Procedure en betrokken instanties
Deze website wordt momenteel aangepast aan het Verdrag van Lissabon.
1. Het documentatiebestand
- 1.1 Verdragen
- 1.2 Internationale overeenkomsten
- 1.3 Afgeleid recht
- 1.4 Geconsolideerde wetgeving
- 1.5 Voorbereidende werkzaamheden
- 1.6 Jurisprudentie
- 1.7 Parlementaire vragen
2. Wetgevingsprocedures
- 2.1 Instemmingsprocedure (code AVC)
- 2.2 Medebeslissingsprocedure (code COD)
- 2.3 Samenwerkingsprocedure (code SYN)
- 2.4 Raadplegingsprocedure (code CNS)
3. De actoren van het communautaire stelsel
- 3.1 Europees Parlement
- 3.2 Raad van de Europese Unie
- 3.3 Europese Commissie
- 3.4 Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen
- 3.5 De Europese Rekenkamer
- 3.6 Het Europees Economisch en Sociaal Comité
- 3.7 Het Comité van de Regio's
- 3.8 Europese Centrale Bank
1. Het documentatiebestand
Het documentatiebestand in het EUR-Lex-systeem omvat meer dan 410 000 documenten en maakt meertalige toegang mogelijk tot talrijke verschillende soorten rechtsinstrumenten, zoals Verdragen, afgeleid recht, internationale overeenkomsten, voorbereidende werkzaamheden, jurisprudentie en parlementaire vragen.
De Verdragen vormen het „primaire recht" van de Europese Unie, dat vergelijkbaar is met het grondwettelijke recht op nationaal niveau. In de Verdragen zijn dus de fundamentele kenmerken van de Unie vervat, en met name de bevoegdheden van de verschillende instanties die aan het besluitvormingsproces deelnemen, de wetgevingsprocedures, en de bevoegdheden die aan hen zijn toegekend. Over de verdragen zelf wordt rechtstreeks onderhandeld tussen de regeringen van de lidstaten, en vervolgens moeten zij volgens de in het nationaal recht vastgelegde procedures worden geratificeerd (in beginsel door de nationale parlementen of bij referendum).
Naast de twee basisverdragen, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, geeft het EUR-Lex-systeem toegang tot het Euratom-Verdrag, de Toetredingsverdragen enandere Verdragen en protocollen.
Het verdient een afzonderlijke vermelding: het Verdrag, dat op 18 juni 2004 is goedgekeurd en op 29 oktober 2004 is ondertekend door de staatshoofden en regeringsleiders, moet nog worden geratificeerd door de 25 lidstaten van de Europese Unie voordat het in werking treedt.
De voornaamste kenmerken van de Grondwet zijn:
- opneming van het Handvest van de grondrechten in de tekst van het Verdrag,
- een nieuwe definitie van de Europese Unie die de huidige „Europese Gemeenschap" en „Europese Unie" zal vervangen,
- een duidelijker presentatie van de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten,
- een herzien institutioneel kader, waarin de taken van het Europees Parlement, de Raad respectievelijk de Commissie duidelijker naar voren komen,
- doeltreffender besluitvormingsprocedures,
- een democratischer en transparanter stelsel.
De kerndoelstelling van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG Verdrag) bestond erin de geleidelijke integratie van de Europese staten te verwezenlijken en een gemeenschappelijke markt tot stand te brengen die is gebaseerd op de vier vrijheden van verkeer (voor goederen, diensten, personen en kapitaal) en op de geleidelijke harmonisatie van het economisch beleid. Hiertoe gaven de lidstaten een deel van hun soevereiniteit op en verleenden zij aan de communautaire instellingen de bevoegdheid om wetgeving vast te stellen die rechtstreeks in de lidstaten van toepassing is (verordening, richtlijn, besluit/beschikking) en voorrang heeft op het nationale recht.
Het huidige EG Verdrag vloeit voort uit de wijzigingen die zijn aangebracht in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EEG Verdrag), dat in 1957 in Rome werd ondertekend en op 1 januari 1958 in werking trad. Dit Verdrag is verscheidene keren gewijzigd, met name door de Europese Akte, die in 1987 van kracht werd, door het Verdrag van Maastricht (Verdrag betreffende de Europese Unie), dat in 1993 van kracht werd, door het Verdrag van Amsterdam, dat in 1999 van kracht werd en door het Verdrag van Nice, dat op 1 februari 2003 van kracht werd. Als gevolg van deze wijzigingen zijn de sectoren die onder het EG Verdrag vallen uitgebreid, zodat zij thans bijna alle aspecten van de economie en sommige meer specifiek politieke aangelegenheden bestrijken, zoals het asielrecht en immigratie (zie het Verdrag van Amsterdam).
Een geconsolideerde versie van het EG Verdrag is beschikbaar in EUR-Lex.
Met het Verdrag betreffende de Europese Unie (EU-Verdrag) worden twee hoofddoelstellingen nagestreefd: de totstandbrenging van een monetaire unie door de beginselen en de bepalingen vast te leggen voor de invoering van de euro en de totstandbrenging van een economische en politieke unie. Met de inwerkingtreding van dit Verdrag is de structuur met drie pijlers ontstaan, waarvan de eerste wordt gevormd door de Europese Gemeenschap en de andere twee door het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Er is echter een groot verschil tussen de eerste pijler en de andere twee: in het kader van de tweede en derde pijler heeft geen overdracht van soevereiniteit aan de communautaire instellingen plaatsgevonden zoals het geval was bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Op deze gebieden wensten de lidstaten hun onafhankelijke besluitvormingsbevoegdheden te behouden en zich te beperken tot een intergouvernementele vorm van samenwerking. De belangrijkste rechtsinstrumenten op deze gebieden zijn het gemeenschappelijk optreden, het gemeenschappelijk standpunt en het kaderbesluit, die vrijwel altijd met algemene stemmen worden goedgekeurd en slechts in beperkte mate bindend zijn. Het oorspronkelijke EU-Verdrag (Verdrag van Maastricht) werd op 1 november 1993 van kracht en is successievelijk gewijzigd door het Verdrag van Amsterdam, dat in 1999 van kracht werd, en het Verdrag van Nice, dat op 1 februari 2003 van kracht is geworden.
Een geconsolideerde versie van het EU-Verdrag is beschikbaar in EUR-Lex.
Er zij op gewezen dat met het EU-Verdrag de benaming van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) is veranderd in Europese Gemeenschap (EG), waarbij de twee andere Gemeenschappen, de EGKS (zie EGKS-Verdrag) en EURATOM (zie Euratom-Verdrag) van eerstgenoemde Gemeenschap deel gingen uitmaken.
Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom-Verdrag) werd op 25 maart 1957 te Rome ondertekend en is op 1 januari 1958, terzelfder tijd als het EEG-Verdrag (zie EG Verdrag) van kracht geworden.
