ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 7

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
12 januari 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/44 van de Commissie van 20 oktober 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/45 van de Commissie van 20 oktober 2017 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee en in de wateren van de Unie van ICES-sector IIa voor het jaar 2018

6

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/46 van de Commissie van 20 oktober 2017 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale en diepzeevisserijen in de noordwestelijke wateren voor 2018

13

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/47 van de Commissie van 30 oktober 2017 tot goedkeuring van het gebruik van alternatieve T90-trawlnetten voor de visserij in de Oostzee, in afwijking van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad

21

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/48 van de Commissie van 11 januari 2018 tot inschrijving van een naam in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten (Suikerstroop (GTS))

23

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/49 van de Commissie van 11 januari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad naar aanleiding van een nieuw onderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur op grond van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad

31

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/50 van de Commissie van 11 januari 2018 tot 280e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida

35

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2018/51 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling

37

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/52 van de Commissie van 11 januari 2018 tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek betreffende de invoer van bepaalde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand

39

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2007 ( PB L 224 van 31.8.2017 )

41

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/44 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2017

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 6, en artikel 18, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

(2)

Om de aanlandingsverplichting toe te passen heeft de Commissie krachtens artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de bevoegdheid om door middel van gedelegeerde handelingen teruggooiplannen vast te stellen voor een termijn van ten hoogste drie jaar, op basis van gezamenlijke aanbevelingen die de lidstaten opstellen in overleg met de betrokken adviesraden.

(3)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 van de Commissie (2) is een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren vastgesteld op grond van een gezamenlijke aanbeveling van België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Portugal uit 2016.

(4)

België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Portugal hebben een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserij in de zuidwestelijke wateren. Op 2 juni 2017 hebben deze lidstaten, na overleg met de adviesraad voor de zuidwestelijke wateren, bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend, waarin zij bepaalde wijzigingen aan het teruggooiplan voorstellen.

(5)

Deze nieuwe gezamenlijke aanbeveling is beoordeeld door het WTECV (3). De maatregelen van die gezamenlijke aanbeveling zijn in overeenstemming met artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en kunnen dus in het teruggooiplan worden opgenomen.

(6)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld de visserij op blauwe wijting (Micromesistius poutassou) die met bodemtrawls en zegennetten in de ICES-sectoren VIIIc en IXa wordt gevangen, ook op te nemen in het bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 vastgestelde teruggooiplan.

(7)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt ook voorgesteld de in het teruggooiplan omschreven definitie van de visserij op zeeduivel (Lophiidae) in de ICES-sectoren VIIIa, b, d en e en in de ICES-sectoren VIIIc en IXa te wijzigen door de toevoeging van een vistuigcode voor schakelnetten (GTR) en de verlaging van de maaswijdte voor alle staande netten van 200 naar 170 mm.

(8)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorts voorgesteld de vrijstelling van de aanlandingsverplichting die is verleend in het teruggooiplan voor langoustine die met trawls in de ICES-deelgebieden VIII en IX wordt gevangen, te behouden, omdat bestaande wetenschappelijke gegevens op mogelijk hoge overlevingskansen wijzen gezien de kenmerken van het tuig dat voor deze soort wordt gebruikt, de visserijpraktijken en het ecosysteem. Het WTECV heeft in zijn beoordeling geconcludeerd dat de recentste experimenten en studies, aangevuld met de aanvullende informatie van de lidstaten, voldoende ondersteunende gegevens bieden die op hoge overlevingskansen wijzen. Derhalve moet deze vrijstelling, die reeds tweemaal werd verleend (voor het jaar 2016 en voor het jaar 2017), in 2018 worden gehandhaafd.

(9)

De in het teruggooiplan vastgelegde de-minimisvrijstelling voor heek tot maximaal 6 % in 2018 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden VIII en IX met trawls op deze soort vissen, berust op het feit dat het zeer moeilijk is een grotere selectiviteit te verwezenlijken. Het WTECV heeft geconcludeerd dat de aanvullende selectiviteitsinformatie van de lidstaten aanvullend bewijs bevatte dat selectiviteit zeer moeilijk te verwezenlijken is in de betrokken metiers. Extra werkzaamheden om deze vrijstelling beter te onderbouwen zijn echter noodzakelijk. Derhalve moet deze vrijstelling worden verlengd voor 2018 op voorwaarde dat de lidstaten betere ondersteunende informatie voor deze vrijstelling indienen, die vervolgens zal worden beoordeeld door het WTECV.

