en de belangen van de onderdanen van de lidstaten van de Unie door de instelling van een burgerschap van de Unie;

- handhaving en ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit;

- volledige handhaving en verdere ontwikkeling van het acquis communautaire teneinde na te gaan in hoeverre het beleid en de samenwerkingsvormen die bij dit Verdrag zijn ingesteld, herziening behoeven om de doeltreffendheid van de mechanismen en instellingen van de Gemeenschap te verzekeren.

De doelstellingen van de Unie worden verwezenlijkt zoals bepaald in dit Verdrag, onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel zoals omschreven in artikel 3 B van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.”.

6. In artikel C wordt de tweede alinea vervangen door:

_~De Unie zorgt in het bijzonder voor de samenhang van haar gehele externe optreden in het kader van haar beleid op het gebied van externe betrekkingen, veiligheid, economie en ontwikkeling. De Raad en de Commissie zijn verantwoordelijk voor het verzekeren van deze samenhang en werken daartoe samen. Zij dragen, overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden, zorg voor de uitvoering van dat beleid.”.

7. Artikel E wordt vervangen door:

_~Artikel E

Het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer oefenen hun bevoegdheden uit onder de voorwaarden en ter verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgesteld in enerzijds de bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van de verdragen en akten waarbij deze zijn gewijzigd of aangevuld, en anderzijds de andere bepalingen van dit Verdrag.”.

8. Artikel F wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

_~1. De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.”;

b) het huidige lid 3 wordt lid 4 en het volgende nieuwe lid 3 wordt ingevoegd:

_~3. De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten.”.

9. Het volgende artikel wordt ingevoegd aan het eind van titel I:

_~Artikel F.1

1. De Raad, in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders, kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van een derde van de lidstaten of van de Commissie, en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel F, lid 1, genoemde beginselen constateren, na de regering van de lidstaat in kwestie om opmerkingen te hebben verzocht.

2. Wanneer een dergelijke constatering is gedaan, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien, met inbegrip van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van die lidstaat in de Raad. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan naderhand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen van de in lid 1 bedoelde besluiten. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Dit lid is eveneens van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst op grond van lid 2.

5. Voor de toepassing van dit artikel besluit het Europees Parlement met een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen en tevens bij meerderheid van zijn leden.”.

10. Titel V wordt vervangen door:

_~Titel V

BEPALINGEN BETREFFENDE EEN GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel J.1

1. De Unie bepaalt en voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt en dat de volgende doelstellingen heeft:

- bescherming van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen, de onafhankelijkheid en de integriteit van de Unie, conform de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties;

- versterking van de veiligheid van de Unie in alle opzichten;

- handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, met inbegrip van die betreffende de buitengrenzen;

- bevordering van de internationale samenwerking;

- ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.

2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

De lidstaten werken samen om hun wederzijdse politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid ervan als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

De Raad ziet toe op de inachtneming van deze beginselen.

Artikel J.2

De Unie streeft de in artikel J.1 genoemde doelstellingen na door:

- de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast te stellen;

- besluiten te nemen over gemeenschappelijke strategieën;

- gemeenschappelijke optredens aan te nemen;

- gemeenschappelijke standpunten aan te nemen;

- de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.

Artikel J.3

1. De Europese Raad stelt de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, onder meer voor aangelegenheden met gevolgen op defensiegebied.

2. De Europese Raad neemt besluiten over door de Unie uit te voeren gemeenschappelijke strategieën op de gebieden waarop de lidstaten aanzienlijke belangen gemeen hebben.

In de gemeenschappelijke strategieën worden de doelstellingen en de duur ervan omschreven, alsmede de middelen die door de Unie en de lidstaten beschikbaar moeten worden gesteld.

3. De Raad neemt de nodige besluiten voor het bepalen en uitvoeren van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid op de grondslag van de door de Europese Raad vastgestelde algemene richtsnoeren.

De Raad doet de Europese Raad aanbevelingen voor gemeenschappelijke strategieën en voert deze uit, met name door het aannemen van gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten.

De Raad ziet toe op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie.

Artikel J.4

1. De Raad stelt gemeenschappelijke optredens vast. Gemeenschappelijke optredens hebben betrekking op specifieke situaties waarin een operationeel optreden van de Unie nodig wordt geacht. In een gemeenschappelijk optreden worden de doelstellingen, de draagwijdte, de middelen welke de Unie ter beschikking dienen te worden gesteld, zo nodig de tijdsduur, en de voorwaarden voor de uitvoering van dat optreden omschreven.

2. Indien zich een verandering van omstandigheden voordoet met een duidelijke invloed op een vraagstuk dat het voorwerp is van een gemeenschappelijk optreden, beziet de Raad de beginselen en de doelstellingen van dat optreden opnieuw en neemt hij de noodzakelijke besluiten. Zolang de Raad geen besluit heeft genomen, wordt het gemeenschappelijk optreden gehandhaafd.

3. Een gemeenschappelijk optreden bindt de lidstaten bij het innemen van standpunten en bij hun verdere optreden.

4. De Raad kan de Commissie verzoeken passende voorstellen in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bij hem in te dienen om de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden te garanderen.

5. Telkens wanneer op grond van een gemeenschappelijk optreden een nationale standpuntbepaling of een nationaal optreden wordt overwogen, wordt daarvan op een zodanig tijdstip kennis gegeven dat zo nodig voorafgaand overleg binnen de Raad mogelijk is. De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt niet voor maatregelen die slechts de nationale omzetting van de besluiten van de Raad vormen.

6. In geval van dwingende noodzaak voortvloeiend uit veranderingen in de situatie en bij gebreke van een besluit van de Raad, kunnen de lidstaten met spoed de noodzakelijke maatregelen nemen, rekening houdend met de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk optreden. De betrokken lidstaat stelt de Raad onverwijld van iedere zodanige maatregel in kennis.

7. In geval van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden, legt een lidstaat deze voor aan de Raad, die daarover beraadslaagt en passende oplossingen zoekt. Deze mogen niet in strijd zijn met de doelstellingen van het gemeenschappelijk optreden noch afbreuk doen aan de doeltreffendheid ervan.

Artikel J.5

De Raad neemt gemeenschappelijke standpunten aan. In de gemeenschappelijke standpunten wordt de aanpak van de Unie bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de gemeenschappelijke standpunten overeenstemt.

Artikel J.6

Tussen de lidstaten vindt wederzijdse informatie en onderling overleg plaats in de Raad over elke aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, opdat de invloed van de Unie zo doeltreffend mogelijk wordt uitgeoefend door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden.

Artikel J.7

1. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid omvat alle aangelegenheden die betrekking hebben op de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, overeenkomstig lid 2, dat tot een gemeenschappelijke defensie kan leiden indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

De West-Europese Unie (WEU) maakt een integrerend deel uit van de ontwikkeling van de Unie en verschaft de Unie met name in de context van lid 2 toegang tot een operationele capaciteit. De WEU ondersteunt de Unie bij het bepalen van de defensieaspecten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als aangegeven in dit artikel. De Unie bevordert bijgevolg hechtere institutionele betrekkingen met de WEU met het oog op de mogelijkheid de WEU in de Unie te integreren, indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en is verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid.

De geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid wordt, wanneer de lidstaten dat passend achten, ondersteund door hun samenwerking op bewapeningsgebied.

2. De in dit artikel bedoelde aangelegenheden omvatten humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede.

3. De Unie zal gebruik maken van de WEU om de besluiten en maatregelen van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, uit te werken en uit te voeren.

De bevoegdheid van de Europese Raad om overeenkomstig artikel J.3 richtsnoeren vast te stellen, geldt ook ten aanzien van de WEU in aangelegenheden waarvoor de Unie gebruik maakt van de WEU.

Wanneer de Unie gebruik maakt van de WEU voor de uitwerking en uitvoering van besluiten van de Unie betreffende de in lid 2 genoemde opdrachten, zijn alle lidstaten van de Unie gerechtigd om ten volle deel te nemen aan die opdrachten. De Raad stelt in overeenstemming met de instellingen van de WEU de noodzakelijke praktische regelingen vast om alle lidstaten die bijdragen aan de betrokken opdrachten, in staat te stellen ten volle en op voet van gelijkheid deel te nemen aan de planning en besluitvorming in de WEU.

Onder dit lid vallende besluiten welke gevolgen hebben op defensiegebied worden genomen onverminderd het beleid en de verplichtingen bedoeld in lid 1, derde alinea.

4. Het bepaalde in dit artikel vormt geen beletsel voor de ontwikkeling van nauwere samenwerking op bilateraal niveau tussen twee of meer lidstaten, in het kader van de WEU en van het Atlantisch Bondgenootschap, mits die samenwerking niet indruist tegen en geen belemmering vormt voor de in deze titel beoogde samenwerking.

5. Ter bevordering van de doelstellingen van dit artikel wordt het bepaalde in dit artikel overeenkomstig artikel N herzien.

Artikel J.8

1. Het voorzitterschap vertegenwoordigt de Unie in aangelegenheden die vallen onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

2. Het voorzitterschap is verantwoordelijk voor de uitvoering van besluiten uit hoofde van deze titel; in die hoedanigheid verwoordt het in beginsel het standpunt van de Unie in internationale organisaties en op internationale conferenties.

3. Het voorzitterschap wordt bijgestaan door de secretaris-generaal van de Raad, die de functie van hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uitoefent.

4. De Commissie wordt volledig betrokken bij de in de leden 1 en 2 genoemde taken. Het voorzitterschap wordt, indien nodig, bij die taken bijgestaan door de lidstaat die als volgende het voorzitterschap zal bekleden.

5. De Raad kan, telkens als hij het nodig acht, een speciale vertegenwoordiger met een mandaat voor specifieke beleidsvraagstukken benoemen.

Artikel J.9

1. De lidstaten coördineren hun optreden in internationale organisaties en op internationale conferenties. Zij verdedigen in deze fora de gemeenschappelijke standpunten.

In internationale organisaties en op internationale conferenties waaraan niet alle lidstaten deelnemen, verdedigen de wel deelnemende lidstaten de gemeenschappelijke standpunten.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 en in artikel J.4, lid 3, houden de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in internationale organisaties of op internationale conferenties waar niet alle lidstaten vertegenwoordigd zijn, de niet vertegenwoordigde lidstaten op de hoogte van alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.

Lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen, onderling overleg en houden de overige lidstaten volledig op de hoogte. Lidstaten die permanent lid van de Veiligheidsraad zijn, dragen er bij de uitoefening van hun functie zorg voor de standpunten en belangen van de Unie te verdedigen, onverminderd de verantwoordelijkheden die krachtens het Handvest van de Verenigde Naties op hen rusten.

Artikel J.10

De diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Commissie in derde landen en op internationale conferenties, alsmede hun vertegenwoordigingen bij internationale organisaties voeren onderling overleg om te verzekeren dat de door de Raad vastgestelde gemeenschappelijke standpunten en gemeenschappelijke optredens in acht worden genomen en ten uitvoer worden gelegd.

Zij intensiveren hun samenwerking door inlichtingen uit te wisselen, gezamenlijk evaluaties te verrichten en bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van het bepaalde in artikel 8 C van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel J.11

Het voorzitterschap raadpleegt het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en ziet erop toe dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen. Het Europees Parlement wordt door het voorzitterschap en de Commissie regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad richten. Het wijdt ieder jaar een debat aan de vooruitgang die bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is geboekt.

Artikel J.12

1. Iedere lidstaat of de Commissie kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en bij de Raad voorstellen indienen.

2. In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept het voorzitterschap, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van de Commissie of van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn een buitengewone zitting van de Raad bijeen.

Artikel J.13

1. Besluiten uit hoofde van deze titel worden door de Raad met eenparigheid van stemmen aangenomen. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen van deze besluiten.

Ingeval een lid van de Raad zich van stemming onthoudt, kan dit lid zijn onthouding toelichten door op grond van onderhavige alinea een formele verklaring af te leggen. In dat geval is het lid niet verplicht het besluit toe te passen, doch aanvaardt het wel dat het besluit de Unie bindt. In een geest van wederzijdse solidariteit onthoudt de betrokken lidstaat zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de andere lidstaten dit standpunt. Indien de leden van de Raad die hun onthouding op deze wijze toelichten meer dan een derde van de stemmen, gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vertegenwoordigen, is het besluit niet aangenomen.

2. In afwijking van lid 1 besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

- bij de aanneming van gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke standpunten of andere besluiten op basis van een gemeenschappelijke strategie;

- bij de aanneming van een besluit waarmee uitvoering wordt gegeven aan een gemeenschappelijk optreden of een gemeenschappelijk standpunt.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de aanneming van een besluit dat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moet worden aangenomen, wordt niet tot stemming overgegaan. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Europese Raad.

De stemmen van de leden van de Raad worden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

Dit lid is niet van toepassing op besluiten die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

3. Voor procedurekwesties neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden.

Artikel J.14

Indien ter uitvoering van deze titel een overeenkomst moet worden gesloten met één of meer staten of internationale organisaties, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het voorzitterschap machtigen om, zo nodig bijgestaan door de Commissie, daartoe onderhandelingen te openen. Dergelijke overeenkomsten worden gesloten door de Raad, die op aanbeveling van het voorzitterschap met eenparigheid van stemmen besluit. Geen enkele overeenkomst zal bindend zijn voor een lidstaat waarvan de vertegenwoordiger in de Raad verklaart dat deze de bepalingen van zijn grondwettelijke procedure in acht moet nemen; de andere leden van de Raad kunnen overeenkomen dat de overeenkomst voorlopig op hen van toepassing is.

De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op aangelegenheden die onder titel VI vallen.

Artikel J.15

Onverminderd artikel 151 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap volgt een politiek comité de internationale situatie op de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallende gebieden en draagt het bij tot het bepalen van het beleid door op verzoek van de Raad of op eigen initiatief adviezen aan de Raad uit te brengen. Het comité ziet ook toe op de tenuitvoerlegging van het overeengekomen beleid, onverminderd de bevoegdheden van het voorzitterschap en van de Commissie.

Artikel J.16

De secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, staat de Raad bij in zaken die vallen onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name door bij te dragen tot de formulering, voorbereiding en uitvoering van beleidsbeslissingen, en, waar dienstig en namens de Raad op verzoek van het voorzitterschap, door een politieke dialoog met derden te voeren.

Artikel J.17

De Commissie wordt volledig betrokken bij de werkzaamheden op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Artikel J.18

1. De artikelen 137, 138, 139 tot en met 142, 146, 147, 150 tot en met 153, 157 tot en met 163, 191 A en 217 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn van toepassing op de bepalingen betreffende de in deze titel bedoelde gebieden.

2. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid komen ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

3. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen, behalve wanneer het beleidsuitgaven betreft die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied en gevallen waarin de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. Lidstaten wier vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel J.13, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

4. De begrotingsprocedure van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is van toepassing op de uitgaven die ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen.”.

11. Titel VI wordt vervangen door:

_~Titel VI

BEPALINGEN INZAKE POLITIËLE EN JUSTITIËLE SAMENWERKING IN STRAFZAKEN

Artikel K.1

Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap is het doel van de Unie de burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een hoog niveau van zekerheid te verschaffen door de ontwikkeling van gezamenlijk optreden van de lidstaten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken en door voorkoming en bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat.

Deze doelstelling wordt verwezenlijkt door het voorkomen en bestrijden van al dan niet georganiseerde criminaliteit, met name terrorisme, mensenhandel en misdrijven tegen kinderen, illegale drugshandel en illegale wapenhandel, corruptie en fraude, door middel van:

- nauwere samenwerking tussen politiediensten, douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten in de lidstaten, zowel rechtstreeks als via de Europese Politiedienst (Europol), in overeenstemming met de artikelen K.2 en K.4;

- nauwere samenwerking tussen justitiële en andere bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de artikelen K.3, onder a) tot en met d), en K.4;

- waar nodig, onderlinge aanpassing van de bepalingen betreffende strafzaken in de lidstaten, in overeenstemming met artikel K.3, onder e).

Artikel K.2

1. Gezamenlijk optreden op het gebied van politiële samenwerking omvat:

a) operationele samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde instanties van de lidstaten belast met wetshandhaving met betrekking tot het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten;

b) de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van relevante informatie, met inbegrip van informatie over meldingen van verdachte financiële transacties waarover instanties belast met wetshandhaving beschikken, met name via Europol, onder voorbehoud van passende bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens;

c) samenwerking en gezamenlijke initiatieven inzake opleiding, de uitwisseling van verbindingsfunctionarissen, detacheringen, het gebruik van apparatuur en forensisch onderzoek;

d) de gezamenlijke beoordeling van bepaalde onderzoekstechnieken in verband met het opsporen van ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit.

2. De Raad bevordert samenwerking via Europol en handelt binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in het bijzonder als volgt:

a) hij stelt Europol in staat tot het vergemakkelijken en ondersteunen van de voorbereiding en het aanmoedigen van de coördinatie en uitvoering van specifieke onderzoeksacties door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, inclusief operationele acties van gezamenlijke teams waarvan vertegenwoordigers van Europol ter ondersteuning deel uitmaken;

b) hij neemt maatregelen aan waardoor Europol de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kan vragen hun onderzoek in specifieke zaken te verrichten en te coördineren en specifieke expertise te ontwikkelen die ter beschikking van de lidstaten kan worden gesteld om hen te assisteren bij het onderzoeken van zaken van georganiseerde criminaliteit;

c) hij bevordert verbindingsregelingen tussen functionarissen belast met opsporing/vervolging die zich specialiseren in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in nauwe samenwerking met Europol;

d) hij richt een netwerk op voor onderzoek, documentatie en statistiek met betrekking tot grensoverschrijdende criminaliteit.

Artikel K.3

Gezamenlijk optreden inzake justitiële samenwerking in strafzaken omvat:

a) het vergemakkelijken en het bespoedigen van de samenwerking tussen de bevoegde ministeries en de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot procedures en de tenuitvoerlegging van beslissingen;

b) het vergemakkelijken van uitlevering tussen lidstaten;

c) het waarborgen van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende voorschriften, voorzover nodig ter verbetering van die samenwerking;

d) het voorkomen van jurisdictiegeschillen tussen lidstaten;

e) het geleidelijk aannemen van maatregelen tot opstelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit, terrorisme en illegale drugshandel.

Artikel K.4

De Raad bepaalt onder welke voorwaarden en met welke beperkingen de in de artikelen K.2 en K.3 bedoelde bevoegde autoriteiten op het grondgebied van een andere lidstaat mogen optreden in overleg met en met instemming van de autoriteiten van die staat.

Artikel K.5

Deze titel laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

Artikel K.6

1. Op de in deze titel genoemde gebieden vindt tussen de lidstaten wederzijdse informatie en onderling overleg plaats in de Raad, teneinde hun optreden te coördineren. De lidstaten brengen te dien einde een samenwerking tussen hun bevoegde overheidsdiensten tot stand.

2. De Raad neemt maatregelen en bevordert samenwerking, in een passende vorm en volgens passende procedures zoals bepaald in deze titel, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Daartoe kan de Raad met eenparigheid van stemmen op initiatief van elke lidstaat of van de Commissie:

a) gemeenschappelijke standpunten aannemen waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid wordt omschreven;

b) kaderbesluiten aannemen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze kaderbesluiten zijn verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen rechtstreekse werking;

c) besluiten aannemen voor elk ander doel dat met de doelstellingen van deze titel verenigbaar is, met uitsluiting van elke onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze besluiten zijn verbindend en hebben geen rechtstreekse werking; met gekwalificeerde meerderheid van stemmen neemt de Raad de maatregelen aan die nodig zijn om deze besluiten op het niveau van de Unie uit te voeren;

d) overeenkomsten vaststellen, waarvan hij de aanneming door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt. De lidstaten beginnen de toepasselijke procedures binnen een door de Raad te bepalen termijn.

Tenzij in de overeenkomsten anders wordt bepaald, treden zij, zodra zij door ten minste de helft van de lidstaten zijn aangenomen, ten aanzien van deze lidstaten in werking. De maatregelen ter uitvoering van de overeenkomsten worden in de Raad aangenomen met een meerderheid van twee derde van de stemmen van de Verdragsluitende Partijen.

3. Ingeval voor de besluiten van de Raad een gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vereist, worden de stemmen van de leden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en komen de besluiten tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

4. Voor procedurekwesties neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden.

Artikel K.7

1. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is onder de in dit artikel omschreven voorwaarden bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van kaderbesluiten en besluiten, over de uitlegging van op grond van deze titel vastgestelde overeenkomsten en over de geldigheid en de uitlegging van uitvoeringsmaatregelen.

2. Door middel van een verklaring afgelegd op het tijdstip van ondertekening van het Verdrag van Amsterdam of op enig later tijdstip kan een lidstaat de bevoegdheid van het Hof van Justitie aanvaarden om, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen als bedoeld in lid 1.

3. Wanneer een lidstaat een verklaring aflegt uit hoofde van lid 2 van dit artikel, geeft hij aan dat ofwel:

a) elke nationale rechterlijke instantie van die lidstaat waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in lid 1, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, ofwel

b) elke nationale rechterlijke instantie van die lidstaat het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in lid 1, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

4. Elke lidstaat mag, ongeacht of hij een verklaring uit hoofde van lid 2 heeft afgelegd of niet, memories of schriftelijke opmerkingen bij het Hof indienen in gevallen als bedoeld in lid 1.

5. Het Hof van Justitie is niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

6. Het Hof van Justitie is bevoegd de wettigheid na te gaan van kaderbesluiten en besluiten in elk door een lidstaat of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid. Het in dit lid bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de maatregel.

7. Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten betreffende de uitlegging of de toepassing van op grond van artikel K.6, lid 2, aangenomen besluiten wanneer de Raad er niet in slaagt het geschil te regelen binnen zes maanden te rekenen vanaf het tijdstip waarop een van zijn leden het hem heeft voorgelegd. Het Hof van Justitie is tevens bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten en de Commissie betreffende de uitlegging of de toepassing van op grond van artikel K.6, lid 2, onder d), vastgestelde overeenkomsten.

Artikel K.8

1. Er wordt een coördinatiecomité van hoge ambtenaren opgericht. Dit comité heeft naast zijn coördinerende functie tot taak:

- hetzij op verzoek van de Raad, hetzij op eigen initiatief ten behoeve van de Raad adviezen uit te brengen;

- onverminderd artikel 151 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad op de in artikel K.1 bedoelde gebieden.

2. De Commissie wordt volledig betrokken bij de werkzaamheden op de in deze titel genoemde gebieden.

Artikel K.9

De lidstaten verwoorden de krachtens deze titel vastgestelde gemeenschappelijke standpunten in de internationale organisaties en op de internationale conferenties waaraan zij deelnemen.

De artikelen J.8 en J.9 zijn mutatis mutandis van toepassing op de onder deze titel vallende aangelegenheden.

Artikel K.10

De in artikel J.14 bedoelde overeenkomsten kunnen betrekking hebben op de onder deze titel vallende aangelegenheden.

Artikel K.11

1. De Raad raadpleegt het Europees Parlement voordat hij de in artikel K.6, lid 2, onder b), c) en d), bedoelde maatregelen aanneemt. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen een termijn die de Raad kan vaststellen en die niet korter mag zijn dan drie maanden. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad een besluit nemen.

2. Het voorzitterschap en de Commissie brengen het Europees Parlement regelmatig op de hoogte van de werkzaamheden op de onder deze titel vallende gebieden.

3. Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad richten. Het wijdt ieder jaar een debat aan de vooruitgang die op de in deze titel genoemde gebieden is geboekt.

Artikel K.12

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking in te stellen, kunnen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen K.15 en K.16, worden gemachtigd gebruik te maken van de instellingen, procedures en regelingen van de Verdragen, mits de beoogde samenwerking:

a) strookt met de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en met de in deze titel neergelegde doelstellingen;

b) tot doel heeft de Unie in staat te stellen zich sneller te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

2. De in lid 1 bedoelde machtiging wordt verleend door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op verzoek van de betrokken lidstaten een besluit neemt, na de Commissie om advies te hebben verzocht. Het verzoek wordt ook aan het Europees Parlement toegezonden.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen verlening van een machtiging met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wordt er niet gestemd. De Raad kan met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Europese Raad.

De stemmen van de leden van de Raad worden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

3. Een lidstaat die wil deelnemen aan een overeenkomstig dit artikel ingestelde samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en aan de Commissie, die binnen drie maanden na ontvangst van die kennisgeving advies uitbrengt aan de Raad, eventueel met een aanbeveling voor de bijzondere regelingen die zij voor die lidstaat nodig acht om deel te nemen aan de samenwerking in kwestie. Binnen vier maanden na deze kennisgeving neemt de Raad een besluit over het verzoek en over de bijzondere regelingen die hij nodig acht. Het besluit wordt geacht te zijn genomen, tenzij de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit het aan te houden; in dat geval geeft de Raad de redenen voor zijn besluit aan en stelt hij een termijn voor een nieuwe behandeling. Voor de toepassing van dit lid besluit de Raad overeenkomstig artikel K.16.

4. De bepalingen van de artikelen K.1 tot en met K.13 zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde nauwere samenwerking, tenzij in dit artikel en in de artikelen K.15 en K.16 anders is bepaald.

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van deze bevoegdheden zijn van toepassing op de leden 1, 2 en 3.

5. Dit artikel laat de bepalingen van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie onverlet.

Artikel K.13

1. De artikelen 137, 138, 138 E, 139 tot en met 142, 146, 147, 148, lid 3, 150 tot en met 153, 157 tot en met 163, 191 A en 217 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn van toepassing op de bepalingen betreffende de in deze titel bedoelde gebieden.

2. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen betreffende de in deze titel genoemde gebieden, komen ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

3. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

4. De begrotingsprocedure van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is van toepassing op de uitgaven die ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel K.14

De Raad kan met eenparigheid van stemmen op initiatief van de Commissie of van een lidstaat en na raadpleging van het Europees Parlement besluiten dat optreden op in artikel K.1 genoemde gebieden onder titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap valt, waarbij hij de desbetreffende stemprocedures vaststelt. Hij beveelt de lidstaten aan dit besluit overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aan te nemen.”.

12. De volgende nieuwe titel wordt ingevoegd:

_~Titel VI A

BEPALINGEN INZAKE NAUWERE SAMENWERKING

Artikel K.15

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan kunnen gebruik maken van de instellingen, procedures en regelingen van dit Verdrag en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, mits de samenwerking:

a) beoogt de doelstellingen van de Unie te bevorderen en haar belangen te beschermen en te dienen;

b) strookt met de beginselen van de genoemde Verdragen en met het ene institutionele kader van de Unie;

c) alleen in laatste instantie wordt gebruikt, wanneer de doelstellingen van de genoemde Verdragen niet kunnen worden verwezenlijkt door toepassing van de in die Verdragen vastgelegde procedures;

d) betrekking heeft op ten minste een meerderheid van de lidstaten;

e) geen afbreuk doet aan het acquis communautaire en aan de maatregelen die krachtens de andere bepalingen van de genoemde Verdragen zijn aangenomen;

f) geen afbreuk doet aan de bevoegdheden, rechten, verplichtingen en belangen van de niet aan deze samenwerking deelnemende lidstaten;

g) voor alle lidstaten openstaat en hun de mogelijkheid biedt te allen tijde partij te worden bij de samenwerking, op voorwaarde dat zij het basisbesluit en de in het kader daarvan aangenomen besluiten naleven;

h) voldoet aan de specifieke aanvullende criteria van respectievelijk artikel 5 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel K.12 van dit Verdrag, naargelang het betrokken gebied, en daartoe machtiging is verleend door de Raad volgens de procedures van de genoemde artikelen.

2. De lidstaten passen, voor zover zij bij de nauwere samenwerking betrokken zijn, de handelingen en besluiten toe die worden aangenomen voor de uitvoering van de samenwerking waaraan zij deelnemen. De lidstaten die niet aan deze samenwerking deelnemen, belemmeren de uitvoering ervan door de deelnemende lidstaten niet.

Artikel K.16

1. Voor de aanneming van de handelingen en besluiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel K.15 bedoelde samenwerking zijn de desbetreffende institutionele bepalingen van dit Verdrag en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing. Hoewel alle leden van de Raad kunnen deelnemen aan de beraadslagingen, nemen alleen de leden die deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, deel aan de aanneming van besluiten. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de betrokken leden van de Raad gevormd.

2. De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van de samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste van de deelnemende lidstaten, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

Artikel K.17

De Raad en de Commissie brengen het Europees Parlement regelmatig op de hoogte van de ontwikkeling van de op grond van deze titel aangegane nauwere samenwerking.”.

13. Artikel L wordt vervangen door:

_~Artikel L

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie die betrekking hebben op de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van die bevoegdheden, zijn slechts op de volgende bepalingen van dit Verdrag van toepassing:

a) de bepalingen houdende wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met het oog op de oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

b) de bepalingen van titel VI, onder de voorwaarden van artikel K.7;

c) de bepalingen van titel VI A, onder de voorwaarden van artikel 5 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van artikel K.12 van dit Verdrag;

d) artikel F, lid 2, met betrekking tot de handelingen van de instellingen, voor zover het Hof bevoegd is op grond van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en op grond van dit Verdrag;

e) de artikelen L tot en met S.”.

14. In artikel N wordt lid 2 geschrapt waardoor lid 1 ongenummerd overblijft.

15. In artikel O wordt de eerste alinea vervangen door:

_~Elke Europese staat die de in artikel F, lid 1, genoemde beginselen in acht neemt, kan verzoeken lid te worden van de Unie. Hij richt zijn verzoek tot de Raad, die besluit met eenparigheid van stemmen na de Commissie te hebben geraadpleegd en na instemming van het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij volstrekte meerderheid van zijn leden.”.

16. Aan artikel S wordt de volgende alinea toegevoegd:

_~Krachtens het Toetredingsverdrag van 1994 zijn de teksten van dit Verdrag in de Finse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.”.

Artikel 2

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. In de preambule wordt, na de achtste alinea, de volgende alinea toegevoegd:

_~VASTBESLOTEN het hoogst mogelijke kennisniveau voor zijn volkeren na te streven door middel van ruime toegang tot onderwijs en door middel van de voortdurende vernieuwing daarvan,”

2. Artikel 2 wordt vervangen door:

_~Artikel 2

De Gemeenschap heeft tot taak, door het instellen van een gemeenschappelijke markt en een economische en monetaire unie en door de uitvoering van het gemeenschappelijk beleid of de gemeenschappelijke activiteiten, bedoeld in de artikelen 3 en 3 A, het bevorderen van een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, een duurzame en niet-inflatoire groei, een hoge graad van concurrentievermogen en convergentie van economische prestaties, een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, een verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan, de economische en sociale samenhang en de solidariteit tussen de lidstaten.”.

3. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a) de huidige tekst wordt genummerd en wordt lid 1;

b) in het nieuwe lid 1 wordt punt d) vervangen door:

_~d) maatregelen inzake binnenkomst en verkeer van personen overeenkomstig titel III A;”

c) in het nieuwe lid 1 wordt, na punt h), het volgende nieuwe punt i) ingevoegd,

_~i) het bevorderen van de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, teneinde het doeltreffender te maken door het ontwikkelen van een gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie;”;

d) in het nieuwe lid 1 wordt het huidige punt i) punt j) en de volgende punten worden dienovereenkomstig hernummerd;

e) het volgende lid wordt toegevoegd:

_~2. Bij elk in dit artikel bedoeld optreden streeft de Gemeenschap ernaar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.”.

4. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 3 C

De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 3, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.”.

5. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 5 A

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan, kunnen met inachtneming van de artikelen K.15 en K.16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gemachtigd gebruik te maken van de instellingen, procedures en regelingen van dit Verdrag, mits de beoogde samenwerking:

a) geen betrekking heeft op gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen;

b) geen afbreuk doet aan beleidslijnen, activiteiten of programma's van de Gemeenschap;

c) geen betrekking heeft op het burgerschap van de Unie en niet discrimineert tussen de onderdanen van de lidstaten;

d) binnen de grenzen van de bij dit Verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden blijft, en

e) geen discriminatie of beperking van de handel tussen de lidstaten vormt en de mededingingsvoorwaarden tussen de lidstaten niet vervalst.

2. De in lid 1 bedoelde machtiging wordt verleend door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de instemming om een besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen te nemen, wordt er niet gestemd. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de zaak voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders.

De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan, als bedoeld in lid 1, kunnen daartoe een verzoek richten tot de Commissie, die vervolgens bij de Raad een voorstel kan indienen. Indien de Commissie geen voorstel indient, stelt zij de lidstaten onder opgave van redenen daarvan op de hoogte.

3. Een lidstaat die wil deelnemen aan een overeenkomstig dit artikel ingestelde samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en aan de Commissie, die binnen drie maanden na ontvangst van die kennisgeving advies uitbrengt aan de Raad. Binnen vier maanden na die kennisgeving neemt de Commissie een besluit over het verzoek en over de bijzondere regelingen die zij nodig acht.

4. Op de voor de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten noodzakelijke handelingen en besluiten zijn alle desbetreffende bepalingen van dit Verdrag van toepassing, tenzij anders is bepaald in dit artikel en in de artikelen K.15 en K.16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

5. Dit artikel laat de bepalingen van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie onverlet.”.

6. In artikel 6 wordt de tweede alinea vervangen door:

_~De Raad kan, volgens de procedure van artikel 189 B, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.”.

7. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 6 A

Onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, kan de Raad, binnen de grenzen van de door dit Verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.”.

8. Aan het einde van het Eerste Deel wordt het volgende artikel ingevoegd:

_~Artikel 7 D

Onverminderd de artikelen 77, 90 en 92 en gezien de plaats die de diensten van algemeen economisch belang in de gemeenschappelijke waarden van de Unie innemen, alsook de rol die zij vervullen bij het bevorderen van sociale en territoriale samenhang, dragen de Gemeenschap en de lidstaten er, in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden en binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag zorg voor dat deze diensten functioneren op basis van beginselen en voorwaarden die hen in staat stellen hun taken te vervullen.”.

9. Artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:

_~1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.”.

10. Artikel 8 A, lid 2, wordt vervangen door:

_~2. De Raad kan bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken; tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, neemt de Raad een besluit volgens de procedure van artikel 189 B. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met eenparigheid van stemmen.”.

11. Aan artikel 8 D wordt de volgende alinea toegevoegd:

_~Iedere burger van de Unie kan de in dit artikel of in artikel 4 genoemde instellingen of organen aanschrijven in een van de in artikel 248 genoemde talen en ook in die taal antwoord krijgen.”.

12. Artikel 51 wordt vervangen door:

_~Artikel 51

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 B de maatregelen vast welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers met name door een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen

a) dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen,

b) dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, zullen worden betaald.

De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met eenparigheid van stemmen.”.

13. Artikel 56, lid 2, wordt vervangen door:

_~2. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 B richtlijnen vast voor de coördinatie van voornoemde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.”.

14. Artikel 57, lid 2, wordt vervangen door:

_~2. Met hetzelfde doel stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B richtlijnen vast inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten betreffende de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met eenparigheid van stemmen, over richtlijnen waarvan de uitvoering in ten minste een der lidstaten een wijziging van de in de wetgeving neergelegde beginselen betreffende de regeling van beroepen met zich brengt voor wat betreft opleiding en voorwaarden voor toegang van natuurlijke personen. In alle overige gevallen besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.”.

15. In het Derde Deel wordt de volgende titel ingevoegd:

_~Titel III A

VISA, ASIEL, IMMIGRATIE EN ANDERE BELEIDSTERREINEN DIE VERBAND HOUDEN MET HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN

Artikel 73 I

Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid neemt de Raad de volgende maatregelen aan:

a) binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, maatregelen die erop gericht zijn het vrije verkeer van personen te waarborgen overeenkomstig artikel 7 A, in samenhang met daarmee rechtstreeks verband houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel en immigratie, overeenkomstig artikel 73 J, punten 2 en 3, artikel 73 K, punt 1, onder a), en punt 2, onder a), en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit overeenkomstig artikel K.3, onder e), van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

b) andere maatregelen op het gebied van asiel, immigratie en de vrijwaring van de rechten van onderdanen van derde landen, in overeenstemming met artikel 73 K;

c) maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, als bepaald in artikel 73 M;

d) passende maatregelen ter stimulering en versterking van de administratieve samenwerking, als bepaald in artikel 73 N;

e) maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, gericht op een hoog niveau van veiligheid door voorkoming en bestrijding van criminaliteit in de Unie, in overeenstemming met het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Artikel 73 J

Binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam neemt de Raad volgens de procedure van artikel 73 O de volgende maatregelen aan:

1. maatregelen om in overeenstemming met artikel 7 A te waarborgen dat personen, ongeacht of het burgers van de Unie dan wel onderdanen van derde landen betreft, bij het overschrijden van de binnengrenzen niet worden gecontroleerd;

2. maatregelen inzake het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten, houdende:

a) normen en procedures die de lidstaten bij de uitvoering van personencontroles aan die grenzen in acht moeten nemen;

b) voorschriften inzake visa voor voorgenomen verblijven van ten hoogste drie maanden, met inbegrip van:

i) de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum, en van derde landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van deze plicht;

ii) de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa door de lidstaten;

iii) een uniform visummodel;

iv) voorschriften betreffende een uniform visum;

3. maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.

Artikel 73 K

Binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam neemt de Raad volgens de procedure van artikel 73 O de volgende maatregelen aan:

1. maatregelen inzake asiel, in overeenstemming met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen en andere desbetreffende verdragen, op de volgende gebieden:

a) criteria en instrumenten voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land wordt ingediend in één van de lidstaten;

b) minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten;

c) minimumnormen voor het aanmerken van onderdanen van derde landen als vluchteling;

d) minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus;

2. maatregelen inzake vluchtelingen en ontheemden op de volgende gebieden:

a) minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming aan ontheemden uit derde landen die niet naar hun land van oorsprong kunnen terugkeren en voor personen die anderszins internationale bescherming behoeven;

b) bevordering van een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van vluchtelingen en ontheemden;

3. maatregelen inzake immigratiebeleid op de volgende gebieden:

a) voorwaarden voor toegang en verblijf en normen voor de procedures voor de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, met name met het oog op gezinshereniging;

b) illegale immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van repatriëring van illegaal verblijvende personen;

4. maatregelen waarin de rechten en voorwaarden worden omschreven volgens welke onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, in andere lidstaten mogen verblijven.

Door de Raad uit hoofde van de punten 3 en 4 aangenomen maatregelen beletten niet dat een lidstaat op de betrokken gebieden nationale bepalingen handhaaft of vaststelt welke met dit Verdrag en met internationale overeenkomsten verenigbaar zijn.

Voor de uit hoofde van punt 2, onder b), punt 3, onder a), en punt 4 aan te nemen maatregelen geldt bovengenoemde termijn van vijf jaar niet.

Artikel 73 L

1. Deze titel laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

2. Indien één of meer lidstaten worden geconfronteerd met een noodsituatie die wordt gekenmerkt door een plotselinge toevloed van onderdanen van derde landen, kan de Raad, onverminderd lid 1, ten behoeve van de betrokken lidstaten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie voorlopige maatregelen aannemen voor een periode van ten hoogste zes maanden.

Artikel 73 M

De maatregelen op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen en die in overeenstemming met artikel 73 O en voorzover nodig voor de goede werking van de interne markt moeten worden genomen, omvatten:

a) de verbetering en vereenvoudiging van:

- het systeem van grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken;

- samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen;

- de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met inbegrip van beslissingen in buitengerechtelijke zaken;

b) de bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen;

c) de afschaffing van hinderpalen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering.

Artikel 73 N

De Raad neemt volgens de procedure van artikel 73 O maatregelen om samenwerking tussen de overheidsdiensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door deze titel bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Commissie, te waarborgen.

Artikel 73 O

1. Gedurende een overgangsperiode van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam besluit de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie of op initiatief van een lidstaat, na raadpleging van het Europees Parlement.

2. Na deze periode van vijf jaar:

- besluit de Raad op voorstel van de Commissie; de Commissie neemt ieder verzoek van een lidstaat om indiening van een voorstel bij de Raad in behandeling;

- neemt de Raad met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement, een besluit teneinde de procedure van artikel 189 B toe te passen op alle onder deze titel vallende gebieden, dan wel delen ervan, en de bepalingen betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie aan te passen.

3. In afwijking van de leden 1 en 2, worden maatregelen als bedoeld in artikel 73 J, punt 2, onder b), i) en iii), na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement aangenomen.

4. In afwijking van lid 2, worden maatregelen als bedoeld in artikel 73 J, punt 2, onder b), ii) en iv), na verloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad aangenomen volgens de procedure van artikel 189 B.

Artikel 73 P

1. Artikel 177 is van toepassing op deze titel onder de volgende omstandigheden en voorwaarden: indien een vraag wordt opgeworpen in verband met de uitlegging van deze titel of de geldigheid of de uitlegging van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de Gemeenschap in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie te verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

2. Het Hof van Justitie is in geen geval bevoegd ten aanzien van krachtens artikel 73 J, punt 1, genomen maatregelen of besluiten met betrekking tot de handhaving van de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

3. De Raad, de Commissie of een lidstaat kan het Hof van Justitie verzoeken een uitspraak te doen over de uitlegging van deze titel of van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de Gemeenschap. De door het Hof van Justitie in antwoord op een dergelijk verzoek gegeven uitspraak heeft geen gevolg ten aanzien van vonnissen van nationale rechterlijke instanties die kracht van gewijsde hebben.

Artikel 73 Q

Onverminderd het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland zijn de bepalingen van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland alsmede van het Protocol betreffende de positie van Denemarken op deze titel van toepassing.”.

16. In artikel 75, lid 1, wordt de inleidende zin vervangen door:

_~1. Ter uitvoering van artikel 74 stelt de Raad, met inachtneming van de bijzondere aspecten van het vervoer, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, vast:”.

17. In artikel 100 A worden de leden 3, 4 en 5 vervangen door de volgende leden:

_~3. De Commissie zal bij haar in lid 1 bedoelde voorstellen op het gebied van de volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming uitgaan van een hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd. Ook het Europees Parlement en de Raad zullen binnen hun respectieve bevoegdheden deze doelstelling trachten te verwezenlijken.

4. Wanneer een lidstaat het, nadat de Raad of de Commissie een harmonisatiemaatregel heeft genomen, noodzakelijk acht nationale bepalingen te handhaven die hun rechtvaardiging vinden in gewichtige eisen als bedoeld in artikel 36 of verband houdend met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu, geeft hij zowel van die bepalingen als van de redenen voor het handhaven ervan, kennis aan de Commissie.

5. Wanneer een lidstaat het na het nemen van een harmonisatiemaatregel door de Raad of de Commissie noodzakelijk acht, nationale bepalingen te treffen die gebaseerd zijn op nieuwe wetenschappelijke gegevens die verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu vanwege een specifiek probleem dat zich in die lidstaat heeft aangediend nadat de harmonisatiemaatregel is genomen, stelt hij de Commissie voorts, onverminderd lid 4, in kennis van de voorgenomen bepalingen en de redenen voor het vaststellen ervan.

6. Binnen zes maanden na de in de leden 4 en 5 bedoelde kennisgevingen keurt de Commissie de betrokken nationale bepalingen goed of wijst die af, nadat zij heeft nagegaan of zij al dan niet een middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten, of een hinderpaal voor de werking van de interne markt vormen.

Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit neemt, worden de in lid 4 en lid 5 bedoelde nationale bepalingen geacht te zijn goedgekeurd.

Indien het complexe karakter van de aangelegenheid zulks rechtvaardigt en er geen gevaar bestaat voor de gezondheid van de mens, kan de Commissie de betrokken lidstaat ervan in kennis stellen dat de in dit lid bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd.

7. Indien een lidstaat krachtens lid 6 gemachtigd is om nationale bepalingen te handhaven of te treffen die afwijken van een harmonisatiemaatregel, onderzoekt de Commissie onverwijld of er een aanpassing van die maatregel moet worden voorgesteld.

8. Indien een lidstaat een specifiek probleem in verband met volksgezondheid aan de orde stelt op een gebied waarop eerder harmonisatiemaatregelen zijn genomen, brengt hij dit ter kennis van de Commissie die onverwijld onderzoekt of zij passende maatregelen aan de Raad moet voorstellen.

9. In afwijking van de procedure van de artikelen 169 en 170 kan de Commissie of een lidstaat zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden indien zij/hij meent dat een andere lidstaat misbruik maakt van de in dit artikel bedoelde bevoegdheden.

10. Bovenbedoelde harmonisatiemaatregelen omvatten, in passende gevallen, een vrijwaringsclausule die de lidstaten machtigt om, op grond van één of meer van de in artikel 36 bedoelde niet-economische redenen, voorlopige maatregelen te treffen die aan een communautaire toetsingsprocedure worden onderworpen.”.

18. De artikelen 100 C en 100 D worden geschrapt.

19. Na titel VI wordt de volgende titel ingevoegd:

_~Titel VI A

WERKGELEGENHEID

Artikel 109 N

De lidstaten en de Gemeenschap streven overeenkomstig deze titel naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, opleiding en aanpassingsvermogen van de werknemers en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen teneinde de doelstellingen van artikel B van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van artikel 2 van dit Verdrag te bereiken.

Artikel 109 O

1. De lidstaten dragen door middel van hun werkgelegenheidsbeleid bij tot het bereiken van de in artikel 109 N bedoelde doelstellingen op een wijze die verenigbaar is met de overeenkomstig artikel 103, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap.

2. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden van de sociale partners beschouwen de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid als een aangelegenheid van gemeenschappelijke zorg en coördineren zij hun maatregelen op dit gebied binnen de Raad, overeenkomstig artikel 109 Q.

Artikel 109 P

1. De Gemeenschap draagt bij tot een hoog werkgelegenheidsniveau door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun maatregelen te steunen en, indien nodig, aan te vullen. De bevoegdheden van de lidstaten worden daarbij geëerbiedigd.

2. Bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en de activiteiten van de Gemeenschap wordt rekening gehouden met de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau.

Artikel 109 Q

1. De Europese Raad beziet jaarlijks de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap en neemt terzake conclusies aan, aan de hand van een gezamenlijk jaarverslag van de Raad en de Commissie.

2. Op basis van de conclusies van de Europese Raad stelt de Raad jaarlijks, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en het in artikel 109 S genoemde comité voor de werkgelegenheid, richtsnoeren op, waarmee de lidstaten in hun werkgelegenheidsbeleid rekening houden. Deze richtsnoeren moeten verenigbaar zijn met de overeenkomstig artikel 103, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren.

3. Elke lidstaat legt jaarlijks aan de Raad en aan de Commissie een verslag voor over de belangrijkste maatregelen welke genomen zijn om zijn werkgelegenheidsbeleid ten uitvoer te leggen in het licht van de in lid 2 bedoelde richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

4. Op basis van de in lid 3 bedoelde verslagen en na ontvangst van de adviezen van het comité voor de werkgelegenheid verricht de Raad jaarlijks een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten in het licht van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op aanbeveling van de Commissie, aanbevelingen tot de lidstaten richten indien hij zulks in het licht van dat onderzoek dienstig acht.

5. Op basis van de resultaten van dat onderzoek brengen de Raad en de Commissie jaarlijks gezamenlijk verslag uit aan de Europese Raad over de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap en over de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

Artikel 109 R

De Raad kan volgens de procedure van artikel 189 B, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, stimuleringsmaatregelen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun werkgelegenheidsbeleid te ondersteunen door middel van initiatieven ter ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, verstrekking van vergelijkende analyses en advies, alsmede bevordering van innoverende benaderingswijzen en evaluatie van ervaringen, in het bijzonder door gebruik te maken van proefprojecten.

Deze maatregelen houden geen harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten in.

Artikel 109 S

Na raadpleging van het Europees Parlement stelt de Raad een raadgevend comité voor de werkgelegenheid in teneinde de coördinatie van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van de lidstaten te bevorderen. Dit comité heeft tot taak:

- toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaten en de Gemeenschap;

- onverminderd artikel 151, adviezen uit te brengen, hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, en bij te dragen aan de voorbereiding van de in artikel 109 Q bedoelde werkzaamheden van de Raad.

Voor de vervulling van zijn opdracht raadpleegt het comité de sociale partners.

Elke lidstaat en de Commissie benoemen elk twee leden van het comité.”.

20. Aan artikel 113 wordt het volgende lid toegevoegd:

_~5. De Raad kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, besluiten de toepassing van de leden 1 tot en met 4 uit te breiden tot internationale onderhandelingen en overeenkomsten betreffende diensten en intellectuele eigendom, voor zover deze niet onder die leden vallen.”.

21. Na titel VII wordt de volgende titel ingevoegd:

_~Titel VII A

DOUANESAMENWERKING

Artikel 116

Binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag neemt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B maatregelen ter versterking van de douanesamenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling.”.

22. De artikelen 117 tot en met 120 worden vervangen door de volgende artikelen:

_~Artikel 117

De Gemeenschap en de lidstaten stellen zich, indachtig sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Te dien einde leggen de Gemeenschap en de lidstaten maatregelen ten uitvoer waarin rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van de nationale gebruiken, met name op het gebied van contractuele betrekkingen, alsmede met de noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Gemeenschap te handhaven.

Zij zijn van mening dat een dergelijke ontwikkeling zal voortvloeien, zowel uit de werking van de gemeenschappelijke markt waardoor de harmonisatie der sociale stelsels zal worden bevorderd, als uit de in dit Verdrag bepaalde procedures en het nader tot elkaar brengen van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

Artikel 118

1. Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 117 wordt het optreden van de lidstaten op de volgende gebieden door de Gemeenschap ondersteund en aangevuld:

- de verbetering van met name het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;

- de arbeidsvoorwaarden;

- de informatie en de raadpleging van de werknemers;

- de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, onverminderd artikel 127;

- de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft.

2. Te dien einde kan de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften. In deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.

De Raad neemt een besluit volgens de procedure van artikel 189 B, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

De Raad kan volgens dezelfde procedure maatregelen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen door middel van initiatieven ter verbetering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, bevordering van innoverende benaderingswijzen en evaluatie van ervaringen teneinde de sociale uitsluiting te bestrijden.

3. Op de volgende gebieden neemt de Raad evenwel, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, een besluit met eenparigheid van stemmen:

- de sociale zekerheid en de sociale bescherming van werknemers;

- de bescherming van werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

- de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid 6;

- de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die op wettige wijze op het grondgebied van de Gemeenschap verblijven;

- de financiële bijdragen ter bevordering van de werkgelegenheid en het scheppen van arbeidsplaatsen, onverminderd de bepalingen betreffende het Europees Sociaal Fonds.

4. Een lidstaat kan de sociale partners, indien zij gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de tenuitvoerlegging van de krachtens de leden 2 en 3 vastgestelde richtlijnen.

In dat geval verzekert de lidstaat zich ervan dat de sociale partners, uiterlijk op de datum waarop een richtlijn overeenkomstig artikel 189 moet zijn omgezet, de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd; de betrokken lidstaat moet zelf alle maatregelen treffen om de in de betrokken richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen.

5. De uit hoofde van dit artikel vastgestelde bepalingen beletten niet dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert welke met dit Verdrag verenigbaar zijn.

6. Dit artikel is niet van toepassing op de beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht of het recht tot uitsluiting.

Artikel 118 A

1. De Commissie heeft tot taak de raadpleging van de sociale partners op communautair niveau te bevorderen en treft alle maatregelen die nuttig kunnen zijn om de dialoog tussen de partners te vergemakkelijken door middel van een evenwichtige ondersteuning van de partijen.

2. Daartoe raadpleegt de Commissie, alvorens voorstellen op het gebied van de sociale politiek in te dienen, de sociale partners over de mogelijke richting van een communautair optreden.

3. Indien de Commissie na deze raadpleging van mening is dat een communautair optreden wenselijk is, raadpleegt zij de sociale partners over de inhoud van het overwogen voorstel. De sociale partners doen de Commissie een advies of, in voorkomend geval, een aanbeveling toekomen.

4. Ter gelegenheid van deze raadpleging kunnen de sociale partners de Commissie in kennis stellen van hun wens het in artikel 118 B bedoelde proces in te leiden. De procedure neemt maximaal negen maanden in beslag, tenzij de betrokken sociale partners en de Commissie gezamenlijk besluiten tot verlenging.

Artikel 118 B

1. De dialoog tussen de sociale partners op communautair niveau kan, indien de sociale partners zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten.

2. De tenuitvoerlegging van de op communautair niveau gesloten overeenkomsten geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, voor zaken die onder artikel 118 vallen, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie.

De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, tenzij de betrokken overeenkomst één of meer bepalingen bevat die betrekking hebben op één van de in artikel 118, lid 3, genoemde gebieden, in welk geval hij met eenparigheid van stemmen besluit.

Artikel 118 C

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 117 en onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, bevordert de Commissie de samenwerking tussen de lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie van hun optreden op alle onder dit hoofdstuk vallende gebieden van de sociale politiek, met name op het terrein van:

- de werkgelegenheid,

- het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden,

- de beroepsopleiding en de voortgezette vorming,

- de sociale zekerheid,

- de voorkoming van arbeidsongevallen en beroepsziekten,

- de arbeidshygiëne,

- het recht zich te organiseren in vakverenigingen en van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

Te dien einde werkt de Commissie nauw samen met de lidstaten bij het verrichten van studies, het uitbrengen van adviezen en het organiseren van overleg zowel omtrent vraagstukken op nationaal niveau als omtrent vraagstukken die de internationale organisaties aangaan.

Alvorens de in dit artikel bedoelde adviezen uit te brengen, raadpleegt de Commissie het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 119

1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.

2. Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

a) dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf;

b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.

3. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité maatregelen aan om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid.

4. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

Artikel 119 A

De lidstaten streven ernaar de bestaande gelijkwaardigheid van de bepalingen omtrent betaalde vakantie te handhaven.

Artikel 120

De Commissie stelt ieder jaar een verslag op over de stand van de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 117, met inbegrip van de demografische situatie in de Gemeenschap. Zij zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité.

Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken verslagen op te stellen over bijzondere vraagstukken inzake de sociale toestand.”.

23. Artikel 125 wordt vervangen door:

_~Artikel 125

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's de uitvoeringsbesluiten betreffende het Europees Sociaal Fonds vast.”.

24. Artikel 127, lid 4, wordt vervangen door:

_~4. De Raad neemt, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, maatregelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijk bepalingen van de lidstaten.”.

25. Artikel 128, lid 4, wordt vervangen door:

_~4. De Gemeenschap houdt bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag rekening met de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen.”.

26. Artikel 129 wordt vervangen door:

_~Artikel 129

1. Bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.

Het optreden van de Gemeenschap, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid. Dit optreden omvat de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs.

De Gemeenschap vult het optreden van de lidstaten aan ter vermindering van de schade aan de gezondheid door drugsgebruik, met inbegrip van voorlichting en preventie.

2. De Gemeenschap moedigt samenwerking tussen de lidstaten op de in dit artikel bedoelde gebieden aan en steunt zo nodig hun optreden.

De lidstaten coördineren onderling, in verbinding met de Commissie, hun beleid en programma's op de in lid 1 bedoelde gebieden. De Commissie kan, in nauw contact met de lidstaten, alle dienstige initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen.

3. De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake volksgezondheid bevoegde internationale organisaties.

4. De Raad draagt volgens de procedure van artikel 189 B, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel door:

a) maatregelen aan te nemen waarbij hoge kwaliteits- en veiligheidseisen worden gesteld aan organen en stoffen van menselijke oorsprong, bloed en bloedderivaten; deze maatregelen beletten niet dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming handhaaft of treft;

b) in afwijking van artikel 43, maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied aan te nemen die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid;

c) stimuleringsmaatregelen aan te nemen die gericht zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, ook aanbevelingen aannemen met het oog op de doelstellingen van dit artikel.

5. Bij het optreden van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid worden de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging volledig geëerbiedigd. Met name doen de in lid 4, onder a), bedoelde maatregelen geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake donatie en geneeskundig gebruik van organen en bloed.”.

27. Artikel 129 A wordt vervangen door:

_~Artikel 129 A

1. Om de belangen van de consumenten te bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, draagt de Gemeenschap bij tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van de consumenten alsmede tot de bevordering van hun recht op voorlichting en vorming, en hun recht van vereniging om hun belangen te behartigen.

2. Met de eisen ter zake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Gemeenschap op andere gebieden.

3. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen door middel van:

a) maatregelen die zij op grond van artikel 100 A in het kader van de totstandbrenging van de interne markt neemt;

b) maatregelen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen, aan te vullen en te controleren.

4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen, bedoeld in lid 3, onder b), aan.

5. De uit hoofde van lid 4 aangenomen maatregelen beletten niet dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming treft of handhaaft. Deze maatregelen moeten verenigbaar zijn met dit Verdrag. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht.”.

28. In artikel 129 C, lid 1, eerste alinea, wordt het eerste gedeelte van het derde streepje vervangen door:

_~- kan de Gemeenschap steun verlenen aan door de lidstaten gesteunde projecten van gemeenschappelijk belang, die als zodanig zijn aangegeven in het kader van de in het eerste streepje bedoelde richtsnoeren met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen, of rentesubsidies;”.

29. Artikel 129 D wordt als volgt gewijzigd:

a) de eerste alinea wordt vervangen door:

_~De in artikel 129 C, lid 1, bedoelde richtsnoeren en andere maatregelen worden door de Raad vastgesteld volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's.”;

b) de derde alinea wordt geschrapt.

30. In artikel 130 A wordt de tweede alinea vervangen door:

_~De Gemeenschap stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen.”.

31. In artikel 130 E wordt de eerste alinea vervangen door:

_~De toepassingsbesluiten met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling worden door de Raad volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's vastgesteld.”.

32. In artikel 130 I, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

_~1. De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, een meerjarenkaderprogramma vast waarin alle activiteiten van de Gemeenschap zijn opgenomen.”.

33. Artikel 130 O wordt vervangen door:

_~Artikel 130 O

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de in artikel 130 N bedoelde voorzieningen vast.

De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, de in de artikelen 130 J, 130 K en 130 L bedoelde voorzieningen vast. Voor de vaststelling van de aanvullende programma's is de goedkeuring van de betrokken lidstaten vereist.”.

34. In artikel 130 R wordt lid 2 vervangen door:

_~2. De Gemeenschap streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Gemeenschap. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

In dit verband omvatten de aan eisen inzake milieubescherming beantwoordende harmonisatiemaatregelen, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige maatregelen kunnen nemen die aan een communautaire controleprocedure onderworpen zijn.”.

35. Artikel 130 S wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

_~1. De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, de activiteiten vast die de Gemeenschap moet ondernemen om de doelstellingen van artikel 130 R te verwezenlijken.”;

b) in lid 2 wordt de inleidende zin vervangen door:

_~2. In afwijking van de in lid 1 bedoelde besluitvormingsprocedure en onverminderd het bepaalde in artikel 100 A neemt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met eenparigheid van stemmen een besluit over:”;

c) in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door de volgende tekst:

_~3. Op andere gebieden stelt de Raad, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, algemene actieprogramma's vast waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd.”.

36. Artikel 130 W, lid 1, wordt vervangen door:

_~1. Onverminderd de overige bepalingen van dit Verdrag stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van artikel 130 U te verwezenlijken. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van meerjarenprogramma's.”.

37. Aan artikel 137 wordt de volgende alinea toegevoegd:

_~Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderd.”.

38. Artikel 138 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

_~3. Het Europees Parlement stelt een ontwerp op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.”;

b) het volgende lid wordt toegevoegd:

_~4. Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met goedkeuring van de Raad die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden.”.

39. Artikel 151 wordt vervangen door:

_~Artikel 151

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend Secretaris-Generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.

3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.