De doelstelling van het Euratom-Verdrag was de door de lidstaten reeds gestarte of geplande onderzoeksprogramma's te coördineren met het oog op een vreedzaam gebruik van kernenergie. Dit Verdrag is inmiddels in zekere mate door het EG-Verdrag geabsorbeerd.
De Europese Unie is zes maal uitgebreid: bij de zes oprichters, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland voegden zich in 1973 Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, in 1981 Griekenland, in 1986 Spanje en Portugal, in 1995 Oostenrijk, Finland en Zweden, in 2004 Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slowakije en Slovenië en in 2007 Bulgarije en Roemenië.
De Toetredingsverdragen bevatten de voorwaarden voor de toetreding van de nieuwe landen tot de Europese Unie en de nodige aanpassingen van de Verdragen waarop de Europese Unie berust.
Het Verdrag van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS-Verdrag) is het oudste van de drie oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschap.
Het Verdrag werd op 18 april 1951 te Parijs ondertekend, trad in werking op 23 juli 1952 en liep op 23 juli 2002 af omdat de geldigheidsduur beperkt was tot 50 jaar.
Het Verdrag diende tot de oprichting van een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal en was bedoeld om geleidelijk naar andere sectoren van de economie te worden uitgebreid. Op de kolen- en staalsector zijn thans de bepalingen van het EG-Verdrag van toepassing.
De Europese Akte werd op 28 februari 1986 ondertekend en trad op 1 juli 1987 in werking.
Met het Verdrag werd de voltooiing op uiterlijk 31 december 1992 beoogd van de Europese interne markt, dat wil zeggen een ruimte met vrij verkeer van personen, kapitaal, goederen en diensten. Om dit doel te bereiken werden in het EG-Verdrag ad-hocprocedures ingevoerd.
Het Verdrag van Amsterdam werd op 2 oktober 1997 ondertekend en is op 1 mei 1999 in werking getreden.
Het verdrag behelsde twee wijzigingen:
- de toepassing van de medebeslissingsprocedure op nieuwe gebieden en uitbreiding van de gevallen waarin de Raad van de Europese Unie met gekwalificeerde meerderheid in plaats van met algemene stemmen een besluit kan nemen;
- opneming van een aantal gebieden van het EU Verdrag (visabeleid, toekenning van het asielrecht en meer algemeen alle vragen met betrekking tot het vrije verkeer) in het EG Verdrag; vervolgens werd de benaming van titel VI van het EU Verdrag (derde pijler) veranderd in „Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken".
Het Verdrag van Nice is op 26 februari 2001 ondertekend en is op 1 februari 2003 in werking getreden.
Met dit Verdrag werd beoogd de werking van de Europese Unie aan te passen met het oog op de uitbreiding op 1 mei 2004. Enkele wijzigingen in het Verdrag zijn:
- wijziging van de besluitvormingsprocedure,
- drastische vermindering van de gevallen waarin de Raad besluiten met een absolute meerderheid moet nemen; de Raad kan nu op een groot aantal gebieden met gekwalificeerde meerderheid besluiten nemen: vrij verkeer van burgers, justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, industriebeleid, enz.,
- wijziging van de weging van de stemmen in de Raad,
- wijziging van de structuur van de instellingen,
- nieuwe verdeling van de zetels in het Europees Parlement,
- afzien van een tweede post van commissaris door Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje,
- uitbreiding van de bevoegdheden van de voorzitter van de Europese Commissie.
- het Verdrag betreffende Groenland (1984), dat werd gesloten om het Groenland mogelijk te maken de EEG in 1983 te verlaten en dit land de status van overzees gebied toe te kennen;
- het Fusieverdrag (1965), waarbij een enkele Commissie en een enkele Raad voor de drie Europese Gemeenschappen (de Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Economische Gemeenschap en Euratom) werden ingesteld; door artikel 9 van het Verdrag van Amsterdam werd het Fusieverdrag opgeheven en werden de belangrijkste onderdelen ervan in het EG Verdrag opgenomen;
- het Verdrag houdende wijziging van een aantal financiële bepalingen (1975), waarbij een aantal artikelen van het EGKS-, het EEG- en het Euratom Verdrag werden gewijzigd; de meeste van deze wijzigingen zijn in latere Verdragen opnieuw gewijzigd;
- het Protocol betreffende de Nederlandse Antillen (1962), dat nadere bijzonderheden bevat inzake de regeling van het handelsverkeer, toepasselijk op de invoer in de Europese Unie van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten.
De internationale overeenkomsten zijn de tweede bron van het recht van de Europese Unie; door middel van deze overeenkomsten ontwikkelt de Unie haar economische, sociale en politieke betrekkingen met de rest van de wereld. Het betreft altijd overeenkomsten tussen internationale rechtspersonen (lidstaten of organisaties) die tot doel hebben samenwerking op internationaal vlak tot stand te brengen. De door de Europese Unie in het kader van de eerste pijler gesloten overeenkomsten zijn bindend voor de instellingen van de Europese Unie en voor de lidstaten. De in het kader van de tweede en derde pijler gesloten overeenkomsten zijn bindend voor de instellingen maar niet altijd voor de lidstaten (zie punt 1.3.5.7).
Van de eerstgenoemde zijn de twee belangrijkste soorten overeenkomsten:
- internationale overeenkomsten met derde landen of met internationale organisaties,
- overeenkomsten en verdragen tussen de lidstaten.
Dit soort overeenkomsten kan worden gesloten hetzij door de Gemeenschap, hetzij door de Gemeenschap met de lidstaten (gemengde overeenkomst). Deze overeenkomsten zijn bindend voor de Gemeenschap en voor de lidstaten: zij zijn dus op internationaal vlak aansprakelijk. Er zijn drie soorten overeenkomsten:
- Associatieovereenkomsten
De associatie heeft betrekking op een nauwe economische samenwerking met vergaande financiële ondersteuning van de verdragspartners door de Gemeenschap. Onder deze categorie vallen de overeenkomsten met landen en overzeese gebieden, overeenkomsten tot voorbereiding van een toetreding en tot oprichting van een douane-unie, en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER).
- Samenwerkingsovereenkomsten
Samenwerkingsovereenkomsten hebben niet dezelfde draagwijdte als associatieovereenkomsten, aangezien zij slechts een nauwe economische samenwerking tot doel hebben. Dit soort overeenkomsten heeft de Gemeenschap met name met de Maghrebstaten (Algerije, Marokko en Tunesië), de Machrakstaten (Egypte, Jordanië, Libanon en Syrië) en Israël.
- Handelsovereenkomsten
Dit zijn overeenkomsten op het gebied van het douane- en handelsbeleid die met derde landen, groepen derde landen of in het kader van internationale handelsorganisaties worden gesloten. De overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) valt onder deze categorie.