(10)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op economische activiteiten die samenhangen met het visseizoen van de Unievaartuigen en op de programmering van dat visseizoen, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet met ingang van 1 januari 2018 van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 3, lid 1, wordt punt a) vervangen door:

„a)

voor heek (Merluccius merluccius): tot maximaal 6 % in 2018 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden VIII en IX op deze soort vissen met trawls en zegens (vistuigcodes OTT, OTB, PTB, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, SDN, SX en SV);”.

2)

In artikel 3, lid 2, wordt het jaartal „2017” vervangen door „2018”.

3)

De bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 354 van 28.1.2013, blz. 22.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 van de Commissie van 12 oktober 2016 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren (PB L 352 van 23.12.2016, blz. 33).

(3)  2017-07_STECF PLEN 17-02_JRCxxx.pdf


BIJLAGE

Visserijen die onder de aanlandingsverplichting vallen

1.   Visserijen op tong (Solea solea)

Visserijzones

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

ICES-sectoren VIIIa, b, d en e

OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX

Alle bodemtrawls

Tussen 70 en 100 mm

Alle vangsten van tong

TBB

Alle boomkorren

Tussen 70 en 100 mm

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakel- en kieuwnetten

100 mm of meer

2.   Visserijen op tong (Solea solea) en schol (Pleuronectes platessa)

Visserijzones

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

ICES-sector IXa

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakel- en kieuwnetten

100 mm of meer

Alle vangsten van tong en schol

3.   Visserijen op heek (Merluccius merluccius)

Visserijzones

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

ICES-sectoren VIIIa, b, d en e

OTT, OTB, PTB, SDN, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, SX, SV

Alle bodemtrawls en zegens

100 mm of meer

Alle vangsten van heek

LL, LLS

Alle beuglijnen

Alle

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GEN

Alle kieuwnetten

100 mm of meer

ICES-sectoren VIIIc en IXa

OTT, OTB, PTB, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, SDN, SX, SV

Alle bodemtrawls en zegens

Vaartuigen die aan elk van de volgende criteria voldoen:

1.

zij gebruiken een maaswijdte van 70 mm of meer;

2.

de totale hoeveelheid in 2014/2015 (1) aangelande heek vormt meer dan 5 % van alle aangelande soorten en bedraagt meer dan 5 metrische ton.

Alle vangsten van heek

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GEN

Alle kieuwnetten

Tussen 80 en 99 mm

LL, LLS

Alle beuglijnen

Haken met een lengte van meer dan 3,85 cm +/– 1,15 cm en een breedte van meer dan 1,6 cm +/– 0,4 cm

4.   Visserijen op zeeduivel (Lophiidae)

Visserijzones

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

ICES-sectoren VIIIa, b, d en e

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GEN, GTR

Alle schakel- en kieuwnetten

170 mm of meer

Alle vangsten van zeeduivel

ICES-sectoren VIIIc en IXa

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GEN, GTR

Alle schakel- en kieuwnetten

170 mm of meer

Alle vangsten van zeeduivel

5.   Visserijen op langoustine (Nephrops norvegicus)

Visserijzones

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

ICES-sectoren VIIIa, b, d en e (enkel binnen de functionele eenheden)

OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX

Alle bodemtrawls

70 mm of meer

Alle vangsten van langoustine

ICES-sectoren VIIIc en IXa (enkel binnen de functionele eenheden)

OTB, PTB, OTT, TBN, TBS, OT, PT, TX TB

Alle bodemtrawls

70 mm of meer

Alle vangsten van langoustine

6.   Visserijen op zwarte haarstaartvis (Aphanopus carbo)

Visserijzones

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

ICES-sector VIIIc, ICES-deelgebieden IX en X en Cecaf-zone 34.1.2

LLS, DWS

Grondbeugen voor de diepzee

Alle vangsten van zwarte haarstaartvis wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2014 en 2015 (2) voor meer dan 20 % uit zwarte haarstaartvis bestonden

7.   Visserijen op zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Visserijzones

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

ICES-deelgebied IX

LLS, DWS

Grondbeugen voor de diepzee

Haken met een lengte van meer dan 3,95 cm en een breedte van meer dan 1,65 cm

Alle vangsten van zeebrasem wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2014 en 2015 (3) voor meer dan 20 % uit zeebrasem bestonden

8.   Visserijen op blauwe wijting (Micromesistius poutassou)

Visserijzones

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

ICES-sectoren VIIIc en IXa

OTT, OTB, PTB, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, SDN, SX, SV

Alle bodemtrawls en zegens

Alle

Alle vangsten van blauwe wijting


(1)  Referentieperiode voor het jaar 2017. Voor 2018 is deze 2015/2016.

