1. De communautaire wetgevingsbesluiten worden duidelijk, eenvoudig en nauwkeurig geredigeerd.
De redactie van een wetgevingsbesluit moet:
-
duidelijk zijn, gemakkelijk te begrijpen en ondubbelzinnig;
-
eenvoudig zijn, beknopt en zonder overbodige toevoegingen;
-
nauwkeurig zijn, bij de lezer geen twijfel laten bestaan.
Dit door het gezonde verstand ingegeven beginsel geeft tevens
uitdrukking aan algemene rechtsbeginselen, zoals:
- de gelijkheid van alle burgers voor de wet, in de zin dat de wet voor
iedereen toegankelijk moet zijn en door iedereen moet kunnen worden
begrepen,
- de rechtszekerheid, hetgeen betekent dat voorzienbaar moet zijn hoe de
wet in de praktijk zal worden toegepast.
Voor communautaire wetgevingsbesluiten is dit beginsel van bijzonder groot belang. Zij behoren immers tot een rechtsstelsel dat niet alleen complex, maar ook multicultureel en veeltalig is (zie richtsnoer 5).
Het met de toepassing van dit beginsel nagestreefde doel is tweeledig: aan de ene kant het begrijpelijker maken van de communautaire wetgeving; aan de andere kant het voorkomen van geschillen ten gevolge van een slechte redactionele kwaliteit.
Bepalingen die niet voldoende duidelijk zijn, kunnen door de Gemeenschapsrechter beperkend worden uitgelegd. Het resultaat is dan het omgekeerde van hetgeen wordt beoogd met het scheppen van een „artistieke vaagheid" in de tekst, die wordt geacht de bij de onderhandeling over de norm gerezen problemen op te lossen (zie het arrest van het Hof van Justitie van 29 oktober 1999, zaak C-6/98, ARD, Jurispr. 1999, blz. I-7599).
Het spreekt vanzelf dat er een tegenstelling kan zijn tussen de eisen van eenvoud en van nauwkeurigheid. Vereenvoudiging gaat vaak ten koste van de nauwkeurigheid, en omgekeerd. In de praktijk komt het erop aan een evenwichtspunt te vinden waarop de norm zo nauwkeurig mogelijk is, zonder dat zij daardoor evenwel onvoldoende gemakkelijk te begrijpen wordt. Dit evenwichtspunt kan naargelang tot wie de norm gericht is verschillend liggen (zie richtsnoer 3).
De opsteller moet trachten de normatieve bedoeling te herleiden tot eenvoudige begrippen, die vervolgens eenvoudig kunnen worden uitgedrukt. Daarbij dient hij zo veel mogelijk woorden uit het normale spraakgebruik te gebruiken. Indien nodig dient hij de voorkeur te geven aan de duidelijkheid van de bepaling boven de fraaiheid van de stijl. Zo zal hij bijvoorbeeld vermijden synoniemen of verschillende zinswendingen te gebruiken om eenzelfde gedachte uit te drukken.
Een grammaticaal juiste tekst, waarin de interpunctieregels in acht worden genomen, vergemakkelijkt zowel het begrip van de tekst in de oorspronkelijke taal als de vertaling ervan in andere talen (zie richtsnoer 5).
|