Dit zijn verbindende rechtsinstrumenten van de lidstaten om problemen op te lossen die hetzij in nauw verband staan met de werkzaamheden van de Gemeenschap, maar waarvoor de Europese instellingen geen bevoegdheid bezitten, hetzij bedoeld zijn om de territoriale geldigheid van nationale bepalingen uit te breiden, om op Gemeenschapsniveau een uniform recht tot stand te brengen (bv. Overeenkomst inzake het Gemeenschapsoctrooi).
Het „afgeleide recht" is na de Verdragen (primair recht) en de internationale overeenkomsten de derde belangrijke bron van Gemeenschapsrecht. Het kan worden gedefinieerd als het geheel van normatieve rechtsinstrumenten die door de Europese instellingen overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen worden goedgekeurd. Onder het afgeleide recht vallen de in het EG Verdrag genoemde verbindende (verordeningen, richtlijnen en beschikkingen/besluiten) en niet-verbindende (resoluties, adviezen) rechtsinstrumenten, maar ook een hele reeks andere besluiten, zoals bijvoorbeeld de interne reglementen van de instellingen of de communautaire actieprogramma's.
De rechtsinstrumenten van de tweede en de derde pijler, die niet echt tot het afgeleid recht behoren omdat zij zoals voorheen onder de intergouvernementele betrekkingen vallen, zijn om documentaire redenen in deze categorie opgenomen.
De verordening wordt door de Raad tezamen met het Parlement of door de Commissie alleen goedgekeurd; zij heeft een algemene strekking en is verbindend in al haar onderdelen. Anders dan richtlijnen, die aan de lidstaten zijn gericht, en beschikkingen, die tot welbepaalde personen zijn gericht, geldt de verordening voor allen.
De verordening is rechtstreeks toepasselijk, dat wil zeggen dat ze het recht schept dat in alle lidstaten als nationale wet geldt, zonder dat de nationale autoriteiten verder iets behoeven te ondernemen.
De richtlijn wordt door de Raad tezamen met het Parlement of door de Commissie alleen goedgekeurd en is gericht tot de lidstaten. Zij dient in eerste instantie tot harmonisatie van de wetgevingen.
De richtlijn is voor de lidstaten verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch laat aan hen de keuze van de vorm en de middelen die zij vaststellen om de communautaire doelstellingen in het kader van hun interne rechtsorde te verwezenlijken.
Indien de richtlijn door de lidstaten niet in nationale wetgeving wordt omgezet of indien zij onvolledig of te laat wordt omgezet, kunnen rechtsonderhorigen zich bij de nationale rechtbanken rechtstreeks op de betrokken richtlijn beroepen.
Beschikkingen worden hetzij door de Raad, hetzij door de Raad tezamen met het Europees Parlement, hetzij door de Commissie goedgekeurd en hebben betrekking op afzonderlijke gevallen. Door middel van een beschikking kunnen de instellingen van een lidstaat of van een burger van de Unie eisen dat deze handelt of een handeling achterwege laat, en kunnen zij aan hem rechten verlenen of verplichtingen opleggen.
De beschikking is
- individueel en degenen tot wie zij is gericht moeten afzonderlijk in de beschikking worden genoemd. Hierin onderscheidt zij zich van de verordening,
- die verbindend is in al haar onderdelen.
In de aanbeveling kunnen de instellingen zich uiten, waarbij zij een bepaalde gedragslijn voorstellen zonder dat dit een juridische verplichting schept voor degenen tot wie zij is gericht (de lidstaten, andere instellingen en in sommige gevallen ook burgers van de Unie).
Het advies biedt de instellingen de mogelijkheid zich op niet-verbindende wijze uit te spreken; er vloeit dus geen juridische verplichting uit voort voor degenen tot wie het is gericht. Het advies dient ertoe het standpunt van een instelling over een bepaalde kwestie vast te leggen.
Het gemeenschappelijk optreden is een rechtsinstrument van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie en heeft derhalve een intergouvernementeel karakter. Het gemeenschappelijk optreden wordt door de Raad van de Unie met algemene stemmen of, in sommige gevallen, met gekwalificeerde meerderheid goedgekeurd en is voor de lidstaten die de vastgelegde doelstellingen moeten bereiken verbindend, behoudens in geval van grote moeilijkheden.
1.3.5.5 Besluit, kaderbesluit en gemeenschappelijk optreden (Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken)
Het besluit en het kaderbesluit vervangen sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam het gemeenschappelijk optreden op het gebied van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Deze rechtsinstrumenten vallen onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie en hebben een intergouvernementeel karakter. Het besluit en het kaderbesluit worden op initiatief van de Commissie of van een lidstaat door de Raad van de Europese Unie met algemene stemmen aangenomen.
- Het kaderbesluit is voor de lidstaten verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de keuze gelaten vorm en middelen te kiezen (zoals bij de Richtlijn op communautair gebied).
- Het besluit kan ieder doel van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken dienen, met uitzondering van de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten, dat aan het kaderbesluit is voorbehouden.
1.3.5.6 Gemeenschappelijk standpunt (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en politiële en justitiële samenwerking in strafzaken)
Het gemeenschappelijk standpunt inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en politiële en justitiële samenwerking in strafzaken is een onder titel V en VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallend rechtsinstrument. Het heeft een intergouvernementeel karakter. Het wordt door de Raad van de Europese Unie met algemene stemmen aangenomen en bepaalt de aanpak door de Unie van bepaalde vraagstukken op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken; het gemeenschappelijk standpunt bevat aanwijzingen voor de uitvoering van het nationale beleid op deze gebieden.
1.3.5.7 Internationale overeenkomsten (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en politiële en justitiële samenwerking in strafzaken)
Dit is een onder titel V en VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallend rechtsinstrument dat niet in het Verdrag van Maastricht was vervat. Met betrekking tot de tweede en derde pijler was er dus geen rechtsgrondslag voor het sluiten van internationale overeenkomsten. Om te voorkomen dat iedere overeenkomst die door de Raad wordt ondertekend formeel door de lidstaten moet worden gesloten, is in het Verdrag van Amsterdam de mogelijkheid opgenomen dat de Raad, indien nodig, het voorzitterschap toestemming verleent om onderhandelingen te openen.
De overeenkomsten zijn verbindend voor de instellingen van de Unie maar niet voor de lidstaten waarvan de grondwettelijke bepalingen voorzien in bijzondere regels voor het sluiten van overeenkomsten. In deze gevallen kunnen de lidstaten in het kader van de Raad overeenkomen dat de overeenkomst desondanks voorlopig van toepassing is.
Bij consolidatie wordt in één enkele niet-officiële tekst een basisbesluit (verdrag of Gemeenschapswetgeving) met de opeenvolgende wijzigingen en corrigenda daarop opgenomen. EUR Lex bevat een geconsolideerde versie van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Alle thans geldende afgeleide recht is geconsolideerd en kan in EUR-Lex worden geraadpleegd. Deze teksten dienen slechts voor documentatiedoeleinden; de Europese instellingen wijzen iedere aansprakelijkheid betreffende de inhoud af.