Voor de toepassing van artikel 191 A, lid 3, neemt de Raad in dit reglement de voorwaarden op waaronder het publiek toegang heeft tot documenten van de Raad. Voor de toepassing van dit lid omschrijft de Raad de gevallen waarin hij geacht moet worden op te treden als wetgever teneinde in die gevallen een ruimere toegang tot de documenten toe te staan, en tegelijkertijd de doeltreffendheid van het besluitvormingsproces te behouden. In elk geval maakt de Raad wanneer hij optreedt als wetgever, de uitslag van de stemmingen, alsmede de stemverklaringen en de verklaringen in de notulen openbaar.”.

40. In artikel 158, lid 2, worden de eerste en tweede alinea vervangen door:

_~2. De regeringen van de lidstaten dragen in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd.

In onderlinge overeenstemming met de voorgedragen voorzitter dragen de regeringen van de lidstaten de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen.”.

41. In artikel 163 wordt de volgende eerste alinea ingevoegd:

_~De Commissie werkt onder de politieke leiding van haar voorzitter.”.

42. In artikel 173 wordt de derde alinea vervangen door:

_~Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door het Europees Parlement, de Rekenkamer en de ECB ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.”.

43. Artikel 188 C wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

_~De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt.”;

b) in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

_~2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.”;

c) lid 3 wordt vervangen door:

_~3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen van de Gemeenschap, in de gebouwen van alle instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

De overige instellingen van de Gemeenschap, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap door de Europese Investeringsbank wordt het recht van toegang van de Rekenkamer tot informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin toegang tot de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap.”.

44. Artikel 189 B wordt vervangen door:

_~Artikel 189 B

1. Wanneer in dit Verdrag voor de aanneming van een besluit naar dit artikel wordt verwezen, is de onderstaande procedure van toepassing.

2. De Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad.

Met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na advies van het Europees Parlement,

- kan de Raad, indien hij alle in het advies van het Europees Parlement vervatte amendementen goedkeurt, het voorgestelde besluit in de aldus geamendeerde versie vaststellen;

- kan de Raad, indien het Europees Parlement geen amendementen voorstelt, het voorgestelde besluit vaststellen;

- stelt de Raad in de andere gevallen een gemeenschappelijk standpunt vast en deelt hij dit mede aan het Europees Parlement. De Raad stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn gemeenschappelijk standpunt. De Commissie stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van haar standpunt.

Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling:

a) het gemeenschappelijk standpunt goedkeurt of zich niet heeft uitgesproken, wordt het betrokken besluit geacht overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt te zijn aangenomen;

b) het gemeenschappelijk standpunt met volstrekte meerderheid van zijn leden verwerpt, wordt het voorgestelde besluit geacht niet te zijn aangenomen;

c) met volstrekte meerderheid van zijn leden amendementen op het gemeenschappelijk standpunt voorstelt, wordt de geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad en aan de Commissie, die advies over deze amendementen uitbrengt.

3. Indien de Raad binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de amendementen van het Europees Parlement al deze amendementen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedkeurt, wordt het betrokken besluit geacht te zijn aangenomen in de vorm van het aldus geamendeerde gemeenschappelijk standpunt; de Raad besluit evenwel met eenparigheid van stemmen over de amendementen waarover de Commissie negatief advies heeft uitgebracht. Indien de Raad niet alle amendementen goedkeurt, roept de voorzitter van de Raad, in overeenstemming met de voorzitter van het Europees Parlement, binnen zes weken het bemiddelingscomité bijeen.

4. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal vertegenwoordigers van het Europees Parlement en heeft tot taak met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de vertegenwoordigers van het Europees Parlement overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerp-tekst. De Commissie neemt aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité deel en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen. Bij de vervulling van deze taak bestudeert het bemiddelingscomité het gemeenschappelijk standpunt op basis van de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen.

5. Wanneer het bemiddelingscomité binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen, een gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad over een termijn van zes weken na deze goedkeuring om het betrokken besluit overeenkomstig de gemeenschappelijke ontwerp-tekst aan te nemen, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen wat het Europees Parlement betreft, en met gekwalificeerde meerderheid wat de Raad betreft. Wanneer een van de twee instellingen het voorgestelde besluit niet binnen die termijn goedkeurt, wordt het geacht niet te zijn aangenomen.

6. Wanneer het bemiddelingscomité geen gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, wordt het voorgestelde besluit geacht niet te zijn aangenomen.

7. De in dit artikel vermelde termijnen van drie maanden en zes weken worden, op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad, met ten hoogste één maand, respectievelijk twee weken verlengd.”.

45. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 191 A

1. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, volgens de beginselen en onder de voorwaarden die overeenkomstig de leden 2 en 3 worden bepaald.

2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam bepaalt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B de algemene beginselen en de beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen betreffende dit recht op toegang tot documenten.

3. Elk van bovengenoemde instellingen neemt in haar eigen reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de toegang tot haar documenten op.”.

46. Aan artikel 198 wordt de volgende alinea toegevoegd:

_~Het Comité kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.”.

47. In artikel 198 A wordt de derde alinea vervangen door:

_~De leden van het Comité, alsmede een gelijk aantal plaatsvervangers, worden op voordracht van de onderscheiden lidstaten door de Raad met eenparigheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. Leden van het Comité kunnen niet tegelijkertijd lid zijn van het Europees Parlement.”.

48. In artikel 198 B wordt de tweede alinea vervangen door:

_~Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.”.

49. Artikel 198 C wordt als volgt gewijzigd:

a) de eerste alinea wordt vervangen door:

_~Het Comité van de Regio's wordt door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de door dit Verdrag voorgeschreven gevallen en in alle andere gevallen, in het bijzonder die welke grensoverschrijdende samenwerking betreffen, waarin een van deze beide instellingen zulks wenselijk oordeelt.”;

b) na de derde alinea wordt de volgende alinea ingevoegd:

_~Het Comité van de Regio's kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.”.

50. In artikel 205 wordt de eerste alinea vervangen door:

_~De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 209 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.”.

51. Artikel 206, lid 1, wordt vervangen door:

_~1. Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 205 bis, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 188 C, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.”.

52. Artikel 209 A wordt vervangen door:

_~Artikel 209 A

1. De Gemeenschap en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel te nemen maatregelen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten een doeltreffende bescherming moeten bieden.

2. De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.

3. Onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag coördineren de lidstaten hun optreden om de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude te beschermen. Zij organiseren daartoe samen met de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten.

4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 B, na raadpleging van de Rekenkamer, de nodige maatregelen aan op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, om in de lidstaten een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling.

5. De Commissie brengt in samenwerking met de lidstaten jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de ter uitvoering van dit artikel genomen maatregelen.”.

53. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 213 A

1. Onverminderd artikel 5 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank neemt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B maatregelen aan voor de opstelling van statistieken wanneer zulks voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap nodig is.

2. De productie van communautaire statistieken geschiedt op basis van onpartijdigheid, betrouwbaarheid, objectiviteit, wetenschappelijke onafhankelijkheid, kosteneffectiviteit en statistische geheimhouding; het mag geen buitensporige lasten voor de economische actoren met zich brengen.”.

54. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 213 B

1. Met ingang van 1 januari 1999 zijn de besluiten van de Gemeenschap inzake de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking en het vrije verkeer van persoonsgegevens van toepassing op de instellingen en organen die bij of op grond van dit Verdrag zijn opgericht.

2. Vóór de in lid 1 genoemde datum stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B een onafhankelijk controleorgaan in dat belast is met het toezicht op de toepassing van die besluiten van de Gemeenschap op de instellingen en organen van de Gemeenschap, en neemt hij zo nodig andere bepalingen terzake aan.”.

55. Artikel 227, lid 2, wordt vervangen door:

_~2. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

Gezien de structurele economische en sociale situatie van de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van enkele producten, welke factoren door hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, neemt de Raad evenwel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement specifieke maatregelen aan die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van dit Verdrag, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen.

Bij de aanneming van de in de tweede alinea bedoelde maatregelen houdt de Raad rekening met zaken als het douane- en handelsbeleid, het fiscaal beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen en tot horizontale Gemeenschapsprogramma's.

De Raad neemt de in de tweede alinea bedoelde maatregelen aan, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden en zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de communautaire rechtsorde, met inbegrip van de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.”.

56. Artikel 228 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

_~Bij de uitoefening van de bevoegdheden welke hem bij dit lid zijn toegekend, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, behalve in de gevallen waarin de Raad, overeenkomstig lid 2, eerste alinea, met eenparigheid van stemmen besluit.”;

b) lid 2 wordt vervangen door:

_~2. Onder voorbehoud van de aan de Commissie te dezer zake toegekende bevoegdheden, neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie een besluit over de ondertekening, die vergezeld kan gaan van een besluit inzake de voorlopige toepassing vóór de inwerkingtreding, en over de sluiting van de akkoorden. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor, wat de aanneming van de interne voorschriften betreft, eenparigheid vereist is, alsook wanneer het gaat om akkoorden als bedoeld in artikel 238.

In afwijking van de in lid 3 vastgestelde voorschriften zijn dezelfde procedures van toepassing voor een besluit tot opschorting van de toepassing van een akkoord en voor het bepalen van de standpunten die namens de Gemeenschap worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een op basis van artikel 238 gesloten akkoord, wanneer dat lichaam besluiten dient te nemen met rechtsgevolgen, met uitzondering van besluiten tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.

Het Europees Parlement wordt onverwijld en volledig op de hoogte gebracht van elk besluit uit hoofde van dit lid dat betrekking heeft op de voorlopige toepassing of de opschorting van akkoorden, of de bepaling van het standpunt van de Gemeenschap in een bij een op basis van artikel 238 gesloten akkoord opgericht lichaam.”.

57. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 236

1. Wanneer een besluit is genomen tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van een lidstaat overeenkomstig artikel F.1, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, worden deze stemrechten ook geschorst ten aanzien van dit Verdrag.

2. Voorts kan de Raad, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel F, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen is geconstateerd overeenkomstig artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten zonder rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. In afwijking van artikel 148, lid 2, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 148, lid 2.

Dit lid is ook van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst overeenkomstig lid 1. In dergelijke gevallen wordt een besluit waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist, genomen zonder de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.”.

58. Protocol betreffende de sociale politiek en de daaraan gehechte Overeenkomst betreffende de sociale politiek worden ingetrokken.

59. Protocol betreffende het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's wordt ingetrokken.

Artikel 3

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. In artikel 10, lid 2, worden de eerste en tweede alinea vervangen door:

_~2. De regeringen van de lidstaten dragen in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd.

In onderlinge overeenstemming met de voorgedragen voorzitter dragen de regeringen van de lidstaten de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen.”.

2. In artikel 13 wordt de volgende eerste alinea ingevoegd:

_~De Commissie werkt onder de politieke leiding van haar voorzitter.”.

3. Aan artikel 20 wordt de volgende alinea toegevoegd:

_~Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderd.”.

4. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

_~3. Het Europees Parlement stelt een ontwerp op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.”;

b) het volgende lid wordt toegevoegd:

_~4. Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met de goedkeuring van de Raad die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden.”.

5. Artikel 30 wordt vervangen door:

_~Artikel 30

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend Secretaris-Generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.

3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.”.

6. In artikel 33 wordt de vierde alinea vervangen door:

_~Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door het Europees Parlement en de Rekenkamer ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.”.

7. Artikel 45 C wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

_~De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt.”;

b) in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

_~2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.”;

c) lid 3 wordt vervangen door:

_~3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen van de Gemeenschap, in de gebouwen van alle instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

De overige instellingen van de Gemeenschap, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap door de Europese Investeringsbank wordt het recht van toegang van de Rekenkamer tot informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin toegang tot de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap.”.

8. In artikel 78 quater wordt de eerste alinea vervangen door:

_~De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 78 novies vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.”.

9. Artikel 78 octies, lid 1, wordt vervangen door:

_~1. Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 78 quinquies, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 45 C, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.”.

10. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 96

1. Wanneer een besluit is genomen tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van een lidstaat overeenkomstig artikel F.1, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, worden deze stemrechten ook geschorst ten aanzien van dit Verdrag.

2. Voorts kan de Raad, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel F, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen is geconstateerd overeenkomstig artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten zonder rekening te houden met de stemmen van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. In afwijking van artikel 28, vierde alinea, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 28, vierde alinea.

Dit lid is ook van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst overeenkomstig lid 1. In dergelijke gevallen wordt een besluit waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist, genomen zonder de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.”.

Artikel 4

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. Aan artikel 107 wordt de volgende alinea toegevoegd:

_~Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderd.”.

2. Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

_~3. Het Europees Parlement stelt een ontwerp op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.”;

b) het volgende lid wordt toegevoegd:

_~4. Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met de goedkeuring van de Raad die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden.”.

3. Artikel 121 wordt vervangen door:

_~Artikel 121

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend Secretaris-Generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.

3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.”.

4. In artikel 127, lid 2, worden de eerste en tweede alinea vervangen door:

_~2. De regeringen van de lidstaten dragen in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd.

In onderlinge overeenstemming met de voorgedragen voorzitter dragen de regeringen van de lidstaten de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen.”.

5. In artikel 132 wordt de volgende eerste alinea ingevoegd:

_~De Commissie werkt onder de politieke leiding van haar voorzitter.”.

6. In artikel 146 wordt de derde alinea vervangen door:

_~Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door het Europees Parlement en de Rekenkamer ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.”.

7. Artikel 160 C wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

_~De Rekenkamer legt aan het Europees Parlement en aan de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt.”;

b) in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

_~2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.”;

c) lid 3 wordt vervangen door:

_~3. De controle geschiedt aan de hand van stukken en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen van de Gemeenschap, in de gebouwen van alle instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

De overige instellingen van de Gemeenschap, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap door de Europese Investeringsbank wordt het recht van toegang van de Rekenkamer tot informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin toegang tot de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap.”.

8. Aan artikel 170 wordt de volgende alinea toegevoegd:

_~Het Economisch en Sociaal Comité kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.”.

9. In artikel 179 wordt de eerste alinea vervangen door:

_~De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.”.

10. Artikel 180 ter, lid 1, wordt vervangen door:

_~1. Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 179 bis, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 160 C, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.”.

11. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

_~Artikel 204

1. Wanneer een besluit is genomen tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van een lidstaat overeenkomstig artikel F.1, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, worden deze stemrechten ook geschorst ten aanzien van dit Verdrag.

2. Voorts kan de Raad, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel F, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen is geconstateerd overeenkomstig artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten zonder rekening te houden met de stemmen van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. In afwijking van artikel 118, lid 2, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 118, lid 2.

Dit lid is ook van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst overeenkomstig lid 1. In dergelijke gevallen wordt een besluit waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist, genomen zonder de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.”.

Artikel 5

De aan het besluit van de Raad van 20 september 1976 gehechte akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. Aan artikel 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

_~In geval van wijzigingen in dit artikel dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.”.

2. In artikel 6, lid 1, wordt, na het vijfde streepje, het volgende streepje ingevoegd:

_~- lid van het Comité van de Regio's;”.

3. Artikel 7, lid 2, wordt vervangen door de volgende tekst:

_~2. Tot de inwerkingtreding van een eenvormige verkiezingsprocedure of van een procedure gebaseerd op beginselen die alle lidstaten gemeen hebben en behoudens de overige bepalingen van deze akte gelden voor de verkiezingsprocedure in elke lidstaat de nationale bepalingen.”.

4. Artikel 11 wordt vervangen door de volgende tekst:

_~Artikel 11

Tot de inwerkingtreding van de in artikel 7 bedoelde eenvormige procedure of procedure gebaseerd op beginselen die alle lidstaten gemeen hebben, onderzoekt het Europees Parlement de geloofsbrieven van de vertegenwoordigers. Hiertoe neemt het Europees Parlement nota van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen en beslist het over de bezwaren die eventueel kunnen worden ingebracht op grond van de bepalingen van deze akte met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst.”.

5. Artikel 12, lid 1, wordt vervangen door de volgende tekst:

_~1. Tot de inwerkingtreding van de in artikel 7 bedoelde eenvormige procedure of procedure gebaseerd op beginselen die alle lidstaten gemeen hebben en behoudens de overige bepalingen van deze akte, voorziet iedere lidstaat in passende procedures om de zetels die tijdens de in artikel 3 bedoelde periode van vijf jaar zijn opengevallen, voor het resterende tijdvak te doen bezetten.”.

TWEEDE DEEL

VEREENVOUDIGING

Artikel 6

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met inbegrip van de bijlagen en protocollen, wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel teneinde vervallen bepalingen van dat Verdrag te schrappen en de tekst van sommige bepalingen ervan dienovereenkomstig aan te passen.

I. DE ARTIKELEN VAN HET VERDRAG

1. In artikel 3, onder a), worden de woorden _~de afschaffing” vervangen door _~het verbod” worden de woorden _~van de douanerechten” vervangen door _~op douanerechten” en wordt het lidwoord _~de” vóór _~douanerechten” en vóór _~kwantitatieve” geschrapt.

2. Artikel 7 wordt geschrapt.

3. Artikel 7 A wordt als volgt gewijzigd:

a) de eerste en tweede alinea krijgen een nummer en worden dus lid 1 en lid 2;

b) in het nieuwe lid 1 worden de verwijzingen naar de volgende artikelen geschrapt: _~7 B”, _~artikel 70, lid 1,” en _~en 100 B”; het nieuwe lid 1 luidt dan als volgt:

_~1. De Gemeenschap stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand de brengen in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992, overeenkomstig de bepalingen van het onderhavige artikel en van de artikelen 7 C en 28, artikel 57, lid 2, en de artikelen 59, 84, 99 en 100 A, onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag.”;

c) als lid 3 wordt toegevoegd de tekst van artikel 7 B, lid 2, die als volgt luidt:

_~3. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de noodzakelijke beleidslijnen en voorwaarden vast om een evenwichtige vooruitgang in het geheel der betrokken sectoren te garanderen.”.

4. Artikel 7 B wordt geschrapt.

5. Artikel 8 B wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt de zinsnede _~nadere regelingen die op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vóór 31 december 1994 met eenparigheid van stemmen door de Raad worden vastgesteld” vervangen door _~door de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen”;

b) in lid 2, eerste zin, wordt de verwijzing naar _~artikel 138, lid 3” vervangen door _~artikel 138, lid 4”;

c) in lid 2, tweede zin, wordt de zinsnede _~nadere regelingen die op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vóór 31 december 1993 met eenparigheid van stemmen door de Raad worden vastgesteld” vervangen door _~door de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, vastgestelde nadere regelingen”.

6. In artikel 8 C, tweede zin, worden de woorden _~Vóór 31 december 1993 stellen” en _~zij” geschrapt en luidt de zin als volgt: _~De lidstaten stellen onderling de nodige regels vast en beginnen de internationale onderhandelingen die met het oog op deze bescherming vereist zijn.”.

7. In artikel 8 E worden de woorden _~vóór 31 december 1993 en vervolgens” geschrapt.

8. In artikel 9, lid 2, worden de woorden _~hoofdstuk 1, eerste afdeling,” vervangen door _~artikel 12”.

9. In artikel 10 wordt lid 2 geschrapt, waardoor lid 1 ongenummerd overblijft.

10. Artikel 11 wordt geschrapt.

11. In hoofdstuk 1, _~De douane-unie” wordt het opschrift _~Eerste afdeling - Afschaffing van de douanerechten tussen de lidstaten” geschrapt.

12. Artikel 12 wordt vervangen door de volgende tekst:

_~Artikel 12

In- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden. Zulks geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard.”.

13. De artikelen 13 tot en met 17 worden geschrapt.

14. Het opschrift _~Tweede afdeling - Vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief” wordt geschrapt.

15. De artikelen 18 tot en met 27 worden geschrapt.

16. Artikel 28 wordt vervangen door de volgende tekst:

_~Artikel 28

De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden door de Raad vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie.”.

17. In de inleidende zin van artikel 29 worden de woorden _~dezer afdeling” vervangen door _~van dit hoofdstuk”.

18. In de titel van hoofdstuk 2 worden de woorden _~Afschaffing van de” vervangen door _~Verbod op”.

19. In artikel 30 worden de woorden _~ , onverminderd de volgende bepalingen,” geschrapt.

20. De artikelen 31, 32 en 33 worden geschrapt.

21. In artikel 34 wordt lid 2 geschrapt waardoor lid 1 ongenummerd overblijft.

22. Artikel 35 wordt geschrapt.

23. In artikel 36 worden de termen _~30 tot en met 34” vervangen door _~30 en 34”.

24. Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1, alinea 1, worden de woorden _~geleidelijk” en _~aan het einde van de overgangsperiode” geschrapt;

b) in lid 2 worden de woorden _~de afschaffing der douanerechten en der kwantitatieve beperkingen” vervangen door _~het verbod op douanerechten en kwantitatieve beperkingen”;

c) de leden 3, 5 en 6 worden geschrapt en lid 4 wordt hernummerd tot nieuw lid 3;

d) in het nieuwe lid 3 worden de woorden _~ , gelet op het ritme van de mogelijke aanpassing en van de noodzakelijke specialisatie” geschrapt.

25. Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 3 wordt in de eerste zin de verwijzing naar bijlage II vervangen door een verwijzing naar bijlage I en de tweede zin die begint met de woorden _~Evenwel, binnen twee jaar na . . .”, geschrapt.

b) in lid 4 worden de woorden _~van de lidstaten” geschrapt.

26. Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt geschrapt en de leden 2, 3 en 4 worden hernummerd tot nieuwe leden 1, 2 en 3;

b) in het nieuwe lid 1, eerste alinea, wordt het woord _~zal” vervangen door _~wordt” en wordt het woord _~worden” geschrapt;

c) in het nieuwe lid 2, eerste alinea, wordt de verwijzing naar lid 2 vervangen door een verwijzing naar lid 1;

d) in het nieuwe lid 3 wordt de verwijzing naar lid 2 vervangen door een verwijzing naar lid 1.

27. Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 2, derde alinea, worden de woorden _~tijdens de eerste twee etappes met eenparigheid en vervolgens” geschrapt;

b) in de leden 2 en 3 wordt de verwijzing naar artikel 40, lid 2, vervangen door een verwijzing naar artikel 40, lid 1.

28. De artikelen 44, 45 en 47 worden geschrapt.

29. In artikel 48, lid 1, worden de woorden _~vrije”, _~wordt” en _~uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode tot stand gebracht” geschrapt; artikel 48, lid 1, wordt als volgt gelezen:

_~1. Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij.”.

30. Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

a) in de inleidende zin worden de woorden _~Zodra dit Verdrag in werking treedt, stelt de Raad” vervangen door _~De Raad stelt” en wordt het woord _~geleidelijk” geschrapt;

b) onder b) en c) worden de woorden _~volgens plan geleidelijk” geschrapt.

31. Artikel 52, eerste alinea, wordt als volgt gewijzigd:

a) in de eerste zin worden de woorden _~worden de beperkingen . . . tijdens de overgangsperiode geleidelijk opgeheven” vervangen door _~zijn de beperkingen . . . verboden”;

b) in de tweede zin worden de woorden _~Deze geleidelijke opheffing zal eveneens betrekking hebben op . . .” vervangen door _~Dit verbod heeft eveneens betrekking op . . .”.

32. Artikel 53 wordt geschrapt.

33. Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt geschrapt en de leden 2 en 3 worden hernummerd tot nieuwe leden 1 en 2;

b) in het nieuwe lid 1 worden de woorden _~Teneinde het algemeen programma uit te voeren of, bij gebreke van dit programma, een etappe af te leggen bij de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid, beslist de Raad” vervangen door de woorden _~Teneinde de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken, beslist de Raad . . .”.

34. In artikel 59, eerste alinea, worden de woorden _~worden de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap in de loop van de overgangsperiode geleidelijk opgeheven” vervangen door _~zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden”.

35. In artikel 61, lid 2, wordt het woord _~geleidelijke” geschrapt.

36. Artikel 62 wordt geschrapt.

37. Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt geschrapt en de leden 2 en 3 worden hernummerd tot nieuwe leden 1 en 2;

b) in het nieuwe lid 1 worden de woorden _~Teneinde het algemeen programma uit te voeren of, bij gebreke van dat programma, een etappe af te leggen bij de verwezenlijking van de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst” vervangen door _~Teneinde de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst te verwezenlijken” en de woorden _~vóór het einde van de eerste etappe met eenparigheid en vervolgens” geschrapt; het nieuwe lid 1 wordt dan als volgt gelezen:

_~1. Teneinde de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst te verwezenlijken, stelt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité alsook van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen richtlijnen vast.”;

c) in het nieuwe lid 2 worden de termen _~De in de leden 1 en 2 bedoelde voorstellen en besluiten” vervangen door _~De in lid 1 bedoelde richtlijnen”.

38. In artikel 64, eerste alinea, worden de termen _~artikel 63, lid 2” vervangen door _~artikel 63, lid 1”.

39. De artikelen 67 tot en met 73 A, 73 E en 73 H worden geschrapt.

40. In artikel 75 wordt lid 2 geschrapt en wordt lid 3 hernummerd tot nieuw lid 2.

41. In artikel 76 worden de woorden _~bij de inwerkingtreding van dit Verdrag” vervangen door _~op 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, op de datum van hun toetreding”.

42. Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 worden de woorden _~Uiterlijk vóór het einde van de tweede etappe dienen in het verkeer binnen de Gemeenschap de discriminaties te zijn opgeheven” vervangen door _~In het verkeer binnen de Gemeenschap dienen de discriminaties te worden opgeheven”;

b) in lid 3 worden de woorden _~binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag” geschrapt.

43. In artikel 80, lid 1, worden de woorden _~Met ingang van de tweede etappe is het aan een lidstaat” vervangen door _~Het is aan een lidstaat”.

44. In artikel 83 worden de woorden _~onverminderd de bevoegdheden van de afdeling vervoer van het Economisch en Sociaal Comité” vervangen door _~onverminderd de bevoegdheden van het Economisch en Sociaal Comité”.

45. In artikel 84, lid 2, worden de termen _~artikel 75, leden 1 en 3,” vervangen door _~artikel 75”.

46. In artikel 87 worden de twee alinea's van lid 1 samengevoegd tot één lid met de volgende tekst:

_~1. De verordeningen of richtlijnen dienstig voor de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen 85 en 86 worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, vastgesteld.”.

47. In artikel 89, lid 1, worden de woorden _~ , zodra zij in functie is getreden,” geschrapt.

48. Na artikel 90 wordt het opschrift _~Tweede afdeling - Dumping” geschrapt.

49. Artikel 91 wordt geschrapt.

50. Vóór artikel 92 wordt het opschrift _~Derde afdeling” vervangen door _~Tweede afdeling”.

51. In artikel 92, lid 3, onder c), wordt de tweede zin beginnend met de woorden _~Echter worden de op 1 januari 1957 bestaande steunmaatregelen” en eindigend met de woorden _~ten aanzien van derde landen,” geschrapt en het punt aan het einde van de eerste zin wordt vervangen door een komma.

52. In artikel 95 wordt de derde alinea geschrapt.

53. De artikelen 97 en 100 B worden geschrapt.

54. In artikel 101, tweede alinea, worden de woorden _~gedurende de eerste etappe met eenparigheid en daarna” geschrapt.

55. In artikel 109 E, lid 2, onder a), eerste streepje, worden de woorden _~onverminderd artikel 73 E,” geschrapt.

56. Artikel 109 F wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1, tweede alinea, worden de woorden _~op aanbeveling van, naar gelang van het geval, het Comité van Presidenten van de Centrale Banken van de lidstaten (hierna _~Comité van Presidenten” te noemen) of de Raad van het EMI” vervangen door _~op aanbeveling van de Raad van het EMI”.

b) in lid 1 wordt de vierde alinea die als volgt luidt: _~Het Comité van Presidenten wordt ontbonden aan begin van de tweede fase”, geschrapt;

c) in lid 8 wordt de tweede alinea die als volgt luidt: _~In de gevallen waarin dit Verdrag in een raadgevende rol van het EMI voorziet, wordt vóór 1 januari 1994 Comité van Presidenten gelezen in plaats van EMI”, geschrapt.

57. Artikel 112 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1, eerste alinea, worden de woorden _~vóór het einde van de overgangsperiode” geschrapt;

b) in lid 1, tweede alinea, worden de woorden _~De Raad stelt met eenparigheid tot aan het einde van de tweede etappe en met gekwalificeerde meerderheid daarna” vervangen door _~De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid”.

58. In artikel 129 C, lid 1, eerste alinea, derde streepje, worden de woorden _~uiterlijk op 31 december 1993 op te richten Cohesiefonds” vervangen door _~opgerichte Cohesiefonds”.

59. In artikel 130 D, tweede alinea, worden de woorden _~De Raad richt volgens dezelfde procedure uiterlijk op 31 december 1993 een Cohesiefonds op, dat een financiële bijdrage levert” vervangen door _~Een door de Raad volgens dezelfde procedure opgericht Cohesiefonds levert een financiële bijdrage”.

60. In artikel 130 S, lid 5, tweede streepje, worden de woorden _~het Cohesiefonds dat overeenkomstig artikel 130 D uiterlijk op 31 december 1993 wordt opgericht” vervangen door _~het overeenkomstig artikel 130 D opgerichte Cohesiefonds”.

61. In artikel 130 W, lid 3, wordt de uitdrukking _~ACS-EEG-Overeenkomst” vervangen door _~ACS-EG-overeenkomst”.

62. In artikel 131, eerste alinea, worden de woorden _~België” en _~Italië” geschrapt; de verwijzing naar bijlage IV wordt vervangen door een verwijzing naar bijlage II.

63. Artikel 133 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 worden de woorden _~de algehele afschaffing van” vervangen door _~het verbod op”, wordt het woord _~die” vervangen door _~dat” en worden de woorden _~geleidelijk plaatsvindt” vervangen door _~geldt”; lid 1 wordt dan als volgt gelezen:

_~1. De goederen van oorsprong uit de landen en gebieden delen bij invoer in de lidstaten in het verbod op douanerechten dat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag tussen de lidstaten geldt.”;

b) in lid 2 worden de woorden _~worden de” vervangen door _~zijn”, de woorden _~geleidelijk opgeheven” en _~de bepalingen van” geschrapt, wordt de verwijzing naar de artikelen 13, 14, 15 en 17 geschrapt en het woord _~verboden” ingevoegd; lid 2 wordt dan als volgt gelezen:

_~2. Bij invoer in elk land en gebied zijn douanerechten op goederen uit de lidstaten en uit de andere landen en gebieden overeenkomstig artikel 12 verboden.”;

c) in lid 3, tweede alinea, worden de woorden _~De in vorenstaande alinea bedoelde rechten worden echter geleidelijk teruggebracht tot het peil van . . .” vervangen door _~De in vorenstaande alinea bedoelde rechten mogen het peil van . . . niet te boven gaan.”; de tweede zin beginnend met de woorden _~De percentages” en eindigend met de woorden _~van herkomst uit de Gemeenschap” wordt geschrapt;

d) in lid 4 worden de woorden _~reeds bij de inwerkingtreding van dit Verdrag” geschrapt.

64. Artikel 136 wordt vervangen door de volgende tekst:

_~Artikel 136

De Raad stelt op basis van de in het kader van de associatie van de landen en gebieden met de Gemeenschap bereikte resultaten en van de in dit Verdrag neergelegde beginselen met eenparigheid van stemmen de bepalingen vast betreffende de wijze van toepassing en de procedure van de associatie van de landen en gebieden met en de Gemeenschap.”.

65. Artikel 138 wordt als volgt gewijzigd, waarbij artikel 1, artikel 2 zoals gewijzigd bij artikel 5 van dit Verdrag, en artikel 3, lid 1, van de aan het besluit van de Raad van 20 september 1976 gehechte Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, erin worden opgenomen; bijlage II bij die Akte blijft van toepassing:

a) in plaats van de leden 1 en 2, die zijn vervallen krachtens artikel 14 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, wordt de tekst van de artikelen 1 en 2 van die Akte ingevoegd; de nieuwe leden 1 en 2 worden dan als volgt gelezen:

_~1. De vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten worden gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.

2. Het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers is als volgt vastgesteld:

   
België 25
Denemarken 16
Duitsland 99
Griekenland 25
Spanje 64
Frankrijk 87
Ierland 15
Italië 87
Luxemburg 6
Nederland 31
Oostenrijk 21
Portugal 25
Finland 16
Zweden 22
Verenigd Koninkrijk 87.

In geval van wijzigingen in dit artikel dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.”;

b) na de nieuwe leden 1 en 2 wordt de tekst van artikel 3, lid 1, van bovengenoemde Akte ingevoegd; het nieuwe lid 3 luidt dan als volgt:

_~3. De vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar.”;

c) het huidige lid 3, zoals gewijzigd bij artikel 2 van dit Verdrag, wordt hernummerd tot lid 4;

d) lid 4, zoals toegevoegd bij artikel 2 van dit Verdrag, wordt lid 5.

66. In artikel 158 wordt lid 3 geschrapt.

67. In artikel 166, eerste alinea, tweede zin, worden de woorden _~Op de datum van toetreding wordt echter” geschrapt en de woorden _~van 1 januari 1995” ingevoegd, waardoor de tweede zin als volgt wordt gelezen: _~Voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 6 oktober 2000 wordt echter een negende advocaat-generaal aangewezen.”.

68. In artikel 188 B, lid 3, wordt de tweede alinea die als volgt luidt: _~Bij de eerste benoemingen echter worden vier leden van de Rekenkamer, die bij loting worden aangewezen, voor een ambtsperiode van slechts vier jaar benoemd.”, geschrapt.

69. In artikel 197 wordt de tweede alinea die begint met de woorden _~Het omvat met name . . . ”, geschrapt.

70. In artikel 207 worden de tweede, de derde, de vierde en de vijfde alinea geschrapt.

71. Op de plaats van artikel 212 wordt de tekst ingevoegd van artikel 24, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; dit nieuwe artikel 212 luidt dan als volgt:

_~Artikel 212

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de andere betrokken instellingen, het statuut vast van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen.”.

72. Op de plaats van artikel 218 wordt de aangepaste tekst ingevoegd van artikel 28, eerste alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; dit nieuwe artikel 218 luidt dan als volgt:

_~Artikel 218

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het aan dit Verdrag gehechte Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak. Ditzelfde geldt voor de Europese Centrale Bank, het Europees Monetair Instituut en de Europese Investeringsbank.”.

73. In artikel 221 worden de woorden _~Binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit Verdrag, verlenen de lidstaten . . .” vervangen door _~De lidstaten verlenen . . .”.

74. In artikel 223 worden de leden 2 en 3 samengevoegd en vervangen door de volgende tekst:

_~2. De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie wijzigingen aanbrengen in de lijst van de producten waarop de bepalingen van lid 1, onder b), van toepassing zijn, die hij op 15 april 1958 heeft vastgesteld.”.

75. Artikel 226 wordt geschrapt.

76. Artikel 227 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 3 wordt de verwijzing naar bijlage IV vervangen door een verwijzing naar bijlage II;

b) na lid 4 wordt een nieuw lid ingevoegd dat als volgt luidt:

_~5. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Åland-eilanden, overeenkomstig protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.”;

c) het oude lid 5 wordt hernummerd tot nieuw lid 6 waarin punt d) betreffende de Åland-eilanden wordt geschrapt; aan het einde van punt c) wordt de puntkomma vervangen door een punt.

77. In artikel 229, eerste alinea, worden de woorden _~met de organen van de Verenigde Naties, van hun gespecialiseerde organisaties en van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel” vervangen door _~met de organen van de Verenigde Naties en van hun gespecialiseerde organisaties”.

78. In artikel 234, eerste alinea, worden de woorden _~vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag” vervangen door _~vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding”.

79. Vóór artikel 241 wordt het opschrift _~Oprichting van de instellingen” geschrapt.

80. De artikelen 241 tot en met 246 worden geschrapt.

81. Aan artikel 248 wordt de volgende nieuwe alinea toegevoegd:

_~Krachtens de Toetredingsverdragen zijn de teksten van dit Verdrag in de Deense, de Engelse, de Finse, de Griekse, de Ierse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.”.

II. DE BIJLAGEN

1. Bijlage I _~Lijsten A tot en met G bedoeld in de artikelen 19 en 20 van het Verdrag” wordt geschrapt.

2. Bijlage II _~Lijst genoemd in artikel 38 van het Verdrag” wordt hernummerd tot bijlage I en de verwijzing onder nr. ex 22.08 en nr. ex 22.09 naar _~bijlage II van het Verdrag” wordt vervangen door een verwijzing naar _~bijlage I van het Verdrag”.

3. Bijlage III _~Lijst van onzichtbare transacties genoemd in artikel 73 H van het Verdrag” wordt geschrapt.

4. Bijlage IV _~Landen en gebieden overzee waarop toepasselijk zijn de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag” wordt hernummerd tot bijlage II. Deze bijlage wordt bijgewerkt en luidt dan als volgt:

_~BIJLAGE II

LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

waarop toepasselijk zijn de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag

- Groenland

- Nieuw-Caledonië en onderhorigheden

- Frans-Polynesië

- de Franse Zuidelijke en Zuidpoolgebieden

- Wallis-archipel en Futuna-eiland

- Mayotte

- Saint-Pierre en Miquelon

- Aruba

- Nederlandse Antillen:

- Bonaire

- Curaçao

- Saba

- Sint-Eustatius

- Sint-Maarten

- Anguilla

- Caymaneilanden

- Falklandeilanden

- South Georgia en de Zuidelijke Sandwicheilanden

- Montserrat

- Pitcairn

- Sint-Helena met onderhorigheden

- Brits Antarctica

- Brits gebied in de Indische Oceaan

- Turks- en Caicoseilanden

- Britse Maagdeneilanden

- Bermuda-eilanden.”.

III. DE PROTOCOLLEN EN OVERIGE AKTEN

1. De volgende protocollen en akten worden geschrapt:

a) Het Protocol tot wijziging van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

b) Het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmee samenhangende vraagstukken.

c) Het Protocol betreffende enkele bepalingen van belang voor Frankrijk.

d) Het Protocol betreffende het Groothertogdom Luxemburg.

e) Het Protocol betreffende de regeling toe te passen op de producten vallende onder de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ten aanzien van Algerije en de Overzeese Departementen van de Franse Republiek.

f) Het Protocol betreffende de aardolie en sommige derivaten daarvan.

g) Het Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op de niet-Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden.

h) De Toepassingsovereenkomst betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Gemeenschap.

- Het Protocol betreffende het tariefcontingent voor de invoer van bananen (ex 08.01 van de Naamlijst van Brussel).

- Het Protocol betreffende het tariefcontingent voor de invoer van ongebrande koffie (ex 09.01 van de Naamlijst van Brussel).

2. Aan het einde van het Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank wordt de lijst van ondertekenaars geschrapt.

3. Het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen wordt als volgt gewijzigd:

a) de woorden _~HEBBEN de dien einde als hun gevolmachtigden AANGEWEZEN”: en de lijst van Staatshoofden en hun gevolmachtigden worden geschrapt;

b) de woorden _~DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten,” worden geschrapt en de volgende zin begint dan als volgt: _~HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen welke . . .”;

c) aan artikel 3 wordt de aangepaste tekst van artikel 21 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen als nieuwe vierde alinea toegevoegd; deze nieuwe vierde alinea luidt als volgt:

_~De artikelen 12 tot en met 15 en 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen zijn van toepassing op de rechters, de griffier en de toegevoegde rapporteurs van, alsmede op de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, onverminderd de bepalingen van de voorgaande alinea's nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters.”;

d) artikel 57 wordt geschrapt;

e) de woorden _~TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit protocol hebben gesteld” worden geschrapt;

f) de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

4. In artikel 40 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank worden de woorden _~ , dat gehecht is aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben” geschrapt.

5. In artikel 21 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Monetair Instituut worden de woorden _~ , dat gehecht is aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben” geschrapt.

6. Het Protocol betreffende Italië wordt als volgt gewijzigd:

a) in de laatste alinea die begint met de woorden _~ERKENNEN in het bijzonder, dat” wordt de verwijzing naar de artikelen 108 en 109 vervangen door een verwijzing naar de artikelen 109 H en 109 I;

b) de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

7. Het protocol betreffende goederen van oorsprong en van herkomst uit bepaalde landen onderworpen aan een bijzondere regeling bij invoer in een van de lidstaten wordt als volgt gewijzigd:

a) in de inleidende zin van punt 1:

- worden de woorden _~bij de inwerkingtreding van het Verdrag” vervangen door _~op 1 januari 1958”;

- na de woorden _~op de invoer” wordt de dubbele punt geschrapt en de tekst van punt a) toegevoegd, zodat het einde van de inleidende zin nu als volgt luidt:

_~. . . op de invoer in de Benelux-landen, van goederen van oorsprong en van herkomst uit Suriname en de Nederlandse Antillen.”;

b) in punt 1 worden de punten a), b) en c) geschrapt;

c) in punt 3 worden de woorden _~Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag delen de lidstaten . . .” vervangen door _~De lidstaten delen . . .”;

d) de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

8. Het Protocol betreffende de invoer in de Europese Gemeenschap van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten wordt als volgt gewijzigd:

a) de slotformule _~TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit protocol hebben gesteld.” wordt geschrapt;

b) de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

9. In het Protocol betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland wordt artikel 3 geschrapt.

Artikel 7

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, met inbegrip van de bijlagen, protocollen en overige aangehechte akten, wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel teneinde vervallen bepalingen van dat Verdrag te schrappen en de tekst van sommige bepalingen ervan dienovereenkomstig aan te passen.

I. DE ARTIKELEN VAN HET VERDRAG

1. In artikel 2, lid 2, worden de woorden _~in toenemende mate” geschrapt.

2. In artikel 4 worden, in de inleidende zin, de woorden _~worden afgeschaft en” geschrapt.

3. Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a) in het eerste streepje worden de woorden _~een HOGE AUTORITEIT (hierna _~de Commissie” te noemen)” vervangen door _~een COMMISSIE”;

b) in het tweede streepje worden de woorden _~GEMEENSCHAPPELIJKE VERGADERING (hierna _~het Europees Parlement” te noemen)” vervangen door _~een EUROPEES PARLEMENT”;

c) in het derde streepje worden de woorden _~een BIJZONDERE RAAD VAN MINISTERS (hierna _~de Raad” te noemen)” vervangen door _~een RAAD”.

4. In artikel 10 wordt lid 3 geschrapt.

5. In artikel 16 worden de eerste en de tweede alinea geschrapt.

6. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd, waarbij artikel 1, artikel 2 zoals gewijzigd bij artikel 5 van dit Verdrag, en artikel 3, lid 1, van de aan het besluit van de Raad van 20 september 1976 gehechte Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, erin worden opgenomen; bijlage II bij die Akte blijft van toepassing:

a) in plaats van de leden 1 en 2, die zijn vervallen krachtens artikel 14 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, wordt de tekst van de artikelen 1 en 2 van die Akte ingevoegd; de nieuwe leden 1 en 2 worden dan als volgt gelezen:

_~1. De vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten worden gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.

2. Het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers is als volgt vastgesteld:

   
België 25
Denemarken 16
Duitsland 99
Griekenland 25
Spanje 64
Frankrijk 87
Ierland 15
Italië 87
Luxemburg 6
Nederland 31
Oostenrijk 21
Portugal 25
Finland 16
Zweden 22
Verenigd Koninkrijk 87.

In geval van wijzigingen in dit artikel dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.”;

b) na de nieuwe leden 1 en 2 wordt de tekst van artikel 3, lid 1, van bovengenoemde Akte ingevoegd; het nieuwe lid 3 luidt dan als volgt:

_~3. De vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar.”;

c) het huidige lid 3, zoals gewijzigd bij artikel 3 van dit Verdrag, wordt hernummerd tot lid 4;

d) lid 4, zoals toegevoegd bij artikel 3 van dit Verdrag, wordt lid 5.

7. In artikel 32 bis, eerste alinea, worden de woorden _~vanaf de datum van toetreding” vervangen door _~vanaf 1 januari 1995”.

8. In artikel 45 B, lid 3, wordt de tweede alinea die begint met de woorden _~Bij de eerste benoemingen echter . . .”, geschrapt.

9. In artikel 50 wordt de aangepaste tekst van de leden 2 en 3 van artikel 20 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, ingevoegd als nieuwe leden 4 en 5; deze nieuwe leden 4 en 5 luiden dan als volgt:

_~4. Het gedeelte van de uitgaven van de begroting der Gemeenschappen, dat wordt gedekt door de in artikel 49 bedoelde heffingen, wordt vastgesteld op 18 miljoen rekeneenheden.

De Commissie legt elk jaar aan de Raad een verslag voor, op grond waarvan de Raad onderzoekt of er aanleiding bestaat dit bedrag aan te passen aan de ontwikkeling van de begroting der Gemeenschappen. De Raad beslist met de eenparigheid bedoeld in artikel 28, vierde alinea, eerste zin. Deze aanpassing vindt plaats op grondslag van een beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag.

5. Het gedeelte van de heffingen dat dient ter dekking van de uitgaven van de begroting der Gemeenschappen, wordt door de Commissie ter beschikking gesteld voor de tenuitvoerlegging van de begroting volgens het tijdschema dat is opgenomen in de financiële reglementen, vastgesteld krachtens artikel 209, onder b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 183, onder b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.”.

10. Artikel 52 wordt geschrapt.

11. Op de plaats van artikel 76 wordt de aangepaste tekst ingevoegd van artikel 28, eerste alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Gemeenschappen gemeen hebben; het nieuwe artikel 76 luidt dan als volgt:

_~Artikel 76

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak.”.

12. Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

a) in de tweede zin van de eerste alinea wordt de zinsnede die begint met de woorden _~met betrekking tot het Saargebied . . .” geschrapt en de puntkomma vervangen door een punt;

b) na de eerste alinea wordt een tweede alinea ingevoegd die als volgt luidt:

_~Overeenkomstig de bepalingen van Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Åland-eilanden.”;

c) in de huidige tweede alinea, in het inleidende gedeelte, worden de woorden _~In afwijking van de voorgaande alinea” vervangen door _~In afwijking van de voorgaande alinea's”;

d) in de huidige tweede alinea wordt punt d) betreffende de Åland-eilanden geschrapt.

13. In artikel 84 worden de woorden _~ , van de bijgevoegde protocollen en van de overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen” vervangen door _~en van de bijgevoegde protocollen”.

14. Artikel 85 wordt geschrapt.

15. In artikel 93 worden de woorden _~Organisatie voor Europese economische samenwerking” vervangen door _~Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling”.

16. In artikel 95, derde alinea, worden de woorden _~Na afloop van de overgangsperiode, als voorzien in de overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, kunnen, indien . . .” vervangen door _~Indien . . .” en de woorden _~passende wijzigingen” door _~kunnen passende wijzigingen”.

17. In artikel 97 wordt de tekst _~Dit Verdrag wordt gesloten voor een tijdsduur van vijftig jaren, te rekenen van het tijdstip van zijn inwerkingtreding” vervangen door _~De geldigheidsduur van dit Verdrag verstrijkt op 23 juli 2002”.

II. DE TEKST VAN BIJLAGE III _~Speciaal staal”

Aan het einde van bijlage III worden de initialen van de gevolmachtigden van de Staatshoofden en Regeringsleiders geschrapt.

III. DE PROTOCOLLEN EN OVERIGE AAN HET VERDRAG GEHECHTE AKTEN

1. De volgende akten worden geschrapt:

a) briefwisseling tussen de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de regering van de Franse Republiek betreffende het Saargebied;

b) overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen.

2. Het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal wordt als volgt gewijzigd:

a) de titels I en II van het Protocol worden vervangen door de tekst van de titels I en II van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;

b) artikel 56 en het aan dat artikel voorafgaande opschrift _~Overgangsbepaling” worden geschrapt;

c) de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

3. Het Protocol betreffende de betrekkingen met de Raad van Europa wordt als volgt gewijzigd:

a) artikel 1 wordt geschrapt;

b) de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

Artikel 8

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met inbegrip van de bijlagen en protocollen, wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel teneinde vervallen bepalingen van dat Verdrag te schrappen en de tekst van sommige bepalingen ervan dienovereenkomstig aan te passen.

I. DE ARTIKELEN VAN HET VERDRAG

1. In artikel 76, tweede alinea, worden de woorden _~de inwerkingtreding van het Verdrag” vervangen door _~1 januari 1958”.

2. In artikel 93, eerste alinea, worden in de inleidende zin de woorden _~Een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag schaffen de lidstaten” vervangen door _~De lidstaten verbieden”; aan het einde van de inleidende zin wordt het woord _~af” geschrapt.

3. De artikelen 94 en 95 worden geschrapt.

4. In artikel 98, tweede alinea, worden de woorden _~Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag stelt de Raad” vervangen door _~De Raad stelt”.

5. Artikel 100 wordt geschrapt.

6. Artikel 104 wordt als volgt gewijzigd:

a) in de eerste alinea worden de woorden _~na de inwerkingtreding van dit Verdrag” vervangen door _~na 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, na de datum van hun toetreding,”;

b) in de tweede alinea worden de woorden _~na de inwerkingtreding” vervangen door _~na de in de voorgaande alinea bedoelde data” en worden de woorden _~door enige persoon of onderneming gesloten worden” vervangen door _~door enige persoon of onderneming zijn gesloten”.

7. Artikel 105 wordt als volgt gewijzigd:

a) in de eerste alinea worden de woorden _~vóór de inwerkingtreding” vervangen door _~vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding,”; aan het einde van deze alinea worden de woorden _~na de inwerkingtreding van dit Verdrag” vervangen door _~na de genoemde data”;

b) in de tweede alinea worden de woorden _~tussen de ondertekening en de inwerkingtreding van dit Verdrag” vervangen door _~tussen 25 maart 1957 en 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, tussen de ondertekening van de Toetredingsakte en de datum van hun toetreding,”.

8. In artikel 106, eerste alinea, worden de woorden _~vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag” vervangen door _~vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding,”.

9. Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd, waarbij artikel 1, artikel 2 zoals gewijzigd bij artikel 5 van dit Verdrag, en artikel 3, lid 1, van de aan het besluit van de Raad van 20 september 1976 gehechte Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, erin worden opgenomen; bijlage II bij die Akte blijft van toepassing:

a) in plaats van de leden 1 en 2, die zijn vervallen krachtens artikel 14 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, wordt de tekst van de artikelen 1 en 2 ingevoegd; de nieuwe leden 1 en 2 worden dan als volgt gelezen:

_~1. De vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten worden gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.

2. Het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers is als volgt vastgesteld:

   
België 25
Denemarken 16
Duitsland 99
Griekenland 25
Spanje 64
Frankrijk 87
Ierland 15
Italië 87
Luxemburg 6
Nederland 31
Oostenrijk 21
Portugal 25
Finland 16
Zweden 22
Verenigd Koninkrijk 87.

In geval van wijzigingen in dit artikel dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.”;

b) na de nieuwe leden 1 en 2 wordt de tekst van artikel 3, lid 1, van bovengenoemde Akte ingevoegd; het nieuwe lid 3 luidt dan als volgt:

_~3. De vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar.”;

c) het huidige lid 3, zoals gewijzigd bij artikel 4 van dit Verdrag, wordt hernummerd tot lid 4;

d) lid 4, zoals toegevoegd bij artikel 4 van dit Verdrag, wordt lid 5.

10. In artikel 127 wordt lid 3 geschrapt.

11. In artikel 138, eerste alinea, worden de woorden _~vanaf de datum van toetreding” vervangen door _~vanaf 1 januari 1995”.

12. In artikel 160 B, lid 3, wordt de tweede alinea die begint met de woorden _~Bij de eerste benoemingen echter . . .”, geschrapt.

13. In artikel 181 worden de tweede, de derde en de vierde alinea geschrapt.

14. Op de plaats van artikel 191 wordt de aangepaste tekst ingevoegd van artikel 28, eerste alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Gemeenschappen gemeen hebben; het nieuwe artikel 191 luidt dan als volgt:

_~Artikel 191

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak.”.

15. Artikel 198 wordt als volgt gewijzigd:

a) na de tweede alinea wordt een nieuwe derde alinea ingevoegd, die als volgt luidt:

_~Overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Åland-eilanden.”;

b) in de huidige derde alinea wordt punt e) betreffende de Åland-eilanden geschrapt en aan het einde van punt d) wordt de puntkomma vervangen door een punt.

16. In artikel 199, eerste alinea, worden de woorden _~Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel” vervangen door _~Wereldhandelsorganisatie”.

17. Titel VI _~Bepalingen met betrekking tot de beginperiode”, met inbegrip van Afdeling 1 _~Oprichting van de instellingen”, Afdeling 2 _~Bepalingen voor de eerste toepassing van het Verdrag” en Afdeling 3 _~Overgangsbepalingen”, alsmede de artikelen 209 tot en met 223 worden geschrapt.

18. Aan artikel 225 wordt de volgende nieuwe alinea toegevoegd:

_~Krachtens de Toetredingsverdragen zijn de teksten van dit Verdrag in de Deense, de Engelse, de Finse, de Griekse, de Ierse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.”.

II. DE BIJLAGEN

Bijlage V _~Eerste programma voor onderzoek en onderwijs bedoeld in artikel 215 van het Verdrag”, met inbegrip van de tabel _~Samenstelling volgens grote stelposten”, wordt geschrapt.

III. DE PROTOCOLLEN

1. Het Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op de niet-Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden wordt geschrapt.

2. Het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie wordt als volgt gewijzigd:

a) de woorden _~HEBBEN te dien einde als hun gevolmachtigden AANGEWEZEN” en de lijst van staatshoofden en van hun gevolmachtigden worden geschrapt;

b) de woorden _~Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten,” worden geschrapt en de volgende zin begint dan als volgt: _~HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen welke . . .”;

c) aan artikel 3 wordt de aangepaste tekst van artikel 21 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen als nieuwe vierde alinea toegevoegd; deze nieuwe vierde alinea luidt als volgt:

_~De artikelen 12 tot en met 15 en 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen zijn van toepassing op de rechters, de griffier en de toegevoegde rapporteurs van, alsmede op de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, onverminderd de bepalingen van de voorgaande alinea's nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters”;

d) artikel 58 wordt geschrapt;

e) de woorden _~TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit protocol hebben gesteld” worden geschrapt;

f) de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

Artikel 9

1. De Overeenkomst van 25 maart 1957 betreffende bepaalde instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en het Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben met uitzondering van het in lid 5 bedoelde Protocol, worden ingetrokken, onverminderd de hiernavolgende leden die ertoe strekken de wezenlijke bestanddelen van de bepalingen ervan te behouden.

2. De algemene en bijzondere bevoegdheden welke het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie toekennen aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan de Commissie, aan het Hof van Justitie en aan de Rekenkamer, worden, overeenkomstig de bepalingen onderscheidenlijk in die Verdragen en in dit artikel gesteld, uitgeoefend door één Europees Parlement, één Raad, één Commissie, één Hof van Justitie en één Rekenkamer.

De taak welke het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aan het Economisch en Sociaal Comité toekennen, wordt onder de voorwaarden onderscheidenlijk in die Verdragen gesteld, vervuld door één Economisch en Sociaal Comité. De bepalingen van de artikelen 193 en 197 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn op dat Comité van toepassing.

3. De ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen maken deel uit van één administratie welke deze Gemeenschappen gemeen hebben en vallen onder de bepalingen die worden aangenomen in toepassing van artikel 212 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

4. De Europese Gemeenschappen genieten, overeenkomstig de bepalingen van het in lid 5 bedoelde Protocol, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van hun taak. Ditzelfde geldt voor de Europese Centrale Bank, het Europees Monetair Instituut en de Europese Investeringsbank.

5. In het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen wordt een artikel 23 ingevoegd, overeenkomstig hetgeen was voorzien in het Protocol houdende wijziging van dat Protocol; dit artikel 23 luidt als volgt:

_~Artikel 23

Dit protocol is eveneens van toepassing op de Europese Centrale Bank, de leden van haar organen en haar personeel, onverminderd de bepalingen van het protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.

De Europese Centrale Bank wordt bovendien vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten welke hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel van de Bank gevestigd is. De werkzaamheden van de Bank en van haar organen, uitgeoefend overeenkomstig de statuten van het Europese Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, geven geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting.

Bovengenoemde bepalingen zijn eveneens van toepassing op het Europees Monetair Instituut. De ontbinding of liquidatie ervan brengt geen enkele heffing met zich.”.

6. De ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschap, de administratieve uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de daarop betrekking hebbende ontvangsten en de ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met uitzondering van die van het Voorzieningsagentschap en van de gemeenschappelijke ondernemingen, worden opgevoerd op de begroting van de Europese Gemeenschappen volgens de onderscheiden bepalingen van de Verdragen tot oprichting van deze drie Gemeenschappen.

7. Onverminderd de bepalingen van artikel 216 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van artikel 77 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, van artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en van artikel 1, tweede alinea, van het Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank, stellen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in onderling overleg de bepalingen vast die noodzakelijk zijn voor het regelen van bepaalde problemen die eigen zijn aan het Groothertogdom Luxemburg en die voortvloeien uit het instellen van één Raad en één Commissie die de Gemeenschappen gemeen hebben.

Artikel 10

1. Het schrappen of intrekken in dit Deel van vervallen bepalingen en het aanpassen van sommige bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie zoals deze van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag van Amsterdam, laten de rechtsgevolgen van de bepalingen van de drie eerstgenoemde Verdragen, in het bijzonder de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de daarin gestelde termijnen, en van de bepalingen van de Toetredingsverdragen onverlet.

2. De rechtsgevolgen van de op basis van die Verdragen vastgestelde en van kracht zijnde akten, blijven onverlet.

3. Hetzelfde geldt met betrekking tot het intrekken van de Overeenkomst van 25 maart 1957 betreffende bepaalde instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en van het Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben.

Artikel 11

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van die bevoegdheden, zijn van toepassing op de bepalingen van dit Deel en op het in artikel 9, lid 5, bedoelde Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

DERDE DEEL

ALGEMENE SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

1. De artikelen, titels en afdelingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij de bepalingen van dit Verdrag, worden hernummerd volgens de concordantietabellen in de bijlage bij dit Verdrag en maken daarvan een integrerend deel uit.

2. De onderlinge verwijzingen naar artikelen, titels en afdelingen in het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, alsmede de onderlinge verwijzing tussen die twee Verdragen, worden dienovereenkomstig aangepast. Hetzelfde geldt voor onderlinge verwijzingen in de andere Gemeenschapsverdragen naar artikelen, titels en afdelingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

3. Verwijzingen in andere instrumenten of akten naar de artikelen, titels en afdelingen van de in lid 2 genoemde Verdragen worden beschouwd als verwijzingen naar die artikelen zoals hernummerd bij lid 1, onderscheidenlijk naar de leden van die artikelen zoals hernummerd bij sommige bepalingen van artikel 6.

4. Verwijzingen in andere rechtshandelingen of akten naar leden van artikelen van de in de artikelen 7 en 8 bedoelde Verdragen worden beschouwd als verwijzingen naar die leden zoals hernummerd bij sommige bepalingen van de voornoemde artikelen 7 en 8.

Artikel 13

Dit Verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten.

Artikel 14

1. Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Italiaanse Republiek.

2. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende staat die als laatste deze handeling verricht.

Artikel 15

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten.

En fe de lo cual, los plenipotenciarios abajo firmantes suscriben el presente Tratado.

Til bekræftelse heraf har undertegnede befuldmægtigede underskrevet denne traktat.

Zu Urkund dessen haben die unterzeichneten Bevollmächtigten ihre Unterschriften unter diesen Vertrag gesetzt.

Εις πίστωση των ανωτέρω, οι υπογεγραμμένοι πληρεξούσιοι υπέγραψαν την παρούσα Συνθήκη.

In witness whereof the undersigned Plenipotentiaries have signed this Treaty.

En foi de quoi, les plénipotentiaires soussignés ont apposé leurs signatures au bas du présent traité.

Dá fhianú sin, chuir na Lánchumhachtaigh thíos-sínithe a lámh leis an gConradh seo.

In fede di che, i plenipotenziari sottoscritti hanno apposto le loro firme in calce al presente trattato.

Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

Em fé do que, os plenipotenciários abaixo assinados apuseram as suas assinaturas no presente Tratado.