(2)  Referentieperiode voor het jaar 2017. Voor 2018 is deze 2015/2016.

(3)  Referentieperiode voor het jaar 2017. Voor 2018 is deze 2015/2016.


12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/6


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/45 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2017

tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee en in de wateren van de Unie van ICES-sector IIa voor het jaar 2018

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 6,

Gezien Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (2), en met name artikel 18 bis,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

(2)

Om de aanlandingsverplichting toe te passen heeft de Commissie krachtens artikel 15, lid 6, van die verordening de bevoegdheid om door middel van gedelegeerde handelingen teruggooiplannen vast te stellen voor een termijn van ten hoogste drie jaar, op basis van gezamenlijke aanbevelingen die de lidstaten opstellen in overleg met de betrokken adviesraden.

(3)

België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hebben een rechtstreeks belang bij het visserijbeheer in de Noordzee. Na overleg met de adviesraad voor de Noordzee hebben deze lidstaten op 3 juni 2016 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling ingediend inzake een teruggooiplan voor demersale visserijen in de Noordzee. Op basis van deze gezamenlijke aanbeveling is bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2250 van de Commissie (3) een teruggooiplan voor deze visserijen vastgesteld.

(4)

Na overleg met de adviesraad voor de Noordzee hebben België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk op 31 mei 2017 bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend inzake een nieuw teruggooiplan voor demersale visserijen in de Noordzee. De desbetreffende wetenschappelijke instanties hebben een wetenschappelijke bijdrage geleverd die is beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV). Op 8 september zijn de betrokken maatregelen besproken op een vergadering van een deskundigengroep waaraan vertegenwoordigers van 28 lidstaten en de Commissie deelnamen en waarbij het Europees Parlement als waarnemer aanwezig was.

(5)

In het licht van een nieuwe gezamenlijke aanbeveling moet Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2250 worden ingetrokken.

(6)

De in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(7)

Voor de toepassing van die verordening omvat de Noordzee de ICES-gebieden IIIa en IV. Aangezien sommige demersale bestanden die voor het voorgestelde teruggooiplan van belang zijn, ook worden aangetroffen in de wateren van de Unie van ICES-sector IIa, adviseren de betrokken lidstaten ook ICES-sector IIa in het teruggooiplan op te nemen.

(8)

Het nieuwe teruggooiplan voor 2018 moet de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2250 over de aan te landen soorten omvatten en moet specificeren voor welke extra soorten en visserijen de aanlandingsverplichting in 2018 moet gelden.

(9)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2250 zijn vrijstellingen op grond van overlevingskansen, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 (4), ingevoerd voor vangsten van langoustines die in ICES-sector IIIa met korven en trawls worden verricht, met gebruikmaking van bepaalde selectiviteitsvoorzieningen. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijs verstrekt om de hoge overlevingspercentages voor met bodemtrawls gevangen langoustines aan te tonen. Die informatie is inmiddels ingediend en is door het WTECV bevredigend bevonden. In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld deze vrijstellingen te handhaven. Bijgevolg moeten deze vrijstellingen in het nieuwe teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen.

(10)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2250 is een vrijstelling op grond van hoge overlevingskansen ingevoerd voor langoustines die in ICES-deelgebied IV zijn gevangen met bepaalde vistuigen, op voorwaarde dat deze zijn uitgerust met een selectiviteitsnetrooster. lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de Noordzee moeten krachtens die gedelegeerde verordening bij de Commissie aanvullende wetenschappelijke informatie indienen ter ondersteuning van de vrijstellingen voor de gespecificeerde bodemtrawls. Die informatie werd verstrekt en het WTECV heeft geconcludeerd dat deze enkel een vrijstelling voor de wintermaanden en voor bepaalde gebieden (functionele eenheden van ICES-sectoren) rechtvaardigt. Bijgevolg moet die vrijstelling in het nieuwe teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen, maar uitsluitend voor de wintermaanden en voor bepaalde functionele eenheden van ICES.

(11)

De nieuwe gezamenlijke aanbeveling omvat een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor bijvangsten van vis in de visserij met korven en fuiken, alsook voor vangsten van tong met ottertrawls.

(12)

Gezien het wetenschappelijk bewijsmateriaal dat in de gezamenlijke aanbeveling is verstrekt en door het WTECV is beoordeeld, en gezien de kenmerken van het vistuig, de visserijpraktijken en het ecosysteem, moeten deze vrijstellingen op grond van overlevingskansen in het nieuwe teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen.