Op basis van de geconsolideerde teksten kan de Commissie het initiatief nemen tot codificatie of herschikking. Codificatie bestaat in het aannemen van de geconsolideerde en herschikte tekst in het kader van een wetgevingsprocedure. De nieuwe tekst wordt vervolgens als wetgeving in het Publicatieblad gepubliceerd en krijgt aldus officiële waarde.
Ook kan de Commissie de aanzet geven tot de herschikking van een tekst wanneer zij het noodzakelijk acht dat de regelgeving op een bepaald gebied grondig wordt herzien. In dit geval start zij een nieuwe wetgevingsprocedure.
Voorbereidende werkzaamheden zijn alle besluiten die door de instellingen in het kader van een wetgevingsprocedure worden ingediend. Tot deze categorie behoren ook documenten van meer algemene strekking. Hieronder worden de belangrijkste documenten genoemd die tot de voorbereidende werkzaamheden behoren.
1.5.2.1 Wetgevingsvoorstellen en adviezen van de Commissie (grafische voorstelling)
De Commissie beschikt over een vrijwel exclusief initiatiefrecht met betrekking tot de rechtsinstrumenten van de Gemeenschap (richtlijnen, verordeningen, beschikkingen/besluiten en internationale overeenkomsten); zij deelt dit recht in bepaalde gevallen met de lidstaten (zie initiatieven van de lidstaten) en de Europese Centrale Bank. Krachtens de Verdragen moet de Raad vrijwel altijd op basis van een voorstel van de Commissie besluiten. Niettemin kunnen de Raad en het Parlement de Commissie verzoeken een voorstel op te stellen.
De Commissie kan op elk tijdstip tijdens de procedure haar voorstel wijzigen of, indien zij dit noodzakelijk acht, intrekken.
De Commissie komt in een latere fase van de wetgevingsprocedure opnieuw in actie. Wanneer het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad wordt toegezonden, wordt overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, onder c, — indien het Parlement amendementen op het door de Raad goedgekeurde gemeenschappelijk standpunt voorstelt — de geamendeerde tekst immers toegezonden aan de Raad en aan de Commissie, die advies over deze amendementen uitbrengt. Indien de Commissie de door het Parlement voorgestelde amendementen afwijst, moet de Raad met eenparigheid van stemmen besluiten; indien zij positief advies over de amendementen uitbrengt, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten.
Het Verdrag van Amsterdam voorzag in een initiatiefrecht van de lidstaten op het gebied van asiel en immigratie. Gedurende een periode van vijf jaar beschikten de Commissie en de lidstaten over een gemeenschappelijk initiatiefrecht, waarbij zij onafhankelijk van elkaar voorstellen konden indienen. Aangezien de overgangsperiode op 1 mei 2004 was afgelopen, rest de lidstaten alleen nog een initiatiefrecht voor de tweede en derde pijler, met andere woorden op de gebieden van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.
Het gemeenschappelijk standpunt is een rechtsinstrument dat door de lidstaten binnen de Raad in het kader van een wetgevingsprocedure, waarbij de Raad zijn beslissingsbevoegdheid met het Parlement deelt (samenwerkingsprocedure of medebeslissingsprocedure), met gekwalificeerde meerderheid is goedgekeurd. Het geeft het standpunt weer van de Raad over het voorstel van de Commissie, rekening houdend met het advies van het Europees Parlement (zie wetgevingsresolutie van het Parlement) en met het advies van de overige instellingen en organen die bij de procedure waren betrokken (Europees Economisch en Sociaal Comité, Comité van de Regio's, Europese Centrale Bank, Rekenkamer).
Het Parlement komt tijdens eenzelfde wetgevingsprocedure verschillende malen in actie (samenwerkingsprocedure en medebeslissingsprocedure) : de documenten die door het Parlement in iedere fase van de procedure worden goedgekeurd zijn over het algemeen resoluties en kunnen verschillende soorten rechtsinstrumenten bevatten zoals adviezen of amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad. Naar gelang van het betrokken onderwerp worden de wetgevingsprocedures toegewezen aan een parlementaire commissie die een verslag opstelt dat een ontwerp-resolutie bevat, die ter goedkeuring aan de plenaire vergadering wordt voorgelegd.
Het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité brengen technische adviezen uit over kwesties die betrekking hebben op het regionale respectievelijk het economische en sociale gebied. De adviezen worden hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van het Parlement, de Raad of de Commissie uitgebracht en dienen voor deze instellingen als leidraad bij hun wetgevingsactiviteiten. Raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en/of het Comité van de Regio's is soms verplicht, maar hun adviezen zijn niet verbindend.
Het merendeel van de mededelingen van de Commissie (COM-documenten) zijn wetgevingsvoorstellen. De belangrijkste andere COM-documenten zijn:
- de witboeken die een aantal voorstellen bevatten voor maatregelen van de Gemeenschap op een bepaald gebied. Zij zijn soms een voortzetting van groenboeken waarmee wordt beoogd een raadplegingsproces op Europees niveau op gang te brengen. Wanneer een witboek door de Raad positief wordt beoordeeld, kan het in voorkomend geval leiden tot een actieprogramma van de Unie op het betreffende gebied;
- groenboeken hebben tot doel een gedachtewisseling en een raadpleging op Europees niveau over een bepaald onderwerp op gang te brengen. Het door een groenboek op gang gebrachte overleg kan vervolgens leiden tot de publicatie van een witboek waarin concrete maatregelen op communautair vlak worden voorgesteld.
In het jaarverslag van de Rekenkamer worden de opmerkingen van de Rekenkamer over het beheer van de Gemeenschapsfinanciën uiteengezet. Het wordt aan de instellingen van de Gemeenschap toegezonden en in het Publicatieblad bekendgemaakt. In het verslag wordt met name op de gebieden gewezen waar verbeteringen mogelijk en zelfs wenselijk zijn. De instellingen geven vervolgens antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer.
>De jurisprudentie wordt gevormd door het geheel van uitspraken door de organen van de rechterlijke macht. Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen zijn de rechterlijke instellingen van de Europese Unie. Het is de taak van het Hof van Justitie ervoor te zorgen dat bij de uitlegging en de tenuitvoerlegging van de oprichtingsverdragen het Gemeenschapsrecht in acht wordt genomen. Het Hof van Justitie wordt bijgestaan door advocaten-generaal die conclusies opstellen.
Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg wijzen arresten die de afsluiting van een gerechtelijke procedure vormen.
Tegen arresten van het Hof van Justitie kan geen beroep worden ingesteld.
Tegen de arresten van het Gerecht van eerste aanleg kan bij het Hof van Justitie beroep worden ingesteld (hogere voorziening).