Tämän vakuudeksi alla mainitut täysivaltaiset edustajat ovat allekirjoittaneet tämän sopimuksen.

TilTill bevis härpå har undertecknade befullmäktigade undertecknat detta fördrag.

Hecho en Amsterdam, el dos de octubre de mil novecientos noventa y siete.

Udfærdiget i Amsterdam, den anden oktober nittenhundrede og syvoghalvfems.

Geschehen zu Amsterdam am zweiten Oktober neunzehnhundertsiebenundneunzig.

Έγινε στο Άμστερνταμ, στις δύο Οκτωβρίου του έτους χίλια εννιακόσια ενενήντα επτά.

Done at Amsterdam this second day of October in the year one thousand nine hundred and ninety-seven.

Fait à Amsterdam, le deux octobre de l'an mil neuf cent quatre-vingt-dix-sept.

Arna dhéanamh in Amstardam ar an dara lá de Dheireadh Fómhair sa bhliain míle naoi gcéad nócha a seacht.

Fatto ad Amsterdam, addì due ottobre millenovecentonovantasette.

Gedaan te Amsterdam, de tweede oktober negentienhonderd zevenennegentig.

Feito em Amesterdão, em dois de Outubro de mil novecentos e noventa e sete.

Tehty Amsterdamissa 2 päivänä lokakuuta vuonna tuhatyhdeksänsataayhdeksänkymmentäseitsemän.

Utfärdat i Amsterdam den andra oktober år nittonhundranittiosju.

Pour Sa Majesté le Roi des Belges

Voor Zijne Majesteit de Koning der Belgen

Für Seine Majestät den König der Belgier

***IMAGE***

Cette signature engage également la Communauté française, la Communauté flamande, la Communauté germanophone, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Deutschsprachige Gemeinschaft, die Flämische Gemeinschaft, die Französische Gemeinschaft, die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel-Hauptstadt.

For Hendes Majestæt Danmarks Dronning

***IMAGE***

Für den Präsidenten der Bundesrepublik Deutschland

***IMAGE***

Για τον Πρόεδρο της Ελληνικής Δημοκρατίας

***IMAGE***

Por Su Majestad el Rey de España

***IMAGE***

Pour le Président de la République française

***IMAGE***

Thar ceann an Choimisiúin arna údarú le hAirteagal 14 de Bhunreacht na hÉireann chun cumhachtaí agus feidhmeanna Uachtarán na hÉireann a oibriú agus a chomhlíonadh

For the Commission authorised by Article 14 of the Constitution of Ireland to exercise and perform the powers and functions of the President of Ireland

***IMAGE***

Per il Presidente della Repubblica italiana

***IMAGE***

Pour Son Altesse Royale le Grand-Duc de Luxembourg

***IMAGE***

Voor Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

***IMAGE***

Für den Bundespräsidenten der Republik Österreich

***IMAGE***

Pelo Presidente da República Portuguesa

***IMAGE***

Suomen Tasavallan Presidentin puolesta

För Republiken Finlands President

***IMAGE***

För Hans Majestät Konungen av Sverige

***IMAGE***

For Her Majesty the Queen of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

***IMAGE***

BIJLAGE

CONCORDANTIETABELLEN BEDOELD IN ARTIKEL 12 VAN HET VERDRAG VAN AMSTERDAM

A. Verdrag betreffende de Europese Unie

Oude nummering Nieuwe nummering
TITEL I TITEL I
Artikel A Artikel 1
Artikel B Artikel 2
Artikel C Artikel 3
Artikel D Artikel 4
Artikel E Artikel 5
Artikel F Artikel 6
Artikel F.1 (*) Artikel 7
TITEL II TITEL II
Artikel G Artikel 8
TITEL III TITEL III
Artikel H Artikel 9
TITEL IV TITEL IV
Artikel I Artikel 10
TITEL V (***) TITEL V
Artikel J.1 Artikel 11
Artikel J.2 Artikel 12
Artikel J.3 Artikel 13
Artikel J.4 Artikel 14
Artikel J.5 Artikel 15
Artikel J.6 Artikel 16
Artikel J.7 Artikel 17
Artikel J.8 Artikel 18
Artikel J.9 Artikel 19
Artikel J.10 Artikel 20
Artikel J.11 Artikel 21
Artikel J.12 Artikel 22
Artikel J.13 Artikel 23
Artikel J.14 Artikel 24
Artikel J.15 Artikel 25
Artikel J.16 Artikel 26
Artikel J.17 Artikel 27
Artikel J.18 Artikel 28
TITEL VI (***) TITEL VI
Artikel K.1 Artikel 29
Artikel K.2 Artikel 30
Artikel K.3 Artikel 31
Artikel K.4 Artikel 32
Artikel K.5 Artikel 33
Artikel K.6 Artikel 34
Artikel K.7 Artikel 35
Artikel K.8 Artikel 36
Artikel K.9 Artikel 37
Artikel K.10 Artikel 38
Artikel K.11 Artikel 39
Artikel K.12 Artikel 40
Artikel K.13 Artikel 41
Artikel K.14 Artikel 42
TITEL VIa (**) TITEL VII
Artikel K.15 (*) Artikel 43
Artikel K.16 (*) Artikel 44
Artikel K.17 (*) Artikel 45
TITEL VII TITEL VIII
Artikel L Artikel 46
Artikel M Artikel 47
Artikel N Artikel 48
Artikel O Artikel 49
Artikel P Artikel 50
Artikel Q Artikel 51
Artikel R Artikel 52
Artikel S Artikel 53
(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(**) Nieuwe titel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(***) Titel geherstructureerd bij het Verdrag van Amsterdam.

B. Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Oude nummering Nieuwe nummering
EERSTE DEEL EERSTE DEEL
Artikel 1 Artikel 1
Artikel 2 Artikel 2
Artikel 3 Artikel 3
Artikel 3 A Artikel 4
Artikel 3 B Artikel 5
Artikel 3 C (*) Artikel 6
Artikel 4 Artikel 7
Artikel 4 A Artikel 8
Artikel 4 B Artikel 9
Artikel 5 Artikel 10
Artikel 5 A (*) Artikel 11
Artikel 6 Artikel 12
Artikel 6 A (*) Artikel 13
Artikel 7 (ingetrokken) -
Artikel 7 A Artikel 14
Artikel 7 B (ingetrokken) -
Artikel 7 C Artikel 15
Artikel 7 D (*) Artikel 16
TWEEDE DEEL TWEEDE DEEL
Artikel 8 Artikel 17
Artikel 8 A Artikel 18
Artikel 8 B Artikel 19
Artikel 8 C Artikel 20
Artikel 8 D Artikel 21
Artikel 8 E Artikel 22
DERDE DEEL DERDE DEEL
TITEL I TITEL I
Artikel 9 Artikel 23
Artikel 10 Artikel 24
Artikel 11 (ingetrokken) -
HOOFDSTUK 1 HOOFDSTUK 1
Eerste afdeling (geschrapt) -
Artikel 12 Artikel 25
Artikel 13 (ingetrokken) -
Artikel 14 (ingetrokken) -
Artikel 15 (ingetrokken) -
Artikel 16 (ingetrokken) -
Artikel 17 (ingetrokken) -
Tweede afdeling (geschrapt) -
Artikel 18 (ingetrokken) -
Artikel 19 (ingetrokken) -
Artikel 20 (ingetrokken) -
Artikel 21 (ingetrokken) -
Artikel 22 (ingetrokken) -
Artikel 23 (ingetrokken) -
Artikel 24 (ingetrokken) -
Artikel 25 (ingetrokken) -
Artikel 26 (ingetrokken) -
Artikel 27 (ingetrokken) -
Artikel 28 Artikel 26
Artikel 29 Artikel 27
HOOFDSTUK 2 HOOFDSTUK 2
Artikel 30 Artikel 28
Artikel 31 (ingetrokken) -
Artikel 32 (ingetrokken) -
Artikel 33 (ingetrokken) -
Artikel 34 Artikel 29
Artikel 35 (ingetrokken) -
Artikel 36 Artikel 30
Artikel 37 Artikel 31
TITEL II TITEL II
Artikel 38 Artikel 32
Artikel 39 Artikel 33
Artikel 40 Artikel 34
Artikel 41 Artikel 35
Artikel 42 Artikel 36
Artikel 43 Artikel 37
Artikel 44 (ingetrokken) -
Artikel 45 (ingetrokken) -
Artikel 46 Artikel 38
Artikel 47 (ingetrokken) -
TITEL III TITEL III
HOOFDSTUK 1 HOOFDSTUK 1
Artikel 48 Artikel 39
Artikel 49 Artikel 40
Artikel 50 Artikel 41
Artikel 51 Artikel 42
HOOFDSTUK 2 HOOFDSTUK 2
Artikel 52 Artikel 43
Artikel 53 (ingetrokken) -
Artikel 54 Artikel 44
Artikel 55 Artikel 45
Artikel 56 Artikel 46
Artikel 57 Artikel 47
Artikel 58 Artikel 48
HOOFDSTUK 3 HOOFDSTUK 3
Artikel 59 Artikel 49
Artikel 60 Artikel 50
Artikel 61 Artikel 51
Artikel 62 (ingetrokken) -
Artikel 63 Artikel 52
Artikel 64 Artikel 53
Artikel 65 Artikel 54
Artikel 66 Artikel 55
HOOFDSTUK 4 HOOFDSTUK 4
Artikel 67 (ingetrokken) -
Artikel 68 (ingetrokken) -
Artikel 69 (ingetrokken) -
Artikel 70 (ingetrokken) -
Artikel 71 (ingetrokken) -
Artikel 72 (ingetrokken) -
Artikel 73 (ingetrokken) -
Artikel 73 A (ingetrokken) -
Artikel 73 B Artikel 56
Artikel 73 C Artikel 57
Artikel 73 D Artikel 58
Artikel 73 E (ingetrokken) -
Artikel 73 F Artikel 59
Artikel 73 G Artikel 60
Artikel 73 H (ingetrokken) -
TITEL III A (**) TITEL IV
Artikel 73 I (*) Artikel 61
Artikel 73 J (*) Artikel 62
Artikel 73 K (*) Artikel 63
Artikel 73 L (*) Artikel 64
Artikel 73 M (*) Artikel 65
Artikel 73 N (*) Artikel 66
Artikel 73 O (*) Artikel 67
Artikel 73 P (*) Artikel 68
Artikel 73 Q (*) Artikel 69
TITEL IV TITEL V
Artikel 74 Artikel 70
Artikel 75 Artikel 71
Artikel 76 Artikel 72
Artikel 77 Artikel 73
Artikel 78 Artikel 74
Artikel 79 Artikel 75
Artikel 80 Artikel 76
Artikel 81 Artikel 77
Artikel 82 Artikel 78
Artikel 83 Artikel 79
Artikel 84 Artikel 80
TITEL V TITEL VI
HOOFDSTUK 1 HOOFDSTUK 1
EERSTE AFDELING EERSTE AFDELING
Artikel 85 Artikel 81
Artikel 86 Artikel 82
Artikel 87 Artikel 83
Artikel 88 Artikel 84
Artikel 89 Artikel 85
Artikel 90 Artikel 86
Tweede afdeling (geschrapt) -
Artikel 91 (ingetrokken) -
DERDE AFDELING TWEEDE AFDELING
Artikel 92 Artikel 87
Artikel 93 Artikel 88
Artikel 94 Artikel 89
HOOFDSTUK 2 HOOFDSTUK 2
Artikel 95 Artikel 90
Artikel 96 Artikel 91
Artikel 97 (ingetrokken) -
Artikel 98 Artikel 92
Artikel 99 Artikel 93
HOOFDSTUK 3 HOOFDSTUK 3
Artikel 100 Artikel 94
Artikel 100 A Artikel 95
Artikel 100 B (ingetrokken) -
Artikel 100 C (ingetrokken) -
Artikel 100 D (ingetrokken) -
Artikel 101 Artikel 96
Artikel 102 Artikel 97
TITEL VI TITEL VII
HOOFDSTUK 1 HOOFDSTUK 1
Artikel 102 A Artikel 98
Artikel 103 Artikel 99
Artikel 103 A Artikel 100
Artikel 104 Artikel 101
Artikel 104 A Artikel 102
Artikel 104 B Artikel 103
Artikel 104 C Artikel 104
HOOFDSTUK 2 HOOFDSTUK 2
Artikel 105 Artikel 105
Artikel 105 A Artikel 106
Artikel 106 Artikel 107
Artikel 107 Artikel 108
Artikel 108 Artikel 109
Artikel 108 A Artikel 110
Artikel 109 Artikel 111
HOOFDSTUK 3 HOOFDSTUK 3
Artikel 109 A Artikel 112
Artikel 109 B Artikel 113
Artikel 109 C Artikel 114
Artikel 109 D Artikel 115
HOOFDSTUK 4 HOOFDSTUK 4
Artikel 109 E Artikel 116
Artikel 109 F Artikel 117
Artikel 109 G Artikel 118
Artikel 109 H Artikel 119
Artikel 109 I Artikel 120
Artikel 109 J Artikel 121
Artikel 109 K Artikel 122
Artikel 109 L Artikel 123
Artikel 109 M Artikel 124
TITEL VI A (**) TITEL VIII
Artikel 109 N (*) Artikel 125
Artikel 109 O (*) Artikel 126
Artikel 109 P (*) Artikel 127
Artikel 109 Q (*) Artikel 128
Artikel 109 R (*) Artikel 129
Artikel 109 S (*) Artikel 130
TITEL VII TITEL IX
Artikel 110 Artikel 131
Artikel 111 (ingetrokken) -
Artikel 112 Artikel 132
Artikel 113 Artikel 133
Artikel 114 (ingetrokken) -
Artikel 115 Artikel 134
TITEL VII A (**) TITEL X
Artikel 116 (*) Artikel 135
TITEL VIII TITEL XI
HOOFDSTUK 1 (***) HOOFDSTUK 1
Artikel 117 Artikel 136
Artikel 118 Artikel 137
Artikel 118 A Artikel 138
Artikel 118 B Artikel 139
Artikel 118 C Artikel 140
Artikel 119 Artikel 141
Artikel 119 A Artikel 142
Artikel 120 Artikel 143
Artikel 121 Artikel 144
Artikel 122 Artikel 145
HOOFDSTUK 2 HOOFDSTUK 2
Artikel 123 Artikel 146
Artikel 124 Artikel 147
Artikel 125 Artikel 148
HOOFDSTUK 3 HOOFDSTUK 3
Artikel 126 Artikel 149
Artikel 127 Artikel 150
TITEL IX TITEL XII
Artikel 128 Artikel 151
TITEL X TITEL XIII
Artikel 129 Artikel 152
TITEL XI TITEL XIV
Artikel 129 A Artikel 153
TITEL XII TITEL XV
Artikel 129 B Artikel 154
Artikel 129 C Artikel 155
Artikel 129 D Artikel 156
TITEL XIII TITEL XVI
Artikel 130 Artikel 157
TITEL XIV TITEL XVII
Artikel 130 A Artikel 158
Artikel 130 B Artikel 159
Artikel 130 C Artikel 160
Artikel 130 D Artikel 161
Artikel 130 E Artikel 162
TITEL XV TITEL XVIII
Artikel 130 F Artikel 163
Artikel 130 G Artikel 164
Artikel 130 H Artikel 165
Artikel 130 I Artikel 166
Artikel 130 J Artikel 167
Artikel 130 K Artikel 168
Artikel 130 L Artikel 169
Artikel 130 M Artikel 170
Artikel 130 N Artikel 171
Artikel 130 O Artikel 172
Artikel 130 P Artikel 173
Artikel 130 Q (ingetrokken) -
TITEL XVI TITEL XIX
Artikel 130 R Artikel 174
Artikel 130 S Artikel 175
Artikel 130 T Artikel 176
TITEL XVII TITEL XX
Artikel 130 U Artikel 177
Artikel 130 V Artikel 178
Artikel 130 W Artikel 179
Artikel 130 X Artikel 180
Artikel 130 Y Artikel 181
VIERDE DEEL VIERDE DEEL
Artikel 131 Artikel 182
Artikel 132 Artikel 183
Artikel 133 Artikel 184
Artikel 134 Artikel 185
Artikel 135 Artikel 186
Artikel 136 Artikel 187
Artikel 136 A Artikel 188
VIJFDE DEEL VIJFDE DEEL
TITEL I TITEL I
HOOFDSTUK 1 HOOFDSTUK 1
EERSTE AFDELING EERSTE AFDELING
Artikel 137 Artikel 189
Artikel 138 Artikel 190
Artikel 138 A Artikel 191
Artikel 138 B Artikel 192
Artikel 138 C Artikel 193
Artikel 138 D Artikel 194
Artikel 138 E Artikel 195
Artikel 139 Artikel 196
Artikel 140 Artikel 197
Artikel 141 Artikel 198
Artikel 142 Artikel 199
Artikel 143 Artikel 200
Artikel 144 Artikel 201
TWEEDE AFDELING TWEEDE AFDELING
Artikel 145 Artikel 202
Artikel 146 Artikel 203
Artikel 147 Artikel 204
Artikel 148 Artikel 205
Artikel 149 (ingetrokken) -
Artikel 150 Artikel 206
Artikel 151 Artikel 207
Artikel 152 Artikel 208
Artikel 153 Artikel 209
Artikel 154 Artikel 210
DERDE AFDELING DERDE AFDELING
Artikel 155 Artikel 211
Artikel 156 Artikel 212
Artikel 157 Artikel 213
Artikel 158 Artikel 214
Artikel 159 Artikel 215
Artikel 160 Artikel 216
Artikel 161 Artikel 217
Artikel 162 Artikel 218
Artikel 163 Artikel 219
VIERDE AFDELING VIERDE AFDELING
Artikel 164 Artikel 220
Artikel 165 Artikel 221
Artikel 166 Artikel 222
Artikel 167 Artikel 223
Artikel 168 Artikel 224
Artikel 168 A Artikel 225
Artikel 169 Artikel 226
Artikel 170 Artikel 227
Artikel 171 Artikel 228
Artikel 172 Artikel 229
Artikel 173 Artikel 230
Artikel 174 Artikel 231
Artikel 175 Artikel 232
Artikel 176 Artikel 233
Artikel 177 Artikel 234
Artikel 178 Artikel 235
Artikel 179 Artikel 236
Artikel 180 Artikel 237
Artikel 181 Artikel 238
Artikel 182 Artikel 239
Artikel 183 Artikel 240
Artikel 184 Artikel 241
Artikel 185 Artikel 242
Artikel 186 Artikel 243
Artikel 187 Artikel 244
Artikel 188 Artikel 245
VIJFDE AFDELING VIJFDE AFDELING
Artikel 188 A Artikel 246
Artikel 188 B Artikel 247
Artikel 188 C Artikel 248
HOOFDSTUK 2 HOOFDSTUK 2
Artikel 189 Artikel 249
Artikel 189 A Artikel 250
Artikel 189 B Artikel 251
Artikel 189 C Artikel 252
Artikel 190 Artikel 253
Artikel 191 Artikel 254
Artikel 191 A (*) Artikel 255
Artikel 192 Artikel 256
HOOFDSTUK 3 HOOFDSTUK 3
Artikel 193 Artikel 257
Artikel 194 Artikel 258
Artikel 195 Artikel 259
Artikel 196 Artikel 260
Artikel 197 Artikel 261
Artikel 198 Artikel 262
HOOFDSTUK 4 HOOFDSTUK 4
Artikel 198 A Artikel 263
Artikel 198 B Artikel 264
Artikel 198 C Artikel 265
HOOFDSTUK 5 HOOFDSTUK 5
Artikel 198 D Artikel 266
Artikel 198 E Artikel 267
TITEL II TITEL II
Artikel 199 Artikel 268
Artikel 200 (ingetrokken) -
Artikel 201 Artikel 269
Artikel 201 A Artikel 270
Artikel 202 Artikel 271
Artikel 203 Artikel 272
Artikel 204 Artikel 273
Artikel 205 Artikel 274
Artikel 205 bis Artikel 275
Artikel 206 Artikel 276
Artikel 206 A (ingetrokken) -
Artikel 207 Artikel 277
Artikel 208 Artikel 278
Artikel 209 Artikel 279
Artikel 209 A Artikel 280
ZESDE DEEL ZESDE DEEL
Artikel 210 Artikel 281
Artikel 211 Artikel 282
Artikel 212 (*) Artikel 283
Artikel 213 Artikel 284
Artikel 213 A (*) Artikel 285
Artikel 213 B (*) Artikel 286
Artikel 214 Artikel 287
Artikel 215 Artikel 288
Artikel 216 Artikel 289
Artikel 217 Artikel 290
Artikel 218 (*) Artikel 291
Artikel 219 Artikel 292
Artikel 220 Artikel 293
Artikel 221 Artikel 294
Artikel 222 Artikel 295
Artikel 223 Artikel 296
Artikel 224 Artikel 297
Artikel 225 Artikel 298
Artikel 226 (ingetrokken) -
Artikel 227 Artikel 299
Artikel 228 Artikel 300
Artikel 228 A Artikel 301
Artikel 229 Artikel 302
Artikel 230 Artikel 303
Artikel 231 Artikel 304
Artikel 232 Artikel 305
Artikel 233 Artikel 306
Artikel 234 Artikel 307
Artikel 235 Artikel 308
Artikel 236 (*) Artikel 309
Artikel 237 (ingetrokken) -
Artikel 238 Artikel 310
Artikel 239 Artikel 311
Artikel 240 Artikel 312
Artikel 241 (ingetrokken) -
Artikel 242 (ingetrokken) -
Artikel 243 (ingetrokken) -
Artikel 244 (ingetrokken) -
Artikel 245 (ingetrokken) -
Artikel 246 (ingetrokken) -
SLOTBEPALINGEN SLOTBEPALINGEN
Artikel 247 Artikel 313
Artikel 248 Artikel 314
(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(**) Nieuwe titel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(**) Nieuwe titel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(**) Nieuwe titel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(***) Hoofdstuk 1 geherstructureerd bij het Verdrag van Amsterdam.

(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.
PROTOCOLLEN

A. PROTOCOL GEHECHT AAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE

Protocol inzake artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

INDACHTIG DE NOODZAAK om de bepalingen van artikel J.7, lid 1, tweede alinea, en lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie volledig uit te voeren,

INDACHTIG HET FEIT dat het beleid van de Unie overeenkomstig artikel J.7 het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat, de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), eerbiedigt en verenigbaar is met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt gehecht:

De Europese Unie ontwikkelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam dit protocol samen met de West-Europese Unie regelingen voor intensievere onderlinge samenwerking.

B. PROTOCOLLEN GEHECHT AAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE EN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

CONSTATEREND dat de door sommige lidstaten van de Europese Unie op 14 juni 1985 en 19 juni 1990 te Schengen ondertekende overeenkomsten inzake de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, alsmede de daarmee samenhangende overeenkomsten en de op grond ervan vastgestelde voorschriften, erop gericht zijn de Europese integratie te bevorderen en met name de Europese Unie in staat te stellen zich sneller te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,

GELEID DOOR DE WENS de bovenvermelde overeenkomsten en voorschriften in het kader van de Europese Unie op te nemen,

BEVESTIGEND dat de bepalingen van het Schengen-acquis slechts van toepassing zijn indien en voorzover zij verenigbaar zijn met het Unie- en het Gemeenschapsrecht,

REKENING HOUDEND MET de bijzondere positie van Denemarken,

IN AANMERKING NEMEND dat Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland geen partijen bij, noch ondertekenaars van bovengenoemde overeenkomsten zijn; dat deze lidstaten evenwel de mogelijkheid moet worden geboden sommige of alle daarin vervatte bepalingen te aanvaarden,

ERKENNEND dat het bijgevolg noodzakelijk is gebruik te maken van de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap die betrekking hebben op nauwere samenwerking tussen sommige lidstaten en dat die bepalingen uitsluitend als laatste hulpmiddel moeten worden gebruikt,

IN AANMERKING NEMEND dat het noodzakelijk is geprivilegieerde betrekkingen in stand te houden met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, die beide hun voornemen hebben bevestigd om, op basis van de op 19 december 1996 in Luxemburg ondertekende overeenkomst, door de hierboven bedoelde bepalingen gebonden te worden,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

Artikel 1

Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, partijen bij de Schengen-overeenkomsten, worden gemachtigd onderling een nauwere samenwerking aan te gaan binnen de werkingssfeer van die overeenkomsten en de daarmee samenhangende bepalingen, zoals opgesomd in de bijlage bij dit protocol, hierna het Schengen-acquis te noemen. Deze samenwerking vindt plaats binnen het institutionele en juridische kader van de Europese Unie en met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel 2

1. Vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam en onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel, is het Schengen-acquis, met inbegrip van de besluiten van het bij de uitvoeringsovereenkomsten van Schengen opgerichte Uitvoerend Comité, die vóór die datum zijn aangenomen, met onmiddellijke ingang van toepassing op de dertien in artikel 1 genoemde lidstaten. Vanaf dezelfde datum treedt de Raad in de plaats van het Uitvoerend Comité.

De Raad neemt met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden alle nodige maatregelen om uitvoering te geven aan dit lid. De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Verdragen, de rechtsgrondslag vast voor elk van de bepalingen en besluiten die het Schengen-acquis vormen.

Ten aanzien van dergelijke bepalingen en besluiten en in overeenstemming met die vaststelling oefent het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de bevoegdheden uit die het bij de desbetreffende toepasselijke bepalingen van de Verdragen zijn verleend. Het Hof van Justitie is in geen geval bevoegd ten aanzien van maatregelen of besluiten met betrekking tot de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

Zolang bovengenoemde maatregelen niet zijn genomen en onverminderd artikel 5, lid 2, worden de bepalingen en besluiten die het Schengen-acquis vormen, geacht te zijn gebaseerd op titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

2. Het bepaalde in lid 1 is op de lidstaten die Protocollen betreffende de toetreding tot de Schengen-overeenkomsten hebben ondertekend van toepassing vanaf de data die de Raad met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden vaststelt, tenzij aan de voorwaarden voor toetreding van een staat tot het Schengen-acquis is voldaan voordat het Verdrag van Amsterdam in werking treedt.

Artikel 3

Na de vaststelling bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede alinea, behoudt Denemarken met betrekking tot de onderdelen van het Schengen-acquis die hun rechtsgrondslag in titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap hebben, dezelfde rechten en verplichtingen ten opzichte van de andere ondertekenende partijen van de Schengen-overeenkomsten als vóór genoemde vaststelling.

Met betrekking tot de onderdelen van het Schengen-acquis die hun rechtsgrondslag in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie hebben, behoudt Denemarken dezelfde rechten en verplichtingen als de andere ondertekenende partijen van de Schengen-overeenkomsten.

Artikel 4

Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, die niet door het Schengen-acquis gebonden zijn, kunnen te allen tijde verzoeken om aan alle of aan enkele van de bepalingen van dit acquis deel te nemen.

De Raad neemt een besluit over dit verzoek met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden en van de vertegenwoordiger van de regering van de betrokken staat.

Artikel 5

1. Voorstellen en initiatieven om voort te bouwen op het Schengen-acquis vallen onder de toepasselijke bepalingen van de Verdragen.

Wanneer Ierland of het Verenigd Koninkrijk of beide de Voorzitter van de Raad niet binnen een redelijke termijn schriftelijk hebben meegedeeld dat zij wensen deel te nemen, wordt de in artikel 5 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of artikel K.12 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde machtiging in dit verband geacht te zijn verleend aan de in artikel 1 genoemde lidstaten, en aan Ierland of het Verenigd Koninkrijk indien een van beide aan de samenwerking op de gebieden in kwestie wenst deel te nemen.

2. De in de eerste alinea van lid 1 bedoelde toepasselijke bepalingen van de Verdragen zijn ook van toepassing indien de Raad de in artikel 2, lid 1, tweede alinea, bedoelde maatregelen niet heeft aangenomen.

Artikel 6

De Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering van het Schengen-acquis en de verdere ontwikkeling ervan op basis van de op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende overeenkomst. Te dien einde worden passende procedures overeengekomen in een overeenkomst die de Raad, met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden, met die staten sluit. In die overeenkomst worden bepalingen opgenomen inzake de bijdrage van IJsland en Noorwegen in de kosten die aan de uitvoering van dit Protocol zijn verbonden.

De Raad sluit, met eenparigheid van stemmen, met IJsland en Noorwegen een afzonderlijke overeenkomst voor de vaststelling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland enerzijds en IJsland en Noorwegen anderzijds, op gebieden van het Schengen-acquis die op deze staten van toepassing zijn.

Artikel 7

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vast op welke wijze het Schengen-Secretariaat in het secretariaat-generaal van de Raad wordt opgenomen.

Artikel 8

Voor de onderhandelingen over de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie worden het Schengen-acquis en de verdere maatregelen die de stellingen binnen de werkingssfeer van dat acquis nemen, beschouwd als een acquis dat door alle staten die kandidaat zijn voor toetreding volledig moet worden aanvaard.

BIJLAGE

SCHENGEN-ACQUIS

1. Het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.

2. De op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, met bijbehorende slotakte en gemeenschappelijke verklaringen.

3. De protocollen en overeenkomsten inzake de toetreding tot het Akkoord van 1985 en de Uitvoerings-overeenkomst van 1990, die zijn gesloten met Italië (ondertekend te Parijs, op 27 november 1990), Spanje en Portugal (ondertekend te Bonn, op 25 juni 1991), Griekenland (ondertekend te Madrid op 6 november 1992), Oostenrijk (ondertekend te Brussel, op 28 april 1995) en Denemarken, Finland en Zweden (ondertekend te Luxemburg, op 19 december 1996), met de bijbehorende slotakten en verklaringen.

4. De besluiten en verklaringen die zijn aangenomen door het bij de Uitvoeringsovereenkomst van 1990 ingestelde Uitvoerend Comité, alsook besluiten die ten behoeve van de uitvoering van de Overeenkomst zijn genomen door de instanties waaraan het Uitvoerend Comité bevoegdheden op het gebied van besluitvorming heeft verleend.

Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

GELEID DOOR DE WENS bepaalde vraagstukken met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland te regelen,

GELET OP het feit dat tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland al sedert vele jaren bijzondere reisregelingen bestaan,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gehecht:

Artikel 1

Onverminderd artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de andere bepalingen van dat Verdrag of van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de uit hoofde van deze Verdragen aangenomen maatregelen en de internationale overeenkomsten die door de Gemeenschap of door de Gemeenschap en haar lidstaten met één of meer derde staten zijn gesloten, heeft het Verenigd Koninkrijk het recht aan zijn grenzen met andere lidstaten ten aanzien van personen die het Verenigd Koninkrijk wensen binnen te komen de controles te verrichten die het nodig acht om:

a) het recht op binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk te verifiëren van burgers van staten die verdragsluitende partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en hun gezinsleden die bij het Gemeenschapsrecht verleende rechten uitoefenen, alsmede van burgers van andere staten aan wie dergelijke rechten zijn toegekend bij een overeenkomst waardoor het Verenigd Koninkrijk gebonden is, en

b) te bepalen of aan andere personen al dan niet toelating wordt verleend om het Verenigd Koninkrijk binnen te komen.

Niets in artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of in een andere bepaling van dat Verdrag of van het Verdrag betreffende de Europese Unie of in een uit hoofde daarvan aangenomen maatregel doet afbreuk aan het recht van het Verenigd Koninkrijk om dergelijke controles in te voeren of uit te oefenen. Onder het Verenigd Koninkrijk worden in dit artikel ook de grondgebieden verstaan waarvan de externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk vallen.

Artikel 2

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland kunnen onderling regelingen blijven treffen betreffende het personenverkeer tussen hun grondgebieden (_~het gemeenschappelijk reisgebied” of _~the Common Travel Area”), met volledige inachtneming van de rechten van de in artikel 1, eerste alinea, onder a), van dit Protocol bedoelde personen. Zolang zij dergelijke regelingen handhaven, zijn de bepalingen van artikel 1 van dit Protocol derhalve van toepassing op Ierland op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als op het Verenigd Koninkrijk. Niets in artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of in een andere bepaling van dat Verdrag of van het Verdrag betreffende de Europese Unie of in een uit hoofde daarvan aangenomen maatregel doet afbreuk aan deze regelingen.

Artikel 3

De andere lidstaten hebben het recht aan hun grenzen of op enig punt van binnenkomst op hun grondgebied voor de in artikel 1 van dit Protocol aangegeven doeleinden dergelijke controles te verrichten op personen die hun grondgebied wensen binnen te komen vanuit het Verenigd Koninkrijk, of enig ander grondgebied waarvan de externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van dit land vallen, dan wel vanuit Ierland, zolang de bepalingen van artikel 1 van dit Protocol op Ierland van toepassing zijn.

Niets in artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of in een andere bepaling van dat Verdrag of van het Verdrag betreffende de Europese Unie of in een uit hoofde daarvan aangenomen maatregel doet afbreuk aan het recht van de overige lidstaten om dergelijke controles in te voeren of te verrichten.

Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

GELEID DOOR DE WENS bepaalde vraagstukken met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland te regelen,

GELET OP het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gehecht:

Artikel 1

Onder voorbehoud van artikel 3 nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de aanneming door de Raad van overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voorgestelde maatregelen. In afwijking van artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt de gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in het voornoemde artikel 148, lid 2. Voor besluiten van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden aangenomen, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordigers van de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en van Ierland.

Artikel 2

Ingevolge artikel 1 en onder voorbehoud van de artikelen 3, 4 en 6 zijn de bepalingen van titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de overeenkomstig die titel aangenomen maatregelen, de bepalingen in door de Gemeenschap overeenkomstig die titel gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie ter uitlegging van die bepalingen of maatregelen niet bindend voor, noch van toepassing in het Verenigd Koninkrijk en Ierland; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van deze staten onverlet; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het op het Verenigd Koninkrijk en Ierland van toepassing zijnde acquis communautaire onverlet en maken geen deel uit van het op die staten van toepassing zijnde Gemeenschapsrecht.

Artikel 3

1. Binnen een termijn van drie maanden na de indiening van een voorstel of een initiatief bij de Raad overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland de Voorzitter van de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van de voorgestelde maatregel, waarna deze staten daartoe gerechtigd zijn. In afwijking van artikel 148, lid 2, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in het voornoemde artikel 148, lid 2.

Voor besluiten van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden aangenomen, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de leden die geen kennisgeving hebben gedaan. Een overeenkomstig dit lid aangenomen maatregel is bindend voor alle lidstaten die aan de aanneming ervan hebben deelgenomen.

2. Indien na een redelijke termijn een maatregel als bedoeld in lid 1 niet met deelneming van het Verenigd Koninkrijk of Ierland kan worden aangenomen, kan de Raad deze maatregel overeenkomstig artikel 1 aannemen zonder de deelneming van het Verenigd Koninkrijk of Ierland. In dat geval is artikel 2 van toepassing.

Artikel 4

Na de aanneming van een maatregel door de Raad overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland de Raad en de Commissie er te allen tijde van in kennis stellen dat zij die maatregel wensen te aanvaarden. In dat geval is de procedure van artikel 5 A, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 5

Voor een lidstaat die niet gebonden is door een overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap aangenomen maatregel, mag deze maatregel geen andere financiële gevolgen hebben dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de instellingen.

Artikel 6

Indien het Verenigd Koninkrijk of Ierland in gevallen als bedoeld in dit Protocol gebonden is door een door de Raad overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap aangenomen maatregel, zijn de desbetreffende bepalingen van dat Verdrag, met inbegrip van artikel 73 P, in verband met die maatregel van toepassing op de staat in kwestie.

Artikel 7

De artikelen 3 en 4 laten het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie onverlet.

Artikel 8

Ierland kan de Voorzitter van de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat het niet langer onder de bepalingen van dit Protocol wenst te vallen. In dat geval zijn de normale Verdragsbepalingen van toepassing op Ierland.

Protocol betreffende de positie van Denemarken

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

HERINNEREND aan het Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders, in het kader van de Europese Raad bijeen op 12 december 1992 in Edinburgh, betreffende bepaalde problemen die Denemarken met betrekking tot het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de orde heeft gesteld,

KENNIS GENOMEN HEBBEND van de positie van Denemarken met betrekking tot het burgerschap, de Economische en Monetaire Unie, het defensiebeleid en justitie en binnenlandse zaken zoals neergelegd in het besluit van Edinburgh,

INDACHTIG artikel 3 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gehecht:

DEEL I

Artikel 1

Denemarken neemt niet deel aan de aanneming door de Raad van overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voorgestelde maatregelen. In afwijking van artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in het voornoemde artikel 148, lid 2. Voor besluiten van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden aangenomen, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de Regering van Denemarken.

Artikel 2

De bepalingen van titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de overeenkomstig die titel aangenomen maatregelen, de bepalingen in door de Gemeenschap overeenkomstig die titel gesloten overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie ter uitlegging van deze bepalingen of maatregelen zijn niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van Denemarken onverlet; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het op Denemarken van toepassing zijnde acquis communautaire onverlet en maken geen deel uit van het op die staat van toepassing zijnde Gemeenschapsrecht.

Artikel 3

Voor Denemarken hebben de in artikel 1 bedoelde maatregelen geen andere financiële gevolgen dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de instellingen.

Artikel 4

De artikelen 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op maatregelen tot bepaling van de derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum of op maatregelen betreffende een uniform visummodel.

Artikel 5

1. Denemarken beslist binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad een besluit heeft genomen over een voorstel of een initiatief tot uitwerking van het Schengen-acquis uit hoofde van de bepalingen van titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, of het dit besluit in zijn nationale wetgeving zal omzetten. Indien Denemarken daartoe besluit, wordt daarmee een verplichting volgens internationaal recht geschapen tussen Denemarken en de andere lidstaten die genoemd worden in artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, alsmede Ierland en het Verenigd Koninkrijk indien die lidstaten deelnemen aan de betrokken onderdelen van de samenwerking.

2. Indien Denemarken beslist een besluit van de Raad als bedoeld in lid 1 niet in zijn nationale wetgeving om te zetten, overwegen de lidstaten die genoemd worden in artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, welke passende maatregelen moeten worden genomen.

DEEL II

Artikel 6

Wat betreft de maatregelen die door de Raad worden aangenomen op het gebied van artikel J.3, lid 1, en artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en de uitvoering van besluiten en acties van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, maar het zal de ontwikkeling van nauwere samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied niet belemmeren. Daarom zal Denemarken niet deelnemen aan de aanneming van die besluiten en acties. Denemarken is niet verplicht bij te dragen aan de financiering van operationele uitgaven in verband met dergelijke maatregelen.

DEEL III

Artikel 7

Denemarken kan te allen tijde, overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen, de andere lidstaten mededelen dat het niet langer een beroep wenst te doen op dit Protocol in zijn geheel of op gedeelten ervan. In dat geval zal Denemarken alle geldende desbetreffende maatregelen die in het kader van de Europese Unie zijn genomen, volledig toepassen.

C. PROTOCOLLEN GEHECHT AAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

OVERWEGENDE dat in artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt bepaald dat de Unie de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, eerbiedigt,

OVERWEGENDE dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd is om te waarborgen dat de Europese Gemeenschap de wet naleeft bij de uitlegging en toepassing van artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

OVERWEGENDE dat krachtens artikel O van het Verdrag betreffende de Europese Unie elke Europese staat die verzoekt lid te worden van de Unie, de in artikel F, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen dient te eerbiedigen,

IN AANMERKING NEMEND dat bij artikel 236 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een regeling wordt ingesteld voor de schorsing van bepaalde rechten in geval van een ernstige en voortdurende schending van die beginselen door een lidstaat,

ERAAN HERINNEREND dat iedere onderdaan van een lidstaat, als burger van de Unie, een bijzondere status en bescherming geniet die door de lidstaten wordt gegarandeerd in overeenstemming met de bepalingen in het Tweede Deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

IN AANMERKING NEMEND dat bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een ruimte zonder binnengrenzen tot stand wordt gebracht en aan iedere burger van de Unie het recht wordt verleend op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten,

ERAAN HERINNEREND dat het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 en de Overeenkomst van 27 september 1996 opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, betrekking hebben op het vraagstuk van de uitlevering van onderdanen van lidstaten van de Unie,

GELEID DOOR DE WENS te voorkomen dat het recht op asiel wordt aangewend voor andere doeleinden dan die waarvoor het bedoeld is,

OVERWEGENDE dat in dit Protocol de uiteindelijke doelstellingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen worden geëerbiedigd,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

Enig artikel

Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Dienovereenkomstig kan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking worden genomen of ontvankelijk worden verklaard in de volgende gevallen:

a) indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag;

b) indien de in artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad hieromtrent een besluit heeft genomen;

c) indien de Raad, op basis van artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is een ernstige en voortdurende schending van in artikel F, lid 1, genoemde beginselen heeft geconstateerd;

d) indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.

Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

VASTBESLOTEN de voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel van artikel 3 B van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, om de criteria voor de toepassing van die beginselen nauwkeuriger te omschrijven en een strikte inachtneming en consequente toepassing ervan door alle instellingen te waarborgen,

GELEID DOOR DE WENS ervoor te zorgen dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers van de Unie worden genomen,

REKENING HOUDEND MET het Interinstitutioneel Akkoord van 25 oktober 1993 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de procedures voor de tenuitvoerlegging van het subsidiariteitsbeginsel,

HEBBEN BEVESTIGD DAT de conclusies van de Europese Raad van Birmingham van 16 oktober 1992 en de algemene benadering met betrekking tot de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, waarover de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van 11-12 december 1992 te Edinburgh overeenstemming heeft bereikt, de leidraad blijven voor het optreden van de instellingen van de Unie en de evolutie van de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, en

HEBENHEBBEN te dien einde OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

1. Elke instelling draagt er bij de uitoefening van haar bevoegdheden zorg voor dat het subsidiariteitsbeginsel in acht wordt genomen. Elke instelling draagt tevens zorg voor de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, dat inhoudt dat het optreden van de Gemeenschap niet verder gaat dan wat nodig is om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken.

2. Bij de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel worden de algemene bepalingen en de doelstellingen van het Verdrag in acht genomen, met name wat betreft de volledige handhaving van het acquis communautaire en het institutioneel evenwicht; de door het Hof van Justitie uitgewerkte beginselen inzake het verband tussen nationaal recht en Gemeenschapsrecht komen hierdoor niet in het gedrang en er wordt rekening gehouden met artikel F, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, volgens hetwelk _~de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te leggen”.

3. Het subsidiariteitsbeginsel laat de bij het Verdrag aan de Europese Gemeenschap verleende bevoegdheden zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, onverlet. De criteria van artikel 3 B, tweede alinea, van het Verdrag hebben betrekking op gebieden waarvoor de Gemeenschap geen exclusieve bevoegdheid heeft. Het subsidiariteitsbeginsel is een leidraad voor de wijze waarop die bevoegdheden op Gemeenschapsniveau moeten worden uitgeoefend. Subsidiariteit is een dynamisch concept en dient te worden toegepast in het licht van de in het Verdrag neergelegde doelstellingen. Het maakt het mogelijk het optreden van de Gemeenschap binnen de grenzen van haar bevoegdheden uit te breiden wanneer de omstandigheden zulks vereisen, dan wel te beperken of te beëindigen wanneer het niet meer gerechtvaardigd is.

4. Voor ieder voorgesteld wetgevingsbesluit van de Gemeenschap moeten de redenen waarop het is gebaseerd worden opgegeven om aan te tonen dat het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen; de redenen voor de conclusie dat een Gemeenschapsdoelstelling beter bereikt kan worden door de Gemeenschap moeten met kwalitatieve of, zo mogelijk, kwantitatieve indicatoren worden gestaafd.

5. Optreden van de Gemeenschap is alleen gerechtvaardigd als aan beide aspecten van het subsidiariteitsbeginsel is voldaan: de doelstellingen van het overwogen optreden kunnen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt in het kader van hun nationaal grondwettelijk stelsel, en kunnen derhalve beter door een optreden van de Gemeenschap worden verwezenlijkt.

Om na te gaan of aan bovenstaande voorwaarde is voldaan, worden de volgende richtsnoeren gehanteerd:

- de betrokken kwestie heeft transnationale aspecten die door een optreden van de lidstaten niet bevredigend kunnen worden geregeld;

- het optreden van de lidstaten alleen of het niet optreden van de Gemeenschap zou in strijd zijn met de voorschriften van het Verdrag (zoals de noodzaak om concurrentievervalsing tegen te gaan of verkapte handelsbeperkingen te voorkomen of de economische en sociale samenhang te versterken) of zou op een andere manier de belangen van de lidstaten aanzienlijk schaden;

- een optreden op communautair niveau zou vanwege de schaal of de gevolgen ervan duidelijke voordelen opleveren ten opzichte van een nationaal optreden.

6. De vorm van het optreden van de Gemeenschap is zo eenvoudig mogelijk zonder een bevredigende verwezenlijking van de doelstelling van de maatregel en een doeltreffende uitvoering in de weg te staan. De Gemeenschap treedt slechts wetgevend op voorzover nodig. Als dit anderszins op hetzelfde neerkomt, wordt de voorkeur gegeven aan richtlijnen boven verordeningen en aan kaderrichtlijnen boven gedetailleerde maatregelen. Richtlijnen waarin in artikel 189 van het Verdrag is voorzien, zijn weliswaar ten aanzien van het te bereiken resultaat verbindend voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

7. Wat de aard en de omvang van het optreden van de Gemeenschap betreft, laten de maatregelen van de Gemeenschap zoveel mogelijk ruimte voor nationale besluiten, in overeenstemming met het doel van de maatregel en met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag. Onder naleving van het Gemeenschapsrecht wordt erop toegezien dat de gevestigde nationale regelingen en de organisatie en werking van de rechtssystemen van de lidstaten worden gerespecteerd. Behoudens de noodzaak van correcte tenuitvoerlegging bieden de communautaire maatregelen de lidstaten in voorkomend geval alternatieve mogelijkheden om de doelstellingen van de maatregelen te verwezenlijken.

8. Wanneer de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel ertoe leidt dat de Gemeenschap niet optreedt, dienen de lidstaten bij hun optreden de algemene bepalingen van artikel 5 van het Verdrag in acht te nemen en alle maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen.

9. Onverminderd haar initiatiefrecht, dient de Commissie:

- behalve in zeer urgente of vertrouwelijke gevallen, alvorens wetgevingsteksten voor te stellen, breed overleg te voeren en, telkens als dat dienstig is, overlegdocumenten te publiceren;

- de relevantie van al haar voorstellen te rechtvaardigen in het licht van het subsidiariteitsbeginsel; waar nodig worden in de toelichting bij het voorstel hieromtrent nadere bijzonderheden verstrekt. Voor de volledige of gedeeltelijke financiering van een optreden van de Gemeenschap uit de Gemeenschapsbegroting is een toelichting vereist;

- er terdege rekening mee te houden dat alle lasten, zij het financiële of administratieve, voor de Gemeenschap, nationale regeringen, lokale overheden, bedrijfsleven en burgers tot een minimum moeten worden beperkt en evenredig moeten zijn met het te bereiken doel;

- jaarlijks aan de Europese Raad, het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de toepassing van artikel 3 B van het Verdrag. Dit jaarverslag wordt ook toegezonden aan het Comité van de Regio's en aan het Economisch en Sociaal Comité.

10. De Europese Raad houdt in het verslag betreffende de vorderingen die de Unie heeft gemaakt, dat hij volgens artikel D van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan het Europees Parlement moet voorleggen, rekening met het in punt 9, vierde streepje, bedoelde verslag van de Commissie.

11. Met volledige inachtneming van de toepasselijke procedures onderzoeken het Europees Parlement en de Raad, als wezenlijk onderdeel van de algemene behandeling van Commissievoorstellen, of die voorstellen in overeenstemming zijn met artikel 3 B van het Verdrag. Dit geldt zowel voor het oorspronkelijke Commissievoorstel als voor wijzigingen die het Europees Parlement en de Raad daarin willen aanbrengen.

12. In het kader van de toepassing van de procedure van de artikelen 189 B en 189 C van het Verdrag wordt het Europees Parlement bij de mededeling van de redenen die de Raad hebben geleid tot het vaststellen van het gemeenschappelijk standpunt, in kennis gesteld van het standpunt van de Raad ten aanzien van de toepassing van artikel 3 B van het Verdrag. De Raad stelt het Europees Parlement in kennis van de redenen op grond waarvan een Commissievoorstel geheel of gedeeltelijk niet in overeenstemming wordt geacht met artikel 3 B van het Verdrag.

13. Het toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel geschiedt overeenkomstig de regels van het Verdrag.

Protocol betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

IN AANMERKING NEMEND dat de lidstaten doeltreffende controles aan hun buitengrenzen moeten kunnen garanderen, waar nodig in samenwerking met derde landen,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt gehecht:

De bepalingen betreffende de maatregelen inzake de overschrijding van de buitengrenzen in artikel 73 J, punt 2, onder a), van titel III A van het Verdrag laten de bevoegdheid van de lidstaten om met derde landen over overeenkomsten te onderhandelen of overeenkomsten te sluiten onverlet, mits daarbij het Gemeenschapsrecht en andere internationale overeenkomsten terzake worden geëerbiedigd.

Protocol betreffende het publieke-omroepstelsel in de lidstaten

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

VAN OORDEEL dat het publieke-omroepstelsel in de lidstaten rechtstreeks verband houdt met de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving en met de noodzaak pluralisme in de media te behouden,

HEBBEN OVEREENSTEMMING bereikt over de volgende interpretatieve bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in de financiering van de publieke omroep, voorzover deze financiering wordt verleend aan omroeporganisaties voor het vervullen van de publieke opdracht zoals toegekend, bepaald en georganiseerd door iedere lidstaat, en voorzover deze financiering de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang zou worden geschaad, waarbij rekening wordt gehouden met de verwezenlijking van de opdracht van deze publieke dienst.

Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

VERLANGEND te zorgen voor een betere bescherming en eerbiediging van het welzijn van dieren als wezens met gevoel,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt gehecht:

Bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Gemeenschap op het gebied van landbouw, vervoer, interne markt en onderzoek, houden de Gemeenschap en de lidstaten ten volle rekening met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.

D. PROTOCOLLEN GEHECHT AAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE EN DE VERDRAGEN TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP, DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE

Protocol betreffende de Instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen worden gehecht:

Artikel 1

Op de datum van inwerkingtreding van de eerstvolgende uitbreiding van de Unie heeft, niettegenstaande artikel 157, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 126, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie één onderdaan van elke lidstaat zitting in de Commissie, mits de weging van de stemmen in de Raad voor die datum is gewijzigd, hetzij via een herweging van de stemmen, hetzij via een dubbele meerderheid, op een wijze die voor alle lidstaten aanvaardbaar is, waarbij rekening wordt gehouden met alle ter zake strekkende elementen, met name een compensatie voor de lidstaten die afstand doen van de mogelijkheid een tweede persoon voor te dragen als lid van de Commissie.

Artikel 2

Uiterlijk een jaar voordat de Europese Unie meer dan 20 leden telt, wordt een conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten bijeengeroepen om de bepalingen van de Verdragen inzake de samenstelling en de werking van de instellingen volledig te herzien.

Protocol betreffende de plaats van de zetels van de instellingen van bepaalde organen en diensten van de Europese Gemeenschappen en van Europol

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN,

GELET OP artikel 216 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 77 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

GELET OP het Verdrag betreffende de Europese Unie,

WIJZEND OP EN BEVESTIGEND het besluit van 8 april 1965, zulks onverminderd de daarin vervatte bepalingen betreffende de zetel van toekomstige instellingen, organisaties en diensten,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT de volgende bepalingen, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen worden gehecht:

Enig artikel

a) Het Europees Parlement heeft zijn zetel te Straatsburg, voor de twaalf periodes van de maandelijkse voltallige zittingen met inbegrip van de begrotingszitting. De bijkomende voltallige zittingen worden gehouden te Brussel. De commissies van het Europees Parlement zetelen te Brussel. Het secretariaat-generaal van het Europees Parlement en zijn diensten blijven in Luxemburg gevestigd.

b) De Raad heeft zijn zetel te Brussel. In de maanden april, juni en oktober houdt de Raad zijn zittingen in Luxemburg.

c) De Commissie heeft haar zetel te Brussel. De in de artikelen 7, 8 en 9 van het besluit van 8 april 1965 genoemde diensten zijn gevestigd in Luxemburg.

d) Het Hof van Justitie en het Gerecht van Eerste Aanleg hebben hun zetel te Luxemburg.

e) De Rekenkamer heeft zijn zetel te Luxemburg.

f) Het Economisch en Sociaal Comité heeft zijn zetel te Brussel.

g) Het Comité van de Regio's heeft zijn zetel te Brussel.

h) De Europese Investeringsbank heeft haar zetel te Luxemburg.

i) Het Europees Monetair Instituut en de Europese Centrale Bank hebben hun zetel te Frankfurt.

j) De Europese Politiedienst (Europol) heeft zijn zetel te Den Haag.

Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

EROP WIJZEND dat controle van de afzonderlijke nationale parlementen op hun eigen regering met betrekking tot de activiteiten van de Unie ressorteert onder de eigen constitutionele inrichting en praktijk van de lidstaten,

GELEID DOOR DE WENS om evenwel een grotere betrokkenheid van de nationale parlementen bij de activiteiten van de Europese Unie te stimuleren en hun betere mogelijkheden te bieden tot uiting van hun zienswijze over aangelegenheden die voor hen van bijzonder belang kunnen zijn,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen worden gehecht:

I. INFORMATIE VOOR DE NATIONALE PARLEMENTEN VAN DE LIDSTATEN

1. Alle discussiedocumenten van de Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) worden met spoed aan de nationale parlementen van de lidstaten toegezonden.

2. Voorstellen van de Commissie voor wetgeving als omschreven door de Raad overeenkomstig artikel 151, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, worden tijdig beschikbaar gesteld, zodat de regering van elke lidstaat ervoor kan zorgen dat het nationale parlement ze voorzover dienstig ontvangt.

3. Er dient een periode van zes weken te verstrijken tussen het ogenblik waarop een wetgevingsvoorstel of een voorstel voor een uit hoofde van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vast te stellen maatregel door de Commissie in alle talen aan het Europees Parlement en de Raad beschikbaar wordt gesteld, en de datum waarop het met het oog op een besluit, hetzij de aanneming van een besluit, hetzij de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt overeenkomstig artikel 189 B of artikel 189 C van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, op de agenda van de Raad wordt geplaatst, behoudens uitzonderingen vanwege de urgentie van de zaak, waarvoor de redenen in het besluit of het gemeenschappelijk standpunt moeten worden aangegeven.

II. CONFERENTIE VAN COMMISSIES VOOR EUROPESE AANGELEGENHEDEN

4. De op 16-17 november 1989 in Parijs ingestelde Conferentie van commissies voor Europese aangelegenheden, hierna COSAC genoemd, kan elke door haar passend geachte bijdrage ter attentie van de instellingen van de Europese Unie leveren, met name op basis van ontwerpwetteksten die de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, gelet op de aard van het onderwerp, bij een in gemeenschappelijk overleg genomen besluit naar COSAC kunnen zenden.

5. COSAC kan elk wetgevingsvoorstel of -initiatief bestuderen dat betrekking heeft op de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en dat rechtstreeks van invloed zou kunnen zijn op de individuele rechten en vrijheden. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie worden op de hoogte gebracht van alle bijdragen die op grond van dit punt door COSAC worden geleverd.

6. COSAC mag tot het Europees Parlement, de Raad en de Commissie elke door haar passend geachte bijdrage richten inzake de wetgevende werkzaamheden van de Unie, meer bepaald wat betreft de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en vraagstukken in verband met grondrechten.

7. De bijdragen van COSAC zijn geenszins bindend voor de nationale parlementen en laten hun standpunt onverlet.

SLOTAKTE

De CONFERENTIE VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN, op negenentwintig maart negentienhonderd zesennegentig te Turijn bijeengeroepen om in onderlinge overeenstemming de wijzigingen vast te stellen die moeten worden aangebracht in het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van onderscheidenlijk de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en sommige bijbehorende akten, hebben de volgende teksten vastgesteld.

I. Het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten.

II. Protocollen

A. Protocol gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie:

1. Protocol inzake artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

B. Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap:

2. Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

3. Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland

4. Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

5. Protocol betreffende de positie van Denemarken

C. Protocollen gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap:

6. Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

7. Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

8. Protocol betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen

9. Protocol betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten

10. Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren

D. Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie:

11. Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

12. Protocol betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde organen en diensten van de Europese Gemeenschappen en van Europol

13. Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie

III. Verklaringen

De Conferentie heeft de volgende verklaringen aanvaard die aan deze Slotakte zijn gehecht:

1. Verklaring betreffende de afschaffing van de doodstraf

2. Verklaring inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Unie en de West-Europese Unie

3. Verklaring betreffende de West-Europese Unie

4. Verklaring ad de artikelen J.14 en K.10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

5. Verklaring ad artikel J.15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

6. Verklaringen betreffende de oprichting van een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing

7. Verklaring ad artikel K.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

8. Verklaring ad artikel K.3, onder e), van het Verdrag betreffende de Europese Unie

9. Verklaring ad artikel K.6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

10. Verklaring ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

11. Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

12. Verklaring betreffende milieu-effectbeoordeling

13. Verklaring ad artikel 7 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

14. Verklaring betreffende het schrappen van artikel 44 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

15. Verklaring inzake de handhaving van het door het Schengen-acquis geboden beschermings- en veiligheidsniveau

16. Verklaring ad artikel 73 J, punt 2, onder b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

17. Verklaring ad artikel 73 K van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

18. Verklaring ad artikel 73 K, punt 3, onder a), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

19. Verklaring ad artikel 73 L, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

20. Verklaring ad artikel 73 M van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

21. Verklaring ad artikel 73 O van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

22. Verklaring betreffende personen met een handicap

23. Verklaring inzake de stimuleringsmaatregelen bedoeld in artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

24. Verklaring ad artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

25. Verklaring ad artikel 118 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

26. Verklaring ad artikel 118, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

27. Verklaring ad artikel 118 B, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

28. Verklaring ad artikel 119, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

29. Verklaring betreffende sport

30. Verklaring betreffende insulaire regio's

31. Verklaring betreffende het besluit van de Raad van 13 juli 1987

32. Verklaring betreffende de organisatie en de werking van de Commissie

33. Verklaring ad artikel 188 C, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

34. Verklaring inzake de inachtneming van de termijnen in de medebeslissingsprocedure

35. Verklaring ad artikel 191 A, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

36. Verklaring inzake de Landen en Gebieden Overzee

37. Verklaring betreffende openbare kredietinstellingen in Duitsland

38. Verklaring betreffende vrijwilligerswerk

39. Verklaring inzake de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving.

40. Verklaring betreffende de procedure voor het sluiten van internationale overeenkomsten door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

41. Verklaring betreffende de bepalingen inzake transparentie, toegang tot documenten en fraudebestrijding

42. Verklaring betreffende de consolidatie van de Verdragen.

43. Verklaring aangaande het Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

44. Verklaring ad artikel 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

45. Verklaring ad artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

46. Verklaring ad artikel 5 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

47. Verklaring ad artikel 6 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

48. Verklaring betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

49. Verklaring betreffende punt d) van het enig artikel van het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

50. Verklaring betreffende het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie.

51. Verklaring ad artikel 10 van het Verdrag van Amsterdam.

De Conferentie heeft tevens akte genomen van de volgende verklaringen die aan deze Slotakte zijn gehecht:

1. Verklaring van Oostenrijk en Luxemburg betreffende kredietinstellingen

2. Verklaring van Denemarken betreffende artikel K.14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

3. Verklaring van Duitsland, Oostenrijk en België betreffende subsidiariteit

4. Verklaring van Ierland artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

5. Verklaring van België betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

6. Verklaring van België, Frankrijk en Italië inzake het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

7. Verklaring van Frankrijk betreffende de situatie van de Landen en Gebieden Overzee ten aanzien van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

8. Verklaring van Griekenland aangaande de Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties.

Tot slot is de Conferentie overeengekomen om de tekst van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de tekst van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals deze voortvloeien uit de wijzigingen die door de Conferentie zijn aangebracht, ter illustratie aan deze Slotakte te hechten.