Het Europees Parlement, de Raad, de Commissie of een lidstaat kunnen het advies van het Hof van Justitie inwinnen over de verenigbaarheid van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en derde landen of internationale organisaties met de bepalingen van het EG Verdrag. Een overeenkomst ten aanzien waarvan het Hof van Justitie een negatief advies heeft uitgebracht kan slechts overeenkomstig de procedure van artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in werking treden (procedure tot herziening van de Verdragen).
Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg geven beschikkingen in verscheidene in de reglementen voor de procesvoering vastgestelde gevallen die ruwweg in drie groepen kunnen worden onderverdeeld:
- beschikkingen inzake de instructie van de zaak (bv. bewaring van het bewijsmateriaal, splitsing, voeging of schorsing van de zaak);
- beschikking waarin over de zaak wordt beslist zonder dat van het geschil ten gronde kennis wordt genomen (bv. in geval van kennelijke niet ontvankelijkheid van het verzoek of kennelijke onbevoegdheid van de rechter);
- beschikkingen waarin over de grond van de zaak wordt beslist, het gaat dan om vereenvoudigde arresten die worden gebruikt wanneer de zaak identiek is met andere zaken waarin reeds eerder een arrest werd gewezen.
Beschikkingen kunnen in beginsel worden gewijzigd en ingetrokken.
De advocaten-generaal zijn ermee belast het Hof ter zijde te staan bij de vervulling van zijn taak. Zij presenteren in het openbaar, in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies aangaande zaken welke aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd. De advocaat-generaal stelt in zijn conclusies ook een oplossing voor het geschil voor. Deze conclusies zijn niet bindend voor de rechter. Zij maken deel uit van de mondelinge procedure en worden tezamen met het arrest in de Jurisprudentie gepubliceerd.
Parlementaire vragen geven de Parlementsleden de mogelijkheid controle uit te oefenen op de werkzaamheden van de Commissie en de Raad. Ieder Parlementslid kan
- schriftelijke vragen (met verzoek om schriftelijk antwoord),
- mondelinge vragen (die tijdens de zitting worden gesteld) en
- vragen gedurende het vragenuur (de periode die voor vragen is gereserveerd tijdens iedere vergaderperiode van het Parlement) aan de Raad en aan de Commissie stellen.
Deze vragen vormen een controlemiddel dat op grote schaal wordt gebruikt. Zowel de schriftelijke vragen als de antwoorden daarop worden in het Publicatieblad, serie C, bekendgemaakt. Zij zijn opgenomen in EUR Lex.
2. Wetgevingsprocedures
In tegenstelling tot de nationale stelsels waarin het parlement de wil van het volk vertegenwoordigt, geeft de Europese Unie de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad een belangrijke rol bij de wetgeving. Naarmate de instellingen zich hebben ontwikkeld, zijn de bevoegdheden van het Europees Parlement uitgebreid: de Raad deelt thans zijn wetgevende bevoegdheden met het Parlement voor het uitvaardigen van bindende algemene besluiten (verordeningen en richtlijnen). De besluitvormingsprocedures zijn de raadplegingsprocedure, de samenwerkingsprocedure, de medebeslissingsprocedure en de instemmingsprocedure.
2.1 Instemmingsprocedure (code AVC) grafische voorstelling)
De instemmingsprocedure is ingevoerd bij de Europese Akte en biedt het Parlement de mogelijkheid aan te geven dat het met het aannemen van bepaalde besluiten van de Raad instemt dan wel hiermee niet instemt. De Raad kan op sommige gebieden geen rechtsinstrumenten goedkeuren indien het Parlement niet met de absolute meerderheid van zijn leden instemt. De instemmingsprocedure, die het Parlement vrijwel een vetorecht verleent, was aanvankelijk alleen bedoeld voor het sluiten van associatieovereenkomsten en voor het onderzoek van aanvragen tot toetreding tot de Europese Gemeenschap. De gebieden waarvoor de instemmingsprocedure geldt zijn op dit ogenblik de volgende:
- versterkte samenwerking (artikel 11, lid 2);
- specifieke taken van de ECB (artikel 105, lid 6);
- wijziging van de statuten van het Europese Stelsel van centrale banken (artikel 107, lid 5);
- structuurfondsen en cohesiefondsen (artikel 161);
- eenvormige verkiezingsprocedure (artikel 190, lid 4);
- bepaalde internationale overeenkomsten (artikel 300, lid 3);
- schending van de rechten van de mens (artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie);
- toetreding van nieuwe lidstaten (artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie).
2.2 Medebeslissingsprocedure (code COD) (grafische voorstelling)
De medebeslissingsprocedure, die is ingevoerd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, is als de verdere ontwikkeling van de samenwerkingsprocedure opgezet. Maar terwijl de Raad bij de samenwerkingsprocedure met eenparigheid van stemmen aan het advies van het Parlement voorbij kan gaan, bestaat deze mogelijkheid bij de medebeslissingsprocedure niet: bij gebrek aan instemming moet een bemiddelingscomité dat bestaat uit de vertegenwoordigers van de Raad en het Parlement, een tekst tot stand brengen die door de beide instellingen wordt aanvaard. De medebeslissingsprocedure stelt voortaan deze beide instellingen in hun wetgevende rol op voet van gelijkheid. In het kader van deze procedure kan de Raad in geval van het mislukken van de bemiddelingsprocedure met het Parlement geen gemeenschappelijk standpunt aannemen. Indien geen overeenkomst wordt bereikt is het wetgevingsproces mislukt.
De medebeslissingsprocedure is in de wetgevingspraktijk verreweg de belangrijkste procedure geworden.
Zij wordt toegepast op de volgende gebieden:
- non-discriminatie op grond van nationaliteit (artikel 12);
- non-discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of sexuele geaardheid (artikel 13, lid 2);
- vrij verkeer van personen en vrijheid van verblijf (artikel 18, lid 2);
- vrij verkeer van werknemers (artikel 40);
- sociale zekerheid voor migrerende werknemers (artikel 42);
- recht van vestiging (artikel 44, lid 1; artikel 46, lid 2; artikel 47, leden 1 en 2);
- visa, asiel, immigratie en andere met het vrije verkeer van personen verband houdende beleidsgebieden (artikel 67, leden 4 en 5);
- vervoer (artikel 71, lid 1; artikel 80);
- interne markt (artikel 95);
- werkgelegenheid (artikel 129);
- douanesamenwerking (artikel 135);
- sociale politiek (artikel 137, lid 2);
- gelijke kansen en gelijke behandeling (artikel 141, lid 3);
- uitvoeringsbesluiten betreffende het Europees Sociaal Fonds (artikel 148);
- onderwijs (artikel 149, lid 4);
- cultuur (behalve aanbevelingen) (artikel 151, lid 5);
- volksgezondheid (artikel 152, lid 4);
- consumentenbescherming (artikel 153, lid 4);
- trans-Europese netwerken (artikel 156);
- industrie (artikel 157, lid 3);
- economische en sociale samenhang (artikel 159);
- Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (artikel 162);
- onderzoek en technologische ontwikkeling (artikel 166, lid 1; artikel 172);
- beroepsopleiding (artikel 150, lid 4);
- milieu (artikel 175, leden 1 en 3);
- ontwikkelingssamenwerking (artikel 179, lid 1);
- politieke partijen op Europees niveau (artikel 191);
- toegang tot documenten van de instellingen (artikel 255, lid 2);
- fraude (artikel 280);
- statistieken (artikel 285);
- oprichting van een controleorgaan op het gebied van gegevensbescherming(artikel 286).
2.3 Samenwerkingsprocedure (code SYN) (grafische voorstelling)
De samenwerkingsprocedure is ingevoerd door de Europese Akte om het Europees Parlement meer gewicht te verlenen dan bij de raadplegingsprocedure. Het Parlement kan het gemeenschappelijk standpunt van de Raad wijzigen maar, anders dan bij de medebeslissingsprocedure, kan alleen de Raad de eindbeslissing nemen.
De samenwerkingsprocedure is beperkt tot de volgende gebieden:
- regels voor de multilaterale toezichtprocedure (artikel 99, lid 5);
- verbod op bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen (artikel 102, lid 2);
- verbod op aansprakelijkheid voor de verbintenissen van de lidstaten (artikel 103, lid 2);
- harmonisatiemaatregelen betreffende de circulatie van munten (artikel 106, lid 2).
Alle andere gebieden waarop deze procedure voorheen van toepassing was, vallen sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam onder de medebeslissingsprocedure.
2.4 Raadplegingsprocedure (code CNS) (grafische voorstelling)
Sedert de invoering van de samenwerkingsprocedure en van de medebeslissingsprocedure heeft de raadplegingsprocedure aanzienlijk aan belang ingeboet. Bij de raadplegingsprocedure is er een werkverdeling tussen de Commissie en de Raad van de EU: de Commissie stelt voor, de Raad besluit. Voordat de Raad echter een besluit kan nemen, worden verschillende stadia doorlopen, waarin — naar gelang van de materie die moet worden geregeld — behalve de Commissie en de Raad ook het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité alsmede het Comité van de Regio's worden betrokken.
De raadplegingsprocedure wordt nog slechts toegepast in de gevallen die niet uitdrukkelijk onder de samenwerkings- of de medebeslissingsprocedure vallen.
3. De actoren van het communautaire stelsel
Het Europees Parlement bestaat uit 732 vertegenwoordigers van de volkeren van de lidstaten, die via rechtstreekse algemene verkiezingen voor een periode van vijf jaar worden verkozen. Het aantal vertegenwoordigers dat in iedere lidstaat wordt gekozen varieert naar gelang van het aantal inwoners. De leden hebben in het Parlement niet zitting in nationale delegaties maar volgens hun politieke gezindheid in transnationale fracties.
De Parlementsleden behoren tot verschillende gespecialiseerde commissies en delegaties. De verslagen die door de parlementaire commissies worden opgesteld, worden in de plenaire vergadering ter aanneming ingediend. In de plenaire vergadering worden voorts de vragen aan de Commissie en de Raad gesteld en vinden de spoeddebatten en de verklaringen van het voorzitterschap plaats. De plenaire vergaderingen zijn openbaar.
Het Parlement neemt, al naar gelang het beleidsgebied, in diverse mate deel aan het opstellen van communautaire wetgevingsinstrumenten: het kan tot taak hebben niet-bindende (raadplegingsprocedure) of bindende (instemmingsprocedure) adviezen uit te brengen; het kan de Raad verplichten tot goedkeuring van amendementen op voorstellen van de Commissie die met een absolute meerderheid zijn aangenomen en door de Commissie zijn overgenomen (samenwerkingsprocedure); ten slotte worden de wetgevingsteksten meestal in onderlinge overeenstemming tussen het Parlement en de Raad goedgekeurd, waarbij de instemming van het Parlement met de definitieve tekst onontbeerlijk is voor de goedkeuring ervan (medebeslissingsprocedure).
Het Parlement deelt de begrotingsbevoegdheid met de Raad en heeft het laatste woord over de niet verplichte uitgaven. Het stelt de begroting vast, houdt toezicht op de uitvoering ervan en verleent kwijting voor de uitvoering.
De Commissie is politieke verantwoording verschuldigd aan het Parlement. De benoeming van de voorzitter en de leden van de Commissie vindt plaats na de goedkeuring door het Europees Parlement. Het Europees Parlement kan een motie van afkeuring tegen het optreden van de Commissie aannemen, die tot gevolg heeft dat haar leden collectief ontslag moeten nemen.
Meer in het algemeen wordt de parlementaire controle uitgeoefend via de regelmatige behandeling van verslagen die de Commissie aan het Parlement voorlegt. Bovendien stellen de afgevaardigden de Commissie en de Raad regelmatig mondelinge vragen of leggen zij hun schriftelijke vragen voor.
Het Parlement heeft daarnaast de bevoegdheid om tijdelijke onderzoekscommissies in te stellen om vermeende inbreuken of fouten bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht te onderzoeken.
Op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en politiële en justitiële samenwerking heeft het Parlement het recht om geregeld te worden geïnformeerd en kan het vragen of aanbevelingen tot de Raad richten. Het wordt geraadpleegd over de belangrijkste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid alsook over iedere geplande maatregel, met uitzondering van de gemeenschappelijke standpunten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking.
Het Parlement behandelt verzoekschriften die door burgers van de Unie aan hem worden gericht over onderwerpen betreffende de werkterreinen van de Gemeenschap.
Het Europees Parlement benoemt de Europese Ombudsman, die bevoegd is om klachten in behandeling te nemen over wanbeheer bij de Europese instellingen en andere EU-organen.
Meer informatie vindt u op de website van het Europees Parlement: (http://www.europarl.europa.eu).
De Raad van de Europese Unie bestaat uit vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten. De samenstelling verandert naar gelang van de onderwerpen die op de agenda staan, waarbij ieder land zich door het voor het betrokken gebied verantwoordelijke lid van de regering laat vertegenwoordigen (Algemene Zaken, Financiën, Sociale Zaken, Vervoer, Landbouw, enz.).
De werkzaamheden van de Raad worden voorbereid door een comité dat bestaat uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten (Coreper); bij zijn werkzaamheden wordt het Coreper bijgestaan door een aantal werkgroepen die uit ambtenaren van de nationale overheden bestaan.
Het voorzitterschap van de Raad wordt door de lidstaten bij toerbeurt voor zes maanden in de door de Raad vastgestelde volgorde uitgeoefend. Het voorzitterschap wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal, dat ervoor zorgt dat de werkzaamheden van de Raad op alle niveaus worden voorbereid en goed verlopen. De secretaris-generaal van de Raad is tevens hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
Tenzij anders is voorzien neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden. In een klein aantal gevallen is overeenkomstig het Verdrag eenparigheid van stemmen vereist. In de meeste gevallen neemt de Raad zijn besluiten met een gekwalificeerde meerderheid: voor de goedkeuring van een voorstel is een bepaald minimumaantal stemmen noodzakelijk. Iedere lidstaat beschikt naar gelang van zijn bevolkingsomvang over een bepaald aantal stemmen.