Hecho en Amsterdam, el dos de octubre de mil novecientos noventa y siete.

Udfærdiget i Amsterdam, den anden oktober nittenhundrede og syvoghalvfems.

Geschehen zu Amsterdam am zweiten Oktober neunzehnhundertsiebenundneunzig.

Έγινε στο Άμστερνταμ, στις δύο Οκτωβρίου του έτους χίλια εννιακόσια ενενήντα επτά.

Done at Amsterdam this second day of October in the year one thousand nine hundred and ninety-seven.

Fait à Amsterdam, le deux octobre de l'an mil neuf cent quatre-vingt-dix-sept.

Arna dhéanamh in Amstardam ar an dara lá de Dheireadh Fómhair sa bhliain míle naoi gcéad nócha a seacht.

Fatto ad Amsterdam, addì due ottobre millenovecentonovantasette.

Gedaan te Amsterdam, de tweede oktober negentienhonderd zevenennegentig.

Feito em Amesterdão, em dois de Outubro de mil novecentos e noventa e sete.

Tehty Amsterdamissa 2 päivänä lokakuuta vuonna tuhatyhdeksänsataayhdeksänkymmentäseitsemän.

Utfärdat i Amsterdam den andra oktober år nittonhundranittiosju.

Pour Sa Majesté le Roi des Belges

Voor Zijne Majesteit de Koning der Belgen

Für Seine Majestät den König der Belgier

***IMAGE***

Cette signature engage également la Communauté française, la Communauté flamande, la Communauté germanophone, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Deutschsprachige Gemeinschaft, die Flämische Gemeinschaft, die Französische Gemeinschaft, die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel-Hauptstadt.

For Hendes Majestæt Danmarks Dronning

***IMAGE***

Für den Präsidenten der Bundesrepublik Deutschland

***IMAGE***

Για τον Πρόεδρο της Ελληνικής Δημοκρατίας

***IMAGE***

Por Su Majestad el Rey de España

***IMAGE***

Pour le Président de la République française

***IMAGE***

Thar ceann an Choimisiúin arna údarú le hAirteagal 14 de Bhunreacht na hÉireann chun cumhachtaí agus feidhmeanna Uachtarán na hÉireann a oibriú agus a chomhlíonadh

For the Commission authorised by Article 14 of the Constitution of Ireland to exercise and perform the powers and functions of the President of Ireland

***IMAGE***

Per il Presidente della Repubblica italiana

***IMAGE***

Pour Son Altesse Royale le Grand-Duc de Luxembourg

***IMAGE***

Voor Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

***IMAGE***

Für den Bundespräsidenten der Republik Österreich

***IMAGE***

Pelo Presidente da República Portuguesa

***IMAGE***

Suomen Tasavallan Presidentin puolesta

För Republiken Finlands President

***IMAGE***

För Hans Majestät Konungen av Sverige

***IMAGE***

For Her Majesty the Queen of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

***IMAGE***

VERKLARINGEN AANVAARD DOOR DE CONFERENTIE

1. Verklaring betreffende de afschaffing van de doodstraf

Onder verwijzing naar artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie herinnert de Conferentie eraan dat Protocol nr. 6 bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat door een grote meerderheid van de lidstaten is ondertekend en geratificeerd, in de afschaffing van de doodstraf voorziet.

In dit verband merkt de Conferentie op dat de doodstraf sinds de ondertekening van bovengenoemd protocol op 28 april 1983 in de meeste lidstaten van de Unie is afgeschaft en in geen enkele lidstaat is toegepast.

2. Verklaring inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Unie en de West-Europese Unie

Met het oog op intensievere samenwerking tussen de Europese Unie en de West-Europese Unie verzoekt de Conferentie de Raad te streven naar spoedige aanneming van een passende regeling voor het veiligheidsonderzoek ten aanzien van het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad.

3. Verklaring betreffende de West-Europese Unie

De Conferentie neemt nota van de volgende Verklaring die op 22 juli 1997 werd aangenomen door de Raad van Ministers van de West-Europese Unie:

_~VERKLARING VAN DE WEST-EUROPESE UNIE OVER DE ROL VAN DE WEST-EUROPESE UNIE EN HAAR BETREKKINGEN MET DE EUROPESE UNIE EN HET ATLANTISCH BONDGENOOTSCHAP

(Vertaling)

INLEIDING

1. De lidstaten van de West-Europese Unie (WEU) hebben het in 1991 in Maastricht noodzakelijk geacht een echte Europese veiligheids- en defensie-identiteit (EVDI) te creëren en een grotere Europese verantwoordelijkheid inzake defensieaangelegenheden op zich te nemen. Rekening houdend met het Verdrag van Amsterdam bevestigen zij opnieuw dat deze inspanning moet worden voortgezet en opgevoerd. De WEU is een integrerend deel van de ontwikkeling van de Europese Unie (EU); zij verschaft de Unie met name in de context van de opdrachten van Petersberg toegang tot een operationele capaciteit en is een essentieel bestanddeel van de ontwikkeling van de EVDI binnen het Atlantisch Bondgenootschap overeenkomstig de verklaring van Parijs en de besluiten die de Ministers van de NAVO in Berlijn hebben genomen.

2. De WEU-Raad verenigt thans alle lidstaten van de Europese Unie en alle Europese leden van het Atlantisch Bondgenootschap volgens hun onderscheiden status. De Raad verenigt tevens voornoemde staten en de staten van Midden- en Oost-Europa die door een associatieovereenkomst met de Europese Unie zijn verbonden en die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie en het Atlantisch Bondgenootschap. De WEU doet zich op die wijze gelden als een echt kader voor dialoog en samenwerking tussen de Europeanen over aangelegenheden die verband houden met veiligheid en defensie in de ruime zin.

3. In die context neemt de WEU nota van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, inzonderheid de artikelen J.3, lid 1, en J.7 en van het Protocol inzake artikel J.7, welke als volgt luiden:

Artikel J.3, lid 1

_~1. De Europese Raad stelt de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, onder meer voor aangelegenheden met gevolgen op defensiegebied.”

Artikel J.7

_~1. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid omvat alle aangelegenheden die betrekking hebben op de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, overeenkomstig lid 2, dat tot een gemeenschappelijke defensie kan leiden indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

De West-Europese Unie (WEU) maakt een integrerend deel uit van de ontwikkeling van de Unie en verschaft de Unie met name in de context van lid 2 toegang tot een operationele capaciteit. De WEU ondersteunt de Unie bij het bepalen van de defensieaspecten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als aangegeven in dit artikel. De Unie bevordert bijgevolg hechtere institutionele betrekkingen met de WEU met het oog op de mogelijkheid de WEU in de Unie te integreren, indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten, waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), en is verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid.

De geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid wordt, wanneer de lidstaten dat passend achten, ondersteund door hun samenwerking op bewapeningsgebied.

2. De in dit artikel bedoelde aangelegenheden omvatten humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede.

3. De Unie zal gebruik maken van de WEU om de besluiten en maatregelen van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, uit te werken en uit te voeren.

De bevoegdheid van de Europese Raad om overeenkomstig artikel J.3 richtsnoeren vast te stellen geldt ook ten aanzien van de WEU in aangelegenheden waarvoor de Unie gebruik maakt van de WEU.

Wanneer de Unie gebruik maakt van de WEU voor de uitwerking en uitvoering van besluiten van de Unie betreffende de in lid 2 genoemde opdrachten, zijn alle lidstaten van de Unie gerechtigd om ten volle deel te nemen aan die opdrachten. De Raad stelt in overeenstemming met de instellingen van de WEU de noodzakelijke praktische regelingen vast om alle lidstaten die bijdragen aan de betrokken opdrachten, in staat te stellen ten volle en op voet van gelijkheid deel te nemen aan de planning en besluitvorming in de WEU.

Onder dit lid vallende besluiten welke gevolgen hebben op defensiegebied worden genomen onverminderd het beleid en de verplichtingen bedoeld in lid 1, derde alinea.

4. Het bepaalde in dit artikel vormt geen beletsel voor de ontwikkeling van nauwere samenwerking op bilateraal niveau tussen twee of meer lidstaten, in het kader van de WEU en van het Atlantisch Bondgenootschap, mits die samenwerking niet indruist tegen en geen belemmering vormt voor de in deze titel beoogde samenwerking.

5. Ter bevordering van de doelstellingen van dit artikel wordt het bepaalde in dit artikel overeenkomstig artikel N herzien.”

Protocol inzake artikel J.7

_~DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

INDACHTIG DE NOODZAAK om de bepalingen van artikel J.7, lid 1, tweede alinea, en lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie volledig uit te voeren,

INDACHTIG HET FEIT dat het beleid van de Unie overeenkomstig artikel J.7 het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat, de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten, waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), eerbiedigt en verenigbaar is met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid.

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt gehecht:

De Europese Unie ontwikkelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam samen met de West-Europese Unie regelingen voor intensievere onderlinge samenwerking.”

A. BETREKKINGEN VAN DE WEU MET DE EUROPESE UNIE: BEGELEIDING VAN DE UITVOERING VAN HET VERDRAG VAN AMSTERDAM

4. In de _~Verklaring over de rol van de West-Europese Unie en haar betrekkingen met de Europese Unie en het Atlantisch Bondgenootschap” van 10 december 1991 hadden de lidstaten van de WEU zich ten doel gesteld _~de WEU in fasen op te bouwen tot de defensiecomponent van de Europese Unie”. Zij bevestigen thans deze ambitie, zoals die door het Verdrag van Amsterdam wordt ontwikkeld.

5. Wanneer de Unie gebruik maakt van de WEU, zal laatstgenoemde de besluiten en maatregelen van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, uitwerken en uitvoeren.

Bij de uitwerking en uitvoering van de besluiten en maatregelen van de EU waarvoor de Unie gebruik maakt van de WEU, handelt laatstgenoemde overeenkomstig de door de Europese Raad vastgestelde richtsnoeren.

De WEU staat de Europese Unie terzijde bij het bepalen van de aspecten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid die betrekking hebben op defensie, zoals die zijn omschreven in artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

6. De WEU bevestigt dat wanneer de Europese Unie voor de uitwerking en uitvoering van de besluiten van de Unie betreffende de in artikel J.7, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde opdrachten gebruik maakt van de WEU, alle lidstaten van de Unie gerechtigd zijn om ten volle aan die opdrachten deel te nemen, overeenkomstig artikel J.7, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

De WEU ontwikkelt de rol van de waarnemers van de WEU overeenkomstig artikel J.7, lid 3, en stelt de nodige praktische regelingen vast om alle lidstaten van de EU die bijdragen aan de opdrachten die de WEU op verzoek van de EU uitvoert, in staat te stellen ten volle en op voet van gelijkheid deel te nemen aan de planning en besluitvorming in de WEU.

7. Overeenkomstig het Protocol inzake artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie werkt de WEU in samenwerking met de Europese Unie regelingen uit ter versterking van de samenwerking tussen beide organisaties. Daartoe kan een aantal maatregelen, waarvan sommige reeds door de WEU worden bestudeerd, met onmiddellijke ingang ten uitvoer worden gelegd, namelijk:

- regelingen voor een betere coördinatie van overleg en besluitvorming in elk van de organisaties, met name in crisissituaties;

- gezamenlijke vergaderingen van de bevoegde organen van beide organisaties;

- voorzover mogelijk, harmonisatie van de volgorde van de voorzitterschappen van de WEU en de EU, alsmede van de administratieve regels en gebruiken van beide organisaties;

- nauwe coördinatie van de activiteiten van de diensten van het secretariaat-generaal van de WEU en van het secretariaat-generaal van de EU, met inbegrip van de detachering van personeelsleden;

- uitwerking van regelingen zodat de bevoegde organen van de EU, met inbegrip van de eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing, gebruik kunnen maken van de planninggroep, het situatiecentrum en het satellietcentrum van de WEU;

- samenwerking op het gebied van bewapening, voorzover nodig, in het kader van de West-Europese Bewapeningsgroep (WEAG) als Europese instantie voor samenwerking op het gebied van bewapening, van de EU en de WEU, tegen de achtergrond van de rationalisatie van de Europese bewapeningsmarkt en van de oprichting van een Europees Bureau voor Bewapening;

- praktische regelingen om een samenwerking met de Europese Commissie te waarborgen, welke een afspiegeling zijn van de rol die haar in het Verdrag van Amsterdam in het kader van het GBVB is toegemeten;

- verbetering van de regelingen met de Europese Unie inzake veiligheid.

B. BETREKKINGEN TUSSEN DE WEU EN DE NAVO IN HET KADER VAN DE ONTWIKKELING VAN EEN EVDI BINNEN HET ATLANTISCH BONDGENOOTSCHAP

8. Het Atlantisch Bondgenootschap blijft de basis voor een collectieve defensie uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag. Het blijft fungeren als voornaamste forum voor overleg tussen zijn leden en als plaats voor het maken van beleidsafspraken die van invloed zijn op de veiligheids- en defensieverplichtingen van de bondgenoten uit hoofde van het Verdrag van Washington. Het Bondgenootschap heeft een aanvang gemaakt met een proces van aanpassing en hervorming teneinde al zijn opdrachten doeltreffender te kunnen uitvoeren. Dit proces is gericht op de versterking en vernieuwing van het transatlantisch partnerschap, met inbegrip van de totstandbrenging van een EVDI binnen het Bondgenootschap.

9. De WEU maakt een wezenlijk deel uit van de ontwikkeling van de Europese veiligheids- en defensieidentiteitdefensie-identiteit binnen het Atlantisch Bondgenootschap en blijft derhalve streven naar de versterking van haar institutionele en concrete samenwerking met de NAVO.

10. De WEU steunt de gemeenschappelijke defensie in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag van Washington en artikel V van het gewijzigde Verdrag van Brussel en speelt een actieve rol bij het voorkomen van conflicten en het beheer van crises, zoals is bepaald in de Verklaring van Petersberg. In dat kader verbindt de WEU zich ertoe ten volle de rol te spelen die haar toekomt, met eerbiediging van volledige doorzichtigheid en van de onderlinge complementariteit van beide organisaties.

11. De WEU bevestigt dat deze identiteit gegrond zal zijn op gezonde militaire beginselen en ondersteund zal worden door de nodige militaire planning en dat zij de oprichting zal mogelijk maken van coherente en doeltreffende strijdkrachten, die onder haar politieke controle en strategische leiding kunnen fungeren.

12. Daartoe zal de WEU haar samenwerking met de NAVO ontwikkelen, met name op de volgende gebieden:

- regelingen voor overleg tussen WEU en NAVO in de context van een crisis;

- actieve deelneming van de WEU aan de defensieplanning van de NAVO;

- operationele verbindingen tussen WEU en NAVO voor planning, voorbereiding en uitvoering van operaties waarbij middelen en capaciteit van de NAVO worden ingezet, onder de politieke controle en de strategische leiding van de WEU, inzonderheid:

- militaire planning, in coördinatie met de WEU uitgevoerd door de NAVO, en oefeningen;

- opstelling van een kaderovereenkomst over het overdragen, volgen en teruggeven van middelen en capaciteit van de NAVO;

- verbindingen tussen WEU en NAVO op het gebied van de Europese regelingen inzake bevelvoering.

Deze samenwerking zal verder worden ontwikkeld, rekening houdend met inzonderheid de aanpassing van het Bondgenootschap.

C. OPERATIONELE ROL VAN DE WEU BIJ DE ONTWIKKELING VAN DE EVDI

13. De WEU zal haar rol als Europees politiek-militair orgaan voor crisisbeheer tot ontwikkeling brengen door gebruik te maken van de middelen en de capaciteit die de WEU-landen haar op nationale of multinationale basis ter beschikking stellen en, in voorkomend geval, van de middelen en de capaciteit van de NAVO overeenkomstig de regelingen die thans bestudeerd worden. In die context zal de WEU ook de Verenigde Naties en de OVSE steunen bij hun activiteiten op het gebied van crisisbeheer.

De WEU zal in het kader van artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bijdragen tot de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid en toezien op de concrete uitvoering ervan door haar eigen operationele rol nadrukkelijker te ontwikkelen.

14. Daartoe zet de WEU haar werkzaamheden voort op de volgende gebieden:

- De WEU heeft regelingen en procedures ontwikkeld op het gebied van crisisbeheer, die zullen worden bijgewerkt naarmate de ervaring toeneemt die de WEU opdoet in oefeningen en operaties. De uitvoering van de Petersberg-opdrachten vergt een flexibel optreden dat is aangepast aan de diversiteit van de crisissituaties, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de beschikbare capaciteit, ook door een beroep te doen op een nationaal hoofdkwartier dat eventueel door een kadernatie ter beschikking wordt gesteld, een multinationaal hoofdkwartier dat onder de WEU ressorteert, of middelen en capaciteit van de NAVO.

- De WEU heeft reeds de _~Voorbereidende conclusies inzake het bepalen van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid” opgesteld, welke een eerste bijdrage vormen over de doelstellingen, de draagwijdte en de middelen van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid.

De WEU zal deze werkzaamheden voortzetten en daarbij met name uitgaan van de Verklaring van Parijs en rekening houden met de desbetreffende punten van de besluiten van de topontmoetingen en de ministeriële vergaderingen van de WEU en de NAVO sedert de bijeenkomst van Birmingham. Zij zal zich meer bepaald op de volgende gebieden toeleggen:

- bepaling van de beginselen voor het gebruik van de strijdkrachten van de WEU-staten voor WEU-operaties van het Petersberg-type ter ondersteuning van de gemeenschappelijke belangen van de Europeanen inzake veiligheid;

- organisatie van operationele middelen voor Petersberg-opdrachten, zoals de opstelling van algemene en specifieke plannen en de training, voorbereiding en interoperabiliteit van de strijdkrachten, met inbegrip van deelneming van de WEU aan de defensieplanning van de NAVO, voorzover zulks vereist is;

- strategische mobiliteit op basis van haar lopende werkzaamheden;

- inlichtingen op defensiegebied via haar planninggroep, situatiecentrum en satellietcentrum.

- De WEU heeft tal van maatregelen genomen om haar operationele rol te versterken (planninggroep, situatiecentrum, satellietcentrum). De verbeterde werking van de militaire componenten van de WEU-zetel en de instelling, onder de verantwoordelijkheid van de Raad, van een militair comité zullen een nieuwe versterking vormen van structuren die belangrijk zijn voor het welslagen van de voorbereiding en uitvoering van de WEU-operaties.

- Teneinde de deelneming aan al haar operaties open te stellen voor de geassocieerde en de waarnemende leden zal de WEU tevens nagaan hoe deze geassocieerde en waarnemende leden in overeenstemming met hun status ten volle aan alle operaties van de WEU kunnen deelnemen.

- De WEU herinnert eraan dat de geassocieerde leden op voet van gelijkheid met de gewone leden deelnemen aan de operaties waartoe zij bijdragen, alsmede aan de oefeningen en de ermee samenhangende planning. De WEU zal voorts het vraagstuk bestuderen van de zo volwaardig mogelijke deelneming van de waarnemende leden, in overeenstemming met hun status, aan de planning en besluitvorming binnen de WEU voor alle operaties waartoe zij bijdragen.

- De WEU zal in voorkomend geval in overleg met de bevoegde instanties de mogelijkheid van een maximale deelneming van de geassocieerde en de waarnemende leden aan haar activiteiten bestuderen, in overeenstemming met hun status. Zij zal inzonderheid de activiteiten op het gebied van bewapening, de ruimte en militaire studies behandelen.

- De WEU zal bezien hoe zij de deelneming van de geassocieerde partners aan een toenemend aantal activiteiten kan intensiveren.”

4. Verklaring ad de artikelen J.14 en K.10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De bepalingen van artikel J.14 en artikel K.10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en daaruit voortvloeiende overeenkomsten houden geen overdracht van bevoegdheid van de lidstaten aan de Europese Unie in.

5. Verklaring ad artikel J.15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie komt overeen dat de lidstaten ervoor zullen zorgen dat het in artikel J.15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde politiek comité te allen tijde, in geval van internationale crises of andere dringende aangelegenheden, op zeer korte termijn kan bijeenkomen op het niveau van de directeuren politieke zaken of hun plaatsvervangers.

6. Verklaring betreffende de oprichting van een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing

De Conferentie komt het volgende overeen:

1. Bij het Secretariaat-Generaal van de Raad wordt onder de verantwoordelijkheid van de Secretaris-generaal, Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing opgericht. Met de Commissie vindt passende samenwerking plaats om volledige coherentie met het externe economische beleid en het ontwikkelingsbeleid van de Unie te verzekeren.

2. De eenheid heeft onder meer de volgende taken:

a) het volgen en analyseren van ontwikkelingen op gebieden die relevant zijn voor het GBVB;

b) het evalueren van de belangen van de Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid en het aanwijzen van gebieden waarop het GBVB in de toekomst kan worden geconcentreerd;

c) het tijdig evalueren van en vroegtijdig waarschuwen voor gebeurtenissen of situaties die belangrijke repercussies kunnen hebben voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, met inbegrip van potentiële politieke crisissen;

d) het op verzoek van de Raad of het voorzitterschap dan wel op eigen initiatief opstellen van documenten waarin beleidsmogelijkheden worden toegelicht, die onder de verantwoordelijkheid van het voorzitterschap worden voorgelegd als bijdrage tot de beleidsvorming in de Raad, en die analyses, aanbevelingen en strategieën voor het GBVB kunnen bevatten.

3. Het personeel van de eenheid is afkomstig van het Secretariaat-Generaal, de lidstaten, de Commissie en de WEU.

4. Elke lidstaat of de Commissie kan aan de eenheid suggesties doen voor te verrichten werkzaamheden.

5. De lidstaten en de Commissie ondersteunen de beleidsplanning door zoveel mogelijk relevante informatie, waaronder vertrouwelijke informatie, ter beschikking te stellen.

7. Verklaring ad artikel K.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

Optreden op het gebied van politiële samenwerking uit hoofde van artikel K.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met inbegrip van activiteiten van Europol, is onderworpen aan passend gerechtelijk toezicht door de bevoegde nationale autoriteiten in overeenstemming met de in de afzonderlijke lidstaten geldende voorschriften.

8. Verklaring ad artikel K.3, onder e), van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie komt overeen dat de bepalingen van artikel K.3, onder e), van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet tot gevolg mogen hebben dat een lidstaat waarvan het rechtssysteem niet in minimumstraffen voorziet, verplicht wordt deze aan te nemen.

9. Verklaring ad artikel K.6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie komt overeen dat initiatieven voor maatregelen genoemd in artikel K.6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en uit hoofde daarvan door de Raad aangenomen besluiten worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, in overeenstemming met de reglementen van orde van de Raad en de Commissie.

10. Verklaring ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie neemt er akte van dat de lidstaten zich bij het afleggen van een verklaring overeenkomstig artikel K.7, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie het recht kunnen voorbehouden in hun nationale recht te bepalen, dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag die in een bij die instantie aanhangige zaak wordt opgeworpen in verband met de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in artikel K.7, lid 1, voor te leggen aan het Hof van Justitie.

11. Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

De Europese Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben.

De Europese Unie eerbiedigt evenzeer de status van levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties.

12. Verklaring betreffende milieu-effectbeoordeling

De Conferentie neemt er nota van dat de Commissie zich ertoe verbindt om bij voorstellen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een milieu-effectbeoordeling op te stellen.

13. Verklaring ad artikel 7 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De bepalingen van artikel 7 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap over openbare diensten worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, onder meer wat de beginselen van gelijke behandeling, kwaliteit en continuïteit van deze diensten betreft.

14. Verklaring betreffende het schrappen van artikel 44 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Het schrappen van artikel 44 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap waarin wordt verwezen naar het beginsel van de natuurlijke preferentie tussen lidstaten in het kader van de vaststelling van minimumprijzen gedurende de overgangsperiode, heeft geen enkel effect op het beginsel van de communautaire preferentie zoals dat door de jurisprudentie van het Hof van Justitie is gedefinieerd.

15. Verklaring inzake de handhaving van het door het Schengen-acquis geboden beschermings- en veiligheidsniveau

De Conferentie komt overeen dat de door de Raad aan te nemen maatregelen ter vervanging van de bepalingen inzake de afschaffing van controles aan de binnengrenzen in de Schengen-Overeenkomst van 1990 ten minste hetzelfde niveau van bescherming en veiligheid moeten bieden als voornoemde bepalingen van de Schengen-Overeenkomst.

16. Verklaring ad artikel 73 J, punt 2, onder b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat overwegingen van de Unie en de lidstaten op het gebied van buitenlands beleid bij de toepassing van artikel 73 J, punt 2, onder b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap in aanmerking moeten worden genomen.

17. Verklaring ad artikel 73 K van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Voor kwesties die verband houden met het asielbeleid, wordt overleg gevoerd met de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en andere terzake bevoegde internationale organisaties.

18. Verklaring ad artikel 73 K, punt 3, onder a), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat de lidstaten met derde landen onderhandelingen kunnen voeren en overeenkomsten kunnen sluiten over aangelegenheden die onder artikel 73 K, punt 3, onder a), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, mits deze overeenkomsten stroken met het Gemeenschapsrecht.

19. Verklaring ad artikel 73 L, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat de lidstaten overwegingen op het gebied van buitenlands beleid in aanmerking kunnen nemen bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden uit hoofde van artikel 73 L, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

20. Verklaring ad artikel 73 M van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De uit hoofde van artikel 73 M van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen maatregelen laten de toepassing door een lidstaat van zijn grondwettelijke bepalingen betreffende persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in andere media onverlet.

21. Verklaring ad artikel 73 O van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat de Raad voor het einde van de in artikel 73 O van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde periode van vijf jaar de elementen van het in artikel 73 O, lid 2, tweede streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde besluit zal onderzoeken om dit besluit onmiddellijk na het verstrijken van deze periode te nemen en toe te passen.

22. Verklaring betreffende personen met een handicap

De Conferentie komt overeen dat de instellingen van de Gemeenschap bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 100 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap rekening houden met de behoeften van personen met een handicap.

23. Verklaring inzake de stimuleringsmaatregelen bedoeld in artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat in de in artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde stimuleringsmaatregelen altijd moeten worden aangegeven:

- de redenen voor de maatregelen, gebaseerd op een objectieve beoordeling van de noodzaak ervan en van het bestaan van een communautaire meerwaarde;

- de duur van de maatregelen, die niet meer dan vijf jaar mag bedragen;

- het maximumbedrag voor de financiering, waaruit het stimulerende karakter van dergelijke maatregelen moet blijken.

24. Verklaring ad artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Overeengekomen wordt dat eventuele uitgaven uit hoofde van artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap onder rubriek 3 van de financiële vooruitzichten vallen.

25. Verklaring ad artikel 118 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Overeengekomen wordt dat eventuele uitgaven uit hoofde van artikel 118 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap onder rubriek 3 van de financiële vooruitzichten vallen.

26. Verklaring ad artikel 118, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Hoge Verdragsluitende Partijen nemen er akte van dat in de besprekingen over artikel 118, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap werd overeengekomen dat de Gemeenschap niet voornemens is om, wanneer zij minimumvoorschriften voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers vaststelt, de werknemers in kleine en middelgrote ondernemingen te discrimineren op een manier die niet door de omstandigheden wordt gerechtvaardigd.

27. Verklaring ad artikel 118 B, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Hoge Verdragsluitende Partijen verklaren dat de eerste regeling voor de toepassing van de overeenkomsten tussen de sociale partners op gemeenschapsniveau - bedoeld in artikel 118 B, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap - erin zal bestaan de inhoud van de overeenkomsten uit te werken in collectieve onderhandelingen volgens de regels van iedere lidstaat, en dat die regeling derhalve voor de lidstaten niet de verplichting inhoudt de overeenkomsten rechtstreeks toe te passen of regels op te stellen voor de omzetting ervan, en evenmin een verplichting de geldende nationale wetgeving aan te passen om de uitvoering van die overeenkomsten te vergemakkelijken.

28. Verklaring ad artikel 119, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Bij het aannemen van maatregelen als bedoeld in artikel 119, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dienen de lidstaten in de eerste plaats te streven naar verbetering van de situatie van vrouwen in het beroepsleven.

29. Verklaring betreffende sport

De Conferentie benadrukt de maatschappelijke betekenis van sport, met name de rol die sport vervult bij het smeden van een identiteit en van saamhorigheid. De Conferentie verzoekt de organen van de Europese Unie daarom gehoor te geven aan sportorganisaties wanneer belangrijke vraagstukken in verband met sport aan de orde zijn. In dit verband zou bijzondere aandacht moeten worden geschonken aan de specifieke kenmerken van amateursport.

30. Verklaring betreffende insulaire regio's

De Conferentie erkent dat insulaire regio's lijden onder structurele handicaps die verband houden met hun insulaire status, welke door hun blijvend karakter de economische en sociale ontwikkeling van deze regio's nadelig beïnvloeden.

De Conferentie erkent dan ook dat in de communautaire wetgeving rekening moet worden gehouden met deze handicaps en dat bijzondere maatregelen ten gunste van deze regio's kunnen worden genomen, indien dat gerechtvaardigd is, om hen beter en onder eerlijke voorwaarden in de interne markt te integreren.

31. Verklaring betreffende het besluit van de Raad van 13 juli 1987

De Conferentie roept de Commissie op uiterlijk eind 1998 een voorstel bij de Raad in te dienen tot wijziging van het besluit van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.

32. Verklaring betreffende de organisatie en de werking van de Commissie

De Conferentie neemt er nota van dat de Commissie voornemens is voorbereidingen te treffen om haar takenpakket tijdig voor de in 2000 aantredende Commissie te reorganiseren, om ervoor te zorgen dat er een optimale verdeling is tussen conventionele portefeuilles en specifieke taken.

In dit verband is zij van mening dat de voorzitter van de Commissie een ruime discretionaire bevoegdheid moet hebben inzake de toewijzing van taken binnen de Commissie en de eventuele herverdeling van die taken tijdens een Commissiemandaat.

De Conferentie neemt er tevens nota van dat de Commissie voornemens is tegelijkertijd haar departementen dienovereenkomstig te reorganiseren. Zij neemt met name nota van de wenselijkheid externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van een vice-voorzitter te brengen.

33. Verklaring ad artikel 188 C, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie verzoekt de Rekenkamer, de Europese Investeringsbank en de Commissie om het huidige Tripartiete Akkoord van kracht te laten blijven. Indien een der partijen een nieuwe of gewijzigde tekst wenst, zal getracht worden overeenstemming over een dergelijke tekst te bereiken met inachtneming van de belangen van elke betrokken partij.

34. Verklaring inzake de inachtneming van de termijnen in de medebeslissingsprocedure

De Conferentie roept het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat de medebeslissingsprocedure zo snel mogelijk verloopt. Zij wijst erop dat het belangrijk is dat de in artikel 189 B van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgelegde termijnen strikt in acht worden genomen en bevestigt dat een beroep op de in lid 7 geboden mogelijkheid om de betrokken termijnen te verlengen alleen mag worden overwogen wanneer zulks strikt noodzakelijk is. In geen geval mogen er tussen de tweede lezing door het Europees Parlement en de conclusie van het bemiddelingscomité meer dan negen maanden verlopen.

35. Verklaring ad artikel 191 A, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat de in artikel 191 A, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde beginselen en voorwaarden het een lidstaat mogelijk maken de Commissie of de Raad te verzoeken een uit die lidstaat afkomstig document niet zonder zijn voorafgaande toestemming aan derden door te geven.

36. Verklaring inzake de landen en gebieden overzee

De Conferentie erkent dat de bijzondere associatieregeling voor de landen en gebieden overzee (LGO) overeenkomstig het vierde deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoeld was voor landen en gebieden die groot waren in aantal, oppervlakte en bevolking. Aan die regeling is sinds 1957 weinig veranderd.

De Conferentie merkt op dat er nog maar 20 LGO zijn, uiterst verspreid gelegen insulaire gebieden met in totaal ongeveer 900 000 inwoners. Voorts hebben de meeste LGO te kampen met grote structurele achterstand wegens ernstige geografische en economische handicaps. Daarom is de bijzondere associatieregeling zoals die in 1957 opgezet is, niet meer geschikt om de ontwikkelingseisen van de LGO op een doeltreffende wijze aan te pakken.

De Conferentie herhaalt plechtig dat het doel van de associatie bestaat in het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling der landen en gebieden en de totstandbrenging van nauwe economische betrekkingen tussen hen en de Gemeenschap in haar geheel.

De Conferentie verzoekt de Raad om de associatieregeling overeenkomstig artikel 136 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te herzien tegen februari 2000, met een vierledig oogmerk:

- de economische en sociale ontwikkeling van de LGO doeltreffender te bevorderen,

- de economische betrekkingen tussen de LGO en de Europese Unie te ontwikkelen,

- meer rekening te houden met de diversiteit en de specifieke kenmerken van de onderscheiden LGO, mede wat de vrijheid van vestiging betreft,

- de doeltreffendheid van het financieel instrument te verbeteren.

37. Verklaring betreffende openbare kredietinstellingen in Duitsland

De Conferentie neemt kennis van de opvatting van de Commissie dat de huidige mededingingsregels van de Gemeenschap het mogelijk maken ten volle rekening te houden met diensten van algemeen economisch belang die worden verricht door de in Duitsland bestaande openbare kredietinstellingen, alsmede met de aan deze instellingen verleende voordelen om de met deze diensten gepaard gaande lasten te compenseren. In dit verband blijft Duitsland derhalve bepalen op welke wijze hij de regionale en lokale entiteiten in staat stelt hun taak - het in hun regio's ter beschikking stellen van een brede en doeltreffende financiële infrastructuur - uit te voeren. Die voordelen mogen de mededinging niet meer belemmeren dan voor de vervulling van deze specifieke taken noodzakelijk is, en mogen de belangen van de Gemeenschap niet schaden.

De Conferentie herinnert eraan dat de Europese Raad de Commissie heeft verzocht na te gaan of in de andere lidstaten vergelijkbare gevallen bestaan, in vergelijkbare gevallen zo nodig dezelfde normen toe te passen en de Raad, in zijn ECOFIN-samenstelling, te informeren.

38. Verklaring betreffende vrijwilligerswerk

De Conferentie erkent dat vrijwilligerswerk in belangrijke mate bijdraagt tot de bevordering van de sociale solidariteit.

De Gemeenschap zal de Europese dimensie van vrijwilligersorganisaties stimuleren, met bijzondere nadruk op de uitwisseling van informatie en ervaringen en op de deelname van jongeren en ouderen aan vrijwilligerswerk.

39. Verklaring inzake de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving

De Conferentie neemt er nota van dat de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving, met het oog op een correcte toepassing door de bevoegde nationale instanties en een beter begrip bij het publiek en het bedrijfsleven, van cruciaal belang is. Zij herinnert aan de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Edinburgh op 11 en 12 december 1992, alsook aan de resolutie van de Raad van 8 juni 1993 betreffende de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 166 van 17. 6. 1993, blz. 1).

De Conferentie is van oordeel dat de drie Instellingen die bij de procedure voor het aannemen van communautaire wetgeving betrokken zijn, namelijk het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, richtsnoeren moeten vastleggen inzake de redactionele kwaliteit van deze wetgeving. Zij benadrukt voorts dat deze wetgeving toegankelijker moet worden gemaakt en verheugt zich in dit verband over de aanneming en eerste toepassing van een versnelde werkmethode voor een officiële codificatie van wetteksten, ingesteld bij het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 102 van 4. 4. 1996, blz. 2).

De Conferentie verklaart dan ook dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het volgende behoren te doen:

- in onderlinge overeenstemming richtsnoeren vaststellen ter verbetering van de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving en van deze richtsnoeren uitgaan bij de behandeling van voorstellen voor communautaire wetgeving of ontwerp-wetgeving en daarbij de interne organisatorische maatregelen te treffen die zij nodig achten voor de correcte toepassing van die richtsnoeren;

- alles in het werk stellen om de codificatie van wetteksten te bespoedigen.

40. Verklaring betreffende de procedure voor het sluiten van internationale overeenkomsten door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

Het schrappen van paragraaf 14 van de aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal gehechte Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen brengt geen wijziging in de bestaande praktijk betreffende de procedure voor het sluiten van internationale overeenkomsten door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

41. Verklaring betreffende de bepalingen inzake transparantie, toegang tot documenten en fraudebestrijding

De Conferentie is van oordeel dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, wanneer zij handelen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese GemeenchapGemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, de in het kader van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap geldende bepalingen inzake transparantie, toegang tot documenten en fraudebestrijding als leidraad moeten nemen.

42. Verklaring betreffende de consolidatie van de Verdragen

De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn overeengekomen dat de tijdens de Intergouvernementele Conferentie aangevatte technische werkzaamheden zo spoedig mogelijk zullen worden voortgezet met het oog op het opstellen van een geconsolideerde versie van alle relevante Verdragen, met inbegrip van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Zij zijn overeengekomen dat het eindresultaat van deze technische werkzaamheden, dat ter illustratie openbaar zal worden gemaakt onder verantwoordelijkheid van de Secretaris-Generaal van de Raad, geen rechtskracht zal hebben.

43. Verklaring aangaande het Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

De Hoge Verdragsluitende Partijen bevestigen enerzijds de Verklaring betreffende de tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht, gehecht aan de Slotakte van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en anderzijds de conclusies van de Europese Raad van Essen, waarin wordt gesteld dat de verantwoordelijkheid voor de administratieve uitvoering van het Gemeenschapsrecht in beginsel bij de lidstaten berust overeenkomstig hun grondwettelijke regelingen. Een en ander laat de toezichthoudende, controlerende en uitvoeringsbevoegdheden van de Instellingen van de Gemeenschap uit hoofde van de artikelen 145 en 155 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap onverlet.

44. Verklaring ad artikel 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen dat de Raad op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam alle in artikel 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie genoemde noodzakelijke maatregelen aanneemt. Daartoe wordt tijdig een aanvang gemaakt met de noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden, zodat deze vóór de beoogde datum zijn voltooid.

45. Verklaring ad artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen verzoeken de Raad het advies van de Commissie te vragen voordat hij een besluit neemt over een verzoek krachtens artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie van Ierland of van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland om aan alle of aan enkele van de bepalingen van het Schengen-acquis deel te nemen. Zij verbinden zich er tevens toe alles in het werk te stellen om het voor Ierland of het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland mogelijk te maken, indien zij dit wensen, gebruik te maken van de bepalingen van artikel 4, zodat de Raad in staat kan zijn bij of na de inwerkingtreding van het Protocol de in dat artikel bedoelde besluiten te nemen.

46. Verklaring ad artikel 5 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe alles in het werk te stellen om een gezamenlijk optreden van alle lidstaten op de gebieden van het Schengen-acquis mogelijk te maken, met name telkens als Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland sommige of alle bepalingen van dat acquis overeenkomstig artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie hebben aanvaard.

47. Verklaring ad artikel 6 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen alles in het werk te stellen opdat de inwerkingtreding van de in artikel 6 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie bedoelde overeenkomsten op dezelfde datum plaatsvindt als de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam.

48. Verklaring betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

Het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie laat het recht van elke lidstaat onverlet om de organisatorische maatregelen te nemen die hij noodzakelijk acht om te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen.

49. Verklaring betreffende punt d) van het enig artikel van het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat zij het belang erkent van de Resolutie van de met immigratiezaken belaste Ministers van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen van 30 november/ 1 december 1992 betreffende duidelijk ongegronde asielverzoeken en van de Resolutie van de Raad van 20 juni 1995 over minimumwaarborgen voor asielprocedures, maar dat het vraagstuk van het misbruik van asielprocedures en passende snelle procedures voor de afhandeling van duidelijk ongegronde asielaanvragen nader dient te worden onderzocht met het oog op de invoering van nieuwe verbeteringen teneinde deze procedures te bespoedigen.

50. Verklaring betreffende het Protocol betreffende de Instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

Overeengekomen is dat het besluit van de Raad van 29 maart 1994 (_~het Ioannina-compromis”) tot de inwerkingtreding van de eerstvolgende uitbreiding wordt verlengd en dat voor die datum een oplossing voor het specifieke geval van Spanje wordt gevonden.

51. Verklaring ad artikel 10 van het Verdrag van Amsterdam

Bij het Verdrag van Amsterdam worden vervallen bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals deze van kracht waren vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, geschrapt en ingetrokken, en sommige van de bepalingen ervan aangepast, waarbij tevens sommige bepalingen van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, worden ingevoegd. Deze bewerkingen laten het acquis communautaire onverlet.

VERKLARINGEN WAARVAN DE CONFERENTIE AKTE HEEFT GENOMEN

1. Verklaring van Oostenrijk en Luxemburg betreffende kredietinstellingen

Oostenrijk en Luxemburg gaan ervan uit dat de verklaring over openbare kredietinstellingen in Duitsland ook van toepassing is op kredietinstellingen in Oostenrijk en Luxemburg met een vergelijkbare organisatiestructuur.

2. Verklaring van Denemarken betreffende artikel K.14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

Volgens artikel K.14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is eenparigheid van stemmen van alle leden van de Raad van de Europese Unie, d.w.z. alle lidstaten, vereist voor de aanneming van besluiten tot toepassing van de bepalingen van titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap betreffende visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen, op optreden op in artikel K.1 bedoelde gebieden. Bovendien moet elk eenparig besluit van de Raad in iedere lidstaat overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen worden goedgekeurd, alvorens het in werking kan treden. In Denemarken is voor die goedkeuring, indien het een overdracht van soevereiniteit als omschreven in de Deense grondwet betreft, hetzij een meerderheid van vijfzesde van de leden van de Folketing, hetzij zowel een meerderheid van de leden van de Folketing als een meerderheid van de stemmen in een referendum vereist.

3. Verklaring van Duitsland, Oostenrijk en België betreffende subsidiariteit

De Duitse, de Oostenrijkse en de Belgische regering gaan er als vanzelfsprekend van uit dat het optreden van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel niet enkel de lidstaten, maar eveneens hun deelgebieden betreft, voor zover deze over eigen wetgevende bevoegdheden beschikken die hun krachtens het nationale grondwettelijke recht zijn toegekend.

4. Verklaring van Ierland betreffende artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

Ierland verklaart het voornemen te hebben maximaal gebruik te maken van zijn recht krachtens artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland om deel te nemen aan de aanneming van maatregelen overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voorzover zulks verenigbaar is met de handhaving van zijn gemeenschappelijk reisgebied (_~Common Travel Area”) met het Verenigd Koninkrijk. Ierland wijst erop dat zijn deelneming aan het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de afspiegeling is van zijn wens om de _~Common Travel Area” met het Verenigd Koninkrijk te handhaven teneinde het vrije verkeer naar en vanuit Ierland te optimaliseren.

5. Verklaring van België betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

Bij de goedkeuring van het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie verklaart België dat het, in overeenstemming met zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève van 1951 en het Protocol van New York van 1967, conform punt d) van het enig artikel van dit Protocol, elk asielverzoek door een onderdaan van een andere lidstaat afzonderlijk zal behandelen.

6. Verklaring van België, Frankrijk en Italië inzake het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

België, Frankrijk en Italië merken op dat, gelet op de resultaten van de Intergouvernementele Conferentie, het Verdrag van Amsterdam niet beantwoordt aan de tijdens de Europese Raad van Madrid opnieuw bevestigde eis om wezenlijke vooruitgang te boeken bij de versterking van de instellingen.

Deze landen zijn van oordeel dat die versterking een essentiële voorwaarde is voor het afsluiten van de eerstvolgende toetredingsonderhandelingen. Zij zijn vastbesloten het Protocol op de meest passende wijze uit te voeren met betrekking tot de samenstelling van de Commissie en de weging van de stemmen en zijn van oordeel dat een duidelijke uitbreiding van de gevallen waarin met gekwalificeerde meerderheid wordt gestemd, één van de belangrijke elementen is waarmee rekening moet worden gehouden.

7. Verklaring van Frankrijk betreffende de situatie van de landen en gebieden overzee ten aanzien van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

Frankrijk gaat ervan uit dat de invoering van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie het geografische toepassingsgebied van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord van Schengen, zoals dat is bepaald bij artikel 138, eerste alinea, van die Overeenkomst, onverlet laat.

8. Verklaring van Griekenland aangaande de verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

Onder verwijzing naar de Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties, herinnert Griekenland aan de Gemeenschappelijke Verklaring betreffende de berg Athos die is gehecht aan de Slotakte bij het Verdrag betreffende de toetreding van Griekenland tot de Europese Gemeenschappen.

GECONSOLIDEERDE VERSIE VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE

(97/C 340/02)

INHOUD

Bladzijde

I. Tekst van het Verdrag

Preambule

TITEL I - Gemeenschappelijke bepalingen .......... 152

TITEL II - Bepalingen houdende wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met het oog op de oprichting van de Europese Gemeenschap .......... 154

TITEL III - Bepalingen houdende wijzigingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal .......... 154

TITEL IV - Bepalingen tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie .......... 155

TITEL V - Bepalingen betreffende een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid .......... 155

TITEL VI - Bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken .......... 162

TITEL VII - Bepalingen inzake nauwere samenwerking .......... 169

TITEL VIII - Slotbepalingen .......... 170

II. PROTOCOLLEN (tekst niet afgedrukt)

N.B. De verwijzingen in de Protocollen naar artikelen, titels en afdelingen van het Verdrag zijn aangepast volgens de concordantietabellen in de bijlage bij het Verdrag van Amsterdam.

Protocol gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie:

- Protocol (nr. 1) inzake artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (1997)

Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap:

- Protocol (nr. 2) tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie (1997)

- Protocol (nr. 3) betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 14 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland (1997)

- Protocol (nr. 4) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland (1997)

- Protocol (nr. 5) betreffende de positie van Denemarken (1997)

Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie:

- Protocol (nr. 6) gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen (1992)

- Protocol (nr. 7) betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie (1997)

- Protocol (nr. 8) betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde organen en diensten van de Europese Gemeenschappen en van Europol (1997)

- Protocol (nr. 9) betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie (1997)

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN IERLAND, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN, DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

VASTBESLOTEN een nieuwe etappe te markeren in het proces van Europese integratie waarmee een aanvang is gemaakt met de oprichting van de Europese Gemeenschappen,

HERINNEREND aan het historisch belang van de beëindiging van de deling van het Europese continent en de noodzaak solide grondslagen voor de opbouw van het toekomstige Europa te leggen,

BEVESTIGEND hun gehechtheid aan de beginselen van vrijheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en van de rechtsstaat,

BEVESTIGEND hun gehechtheid aan de sociale grondrechten zoals omschreven in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989,

VERLANGEND de solidariteit tussen hun volkeren te verdiepen met inachtneming van hun geschiedenis, cultuur en tradities,

VERLANGEND de democratische en doelmatige werking van de instellingen verder te ontwikkelen, ten einde hen in staat te stellen de hun toevertrouwde taken beter uit te voeren, in één enkel institutioneel kader,

VASTBESLOTEN de versterking en de convergentie van hun economieën te verwezenlijken en een economische en monetaire unie tot stand te brengen met, overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag, één enkele en stabiele munteenheid,

VASTBESLOTEN de economische en sociale vooruitgang van hun volkeren te bevorderen, met inachtneming van het beginsel van duurzame ontwikkeling en in het kader van de voltooiing van de interne markt en van versterkte cohesie en milieubescherming, en een beleid te voeren dat er borg voor staat dat de vooruitgang op het gebied van de economische integratie en de vooruitgang op andere terreinen gelijke tred met elkaar houden,

VASTBESLOTEN voor de onderdanen van hun landen een gemeenschappelijk burgerschap in te voeren,

VASTBESLOTEN een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 17, daarbij de Europese identiteit en onafhankelijkheid versterkend, teneinde vrede, veiligheid en vooruitgang in Europa en in de wereld te bevorderen,

VASTBESLOTEN het vrije verkeer van personen te vergemakkelijken en tegelijkertijd tevens de veiligheid en zekerheid van hun volkeren te waarborgen, door een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag,

VASTBESLOTEN voor te gaan met het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa, waarin besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers worden genomen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel,

MET HET OOG OP verdere stappen die moeten worden gezet om de Europese integratie te bevorderen,

HEBBEN BESLOTEN een Europese Unie op te richten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN,

Mark EYSKENS, minister van Buitenlandse Zaken,

Philippe MAYSTADT, minister van Financiën,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN,

Uffe ELLEMANN-JENSEN, minister van Buitenlandse Zaken,

DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

Hans-Dietrich GENSCHER, Bondsminister van Buitenlandse Zaken,

Theodor WAIGEL, Bondsminister van Financiën,

DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK,

Antonios SAMARAS, minister van Buitenlandse Zaken,

Efthymios CHRISTODOULOU, minister van Economische Zaken,

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE,

Francisco FERNÁNDEZ ORDÓŇEZ, minister van Buitenlandse Zaken,

Carlos SOLCHAGA CATALÁN, minister van Economische Zaken en Financiën,

DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK,

Roland DUMAS, minister van Buitenlandse Zaken,

Pierre BÉRÉGOVOY, minister van Economische Zaken, Financiën en Begroting,

DE PRESIDENT VAN IERLAND,

Gerard COLLINS, minister van Buitenlandse Zaken,

Bertie AHERN, minister van Financiën,

DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

Gianni DE MICHELIS, minister van Buitenlandse Zaken,

Guido CARLI, minister van de Schatkist,

ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG,

Jacques F. POOS, vice-minister-president, minister van Buitenlandse Zaken,

Jean-Claude JUNCKER, minister van Financiën,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN,

Hans van den BROEK, minister van Buitenlandse Zaken,

Willem KOK, minister van Financiën,

DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK,

João de Deus PINHEIRO, minister van Buitenlandse Zaken,

Jorge BRAGA DE MACEDO, minister van Financiën,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

The Rt. Hon. Douglas HURD, minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken,

The Hon. Francis MAUDE, financieel secretaris van de Schatkist,

DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, overeenstemming hebben bereikt omtrent de volgende bepalingen:

TITEL I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1 (ex artikel A)

Bij dit Verdrag richten de HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te zamen een EUROPESE UNIE op, hierna _~Unie” te noemen.

Dit Verdrag markeert een nieuwe etappe in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa, waarin de besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen.

De Unie is gegrond op de Europese Gemeenschappen, aangevuld met het beleid en de samenwerkingsvormen die bij dit Verdrag worden ingesteld. Zij heeft tot taak de betrekkingen tussen de lidstaten en tussen de volkeren van de lidstaten samenhangend en solidair te organiseren.

Artikel 2 (ex artikel B)

De Unie stelt zich ten doel:

- bevordering van economische en sociale vooruitgang alsmede een hoog werkgelegenheidsniveau en totstandbrenging van evenwichtige en duurzame ontwikkeling, met name door de totstandbrenging van een ruimte zonder binnengrenzen, door de versterking van de economische en sociale samenhang en door de oprichting van een economische en monetaire unie die uiteindelijk een gemeenschappelijke munt inhoudt, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag;

- bevestiging van de identiteit van de Unie op het internationale vlak, met name door het voeren van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 17;

- versterking van de bescherming van de rechten en de belangen van de onderdanen van de lidstaten van de Unie door de instelling van een burgerschap van de Unie;

- handhaving en ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit;

- volledige handhaving en verdere ontwikkeling van het acquis communautaire ten einde na te gaan in hoeverre het beleid en de samenwerkingsvormen die bij dit Verdrag zijn ingesteld, herziening behoeven om de doeltreffendheid van de mechanismen en instellingen van de Gemeenschap te verzekeren.

De doelstellingen van de Unie worden verwezenlijkt zoals bepaald in dit Verdrag, onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel zoals omschreven in artikel 5 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel 3 (ex artikel C)

De Unie beschikt over één institutioneel kader dat de samenhang en de continuïteit van het optreden gericht op het verwezenlijken van de doelstellingen van de Unie verzekert, en tegelijk het acquis communautaire in acht neemt en ontwikkelt.

De Unie zorgt in het bijzonder voor de samenhang van haar gehele externe optreden in het kader van haar beleid op het gebied van externe betrekkingen, veiligheid, economie en ontwikkeling. De Raad en de Commissie zijn verantwoordelijk voor het verzekeren van deze samenhang en werken daartoe samen. Zij dragen, overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden, zorg voor de uitvoering van dat beleid.

Artikel 4 (ex artikel D)

De Europese Raad Unie geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en stelt algemene politieke beleidslijnen vast.

De Europese Raad is samengesteld uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten en de voorzitter van de Commissie. Zij worden bijgestaan door de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten en door een lid van de Commissie. De Europese Raad komt ten minste tweemaal per jaar bijeen, onder voorzitterschap van het staatshoofd of de regeringsleider van de lidstaten welke het voorzitterschap van de Raad uitoefent.

De Europese Raad brengt na elk van zijn bijeenkomsten verslag uit aan het Europees Parlement en legt aan het Europees Parlement ook een schriftelijk jaarverslag voor betreffende de vorderingen die de Unie heeft gemaakt.

Artikel 5 (ex artikel E)

Het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer oefenen hun bevoegdheden uit onder de voorwaarden en ter verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgesteld in enerzijds de bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van de verdragen en akten waarbij deze zijn gewijzigd of aangevuld, en anderzijds de andere bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 6 (ex artikel F)

1. De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.

2. De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht.

3. De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten.

4. De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te leggen.

Artikel 7 (ex artikel F.1)

1. De Raad, in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders, kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van een derde van de lidstaten of van de Commissie, en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel 6, lid 1, genoemde beginselen constateren, na de regering van de lidstaat in kwestie om opmerkingen te hebben verzocht.

2. Wanneer een dergelijke constatering is gedaan, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien, met inbegrip van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van die lidstaat in de Raad. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan naderhand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen van de in lid 1 bedoelde besluiten. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Dit lid is eveneens van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst op grond van lid 2.

5. Voor de toepassing van dit artikel besluit het Europees Parlement met een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen en tevens bij meerderheid van zijn leden.

TITEL II

BEPALINGEN HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP MET HET OOG OP DE OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

Artikel 8 (ex artikel G)

(niet afgedrukt)

TITEL III

BEPALINGEN HOUDENDE WIJZIGINGEN VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL

Artikel 9 (ex artikel H)

(niet afgedrukt)

TITEL IV

BEPALINGEN HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE

Artikel 10 (ex artikel I)

(niet afgedrukt)

TITEL V

BEPALINGEN BETREFFENDE EEN GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel 11 (ex artikel J.1)

1. De Unie bepaalt en voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt en dat de volgende doelstellingen heeft:

- bescherming van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen, de onafhankelijkheid en de integriteit van de Unie, conform de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties;

- versterking van de veiligheid van de Unie in alle opzichten;

- handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, met inbegrip van die betreffende de buitengrenzen;

- bevordering van de internationale samenwerking;

- ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.

2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

De lidstaten werken samen om hun wederzijdse politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid ervan als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

De Raad ziet toe op de inachtneming van deze beginselen.

Artikel 12 (ex artikel J.2)

De Unie streeft de in artikel 11 genoemde doelstellingen na door:

- de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast te stellen;

- besluiten te nemen over gemeenschappelijke strategieën;

- gemeenschappelijke optredens aan te nemen;

- gemeenschappelijke standpunten aan te nemen;

- de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.

Artikel 13 (ex artikel J.3)

1. De Europese Raad stelt de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, onder meer voor aangelegenheden met gevolgen op defensiegebied.

2. De Europese Raad neemt besluiten over door de Unie uit te voeren gemeenschappelijke strategieën op de gebieden waarop de lidstaten aanzienlijke belangen gemeen hebben.

In de gemeenschappelijke strategieën worden de doelstellingen en de duur ervan omschreven, alsmede de middelen die door de Unie en de lidstaten beschikbaar moeten worden gesteld.

3. De Raad neemt de nodige besluiten voor het bepalen en uitvoeren van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid op de grondslag van de door de Europese Raad vastgestelde algemene richtsnoeren.

De Raad doet de Europese Raad aanbevelingen voor gemeenschappelijke strategieën en voert deze uit, met name door het aannemen van gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten.

De Raad ziet toe op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie.

Artikel 14 (ex artikel J.4)

1. De Raad stelt gemeenschappelijke optredens vast. Gemeenschappelijke optredens hebben betrekking op specifieke situaties waarin een operationeel optreden van de Unie nodig wordt geacht. In een gemeenschappelijk optreden worden de doelstellingen, de draagwijdte, de middelen welke de Unie ter beschikking dienen te worden gesteld, zo nodig de tijdsduur, en de voorwaarden voor de uitvoering van dat optreden omschreven.

2. Indien zich een verandering van omstandigheden voordoet met een duidelijke invloed op een vraagstuk dat het voorwerp is van een gemeenschappelijk optreden, beziet de Raad de beginselen en de doelstellingen van dat optreden opnieuw en neemt hij de noodzakelijke besluiten. Zolang de Raad geen besluit heeft genomen, wordt het gemeenschappelijk optreden gehandhaafd.

3. Een gemeenschappelijk optreden bindt de lidstaten bij het innemen van standpunten en bij hun verdere optreden.

4. De Raad kan de Commissie verzoeken passende voorstellen in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bij hem in te dienen om de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden te garanderen.

5. Telkens wanneer op grond van een gemeenschappelijk optreden een nationale standpuntbepaling of een nationaal optreden wordt overwogen, wordt daarvan op een zodanig tijdstip kennis gegeven dat zo nodig voorafgaand overleg binnen de Raad mogelijk is. De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt niet voor maatregelen die slechts de nationale omzetting van de besluiten van de Raad vormen.

6. In geval van dwingende noodzaak voortvloeiend uit veranderingen in de situatie en bij gebreke van een besluit van de Raad, kunnen de lidstaten met spoed de noodzakelijke maatregelen nemen, rekening houdend met de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk optreden. De betrokken lidstaat stelt de Raad onverwijld van iedere zodanige maatregel in kennis.

7. In geval van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden, legt een lidstaat deze voor aan de Raad, die daarover beraadslaagt en passende oplossingen zoekt. Deze mogen niet in strijd zijn met de doelstellingen van het gemeenschappelijk optreden noch afbreuk doen aan de doeltreffendheid ervan.

Artikel 15 (ex artikel J.5)

De Raad neemt gemeenschappelijke standpunten aan. In de gemeenschappelijke standpunten wordt de aanpak van de Unie bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de gemeenschappelijke standpunten overeenstemt.

Artikel 16 (ex artikel J.6)

Tussen de lidstaten vindt wederzijdse informatie en onderling overleg plaats in de Raad over elke aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, opdat de invloed van de Unie zo doeltreffend mogelijk wordt uitgeoefend door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden.

Artikel 17 (ex artikel J.7)

1. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid omvat alle aangelegenheden die betrekking hebben op de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, overeenkomstig lid 2, dat tot een gemeenschappelijke defensie kan leiden indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

De West-Europese Unie (WEU) maakt een integrerend deel uit van de ontwikkeling van de Unie en verschaft de Unie met name in de context van lid 2 toegang tot een operationele capaciteit. De WEU ondersteunt de Unie bij het bepalen van de defensieaspecten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als aangegeven in dit artikel. De Unie bevordert bijgevolg hechtere institutionele betrekkingen met de WEU met het oog op de mogelijkheid de WEU in de Unie te integreren, indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), en is verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid.

De geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid wordt, wanneer de lidstaten dat passend achten, ondersteund door hun samenwerking op bewapeningsgebied.

2. De in dit artikel bedoelde aangelegenheden omvatten humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede.

3. De Unie zal gebruik maken van de WEU om de besluiten en maatregelen van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, uit te werken en uit te voeren.

De bevoegdheid van de Europese Raad om overeenkomstig artikel 13 richtsnoeren vast te stellen geldt ook ten aanzien van de WEU in aangelegenheden waarvoor de Unie gebruik maakt van de WEU.