De Raad heeft zes kernverantwoordelijkheden:
- op basis van voorstellen van de Commissie hecht de Raad zijn goedkeuring aan de communautaire wetgeving; op talrijke gebieden keurt de Raad tezamen met het Europees Parlement wetgeving goed;
- hij coördineert het economisch beleid van de lidstaten;
- hij sluit namens de Europese Gemeenschap internationale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en één of verscheidene landen of internationale organisaties;
- hij stelt gezamenlijk met het Europees Parlement de begroting van de Europese Unie op;
- de Raad stippelt het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit aan de hand van de richtsnoeren van de Europese Raad;
- hij coördineert de samenwerking in strafzaken tussen de nationale rechterlijke instanties en de politie.
Meer informatie vindt u op de website van de Raad (http://www.consilium.europa.eu).
De Commissie bestaat uit 27 leden (één per lidstaat), die wegens hun algemene bekwaamheid worden gekozen en een volledige garantie van onafhankelijkheid bieden. De leden van de Commissie worden door de Raad na goedkeuring door het Europees Parlement voor vijf jaar benoemd.
De voorzitter van de Commissie wordt door de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders benoemd; deze benoeming wordt vervolgens door het Europees Parlement goedgekeurd.
De Commissie is onderverdeeld in directoraten-generaal, die elk met een welbepaald beleidsterrein zijn belast.
De Europese Commissie heeft vier hoofdtaken:
op wetgevingsgebied berust het recht van initiatief nagenoeg uitsluitend bij de Commissie: zij is verantwoordelijk voor het opstellen van voorstellen voor nieuwe wetgeving, die zij aan het Parlement en de Raad voorlegt. Zij neemt daarnaast actief deel aan de opeenvolgende etappen van de wetgevingsprocedures;
zij legt het beleid ten uitvoer en geeft uitvoering aan de begroting van de Unie: de Commissie is verantwoordelijk voor het beheer en de toepassing van de begroting van de Unie; zij ziet toe op de uitvoering van de door het Parlement en de Raad goedgekeurde beleidsmaatregelen en programma's;
zij is de hoedster van de Verdragen: de Commissie ziet erop toe dat de bepalingen van het Gemeenschapsrecht door particulieren, door de lidstaten en door de andere instellingen worden toegepast. Bij de uitoefening van haar bevoegdheden kan de Commissie met name aan personen en ondernemingen sancties opleggen wegens inbreuken op het Gemeenschapsrecht. Zij kan inbreukprocedures tegen lidstaten inleiden, in het kader waarvan waarin zij deze gelast het probleem vóór een bepaalde datum op te lossen. Ten slotte kan de Commissie bij het Hof van Justitie beroep instellen wegens schending van het Gemeenschapsrecht door de lidstaten of de andere instellingen;
zij vertegenwoordigt de Gemeenschap: de Commissie voert namens de Gemeenschappen onderhandelingen met het oog op het sluiten van internationale overeenkomsten met derde landen of internationale organisaties, in samenwerking met bijzondere comité's die door de Raad en in het kader van door de Raad vastgestelde onderhandelingsrichtsnoeren worden benoemd.
Meer informatie vindt u op de website van de Commissie (http://ec.europa.eu).
Het Hof van Justitie bestaat uit 27 rechters en 8 advocaten-generaal, die in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor een hernieuwbare ambtstermijn van 6 jaar worden benoemd.
Zij worden gekozen uit juristen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en die voldoen aan de voorwaarden welke in hun eigen land voor de hoogste rechterlijke ambten gelden of bekendstaan als kundige rechtsgeleerden.
De advocaten-generaal staan het Hof bij in de vervulling van zijn taken. Zij zijn ermee belast om in het openbaar, in volledige onpartijdigheid en onafhankelijkheid, met redenen omklede conclusies te presenteren over rechtszaken waarin hun medewerking is vereist. Hun taak mag niet worden verward met die van een procureur of een andere soortgelijke instantie.
Het Gerecht van eerste aanleg telt ten minste één rechter uit iedere lidstaat. De rechters worden in onderlinge overeenstemming voor zes jaar benoemd door de regeringen van de lidstaten en worden gekozen uit personen die alle waarborgen van onafhankelijkheid bieden en de vereiste bekwaamheid bezitten voor de uitoefening van een hoog rechterlijk ambt.
Daarnaast is in het Verdrag van Nice de mogelijkheid voorzien dat aan het Gerecht van eerste aanleg toegevoegde rechterlijke kamers worden ingesteld, die in specifieke aangelegenheden bevoegd zijn.
Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg hebben tot taak toe te zien op de eerbiediging en de toepassing van de oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschappen en van de regels die door de bevoegde Gemeenschapsinstellingen zijn vastgesteld.
Het Hof en het Gerecht hebben rechterlijke bevoegdheden in het kader van verschillende soorten procedure:
beroep wegens niet-nakoming (tegen lidstaten in geval van schending van de verplichtingen die uit hoofde van de Verdragen op hen rusten),
- beroep tot nietigverklaring (van rechtsinstrumenten van de communautaire instellingen),
- beroep wegens nalaten (tegen een communautaire instelling in geval deze nalaat maatregelen te nemen),
- beroep tot schadevergoeding (beoogt schadevergoeding voor een onrechtmatige handeling of nalaten door een instelling van de Gemeenschap),
- beroep inzake contractuele aansprakelijkheid (geschillen betreffende door de Gemeenschap gesloten publiek- of privaatrechtelijke overeenkomsten),
- ambtenarenzaken (geschillen tussen de Gemeenschap en haar ambtenaren en functionarissen),
- prejudiciële beslissing (op verzoek van de rechterlijke instanties van de lidstaten doen het Hof en het Gerecht van eerste aanleg uitspraak over de uitlegging van het Gemeenschapsrecht of over de geldigheid van de besluiten die door de instellingen en door de Europese Centrale Bank worden genomen).
Het Hof is bevoegd voor klachten ingediend door communautaire instellingen of door de lidstaten tegen handelingen van de instellingen of foutief handelen door de lidstaten. Het Hof is bevoegd om kennis te nemen van verzoeken om prejudiciële beslissingen, behalve op specifieke gebieden waar de bevoegdheid aan het Gerecht van eerste aanleg is verleend. Het Gerecht behandelt beroepen die door natuurlijke en rechtspersonen zijn ingesteld tegen beslissingen van communautaire instellingen. Tegen de beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg kan een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld bij het Hof van Justitie.
Meer informatie vindt u op de website van het Hof van Justitie (http://curia.europa.eu).