Wanneer de Unie gebruik maakt van de WEU voor de uitwerking en uitvoering van besluiten van de Unie betreffende de in lid 2 genoemde opdrachten, zijn alle lidstaten van de Unie gerechtigd om ten volle deel te nemen aan die opdrachten. De Raad stelt in overeenstemming met de instellingen van de WEU de noodzakelijke praktische regelingen vast om alle lidstaten die bijdragen aan de betrokken opdrachten, in staat te stellen ten volle en op voet van gelijkheid deel te nemen aan de planning en besluitvorming in de WEU.

Onder dit lid vallende besluiten welke gevolgen hebben op defensiegebied worden genomen onverminderd het beleid en de verplichtingen bedoeld in lid 1, derde alinea.

4. Het bepaalde in dit artikel vormt geen beletsel voor de ontwikkeling van nauwere samenwerking op bilateraal niveau tussen twee of meer lidstaten, in het kader van de WEU en van het Atlantisch Bondgenootschap, mits die samenwerking niet indruist tegen en geen belemmering vormt voor de in deze titel beoogde samenwerking.

5. Ter bevordering van de doelstellingen van dit artikel wordt het bepaalde in dit artikel overeenkomstig artikel 48 herzien.

Artikel 18 (ex artikel J.8)

1. Het voorzitterschap vertegenwoordigt de Unie in aangelegenheden die vallen onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

2. Het voorzitterschap is verantwoordelijk voor de uitvoering van besluiten uit hoofde van deze titel; in die hoedanigheid verwoordt het in beginsel het standpunt van de Unie in internationale organisaties en op internationale conferenties.

3. Het voorzitterschap wordt bijgestaan door de secretaris-generaal van de Raad, die de functie van hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uitoefent.

4. De Commissie wordt volledig betrokken bij de in de leden 1 en 2 genoemde taken. Het voorzitterschap wordt indien nodig bij die taken bijgestaan door de lidstaat die als volgende het voorzitterschap zal bekleden.

5. De Raad kan, telkens wanneer hij het nodig acht, een speciale vertegenwoordiger met een mandaat voor specifieke beleidsvraagstukken benoemen.

Artikel 19 (ex artikel J.9)

1. De lidstaten coördineren hun optreden in internationale organisaties en op internationale conferenties. Zij verdedigen in deze fora de gemeenschappelijke standpunten.

In internationale organisaties en op internationale conferenties waaraan niet alle lidstaten deelnemen, verdedigen de wel deelnemende lidstaten de gemeenschappelijke standpunten.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 en in artikel 14, lid 3, houden de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in internationale organisaties of op internationale conferenties waar niet alle lidstaten vertegenwoordigd zijn, de niet vertegenwoordigde lidstaten op de hoogte van alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.

Lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen onderling overleg en houden de overige lidstaten volledig op de hoogte. Lidstaten die permanent lid van de Veiligheidsraad zijn, dragen er bij de uitoefening van hun functie zorg voor de standpunten en belangen van de Unie te verdedigen, onverminderd de verantwoordelijkheden die krachtens het Handvest van de Verenigde Naties op hen rusten.

Artikel 20 (ex artikel J.10)

De diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Commissie in derde landen en op internationale conferenties, alsmede hun vertegenwoordigingen bij internationale organisaties voeren onderling overleg om te verzekeren dat de door de Raad vastgestelde gemeenschappelijke standpunten en gemeenschappelijke optredens in acht worden genomen en ten uitvoer worden uitgelegd.

Zij intensiveren hun samenwerking door inlichtingen uit te wisselen, gezamenlijk evaluaties te verrichten en bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van het bepaalde in artikel 20 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel 21 (ex artikel J.11)

Het voorzitterschap raadpleegt het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en ziet erop toe dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen. Het Europees Parlement wordt door het voorzitterschap en de Commissie regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad richten. Het wijdt ieder jaar een debat aan de vooruitgang die bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is geboekt.

Artikel 22 (ex artikel J.12)

1. Iedere lidstaat of de Commissie kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en bij de Raad voorstellen indienen.

2. In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept het voorzitterschap, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van de Commissie of van een lidstaat binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn een buitengewone zitting van de Raad bijeen.

Artikel 23 (ex artikel J.13)

1. Besluiten uit hoofde van deze titel worden door de Raad met eenparigheid van stemmen aangenomen. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen van deze besluiten.

Ingeval een lid van de Raad zich van stemming onthoudt, kan dit lid zijn onthouding toelichten door op grond van onderhavige alinea een formele verklaring af te leggen. In dat geval is het lid niet verplicht het besluit toe te passen, doch aanvaardt het wel dat het besluit de Unie bindt. In een geest van wederzijdse solidariteit onthoudt de betrokken lidstaat zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de andere lidstaten dit standpunt. Indien de leden van de Raad die hun onthouding op deze wijze toelichten meer dan een derde van de stemmen, gewogen overeenkomstig artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vertegenwoordigen, is het besluit niet aangenomen.

2. In afwijking van lid 1 besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

- bij de aanneming van gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke standpunten of andere besluiten op basis van een gemeenschappelijke strategie;

- bij de aanneming van een besluit waarmee uitvoering wordt gegeven aan een gemeenschappelijk optreden of een gemeenschappelijk standpunt.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de aanneming van een besluit dat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moet worden aangenomen, wordt niet tot stemming overgegaan. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Europese Raad.

De stemmen van de leden van de Raad worden gewogen overeenkomstig artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

Dit lid is niet van toepassing op besluiten die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

3. Voor procedurekwesties neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden.

Artikel 24 (ex artikel J.14)

Indien ter uitvoering van deze titel een overeenkomst moet worden gesloten met één of meer staten of internationale organisaties, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het voorzitterschap machtigen om, zo nodig bijgestaan door de Commissie, daartoe onderhandelingen te openen. Dergelijke overeenkomsten worden gesloten door de Raad, die op aanbeveling van het voorzitterschap met eenparigheid van stemmen besluit. Geen enkele overeenkomst zal bindend zijn voor een lidstaat waarvan de vertegenwoordiger in de Raad verklaart dat deze de bepalingen van zijn grondwettelijke procedure in acht moet nemen; de andere leden van de Raad kunnen overeenkomen dat de overeenkomst voorlopig op hen van toepassing is.

De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op aangelegenheden die onder titel VI vallen.

Artikel 25 (ex artikel J.15)

Onverminderd artikel 207 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap volgt een politiek comité de internationale situatie op de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallende gebieden en draagt het bij tot het bepalen van het beleid door op verzoek van de Raad of op eigen initiatief adviezen aan de Raad uit te brengen. Het comité ziet ook toe op de tenuitvoerlegging van het overeengekomen beleid, onverminderd de bevoegdheden van het voorzitterschap en van de Commissie.

Artikel 26 (ex artikel J.16)

De secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, staat de Raad bij in aangelegenheden die vallen onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name door bij te dragen tot de formulering, voorbereiding en uitvoering van beleidsbeslissingen, en, waar dienstig en namens de Raad op verzoek van het voorzitterschap, door een politieke dialoog met derden te voeren.

Artikel 27 (ex artikel J.17)

De Commissie wordt volledig betrokken bij de werkzaamheden op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Artikel 28 (ex artikel J.18)

1. De artikelen 189, 190, 196 tot en met 199, 203, 204, 206 tot en met 209, 213 tot en met 219, 255 en 290 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn van toepassing op de bepalingen betreffende de in deze titel bedoelde gebieden.

2. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid komen ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

3. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen, behalve wanneer het beleidsuitgaven betreft die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied en gevallen waarin de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. Lidstaten wier vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel 23, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

4. De begrotingsprocedure van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is van toepassing op de uitgaven die ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

TITEL VI

BEPALINGEN INZAKE POLITIËLE EN JUSTITIËLE SAMENWERKING IN STRAFZAKEN

Artikel 29 (ex artikel K.1)

Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap is het doel van de Unie de burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een hoog niveau van zekerheid te verschaffen door de ontwikkeling van gezamenlijk optreden van de lidstaten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken en door voorkoming en bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat.

Deze doelstelling wordt verwezenlijkt door het voorkomen en bestrijden van al dan niet georganiseerde criminaliteit, met name terrorisme, mensenhandel en misdrijven tegen kinderen, illegale drugshandel en illegale wapenhandel, corruptie en fraude, door middel van:

- nauwere samenwerking tussen politiediensten, douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten in de lidstaten, zowel rechtstreeks als via de Europese Politiedienst (Europol), in overeenstemming met de artikelen 30 en 32;

- nauwere samenwerking tussen justitiële en andere bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de artikelen 31, onder a) tot en met d), en 32;

- waar nodig, onderlinge aanpassing van de bepalingen betreffende strafzaken in de lidstaten, in overeenstemming met artikel 31, onder e).

Artikel 30 (ex artikel K.2)

1. Gezamenlijk optreden op het gebied van politiële samenwerking omvat:

a) operationele samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde instanties van de lidstaten belast met wetshandhaving met betrekking tot het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten;

b) de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van relevante informatie, met inbegrip van informatie over meldingen van verdachte financiële transacties waarover instanties belast met wetshandhaving beschikken, met name via Europol, onder voorbehoud van passende bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens;

c) samenwerking en gezamenlijke initiatieven inzake opleiding, de uitwisseling van verbindingsfunctionarissen, detacheringen, het gebruik van apparatuur en forensisch onderzoek;

d) de gezamenlijke beoordeling van bepaalde onderzoekstechnieken in verband met het opsporen van ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit.

2. De Raad bevordert samenwerking via Europol en handelt binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in het bijzonder als volgt:

a) hij stelt Europol in staat tot het vergemakkelijken en ondersteunen van de voorbereiding en het aanmoedigen van de coördinatie en uitvoering van specifieke onderzoeksacties door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, inclusief operationele acties van gezamenlijke teams waarvan vertegenwoordigers van Europol ter ondersteuning deel uitmaken;

b) hij neemt maatregelen aan waardoor Europol de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kan vragen hun onderzoek in specifieke zaken te verrichten en te coördineren en specifieke expertise te ontwikkelen die ter beschikking van de lidstaten kan worden gesteld om hen te assisteren bij het onderzoeken van zaken van georganiseerde criminaliteit;

c) hij bevordert verbindingsregelingen tussen functionarissen belast met opsporing/vervolging die zich specialiseren in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in nauwe samenwerking met Europol;

d) hij richt een netwerk op voor onderzoek, documentatie en statistiek met betrekking tot grensoverschrijdende criminaliteit.

Artikel 31 (ex artikel K.3)

Gezamenlijk optreden inzake justitiële samenwerking in strafzaken omvat:

a) het vergemakkelijken en het bespoedigen van de samenwerking tussen de bevoegde ministeries en de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot procedures en de tenuitvoerlegging van beslissingen;

b) het vergemakkelijken van uitlevering tussen lidstaten;

c) het waarborgen van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende voorschriften, voorzover nodig ter verbetering van die samenwerking;

d) het voorkomen van jurisdictiegeschillen tussen lidstaten;

e) het geleidelijk aannemen van maatregelen tot opstelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit, terrorisme en illegale drugshandel.

Artikel 32 (ex artikel K.4)

De Raad bepaalt onder welke voorwaarden en met welke beperkingen de in de artikelen 30 en 31 bedoelde bevoegde autoriteiten op het grondgebied van een andere lidstaat mogen optreden in overleg met en met instemming van de autoriteiten van die staat.

Artikel 33 (ex artikel K.5)

Deze titel laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

Artikel 34 (ex artikel K.6)

1. Op de in deze titel genoemde gebieden vindt tussen de lidstaten wederzijdse informatie en onderling overleg plaats in de Raad, teneinde hun optreden te coördineren. De lidstaten brengen te dien einde een samenwerking tussen hun bevoegde overheidsdiensten tot stand.

2. De Raad neemt maatregelen en bevordert samenwerking, in een passende vorm en volgens passende procedures zoals bepaald in deze titel, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Daartoe kan de Raad met eenparigheid van stemmen op initiatief van elke lidstaat of van de Commissie:

a) gemeenschappelijke standpunten aannemen waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid wordt omschreven;

b) kaderbesluiten aannemen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze kaderbesluiten zijn verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen rechtstreekse werking;

c) besluiten aannemen voor elk ander doel dat met de doelstellingen van deze titel verenigbaar is, met uitsluiting van elke onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze besluiten zijn verbindend en hebben geen rechtstreekse werking; met gekwalificeerde meerderheid van stemmen neemt de Raad de maatregelen aan die nodig zijn om deze besluiten op het niveau van de Unie uit te voeren;

d) overeenkomsten vaststellen, waarvan hij de aanneming door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt. De lidstaten beginnen de toepasselijke procedures binnen een door de Raad te bepalen termijn.

Tenzij in de overeenkomsten anders wordt bepaald, treden zij, zodra zij door ten minste de helft van de lidstaten zijn aangenomen, ten aanzien van deze lidstaten in werking. De maatregelen ter uitvoering van de overeenkomsten worden in de Raad aangenomen met een meerderheid van twee derde van de stemmen van de Verdragsluitende Partijen.

3. Ingeval voor de besluiten van de Raad een gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vereist, worden de stemmen van de leden gewogen overeenkomstig artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en komen de besluiten tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

4. Voor procedurekwesties neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden.

Artikel 35 (ex artikel K.7)

1. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is onder de in dit artikel omschreven voorwaarden bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van kaderbesluiten en besluiten, over de uitlegging van op grond van deze titel vastgestelde overeenkomsten en over de geldigheid en de uitlegging van uitvoeringsmaatregelen.

2. Door middel van een verklaring afgelegd op het tijdstip van ondertekening van het Verdrag van Amsterdam of op enig later tijdstip kan een lidstaat de bevoegdheid van het Hof van Justitie aanvaarden om, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen als bedoeld in lid 1.

3. Wanneer een lidstaat een verklaring aflegt uit hoofde van lid 2 van dit artikel, geeft hij aan dat ofwel:

a) elke nationale rechterlijke instantie van die lidstaat waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in lid 1, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, ofwel

b) elke nationale rechterlijke instantie van die lidstaat het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in lid 1, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

4. Elke lidstaat mag, ongeacht of hij een verklaring uit hoofde van lid 2 heeft afgelegd of niet, memories of schriftelijke opmerkingen bij het Hof indienen in gevallen als bedoeld in lid 1.

5. Het Hof van Justitie is niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

6. Het Hof van Justitie is bevoegd de wettigheid na te gaan van kaderbesluiten en besluiten in elk door een lidstaat of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid. Het in dit lid bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de maatregel.

7. Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten betreffende de uitlegging of de toepassing van op grond van artikel 34, lid 2, aangenomen besluiten wanneer de Raad er niet in slaagt het geschil te regelen binnen zes maanden te rekenen vanaf het tijdstip waarop een van zijn leden het hem heeft voorgelegd. Het Hof van Justitie is tevens bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten en de Commissie betreffende de uitlegging of de toepassing van op grond van artikel 34, lid 2, onder d), vastgestelde overeenkomsten.

Artikel 36 (ex artikel K.8)

1. Er wordt een coördinatiecomité van hoge ambtenaren opgericht. Dit comité heeft naast zijn coördinerende functie tot taak:

- hetzij op verzoek van de Raad, hetzij op eigen initiatief ten behoeve van de Raad adviezen uit te brengen;

- onverminderd artikel 207 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad op de in artikel 29 bedoelde gebieden.

2. De Commissie wordt volledig betrokken bij de werkzaamheden op de in deze titel genoemde gebieden.

Artikel 37 (ex artikel K.9)

De lidstaten verwoorden de krachtens deze titel vastgestelde gemeenschappelijke standpunten in de internationale organisaties en op de internationale conferenties waaraan zij deelnemen.

De artikelen 18 en 19 zijn mutatis mutandis van toepassing op de onder deze titel vallende aangelegenheden.

Artikel 38 (ex artikel K.10)

De in artikel 24 bedoelde overeenkomsten kunnen betrekking hebben op de onder deze titel vallende aangelegenheden.

Artikel 39 (ex artikel K.11)

1. De Raad raadpleegt het Europees Parlement voordat hij de in artikel 34, lid 2, onder b), c) en d), bedoelde maatregelen aanneemt. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen een termijn die de Raad kan vaststellen en die niet korter mag zijn dan drie maanden. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad een besluit nemen.

2. Het voorzitterschap en de Commissie brengen het Europees Parlement regelmatig op de hoogte van de werkzaamheden op de onder deze titel vallende gebieden.

3. Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad richten. Het wijdt ieder jaar een debat aan de vooruitgang die op de in deze titel genoemde gebieden is geboekt.

Artikel 40 (ex artikel K.12)

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking in te stellen, kunnen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 43 en 44, worden gemachtigd gebruik te maken van de instellingen, procedures en regelingen van de Verdragen, mits de beoogde samenwerking:

a) strookt met de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en met de in deze titel neergelegde doelstellingen;

b) tot doel heeft de Unie in staat te stellen zich sneller te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

2. De in lid 1 bedoelde machtiging wordt verleend door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op verzoek van de betrokken lidstaten een besluit neemt, na de Commissie om advies te hebben verzocht. Het verzoek wordt ook aan het Europees Parlement toegezonden.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen verlening van een machtiging met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wordt er niet gestemd. De Raad kan met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Europese Raad.

De stemmen van de leden van de Raad worden gewogen overeenkomstig artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

3. Een lidstaat die wil deelnemen aan een overeenkomstig dit artikel ingestelde samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en aan de Commissie, die binnen drie maanden na ontvangst van die kennisgeving advies uitbrengt aan de Raad, eventueel met een aanbeveling voor de bijzondere regelingen die zij voor die lidstaat nodig acht om deel te nemen aan de samenwerking in kwestie. Binnen vier maanden na deze kennisgeving neemt de Raad een besluit over het verzoek en over de bijzondere regelingen die hij nodig acht. Het besluit wordt geacht te zijn genomen, tenzij de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit het aan te houden; in dat geval geeft de Raad de redenen voor zijn besluit aan en stelt hij een termijn voor een nieuwe behandeling. Voor de toepassing van dit lid besluit de Raad overeenkomstig artikel 44.

4. De bepalingen van de artikelen 29 tot en met 41 zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde nauwere samenwerking, tenzij in dit artikel en in de artikelen 43 en 44 anders is bepaald.

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van deze bevoegdheden zijn van toepassing op de leden 1, 2 en 3.

5. Dit artikel laat de bepalingen van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie onverlet.

Artikel 41 (ex artikel K.13)

1. De artikelen 189, 190, 195, 196 tot en met 199, 203, 204, 205, lid 3, 206 tot en met 209, 213 tot en met 219, 255 en 290 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn van toepassing op de bepalingen betreffende de in deze titel bedoelde gebieden.

2. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen betreffende de in deze titel genoemde gebieden, komen ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

3. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

4. De begrotingsprocedure van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is van toepassing op de uitgaven die ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 42 (ex artikel K.14)

De Raad kan met eenparigheid van stemmen op initiatief van de Commissie of van een lidstaat en na raadpleging van het Europees Parlement besluiten dat optreden op in artikel 29 genoemde gebieden onder titel IV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap valt, waarbij hij de desbetreffende stemprocedures vaststelt. Hij beveelt de lidstaten aan dit besluit overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aan te nemen.

TITEL VII (ex titel VI a))

BEPALINGEN INZAKE NAUWERE SAMENWERKING

Artikel 43 (ex artikel K.15)

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan kunnen gebruik maken van de instellingen, procedures en regelingen van dit Verdrag en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, mits de samenwerking:

a) beoogt de doelstellingen van de Unie te bevorderen en haar belangen te beschermen en te dienen;

b) strookt met de beginselen van de genoemde Verdragen en met het ene institutionele kader van de Unie;

c) alleen in laatste instantie wordt gebruikt, wanneer de doelstellingen van de genoemde Verdragen niet kunnen worden verwezenlijkt door toepassing van de in die Verdragen vastgelegde procedures;

d) betrekking heeft op ten minste een meerderheid van de lidstaten;

e) geen afbreuk doet aan het acquis communautaire en aan de maatregelen die krachtens de andere bepalingen van de genoemde Verdragen zijn aangenomen;

f) geen afbreuk doet aan de bevoegdheden, rechten, verplichtingen en belangen van de niet aan deze samenwerking deelnemende lidstaten;

g) voor alle lidstaten openstaat en hen de mogelijkheid biedt te allen tijde partij te worden bij de samenwerking, op voorwaarde dat zij het basisbesluit en de in het kader daarvan aangenomen besluiten naleven;

h) voldoet aan de specifieke aanvullende criteria van respectievelijk artikel 11 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 40 van dit Verdrag, naargelang het betrokken gebied, en daartoe machtiging is verleend door de Raad volgens de procedures van de genoemde artikelen.

2. De lidstaten passen, voor zover zij bij de nauwere samenwerking betrokken zijn, de handelingen en besluiten toe die worden aangenomen voor de uitvoering van de samenwerking waaraan zij deelnemen. De lidstaten die niet aan deze samenwerking deelnemen, belemmeren de uitvoering ervan door de deelnemende lidstaten niet.

Artikel 44 (ex artikel K.16)

1. Voor de aanneming van de handelingen en besluiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel 43 bedoelde samenwerking zijn de desbetreffende institutionele bepalingen van dit Verdrag en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing. Hoewel alle leden van de Raad kunnen deelnemen aan de beraadslagingen, nemen alleen de leden die deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, deel aan de aanneming van besluiten. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de betrokken leden van de Raad gevormd.

2. De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van de samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste van de deelnemende lidstaten, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

Artikel 45 (ex artikel K.17)

De Raad en de Commissie brengen het Europees Parlement regelmatig op de hoogte van de ontwikkeling van de op grond van deze titel aangegane nauwere samenwerking.

TITEL VIII (ex titel VII)

SLOTBEPALINGEN

Artikel 46 (ex artikel L)

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie die betrekking hebben op de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van die bevoegdheden, zijn slechts op de volgende bepalingen van dit Verdrag van toepassing:

a) de bepalingen houdende wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met het oog op de oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

b) de bepalingen van titel VI, onder de voorwaarden van artikel 35;

c) de bepalingen van titel VII, onder de voorwaarden van artikel 11 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van artikel 40 van dit Verdrag;

d) artikel 6, lid 2, met betrekking tot de handelingen van de instellingen, voor zover het Hof bevoegd is op grond van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en op grond van dit Verdrag;

e) de artikelen 46 tot en met 53.

Artikel 47 (ex artikel M)

Behoudens de bepalingen houdende wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met het oog op de oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en deze slotbepalingen, doet geen enkele bepaling van dit Verdrag afbreuk aan de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, noch aan de Verdragen en akten waarbij deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.

Artikel 48 (ex artikel N)

De regering van elke lidstaat of de Commissie kunnen aan de Raad ontwerpen voorleggen tot herziening van de Verdragen waarop de Unie is gebaseerd.

Indien de Raad na raadpleging van het Europees Parlement en, in voorkomend geval, van de Commissie, gunstig adviseert ten aanzien van het bijeenkomen van een conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, wordt deze conferentie door de voorzitter van de Raad bijeengeroepen, ten einde in onderlinge overeenstemming de in genoemde verdragen aan te brengen wijzigingen vast te stellen. In geval van institutionele wijzigingen op monetair gebied wordt tevens de Europese Centrale Bank geraadpleegd.

De wijzigingen treden in werking nadat zij door alle lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn bekrachtigd.

Artikel 49 (ex artikel O)

Elke Europese staat die de in artikel 6, lid 1, genoemde beginselen in acht neemt, kan verzoeken lid te worden van de Unie. Hij richt zijn verzoek tot de Raad, die besluit met eenparigheid van stemmen na de Commissie te hebben geraadpleegd en na instemming van het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij volstrekte meerderheid van zijn leden.

De voorwaarden voor de toelating en de uit die toelating voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gebaseerd, vormen het onderwerp van een akkoord tussen de lidstaten en de staat die het verzoek indient. Dit akkoord moet door alle overeenkomstsluitende staten worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

Artikel 50 (ex artikel P)

1. De artikelen 2 tot en met 7 en 10 tot en met 19 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, ondertekend te Brussel op 8 april 1965, vervallen.

2. De artikelen 2, 3, lid 2, en titel III van de Europese Akte, ondertekend te Luxemburg op 17 februari 1986 en te 's Gravenhage op 28 februari 1986, vervallen.

Artikel 51 (ex artikel Q)

Dit Verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten.

Artikel 52 (ex artikel R)

1. Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Italiaanse Republiek.

2. Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1993, mits alle akten van bekrachtiging zijn nedergelegd, of bij gebreke daarvan op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende staat die als laatste deze handeling verricht.

Artikel 53 (ex artikel S)

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese en de Spaanse taal, zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten.

Krachtens het Toetredingsverdrag van 1994 zijn de teksten van dit Verdrag in de Finse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.

Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

Gedaan te Maastricht, de zevende februari negentienhonderd tweeënnegentig.

Mark EYSKENS

Uffe ELLEMAN-JENSEN

Hans-Dietrich GENSCHER

Antonios SAMARAS

Francisco FERNÁNDEZ ORDÓŇEZ

Roland DUMAS

Gerard COLLINS

Gianni DE MICHELIS

Jacques F. POOS

Hans van den BROEK

João de Deus PINHEIRO

Douglas HURD

Philippe MAYSTADT

Anders FOGH RASMUSSEN

Theodor WAIGEL

Efthymios CHRISTODOULOU

Carlos SOLCHAGA CATALÁN

Pierre BÉRÉGOVOY

Bertie AHERN

Guido CARLI

Jean-Claude JUNCKER

Willem KOK

Jorge BRAGA DE MACEDO

Francis MAUDE

GECONSOLIDEERDE VERSIE VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

(97/C 340/03)

INHOUD

Bladzijde

I - Tekst van het Verdrag

Preambule

Eerste deel - De beginselen .......... 181

Tweede deel - Het burgerschap van de Unie .......... 186

Derde deel - Het beleid van de Gemeenschap .......... 187

TITEL I - Het vrije verkeer van goederen .......... 187

Hoofdstuk 1 - De douane-unie .......... 188

Hoofdstuk 2 - Verbod op kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten .......... 189

TITEL II - De landbouw .......... 190

TITEL III - Het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal .......... 193

Hoofdstuk 1 - De werknemers .......... 193

Hoofdstuk 2 - Het recht van vestiging .......... 195

Hoofdstuk 3 - De diensten .......... 197

Hoofdstuk 4 - Kapitaal en betalingsverkeer .......... 199

TITEL IV - Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen .......... 200

TITEL V - Vervoer .......... 205

TITEL VI - Gemeenschappelijke regels betreffende de mededinging, de belastingen en de onderlinge aanpassing van de wetgevingen .......... 208

Hoofdstuk 1 - Regels betreffende de mededinging .......... 208

Eerste afdeling - Regels voor de ondernemingen .......... 208

Tweede afdeling - Steunmaatregelen van de staten .......... 211

Hoofdstuk 2 - Bepalingen betreffende belastingen .......... 212

Hoofdstuk 3 - De aanpassing van de wetgevingen .......... 213

TITEL VII - Economisch en monetair beleid .......... 215

Hoofdstuk 1 - Economisch beleid .......... 215

Hoofdstuk 2 - Monetair beleid .......... 220

Hoofdstuk 3 - Institutionele bepalingen .......... 224

Hoofdstuk 4 - Overgangsbepalingen .......... 227

TITEL VIII - Werkgelegenheid .......... 235

TITEL IX - Gemeenschappelijke handelspolitiek .......... 237

TITEL X - Douanesamenwerking .......... 238

TITEL XI - Sociale politiek, onderwijs, beroepsopleiding en jeugd .......... 239

Hoofdstuk 1 - Sociale bepalingen .......... 239

Hoofdstuk 2 - Het Europees Sociaal Fonds .......... 243

Hoofdstuk 3 - Onderwijs, beroepsopleiding en jeugd .......... 244

TITEL XII - Cultuur .......... 245

TITEL XIII - Volksgezondheid .......... 246

TITEL XIV - Consumentenbescherming .......... 247

TITEL XV - Transeuropese netwerken .......... 248

TITEL XVI - Industrie .......... 249

TITEL XVII - Economische en sociale samenhang .......... 250

TITEL XVIII - Onderzoek en technologische ontwikkeling .......... 251

TITEL XIX - Milieu .......... 254

TITEL XX - Ontwikkelingssamenwerking .......... 256

Vierde deel - De Associatie van de landen en gebieden overzee .......... 258

Vijfde deel - De instellingen van de Gemeenschap .......... 260

TITEL I - Bepalingen inzake de instellingen .......... 260

Hoofdstuk 1 - De instellingen .......... 260

Eerste afdeling - Het Europees Parlement .......... 260

Tweede afdeling - De Raad .......... 264

Derde afdeling - De Commissie .......... 266

Vierde afdeling - Het Hof van Justitie .......... 269

Vijfde afdeling - De Rekenkamer .......... 276

Hoofdstuk 2 - Bepalingen welke verscheidene instellingen gemeen hebben .......... 278

Hoofdstuk 3 - Het Economisch en Sociaal Comité .......... 282

Hoofdstuk 4 - Het Comité van de regio's .......... 284

Hoofdstuk 5 - De Europese Investeringsbank .......... 286

TITEL II - Financiële bepalingen .......... 287

Zesde deel - Algemene en slotbepalingen .......... 293

Slotbepalingen .......... 302

Bijlagen

BIJLAGE I - Lijst genoemd in artikel 32 van het Verdrag .......... 303

BIJLAGE II - Landen en gebieden overzee waarop toepasselijk zijn de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag .......... 306

II - Protocollen (tekst niet afgedrukt)

N.B.: De verwijzingen in de Protocollen naar artikelen, titels en afdelingen van het Verdrag zijn aangepast volgens de concordatietabellen in de bijlage van het Verdrag van Amsterdam.

Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap:

- Protocol (nr. 2) tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie (1997)

- Protocol (nr. 3) betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 14 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland (1997)

- Protocol (nr. 4) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland (1997)

- Protocol (nr. 5) betreffende de positie van Denemarken (1997)

Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie:

- Protocol (nr. 6) gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen (1992)

- Protocol (nr. 7) betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie (1997)

- Protocol (nr. 8) betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde organen en diensten van de Europese Gemeenschappen en van Europol (1997)

- Protocol (nr. 9) betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie (1997)

Protocollen gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap:

- Protocol (nr. 10) betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank (1957)

- Protocol (nr. 11) betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (1957)

- Protocol (nr. 12) betreffende Italië (1957)

- Protocol (nr. 13) betreffende goederen van oorsprong en van herkomst uit bepaalde landen onderworpen aan een bijzondere regeling bij invoer in een van de lidstaten (1957)

- Protocol (nr. 14) betreffende de invoer in de Europese Gemeenschap van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten (1962)

- Protocol (nr. 15) betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland (1985)

- Protocol (nr. 16) betreffende de verwerving van onroerende goederen in Denemarken (1992)

- Protocol (nr. 17) ad artikel 141 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (1992)

- Protocol (nr. 18) betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (1992)

- Protocol (nr. 19) betreffende de statuten van het Europees Monetair Instituut (1992)

- Protocol (nr. 20) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (1992)

- Protocol (nr. 21) betreffende de in artikel 121 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde convergentiecriteria (1992)

- Protocol (nr. 22) betreffende Denemarken (1992)

- Protocol (nr. 23) betreffende Portugal (1992)

- Protocol (nr. 24) betreffende de overgang naar de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (1992)

- Protocol (nr. 25) betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (1992)

- Protocol (nr. 26) betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken (1992)

- Protocol (nr. 27) betreffende Frankrijk (1992)

- Protocol (nr. 28) betreffende economische en sociale samenhang (1992)

- Protocol (nr. 29) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie (1997)

- Protocol (nr. 30) betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel (1997)

- Protocol (nr. 31) betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen (1997)

- Protocol (nr. 32) betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten (1997)

- Protocol (nr. 33) betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (1997)

Protocollen gehecht aan de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie:

- Protocol (nr. 34) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (1965)

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, HARE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOGIN VAN LUXEMBURG, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN (1),

VASTBERADEN, de grondslagen te leggen voor een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren,

BESLOTEN HEBBENDE, door gemeenschappelijk optreden de economische en sociale vooruitgang van hun landen te verzekeren en daartoe de barrières die Europa verdelen te verwijderen,

VASTSTELLENDE als wezenlijk doel van hun streven, een voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder hun volkeren leven en werken, te verzekeren,

ERKENNENDE, dat de verwijdering van de bestaande hinderpalen eensgezind optreden vereist teneinde de gestadige expansie, het evenwicht in het handelsverkeer en de eerlijkheid in de mededinging te waarborgen,

VERLANGENDE, de eenheid hunner volkshuishoudingen te versterken en de harmonische ontwikkeling daarvan te bevorderen door het verschil in niveau tussen de onderscheidene gebieden en de achterstand van de minder begunstigde gebieden te verminderen,

GELEID DOOR DE WENS, door middel van een gemeenschappelijke handelspolitiek bij te dragen tot de geleidelijke opheffing der beperkingen in het internationale handelsverkeer,

WENSENDE, de verbondenheid van Europa met de landen overzee te bevestigen en verlangende, de ontwikkeling van hun welvaart te verzekeren, overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties,

VASTBESLOTEN, door deze bundeling van krachten de waarborgen voor vrede en vrijheid te versterken, en de overige Europese volkeren die hun idealen delen, oproepende zich bij hun streven aan te sluiten,

VASTBESLOTEN, het hoogstmogelijke kennisniveau voor zijn volkeren na te streven door middel van ruime toegang tot onderwijs en door middel van de voortdurende vernieuwing daarvan,

HEBBEN BESLOTEN een EUROPESE GEMEENSCHAP op te richten, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN:

De heer Paul-Henri SPAAK, minister van Buitenlandse Zaken,

J. Ch. Baron SNOY ET D'OPPUERS, secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken, voorzitter van de Belgische delegatie bij de intergouvernementele conferentie,

DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND:

Dr. Konrad ADENAUER, Bondskanselier,

Prof. Dr. Walter HALLSTEIN, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK:

De heer Christian PINEAU, minister van Buitenlandse Zaken,

De heer Maurice FAURE, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK:

De heer Antonio SEGNI, voorzitter van de Raad van ministers,

Prof. Gaetano MARTINO, minister van Buitenlandse Zaken,

HARE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOGIN VAN LUXEMBURG:

De heer Joseph BECH, minister-president, minister van Buitenlandse Zaken,

De heer Lambert SCHAUS, ambassadeur, voorzitter van de Luxemburgse delegatie bij de intergouvernementele conferentie,

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN:

De heer Joseph LUNS, minister van Buitenlandse Zaken,

De heer J. LINTHORST HOMAN, voorzitter van de Nederlandse delegatie bij de intergouvernementele conferentie,

DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt.

EERSTE DEEL

DE BEGINSELEN

Artikel 1 (ex artikel 1)

Bij dit Verdrag richten de HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN tezamen een EUROPESE GEMEENSCHAP op.

Artikel 2 (ex artikel 2)

De Gemeenschap heeft tot taak, door het instellen van een gemeenschappelijke markt en een economische en monetaire unie en door de uitvoering van het gemeenschappelijk beleid of de gemeenschappelijke activiteiten, bedoeld in de artikelen 3 en 4, het bevorderen van een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, een duurzame en niet-inflatoire groei, een hoge graad van concurrentievermogen en convergentie van economische prestaties, een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, een verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan, de economische en sociale samenhang en de solidariteit tussen de lidstaten.

Artikel 3 (ex artikel 3)

1. Teneinde de in artikel 2 genoemde doelstellingen te bereiken, omvat het optreden van de Gemeenschap onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet:

a) het verbod tussen de lidstaten op douanerechten en kwantitatieve beperkingen bij in- en uitvoer van goederen alsmede van alle overige maatregelen van gelijke werking,

b) een gemeenschappelijke handelspolitiek,

c) een interne markt, gekenmerkt door de afschaffing tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal,

d) maatregelen inzake binnenkomst en verkeer van personen, overeenkomstig titel IV,

e) een gemeenschappelijk beleid op het gebied van landbouw en visserij,

f) een gemeenschappelijk beleid op het gebied van het vervoer,

g) een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst,

h) het nader tot elkaar brengen van de nationale wetgevingen in de mate waarin dat voor de werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is,

i) het bevorderen van de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, teneinde het doeltreffender te maken door het ontwikkelen van een gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie,

j) een beleid op sociaal gebied, met inbegrip van een Europees Sociaal Fonds,

k) de versterking van de economische en sociale samenhang,

l) een beleid op het gebied van het milieu,

m) het versterken van het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap,

n) het stimuleren van onderzoek en technologische ontwikkeling,

o) het aanmoedigen van het invoeren en ontwikkelen van transeuropese netwerken,

p) een bijdrage tot het verwezenlijken van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid,

q) een bijdrage tot onderwijs en opleiding van hoog gehalte, en tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten,

r) een beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking,

s) de associatie van landen en gebieden overzee, teneinde het handelsverkeer uit te breiden en in gezamenlijke inspanning de economische en sociale ontwikkeling te bevorderen,

t) een bijdrage tot de versterking van de consumentenbescherming,

u) maatregelen op het gebied van energie, civiele bescherming en toerisme.

2. Bij elk in dit artikel bedoeld optreden streeft de Gemeenschap ernaar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.

Artikel 4 (ex artikel 3 A)

1. Teneinde de in artikel 2 genoemde doelstellingen te bereiken, omvat het optreden van de lidstaten en de Gemeenschap, onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op de nauwe coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, op de interne markt en op de uitwerking van gemeenschappelijke doelstellingen, en dat wordt gevoerd met inachtneming van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.

2. Gelijktijdig daarmee omvat dit optreden, onder de voorwaarden en volgens het tijdschema en de procedures waarin dit Verdrag voorziet, de onherroepelijke vaststelling van wisselkoersen, leidend tot de invoering van één munt, de Ecu, alsmede het bepalen en voeren van één monetair en wisselkoersbeleid, beide met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit en, onverminderd deze doelstelling, het ondersteunen van het algemene economische beleid in de Gemeenschap, met inachtneming van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.

3. Dit optreden van de lidstaten en van de Gemeenschap impliceert de naleving van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities en een houdbare betalingsbalans.

Artikel 5 (ex artikel 3 B)

De Gemeenschap handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden en toegewezen doelstellingen.

Op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, treedt de Gemeenschap, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt.

Het optreden van de Gemeenschap gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken.

Artikel 6 (ex artikel 3 C)

De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 3, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.

Artikel 7 (ex artikel 4)

1. De vervulling van de aan de Gemeenschap opgedragen taken wordt verzekerd door:

- een EUROPEES PARLEMENT,

- een RAAD,

- een COMMISSIE,

- een HOF VAN JUSTITIE,

- een REKENKAMER.

Iedere instelling handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden.

2. De Raad en de Commissie worden bijgestaan door een Economisch en Sociaal Comité en een Comité van de regio's met raadgevende taak.

Artikel 8 (ex artikel 4 A)

Overeenkomstig de procedures van dit Verdrag worden een Europees Stelsel van centrale banken (hierna _~ESCB” te noemen) en een Europese Centrale Bank (hierna _~ECB” te noemen) opgericht; zij handelen binnen de grenzen van de bevoegdheden die hun door dit Verdrag en de daaraan gehechte statuten van het ESCB en van de ECB (hierna _~statuten van het ESCB” te noemen) worden verleend.

Artikel 9 (ex artikel 4 B)

Er wordt een Europese Investeringsbank opgericht, die handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door dit Verdrag en de daaraan gehechte statuten worden verleend.

Artikel 10 (ex artikel 5)

De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak.

Zij onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen.

Artikel 11 (ex artikel 5 A)

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan, kunnen met inachtneming van de artikelen 43 en 44 van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gemachtigd gebruik te maken van de instellingen, procedures en regelingen van dit Verdrag, mits de beoogde samenwerking:

a) geen betrekking heeft op gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen;

b) geen afbreuk doet aan beleidslijnen, activiteiten of programma's van de Gemeenschap;

c) geen betrekking heeft op het burgerschap van de Unie en niet discrimineert tussen de onderdanen van de lidstaten;

d) binnen de grenzen van de bij dit Verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden blijft; en

e) geen discriminatie of beperking van de handel tussen de lidstaten vormt en de mededingingsvoorwaarden tussen de lidstaten niet vervalst.

2. De in lid 1 bedoelde machtiging wordt verleend door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de instemming om een besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen te nemen, wordt er niet gestemd. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de zaak voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders.

De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan, als bedoeld in lid 1, kunnen daartoe een verzoek richten tot de Commissie, die vervolgens bij de Raad een voorstel kan indienen. Indien de Commissie geen voorstel indient, stelt zij de lidstaten onder opgave van redenen daarvan op de hoogte.

3. Een lidstaat die wil deelnemen aan een overeenkomstig dit artikel ingestelde samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en aan de Commissie, die binnen drie maanden na ontvangst van die kennisgeving advies uitbrengt aan de Raad. Binnen vier maanden na die kennisgeving neemt de Commissie een besluit over het verzoek en over de bijzondere regelingen die zij nodig acht.

4. Op de voor de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten noodzakelijke handelingen en besluiten zijn alle desbetreffende bepalingen van dit Verdrag van toepassing, tenzij anders is bepaald in dit artikel en in de artikelen 43 en 44 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

5. Dit artikel laat de bepalingen van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie onverlet.

Artikel 12 (ex artikel 6)

Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

De Raad kan, volgens de procedure van artikel 251, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.

Artikel 13 (ex artikel 6 A)

Onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, kan de Raad, binnen de grenzen van de door dit Verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.

Artikel 14 (ex artikel 7 A)

1. De Gemeenschap stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992 overeenkomstig de bepalingen van het onderhavige artikel en van de artikelen 15 en 26, artikel 47, lid 2, en de artikelen 49, 80, 93 en 95, onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag.

2. De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van dit Verdrag.

3. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de noodzakelijke beleidslijnen en voorwaarden vast om een evenwichtige vooruitgang in het geheel der betrokken sectoren te garanderen.

Artikel 15 (ex Artikel 7 C)

Bij het formuleren van haar voorstellen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 14 houdt de Commissie rekening met de inspanning die bepaalde volkshuishoudingen met verschillen in ontwikkeling zich moeten getroosten gedurende het tijdvak van instelling van de interne markt, en kan zij passende bepalingen voorstellen.

Indien deze bepalingen de vorm van afwijkingen aannemen, dienen zij van tijdelijke aard te zijn en de werking van de gemeenschappelijke markt zo weinig mogelijk te verstoren.

Artikel 16 (ex artikel 7 D)

Onverminderd de artikelen 73, 86 en 87 en gezien de plaats die de diensten van algemeen economisch belang in de gemeenschappelijke waarden van de Unie innemen, alsook de rol die zij vervullen bij het bevorderen van sociale en territoriale samenhang, dragen de Gemeenschap en de lidstaten er, in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden en binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag zorg voor dat deze diensten functioneren op basis van beginselen en voorwaarden die hen in staat stellen hun taken te vervullen.

TWEEDE DEEL

HET BURGERSCHAP VAN DE UNIE

Artikel 17 (ex artikel 8)

1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld.

Artikel 18 (ex artikel 8 A)

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

2. De Raad kan bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken; tenzij in dit Verdrag anders is bepaald neemt de Raad een besluit volgens de procedure van artikel 251. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 251 met eenparigheid van stemmen.

Artikel 19 (ex artikel 8 B)

1. Iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, bezit het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een lidstaat.

2. Onverminderd artikel 190, lid 4, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, heeft iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een bepaalde lidstaat.

Artikel 20 (ex artikel 8 C)

Iedere burger van de Unie geniet op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat. De lidstaten stellen onderling de nodige regels vast en beginnen de internationale onderhandelingen die met het oog op deze bescherming vereist zijn.

Artikel 21 (ex artikel 8 D)

Iedere burger van de Unie heeft het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten overeenkomstig artikel 194.

Iedere burger van de Unie kan zich wenden tot de overeenkomstig artikel 195 ingestelde ombudsman.

Iedere burger van de Unie kan de in dit artikel of in artikel 7 genoemde instellingen of organen aanschrijven in een van de in artikel 314 genoemde talen en ook in die taal antwoord krijgen.

Artikel 22 (ex artikel 8 E)

De Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van de bepalingen van dit deel van het Verdrag. In dat verslag wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de Unie.

Op basis van dat verslag en onverminderd de overige bepalingen van dit Verdrag, kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen bepalingen ter aanvulling van de in dit deel vastgelegde rechten vaststellen, waarvan hij de aanneming door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.

DERDE DEEL

HET BELEID VAN DE GEMEENSCHAP

TITEL I

HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN

Artikel 23 (ex artikel 9)

1. De Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en welke zowel het verbod medebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor hun betrekkingen met derde landen.

2. De bepalingen van artikel 25 en van hoofdstuk 2 van deze titel zijn van toepassing op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden.

Artikel 24 (ex artikel 10)

Als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd: de producten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend.

Hoofdstuk 1

De douane-unie

Artikel 25 (ex artikel 12)

In- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden. Zulks geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard.

Artikel 26 (ex artikel 28)

De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden door de Raad vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie.

Artikel 27 (ex artikel 29)

Bij de uitvoering van de taken die haar krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk toevertrouwd zijn, laat de Commissie zich leiden door:

a) de noodzaak het handelsverkeer tussen de lidstaten en derde landen te bevorderen,

b) de ontwikkeling van de mededingingsvoorwaarden binnen de Gemeenschap in de mate waarin deze ontwikkeling het vermogen tot mededinging van de ondernemingen zal doen toenemen,

c) de behoeften van de Gemeenschap aan grondstoffen en halffabrikaten, waarbij zij ervoor waakt dat de mededingingsvoorwaarden met betrekking tot eindproducten tussen de lidstaten niet worden vervalst,

d) de noodzaak om ernstige verstoringen van het economisch leven der lidstaten te vermijden en een rationele ontwikkeling van de productie alsook een verruiming van het verbruik in de Gemeenschap te waarborgen.

Hoofdstuk 2

Verbod op kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten

Artikel 28 (ex artikel 30)

Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.

Artikel 29 (ex artikel 34)

Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.

Artikel 30 (ex artikel 36)

De bepalingen van de artikelen 28 en 29 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

Artikel 31 (ex artikel 37)

1. De lidstaten passen hun nationale monopolies van commerciële aard aan in dier voege dat elke discriminatie tussen de onderdanen van de lidstaten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft is uitgesloten.

De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk lichaam waardoor een lidstaat de invoer of de uitvoer tussen de lidstaten in rechte of in feite rechtstreeks of zijdelings beheerst, leidt of aanmerkelijk beïnvloedt. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de door een staat gedelegeerde monopolies.

2. De lidstaten onthouden zich ervan enige nieuwe maatregel te treffen welke tegen de in lid 1 vermelde beginselen indruist of de draagwijdte van de artikelen inzake het verbod op douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten beperkt.

3. Wanneer er een monopolie van commerciële aard bestaat, dat een regeling ter vergemakkelijking van de afzet of van de valorisatie van landbouwproducten omvat, dienen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel gelijkwaardige waarborgen te worden gegeven voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten.

TITEL II

DE LANDBOUW

Artikel 32 (ex artikel 38)

1. De gemeenschappelijke markt omvat mede de landbouw en de handel in landbouwproducten. Onder landbouwproducten worden verstaan de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden.

2. Voorzover in de artikelen 33 tot en met 38 niet anders is bepaald, zijn de regels voor de instelling van de gemeenschappelijke markt van toepassing op de landbouwproducten.

3. De producten welke vallen onder de bepalingen van de artikelen 33 tot en met 38 zijn vermeld in een lijst die als bijlage I aan dit Verdrag is gehecht.

4. De werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor de landbouwproducten dienen gepaard te gaan met de totstandkoming van een gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Artikel 33 (ex artikel 39)

1. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft ten doel:

a) de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren,

b) aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn,

c) de markten te stabiliseren,

d) de voorziening veilig te stellen,

e) redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.

2. Bij het tot stand brengen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de daarvoor te treffen bijzondere voorzieningen zal rekening gehouden worden met:

a) de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden,

b) de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen,

c) het feit, dat de landbouwsector in de lidstaten nauw verweven is met de gehele economie.

Artikel 34 (ex artikel 40)

1. Om de in artikel 33 gestelde doeleinden te bereiken wordt een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand gebracht.

Naar gelang van de producten neemt deze ordening een van de volgende vormen aan:

a) gemeenschappelijke regels inzake mededinging,

b) verplichte coördinatie van de verschillende nationale marktorganisaties,

c) een Europese marktorganisatie.

2. De gemeenschappelijke ordening in een der in lid 1 vermelde vormen kan alle maatregelen medebrengen welke noodzakelijk zijn om de in artikel 33 omschreven doelstellingen te bereiken, met name prijsregelingen, subsidies zowel voor de productie als voor het in de handel brengen der verschillende producten, systemen van voorraadvorming en opslag en gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie van de in- of uitvoer.

Zij moet zich beperken tot het nastreven van de in artikel 33 genoemde doeleinden en elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap uitsluiten.

Een eventueel gemeenschappelijk prijsbeleid moet op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen berusten.

3. Om de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke ordening aan haar doel te laten beantwoorden, kunnen een of meer oriëntatie- en garantiefondsen voor de landbouw in het leven worden geroepen.

Artikel 35 (ex artikel 41)

Teneinde de in artikel 33 omschreven doeleinden te bereiken, kunnen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid met name voorzieningen worden getroffen met betrekking tot:

a) een doeltreffende coördinatie van hetgeen ondernomen wordt op het gebied van de beroepsopleiding, het landbouwkundig onderzoek en de landbouwkundige voorlichting, welke coördinatie gemeenschappelijk gefinancierde projecten of instellingen kan medebrengen,

b) gemeenschappelijke acties voor de ontwikkeling van het verbruik van bepaalde producten.

Artikel 36 (ex artikel 42)

De bepalingen van het hoofdstuk over regels betreffende de mededinging zijn op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten slechts in zoverre van toepassing, als door de Raad met inachtneming van de in artikel 33 vermelde doeleinden zal worden bepaald binnen het raam van de bepalingen en overeenkomstig de procedure van artikel 37, leden 2 en 3.

De Raad kan met name machtiging geven tot het verlenen van steun:

a) ter bescherming van door structurele of natuurlijke omstandigheden benadeelde bedrijven,

b) in het kader van economische ontwikkelingsplannen.

Artikel 37 (ex artikel 43)

1. Teneinde de hoofdlijnen van een gemeenschappelijk landbouwbeleid uit te stippelen, roept de Commissie, zodra het Verdrag in werking is getreden, een conferentie van de lidstaten bijeen, om hun landbouwbeleid onderling te vergelijken met name door een overzicht op te stellen van hun middelen en behoeften.

2. Rekening houdend met de werkzaamheden van de in lid 1 bedoelde conferentie, doet de Commissie, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag voorstellen inzake de totstandbrenging en de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, daarbij inbegrepen de vervanging van de nationale organisaties door een van de in artikel 34, lid 1, genoemde vormen van gemeenschappelijke ordening, alsook de uitvoering van de in deze titel speciaal vermelde maatregelen.

Deze voorstellen dienen rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen de in deze titel genoemde landbouwvraagstukken.

Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europese Parlement stelt de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verordeningen of richtlijnen vast of geeft beschikkingen onverminderd de aanbevelingen die hij zou kunnen doen.

3. De in artikel 34, lid 1, genoemde gemeenschappelijke ordening kan overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de plaats worden gesteld van de nationale marktorganisaties:

a) indien de gemeenschappelijke ordening aan de lidstaten welke tegen deze maatregelen gekant zijn en zelf over een nationale organisatie voor de betrokken productie beschikken, gelijkwaardige waarborgen biedt inzake de werkgelegenheid en de levensstand van de betrokken producenten, met inachtneming van het ritme van de mogelijke aanpassing en van de noodzakelijke specialisatie, en

b) indien deze ordening aan het handelsverkeer binnen de Gemeenschap analoge voorwaarden waarborgt als op een nationale markt bestaan.

4. Wanneer voor bepaalde grondstoffen een gemeenschappelijke ordening in het leven wordt geroepen, voordat er reeds een gemeenschappelijke ordening voor de overeenkomstige verwerkte producten bestaat, mogen de betrokken grondstoffen, gebruikt voor de producten die voor uitvoer naar derde landen zijn bestemd, van buiten de Gemeenschap worden ingevoerd.

Artikel 38 (ex artikel 46)

Wanneer in een lidstaat een product onder een nationale marktorganisatie valt of onder een binnenlandse regeling van gelijke werking welke een gelijksoortige productie in een andere lidstaat bij de mededinging nadelig beïnvloedt, leggen de lidstaten een compenserende heffing op de invoer van dat product uit de lidstaat waar de organisatie of de regeling bestaat, tenzij deze staat een compenserende heffing op de uitvoer toepast.

De Commissie bepaalt de hoogte van deze heffingen zodanig als nodig is om het evenwicht te herstellen; zij kan eveneens machtiging verlenen tot het nemen van andere maatregelen waarvan zij de voorwaarden en wijze van toepassing vaststelt.

TITEL III

HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL

Hoofdstuk 1

De werknemers

Artikel 39 (ex artikel 48)

1. Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om,

a) in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling,

b) zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten,

c) in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden,

d) op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen uitvoeringsverordeningen.

4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.

Artikel 40 (ex artikel 49)

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, bij wege van richtlijnen of verordeningen de maatregelen vast welke nodig zijn om tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in artikel 39 is omschreven, met name door:

a) het verzekeren van een nauwe samenwerking tussen de nationale bestuursinstellingen op het gebied van de arbeid,

b) het afschaffen van de administratieve procedures en handelwijzen, alsmede van de wachttijden voor het aanvaarden van aangeboden betrekkingen voortvloeiende hetzij uit de nationale wetgeving hetzij uit voordien tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten, waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor het vrijmaken van het verkeer van de werknemers,

c) het afschaffen van alle wachttijden en andere beperkingen gesteld hetzij in de nationale wetgeving hetzij in voordien tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten, welke aan de werknemers uit de overige lidstaten andere voorwaarden opleggen voor de vrije keuze van een betrekking dan aan de werknemers van het eigen land,

d) het instellen van organisatorische voorzieningen door welke de aanbiedingen van en de aanvragen om werk met elkaar in aanraking kunnen worden gebracht en door welke het evenwicht daarvan kan worden vergemakkelijkt onder voorwaarden welke ernstige gevaren voor de levensstandaard en de werkgelegenheid in de verschillende gebieden en industrieën uitsluiten.

Artikel 41 (ex artikel 50)

De lidstaten begunstigen de uitwisseling van jeugdige werknemers in het kader van een gemeenschappelijk programma.

Artikel 42 (ex artikel 51)

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 de maatregelen vast welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers met name door een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen:

a) dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen,

b) dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, zullen worden betaald.

De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 251 met eenparigheid van stemmen.

Hoofdstuk 2

Het recht van vestiging

Artikel 43 (ex artikel 52)

In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.

De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.

Artikel 44 (ex artikel 54)

1. Teneinde de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken, beslist de Raad volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité bij wege van richtlijnen.

2. De Raad en de Commissie oefenen de taken uit welke hun door bovenstaande bepalingen worden toevertrouwd, met name:

a) door in het algemeen bij voorrang die werkzaamheden te behandelen waarvoor de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer,

b) door het verzekeren van een nauwe samenwerking tussen de bevoegde nationale bestuursinstellingen teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Gemeenschap te leren kennen,

c) door het afschaffen van die bestuursrechtelijke procedures en handelwijzen, voortvloeiende hetzij uit de nationale wetgeving hetzij uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging,

d) door ervoor te waken dat de werknemers van een der lidstaten welke op het grondgebied van een andere lidstaat te werk zijn gesteld, op dit grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij op het tijdstip waarop zij genoemde bezigheid willen opvatten, eerst in die staat zouden zijn aangekomen,

e) door de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de beginselen van artikel 33, lid 2, niet worden aangetast,

f) door de geleidelijke opheffing der beperkingen van de vrijheid van vestiging in elke in behandeling genomen tak van werkzaamheid toe te passen enerzijds op de oprichtingsvoorwaarden op het grondgebied van een lidstaat van agentschappen, filialen of dochterondernemingen en anderzijds op de toelatingsvoorwaarden voor het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, filialen of dochterondernemingen,

g) door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van de rechtspersonen in de zin van de tweede alinea van artikel 48, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in die rechtspersonen als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken,

h) door ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.

Artikel 45 (ex artikel 55)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn, wat de betrokken lidstaat betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in deze staat, zelfs indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie besluiten dat de bepalingen van dit hoofdstuk op bepaalde werkzaamheden niet van toepassing zijn.

Artikel 46 (ex artikel 56)

1. De voorschriften van dit hoofdstuk en de maatregelen uit hoofde daarvan genomen doen niet af aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.

2. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 richtlijnen vast voor de coördinatie van voornoemde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

Artikel 47 (ex artikel 57)

1. Teneinde de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken, stelt de Raad volgens de procedure van artikel 251 richtlijnen vast inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels.

2. Met hetzelfde doel stelt de Raad volgens de procedure van artikel 251 richtlijnen vast inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten betreffende de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 251 met eenparigheid van stemmen, over richtlijnen waarvan de uitvoering in ten minste een der lidstaten een wijziging van de in de wetgeving neergelegde beginselen betreffende de regeling van beroepen met zich meebrengt voor wat betreft opleiding en voorwaarden voor toegang van natuurlijke personen. In alle overige gevallen besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

3. Wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, is de geleidelijke opheffing van de beperkingen afhankelijk van de coördinatie van de voorwaarden waaronder zij in de verschillende lidstaten worden uitgeoefend.

Artikel 48 (ex artikel 58)

De vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, worden voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de natuurlijke personen die onderdaan zijn van de lidstaten.

Onder vennootschappen worden verstaan maatschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen.

Hoofdstuk 3

De diensten

Artikel 49 (ex artikel 59)

In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Gemeenschap zijn gevestigd.

Artikel 50 (ex artikel 60)

In de zin van dit Verdrag worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voorzover de bepalingen, betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.

De diensten omvatten met name werkzaamheden:

a) van industriële aard,

b) van commerciële aard,

c) van het ambacht,

d) van de vrije beroepen.

Onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel 51 (ex artikel 61)

1. Het vrije verkeer van de diensten op het gebied van het vervoer wordt geregeld door de bepalingen voorkomende in de titel betreffende het vervoer.

2. De liberalisatie van de door banken en verzekeringsmaatschappijen verrichte diensten waarmede kapitaalverplaatsingen gepaard gaan, moet worden verwezenlijkt in overeenstemming met de liberalisatie van het kapitaalverkeer.

Artikel 52 (ex artikel 63)

1. Teneinde de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst te verwezenlijken, stelt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité alsook van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen richtlijnen vast.

2. De in lid 1 bedoelde richtlijnen hebben in het algemeen bij voorrang betrekking op de diensten welke rechtstreeks van invloed zijn op de productiekosten of waarvan de liberalisatie bijdraagt tot het vergemakkelijken van het goederenverkeer.

Artikel 53 (ex artikel 64)

De lidstaten verklaren zich bereid, bij de liberalisatie der diensten verder te gaan dan waartoe zij op grond van de richtlijnen krachtens artikel 52, lid 1, verplicht zijn, indien hun algemene economische toestand en de toestand in de betrokken sector dit toelaten.

De Commissie doet de betrokken lidstaten daartoe aanbevelingen.

Artikel 54 (ex artikel 65)

Zolang de beperkingen op het vrij verrichten van diensten niet zijn opgeheven, passen de lidstaten deze zonder onderscheid naar nationaliteit of naar verblijfplaats toe op al degenen die diensten verrichten als bedoeld in de eerste alinea van artikel 49.

Artikel 55 (ex artikel 66)

De bepalingen van de artikelen 45 tot en met 48 zijn van toepassing op het onderwerp dat in dit hoofdstuk is geregeld.