De Rekenkamer bestaat uit één onderdaan van iedere lidstaat, die wordt gekozen uit personen die in hun respectieve land voor externe controle-instanties werken of hebben gewerkt of bijzonder geschikt zijn voor deze taken en die alle waarborgen van onafhankelijkheid bieden. De leden van de Rekenkamer worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid na raadpleging van het Europees Parlement voor zes jaar benoemd.
De Europese Rekenkamer heeft tot taak alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap en van alle Gemeenschapsinstellingen te onderzoeken en ziet erop toe dat de Europese Unie bij het uitgeven van haar middelen de begrotingsvoorschriften in acht neemt waaraan administratieve en boekhoudkundige beginselen ten grondslag liggen. De deugdelijkheid van het financieel beheer moet worden gewaarborgd.
Aan de controle door de Rekenkamer zijn onderworpen de Gemeenschapsinstellingen en de lidstaten alsook elk orgaan dat ontvangsten of uitgaven in naam van de Gemeenschap beheert en iedere natuurlijke of rechtspersoon die middelen uit de Gemeenschapsbegroting ontvangt. De controles in de lidstaten worden uitgevoerd in samenwerking met de bevoegde nationale instanties of instellingen. De lidstaten zijn verplicht alle gevraagde documenten en informatie aan de Rekenkamer te overhandigen.
De Rekenkamer legt ieder jaar aan de Raad en het Europees Parlement een verklaring voor over de betrouwbaarheid van de boekhouding en over de wettigheid en de regelmatigheid van de transacties die eraan ten grondslag liggen. De Rekenkamer stelt een jaarverslag op waarin haar opmerkingen over het beheer van de Gemeenschapsfinanciën worden uiteengezet; dit verslag wordt aan de instellingen van de Gemeenschap toegezonden en in het Publicatieblad bekendgemaakt. In het verslag wordt met name op de gebieden gewezen waar verbeteringen mogelijk en zelfs wenselijk zijn. De antwoorden van de instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer worden eveneens in het Publicatieblad bekendgemaakt.
De Rekenkamer heeft voorts een adviserende bevoegdheid: de instellingen van de EU kunnen — en zijn in bepaalde gevallen zelfs hiertoe verplicht — de Rekenkamer om advies vragen.
Ten slotte kan de Rekenkamer over bepaalde kwesties speciale verslagen indienen, die eveneens in het Publicatieblad worden gepubliceerd.
Meer informatie vindt u op de website van de Rekenkamer (http://eca.europa.eu).
Het Europees Economisch en Sociaal Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende economische en sociale geledingen van de georganiseerde civiele samenleving, met name van producenten, landbouwers, vervoerders, werknemers, handelaren en ambachtslieden, vrije beroepen, consumenten en het algemeen belang.
De leden van het Economisch en Sociaal Comité worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn in drie groepen onderverdeeld waarin respectievelijk werkgevers, werknemers en andere sociaal-economische categorieën zijn vertegenwoordigd.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft een raadgevende taak. In beleidsdiscussies met de Commissie, de Raad en het Europees Parlement geeft het de standpunten weer van de maatschappelijke organisaties en komt het op voor hun belangen.
Het Comité maakt een wezenlijk deel uit van het besluitvormingsproces van de EU: het moet worden geraadpleegd alvorens beslissingen worden genomen over het economisch en sociaal beleid. Daarnaast mag het ook op eigen initiatief of op verzoek van de instellingen advies uitbrengen over zaken die het belangrijk acht.
Meer informatie vindt u op de website van het Economisch en Sociaal Comité (http ://www.cese.europa.eu).
Het Comité van de Regio's bestaat uit vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden. De leden van het Comité worden, tezamen met eenzelfde aantal plaatsvervangers, door de Raad met gekwalificeerde meerderheid — overeenkomstig de voorstellen van de lidstaten — voor vier jaar benoemd.
Het Comité van de Regio's is een raadgevend orgaan. Het Comité heeft tot taak om het lokale en regionale standpunt inzake de Europese wetgeving naar voren te brengen. Daartoe brengt het adviezen uit ten aanzien van voorstellen van de Commissie.
De Commissie en de Raad zijn verplicht om het Comité van de Regio's te raadplegen wanneer er specifieke regionale belangen op het spel staan maar zij kunnen eveneens het Comité raadplegen wanneer zij dat wenselijk achten. Het Comité kan zelf ook op eigen initiatief adviezen aannemen en ze aan de Commissie, de Raad en het Parlement voorleggen.
Meer informatie vindt u op de website van het Comité van de Regio's (http://www.cor.europa.eu).
De Europese Centrale Bank bestaat uit twee organen:
- de raad van bestuur, die bestaat uit de leden van de directie van de ECB en de presidenten van de nationale centrale banken van de eurozone;
- de directie, die bestaat uit de president, de vice-president en vier andere leden die in onderlinge overeenstemming, op aanbeveling door de Raad en na raadpleging van het Europees Parlement, door de lidstaten worden benoemd. Zij worden voor een periode van acht jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar.
Beide organen nemen besluiten met gewone meerderheid van stemmen, waarbij elk lid één stem heeft en in geval van staking van stemmen de stem van de voorzitter de doorslag geeft.
De Europese Centrale Bank (ECB) staat in het centrum van de Economische en Monetaire Unie (EMU).
Zij is verantwoordelijk voor de stabiliteit van de euro en moet de circulatie van deze valuta in goede banen leiden en bepaalt, tezamen met de andere nationale banken, het monetaire beleid van de Unie en geeft er uitvoering aan.
Met het oog op het vervullen van haar taken heeft zij een groot aantal bevoegdheden:
- zij controleert de liquiditeit via de aan- en verkoop van waardepapieren, via kredietoperaties met de banken of de deelnemers aan de geldmarkt of via vastlegging van de verplichte reserve die de kredietinstellingen op rekeningen bij de nationale centrale banken of bij de ECB moeten hebben;
- zij oefent prudentieel toezicht uit op de kredietinstellingen.
Aan de ECB zijn ook raadgevende en wetgevende taken toevertrouwd:
op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen wordt de bank door de Europese instellingen of door de autoriteiten van de lidstaten bij de uitoefening van hun respectieve wetgevende taken geraadpleegd. Zij kan ook adviezen uitbrengen aan de communautaire instellingen over kwesties die op die gebieden betrekking hebben;/p>
de ECB kan het initiatief nemen inzake wetgeving op gebieden die betrekking hebben op het monetair beleid en stelt voorzover nodig verordeningen vast om specifieke taken die aan haar zijn toevertrouwd te vervullen;
om het de ECB mogelijk te maken haar taken uit te voeren is er een aantal bepalingen die haar onafhankelijkheid waarborgen: het is de ECB niet toegestaan instructies te vragen dan wel te aanvaarden van instellingen, lidstaten of van enig ander orgaan.
Meer informatie vindt u op de website van de ECB (http://www.ecb.int/home/html/lingua.nl.html)