Hoofdstuk 4

Kapitaal en betalingsverkeer

Artikel 56 (ex artikel 73 B)

1. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.

2. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het betalingsverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.

Artikel 57 (ex artikel 73 C)

1. Het bepaalde in artikel 56 doet geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van nationaal of Gemeenschapsrecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.

2. Hoewel de Raad tracht de doelstelling van een niet aan beperkingen onderworpen vrij kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen zoveel mogelijk te bereiken, kan hij, onverminderd het bepaalde in de overige hoofdstukken van dit Verdrag, op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen maatregelen nemen betreffende het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. Voor maatregelen uit hoofde van dit lid die in het Gemeenschapsrecht een achteruitgang op het gebied van de liberalisatie van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen vormen, is eenparigheid van stemmen vereist.

Artikel 58 (ex artikel 73 D)

1. Het bepaalde in artikel 56 doet niets af aan het recht van de lidstaten:

a) de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;

b) alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.

2. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de toepasbaarheid van beperkingen inzake het recht van vestiging welke verenigbaar zijn met dit Verdrag.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 56.

Artikel 59 (ex artikel 73 F)

Wanneer, in uitzonderlijke omstandigheden, het kapitaalverkeer naar of uit derde landen ernstige moeilijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de werking van de Economische en Monetaire Unie, kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB met gekwalificeerde meerderheid van stemmen ten aanzien van derde landen vrijwaringsmaatregelen nemen voor een periode van ten hoogste zes maanden, indien deze maatregelen strikt noodzakelijk zijn.

Artikel 60 (ex artikel 73 G)

1. Indien in gevallen als bedoeld in artikel 301, een optreden van de Gemeenschap nodig wordt geacht, kan de Raad volgens de procedure van artikel 301 ten aanzien van de betrokken derde landen de nodige urgente maatregelen betreffende het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer nemen.

2. Onverminderd artikel 297 kan een lidstaat, zolang de Raad geen maatregelen overeenkomstig lid 1 heeft genomen, om ernstige politieke redenen in spoedeisende gevallen eenzijdige maatregelen tegen een derde land nemen met betrekking tot het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer. De Commissie en de andere lidstaten worden daarvan uiterlijk op de datum waarop de maatregelen in werking treden, in kennis gesteld.

Op voorstel van de Commissie kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat de betrokken lidstaat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van het door de Raad genomen besluit.

TITEL IV (ex Titel III A)

VISA, ASIEL, IMMIGRATIE EN ANDERE BELEIDSTERREINEN DIE VERBAND HOUDEN MET HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN

Artikel 61 (ex artikel 73 I)

Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid neemt de Raad de volgende maatregelen aan:

a) binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen die erop gericht zijn het vrije verkeer van personen te waarborgen overeenkomstig artikel 14, in samenhang met daarmee rechtstreeks verband houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel en immigratie, overeenkomstig artikel 62, punten 2 en 3, artikel 63, punt 1, onder a), en punt 2, onder a), en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit overeenkomstig artikel 31, onder e), van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

b) andere maatregelen op het gebied van asiel, immigratie en de vrijwaring van de rechten van onderdanen van derde landen, in overeenstemming met artikel 63;

c) maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, als bepaald in artikel 65;

d) passende maatregelen ter stimulering en versterking van de administratieve samenwerking, als bepaald in artikel 66;

e) maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, gericht op een hoog niveau van veiligheid door voorkoming en bestrijding van criminaliteit in de Unie, in overeenstemming met het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Artikel 62 (ex artikel 73 J)

Binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam neemt de Raad volgens de procedure van artikel 67 de volgende maatregelen aan:

1) maatregelen om in overeenstemming met artikel 14 te waarborgen dat personen, ongeacht of het burgers van de Unie dan wel onderdanen van derde landen betreft, bij het overschrijden van de binnengrenzen niet worden gecontroleerd;

2) maatregelen inzake het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten, houdende:

a) normen en procedures die de lidstaten bij de uitvoering van personencontroles aan die grenzen in acht moeten nemen;

b) voorschriften inzake visa voor voorgenomen verblijven van ten hoogste drie maanden, met inbegrip van:

i) de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum, en van derde landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van deze plicht;

ii) de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa door de lidstaten;

iii) een uniform visummodel;

iv) voorschriften betreffende een uniform visum;

3) maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.

Artikel 63 (ex Artikel 73 K)

Binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam neemt de Raad volgens de procedure van artikel 67 de volgende maatregelen aan:

1) maatregelen inzake asiel, in overeenstemming met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen en andere desbetreffende verdragen, op de volgende gebieden:

a) criteria en instrumenten voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land wordt ingediend in één van de lidstaten;

b) minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten;

c) minimumnormen voor het aanmerken van onderdanen van derde landen als vluchteling;

d) minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus;

2) maatregelen inzake vluchtelingen en ontheemden op de volgende gebieden:

a) minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming aan ontheemden uit derde landen die niet naar hun land van oorsprong kunnen terugkeren en voor personen die anderszins internationale bescherming behoeven;

b) bevordering van een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van vluchtelingen en ontheemden;

3) maatregelen inzake immigratiebeleid op de volgende gebieden:

a) voorwaarden voor toegang en verblijf en normen voor de procedures voor de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, met name met het oog op gezinshereniging;

b) illegale immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van repatriëring van illegaal verblijvende personen;

4) maatregelen waarin de rechten en voorwaarden worden omschreven volgens welke onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, in andere lidstaten mogen verblijven.

Door de Raad uit hoofde van de punten 3 en 4 aangenomen maatregelen beletten niet dat een lidstaat op de betrokken gebieden nationale bepalingen handhaaft of vaststelt welke met dit Verdrag en met internationale overeenkomsten verenigbaar zijn.

Voor de uit hoofde van punt 2, onder b), 3, onder a) en punt 4 aan te nemen maatregelen geldt bovengenoemde termijn van vijf jaar niet.

Artikel 64 (ex artikel 73 L)

1. Deze titel laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

2. Indien één of meer lidstaten worden geconfronteerd met een noodsituatie die wordt gekenmerkt door een plotselinge toevloed van onderdanen van derde landen kan de Raad, onverminderd lid 1, ten behoeve van de betrokken lidstaten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie voorlopige maatregelen aannemen voor een periode van ten hoogste zes maanden.

Artikel 65 (ex artikel 73 M)

De maatregelen op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen en die in overeenstemming met artikel 67 en voorzover nodig voor de goede werking van de interne markt moeten worden genomen, omvatten:

a) de verbetering en vereenvoudiging van:

- het systeem van grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken;

- samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen;

- de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met inbegrip van beslissingen in buitengerechtelijke zaken;

b) de bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen;

c) de afschaffing van hinderpalen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering.

Artikel 66 (ex artikel 73 N)

De Raad neemt volgens de procedure van artikel 67 maatregelen om samenwerking tussen de overheidsdiensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door deze titel bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Commissie, te waarborgen.

Artikel 67 (ex artikel 73 O)

1. Gedurende een overgangsperiode van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam besluit de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie of op initiatief van een lidstaat, na raadpleging van het Europees Parlement.

2. Na deze periode van vijf jaar:

- besluit de Raad op voorstel van de Commissie; de Commissie neemt ieder verzoek van een lidstaat om indiening van een voorstel bij de Raad in behandeling;

- neemt de Raad met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement, een besluit teneinde de procedure van artikel 251 toe te passen op alle onder deze titel vallende gebieden, dan wel delen ervan, en de bepalingen betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie aan te passen.

3. In afwijking van de leden 1 en 2, worden maatregelen als bedoeld in artikel 62, punt 2, onder b), i) en iii), na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement aangenomen.

4. In afwijking van lid 2, worden maatregelen als bedoeld in artikel 62, punt 2, onder b), ii) en iv), na verloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad aangenomen volgens de procedure van artikel 251.

Artikel 68 (ex artikel 73 P)

1. Artikel 234 is van toepassing op deze titel onder de volgende omstandigheden en voorwaarden: indien een vraag wordt opgeworpen in verband met de uitlegging van deze titel of de geldigheid of de uitlegging van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de Gemeenschap in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie te verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

2. Het Hof van Justitie is in geen geval bevoegd ten aanzien van krachtens artikel 62, punt 1, genomen maatregelen of besluiten met betrekking tot de handhaving van de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

3. De Raad, de Commissie of een lidstaat kunnen het Hof van Justitie verzoeken een uitspraak te doen over de uitlegging van deze titel of van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de Gemeenschap. De door het Hof van Justitie in antwoord op een dergelijk verzoek gegeven uitspraak heeft geen gevolg ten aanzien van vonnissen van nationale rechterlijke instanties die kracht van gewijsde hebben.

Artikel 69 (ex artikel 73 Q)

Onverminderd het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 14 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland zijn de bepalingen van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland alsmede van het Protocol betreffende de positie van Denemarken op deze titel van toepassing.

TITEL V (ex titel IV)

VERVOER

Artikel 70 (ex artikel 74)

De doelstellingen van het Verdrag worden, wat het in deze titel geregelde onderwerp betreft, door de lidstaten nagestreefd in het kader van een gemeenschappelijk vervoerbeleid.

Artikel 71 (ex artikel 75)

1. Ter uitvoering van artikel 70 stelt de Raad, met inachtneming van de bijzondere aspecten van het vervoer, volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, vast:

a) gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer vanuit of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten,

b) de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot nationaal vervoer in een lidstaat waarin zij niet woonachtig zijn,

c) de maatregelen die de veiligheid van het vervoer kunnen verbeteren,

d) alle overige dienstige bepalingen.

2. In afwijking van de in lid 1 omschreven procedure, worden op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen door de Raad de bepalingen vastgesteld betreffende de beginselen van het vervoerbestel waarvan de toepassing zowel de levensstandaard en de werkgelegenheid in bepaalde streken als het gebruik van het vervoerapparaat ernstig zou kunnen aantasten, met inachtneming van de noodzaak van een aanpassing aan de economische ontwikkeling welke voortvloeit uit de instelling van de gemeenschappelijke markt.

Artikel 72 (ex artikel 76)

Totdat de in artikel 71, lid 1, bedoelde bepalingen zijn vastgesteld en behoudens goedkeuringen van de Raad, met eenparigheid van stemmen verleend, mag geen enkele lidstaat de onderscheidende bepalingen, die ter zake gelden op 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, op de datum van hun toetreding, zodanig veranderen dat zij daardoor in hun rechtstreekse of zijdelingse uitwerking minder gunstig worden voor de vervoerondernemers der overige lidstaten dan voor de nationale vervoerondernemers.

Artikel 73 (ex artikel 77)

Met dit Verdrag zijn verenigbaar de steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip _~openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen.

Artikel 74 (ex artikel 78)

Elke in het kader van dit Verdrag genomen maatregel op het gebied der vrachtprijzen en vervoervoorwaarden moet rekening houden met de economische toestand van de vervoerondernemers.

Artikel 75 (ex artikel 79)

1. In het verkeer binnen de Gemeenschap dienen de discriminaties te worden opgeheven welke daarin bestaan, dat een vervoerondernemer voor dezelfde verbindingen verschillende vrachtprijzen en vervoervoorwaarden voor gelijke goederen toepast naar gelang van het land van herkomst of bestemming van de vervoerde waren.

2. Lid 1 sluit niet uit dat krachtens artikel 71, lid 1, andere maatregelen door de Raad kunnen worden genomen.

3. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, bepalingen vast teneinde de uitvoering van lid 1 te waarborgen.

De Raad kan met name de bepalingen vaststellen welke noodzakelijk zijn om de instellingen van de Gemeenschap in staat te stellen te waken voor de naleving van het in lid 1 vermelde voorschrift en teneinde te verzekeren dat de gebruikers hiervan volledig voordeel trekken.

4. De Commissie onderzoekt eigener beweging of op verzoek van een lidstaat de in lid 1 bedoelde gevallen van discriminatie en neemt, na raadpleging van elke belanghebbende lidstaat, in het kader van de overeenkomstig lid 3 getroffen regeling, de noodzakelijke beschikkingen.

Artikel 76 (ex artikel 80)

1. Het is aan een lidstaat, behoudens machtiging van de Commissie, verboden voor het vervoer binnen de Gemeenschap de toepassing van prijzen en voorwaarden op te leggen welke enig element van steun of bescherming in het belang van een of meer ondernemingen of bepaalde industrieën inhouden.

2. De Commissie onderwerpt eigener beweging of op verzoek van een lidstaat de in lid 1 bedoelde prijzen en voorwaarden aan een onderzoek en houdt daarbij met name rekening, enerzijds met de vereisten van een passend regionaal economisch beleid, met de behoeften van minder ontwikkelde gebieden alsmede met de vraagstukken welke zich in door politieke omstandigheden ernstig benadeelde streken voordoen, en anderzijds met de gevolgen van die prijzen en voorwaarden voor de mededinging tussen de takken van vervoer.

Na raadpleging van elke betrokken lidstaat neemt zij de noodzakelijke beschikkingen.

3. Het in lid 1 bedoelde verbod geldt niet voor mededingingstarieven.

Artikel 77 (ex artikel 81)

De heffingen of andere rechten welke naast de vervoerprijs door een vervoerondernemer in verband met het overschrijden der grens in rekening worden gebracht mogen een redelijk peil niet te boven gaan, gelet op de werkelijke kosten welke door die grensoverschrijding feitelijk zijn veroorzaakt.

De lidstaten streven naar een geleidelijke verlaging van die kosten.

De Commissie kan de lidstaten aanbevelingen doen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 78 (ex artikel 82)

De bepalingen van deze titel staan niet in de weg aan maatregelen, in de Bondsrepubliek Duitsland genomen, voorzover deze noodzakelijk zijn om de economische nadelen door de deling van Duitsland berokkend aan de economie van die streken in de Bondsrepubliek welke door deze deling zijn getroffen, te compenseren.

Artikel 79 (ex artikel 83)

Een comité van raadgevende aard, bestaande uit door de regeringen der lidstaten aangewezen deskundigen, wordt aan de Commissie toegevoegd. Deze raadpleegt het comité over vervoeraangelegenheden, zo dikwijls zij zulks nodig acht, onverminderd de bevoegdheden van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 80 (ex artikel 84)

1. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.

2. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten of, in hoeverre en volgens welke procedure, passende bepalingen voor de zeevaart en de luchtvaart zullen kunnen worden genomen.

De procedurebepalingen van artikel 71, zijn van toepassing.

TITEL VI (ex titel V)

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS BETREFFENDE DE MEDEDINGING, DE BELASTINGEN EN DE ONDERLINGE AANPASSING VAN DE WETGEVINGEN

Hoofdstuk 1

Regels betreffende de mededinging

Eerste afdeling

Regels voor de ondernemingen

Artikel 81 (ex artikel 85)

1. Onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in:

a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden,

b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen,

c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen,

d) het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging,

e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.

3. De bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen echter buiten toepassing worden verklaard

- voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,

- voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, en

- voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen

die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen

a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn,

b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.

Artikel 82 (ex artikel 86)

Onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden, voorzover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan.

Dit misbruik kan met name bestaan in:

a) het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden,

b) het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers,

c) het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging,

d) het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Artikel 83 (ex artikel 87)

1. De verordeningen of richtlijnen dienstig voor de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen 81 en 82 worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, vastgesteld.

2. De in lid 1 bedoelde voorschriften hebben met name ten doel:

a) nakoming van de in artikel 81, lid 1, en in artikel 82 bedoelde verbodsbepalingen te verzekeren door de instelling van geldboeten en dwangsommen;

b) de wijze van toepassing van artikel 81, lid 3, vast te stellen met inachtneming van de noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren, anderzijds de administratieve controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen;

c) in voorkomende gevallen, de werkingssfeer van de bepalingen van de artikelen 81 en 82 voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen;

d) de taak van de Commissie onderscheidenlijk van het Hof van Justitie bij de toepassing van de in dit lid bedoelde bepalingen vast te stellen;

e) de verhouding vast te stellen tussen de nationale wetgevingen enerzijds en de bepalingen van deze afdeling, alsmede de uitvoeringsbepalingen van dit artikel anderzijds.

Artikel 84 (ex artikel 88)

Tot op het tijdstip van inwerkingtreding van de voorschriften, op grond van artikel 83 vastgesteld, beslissen de autoriteiten van de lidstaten over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen en over het misbruik maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt, in overeenstemming met hun nationale recht en de in artikel 81, met name lid 3, en in artikel 82 neergelegde bepalingen.

Artikel 85 (ex artikel 89)

1. Onverminderd het in artikel 84 bepaalde, waakt de Commissie voor de toepassing van de in de artikelen 81 en 82 neergelegde beginselen. Op verzoek van een lidstaat of ambtshalve, en in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, welke haar daarbij behulpzaam zijn, stelt zij een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke inbreuk op bovengenoemde beginselen. Indien haar blijkt dat inbreuk is gepleegd, stelt zij passende middelen voor om daaraan een eind te maken.

2. Wordt aan deze inbreuken geen eind gemaakt, dan stelt de Commissie de inbreuk op de beginselen in een met redenen omklede beschikking vast. Zij kan haar beschikking bekendmaken en de lidstaten machtigen de noodzakelijke tegenmaatregelen, waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, te treffen om de toestand te verhelpen.

Artikel 86 (ex artikel 90)

1. De lidstaten nemen of handhaven met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel welke in strijd is met de regels van dit Verdrag, met name die bedoeld in de artikelen 12 en 81 tot en met 89.

2. De ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van dit Verdrag, met name onder de mededingingsregels, voorzover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Gemeenschap.

3. De Commissie waakt voor de toepassing van dit artikel en richt, voorzover nodig, passende richtlijnen of beschikkingen tot de lidstaten.

Tweede afdeling

Steunmaatregelen van de staten

Artikel 87 (ex artikel 92)

1. Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

2. Met de gemeenschappelijke markt zijn verenigbaar:

a) steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de producten,

b) steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen,

c) steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voorzover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren.

3. Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd:

a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst,

b) steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen,

c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad,

d) steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, wanneer door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad,

e) andere soorten van steunmaatregelen aangewezen bij besluit van de Raad, genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie.

Artikel 88 (ex artikel 93)

1. De Commissie onderwerpt te zamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.

2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn.

Indien deze staat dat besluit niet binnen de gestelde termijn nakomt, kan de Commissie of iedere andere belanghebbende staat zich in afwijking van de artikelen 226 en 227 rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden.

Op verzoek van een lidstaat kan de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen dat een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van de bepalingen van artikel 87 of van de in artikel 89 bedoelde verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de gemeenschappelijke markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Als de Commissie met betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea van dit lid vermelde procedure heeft aangevangen wordt deze door het verzoek van de betrokken staat aan de Raad geschorst, totdat de Raad zijn standpunt heeft bepaald.

Evenwel, indien de Raad binnen een termijn van drie maanden te rekenen van het verzoek zijn standpunt niet heeft bepaald, beslist de Commissie.

3. De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.

Artikel 89 (ex artikel 94)

De Raad kan op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen alle verordeningen vaststellen, dienstig voor de toepassing van de artikelen 87 en 88, en met name de voorwaarden voor de toepassing van artikel 88, lid 3, bepalen alsmede de van die procedure vrijgestelde soorten van steunmaatregelen.

Hoofdstuk 2

Bepalingen betreffende belastingen

Artikel 90 (ex artikel 95)

De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.

Artikel 91 (ex artikel 96)

Bij de uitvoer van producten naar het grondgebied van een der lidstaten mag de teruggave van binnenlandse belastingen niet het bedrag overschrijden dat daarop al dan niet rechtstreeks geheven is.

Artikel 92 (ex artikel 98)

Met betrekking tot andere belastingen dan de omzetbelasting, de accijnzen en de overige indirecte belastingen mogen vrijstellingen en teruggaven bij uitvoer naar de andere lidstaten slechts worden verleend en compenserende belastingen bij invoer uit de lidstaten slechts worden geheven, voorzover de bedoelde maatregelen van tevoren voor een beperkte periode door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie zijn goedgekeurd.

Artikel 93 (ex artikel 99)

De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen de bepalingen vast die betrekking hebben op de harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting, de accijnzen en de andere indirecte belastingen, voorzover deze harmonisatie noodzakelijk is om de instelling en de werking van de interne markt binnen de in artikel 14 gestelde termijn te verzekeren.

Hoofdstuk 3

De aanpassing van de wetgevingen

Artikel 94 (ex artikel 100)

De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen richtlijnen vast voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt.

Artikel 95 (ex artikel 100 A)

1. In afwijking van artikel 94 en tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, zijn de volgende bepalingen van toepassing voor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 14. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen vast inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen.

2. Lid 1 is niet van toepassing op de fiscale bepalingen, op de bepalingen inzake het vrije verkeer van personen en op de bepalingen inzake de rechten en belangen van werknemers.

3. De Commissie zal bij haar in lid 1 bedoelde voorstellen op het gebied van de volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming uitgaan van een hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd. Ook het Europees Parlement en de Raad zullen binnen hun respectieve bevoegdheden deze doelstelling trachten te verwezenlijken.

4. Wanneer een lidstaat het, nadat de Raad of de Commissie een harmonisatiemaatregel heeft genomen, noodzakelijk acht nationale bepalingen te handhaven die hun rechtvaardiging vinden in gewichtige eisen als bedoeld in artikel 30 of verband houdend met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu, geeft hij zowel van die bepalingen als van de redenen voor het handhaven ervan, kennis aan de Commissie.

5. Wanneer een lidstaat het na het nemen van een harmonisatiemaatregel door de Raad of de Commissie noodzakelijk acht, nationale bepalingen te treffen die gebaseerd zijn op nieuwe wetenschappelijke gegevens die verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu vanwege een specifiek probleem dat zich in die lidstaat heeft aangediend nadat de harmonisatiemaatregel is genomen, stelt hij de Commissie voorts, onverminderd lid 4, in kennis van de voorgenomen bepalingen en de redenen voor het vaststellen ervan.

6. Binnen zes maanden na de in de leden 4 en 5 bedoelde kennisgevingen keurt de Commissie de betrokken nationale bepalingen goed of wijst die af, nadat zij heeft nagegaan of zij al dan niet een middel tot willekeurige discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten, of een hinderpaal voor de werking van de interne markt vormen.

Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit neemt, worden de in lid 4 en lid 5 bedoelde nationale bepalingen geacht te zijn goedgekeurd.

Indien het complexe karakter van de aangelegenheid zulks rechtvaardigt en er geen gevaar bestaat voor de gezondheid van de mens, kan de Commissie de betrokken lidstaat ervan in kennis stellen dat de in dit lid bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd.

7. Indien een lidstaat krachtens lid 6 gemachtigd is om nationale bepalingen te handhaven of te treffen die afwijken van een harmonisatiemaatregel, onderzoekt de Commissie onverwijld of er een aanpassing van die maatregel moet worden voorgesteld.

8. Indien een lidstaat een specifiek probleem in verband met volksgezondheid aan de orde stelt op een gebied waarop eerder harmonisatiemaatregelen zijn genomen, brengt hij dit ter kennis van de Commissie die onverwijld onderzoekt of zij passende maatregelen aan de Raad moet voorstellen.

9. In afwijking van de procedure van de artikelen 226 en 227 kan de Commissie of een lidstaat zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden indien zij/hij meent dat een andere lidstaat misbruik maakt van de in dit artikel bedoelde bevoegdheden.

10. Bovenbedoelde harmonisatiemaatregelen omvatten, in passende gevallen, een vrijwaringsclausule die de lidstaten machtigt om, op grond van één of meer van de in artikel 30 bedoelde niet-economische redenen, voorlopige maatregelen te treffen die aan een communautaire toetsingsprocedure worden onderworpen.

Artikel 96 (ex artikel 101)

Ingeval de Commissie vaststelt dat een dispariteit tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt vervalst en zodoende een distorsie veroorzaakt welke moet worden opgeheven, raadpleegt zij de betrokken lidstaten.

Indien deze raadpleging niet leidt tot overeenstemming waardoor de betrokken distorsie wordt opgeheven, stelt de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie de voor dat doel noodzakelijke richtlijnen vast. De Commissie en de Raad kunnen alle andere dienstige maatregelen nemen welke dit Verdrag voorziet.

Artikel 97 (ex artikel 102)

1. Wanneer er aanleiding bestaat te vrezen dat de vaststelling of de wijziging van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling een distorsie in de zin van artikel 96 veroorzaakt, raadpleegt de lidstaat, die daartoe wil overgaan, de Commissie. Na de lidstaten te hebben geraadpleegd, beveelt de Commissie de betrokken staten passende maatregelen aan om deze distorsie te voorkomen.

2. Indien de staat die nationale bepalingen wil vaststellen of wijzigen niet handelt overeenkomstig de aanbeveling welke de Commissie hem heeft gedaan, kan bij toepassing van artikel 96 van de andere lidstaten niet worden verlangd dat zij hun nationale bepalingen wijzigen om deze distorsie op te heffen. Indien de lidstaat die aan de aanbeveling van de Commissie geen gevolg heeft gegeven, een distorsie veroorzaakt waarvan alleen hijzelf nadeel ondervindt, zijn de bepalingen van artikel 96 niet van toepassing.

TITEL VII (ex titel VI)

ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID

Hoofdstuk 1

Economisch beleid

Artikel 98 (ex artikel 102 A)

De lidstaten voeren hun economisch beleid teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap, als omschreven in artikel 2, en in het kader van de in artikel 99, lid 2, bedoelde globale richtsnoeren. De lidstaten en de Gemeenschap handelen in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 4.

Artikel 99 (ex artikel 103)

1. De lidstaten beschouwen hun economisch beleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en coördineren het in het kader van de Raad, overeenkomstig het bepaalde in artikel 98.

2. De Raad stelt, op aanbeveling van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ontwerp op voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap, en legt zijn bevindingen in een verslag aan de Europese Raad voor.

Aan de hand van dit verslag van de Raad bespreekt de Europese Raad een conclusie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap.

Uitgaande van deze conclusie neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een aanbeveling aan, waarin deze globale richtsnoeren zijn vastgelegd. De Raad stelt het Europees Parlement van zijn aanbeveling in kennis.

3. Teneinde een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te verzekeren, ziet de Raad aan de hand van door de Commissie ingediende rapporten, toe op de economische ontwikkelingen in elke lidstaat en in de Gemeenschap, alsmede op de overeenstemming van het economisch beleid met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren, en verricht hij regelmatig een algehele evaluatie.

Met het oog op dit multilaterale toezicht verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over de belangrijke maatregelen die zij in het kader van hun economisch beleid hebben genomen, en alle andere informatie die zij nodig achten.

4. Wanneer in het kader van de procedure van lid 3 blijkt dat het economisch beleid van een lidstaat niet overeenkomt met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren of dat dit beleid de goede werking van de Economische en Monetaire Unie in gevaar dreigt te brengen, kan de Raad op aanbeveling van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de nodige aanbevelingen tot die lidstaat richten. De Raad kan op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten zijn aanbevelingen openbaar te maken.

De voorzitter van de Raad en de Commissie brengen het Europees Parlement verslag uit over de resultaten van het multilaterale toezicht. De voorzitter van de Raad kan worden verzocht om voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement te verschijnen, indien de Raad zijn aanbevelingen openbaar heeft gemaakt.

5. De Raad kan volgens de procedure van artikel 252 nadere bepalingen voor de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde multilaterale toezichtprocedure vaststellen.

Artikel 100 (ex artikel 103 A)

1. Onverminderd de overige procedures waarin dit Verdrag voorziet, kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen de voor de economische situatie passende maatregelen nemen, met name indien zich bij de voorziening van bepaalde producten ernstige moeilijkheden voordoen.

2. In geval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden in een lidstaat, die worden veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen die deze lidstaat niet kan beheersen, kan de Raad op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, onder bepaalde voorwaarden communautaire financiële bijstand aan de betrokken lidstaat verlenen. Wanneer de grote moeilijkheden worden veroorzaakt door natuurrampen, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement van het genomen besluit in kennis.

Artikel 101 (ex artikel 104)

1. Het verlenen van voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten bij de ECB of de centrale banken van de lidstaten, (hierna _~nationale centrale banken” te noemen), ten behoeve van instellingen of organen van de Gemeenschap, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten, alsmede het rechtstreeks van hen kopen door de ECB of nationale centrale banken van schuldbewijzen, zijn verboden.

2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op kredietinstellingen die in handen van de overheid zijn en waaraan in het kader van de liquiditeitsvoorziening door centrale banken dezelfde behandeling door de nationale centrale banken en de ECB wordt gegeven als aan particuliere kredietinstellingen.

Artikel 102 (ex artikel 104 A)

1. Niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen waardoor instellingen of organen van de Gemeenschap, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten een bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen krijgen, zijn verboden.

2. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 252 vóór 1 januari 1994 definities vast voor de toepassing van het in lid 1 bedoelde verbod.

Artikel 103 (ex artikel 104 B)

1. De Gemeenschap is niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten en neemt deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van een specifiek project. De lidstaten zijn niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van een andere lidstaat en nemen deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van een specifiek project.

2. Indien nodig kan de Raad volgens de procedure van artikel 252 definities vaststellen voor de toepassing van de in artikel 101 en in dit artikel bedoelde verbodsbepalingen.

Artikel 104 (ex artikel 104 C)

1. De lidstaten vermijden buitensporige overheidstekorten.

2. De Commissie ziet toe op de ontwikkeling van de begrotingsactie en de omvang van de overheidsschuld in de lidstaten, teneinde aanzienlijke tekortkomingen vast te stellen. Met name gaat de Commissie op basis van de volgende twee criteria na of de hand wordt gehouden aan de begrotingsdiscipline:

a) of de verhouding tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het bruto binnenlands product een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij,

- hetzij de verhouding in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de referentiewaarde benadert;

- hetzij de overschrijding van de referentiewaarde slechts van uitzonderlijke en tijdelijke aard is en de verhouding dicht bij de referentiewaarde blijft;

b) of de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij de verhouding in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert.

De referentiewaarden worden nader omschreven in het aan dit Verdrag gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten.

3. Indien een lidstaat niet voldoet aan deze of aan een van deze criteria, stelt de Commissie een verslag op. In het verslag van de Commissie wordt er tevens rekening mee gehouden of het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid en worden alle andere relevante factoren in aanmerking genomen, met inbegrip van de economische en budgettaire situatie van de lidstaat op middellange termijn.

Voorts kan de Commissie een verslag opstellen indien zij - ook al is aan de criteria voldaan - van mening is dat er gevaar voor een buitensporig tekort in een lidstaat aanwezig is.

4. Het in artikel 114 bedoelde Comité brengt advies uit over het verslag van de Commissie.

5. Indien de Commissie van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan, brengt zij advies uit aan de Raad.

6. Op aanbeveling van de Commissie en rekening houdend met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, besluit de Raad, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat.

7. Wanneer overeenkomstig lid 6 is besloten dat er een buitensporig tekort bestaat, richt de Raad aanbevelingen tot de betrokken lidstaat om te bereiken dat deze situatie binnen een bepaalde periode wordt verholpen. Behoudens het bepaalde in lid 8, worden deze aanbevelingen niet openbaar gemaakt.

8. Wanneer de Raad vaststelt dat binnen de voorgeschreven periode geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven, kan hij zijn aanbevelingen openbaar maken.

9. Wanneer een lidstaat blijft verzuimen uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Raad, kan de Raad besluiten de betrokken lidstaat aan te manen binnen een voorgeschreven termijn maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die de Raad nodig acht om de situatie te verhelpen.

In dat geval kan de Raad de betrokken lidstaat verzoeken volgens een nauwkeurig tijdschema verslag uit te brengen, teneinde na te gaan welke aanpassingsmaatregelen die lidstaat heeft getroffen.

10. Het recht om een klacht in te dienen, als bedoeld in de artikelen 226 en 227, kan niet worden uitgeoefend in het kader van de toepassing van de leden 1 tot en met 9 van dit artikel.

11. Zolang een lidstaat zich niet voegt naar een overeenkomstig lid 9 genomen besluit, kan de Raad één of meer van de volgende maatregelen toepassen of in voorkomend geval aanscherpen:

- eisen dat de betrokken lidstaat door de Raad te bepalen aanvullende informatie openbaar maakt voordat hij obligaties en andere waardepapieren uitgeeft;

- de Europese Investeringsbank verzoeken haar beleid inzake kredietverstrekking ten aanzien van de betrokken lidstaat opnieuw te bezien;

- eisen dat de betrokken lidstaat bij de Gemeenschap een niet-rentedragend bedrag van een passende omvang deponeert, totdat het buitensporige tekort naar het oordeel van de Raad is gecorrigeerd;

- boeten van een passende omvang opleggen.

De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement van de genomen besluiten in kennis.

12. De Raad trekt de in de leden 6 tot en met 9 en 11 bedoelde besluiten of sommige daarvan in, indien hij van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd. Indien de Raad voordien aanbevelingen openbaar heeft gemaakt, legt hij, zodra het besluit uit hoofde van lid 8 is ingetrokken, een openbare verklaring af waarin wordt gezegd dat er niet langer een buitensporig tekort in de betrokken lidstaat bestaat.

13. De in de leden 7 tot en met 9, 11 en 12 bedoelde besluiten worden door de Raad op aanbeveling van de Commissie genomen met een meerderheid van twee derde van de volgens artikel 205, lid 2, gewogen stemmen van zijn leden, met uitsluiting van de stemmen van de vertegenwoordiger van de betrokken lidstaat.

14. Verdere bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de in dit artikel omschreven procedure zijn opgenomen in het aan dit Verdrag gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten.

Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en van de ECB, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen passende bepalingen aan die in de plaats van voornoemd protocol komen.

Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit lid, stelt de Raad vóór 1 januari 1994 op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen nadere voorschriften en definities voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol vast.

Hoofdstuk 2

Monetair beleid

Artikel 105 (ex artikel 105)

1. Het hoofddoel van het ESCB is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit ondersteunt het ESCB het algemene economische beleid in de Gemeenschap teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2 omschreven doelstellingen van de Gemeenschap. Het ESCB handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 4.

2. De via het ESCB uit te voeren fundamentele taken zijn:

- het bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid van de Gemeenschap;

- het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met de bepalingen van artikel 111;

- het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten;

- het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer.

3. Het bepaalde in lid 2, derde streepje, laat het aanhouden en beheren van werksaldi in buitenlandse valuta's door de regeringen van de lidstaten onverlet.

4. De ECB wordt geraadpleegd:

- over elk voorstel voor een communautair besluit op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen;

- door de nationale autoriteiten over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad volgens de procedure van artikel 107, lid 6, vaststelt.

De ECB kan advies uitbrengen aan de geëigende instellingen of organen van de Gemeenschap of aan nationale autoriteiten omtrent aangelegenheden op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen.

5. Het ESCB draagt bij tot een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

6. De Raad kan op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB en met instemming van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen besluiten aan de ECB specifieke taken op te dragen betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen.

Artikel 106 (ex artikel 105 A)

1. De ECB heeft het alleenrecht machtiging te geven tot de uitgifte van bankbiljetten binnen de Gemeenschap. De ECB en de nationale centrale banken mogen bankbiljetten uitgeven. De door de ECB en de nationale centrale banken uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Gemeenschap de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben.

2. De lidstaten kunnen munten uitgeven, onder voorbehoud van goedkeuring van de ECB met betrekking tot de omvang van de uitgifte. De Raad kan, volgens de procedure van artikel 252 en na raadpleging van de ECB, maatregelen nemen om de nominale waarden en technische specificaties van alle voor circulatie bestemde munten te harmoniseren voorzover dit nodig is voor een goede circulatie van munten binnen de Gemeenschap.

Artikel 107 (ex artikel 106)

1. Het ESCB bestaat uit de ECB en de nationale centrale banken.

2. De ECB bezit rechtspersoonlijkheid.

3. Het ESCB wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de ECB, te weten de Raad van bestuur en de directie.

4. De statuten van het ESCB zijn opgenomen in een aan dit Verdrag gehecht protocol.

5. De artikelen 5.1, 5.2, 5.3, 17, 18, 19.1, 22, 23, 24, 26, 32.2, 32.3, 32.4, 32.6, 33.1 a en 36 van de statuten van het ESCB kunnen door de Raad worden gewijzigd met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de ECB en na raadpleging van de Commissie, of met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB. In beide gevallen is de instemming van het Europees Parlement vereist.

6. De in de artikelen 4, 5.4, 19.2, 20, 28.1, 29.2, 30.4 en 34.3 van de statuten van de ESCB bedoelde bepalingen worden door de Raad aangenomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en de ECB, hetzij op aanbeveling van de ECB en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie.

Artikel 108 (ex artikel 107)

Bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij dit Verdrag en de statuten van het ESCB aan hen zijn opgedragen, is het noch de ECB, noch een nationale centrale bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen of organen van de Gemeenschap, van regeringen van lidstaten of van enig ander orgaan. De instellingen en organen van de Gemeenschap alsmede de regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de ECB of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden.

Artikel 109 (ex artikel 108)

Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, uiterlijk op de datum van oprichting van het ESCB verenigbaar is met dit Verdrag en met de statuten van het ESCB.

Artikel 110 (ex artikel 108 A)

1. Ter uitvoering van de aan het ESCB opgedragen taken, zal de ECB, overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag en onder de voorwaarden van de statuten van het ESCB:

- verordeningen vaststellen voorzover nodig voor de uitvoering van de taken omschreven in artikel 3.1, eerste streepje, artikel 19.1, artikel 22 of artikel 25.2 van de statuten van het ESCB, alsmede in de gevallen die worden bepaald in de in artikel 107, lid 6, bedoelde besluiten van de Raad;

- de beschikkingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van de bij dit Verdrag en de statuten van het ESCB aan het ESCB opgedragen taken;

- aanbevelingen doen en adviezen uitbrengen.

2. Een verordening is van algemene toepassing. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten.

Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend.

Een beschikking is verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij is gericht.

De artikelen 253 tot en met 256 zijn van toepassing op de verordeningen en beschikkingen van de ECB.

De ECB kan besluiten haar beschikkingen, aanbevelingen en adviezen openbaar te maken.

3. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 107, lid 6, worden vastgesteld, is de ECB gerechtigd om ondernemingen boeten of dwangsommen op te leggen bij niet-naleving van de verplichtingen krachtens haar verordeningen en beschikkingen.

Artikel 111 (ex artikel 109)

1. In afwijking van artikel 300 kan de Raad met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de ECB of van de Commissie en na raadpleging van de ECB teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, en na raadpleging van het Europees Parlement, overeenkomstig de in lid 3 voor de vaststelling van in regelingen omschreven procedures, formele overeenkomsten sluiten over een wisselkoerssysteem voor de Ecu ten opzichte van niet-Gemeenschapsvaluta's. De Raad kan, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de ECB of van de Commissie en na raadpleging van de ECB teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, de Ecu-spilkoersen binnen het wisselkoerssysteem invoeren, wijzigen of afschaffen. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van de invoering, wijziging of afschaffing van de Ecu-spilkoers.

2. Bij gebreke van een wisselkoerssysteem ten opzichte van één of meer niet-Gemeenschapsvaluta's als bedoeld in lid 1, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de ECB, of op aanbeveling van de ECB, algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van deze valuta's vaststellen. Deze algemene oriëntaties laten het hoofddoel van het ESCB, zijnde het handhaven van de prijsstabiliteit, onverlet.

3. In afwijking van artikel 300 neemt de Raad, wanneer de Gemeenschap onderhandelingen met één of meer staten of internationale organisaties moet voeren over aangelegenheden betreffende het monetaire of wisselkoersregime, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de ECB, besluiten over de regelingen voor de onderhandelingen over en de sluiting van dergelijke overeenkomsten. Deze regelingen verzekeren dat de Gemeenschap één standpunt inneemt. De Commissie wordt ten volle bij de onderhandelingen betrokken.

Overeenkomsten die in overeenstemming met dit lid worden gesloten, zijn bindend voor de instellingen van de Gemeenschap, de ECB en de lidstaten.

4. Onder voorbehoud van lid 1 besluit de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over het standpunt van de Gemeenschap in internationale fora ten aanzien van onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor de Economische en Monetaire Unie, en met eenparigheid van stemmen over de wijze waarop zij overeenkomstig de in de artikelen 99 en 105 vastgelegde bevoegdheidsverdeling wordt vertegenwoordigd.

5. Onverminderd de bevoegdheid van de Gemeenschap en de overeenkomsten van de Gemeenschap ten aanzien van de Economische en Monetaire Unie, mogen de lidstaten in internationale organen onderhandelingen voeren en internationale overeenkomsten sluiten.

Hoofdstuk 3

Institutionele bepalingen

Artikel 112 (ex artikel 109 A)

1. De Raad van bestuur van de ECB bestaat uit de leden van de directie van de ECB en de presidenten van de nationale centrale banken.

2. a) De directie bestaat uit de president, de vice-president en vier andere leden.

b) De president, de vice-president en de overige leden van de directie worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied en worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders benoemd op aanbeveling van de Raad, die het Europees Parlement en de Raad van bestuur van de ECB heeft geraadpleegd.

Zij worden voor een periode van acht jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar.

Alleen zij die de nationaliteit van één van de lidstaten bezitten, kunnen lid van de directie zijn.

Artikel 113 (ex artikel 109 B)

1. De voorzitter van de Raad en een lid van de Commissie mogen zonder stemrecht aan de vergaderingen van de Raad van bestuur van de ECB deelnemen.

De voorzitter van de Raad kan aan de Raad van bestuur van de ECB een motie ter bespreking voorleggen.

2. De president van de ECB wordt uitgenodigd om aan de vergaderingen van de Raad deel te nemen wanneer deze aangelegenheden bespreekt met betrekking tot de doelstellingen en de taken van het ESCB.

3. De ECB stelt een jaarverslag over de werkzaamheden van het ESCB en over het monetair beleid in het afgelopen jaar en het lopende jaar op voor het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsmede voor de Europese Raad. De president van de ECB legt dit verslag voor aan de Raad en aan het Europees Parlement dat op die basis een algemeen debat kan houden.

De president van de ECB en de overige leden van de directie kunnen op verzoek van het Europees Parlement of op eigen initiatief worden gehoord door de bevoegde commissies van het Europees Parlement.

Artikel 114 (ex artikel 109 C)

1. Teneinde de coördinatie van het beleid van de lidstaten te bevorderen in de volle omvang die nodig is voor de werking van de interne markt, wordt een Monetair Comité van raadgevende aard ingesteld.

Het Monetair Comité heeft tot taak:

- de monetaire en financiële toestand van de lidstaten en van de Gemeenschap alsmede de algemene regeling van het betalingsverkeer van de lidstaten te volgen en ter zake regelmatig aan de Raad en aan de Commissie verslag uit te brengen;

- hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief adviezen aan deze instellingen uit te brengen;

- onverminderd artikel 207, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad, bedoeld in de artikelen 59 en 60, artikel 99, leden 2, 3, 4 en 5, de artikelen 100, 102, 103 en 104, artikel 116, lid 2, artikel 117, lid 6, artikel 119, artikel 120, artikel 121, lid 2, en artikel 122, lid 1;

- ten minste eenmaal per jaar de toestand te onderzoeken met betrekking tot het kapitaalverkeer en de vrijheid van het betalingsverkeer, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag en van door de Raad genomen maatregelen; dit onderzoek heeft betrekking op alle maatregelen betreffende kapitaalverkeer en betalingsverkeer; het Comité brengt de Commissie en de Raad verslag uit over de resultaten van dit onderzoek.

De lidstaten en de Commissie benoemen ieder twee leden van het Monetair Comité.

2. Aan het begin van de derde fase wordt een Economisch en Financieel Comité ingesteld. Het in lid 1 bedoelde Monetair Comité wordt ontbonden.

Het Economisch en Financieel Comité heeft tot taak:

- hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief adviezen aan deze instellingen uit te brengen;

- de economische en financiële toestand van de lidstaten en van de Gemeenschap te volgen en ter zake regelmatig aan de Raad en aan de Commissie verslag uit te brengen, inzonderheid wat betreft de financiële betrekkingen met derde landen en internationale instellingen;

- onverminderd artikel 207, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad, bedoeld in de artikelen 59 en 60, artikel 99, leden 2, 3, 4 en 5, de artikelen 100, 102, 103 en 104, artikel 105, lid 6, artikel 106, lid 2, artikel 107, leden 5 en 6, de artikelen 111 en 119, artikel 120, leden 2 en 3, artikel 122, lid 2, en artikel 123, leden 4 en 5, en andere adviserende en voorbereidende taken die de Raad aan het Comité heeft opgedragen, uit te voeren;

- ten minste eenmaal per jaar de toestand te onderzoeken met betrekking tot het kapitaalverkeer en de vrijheid van het betalingsverkeer, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag en van door de Raad genomen maatregelen; dit onderzoek heeft betrekking op alle maatregelen betreffende kapitaalverkeer en betalingsverkeer; het Comité brengt de Commissie en de Raad verslag uit over de resultaten van dit onderzoek.

De lidstaten, de Commissie en de ECB benoemen ieder ten hoogste twee leden van het Comité.

3. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB en het in dit artikel bedoelde Comité, nadere bepalingen betreffende de samenstelling van het Economisch en Financieel Comité vast. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement van het desbetreffende besluit in kennis.

4. Naast de vervulling van de in lid 2 genoemde taken volgt het Comité, indien en zolang er lidstaten zijn met een derogatie als bedoeld in de artikelen 122 en 123, de monetaire en financiële toestand en de algemene regeling van het betalingsverkeer van die lidstaten en brengt het ter zake regelmatig verslag uit aan de Raad en aan de Commissie.

Artikel 115 (ex artikel 109 D)

De Raad of een lidstaat kan de Commissie verzoeken een aanbeveling of een voorstel te doen betreffende aangelegenheden die onder artikel 99, lid 4, artikel 104, met uitzondering van lid 14, de artikelen 111, 121, 122 en artikel 123, leden 4 en 5, vallen. De Commissie onderzoekt dit verzoek en legt haar conclusies onverwijld aan de Raad voor.

Hoofdstuk 4

Overgangsbepalingen

Artikel 116 (ex artikel 109 E)

1. De tweede fase voor de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie begint op 1 januari 1994.

2. Vóór die datum,

a) - treffen de lidstaten voorzover nodig passende maatregelen ter naleving van de verbodsbepalingen van artikel 56, van artikel 101 en van artikel 102, lid 1;

- stellen de lidstaten, indien nodig, met het oog op de onder b) bedoelde evaluatie, meerjarenprogramma's vast die moeten leiden tot de voor de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie noodzakelijke duurzame convergentie, met name wat betreft prijsstabiliteit en gezonde overheidsfinanciën;

b) evalueert de Raad aan de hand van een verslag van de Commissie de vooruitgang die met betrekking tot de economische en monetaire convergentie is geboekt, met name wat betreft prijsstabiliteit en gezonde overheidsfinanciën en de vorderingen bij de tenuitvoerlegging van de Gemeenschapswetgeving betreffende de interne markt.

3. Het bepaalde in de artikelen 101, 102, lid 1, 103, lid 1, en 104, met uitzondering van de leden 1, 9, 11 en 14, is van toepassing vanaf de aanvang van de tweede fase.

Het bepaalde in de artikelen 100, lid 2, 104, leden 1, 9 en 11, 105, 106, 108, 111, 112, 113 en 114, leden 2 en 4, is van toepassing vanaf de aanvang van de derde fase.

4. In de tweede fase streven de lidstaten ernaar buitensporige overheidstekorten te voorkomen.

5. Tijdens de tweede fase brengt elke lidstaat, voorzover nodig, het proces op gang dat moet leiden tot de onafhankelijkheid van zijn centrale bank, overeenkomstig artikel 109.

Artikel 117 (ex artikel 109 F)

1. Aan het begin van de tweede fase wordt een Europees Monetair Instituut (hierna _~EMI” te noemen) opgericht en vangt het zijn taken aan; het bezit rechtspersoonlijkheid en wordt bestuurd en beheerd door een Raad, bestaande uit een president en de presidenten van de nationale centrale banken, van wie één vice-president is.

De president wordt in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders benoemd, op aanbeveling van de Raad van het EMI, en na raadpleging van de Raad en het Europees Parlement. De president wordt gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied. Alleen zij die de nationaliteit van één van de lidstaten bezitten kunnen president van het EMI worden. De Raad van het EMI benoemt de vice-president.

De statuten van het EMI zijn opgenomen in een aan dit Verdrag gehecht protocol.

2. Het EMI heeft tot taak:

- de samenwerking tussen de nationale centrale banken van de lidstaten te versterken;

- de coördinatie van het monetair beleid van de lidstaten te versterken teneinde prijsstabiliteit te verzekeren;

- toe te zien op de werking van het Europees Monetair Stelsel;

- overleg te plegen over aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de nationale centrale banken vallen en die van invloed zijn op de stabiliteit van de financiële instellingen en markten;

- de taken over te nemen van het Europees Fonds voor monetaire samenwerking, dat wordt ontbonden; de nadere bepalingen betreffende de ontbinding staan in de statuten van het EMI;

- het gebruik van de Ecu te vergemakkelijken en toe te zien op de ontwikkeling van de Ecu, met inbegrip van de goede werking van het Ecu-verrekeningssysteem.

3. Ter voorbereiding van de derde fase heeft het EMI tot taak:

- de instrumenten en procedures voor te bereiden die nodig zijn voor het voeren van één monetair beleid in de derde fase;

- waar nodig de harmonisatie te bevorderen van de regels en werkwijzen voor het verzamelen, opmaken en verspreiden van statistieken betreffende de gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen;

- de regels voor te bereiden voor de werkzaamheden die de nationale centrale banken in het kader van het ESCB moeten verrichten;

- de doelmatigheid van het grensoverschrijdende betalingsverkeer te bevorderen;

- toe te zien op de technische voorbereiding van Ecu-bankbiljetten.

Uiterlijk op 31 december 1996 werkt het EMI het juridische, organisatorische en logistieke kader uit dat nodig is om het ESCB in de derde fase zijn taken te laten vervullen. Dit kader wordt met het oog op vaststelling voorgelegd aan de ECB op het tijdstip van haar oprichting.

4. Het EMI kan met een meerderheid van twee derde van de stemmen van zijn Raad:

- adviezen uitbrengen of aanbevelingen doen over de algemene richting van het monetair beleid en het wisselkoersbeleid alsmede over de desbetreffende maatregelen die in iedere lidstaat worden getroffen;

- adviezen uitbrengen of aanbevelingen doen aan de regeringen en de Raad over het beleid dat van invloed kan zijn op de interne of externe monetaire situatie in de Gemeenschap en met name op de werking van het Europees Monetair Stelsel;

- aanbevelingen doen aan de monetaire autoriteiten van de lidstaten over het te voeren monetair beleid.

5. Het EMI kan met eenparigheid van stemmen besluiten zijn adviezen en aanbevelingen openbaar te maken.

6. Het EMI wordt door de Raad geraadpleegd over elk voorstel voor een communautair besluit op de gebieden die onder de bevoegdheid van het EMI vallen.

Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het EMI vaststelt, wordt het EMI door de autoriteiten van de lidstaten geraadpleegd over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen.

7. De Raad kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het EMI, aan het EMI andere taken opdragen ter voorbereiding van de derde fase.

8. In de gevallen waarin dit Verdrag in een raadgevende rol van de ECB voorziet, wordt vóór de oprichting van de ECB EMI gelezen in plaats van ECB.

9. Tijdens de tweede fase wordt in de artikelen 230, 232, 233, 234, 237 en 288 EMI gelezen in plaats van ECB.

Artikel 118 (ex artikel 109 G)

De valutasamenstelling van de Ecu-mand wordt niet gewijzigd.

Bij de aanvang van de derde fase wordt de waarde van de Ecu onherroepelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 123, lid 4.

Artikel 119 (ex artikel 109 H)

1. In geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans van een lidstaat, die voortvloeien hetzij uit het ontbreken van het globaal evenwicht van zijn balans hetzij uit de aard van zijn beschikbare deviezen, en die met name de werking van de gemeenschappelijke markt of de geleidelijke verwezenlijking van de gemeenschappelijke handelspolitiek in gevaar kunnen brengen, onderwerpt de Commissie de toestand in die staat en de maatregelen welke hij overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag met gebruikmaking van alle hem ten dienste staande middelen heeft genomen of kan nemen, onverwijld aan een onderzoek. De Commissie geeft de maatregelen aan die zij de betrokken staat aanbeveelt.

Indien de door de lidstaat getroffen en de door de Commissie in overweging gegeven maatregelen niet voldoende blijken te zijn om de ondervonden of dreigende moeilijkheden uit de weg te ruimen, doet de Commissie, na raadpleging van het in artikel 114 bedoelde Comité, aan de Raad aanbevelingen tot wederzijdse bijstand en betreffende passende maatregelen om die moeilijkheden uit de weg te ruimen.

De Commissie houdt de Raad regelmatig van de toestand en de ontwikkeling daarvan op de hoogte.

2. De Raad kent met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de wederzijdse bijstand toe; hij stelt richtlijnen of beschikkingen vast die de voorwaarden en de wijze van toepassing daarvan bepalen. De wederzijdse bijstand kan met name de vorm aannemen van:

a) een gezamenlijk optreden bij andere internationale organisaties waarop de lidstaten een beroep kunnen doen;

b) maatregelen noodzakelijk om het zich verleggen van het handelsverkeer te vermijden, wanneer het land dat in moeilijkheden verkeert, kwantitatieve beperkingen ten aanzien van derde landen handhaaft of wederinvoert;

c) de verlening van beperkte kredieten door andere lidstaten, onder voorbehoud van hun toestemming.

3. Indien de door de Commissie aanbevolen wederzijdse bijstand door de Raad niet wordt goedgekeurd of wanneer de goedgekeurde wederzijdse bijstand en de getroffen maatregelen ontoereikend zijn, machtigt de Commissie de in moeilijkheden verkerende staat vrijwaringsmaatregelen te nemen waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen deze machtiging intrekken en deze voorwaarden en wijze van toepassing wijzigen.

4. Behoudens artikel 122, lid 6, is dit artikel niet meer van toepassing met ingang van het begin van de derde fase.

Artikel 120 (ex artikel 109 I)

1. In geval van een plotselinge crisis in de betalingsbalans en indien een besluit in de zin van artikel 119, lid 2, niet onmiddellijk wordt genomen, kan de betrokken lidstaat te zijner bescherming de noodzakelijke vrijwaringsmaatregelen treffen. Die maatregelen moeten zo weinig mogelijk verstoringen in de werking van de gemeenschappelijke markt teweegbrengen en mogen niet verder reiken dan strikt onvermijdelijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden te overwinnen.

2. De Commissie en de andere lidstaten moeten van die vrijwaringsmaatregelen uiterlijk op het tijdstip van hun inwerkingtreding op de hoogte worden gebracht. De Commissie kan de Raad wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 119 aanbevelen.

3. Op advies van de Commissie en na raadpleging van het in artikel 114 bedoelde Comité kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat de betrokken staat bovenbedoelde vrijwaringsmaatregelen moet wijzigen, schorsen of intrekken.

4. Behoudens artikel 122, lid 6, is dit artikel niet meer van toepassing met ingang van het begin van de derde fase.

Artikel 121 (ex artikel 109 J)

1. De Commissie en het EMI brengen aan de Raad verslag uit over de vooruitgang die door de lidstaten is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie. Deze verslagen bevatten tevens een onderzoek naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving van elke lidstaat, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, met artikel 108 en artikel 109 van dit Verdrag en de statuten van het ESCB. In deze verslagen wordt ook nagegaan of er een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elke lidstaat aan de volgende criteria voldoet:

- het bereiken van een hoge mate van prijsstabiliteit; dit blijkt uit een inflatiepercentage dat dicht ligt bij dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabiliteit het best presteren;

- het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinanciën; dit blijkt uit een begrotingssituatie van de overheid zonder een buitensporig tekort als bedoeld in artikel 104, lid 6;

- de inachtneming van de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, gedurende ten minste twee jaar, zonder devaluatie ten opzichte van de munt van een andere lidstaat;

- de duurzaamheid van de door de lidstaat bereikte convergentie en van zijn deelneming aan het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, hetgeen tot uitdrukking komt in het niveau van de rentevoet voor de lange termijn.

De vier in dit lid genoemde criteria en de betreffende perioden tijdens welke daaraan moet worden voldaan, worden nader uitgewerkt in een aan dit Verdrag gehecht protocol. In de verslagen van de Commissie en het EMI wordt ook rekening gehouden met de ontwikkeling van de Ecu, de resultaten van de integratie van de markten, de situatie en de ontwikkeling van de lopende rekeningen van de betalingsbalansen, en een onderzoek naar de ontwikkeling van de loonkosten per eenheid product en andere prijsindicatoren.

2. Aan de hand van deze verslagen beoordeelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie:

- voor elke lidstaat, of hij aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet;

- of een meerderheid van de lidstaten aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet,

en doet hij op grond van zijn bevindingen een aanbeveling aan de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders. Het Europees Parlement wordt geraadpleegd en doet zijn advies toekomen aan de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders.

3. Op gepaste wijze rekening houdend met de verslagen als bedoeld in lid 1 en met het advies van het Europees Parlement als bedoeld in lid 2, zal de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders uiterlijk op 31 december 1996 met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

- op basis van de aanbevelingen van de Raad als bedoeld in lid 2 besluiten of een meerderheid van de lidstaten al dan niet aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet;

- besluiten of het passend is of niet dat de Gemeenschap de derde fase ingaat,

en zo ja,

- de datum voor het ingaan van de derde fase vaststellen.

4. Indien eind 1997 de datum voor het ingaan van de derde fase niet is vastgesteld, begint de derde fase op 1 januari 1999. Vóór 1 juli 1998 zal de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders, na een herhaling van de procedure van de leden 1 en 2, het tweede streepje van lid 2 uitgezonderd, rekening houdend met de verslagen als bedoeld in lid 1 en met het advies van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op basis van de aanbevelingen van de Raad als bedoeld in lid 2, bevestigen welke lidstaten voldoen aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt.

Artikel 122 (ex artikel 109 K)

1. Indien het besluit tot vaststelling van de datum overeenkomstig artikel 121, lid 3, is genomen, besluit de Raad, op basis van zijn aanbevelingen als bedoeld in artikel 121, lid 2, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie over de vraag of bepaalde lidstaten, en zo ja, welke, een derogatie als omschreven in lid 3 van dit artikel hebben. Deze lidstaten worden hierna lidstaten met een derogatie genoemd.

Indien de Raad heeft bevestigd welke lidstaten overeenkomstig artikel 121, lid 4, aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoen, hebben de lidstaten die niet aan de voorwaarden voldoen een derogatie als omschreven in lid 3 van dit artikel. Deze lidstaten worden hierna lidstaten met een derogatie genoemd.

2. Ten minste om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat met een derogatie brengen de Commissie en de ECB volgens de procedure van artikel 121, lid 1, aan de Raad verslag uit. Na raadpleging van het Europees Parlement en na bespreking in de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, welke lidstaten met een derogatie volgens de criteria van artikel 121, lid 1, aan de noodzakelijke voorwaarden voldoen, en trekt hij de derogaties van de betrokken lidstaten in.

3. Een derogatie als bedoeld in lid 1 heeft tot gevolg dat de volgende artikelen niet op de betrokken lidstaat van toepassing zijn: artikel 104, leden 9 en 11, artikel 105, leden 1, 2, 3 en 5, artikel 106, artikel 110, artikel 111 en artikel 112, lid 2, onder b). De uitsluiting van een dergelijke lidstaat en zijn nationale centrale bank van de rechten en plichten in het kader van het ESCB is vastgelegd in hoofdstuk IX van de statuten van het ESCB.

4. In de artikelen 105, leden 1, 2 en 3, 106, 110, 111 en 112, lid 2, onder b), wordt lidstaten gelezen als _~lidstaten zonder derogatie”.

5. De stemrechten van de lidstaten met een derogatie worden geschorst voor de Raadsbesluiten als bedoeld in de in lid 3 genoemde artikelen van dit Verdrag. In dat geval geldt, in afwijking van artikel 205 en artikel 250, lid 1, als gekwalificeerde meerderheid twee derde van de volgens artikel 205, lid 2, gewogen stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten zonder derogatie, en is eenparigheid van stemmen van die lidstaten vereist voor een besluit waarvoor eenparigheid vereist is.

6. Artikel 119 en artikel 120 blijven van toepassing voor een lidstaat met een derogatie.

Artikel 123 (ex artikel 109 L)

1. Onmiddellijk nadat het besluit over de datum voor het ingaan van de derde fase is genomen overeenkomstig artikel 121, lid 3, of, in voorkomend geval, onmiddellijk na 1 juli 1998:

- neemt de Raad de in artikel 107, lid 6, bedoelde bepalingen aan;

- benoemen de regeringen van de lidstaten zonder derogatie, volgens de procedure van artikel 50 van de statuten van het ESCB, de president, de vice-president en de overige leden van de directie van de ECB. Indien er lidstaten met een derogatie zijn, kan het aantal leden van de directie kleiner zijn dan voorgeschreven in artikel 11.1 van de statuten van het ESCB, maar in geen geval minder dan vier.

Zodra de directie is benoemd, worden het ESCB en de ECB opgericht en bereiden zij zich voor op hun volledig functioneren zoals omschreven in dit Verdrag en de statuten van het ESCB. De volledige uitoefening van hun bevoegdheden vangt aan op de eerste dag van de derde fase.

2. Zodra de ECB is opgericht, neemt de ECB, zo nodig, de taken van het EMI over. Het EMI gaat in liquidatie bij de oprichting van de ECB; de nadere bepalingen betreffende de liquidatie staan in de statuten van het EMI.

3. Indien en zolang er lidstaten met een derogatie zijn, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 107, lid 3, van dit Verdrag, de in artikel 45 van de statuten van de ESCB bedoelde Algemene Raad van de ECB als derde besluitvormend orgaan van de ECB gevormd.

4. Op de aanvangsdatum van de derde fase neemt de Raad, met eenparigheid van stemmen van de lidstaten zonder derogatie, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, de omrekeningskoersen aan die voor hun munteenheden onherroepelijk worden vastgesteld en waartegen deze munteenheden vervangen worden door de Ecu, en zal de Ecu een volwaardige munteenheid worden. Deze maatregel op zich brengt geen wijziging in de externe waarde van de Ecu mede. De Raad neemt tevens volgens dezelfde procedure de overige maatregelen die nodig zijn voor de spoedige invoering van de Ecu als enige munteenheid van de lidstaten.

5. Indien overeenkomstig de procedure van artikel 122, lid 2, wordt besloten tot intrekking van een derogatie, stelt de Raad met eenparigheid van stemmen van de lidstaten zonder derogatie en de betrokken lidstaat, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, de koers vast waartegen de munteenheid van de betrokken lidstaat wordt vervangen door de Ecu, en neemt hij de overige maatregelen die nodig zijn voor de invoering van de Ecu als enige munteenheid in de betrokken lidstaat.

Artikel 124 (ex artikel 109 M)

1. Tot de aanvang van de derde fase behandelt iedere lidstaat zijn wisselkoersbeleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. Daarbij houden de lidstaten rekening met de ervaring die is opgedaan bij de samenwerking in het kader van het Europees Monetair Stelsel (EMS) en bij de ontwikkeling van de Ecu, met inachtneming van de bestaande bevoegdheden.

2. Vanaf de aanvang van de derde fase en zolang een lidstaat een derogatie heeft, is lid 1 van overeenkomstige toepassing op het wisselkoersbeleid van deze lidstaat.

TITEL VIII (ex titel VI A)

WERKGELEGENHEID

Artikel 125 (ex artikel 109 N)

De lidstaten en de Gemeenschap streven overeenkomstig deze titel naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, opleiding en aanpassingsvermogen van de werknemers en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen teneinde de doelstellingen van artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van artikel 2 van dit Verdrag te bereiken.

Artikel 126 (ex artikel 109 O)

1. De lidstaten dragen door middel van hun werkgelegenheidsbeleid bij tot het bereiken van de in artikel 125 bedoelde doelstellingen op een wijze die verenigbaar is met de overeenkomstig artikel 99, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap.

2. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden van de sociale partners beschouwen de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid als een aangelegenheid van gemeenschappelijke zorg en coördineren zij hun maatregelen op dit gebied binnen de Raad, overeenkomstig artikel 128.

Artikel 127 (ex artikel 109 P)

1. De Gemeenschap draagt bij tot een hoog werkgelegenheidsniveau door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun maatregelen te steunen en, indien nodig, aan te vullen. De bevoegdheden van de lidstaten worden daarbij geëerbiedigd.

2. Bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en de activiteiten van de Gemeenschap wordt rekening gehouden met de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau.

Artikel 128 (ex artikel 109 Q)

1. De Europese Raad beziet jaarlijks de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap en neemt terzake conclusies aan, aan de hand van een gezamenlijk jaarverslag van de Raad en de Commissie.

2. Op basis van de conclusies van de Europese Raad stelt de Raad jaarlijks, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en het in artikel 130 genoemde comité voor de werkgelegenheid, richtsnoeren op, waarmee de lidstaten in hun werkgelegenheidsbeleid rekening houden. Deze richtsnoeren moeten verenigbaar zijn met de overeenkomstig artikel 99, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren.

3. Elke lidstaat legt jaarlijks aan de Raad en aan de Commissie een verslag voor over de belangrijkste maatregelen welke genomen zijn om zijn werkgelegenheidsbeleid ten uitvoer te leggen in het licht van de in lid 2 bedoelde richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

4. Op basis van de in lid 3 bedoelde verslagen en na ontvangst van de adviezen van het comité voor de werkgelegenheid verricht de Raad jaarlijks een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten in het licht van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op aanbeveling van de Commissie, aanbevelingen tot de lidstaten richten indien hij zulks in het licht van dat onderzoek dienstig acht.

5. Op basis van de resultaten van dat onderzoek brengen de Raad en de Commissie jaarlijks gezamenlijk verslag uit aan de Europese Raad over de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap en over de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

Artikel 129 (ex artikel 109 R)

De Raad kan volgens de procedure van artikel 251, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, stimuleringsmaatregelen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun werkgelegenheidsbeleid te ondersteunen door middel van initiatieven ter ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, verstrekking van vergelijkende analyses en advies, alsmede bevordering van innoverende benaderingswijzen en evaluatie van ervaringen, in het bijzonder door gebruik te maken van proefprojecten.

Deze maatregelen houden geen harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten in.

Artikel 130 (ex artikel 109 S)

Na raadpleging van het Europees Parlement stelt de Raad een raadgevend comité voor de werkgelegenheid in teneinde de coördinatie van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van de lidstaten te bevorderen. Dit comité heeft tot taak:

- toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaten en de Gemeenschap;

- onverminderd artikel 207, adviezen uit te brengen, hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, en bij te dragen aan de voorbereiding van de in artikel 128 bedoelde werkzaamheden van de Raad.

Voor de vervulling van zijn opdracht raadpleegt het comité de sociale partners.

Elke lidstaat en de Commissie benoemen elk twee leden van het comité.

TITEL IX (ex titel VII)

GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

Artikel 131 (ex artikel 110)

Door tezamen een douane-unie op te richten, beogen de lidstaten een bijdrage, in overeenstemming met het gemeenschappelijk belang, te leveren tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, de geleidelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer en de verlaging van de tariefmuren.

Bij de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt rekening gehouden met de gunstige invloed die de afschaffing van de rechten tussen de lidstaten kan uitoefenen op de toeneming van het vermogen tot mededinging van de ondernemingen dezer staten.

Artikel 132 (ex artikel 112)

1. Onverminderd de verplichtingen door de lidstaten aangegaan in het kader van andere internationale organisaties, worden de steunregelingen, door de lidstaten bij uitvoer naar derde landen toegepast, geleidelijk met elkaar in overeenstemming gebracht, in de mate waarin zulks noodzakelijk is om te vermijden dat de mededinging tussen de ondernemingen van de Gemeenschap wordt vervalst.

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, de daartoe noodzakelijke richtlijnen vast.

2. Bovenstaande bepalingen zijn niet van toepassing op de teruggave van douanerechten of heffingen van gelijke werking noch op de teruggave van indirecte belastingen met inbegrip van omzetbelasting, accijnzen en andere indirecte belastingen verleend bij de uitvoer van goederen van een lidstaat naar een derde land, voorzover deze teruggaven niet hoger zijn dan de belastingen welke al dan niet rechtstreeks op de uitgevoerde producten drukten.

Artikel 133 (ex artikel 113)

1. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen met name wat betreft de tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek, alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies.

2. De Commissie doet aan de Raad voorstellen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke handelspolitiek.

3. Indien moet worden onderhandeld over akkoorden met een of meer staten of internationale organisaties, doet de Commissie aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen.

De Commissie voert deze onderhandelingen in overleg met een speciaal comité, door de Raad aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het raam van de richtsnoeren welke de Raad haar kan verstrekken.

De relevante bepalingen van artikel 300 zijn van toepassing.

4. Bij de uitoefening van de bevoegdheden welke hem bij dit artikel zijn verleend, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

5. De Raad kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, besluiten de toepassing van de leden 1 tot en met 4 uit te breiden tot internationale onderhandelingen en overeenkomsten betreffende diensten en intellectuele eigendom, voor zover deze niet onder die leden vallen.

Artikel 134 (ex artikel 115)

Teneinde te verzekeren dat de uitvoering der door elke lidstaat overeenkomstig dit Verdrag genomen handelspolitieke maatregelen niet wordt verhinderd door het zich verleggen van het handelsverkeer of indien dispariteiten in die maatregelen in een of meer lidstaten economische moeilijkheden medebrengen, doet de Commissie aanbevelingen over de wijze waarop de overige lidstaten de vereiste medewerking verlenen. Bij gebreke daarvan kan zij de lidstaten machtigen de noodzakelijke beschermende maatregelen te treffen, waarvan zij de voorwaarden en de nadere bijzonderheden vaststelt.

In dringende gevallen vragen de lidstaten aan de Commissie, die zich zo spoedig mogelijk uitspreekt, toestemming om zelf de noodzakelijke maatregelen te treffen en geven zij van deze maatregelen kennis aan de overige lidstaten. De Commissie kan te allen tijde besluiten dat de betrokken lidstaten deze maatregelen moeten wijzigen of opheffen.

Bij voorrang moeten die maatregelen worden genomen die de minste verstoringen in de werking van de gemeenschappelijke markt veroorzaken.

TITEL X (ex titel VII A)

DOUANESAMENWERKING

Artikel 135 (ex artikel 116)

Binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag neemt de Raad volgens de procedure van artikel 251 maatregelen ter versterking van de douanesamenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling.

TITEL XI (ex titel VIII)

SOCIALE POLITIEK, ONDERWIJS, BEROEPSOPLEIDING EN JEUGD

Hoofdstuk 1

Sociale bepalingen

Artikel 136 (ex artikel 117)

De Gemeenschap en de lidstaten stellen zich, indachtig sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Te dien einde leggen de Gemeenschap en de lidstaten maatregelen ten uitvoer waarin rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van de nationale gebruiken, met name op het gebied van contractuele betrekkingen, alsmede met de noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Gemeenschap te handhaven.

Zij zijn van mening dat een dergelijke ontwikkeling zal voortvloeien, zowel uit de werking van de gemeenschappelijke markt waardoor de harmonisatie der sociale stelsels zal worden bevorderd, als uit de in dit Verdrag bepaalde procedures en het nader tot elkaar brengen van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

Artikel 137 (ex artikel 118)

1. Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 136 wordt het optreden van de lidstaten op de volgende gebieden door de Gemeenschap ondersteund en aangevuld:

- de verbetering van met name het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;

- de arbeidsvoorwaarden;

- de informatie en de raadpleging van de werknemers;

- de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, onverminderd artikel 150;

- de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft.

2. Te dien einde kan de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften. In deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.

De Raad neemt een besluit volgens de procedure van artikel 251, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

De Raad kan volgens dezelfde procedure maatregelen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen door middel van initiatieven ter verbetering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, bevordering van innoverende benaderingswijzen en evaluatie van ervaringen teneinde de sociale uitsluiting te bestrijden.

3. Op de volgende gebieden neemt de Raad evenwel, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, een besluit met eenparigheid van stemmen:

- de sociale zekerheid en de sociale bescherming van werknemers;

- de bescherming van werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

- de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid 6;

- de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die op wettige wijze op het grondgebied van de Gemeenschap verblijven;

- de financiële bijdragen ter bevordering van de werkgelegenheid en het scheppen van arbeidsplaatsen, onverminderd de bepalingen betreffende het Europees Sociaal Fonds.

4. Een lidstaat kan de sociale partners, indien zij gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de tenuitvoerlegging van de krachtens de leden 2 en 3 vastgestelde richtlijnen.

In dat geval verzekert de lidstaat zich ervan dat de sociale partners, uiterlijk op de datum waarop een richtlijn overeenkomstig artikel 249 moet zijn omgezet, de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd; de betrokken lidstaat moet zelf alle maatregelen treffen om de in de betrokken richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen.

5. De uit hoofde van dit artikel vastgestelde bepalingen beletten niet dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert welke met dit Verdrag verenigbaar zijn.

6. Dit artikel is niet van toepassing op de beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht of het recht tot uitsluiting.

Artikel 138 (ex artikel 118 A)

1. De Commissie heeft tot taak de raadpleging van de sociale partners op communautair niveau te bevorderen en treft alle maatregelen die nuttig kunnen zijn om de dialoog tussen de partners te vergemakkelijken door middel van een evenwichtige ondersteuning van de partijen.

2. Daartoe raadpleegt de Commissie, alvorens voorstellen op het gebied van de sociale politiek in te dienen, de sociale partners over de mogelijke richting van een communautair optreden.

3. Indien de Commissie na deze raadpleging van mening is dat een communautair optreden wenselijk is, raadpleegt zij de sociale partners over de inhoud van het overwogen voorstel. De sociale partners doen de Commissie een advies of, in voorkomend geval, een aanbeveling toekomen.

4. Ter gelegenheid van deze raadpleging kunnen de sociale partners de Commissie in kennis stellen van hun wens het in artikel 139 bedoelde proces in te leiden. De procedure neemt maximaal negen maanden in beslag, tenzij de betrokken sociale partners en de Commissie gezamenlijk besluiten tot verlenging.

Artikel 139 (ex artikel 118 B)

1. De dialoog tussen de sociale partners op communautair niveau kan, indien de sociale partners zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten.

2. De tenuitvoerlegging van de op communautair niveau gesloten overeenkomsten geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, voor zaken die onder artikel 137 vallen, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie.

De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, tenzij de betrokken overeenkomst één of meer bepalingen bevat die betrekking hebben op één van de in artikel 137, lid 3, genoemde gebieden, in welk geval hij met eenparigheid van stemmen besluit.

Artikel 140 (ex artikel 118 C)

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 136 en onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, bevordert de Commissie de samenwerking tussen de lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie van hun optreden op alle onder dit hoofdstuk vallende gebieden van de sociale politiek, met name op het terrein van:

- de werkgelegenheid,

- het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden,

- de beroepsopleiding en de voortgezette vorming,

- de sociale zekerheid,

- de voorkoming van arbeidsongevallen en beroepsziekten,

- de arbeidshygiëne,

- het recht zich te organiseren in vakverenigingen en van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

Te dien einde werkt de Commissie nauw samen met de lidstaten bij het verrichten van studies, het uitbrengen van adviezen en het organiseren van overleg zowel omtrent vraagstukken op nationaal niveau als omtrent vraagstukken die de internationale organisaties aangaan.

Alvorens de in dit artikel bedoelde adviezen uit te brengen, raadpleegt de Commissie het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 141 (ex artikel 119)

1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.

2. Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

a) dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf;

b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.

3. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité maatregelen aan om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid.

4. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

Artikel 142 (ex artikel 119 A)

De lidstaten streven ernaar de bestaande gelijkwaardigheid van de bepalingen omtrent betaalde vakantie te handhaven.

Artikel 143 (ex artikel 120)

De Commissie stelt ieder jaar een verslag op over de stand van de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 136, met inbegrip van de demografische situatie in de Gemeenschap. Zij zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité.

Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken verslagen op te stellen over bijzondere vraagstukken inzake de sociale toestand.

Artikel 144 (ex artikel 121)

De Raad kan na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen de Commissie belasten met taken betreffende de uitvoering van gemeenschappelijke maatregelen, met name inzake de sociale zekerheid van de migrerende werknemers bedoeld in de artikelen 39 tot en met 42.

Artikel 145 (ex artikel 122)

In haar jaarverslag aan het Europees Parlement wijdt de Commissie een afzonderlijk hoofdstuk aan de ontwikkeling van de sociale toestand in de Gemeenschap.

Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken verslagen op te stellen over bijzondere vraagstukken inzake de sociale toestand.

Hoofdstuk 2

Het Europees Sociaal Fonds

Artikel 146 (ex artikel 123)

Teneinde de werkgelegenheid voor de werknemers in de interne markt te verbeteren en zodoende bij te dragen tot verhoging van de levensstandaard, wordt in het kader van de volgende bepalingen een Europees Sociaal Fonds opgericht; dit Fonds heeft ten doel binnen de Gemeenschap de tewerkstelling te vergemakkelijken en de geografische en beroepsmobiliteit van de werknemers te bevorderen, alsmede de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven en in productiestelsels gemakkelijker te maken, met name door beroepsopleiding en omscholing.

Artikel 147 (ex artikel 124)

Het beheer van het Fonds berust bij de Commissie.

De Commissie wordt in deze taak bijgestaan door een comité dat onder het voorzitterschap staat van een lid van de Commissie en samengesteld is uit vertegenwoordigers van de regeringen en van de vakverenigingen van werknemers en van werkgevers.

Artikel 148 (ex artikel 125)

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's de uitvoeringsbesluiten betreffende het Europees Sociaal Fonds vast.

Hoofdstuk 3

Onderwijs, beroepsopleiding en jeugd

Artikel 149 (ex artikel 126)

1. De Gemeenschap draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid.

2. Het optreden van de Gemeenschap is erop gericht:

- de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen, met name door onderricht in en verspreiding van de talen der lidstaten;

- de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, mede door de academische erkenning van diploma's en studietijdvakken aan te moedigen;

- de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen;

- uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de onderwijsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd;

- de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en jongerenwerkers te bevorderen;

- de ontwikkeling van het onderwijs op afstand te stimuleren.

3. De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake onderwijs bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa.

4. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel neemt de Raad:

- volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's, stimuleringsmaatregelen aan, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten,

- met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, aanbevelingen aan.

Artikel 150 (ex artikel 127)

1. De Gemeenschap legt inzake beroepsopleiding een beleid ten uitvoer waardoor de activiteiten van de lidstaten worden versterkt en aangevuld, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding.

2. Het optreden van de Gemeenschap is erop gericht

- de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven te vergemakkelijken, met name door beroepsopleiding en omscholing;

- door verbetering van de initiële beroepsopleiding en van bij- en nascholing, de opneming en de wederopneming op de arbeidsmarkt te bevorderen;

- de toegang tot beroepsopleidingen te vergemakkelijken en de mobiliteit van opleiders en leerlingen, met name jongeren, te bevorderen;

- de samenwerking inzake opleiding tussen onderwijs- of opleidingsinstellingen en ondernemingen te bevorderen;

- de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de opleidingsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd.

3. De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake beroepsopleiding bevoegde internationale organisaties.

4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, maatregelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijk bepalingen van de lidstaten.

TITEL XII (ex titel IX)

CULTUUR

Artikel 151 (ex artikel 128)

1. De Gemeenschap draagt bij tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, maar tegelijk ook de nadruk leggend op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed.

2. Het optreden van de Gemeenschap is erop gericht de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op de volgende gebieden te ondersteunen en aan te vullen:

- verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese volkeren,

- instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang,

- culturele uitwisseling op niet-commerciële basis,

- scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele sector.

3. De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake cultuur bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa.

4. De Gemeenschap houdt bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag rekening met de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen.

5. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel neemt de Raad:

- volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Comité van de regio's, stimuleringsmaatregelen aan, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 251 met eenparigheid van stemmen;

- met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, aanbevelingen aan.

TITEL XIII (ex titel X)

VOLKSGEZONDHEID

Artikel 152 (ex artikel 129)

1. Bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.

Het optreden van de Gemeenschap, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid. Dit optreden omvat de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs.

De Gemeenschap vult het optreden van de lidstaten aan ter vermindering van de schade aan de gezondheid door drugsgebruik, met inbegrip van voorlichting en preventie.

2. De Gemeenschap moedigt samenwerking tussen de lidstaten op de in dit artikel bedoelde gebieden aan en steunt zo nodig hun optreden.

De lidstaten coördineren onderling, in verbinding met de Commissie, hun beleid en programma's op de in lid 1 bedoelde gebieden. De Commissie kan, in nauw contact met de lidstaten, alle dienstige initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen.

3. De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake volksgezondheid bevoegde internationale organisaties.

4. De Raad draagt volgens de procedure van artikel 251, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel door:

a) maatregelen aan te nemen waarbij hoge kwaliteits- en veiligheidseisen worden gesteld aan organen en stoffen van menselijke oorsprong, bloed en bloedderivaten; deze maatregelen beletten niet dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming handhaaft of treft;

b) in afwijking van artikel 37, maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied aan te nemen die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid;

c) stimuleringsmaatregelen aan te nemen die gericht zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, ook aanbevelingen aannemen met het oog op de doelstellingen van dit artikel.

5. Bij het optreden van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid worden de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging volledig geëerbiedigd. Met name doen de in lid 4, onder a), bedoelde maatregelen geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake donatie en geneeskundig gebruik van organen en bloed.

TITEL XIV (ex titel XI)

CONSUMENTENBESCHERMING

Artikel 153 (ex artikel 129 A)

1. Om de belangen van de consumenten te bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, draagt de Gemeenschap bij tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van de consumenten alsmede tot de bevordering van hun recht op voorlichting en vorming, en hun recht van vereniging om hun belangen te behartigen.

2. Met de eisen ter zake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Gemeenschap op andere gebieden.

3. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen door middel van:

a) maatregelen die zij op grond van artikel 95 in het kader van de totstandbrenging van de interne markt neemt;

b) maatregelen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen, aan te vullen en te controleren.

4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen, bedoeld in lid 3, onder b), aan.

5. De uit hoofde van lid 4 aangenomen maatregelen beletten niet dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming treft of handhaaft. Deze maatregelen moeten verenigbaar zijn met dit Verdrag. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht.

TITEL XV (ex titel XII)

TRANSEUROPESE NETWERKEN

Artikel 154 (ex artikel 129 B)

1. Teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen 14 en 158 bedoelde doelstellingen en om de burgers van de Unie, de economische subjecten, alsmede de regionale en lokale gemeenschappen in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de voordelen die uit de totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen voortvloeien, draagt de Gemeenschap bij tot de totstandbrenging en ontwikkeling van transeuropese netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur.

2. In het kader van een stelsel van open en concurrerende markten is het optreden van de Gemeenschap gericht op de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit van de nationale netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken. Daarbij wordt met name rekening gehouden met de noodzaak de insulaire, niet aan zee grenzende en perifere regio's met de centrale regio's van de Gemeenschap te verbinden.

Artikel 155 (ex artikel 129 C)

1. Voor de verwezenlijking van de in artikel 154 genoemde doelstellingen:

- stelt de Gemeenschap een geheel van richtsnoeren op betreffende de doelstellingen, de prioriteiten en de grote lijnen van de op het gebied van transeuropese netwerken overwogen maatregelen; in deze richtsnoeren worden projecten van gemeenschappelijk belang aangegeven;

- treft de Gemeenschap alle maatregelen die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit van de netwerken te verzekeren, met name op het gebied van de harmonisatie van de technische normen;

- kan de Gemeenschap steun verlenen aan door de lidstaten gesteunde projecten van gemeenschappelijk belang, die als zodanig zijn aangegeven in het kader van de in het eerste streepje bedoelde richtsnoeren met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen, of rentesubsidies; de Gemeenschap kan ook door middel van het overeenkomstig artikel 161 opgerichte Cohesiefonds bijdragen aan de financiering van specifieke projecten in lidstaten op het terrein van de vervoersinfrastructuur.

Bij het optreden van de Gemeenschap wordt rekening gehouden met de potentiële economische levensvatbaarheid van de projecten.

2. De lidstaten coördineren onderling, in verbinding met de Commissie, het nationale beleid dat van grote invloed kan zijn op de verwezenlijking van de in artikel 154 bedoelde doelstellingen. De Commissie kan in nauwe samenwerking met de lidstaten alle dienstige initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen.

3. De Gemeenschap kan besluiten met derde landen samen te werken om projecten van gemeenschappelijk belang te bevorderen en de interoperabiliteit van de netwerken te verzekeren.

Artikel 156 (ex artikel 129 D)

De in artikel 155, lid 1, bedoelde richtsnoeren en andere maatregelen worden door de Raad vastgesteld volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Voor richtsnoeren en projecten van gemeenschappelijk belang die betrekking hebben op het grondgebied van een lidstaat, is de goedkeuring van de betrokken lidstaat vereist.

TITEL XVI (ex titel XIII)

INDUSTRIE

Artikel 157 (ex artikel 130)

1. De Gemeenschap en de lidstaten dragen er zorg voor dat de omstandigheden nodig voor het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap aanwezig zijn.

Hiertoe is hun optreden, overeenkomstig een systeem van open en concurrerende markten, erop gericht:

- de aanpassing van de industrie aan structurele wijzigingen te bespoedigen;

- een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van ondernemingen in de gehele Gemeenschap, met name van het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen;

- een gunstig klimaat voor de samenwerking tussen ondernemingen te bevorderen;

- een betere benutting van het industrieel potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren.

2. De lidstaten plegen, in verbinding met de Commissie, onderling overleg en coördineren, voorzover nodig, hun activiteiten. De Commissie kan initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen.

3. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 1 door middel van haar beleid en optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag. De Raad kan op voorstel van de Commissie, na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met eenparigheid van stemmen specifieke maatregelen vaststellen ter ondersteuning van de activiteiten die in de lidstaten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken.

Deze titel verschaft geen grondslag voor invoering door de Gemeenschap van maatregelen waardoor de mededinging kan worden vervalst.

TITEL XVII (ex titel XIV)

ECONOMISCHE EN SOCIALE SAMENHANG

Artikel 158 (ex artikel 130 A)

Teneinde de harmonische ontwikkeling van de Gemeenschap in haar geheel te bevorderen, ontwikkelt en vervolgt de Gemeenschap haar optreden gericht op de versterking van de economische en sociale samenhang.

De Gemeenschap stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen.

Artikel 159 (ex artikel 130 B)

De lidstaten voeren hun economisch beleid en coördineren dit mede met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel 158. De vaststelling en de tenuitvoerlegging van het beleid en van de maatregelen van de Gemeenschap en de totstandbrenging van de interne markt houden rekening met de doelstellingen van artikel 158 en dragen bij tot de verwezenlijking daarvan. De Gemeenschap ondersteunt deze verwezenlijking tevens door haar optreden via de structuurfondsen (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, Europees Sociaal Fonds, Europees Fonds voor regionale ontwikkeling), de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten.

De Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de economische en sociale samenhang, alsmede over de wijze waarop de diverse in dit artikel bedoelde middelen daartoe hebben bijgedragen. Dit verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen.

Indien specifieke maatregelen buiten de fondsen om noodzakelijk blijken, kunnen zulke maatregelen, onverminderd de maatregelen waartoe in het kader van ander beleid van de Gemeenschap wordt besloten, door de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's, met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld.

Artikel 160 (ex artikel 130 C)

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Gemeenschap door deel te nemen aan de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand en aan de omschakeling van industriegebieden met afnemende economische activiteit.

Artikel 161 (ex artikel 130 D)

Onverminderd artikel 162 stelt de Raad op voorstel van de Commissie, en na instemming van het Europees Parlement en raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's, met eenparigheid van stemmen de taken, de prioritaire doelstellingen en de organisatie van de structuurfondsen vast, hetgeen ook samenvoeging van de fondsen kan omvatten. De Raad stelt volgens dezelfde procedure tevens de algemene regels vast die voor deze fondsen gelden, alsmede de bepalingen die nodig zijn voor de doeltreffende werking van de fondsen en de coördinatie tussen de fondsen onderling en met de andere bestaande financieringsinstrumenten.

Een door de Raad volgens dezelfde procedure opgericht Cohesiefonds levert een financiële bijdrage aan projecten op het gebied van milieu en transeuropese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur.

Artikel 162 (ex artikel 130 E)

De toepassingsbesluiten met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling worden door de Raad volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's vastgesteld.

Ten aanzien van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, en het Europees Sociaal Fonds blijven onderscheidenlijk de artikelen 37 en 148 van toepassing.

TITEL XVIII (ex titel XV)

ONDERZOEK EN TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELING

Artikel 163 (ex artikel 130 F)

1. De Gemeenschap heeft als doelstelling de wetenschappelijke en technologische grondslagen van de industrie van de Gemeenschap te versterken en de ontwikkeling van haar internationale concurrentiepositie te bevorderen, alsmede de onderzoekactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van andere hoofdstukken van dit Verdrag nodig worden geacht.

2. Te dien einde stimuleert zij in de gehele Gemeenschap de ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, de onderzoekcentra en de universiteiten bij hun inspanningen op het gebied van hoogwaardig onderzoek en hoogwaardige technologische ontwikkeling; zij ondersteunt hun streven naar onderlinge samenwerking, waarbij haar beleid er vooral op gericht is de ondernemingen in staat te stellen ten volle de mogelijkheden van de interne markt te benutten, in het bijzonder door openstelling van de nationale overheidsopdrachten, vaststelling van gemeenschappelijke normen en opheffing van de wettelijke en fiscale belemmeringen welke die samenwerking in de weg staan.

3. Alle activiteiten van de Gemeenschap uit hoofde van dit Verdrag, met inbegrip van demonstratieprojecten, op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling worden vastgesteld en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in deze titel.

Artikel 164 (ex artikel 130 G)

Voor de verwezenlijking van deze doelstellingen onderneemt de Gemeenschap de volgende activiteiten, die de activiteiten van de lidstaten aanvullen:

a) tenuitvoerlegging van programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, waarbij de samenwerking met en tussen ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten wordt bevorderd;

b) bevordering van de samenwerking inzake communautair onderzoek, communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie met derde landen en internationale organisaties;

c) verspreiding en exploitatie van de resultaten van de activiteiten inzake communautair onderzoek, communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie;

d) stimulering van de opleiding en de mobiliteit van onderzoekers in de Gemeenschap.

Artikel 165 (ex artikel 130 H)

1. De Gemeenschap en de lidstaten coördineren hun activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling, teneinde de wederzijdse samenhang van het beleid van de lidstaten en het beleid van de Gemeenschap te verzekeren.

2. De Commissie kan in nauwe samenwerking met de lidstaten alle dienstige initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde coördinatie te bevorderen.

Artikel 166 (ex artikel 130 I)

1. De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, een meerjarenkaderprogramma vast waarin alle activiteiten van de Gemeenschap zijn opgenomen.

In dit kaderprogramma:

- worden de wetenschappelijke en technologische doelstellingen die met de in artikel 164 bedoelde activiteiten moeten worden verwezenlijkt, alsmede de daarmee samenhangende prioriteiten vastgesteld;

- worden de grote lijnen van deze activiteiten aangegeven;

- worden het totale maximumbedrag van en nadere regels voor de financiële deelneming van de Gemeenschap aan het kaderprogramma alsmede de onderscheiden deelbedragen voor elk van de overwogen activiteiten vastgesteld.

2. Het kaderprogramma wordt naar gelang van de ontwikkeling van de situatie aangepast of aangevuld.

3. Het kaderprogramma wordt ten uitvoer gelegd door middel van specifieke programma's die binnen elke activiteit worden ontwikkeld. In elk specifiek programma worden de nadere bepalingen voor de uitvoering ervan, de looptijd en de noodzakelijk geachte middelen vastgesteld. Het totaal van de in de specifieke programma's vastgestelde noodzakelijk geachte bedragen mag niet meer belopen dan het voor het kaderprogramma en voor elke activiteit vastgestelde totale maximumbedrag.

4. De Raad stelt de specifieke programma's met gekwalificeerde meerderheid vast op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 167 (ex artikel 130 J)

Voor de tenuitvoerlegging van het meerjarenkaderprogramma bepaalt de Raad:

- de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten;

- de regels voor de verspreiding van de onderzoekresultaten.

Artikel 168 (ex artikel 130 K)

Bij de tenuitvoerlegging van het meerjarenkaderprogramma kan worden besloten tot aanvullende programma's waaraan alleen wordt deelgenomen door bepaalde lidstaten, die zorg dragen voor de financiering daarvan, onder voorbehoud van een eventuele deelneming van de Gemeenschap.

De Raad stelt de regels voor de aanvullende programma's vast, met name voor wat betreft de verspreiding van de kennis en de toegang van andere lidstaten.

Artikel 169 (ex artikel 130 L)

Bij de tenuitvoerlegging van het meerjarenkaderprogramma kan de Gemeenschap in overeenstemming met de betrokken lidstaten voorzien in deelneming aan door verscheidene lidstaten opgezette onderzoek- en ontwikkelingsprogramma's, met inbegrip van de deelneming aan de voor de uitvoering van die programma's tot stand gebrachte structuren.

Artikel 170 (ex artikel 130 M)

Bij de tenuitvoerlegging van het meerjarenkaderprogramma kan de Gemeenschap voorzien in samenwerking inzake communautair onderzoek en communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie met derde landen of internationale organisaties.

De nadere regeling van deze samenwerking kan worden vastgesteld in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel 300.

Artikel 171 (ex artikel 130 N)

De Gemeenschap kan gemeenschappelijke ondernemingen of andere structuren in het leven roepen die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van programma's voor communautair onderzoek en communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 172 (ex artikel 130 O)

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de in artikel 171 bedoelde voorzieningen vast.

De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, de in de artikelen 167, 168 en 169 bedoelde voorzieningen vast. Voor de vaststelling van de aanvullende programma's is de goedkeuring van de betrokken lidstaten vereist.

Artikel 173 (ex artikel 130 P)

Aan het begin van elk jaar legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor. Dit verslag heeft met name betrekking op de activiteiten inzake onderzoek en technologische ontwikkeling en verspreiding van de resultaten in het voorafgaande jaar alsmede op het werkprogramma van het lopende jaar.

TITEL XIX (ex titel XVI)

MILIEU

Artikel 174 (ex artikel 130 R)

1. Het beleid van de Gemeenschap op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen:

- behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

- bescherming van de gezondheid van de mens;

- behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

- bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen.

2. De Gemeenschap streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Gemeenschap. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

In dit verband omvatten de aan eisen inzake milieubescherming beantwoordende harmonisatiemaatregelen, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige maatregelen kunnen nemen die aan een communautaire controleprocedure onderworpen zijn.

3. Bij het bepalen van haar beleid op milieugebied houdt de Gemeenschap rekening met:

- de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;

- de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio's van de Gemeenschap;

- de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden;

- de economische en sociale ontwikkeling van de Gemeenschap als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar regio's.

4. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Gemeenschap en de lidstaten samen met derde landen en de bevoegde internationale organisaties. De nadere regels voor de samenwerking van de Gemeenschap kunnen voorwerp zijn van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel 300.

De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

Artikel 175 (ex artikel 130 S)

1. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's de activiteiten vast die de Gemeenschap moet ondernemen om de doelstellingen van artikel 174 te verwezenlijken.

2. In afwijking van de in lid 1 bedoelde besluitvormingsprocedure en onverminderd het bepaalde in artikel 95 neemt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met eenparigheid van stemmen een besluit over:

- bepalingen van in hoofdzaak fiscale aard;

- maatregelen betreffende ruimtelijke ordening, bodembestemming met uitzondering van afvalstoffenbeheer en maatregelen van algemene aard, en kwantitatief waterbeheer;

- maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en op de algemene structuur van zijn energievoorziening.

De Raad kan onder de in de eerste alinea bedoelde voorwaarden bepalen over welke van de in dit lid bedoelde aangelegenheden met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen moet worden besloten.

3. Op andere gebieden stelt de Raad volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's algemene actieprogramma's vast waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd.

De Raad stelt, naar gelang van het geval onder de voorwaarden van lid 1 of lid 2, de maatregelen vast die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van deze programma's.

4. Onverminderd bepaalde maatregelen met een communautair karakter, dragen de lidstaten zorg voor de financiering en de uitvoering van het milieubeleid.

5. Onverminderd het beginsel dat de vervuiler betaalt, treft de Raad, ingeval een op grond van lid 1 vastgestelde maatregel voor de overheid van een lidstaat onevenredig hoge kosten met zich meebrengt, in het besluit betreffende de aanneming van die maatregel passende voorzieningen in de vorm van:

- ontheffingen van tijdelijke aard en/of

- financiële steun uit het overeenkomstig artikel 161 opgerichte Cohesiefonds.

Artikel 176 (ex artikel 130 T)

De beschermende maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van artikel 175, beletten niet dat een lidstaat verdergaande beschermingsmaatregelen handhaaft en treft. Zulke maatregelen moeten verenigbaar zijn met dit Verdrag. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht.

TITEL XX (ex titel XVII)

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Artikel 177 (ex artikel 130 U)

1. Het beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, dat een aanvulling vormt op het beleid van de lidstaten, is gericht op de bevordering van:

- de duurzame economische en sociale ontwikkeling van de ontwikkelingslanden en meer in het bijzonder van de armste ontwikkelingslanden;

- de harmonische en geleidelijke integratie van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie;

- de strijd tegen de armoede in de ontwikkelingslanden.

2. Het beleid van de Gemeenschap op dit gebied draagt bij tot de algemene doelstelling van ontwikkeling en consolidatie van de democratie en van de rechtsstaat, alsmede tot de doelstelling van eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.

3. De Gemeenschap en de lidstaten houden zich aan de verbintenissen en de doelstellingen die zij in het kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties hebben onderschreven.

Artikel 178 (ex artikel 130 V)

De Gemeenschap houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van artikel 177.

Artikel 179 (ex artikel 130 W)

1. Onverminderd de overige bepalingen van dit Verdrag stelt de Raad volgens de procedure van artikel 251 de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van artikel 177 te verwezenlijken. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van meerjarenprogramma's.

2. De Europese Investeringsbank draagt, onder de in haar statuten vastgestelde voorwaarden, bij tot de tenuitvoerlegging van de in lid 1 bedoelde maatregelen.

3. Dit artikel laat de samenwerking met de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan in het kader van de ACS-EG-overeenkomst onverlet.

Artikel 180 (ex artikel 130 X)

1. De Gemeenschap en de lidstaten coördineren hun ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en plegen overleg over hun hulpprogramma's, ook in internationale organisaties en tijdens internationale conferenties. Zij kunnen gezamenlijk optreden. De lidstaten dragen zo nodig bij tot de tenuitvoerlegging van communautaire hulpprogramma's.

2. De Commissie kan alle dienstige initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde coördinatie te bevorderen.

Artikel 181 (ex artikel 130 Y)

In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Gemeenschap en de lidstaten samen met derde landen en met de bevoegde internationale organisaties. De nadere regels voor de samenwerking van de Gemeenschap kunnen worden opgenomen in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel 300.

De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

VIERDE DEEL

DE ASSOCIATIE VAN DE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

Artikel 182 (ex artikel 131)

De lidstaten komen overeen de niet-Europese landen en gebieden welke bijzondere betrekkingen onderhouden met Denemarken, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, te associëren met de Gemeenschap. Die landen en gebieden, hierna genoemd landen en gebieden, worden opgenomen in een lijst die als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht.

Doel van de associatie is het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling der landen en gebieden en de totstandbrenging van nauwe economische betrekkingen tussen hen en de Gemeenschap in haar geheel.

Overeenkomstig de in de preambule van dit Verdrag neergelegde beginselen moet de associatie in de eerste plaats de mogelijkheid scheppen de belangen en de voorspoed van de inwoners van die landen en gebieden te bevorderen, teneinde hen te brengen tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling welke zij verwachten.

Artikel 183 (ex artikel 132)

Door de associatie worden de volgende doeleinden nagestreefd:

1) De lidstaten passen op hun handelsverkeer met de landen en gebieden de regeling toe welke zij krachtens dit Verdrag tegenover elkaar zijn aangegaan.

2) Ieder land of gebied past op zijn handelsverkeer met de lidstaten en de andere landen en gebieden de regeling toe die het toepast op de Europese staat waarmede het bijzondere betrekkingen onderhoudt.

3) De lidstaten dragen bij in de investeringen welke vereist zijn voor de geleidelijke ontwikkeling van die landen en gebieden.

4) Voor de door de Gemeenschap gefinancierde investeringen staat de deelneming in aanbestedingen en leveranties onder gelijke voorwaarden open voor alle onderdanen en rechtspersonen van de lidstaten en van de landen en gebieden.

5) In de betrekkingen tussen de lidstaten en de landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures, bepaald in het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel 187 vastgestelde bijzondere bepalingen.

Artikel 184 (ex artikel 133)

1. De goederen van oorsprong uit de landen en gebieden delen bij hun invoer in de lidstaten in het verbod op douanerechten dat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag tussen de lidstaten geldt.

2. Bij invoer in elk land en gebied zijn douanerechten op goederen uit de lidstaten en uit de andere landen en gebieden overeenkomstig de bepalingen van artikel 25 verboden.

3. De landen en gebieden kunnen evenwel douanerechten heffen welke in overeenstemming zijn met de eisen van hun ontwikkeling en de behoeften van hun industrialisatie, of welke van fiscale aard zijn en ten doel hebben in hun begrotingsmiddelen te voorzien.

De in vorenstaande alinea bedoelde rechten mogen het peil van de invoerrechten welke worden geheven op producten uit de lidstaat waarmede elk land of gebied bijzondere betrekkingen onderhoudt, niet te boven gaan.

4. Lid 2 is niet van toepassing op landen en gebieden die uit hoofde van de bijzondere internationale verplichtingen waaraan zij zijn onderworpen, reeds een non-discriminatoir douanetarief toepassen.

5. De instelling of wijziging van douanerechten op de in de landen en gebieden ingevoerde goederen mag noch in rechte noch in feite aanleiding geven tot een rechtstreekse of zijdelingse discriminatie tussen de importen uit de onderscheidene lidstaten.

Artikel 185 (ex artikel 134)

Indien het peil van de rechten, toepasselijk op goederen van herkomst uit een derde land, bij invoer in een land of gebied van dien aard is dat, als gevolg van de toepassing der bepalingen van artikel 184, lid 1, het handelsverkeer zich ten nadele van een der lidstaten kan verleggen kan deze staat de Commissie verzoeken, aan de overige lidstaten de maatregelen voor te stellen welke noodzakelijk zijn om deze toestand te verhelpen.

Artikel 186 (ex artikel 135)

Behoudens de bepalingen betreffende de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de openbare orde, zal het vrije verkeer van werknemers uit de landen en gebieden binnen de lidstaten en van werknemers uit de lidstaten binnen de landen en gebieden worden geregeld door later te sluiten overeenkomsten, waarvoor eenstemmigheid van de lidstaten is vereist.

Artikel 187 (ex artikel 136)

De Raad stelt op basis van de in het kader van de associatie van de landen en gebieden met de Gemeenschap bereikte resultaten en van de in dit Verdrag neergelegde beginselen met eenparigheid van stemmen de bepalingen vast betreffende de wijze van toepassing en de procedure van de associatie van de landen en gebieden met de Gemeenschap anderzijds.

Artikel 188 (ex artikel 136 bis)

Het bepaalde in de artikelen 182 tot en met 187 is op Groenland van toepassing behoudens de voor Groenland geldende bijzondere bepalingen omschreven in het protocol betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland, dat aan dit Verdrag is gehecht.

VIJFDE DEEL

DE INSTELLINGEN VAN DE GEMEENSCHAP

TITEL I

BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

Hoofdstuk 1

De instellingen

Eerste afdeling

Het Europees Parlement

Artikel 189 (ex artikel 137)

Het Europees Parlement, bestaande uit vertegenwoordigers van de volkeren van de staten die in de Gemeenschap zijn verenigd, oefent de door dit Verdrag aan deze instelling verleende bevoegdheden uit.

Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderd.

Artikel 190 (ex artikel 138)

1. De vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten worden gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.

2. Het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers is als volgt vastgesteld:

   
België 25
Denemarken 16
Duitsland 99
Griekenland 25
Spanje 64
Frankrijk 87
Ierland 15
Italië 87
Luxemburg 6
Nederland 31
Oostenrijk 21
Portugal 25
Finland 16
Zweden 22
Verenigd Koninkrijk 87.

In geval van wijzigingen in dit lid dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.

3. De vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar.

4. Het Europees Parlement stelt een ontwerp op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.

De Raad stelt met eenparigheid van stemmen en met instemming van het Europees Parlement, dat met meerderheid van stemmen van zijn leden een besluit neemt, de desbetreffende bepalingen vast, waarvan hij de aanneming door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.

5. Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met goedkeuring van de Raad die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden.

Artikel 191 (ex artikel 138 A)

Europese politieke partijen zijn een belangrijke factor voor integratie binnen de Unie. Zij dragen bij tot de vorming van een Europees bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.

Artikel 192 (ex artikel 138 B)

Voorzover in dit Verdrag daarin is voorzien, neemt het Europees Parlement deel aan het proces dat leidt tot de aanneming van communautaire besluiten door zijn bevoegdheden in het kader van de procedures van de artikelen 251 en 252 uit te oefenen, alsmede door zijn instemming te betuigen of door adviezen te geven.

Het Europees Parlement kan met meerderheid van stemmen van zijn leden de Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Parlement communautaire besluiten voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag vergen.

Artikel 193 (ex artikel 138 C)

In het kader van de vervulling van zijn taken kan het Europees Parlement op verzoek van een vierde van zijn leden een tijdelijke enquêtecommissie instellen om, onverminderd de bij dit Verdrag aan andere instellingen of organen verleende bevoegdheden, vermeende inbreuken op het Gemeenschapsrecht of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht te onderzoeken, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken en zolang deze procedure nog niet is voltooid.

De tijdelijke enquêtecommissie houdt op te bestaan zodra zij haar verslag heeft ingediend.

De nadere bepalingen betreffende de uitoefening van het enquêterecht worden in onderlinge overeenstemming vastgesteld door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Artikel 194 (ex artikel 138 D)

Iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht om individueel of te zamen met andere burgers of personen een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten betreffende een onderwerp dat tot de werkterreinen van de Gemeenschap behoort en dat hem of haar rechtstreeks aangaat.

Artikel 195 (ex artikel 138 E)

1. Het Europees Parlement benoemt een ombudsman die bevoegd is kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie of van natuurlijke of rechtspersonen met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg bij de uitoefening van hun gerechtelijke taak.

Overeenkomstig zijn opdracht verricht de ombudsman het door hem gerechtvaardigd geachte onderzoek op eigen initiatief dan wel op basis van klachten welke hem rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement zijn voorgelegd, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken of hebben uitgemaakt. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer heeft vastgesteld, legt hij de zaak voor aan de betrokken instelling, die over een termijn van drie maanden beschikt om hem haar standpunt mede te delen. De ombudsman doet vervolgens een verslag aan het Europees Parlement en aan de betrokken instelling toekomen. De persoon die de klacht heeft ingediend wordt op de hoogte gebracht van het resultaat van dit onderzoek.

De ombudsman legt elk jaar aan het Europees Parlement een verslag voor met het resultaat van zijn onderzoeken.

2. Na elke verkiezing voor het Europees Parlement wordt de ombudsman voor de zittingsduur van deze instelling benoemd. Hij is herbenoembaar.

Op verzoek van het Europees Parlement kan de ombudsman door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard, indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten.

3. De ombudsman oefent zijn ambt volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van zijn taken vraagt noch aanvaardt hij instructies van enig lichaam. Gedurende zijn ambtsperiode mag de ombudsman geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten.

4. Het Europees Parlement stelt na advies van de Commissie en met goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt, het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van ombudsman vast.

Artikel 196 (ex artikel 139)

Het Europees Parlement houdt jaarlijks een zitting. Het komt van rechtswege de tweede dinsdag van maart bijeen.

Het Europees Parlement kan in buitengewone zitting bijeenkomen op verzoek van de meerderheid van zijn leden, van de Raad, of van de Commissie.

Artikel 197 (ex artikel 140)

Het Europees Parlement kiest uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

De leden van de Commissie kunnen alle vergaderingen bijwonen en worden op hun verzoek in naam van de Commissie gehoord.

De Commissie antwoordt mondeling of schriftelijk op de haar door het Europees Parlement of door de leden daarvan gestelde vragen.

De Raad wordt door het Europees Parlement gehoord volgens de bepalingen, welke hij in zijn reglement van orde vaststelt.

Artikel 198 (ex artikel 141)

Voorzover in dit Verdrag niet anders is bepaald, besluit het Europees Parlement met volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen.

Het reglement van orde bepaalt het quorum.

Artikel 199 (ex artikel 142)

Het Europees Parlement stelt zijn reglement van orde vast bij meerderheid van stemmen van zijn leden.

De handelingen van het Europees Parlement worden overeenkomstig de bepalingen van dat reglement bekendgemaakt.

Artikel 200 (ex artikel 143)

Het Europees Parlement beraadslaagt in openbare zitting over het algemene jaarverslag, dat hem door de Commissie wordt voorgelegd.

Artikel 201 (ex artikel 144)

Wanneer aan het Europese Parlement een motie van afkeuring betreffende het beleid van de Commissie wordt voorgelegd, kan het Europees Parlement zich over deze motie niet eerder uitspreken dan ten minste drie dagen nadat de motie is ingediend en slechts bij openbare stemming.

Indien de motie van afkeuring is aangenomen met een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen en tevens bij meerderheid van de leden van het Europees Parlement, moeten de leden van de Commissie gezamenlijk aftreden. Zij blijven de lopende zaken behartigen tot in hun vervanging is voorzien overeenkomstig artikel 214. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de te hunner vervanging benoemde leden van de Commissie op de datum waarop de ambtstermijn van de gezamenlijk tot aftreden gedwongen leden zou zijn verstreken.

Tweede afdeling

De Raad

Artikel 202 (ex artikel 145)

Ter bereiking van de doelstellingen van dit Verdrag en overeenkomstig de bepalingen daarvan

- draagt de Raad zorg voor de coördinatie van het algemeen economisch beleid van de lidstaten;

- heeft de Raad beslissingsbevoegdheid;

- verleent de Raad, in de besluiten die hij neemt, de Commissie de bevoegdheden ter uitvoering van de regels die hij stelt. De Raad kan de uitoefening van deze bevoegdheden aan bepaalde voorwaarden onderwerpen. Hij kan zich ook het recht voorbehouden in bijzondere gevallen bepaalde uitvoeringsbevoegdheden rechtstreeks uit te oefenen. De hierboven bedoelde voorwaarden dienen te beantwoorden aan de beginselen en regels die de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, vooraf met eenparigheid van stemmen heeft vastgesteld.

Artikel 203 (ex artikel 146)

De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden.

Het voorzitterschap wordt in de Raad door elke lidstaat bij toerbeurt uitgeoefend voor de tijd van zes maanden in een door de Raad met eenparigheid van stemmen bepaalde volgorde.

Artikel 204 (ex artikel 147)

De Raad wordt door zijn voorzitter, op diens initiatief, op initiatief van één van zijn leden of van de Commissie, in vergadering bijeengeroepen.

Artikel 205 (ex artikel 148)

1. Voorzover in dit Verdrag niet anders is bepaald, neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden.

2. Voor de besluiten van de Raad, waarvoor een gekwalificeerde meerderheid is vereist, worden de stemmen der leden als volgt gewogen:

   
België 5
Denemarken 3
Duitsland 10
Griekenland 5
Spanje 8
Frankrijk 10
Ierland 3
Italië 10
Luxemburg 2
Nederland 5
Finland 3
Zweden 4
Verenigd Koninkrijk 10.

De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste:

- tweeënzestig stemmen hebben verkregen, ingeval zij krachtens dit Verdrag moeten worden genomen op voorstel van de Commissie;

- tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen, in de overige gevallen.

3. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen der besluiten van de Raad waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist.

Artikel 206 (ex artikel 150)

Ieder lid van de Raad kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om namens hem te stemmen.

Artikel 207 (ex artikel 151)

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.

3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.

Voor de toepassing van artikel 255, lid 3, neemt de Raad in dit reglement de voorwaarden op waaronder het publiek toegang heeft tot documenten van de Raad. Voor de toepassing van dit lid omschrijft de Raad de gevallen waarin hij geacht moet worden op te treden als wetgever teneinde in die gevallen een ruimere toegang tot de documenten toe te staan, en tegelijkertijd de doeltreffendheid van het besluitvormingsproces te behouden. In elk geval maakt de Raad wanneer hij optreedt als wetgever, de uitslag van de stemmingen, alsmede de stemverklaringen en de verklaringen in de notulen openbaar.

Artikel 208 (ex artikel 152)

De Raad kan de Commissie verzoeken, alle studies die hij wenselijk acht ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen te verrichten en hem alle ter zake dienende voorstellen te doen.

Artikel 209 (ex artikel 153)

De Raad stelt, na advies van de Commissie, het statuut vast van de comités welke in dit Verdrag zijn bedoeld.

Artikel 210 (ex artikel 154)

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de wedden, vergoedingen en pensioenen vast van de voorzitter en de leden van de Commissie, van de president, de rechters en de griffier, alsmede van de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie. De Raad stelt, met dezelfde meerderheid, eveneens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden.

Derde afdeling

De Commissie

Artikel 211 (ex artikel 155)

Teneinde de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt te verzekeren

- ziet de Commissie toe op de toepassing zowel van de bepalingen van dit Verdrag als van de bepalingen welke de instellingen krachtens dit Verdrag vaststellen,

- doet de Commissie aanbevelingen of brengt zij adviezen uit over de in dit Verdrag behandelde onderwerpen, indien het Verdrag dit uitdrukkelijk voorschrijft of indien zij dit noodzakelijk acht,

- heeft de Commissie een eigen beslissingsbevoegdheid en werkt zij mede aan de totstandkoming van de handelingen van de Raad en van het Europees Parlement overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag,

- oefent de Commissie de bevoegdheden uit welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt.

Artikel 212 (ex artikel 156)

Jaarlijks, ten minste een maand vóór de opening van de zitting van het Europees Parlement, publiceert de Commissie een algemeen verslag over de werkzaamheden van de Gemeenschap.

Artikel 213 (ex artikel 157)

1. De Commissie bestaat uit twintig leden, die op grond van hun algemene bekwaamheid worden gekozen en die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.

Het aantal leden van de Commissie kan door de Raad met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd.

Alleen zij die de nationaliteit van een van de lidstaten bezitten, kunnen lid van de Commissie zijn.

In de Commissie moet ten minste één onderdaan van elke lidstaat zitting hebben, zonder dat het aantal leden van dezelfde nationaliteit meer dan twee mag bedragen.

2. De leden van de Commissie oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden zij instructies van enige regering of enig ander lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. Iedere lidstaat verbindt zich, dit karakter te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de Commissie te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak.

De leden van de Commissie mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. Ingeval deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, al naar het geval, ontslag ambtshalve volgens artikel 216 of verval van het recht op pensioen of van andere, daarvoor in de plaats tredende voordelen kan uitspreken.

Artikel 214 (ex artikel 158)

1. De leden van de Commissie worden volgens de procedure van lid 2 voor een periode van vijf jaar benoemd, behoudens, in voorkomend geval, artikel 201.

Zij zijn herbenoembaar.

2. De regeringen van de lidstaten dragen in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd.

In onderlinge overeenstemming met de voorgedragen voorzitter dragen de regeringen van de lidstaten de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen.

De aldus voorgedragen voorzitter en overige leden van de Commissie worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement. Na goedkeuring door het Europees Parlement worden de voorzitter en de overige leden van de Commissie door de regeringen van de lidstaten in onderlinge overeenstemming benoemd.

Artikel 215 (ex artikel 159)

Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Commissie door vrijwillig ontslag of ontslag ambtshalve.

De betrokkene wordt voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen door een nieuw lid dat in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten wordt benoemd. De Raad kan met eenparigheid van stemmen vaststellen dat er geen reden voor vervanging is.

In geval van ontslag of overlijden wordt de voorzitter voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen. De procedure van artikel 214, lid 2, is van toepassing voor de vervanging van de voorzitter.

Behoudens in geval van ontslag ambtshalve overeenkomstig artikel 216, blijven de leden van de Commissie in functie totdat in hun vervanging is voorzien.

Artikel 216 (ex artikel 160)

Op verzoek van de Raad of van de Commissie kan elk lid van de Commissie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard.

Artikel 217 (ex artikel 161)

De Commissie kan uit haar leden één of twee vice-voorzitters benoemen.

Artikel 218 (ex artikel 162)

1. De Raad en de Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken.

2. De Commissie stelt haar reglement van orde vast teneinde te verzekeren dat zij en haar diensten overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag werkzaam zijn. Zij zorgt voor de bekendmaking van dat reglement.

Artikel 219 (ex artikel 163)

De Commissie werkt onder de politieke leiding van haar voorzitter.

De besluiten van de Commissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van het in artikel 213 bepaalde aantal leden.

De Commissie kan slechts geldig zitting houden, indien het in haar reglement van orde bepaalde aantal leden aanwezig is.

Vierde afdeling

Het Hof van Justitie

Artikel 220 (ex artikel 164)

Het Hof van Justitie verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van dit Verdrag.

Artikel 221 (ex artikel 165)

Het Hof bestaat uit vijftien rechters.

Het Hof van Justitie komt in voltallige zitting bijeen. Het kan echter uit zijn midden kamers vormen, elk samengesteld uit drie, vijf of zeven rechters, om overeenkomstig de bepalingen van een daartoe opgesteld reglement, hetzij bepaalde maatregelen van onderzoek te nemen, hetzij bepaalde soorten van zaken te berechten.

Het Hof van Justitie komt in voltallige zitting bijeen wanneer een lidstaat of een instelling van de Gemeenschap die partij is bij het geding, daarom verzoekt.

Indien het Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het aantal rechters verhogen en de tweede en derde alinea van dit artikel alsmede de tweede alinea van artikel 223 voorzover nodig aanpassen.

Artikel 222 (ex artikel 166)

Het Hof van Justitie wordt bijgestaan door acht advocaten-generaal. Voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 6 oktober 2000 wordt echter een negende advocaat-generaal aangewezen.

De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken welke aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd, teneinde dit ter zijde te staan bij de vervulling van zijn taak, gelijk deze is omschreven in artikel 220.

Indien het Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het aantal advocaten-generaal verhogen en de derde alinea van artikel 223 voorzover nodig aanpassen.

Artikel 223 (ex artikel 167)

De rechters en de advocaten-generaal, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheidene landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd.

Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van de rechters plaats. Deze heeft beurtelings betrekking op acht en op zeven rechters.

Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van de advocaten-generaal plaats. Deze heeft telkens betrekking op drie advocaten-generaal.

De aftredende rechters en advocaten-generaal zijn herbenoembaar.

De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Hof van Justitie. Hij is herkiesbaar.

Artikel 224 (ex artikel 168)

Het Hof van Justitie benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie.

Artikel 225 (ex artikel 168 A)

1. Aan het Hof van Justitie wordt een gerecht toegevoegd dat, in eerste aanleg en behoudens een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening bij het Hof van Justitie op de wijze bepaald in het statuut, kennis neemt van bepaalde categorieën van beroepen die onder de voorwaarden van lid 2 worden vastgesteld. Het Gerecht van eerste aanleg is niet bevoegd voor prejudiciële vragen die worden voorgelegd uit hoofde van artikel 234.

2. Op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en van de Commissie, bepaalt de Raad met eenparigheid van stemmen de in lid 1 bedoelde categorieën van beroepen en de samenstelling van het Gerecht van eerste aanleg en stelt hij de noodzakelijke aanpassingen en aanvullingen voor het statuut van het Hof van Justitie vast. Tenzij de Raad anderszins besluit, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende het Hof van Justitie, en met name de bepalingen van het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie, op het Gerecht van eerste aanleg van toepassing.

3. De leden van het Gerecht van eerste aanleg worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden; zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging plaats. De aftredende leden zijn herbenoembaar.

4. Het Gerecht van eerste aanleg stelt in overeenstemming met het Hof van Justitie zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement moet met eenparigheid van stemmen door de Raad worden goedgekeurd.

Artikel 226 (ex artikel 169)

Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na deze staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.

Indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie.

Artikel 227 (ex artikel 170)

Ieder van de lidstaten kan zich wenden tot het Hof van Justitie, indien hij van mening is dat een andere lidstaat een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Voordat een lidstaat tegen een andere lidstaat een klacht indient op grond van een beweerde schending van de verplichtingen welke krachtens dit Verdrag op deze laatste rusten, moet hij deze klacht aan de Commissie voorleggen.

De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit nadat aan de betrokken staten de gelegenheid is gegeven om over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken.

Indien de Commissie binnen drie maanden na indiening van de klacht geen advies heeft uitgebracht, kan desniettemin de klacht bij het Hof van Justitie worden ingediend.

Artikel 228 (ex artikel 171)

1. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een lidstaat een der krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze staat gehouden die maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.

2. Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat deze maatregelen niet heeft genomen, brengt zij, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, een met redenen omkleed advies uit waarin de punten worden gepreciseerd waarop de betrokken lidstaat het arrest van het Hof van Justitie niet is nagekomen.

Indien de betrokken lidstaat de maatregelen ter uitvoering van het arrest van het Hof niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn heeft genomen, kan de Commissie de zaak voor het Hof van Justitie brengen. Zij vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.

Indien het Hof van Justitie vaststelt dat de betrokken lidstaat zijn arrest niet is nagekomen, kan het deze staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen.

Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel 227.

Artikel 229 (ex artikel 172)

De door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, alsmede de door de Raad krachtens de bepalingen van dit Verdrag vastgestelde verordeningen kunnen aan het Hof van Justitie volledige rechtsmacht verlenen wat betreft de sancties welke in die verordeningen zijn opgenomen.

Artikel 230 (ex artikel 173)

Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de handelingen van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, van de handelingen van de Raad, van de Commissie en van de ECB, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben.

Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.

Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door het Europees Parlement, de Rekenkamer en de ECB ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.

Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

Artikel 231 (ex artikel 174)

Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie nietig verklaard.

Wat echter de verordeningen betreft, wijst het Hof van Justitie, zo het dit nodig oordeelt, die gevolgen van de vernietigde verordening aan, welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd.

Artikel 232 (ex artikel 175)

Ingeval het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, in strijd met dit Verdrag, nalaten een besluit te nemen, kunnen de lidstaten en de overige instellingen van de Gemeenschap zich wenden tot het Hof van Justitie om deze schending te doen vaststellen.

Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de betrokken instelling vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze instelling na twee maanden, te rekenen vanaf de uitnodiging, haar standpunt nog niet heeft bepaald, kan het beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een der instellingen van de Gemeenschap heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies.

Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake de door de ECB ingestelde beroepen op de onder haar bevoegdheid vallende gebieden of inzake de beroepen die tegen haar zijn ingesteld.

Artikel 233 (ex artikel 176)

De instelling of de instellingen wier handeling nietig is verklaard of wier nalatigheid strijdig met dit Verdrag is verklaard, is respectievelijk zijn gehouden de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.

Deze verplichting geldt onverminderd die welke kan voortvloeien uit de toepassing van de tweede alinea van artikel 288.

Dit artikel is ook van toepassing op de ECB.

Artikel 234 (ex artikel 177)

Het Hof van Justitie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen

a) over de uitlegging van dit Verdrag,

b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap en van de ECB,

c) over de uitlegging van de statuten van bij besluit van de Raad ingestelde organen, wanneer die statuten daarin voorzien.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden.

Artikel 235 (ex artikel 178)

Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van de in de tweede alinea van artikel 288 bedoelde schade.

Artikel 236 (ex artikel 179)

Het Hof van Justitie is bevoegd, uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor hen toepasselijk is.

Artikel 237 (ex artikel 180)

Het Hof van Justitie is bevoegd, binnen de hierna aangegeven grenzen, kennis te nemen van de geschillen betreffende:

a) de uitvoering van de verplichtingen der lidstaten voortvloeiende uit de statuten van de Europese Investeringsbank. De Raad van bewind van de Bank beschikt dienaangaande over de bevoegdheden welke bij artikel 226 aan de Commissie zijn toegekend;

b) de besluiten van de Raad van gouverneurs van de Europese Investeringsbank. Elke lidstaat, de Commissie en de Raad van bewind van de Bank kunnen onder de voorwaarden gesteld in artikel 230 te dezer zake beroep instellen;

c) de besluiten van de Raad van bewind van de Europese Investeringsbank. Beroep tegen deze besluiten kan onder de voorwaarden van artikel 230 slechts worden ingesteld door de lidstaten of de Commissie, en alleen in geval van schending van de vormvoorschriften bedoeld in artikel 21, leden 2, 5, 6 en 7, van de statuten van de Bank;

d) de uitvoering van de verplichtingen van de nationale centrale banken voortvloeiende uit dit Verdrag en uit de statuten van het ESCB. De Raad van de ECB beschikt dienaangaande ten aanzien van de nationale centrale banken over de bevoegdheden welke bij artikel 226 aan de Commissie zijn toegekend ten aanzien van de lidstaten. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een nationale centrale bank een der krachtens dit Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze bank gehouden die maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.

Artikel 238 (ex artikel 181)

Het Hof van Justitie is bevoegd, uitspraak te doen krachtens een arbitragegeding vervat in een door of namens de Gemeenschap gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

Artikel 239 (ex artikel 182)

Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten dat met de materie van dit Verdrag verband houdt, indien dit geschil hem krachtens een compromis wordt voorgelegd.

Artikel 240 (ex artikel 183)

Behoudens de bevoegdheid die bij dit Verdrag aan het Hof van Justitie wordt verleend, zijn de geschillen waarin de Gemeenschap partij is, niet uit dien hoofde onttrokken aan de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

Artikel 241 (ex artikel 184)

Iedere partij kan, ook al is de in artikel 230, vijfde alinea, bedoelde termijn verstreken, naar aanleiding van een geschil waarbij een door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk vastgestelde verordening of een verordening van de Raad, van de Commissie of van de ECB in het geding is, de in artikel 230, tweede alinea, bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie de niet-toepasselijkheid van deze verordening in te roepen.

Artikel 242 (ex artikel 185)

Een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep heeft geen schorsende werking. Het Hof van Justitie kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten.

Artikel 243 (ex artikel 186)

Het Hof van Justitie kan in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.

Artikel 244 (ex artikel 187)

De arresten van het Hof van Justitie zijn uitvoerbaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 256.

Artikel 245 (ex artikel 188)

Het statuut van het Hof van Justitie wordt vastgesteld bij een afzonderlijk protocol.

De Raad kan, op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van de Commissie en het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen de bepalingen van titel III van het statuut wijzigen.

Het Hof van Justitie stelt zijn reglement voor de procesvoering vast, dat met eenparigheid van stemmen door de Raad moet worden goedgekeurd.

Vijfde afdeling

De Rekenkamer

Artikel 246 (ex artikel 188 A)

De Rekenkamer verricht de controle van de rekeningen.

Artikel 247 (ex artikel 188 B)

1. De Rekenkamer bestaat uit vijftien leden.

2. De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen land behoren of behoord hebben tot de externe controle-instanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn. Zij moeten alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.

3. De leden van de Rekenkamer worden door de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen voor zes jaar benoemd.

De leden van de Rekenkamer zijn herbenoembaar.

Zij kiezen uit hun midden voor drie jaar de voorzitter van de Rekenkamer. Hij is herkiesbaar.

4. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden zij instructies van enige regering of enig lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt.

5. De leden van de Rekenkamer mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.

6. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden, eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Rekenkamer door vrijwillig ontslag of door ontslag ambtshalve ingevolge een uitspraak van het Hof van Justitie overeenkomstig lid 7.

De betrokkene wordt vervangen voor de verdere duur van zijn ambtstermijn.

Behoudens in geval van ontslag ambtshalve, blijven de leden van de Rekenkamer in functie totdat in hun vervanging is voorzien.

7. De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

8. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de arbeidsvoorwaarden vast, met name de bezoldiging, de vergoedingen en het pensioen van de voorzitter en de leden van de Rekenkamer. Met dezelfde meerderheid stelt hij ook de vergoedingen vast die als bezoldiging kunnen worden aangemerkt.

9. De bepalingen van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen die van toepassing zijn op de rechters van het Hof van Justitie gelden ook voor de leden van de Rekenkamer.

Artikel 248 (ex artikel 188 C)

1. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap. Zij onderzoekt tevens de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van elk door de Gemeenschap ingesteld orgaan, voorzover het instellingsbesluit dit onderzoek niet uitsluit.

De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt.

2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.

De controle van de ontvangsten geschiedt aan de hand van de vaststellingen en van de stortingen van ontvangsten aan de Gemeenschap.

De controle van de uitgaven geschiedt aan de hand van betalingsverplichtingen en van betalingen.

Deze controles kunnen plaatsvinden vóór de afsluiting van de rekeningen van het betrokken begrotingsjaar.

3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen van de Gemeenschap, in de gebouwen van alle instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

De overige instellingen van de Gemeenschap, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap door de Europese Investeringsbank wordt het recht van toegang van de Rekenkamer tot informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin toegang tot de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap.

4. De Rekenkamer stelt na afsluiting van elk begrotingsjaar een jaarverslag op. Dit verslag wordt toegezonden aan de overige instellingen van de Gemeenschap en te zamen met de antwoorden van deze instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerd.

De Rekenkamer kan voorts te allen tijde met betrekking tot bijzondere vraagstukken opmerkingen maken, met name in de vorm van speciale verslagen, en kan op verzoek van één van de overige instellingen van de Gemeenschap adviezen uitbrengen.

De Rekenkamer neemt haar jaarverslagen, speciale verslagen of adviezen aan met meerderheid van stemmen van haar leden.

De Rekenkamer staat het Europees Parlement en de Raad bij bij de controle op de uitvoering van de begroting.

Hoofdstuk 2

Bepalingen welke verscheidene instellingen gemeen hebben

Artikel 249 (ex artikel 189)

Voor de vervulling van hun taak en onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden stellen het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, de Raad en de Commissie verordeningen en richtlijnen vast, geven zij beschikkingen en brengen zij aanbevelingen of adviezen uit.

Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

Een beschikking is verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht.

Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend.

Artikel 250 (ex artikel 189 A)

1. Wanneer op grond van dit Verdrag een besluit van de Raad wordt genomen op voorstel van de Commissie, kan de Raad een besluit dat van dat voorstel afwijkt slechts met eenparigheid van stemmen nemen, onder voorbehoud van artikel 251, leden 4 en 5.

2. Zolang de Raad geen besluit heeft genomen kan de Commissie te allen tijde gedurende de procedures die tot aanneming van een communautair besluit leiden haar voorstel wijzigen.

Artikel 251 (ex artikel 189 B)

1. Wanneer in dit Verdrag voor de aanneming van een besluit naar dit artikel wordt verwezen, is de onderstaande procedure van toepassing.

2. De Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad.

Met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na advies van het Europees Parlement,

- kan de Raad, indien hij alle in het advies van het Europees Parlement vervatte amendementen goedkeurt, het voorgestelde besluit in de aldus geamendeerde versie vaststellen;

- kan de Raad, indien het Europees Parlement geen amendementen voorstelt, het voorgestelde besluit vaststellen;

- stelt de Raad in de andere gevallen een gemeenschappelijk standpunt vast en deelt hij dit mede aan het Europees Parlement. De Raad stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn gemeenschappelijk standpunt. De Commissie stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van haar standpunt.

Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling:

a) het gemeenschappelijk standpunt goedkeurt of zich niet heeft uitgesproken, wordt het betrokken besluit geacht overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt te zijn aangenomen;

b) het gemeenschappelijk standpunt met volstrekte meerderheid van zijn leden verwerpt, wordt het voorgestelde besluit geacht niet te zijn aangenomen;

c) met volstrekte meerderheid van zijn leden amendementen op het gemeenschappelijk standpunt voorstelt, wordt de geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad en aan de Commissie, die advies over deze amendementen uitbrengt.

3. Indien de Raad binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de amendementen van het Europees Parlement al deze amendementen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedkeurt, wordt het betrokken besluit geacht te zijn aangenomen in de vorm van het aldus geamendeerde gemeenschappelijk standpunt; de Raad besluit evenwel met eenparigheid van stemmen over de amendementen waarover de Commissie negatief advies heeft uitgebracht. Indien de Raad niet alle amendementen goedkeurt, roept de voorzitter van de Raad, in overeenstemming met de voorzitter van het Europees Parlement, binnen zes weken het bemiddelingscomité bijeen.

4. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal vertegenwoordigers van het Europees Parlement en heeft tot taak met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de vertegenwoordigers van het Europees Parlement overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerp-tekst. De Commissie neemt aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité deel en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen. Bij de vervulling van deze taak bestudeert het bemiddelingscomité het gemeenschappelijk standpunt op basis van de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen.

5. Wanneer het bemiddelingscomité binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen, een gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad over een termijn van zes weken na deze goedkeuring om het betrokken besluit overeenkomstig de gemeenschappelijke ontwerp-tekst aan te nemen, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen wat het Europees Parlement betreft, en met gekwalificeerde meerderheid wat de Raad betreft. Wanneer een van de twee instellingen het voorgestelde besluit niet binnen die termijn goedkeurt, wordt het geacht niet te zijn aangenomen.

6. Wanneer het bemiddelingscomité geen gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, wordt het voorgestelde besluit geacht niet te zijn aangenomen.

7. De in dit artikel vermelde termijnen van drie maanden en zes weken worden, op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad, met ten hoogste één maand, respectievelijk twee weken verlengd.

Artikel 252 (ex artikel 189 C)

Wanneer in dit Verdrag voor de aanneming van een besluit naar dit artikel wordt verwezen, is de onderstaande procedure van toepassing:

a) De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na advies van het Europees Parlement, een gemeenschappelijk standpunt vast.

b) Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad wordt toegezonden aan het Europees Parlement. De Raad en de Commissie stellen het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die de Raad hebben geleid tot het vaststellen van het gemeenschappelijk standpunt, alsmede van het standpunt van de Commissie.

Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling dit gemeenschappelijk standpunt goedkeurt of zich binnen deze termijn niet heeft uitgesproken, stelt de Raad het desbetreffende besluit definitief vast overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt.

c) Het Europees Parlement kan binnen de onder b bedoelde termijn van drie maanden met volstrekte meerderheid van zijn leden amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad voorstellen. Het kan eveneens met dezelfde meerderheid het gemeenschappelijk standpunt van de Raad verwerpen. De uitkomst van de beraadslagingen wordt aan de Raad en de Commissie toegezonden.

Indien het Europees Parlement het gemeenschappelijk standpunt van de Raad heeft verworpen, kan de Raad in tweede lezing slechts met eenparigheid van stemmen besluiten.

d) Binnen één maand behandelt de Commissie haar voorstel op basis waarvan de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt heeft vastgesteld, aan de hand van de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen, opnieuw.

De Commissie legt, samen met het opnieuw behandelde voorstel, de door haar niet overgenomen amendementen van het Europees Parlement voor aan de Raad, waarbij zij haar mening daarover te kennen geeft. De Raad kan deze amendementen met eenparigheid van stemmen aannemen.

e) De Raad neemt het door de Commissie opnieuw behandelde voorstel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen aan.

De Raad kan het door de Commissie opnieuw behandelde voorstel slechts met eenparigheid van stemmen wijzigen.

f) In de gevallen bedoeld onder c), d) en e) is de Raad gehouden binnen drie maanden te besluiten. Bij gebreke van een besluit binnen deze termijn wordt het voorstel van de Commissie geacht niet te zijn aangenomen.

g) De onder b) en f) bedoelde termijnen kunnen in onderlinge overeenstemming tussen de Raad en het Europees Parlement met maximaal één maand worden verlengd.

Artikel 253 (ex artikel 190)

De verordeningen, richtlijnen en beschikkingen die door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk worden aangenomen, en de verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Raad of van de Commissie worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag moeten worden gevraagd.

Artikel 254 (ex artikel 191)

1. De volgens de procedure van artikel 251 aangenomen verordeningen, richtlijnen en beschikkingen worden ondertekend door de voorzitter van het Europees Parlement en door de voorzitter van de Raad, en worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij treden in werking op de datum die zij daartoe bepalen of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.

2. De verordeningen van de Raad en van de Commissie, alsmede de richtlijnen van deze instellingen die tot alle lidstaten zijn gericht, worden in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt. Zij treden in werking op de datum die zij daartoe bepalen of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.

3. Van de overige richtlijnen en van de beschikkingen wordt kennis gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht; zij worden door deze kennisgeving van kracht.

Artikel 255 (ex artikel 191 A)

1. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, volgens de beginselen en onder de voorwaarden die overeenkomstig de leden 2 en 3 worden bepaald.

2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam bepaalt de Raad volgens de procedure van artikel 251 de algemene beginselen en de beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen betreffende dit recht op toegang tot documenten.

3. Elk van bovengenoemde instellingen neemt in haar eigen reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de toegang tot haar documenten op.

Artikel 256 (ex artikel 192)

De beschikkingen van de Raad of van de Commissie welke voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel.

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op wiens grondgebied zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van elke lidstaat daartoe wordt aangewezen. Van de aanwijzing geeft zij kennis aan de Commissie en aan het Hof van Justitie.

Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging volgens de nationale wetgeving voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde instantie.

De tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens een beschikking van het Hof van Justitie. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

Hoofdstuk 3

Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel 257 (ex artikel 193)

Er wordt een Economisch en Sociaal Comité van raadgevende aard ingesteld.

Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers van alle sectoren van het economische en sociale leven, met name van de producenten, landbouwers, vervoerders, werknemers, handelaren en ambachtslieden, van de vrije beroepen en van het algemeen belang.

Artikel 258 (ex artikel 194)

Het aantal leden van het Comité is als volgt vastgesteld:

   
België 12
Denemarken 9
Duitsland 24
Griekenland 12
Spanje 21
Frankrijk 24
Ierland 9
Italië 24
Luxemburg 6
Nederland 12
Oostenrijk 12
Portugal 12
Finland 9
Zweden 12
Verenigd Koninkrijk 24.

De leden van het Comité worden door de Raad met eenparigheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar.

De leden van het Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de vergoedingen van de leden van het Comité vast.

Artikel 259 (ex artikel 195)

1. Met het oog op de benoeming van de leden van het Comité, zendt elke lidstaat aan de Raad een lijst waarop tweemaal zoveel kandidaten voorkomen als er zetels toegekend zijn voor zijn onderdanen.

Bij de samenstelling van het Comité moet rekening worden gehouden met de noodzaak, aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging te verzekeren.

2. De Raad raadpleegt de Commissie. Hij kan de mening vragen van de Europese organisaties die representatief zijn voor de verschillende economische en sociale sectoren welke belang hebben bij de activiteit van de Gemeenschap.

Artikel 260 (ex artikel 196)

Het Comité kiest, voor een periode van twee jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen.

Artikel 261 (ex artikel 197)

Het Comité omvat gespecialiseerde afdelingen voor de voornaamste terreinen waarop dit Verdrag van toepassing is.

De gespecialiseerde afdelingen verrichten hun werkzaamheden binnen het raam van de algemene bevoegdheden van het Comité. De gespecialiseerde afdelingen kunnen niet buiten het Comité om worden geraadpleegd.

Binnen het Comité kunnen voorts subcomités worden ingesteld om over bepaalde onderwerpen of op bepaalde gebieden ontwerp-adviezen op te stellen, welke ter bespreking aan het Comité moeten worden voorgelegd.

Het reglement van orde stelt de wijze van samenstelling en de bevoegdheden van de gespecialiseerde afdelingen en van de subcomités vast.

Artikel 262 (ex artikel 198)

Het Comité moet door de Raad of door de Commissie worden geraadpleegd in de gevallen voorzien in dit Verdrag. Het kan door deze instellingen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin zij het wenselijk oordelen. Het Comité kan, in de gevallen waarin het dit wenselijk acht, het initiatief nemen om een advies uit te brengen.

Indien de Raad of de Commissie zulks noodzakelijk achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten.

Het advies van het Comité en het advies van de gespecialiseerde afdeling, alsmede een verslag van de besprekingen, worden aan de Raad en aan de Commissie gezonden.

Het Comité kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.

Hoofdstuk 4

Het Comité van de regio's

Artikel 263 (ex artikel 198 A)

Er wordt een comité van raadgevende aard ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale lichamen, hierna _~Comité van de regio's” te noemen.

Het aantal leden van het Comité van de regio's is als volgt vastgesteld:

   
België 12
Denemarken 9
Duitsland 24
Griekenland 12
Spanje 21
Frankrijk 24
Ierland 9
Italië 24
Luxemburg 6
Nederland 12
Oostenrijk 12
Portugal 12
Finland 9
Zweden 12
Verenigd Koninkrijk 24.

De leden van het Comité, alsmede een gelijk aantal plaatsvervangers, worden op voordracht van de onderscheiden lidstaten door de Raad met eenparigheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. Leden van het Comité kunnen niet tegelijkertijd lid zijn van het Europees Parlement.

De leden van het Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

Artikel 264 (ex artikel 198 B)

Het Comité van de regio's kiest, voor een periode van twee jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen.

Artikel 265 (ex artikel 198 C)

Het Comité van de Regio's wordt door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de door dit Verdrag voorgeschreven gevallen en in alle andere gevallen, in het bijzonder die welke grensoverschrijdende samenwerking betreffen, waarin een van deze beide instellingen zulks wenselijk oordeelt.

Indien de Raad of de Commissie zulks noodzakelijk achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van het advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten.

Wanneer het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 wordt geraadpleegd, wordt het Comité van de regio's door de Raad of de Commissie in kennis gesteld van dat verzoek om advies. Het Comité van de regio's kan, wanneer het van mening is dat er specifieke regionale belangen op het spel staan, hieromtrent advies uitbrengen.

Het Comité van de Regio's kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.

Het Comité kan, in de gevallen waarin het zulks dienstig acht, op eigen initiatief een advies uitbrengen.

Het advies van het Comité alsmede een verslag van de besprekingen worden aan de Raad en aan de Commissie gezonden.

Hoofdstuk 5

De Europese Investeringsbank

Artikel 266 (ex artikel 198 D)

De Europese Investeringsbank bezit rechtspersoonlijkheid.

De leden van de Europese Investeringsbank zijn de lidstaten.

De statuten van de Europese Investeringsbank zijn opgenomen in een protocol dat aan dit Verdrag is gehecht.

Artikel 267 (ex artikel 198 E)

De Europese Investeringsbank heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen bij te dragen tot een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt in het belang van de Gemeenschap. Te dien einde vergemakkelijkt zij, door zonder winstoogmerk leningen en waarborgen te verstrekken, de financiering van de volgende projecten in alle sectoren van het economisch leven:

a) projecten tot ontwikkeling van minder-ontwikkelde gebieden,

b) projecten tot modernisering of overschakeling van ondernemingen of voor het scheppen van nieuwe bedrijvigheid, voortvloeiende uit de geleidelijke instelling van de gemeenschappelijke markt, welke projecten door hun omvang of hun aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn,

c) projecten welke voor verscheidene lidstaten van gemeenschappelijk belang zijn en die door hun omvang of aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn.

Bij de vervulling van haar taak vergemakkelijkt de Bank de financiering van investeringsprogramma's in samenhang met bijstandsverlening van de structuurfondsen en van de andere financieringsinstrumenten van de Gemeenschap.

TITEL II

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 268 (ex artikel 199)

Alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap, met inbegrip van die welke betrekking hebben op het Europees Sociaal Fonds, moeten voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting.

De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie welke betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, komen ten laste van de begroting. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van genoemde bepalingen, kunnen onder de in die bepalingen bedoelde voorwaarden ten laste komen van de begroting.

De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.

Artikel 269 (ex artikel 201)

De begroting wordt, onverminderd andere ontvangsten, volledig uit eigen middelen gefinancierd.

De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de bepalingen inzake het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschap vast, waarvan hij de aanneming door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.

Artikel 270 (ex artikel 201 A)

Teneinde de begrotingsdiscipline te verzekeren, doet de Commissie geen voorstellen voor communautaire handelingen, brengt zij geen wijzigingen in haar voorstellen aan en neemt zij geen uitvoeringsmaatregelen aan die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Gemeenschap die voortvloeien uit de door de Raad krachtens artikel 269 vastgestelde bepalingen.

Artikel 271 (ex artikel 202)

De uitgaven opgevoerd op de begroting worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, voorzover niet anders wordt bepaald in het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement.

Onder de voorwaarden die worden vastgesteld met toepassing van artikel 279, kunnen de kredieten welke aan het einde van het begrotingsjaar ongebruikt zijn gebleven, worden overgedragen uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar, voorzover deze kredieten niet betrekking hebben op personeelsuitgaven.

De kredieten worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven worden gegroepeerd naar hun aard en bestemming en voorzover nodig onderverdeeld overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement.

De uitgaven van het Europees Parlement, van de Raad, van de Commissie en van het Hof van Justitie worden als afzonderlijke afdelingen in de begroting opgenomen, onverminderd een speciale regeling voor bepaalde gemeenschappelijke uitgaven.

Artikel 272 (ex artikel 203)

1. Het begrotingsjaar begint op 1 januari en sluit op 31 december.

2. Elke instelling van de Gemeenschap maakt voor 1 juli een raming op van haar uitgaven. De Commissie voegt die ramingen in een voorontwerp van begroting samen. Zij voegt daaraan een advies toe, dat afwijkende ramingen mag inhouden.

Dit voorontwerp omvat een raming van de uitgaven en een raming van de ontvangsten.

3. De Commissie legt het voorontwerp van begroting uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan de Raad voor.

De Raad raadpleegt de Commissie en, in voorkomend geval, de andere betrokken instellingen telkens wanneer hij van dit voorontwerp wenst af te wijken.

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de ontwerp-begroting op en zendt deze aan het Europees Parlement.

4. De ontwerp-begroting moet uiterlijk op 5 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan het Europees Parlement worden voorgelegd.

Het Europees Parlement heeft het recht om de ontwerp-begroting met meerderheid van de stemmen van zijn leden te amenderen en om aan de Raad, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, wijzigingen in het ontwerp voor te stellen met betrekking tot de uitgaven die verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten.

Indien het Europees Parlement binnen een termijn van vijfenveertig dagen na voorlegging van de ontwerp-begroting zijn goedkeuring heeft verleend, is de begroting definitief vastgesteld. Indien het Europees Parlement binnen die termijn de ontwerp-begroting niet heeft geamendeerd of geen wijzigingen daarin heeft voorgesteld, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld.

Indien het Europees Parlement binnen die termijn amendementen heeft aangenomen of wijzigingen heeft voorgesteld, wordt de aldus geamendeerde of van wijzigingsvoorstellen voorziene ontwerp-begroting aan de Raad gezonden.

5. Na over de ontwerp-begroting te hebben beraadslaagd met de Commissie en, in voorkomend geval, met de andere betrokken instellingen, neemt de Raad een besluit onder de volgende voorwaarden:

a) de Raad kan elk der door het Europese Parlement aangenomen amendementen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen;

b) wat de wijzigingsvoorstellen betreft:

- indien een door het Europees Parlement voorgestelde wijziging niet leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een instelling, met name doordat de stijging van de uitgaven die daarvan het gevolg zou zijn, uitdrukkelijk wordt gecompenseerd door één of meer voorgestelde wijzigingen die een overeenkomstige daling van de uitgaven behelzen, kan de Raad dit wijzigingsvoorstel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen afwijzen. Bij gebreke van een afwijzend besluit is het wijzigingsvoorstel aanvaard;

- indien een door het Europees Parlement voorgestelde wijziging leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een instelling, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen dit wijzigingsvoorstel aanvaarden. Bij gebreke van een besluit tot aanvaarding is het wijzigingsvoorstel afgewezen;

- indien de Raad overeenkomstig één van beide vorige alinea's een wijzigingsvoorstel heeft afgewezen, kan hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen of wel het in de ontwerp-begroting voorkomende bedrag handhaven, of wel een ander bedrag vaststellen.

De ontwerp-begroting wordt gewijzigd overeenkomstig de door de Raad aangenomen wijzigingsvoorstellen.

Indien de Raad, binnen een termijn van vijftien dagen na voorlegging van de ontwerp-begroting geen der door het Europees Parlement aangenomen amendementen heeft gewijzigd en indien de door het Parlement ingediende wijzigingsvoorstellen zijn aanvaard, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld. De Raad stelt het Europees Parlement ervan in kennis dat hij geen der amendementen heeft gewijzigd en dat de wijzigingsvoorstellen zijn aanvaard.

Indien de Raad binnen deze termijn een of meer der door het Europees Parlement aangenomen amendementen heeft gewijzigd of indien de door het Parlement ingediende wijzigingsvoorstellen zijn afgewezen of gewijzigd, wordt de gewijzigde ontwerp-begroting opnieuw aan het Europees Parlement toegezonden. De Raad zet het resultaat van zijn beraadslagingen aan het Europees Parlement uiteen.

6. Binnen een termijn van vijftien dagen na voorlegging van de ontwerp-begroting kan het Europees Parlement, na te zijn ingelicht over het gevolg dat zijn wijzigingsvoorstellen is gegeven, met meerderheid van de stemmen van zijn leden en met drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen de door de Raad in zijn amendementen aangebrachte wijzigingen amenderen of afwijzen en stelt het dienovereenkomstig de begroting vast. Indien het Europees Parlement geen besluit heeft genomen binnen deze termijn, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld.

7. Wanneer de in dit artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert de voorzitter van het Europees Parlement dat de begroting definitief is vastgesteld.

8. Het Europees Parlement kan evenwel, met meerderheid van de stemmen van zijn leden en met twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen, om gewichtige redenen, de ontwerp-begroting afwijzen en verzoeken dat hem een nieuw ontwerp wordt voorgelegd.

9. Voor alle andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, wordt elk jaar een maximumpercentage van de stijging ten opzichte van de uitgaven van dezelfde aard van het lopende begrotingsjaar vastgesteld.

Na raadpleging van het Comité voor de economische politiek constateert de Commissie dit maximumpercentage, dat voortvloeit uit:

- de ontwikkeling van het bruto nationaal product naar volume in de Gemeenschap,

- de gemiddelde variatie van de begrotingen der lidstaten

en uit

- het verloop van de kosten van levensonderhoud in het laatste begrotingsjaar.

Het maximumpercentage wordt vóór 1 mei aan alle instellingen van de Gemeenschap medegedeeld. Deze dienen dit percentage te respecteren zolang de begrotingsprocedure loopt, behoudens het bepaalde in de vierde en de vijfde alinea.

Indien voor de andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, het stijgingspercentage dat volgt uit de door de Raad opgestelde ontwerpbegroting meer dan de helft van het maximumpercentage bedraagt, kan het Europees Parlement, in de uitoefening van zijn recht van amendement, het totale bedrag van deze uitgaven alsnog verhogen tot de helft van het maximumpercentage.

Is het Europees Parlement, de Raad of de Commissie van oordeel dat de activiteiten van de Gemeenschappen een overschrijding van het volgens de procedure van dit lid bepaalde percentage nodig maken, dan kan een nieuw percentage worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, en het Europees Parlement, dat besluit met meerderheid van de stemmen van zijn leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen.

10. Elke instelling oefent de haar bij het onderhavige artikel toegekende bevoegdheden uit onder eerbiediging van de bepalingen van het Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, met name inzake de eigen middelen van de Gemeenschappen en het evenwicht tussen ontvangsten en uitgaven.

Artikel 273 (ex artikel 204)

Indien bij het begin van een begrotingsjaar de begroting nog niet is aangenomen, kunnen de uitgaven maandelijks worden verricht per hoofdstuk of per andere afdeling, overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement, zonder dat zij een twaalfde der bij de begroting van het vorige begrotingsjaar geopende kredieten mogen overschrijden en zonder dat deze maatregel tot gevolg mag hebben, dat de Commissie meer dan een twaalfde van de kredieten van de in voorbereiding zijnde ontwerp-begroting ter beschikking krijgt.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, onder voorbehoud dat aan de overige in de eerste alinea gestelde voorwaarden wordt voldaan, uitgaven van meer dan een twaalfde toestaan.

Indien dit besluit betrekking heeft op andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, zendt de Raad het onverwijld aan het Europees Parlement; binnen een termijn van dertig dagen kan het Europees Parlement met meerderheid van de stemmen van zijn leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen, een andersluidend besluit nemen voor deze uitgaven voor wat betreft het gedeelte dat het in de eerste alinea bedoelde twaalfde overschrijdt. Dit gedeelte van het besluit van de Raad wordt geschorst totdat het Europees Parlement heeft besloten. Indien het Europees Parlement binnen bovengenoemde termijn geen andersluidend besluit dan dat van de Raad heeft genomen, wordt dit besluit geacht definitief te zijn vastgesteld.

De in de tweede en derde alinea bedoelde besluiten voorzien op het gebied van de middelen in de nodige maatregelen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 274 (ex artikel 205)

De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.

Het reglement voorziet in de wijze waarop en de mate waarin iedere instelling haar eigen uitgaven doet.

Binnen de begroting kan de Commissie, met inachtneming van de grenzen en de voorwaarden bepaald in het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement, kredieten overschrijven hetzij van het ene hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderafdeling naar de andere.

Artikel 275 (ex artikel 205 bis)

De Commissie legt elk jaar aan de Raad en aan het Europees Parlement de rekeningen over het afgelopen begrotingsjaar voor welke betrekking hebben op de uitvoering van de begroting. Bovendien doet zij hun een financiële balans van de activa en passiva van de Gemeenschap toekomen.

Artikel 276 (ex artikel 206)

1. Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 275, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 248, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.

2. Alvorens kwijting te verlenen aan de Commissie of voor enig ander doel in verband met de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie inzake de uitvoering van de begroting, kan het Europees Parlement de Commissie verzoeken verantwoording af te leggen ter zake van de uitvoering van de uitgaven of de werking van de financiële controlestelsels. De Commissie verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle nodige inlichtingen.

3. De Commissie stelt alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen in de kwijtingsbesluiten en aan andere opmerkingen van het Europees Parlement over de uitvoering van de uitgaven, alsook aan de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbevelingen tot kwijting vergezeld gaan.

Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengt de Commissie verslag uit over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van deze opmerkingen, met name over de instructies die zijn gegeven aan de diensten die met de uitvoering van de begroting zijn belast. Deze verslagen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.

Artikel 277 (ex artikel 207)

De begroting luidt in de rekeneenheid, bepaald overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement.

Artikel 278 (ex artikel 208)

De Commissie kan, onder voorbehoud dat zij daarvan de bevoegde instanties der betrokken staten in kennis stelt, de saldi, welke zij in de valuta van een der lidstaten in haar bezit heeft, overmaken in de valuta van een andere lidstaat, voorzover zij gebruikt moeten worden voor de doeleinden die in dit Verdrag zijn aangewezen. De Commissie vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk, indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta waaraan zij behoefte heeft.

De Commissie onderhoudt de betrekkingen met elke lidstaat door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen heeft zij toegang tot de centrale bank van de betrokken lidstaat of tot een andere door deze staat gemachtigde financiële instelling.

Artikel 279 (ex artikel 209)

De Raad, handelend met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en advies van de Rekenkamer:

a) stelt de financiële reglementen vast waarbij met name de wijze wordt vastgesteld, waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd, alsmede de wijze waarop rekening en verantwoording wordt gedaan en de rekeningen worden nagezien;

b) bepaalt de regels en de procedure volgens welke de budgettaire ontvangsten waarin het stelsel der eigen middelen van de Gemeenschap voorziet, ter beschikking van de Commissie worden gesteld, en schrijft voor welke maatregelen moeten worden toegepast om in voorkomend geval te voorzien in de behoefte aan kasmiddelen;

c) stelt de regels vast en organiseert de controle betreffende de verantwoordelijkheid der financiële controleurs, ordonnateurs en rekenplichtigen.

Artikel 280 (ex artikel 209 A)

1. De Gemeenschap en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel te nemen maatregelen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten een doeltreffende bescherming moeten bieden.

2. De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.

3. Onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag coördineren de lidstaten hun optreden om de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude te beschermen. Zij organiseren daartoe samen met de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten.

4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 251, na raadpleging van de Rekenkamer, de nodige maatregelen aan op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, om in de lidstaten een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling.

5. De Commissie brengt in samenwerking met de lidstaten jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de ter uitvoering van dit artikel genomen maatregelen.

ZESDE DEEL

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 281 (ex artikel 210)

De Gemeenschap bezit rechtspersoonlijkheid.

Artikel 282 (ex artikel 211)

In elk der lidstaten heeft de Gemeenschap de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd.

Artikel 283 (ex artikel 212)

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de andere betrokken instellingen, het statuut vast van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen.

Artikel 284 (ex artikel 213)

Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Commissie, binnen de grenzen en onder de voorwaarden door de Raad overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag vastgesteld, alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten.

Artikel 285 (ex artikel 213 A)

1. Onverminderd artikel 5 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank neemt de Raad volgens de procedure van artikel 251 maatregelen aan voor de opstelling van statistieken wanneer zulks voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap nodig is.

2. De productie van communautaire statistieken geschiedt op basis van onpartijdigheid, betrouwbaarheid, objectiviteit, wetenschappelijke onafhankelijkheid, kosteneffectiviteit en statistische geheimhouding; het mag geen buitensporige lasten voor de economische actoren met zich mee brengen.

Artikel 286 (ex artikel 213 B)

1. Met ingang van 1 januari 1999 zijn de besluiten van de Gemeenschap inzake de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking en het vrije verkeer van persoonsgegevens van toepassing op de instellingen en organen die bij of op grond van dit Verdrag zijn opgericht.

2. Vóór de in lid 1 genoemde datum stelt de Raad volgens de procedure van artikel 251 een onafhankelijk controleorgaan in dat belast is met het toezicht op de toepassing van die besluiten van de Gemeenschap op de instellingen en organen van de Gemeenschap, en neemt hij zo nodig andere bepalingen terzake aan.

Artikel 287 (ex artikel 214)

De leden van de instellingen van de Gemeenschap, de leden van de comités, alsmede de ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschap zijn gehouden, zelfs na afloop van hun functie, de inlichtingen die naar hun aard vallen onder de geheimhoudingsplicht en met name de inlichtingen betreffende de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen van hun kostprijzen, niet openbaar te maken.

Artikel 288 (ex artikel 215)

De contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is.

Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

De tweede alinea is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de schade die door de Europese Centrale Bank of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

De persoonlijke aansprakelijkheid der personeelsleden jegens de Gemeenschap wordt geregeld bij de bepalingen welke hun statuut of de op hen toepasselijke regeling vaststellen.

Artikel 289 (ex artikel 216)

De zetel van de instellingen der Gemeenschap wordt in onderlinge overeenstemming door de regeringen der lidstaten vastgesteld.

Artikel 290 (ex artikel 217)

De regeling van het taalgebruik door de instellingen der Gemeenschap wordt, onverminderd de bepalingen van het reglement van het Hof van Justitie, door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld.

Artikel 291 (ex artikel 218)

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het aan dit Verdrag gehechte Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak. Dit zelfde geldt voor de Europese Centrale Bank, het Europees Monetair Instituut en de Europese Investeringsbank.

Artikel 292 (ex artikel 219)

De lidstaten verbinden zich, een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag niet op andere wijze te doen beslechten dan in dit Verdrag is voorgeschreven.

Artikel 293 (ex artikel 220)

De lidstaten treden, voorzover nodig, met elkaar in onderhandeling ter verzekering, voor hun onderdanen, van

- de bescherming van de persoon alsmede het genot en de bescherming van de rechten, overeenkomstig de voorwaarden welke in elke staat voor de eigen onderdanen gelden,

- de afschaffing van dubbele belasting binnen de Gemeenschap,

- de onderlinge erkenning van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48, de handhaving van de rechtspersoonlijkheid in geval van verplaatsing van de zetel van het ene land naar het andere en de mogelijkheid tot fusie van vennootschappen die onder verschillende nationale wetgevingen ressorteren,

- de vereenvoudiging van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en scheidsrechterlijke uitspraken onderworpen zijn.

Artikel 294 (ex artikel 221)

De lidstaten verlenen nationale behandeling wat betreft financiële deelneming door de onderdanen van de andere lidstaten in het kapitaal van rechtspersonen in de zin van artikel 48, onverminderd de toepassing der overige bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 295 (ex artikel 222)

Dit Verdrag laat de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet.

Artikel 296 (ex artikel 223)

1. De bepalingen van dit Verdrag vormen geen beletsel voor de volgende regels:

a) geen enkele lidstaat is gehouden inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid;

b) elke lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de gemeenschappelijke markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden.

2. De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie wijzigingen aanbrengen in de lijst van de producten waarop de bepalingen van lid 1, punt b), van toepassing zijn, die hij op 15 april 1958 heeft vastgesteld.

Artikel 297 (ex artikel 224)

De lidstaten plegen onderling overleg teneinde gezamenlijk de regelingen te treffen noodzakelijk om te voorkomen dat de werking van de gemeenschappelijke markt ongunstig wordt beïnvloed door de maatregelen waartoe een lidstaat zich genoopt kan voelen, in geval van ernstige binnenlandse onlusten waardoor de openbare orde wordt verstoord, in geval van oorlog of van een ernstige internationale spanning welke oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die hij met het oog op het behoud van de vrede en van de internationale veiligheid heeft aangegaan.

Artikel 298 (ex artikel 225)

Indien maatregelen, genomen in de gevallen bedoeld in de artikelen 296 en 297, tot gevolg hebben dat de mededingingsverhoudingen op de gemeenschappelijke markt worden vervalst, onderzoekt de Commissie te zamen met de betrokken staat onder welke voorwaarden die maatregelen kunnen worden aangepast aan de in dit Verdrag vastgestelde regels.

In afwijking van de procedure bepaald in de artikelen 226 en 227, kan de Commissie of iedere lidstaat zich rechtstreeks wenden tot het Hof van Justitie, indien zij menen dat een andere lidstaat misbruik maakt van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 296 en 297. Het Hof van Justitie beslist met gesloten deuren.

Artikel 299 (ex artikel 227)

1. Dit Verdrag is van toepassing op het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

2. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

Gezien de structurele economische en sociale situatie van de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van enkele producten, welke factoren door hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, neemt de Raad evenwel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement specifieke maatregelen aan die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van dit Verdrag, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen.

Bij de aanneming van de in de tweede alinea bedoelde maatregelen houdt de Raad rekening met zaken als het douane- en handelsbeleid, het fiscaal beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen en tot horizontale Gemeenschapsprogramma's.

De Raad neemt de in de tweede alinea bedoelde maatregelen aan, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden en zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de communautaire rechtsorde, met inbegrip van de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.

3. De landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht, vormen het onderwerp van de bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van dit Verdrag.

Dit Verdrag is niet van toepassing op de landen en gebieden overzee die met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bijzondere betrekkingen onderhouden, die niet op bovengenoemde lijst voorkomen.

4. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd.

5. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Åland-eilanden, overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

6. In afwijking van de voorgaande leden:

a) is dit Verdrag niet van toepassing op de Faeröer;

b) is dit Verdrag niet van toepassing op de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen;

c) zijn de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voorzover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel 300 (ex artikel 228)

1. In de gevallen dat de bepalingen van dit Verdrag voorzien in het sluiten van akkoorden tussen de Gemeenschap en een of meer staten of internationale organisaties, doet de Commissie aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Commissie voert deze onderhandelingen in overleg met speciale comités, door de Raad aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het raam van de richtsnoeren welke de Raad haar kan verstrekken.

Bij de uitoefening van de bevoegdheden welke hem bij dit lid zijn toegekend, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, behalve in de gevallen, waarin de Raad, overeenkomstig lid 2, eerste alinea, met eenparigheid van stemmen besluit.

2. Onder voorbehoud van de aan de Commissie te dezer zake toegekende bevoegdheden, neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie een besluit over de ondertekening, die vergezeld kan gaan van een besluit inzake de voorlopige toepassing vóór de inwerkingtreding, en over de sluiting van de akkoorden. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor, wat de aanneming van de interne voorschriften betreft, eenparigheid vereist is, alsook wanneer het gaat om akkoorden als bedoeld in artikel 310.

In afwijking van de in lid 3 vastgestelde voorschriften zijn dezelfde procedures van toepassing voor een besluit tot opschorting van de toepassing van een akkoord en voor het bepalen van de standpunten die namens de Gemeenschap worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een op basis van artikel 310 gesloten akkoord, wanneer dat lichaam besluiten dient te nemen met rechtsgevolgen, met uitzondering van besluiten tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.

Het Europees Parlement wordt onverwijld en volledig op de hoogte gebracht van elk besluit uit hoofde van dit lid dat betrekking heeft op de voorlopige toepassing of de opschorting van akkoorden, of de bepaling van het standpunt van de Gemeenschap in een bij een op basis van artikel 310 gesloten akkoord opgericht lichaam.

3. Behalve in het geval van de in artikel 133, lid 3, bedoelde akkoorden, sluit de Raad de akkoorden na raadpleging van het Europees Parlement, ook wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor de procedure van artikel 251 of van artikel 252 vereist is wat de aanneming van interne voorschriften betreft. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen de termijn die de Raad naar gelang van de urgentie kan vaststellen. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad een besluit nemen.

In afwijking van het bepaalde in de vorige alinea, worden akkoorden als bedoeld in artikel 310, andere akkoorden die een specifiek institutioneel kader in het leven roepen door het instellen van samenwerkingsprocedures, akkoorden die aanzienlijke gevolgen hebben voor de Gemeenschapsbegroting en akkoorden die een wijziging behelzen van een volgens de procedure van artikel 251 aangenomen besluit, gesloten nadat het Europees Parlement zijn instemming heeft gegeven.

In dringende gevallen kunnen de Raad en het Europees Parlement een termijn overeenkomen voor het geven van de instemming.

4. Bij de sluiting van een akkoord kan de Raad, in afwijking van lid 2, de Commissie machtigen om de wijzigingen die krachtens het akkoord volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij het akkoord opgericht orgaan worden aangenomen, namens de Gemeenschap goed te keuren; hij kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden verbinden.

5. Wanneer de Raad overweegt een akkoord te sluiten dat wijzigingen van dit Verdrag inhoudt, moeten die wijzigingen vooraf volgens de procedure van artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden aangenomen.

6. De Raad, de Commissie of een lidstaat kunnen het advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een beoogd akkoord met de bepalingen van dit Verdrag. Een akkoord waarover door het Hof van Justitie een afwijzend advies is uitgebracht, kan slechts in werking treden onder de voorwaarden welke zijn vastgesteld bij artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

7. De akkoorden gesloten onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden zijn verbindend voor de instellingen van de Gemeenschap en voor de lidstaten.

Artikel 301 (ex artikel 228 A)

Ingeval een gemeenschappelijk standpunt of een gemeenschappelijk optreden dat volgens de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie die betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is vastgesteld, medebrengt dat de Gemeenschap moet optreden om de economische betrekkingen met een of meer derde landen te onderbreken of geheel of gedeeltelijk te beperken, neemt de Raad de nodige urgente maatregelen. De Raad besluit hiertoe met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie.

Artikel 302 (ex artikel 229)

De Commissie is belast met de zorg voor alle dienstige betrekkingen met de organen van de Verenigde Naties en van hun gespecialiseerde organisaties.

Zij onderhoudt bovendien de wenselijk geachte betrekkingen met alle internationale organisaties.

Artikel 303 (ex artikel 230)

De Gemeenschap brengt elke dienstige samenwerking tot stand met de Raad van Europa.

Artikel 304 (ex artikel 231)

De Gemeenschap brengt met de Organisatie voor Economische samenwerking en ontwikkeling een nauwe samenwerking tot stand welke zal plaatsvinden op de wijze die in onderlinge overeenstemming wordt vastgesteld.

Artikel 305 (ex artikel 232)

1. De bepalingen van dit Verdrag brengen geen wijziging in die van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, met name wat betreft de rechten en verplichtingen der lidstaten, de bevoegdheden der instellingen van die Gemeenschap en de in dat Verdrag gestelde regels voor de werking van de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal.

2. De bepalingen van dit Verdrag doen geen afbreuk aan die van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel 306 (ex artikel 233)

De bepalingen van dit Verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voorzover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door toepassing van dit Verdrag.

Artikel 307 (ex artikel 234)

De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, worden door de bepalingen van dit Verdrag niet aangetast.

Voorzover deze overeenkomsten niet verenigbaar zijn met dit Verdrag maken de betrokken lidstaat of lidstaten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde onverenigbaarheid op te heffen. Indien nodig verlenen de lidstaten elkaar bijstand teneinde dat doel te bereiken en volgen in voorkomende gevallen een gemeenschappelijke gedragslijn.

Bij de toepassing van de overeenkomsten, bedoeld in de eerste alinea, houden de lidstaten rekening met het feit dat de voordelen door elke lidstaat in dit Verdrag toegestaan, een wezenlijk bestanddeel uitmaken van de totstandkoming van de Gemeenschap en dientengevolge onverbrekelijk verbonden zijn met de oprichting van gemeenschappelijke instellingen, met het toekennen van bevoegdheden aan die instellingen en met het verlenen van dezelfde voordelen door de overige lidstaten.

Artikel 308 (ex artikel 235)

Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om, in het kader van de gemeenschappelijke markt, een der doelstellingen van de Gemeenschap te verwezenlijken zonder dat dit Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement de passende maatregelen.

Artikel 309 (ex artikel 236)

1. Wanneer een besluit is genomen tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van een lidstaat overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, worden deze stemrechten ook geschorst ten aanzien van dit Verdrag.

2. Voorts kan de Raad, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten zonder rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. In afwijking van artikel 205, lid 2, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 205, lid 2.

Dit lid is ook van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst overeenkomstig lid 1. In dergelijke gevallen wordt een besluit waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist, genomen zonder de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.

Artikel 310 (ex artikel 238)

De Gemeenschap kan met een of meer staten of internationale organisaties akkoorden sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.

Artikel 311 (ex artikel 239)

De protocollen die, in onderlinge overeenstemming tussen de lidstaten, aan dit Verdrag worden gehecht, maken een integrerend deel daarvan uit.

Artikel 312 (ex artikel 240)

Dit Verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 313 (ex artikel 247)

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Italiaanse Republiek.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende staat die als laatste deze handeling verricht. Indien deze nederlegging echter minder dan vijftien dagen vóór het begin van de eerstvolgende maand plaatsvindt, wordt de inwerkingtreding van het Verdrag verschoven naar de eerste dag van de tweede maand volgende op die nederlegging.

Artikel 314 (ex artikel 248)

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten.

Krachtens de Toetredingsverdragen zijn de teksten van dit Verdrag in de Deense, de Engelse, de Finse, de Griekse, de Ierse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.

Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

Gedaan te Rome, de vijfentwintigste maart negentienhonderdzevenenvijftig.

P. H. SPAAK

ADENAUER

PINEAU

Antonio SEGNI

BECH

J. LUNS

J. Ch. SNOY ET D'OPPUERS

HALLSTEIN

M. FAURE

Gaetano MARTINO

Lambert SCHAUS

J. LINTHORST HOMAN

BIJLAGEN

BIJLAGE I

LIJST

genoemd in artikel 32 van het Verdrag

1 2
Nummers van de naamlijst van Brussel Omschrijving der goederen
HOOFDSTUK 1 Levende dieren
HOOFDSTUK 2 Vlees en eetbare slachtafvallen
HOOFDSTUK 3 Vis, schaal-, schelp- en weekdieren
HOOFDSTUK 4 Melk en zuivelproducten; vogeleieren; natuurhonig
HOOFDSTUK 5  
05.04 Darmen, blazen en magen van dieren, andere dan die van vissen, in hun geheel of in stukken
05.15 Producten van dierlijke oorsprong, niet elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld bij de hoofdstukken 1 en 3, niet geschikt voor menselijke consumptie
HOOFDSTUK 6 Levende planten en producten van de bloementeelt
HOOFDSTUK 7 Groenten, planten, wortels en knollen, voor voedingsdoeleinden
HOOFDSTUK 8 Eetbaar fruit; schillen van citrusvruchten en van meloenen
HOOFDSTUK 9 Koffie, thee en specerijen, met uitzondering van maté (nr. 09.03)
HOOFDSTUK 10 Granen
HOOFDSTUK 11 Producten van de meelindustrie; mout; zetmeel; gluten; inuline
HOOFDSTUK 12 Oliehoudende zaden en vruchten; allerlei zaden, zaadgoed en vruchten; planten voor industrieel en geneeskundig gebruik; stro en voeder
HOOFDSTUK 13  
ex 13.03 Pectine
HOOFDSTUK 15  
15.01 Reuzel en ander geperst of gesmolten varkensvet; geperst of gesmolten vet van pluimvee
15.02 Ruw of gesmolten rundvet, schapenvet en geitenvet, premier jus daaronder begrepen
15.03 Varkensstearine; oleostearine; spekolie en oleomargarine, niet geëmulgeerd, niet vermengd en niet anderszins bereid
15.04 Vetten en oliën van vis of van zeezoogdieren, ook indien geraffineerd
15.07 Plantaardige vette oliën, vloeibaar of vast, ruw, gezuiverd of geraffineerd
15.12 Gehydrogeneerde dierlijke of plantaardige vetten en oliën, ook indien gezuiverd doch niet verder bereid
15.13 Margarine, kunstreuzel en andere bereide spijsvetten
15.17 Afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was
HOOFDSTUK 16 Bereidingen van vlees, van vis, van schaal-, schelp- en weekdieren
HOOFDSTUK 17  
17.01 Beetwortelsuiker en rietsuiker, in vaste vorm
17.02 Andere suiker; suikerstroop; kunsthonig, ook indien met natuurhonig vermengd; karamel
17.03 Melasse, ook indien ontkleurd
17.05 (*) Suiker, stroop en melasse, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen (vanillesuiker en vanillinesuiker daaronder begrepen), met uitzondering van vruchtensap, waaraan suiker is toegevoegd, ongeacht in welke verhouding
HOOFDSTUK 18  
18.01 Cacaobonen, ook indien gebroken, al dan niet gebrand
18.02 Cacaodoppen, cacaoschillen, cacaovliezen en andere afvallen van cacao
HOOFDSTUK 20 Bereidingen van groenten, van moeskruiden, van vruchten en van planten of plantendelen
HOOFDSTUK 22  
22.04 Gedeeltelijk gegist druivenmost, ook indien de gisting op andere wijze dan door toevoegen van alcohol is gestuit
22.05 Wijn van verse druiven; druivenmost waarvan de gisting door toevoegen van alcohol is gestuit (mistella daaronder begrepen)
22.07 Appeldrank, perendrank, honigdrank en andere gegiste dranken
ex 22.08 (*)

ex 22.09 (*)
Ethylalcohol, al dan niet gedenatureerd, ongeacht de sterkte, verkregen uit landbouwproducten, vermeld in bijlage I van het Verdrag, met uitzondering van gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken; samengestelde alcoholische preparaten (_~geconcentreerde extracten”) voor de vervaardiging van dranken
22.10 (*) Tafelazijn (natuurlijke en kunstmatige)
HOOFDSTUK 23 Resten en afval van de voedselindustrie; bereid voedsel voor dieren
HOOFDSTUK 24  
24.01 Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak
HOOFDSTUK 45  
45.01 Ruwe natuurkurk en kurkafval; gebroken of gemalen kurk
HOOFDSTUK 54  
54.01 Vlas, ruw, geroot, gezwingeld, gehekeld of anders bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (rafelingen daaronder begrepen)
HOOFDSTUK 57  
57.01 Hennep (Cannabis sativa), ruw, geroot, gezwingeld, gehekeld of anders bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (rafelingen daaronder begrepen)
(*) Post toegevoegd ingevolge artikel 1 van Verordening nr. 7 bis van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 18 december 1959 (PB nr. 7 van 30. 1. 1961, blz. 71/61).

BIJLAGE II

LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

waarop toepasselijk zijn de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag

- Groenland

- Nieuw-Caledonië en onderhorigheden

- Frans Polynesië

- de Franse Zuidelijke en Zuidpool-gebiedenZuidpoolgebieden

- Wallis-archipel en Futuna-eiland

- Mayotte

- Saint Pierre en Miquelon

- Aruba

- Nederlandse Antillen:

- Bonaire,

- Curaçao,

- Saba,

- Sint Eustatius,

- Sint Maarten.

- Anguilla

- Cayman-eilanden,

- Falkland-eilanden,

- South Georgia en de Zuidelijke Sandwich-eilanden,

- Montserrat,

- Pitcairn,

- St. Helena met onderhorigheden,

- Brits Antarctica,

- Brits gebied in de Indische Oceaan,

- Turks- en Caicos-eilanden,

- Britse Maagden-eilanden,

- Bermuda-eilanden.

PROCES-VERBAAL VAN ONDERTEKENING

van het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten

(97/C 340/04)

De gevolmachtigden van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben op 2 oktober 1997 te Amsterdam het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten ondertekend.

De gevolmachtigde van het Koninkrijk België heeft zijn handtekening vergezeld doen gaan van de volgende vermelding:

_~Deze handtekening verbindt eveneens de Franse Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.”

De gevolmachtigde van het Koninkrijk België heeft verklaard dat het Koninkrijk België als zodanig, in alle gevallen en voor zijn gehele grondgebied, de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Amsterdam aangaat en dat alleen dit Koninkrijk als zodanig de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de naleving van de bij dat Verdrag aangegane verplichtingen.

De gevolmachtigden van de andere ondertekenende staten hebben daarvan akte genomen.

Gedaan te Luxemburg op 22 oktober 1997

De Voorzitter van de Intergouvernementele Conferentie

(s.) Jacques POOS

De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie, Secretaris van de Intergouvernementele Conferentie

(s.) Jürgen TRUMPF

Verklaringen ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam

(97/C 340/05)

Bij de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam op 2 oktober 1997 heeft de Italiaanse Republiek als depositaris van het verdrag de volgende verklaringen ontvangen overeenkomstig artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam:

_~Bij de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam hebben verklaard de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onder de in artikel K.7, leden en 3, omschreven voorwaarden te aanvaarden:

het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en de Republiek Oostenrijk, onder de in lid 3, onder b), omschreven voorwaarden.

Bij het afleggen van bovengenoemde verklaring behouden het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en de Republiek Oostenrijk zich het recht voor in hun nationale recht te bepalen dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag die in een bij die instantie aanhangige zaak wordt opgeworpen in verband met de geldigheid of de uitlegging van een besluit als bedoeld in artikel K.7, lid 1, voor te leggen aan het Hof van Justitie.”.

Voorts heeft het Koninkrijk der Nederlanden verklaard dat Nederland de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zin van bovengenoemd artikel K.7 zal aanvaarden; zijn regering onderzoekt overeenkomstig lid 3 van dat artikel nog of de bevoegdheid om een vraag voor te leggen aan het Hof kan worden toegekend aan andere rechterlijke instanties dan die waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep.

(1) Het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, Ierland, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn inmiddels lid geworden van de Europese Gemeenschap.