(13)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2250 zijn de-minimisvrijstellingen vastgesteld voor:

tong gevangen met schakel- en kieuwnetten in ICES-sector IIIa, ICES-deelgebied IV en wateren van de Unie van ICES-sector IIa;

tong gevangen met bepaalde met een Vlaams paneel uitgeruste boomkorren in ICES-deelgebied IV;

langoustines gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-deelgebied IV en wateren van de Unie van ICES-sector IIa.

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld deze de-minimisvrijstellingen te handhaven. Bijgevolg moeten deze vrijstellingen in het nieuwe teruggooiplan worden opgenomen.

(14)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling worden de volgende vrijstellingen voorgesteld: een de-minimisvrijstelling voor tong, schelvis, wijting, kabeljauw en zwarte koolvis die gecombineerd worden gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-sector IIIa; een de-minimisvrijstelling voor tong, schelvis, wijting, kabeljauw en zwarte koolvis die gecombineerd worden gevangen met kubben in ICES-sector IIIa; een de-minimisvrijstelling voor wijting en kabeljauw die worden gevangen met bodemtrawls in ICES-sector IVc, en een de-minimisvrijstelling voor wijting die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-sector IIIa.

(15)

Het WTECV heeft het overtuigende bewijsmateriaal dat de lidstaten ter staving van deze de-minimisvrijstellingen hebben ingediend, onderzocht en stelt vast dat daarin voldoende wordt beargumenteerd dat verdere verbeteringen van de selectiviteit moeilijk te verwezenlijken zijn of tot onevenredig hoge kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten zouden leiden. Op basis daarvan is het passend de de-minimisvrijstellingen overeenkomstig het in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voorgestelde percentage vast te stellen binnen de grenzen die zijn bepaald in artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(16)

Artikel 18 bis van Verordening (EG) nr. 850/98 verleent de Commissie de bevoegdheid om, met het oog op de vaststelling van teruggooiplannen en voor soorten die onder de aanlandingsverplichting vallen, minimuminstandhoudingsreferentiegrootten vast te stellen om de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen te waarborgen. Deze minimuminstandhoudingsreferentiegrootten kunnen zo nodig afwijken van de in bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 850/98 vastgestelde grootten. Voor langoustines in ICES-sector IIIa moeten de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2440 (5) vastgestelde minimuminstandhoudingsreferentiegrootten behouden blijven, meer bepaald een totale lengte van 105 mm en een pantserlengte van 32 mm. Hieraan moet een minimale staartlengte van 59 mm worden toegevoegd op basis van de nieuwe gezamenlijke aanbeveling en de beoordeling van het WTECV, waarin staat dat deze staartlengte overeenkomt met de reeds bestaande waarden voor de totale lengte en de pantserlengte.

(17)

De teruggooiplannen kunnen ook technische maatregelen bevatten voor visserijen of soorten die onder de aanlandingsverplichting vallen. Om de selectiviteit van het vistuig te vergroten en ongewenste vangsten in het Skagerrak te verminderen, moeten bepaalde technische maatregelen waarover de Unie en Noorwegen in 2011 (6) en 2012 (7) overeenstemming hebben bereikt, behouden blijven en moet het gebruik van het SepNep-selectiviteitsnet worden toegestaan.

(18)

Met het oog op deugdelijke controle moeten voor de lidstaten specifieke voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot het opstellen van een lijst van onder de onderhavige verordening vallende vaartuigen.

(19)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de Unievaartuigen en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet van 1 januari tot en met 31 december 2018 van toepassing zijn om in overeenstemming te zijn met het in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde tijdschema,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoering van de aanlandingsverplichting

De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting is overeenkomstig de onderhavige verordening in ICES-deelgebied IV (Noordzee), ICES-sector IIIa (Kattegat and Skagerrak) en de wateren van de Unie van ICES-sector IIa (Noorse Zee) van toepassing op demersale visserijen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van de onderhavige verordening wordt verstaan onder:

1)

„seltra-paneel”: een selectiviteitsvoorziening die:

bestaat uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 270 mm (ruitvormige mazen) geplaatst in een door vier panelen gevormd gedeelte en zodanig gemonteerd dat de samenvoegingsverhouding bij de naad drie mazen van 90 mm per maas van 270 mm bedraagt, of bestaande uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 140 mm (vierkante mazen);

minstens 3 meter lang is;

is aangebracht op niet meer dan 4 meter van de pooklijn, en

de volledige breedte van de bovenkant van het trawlnet in beslag neemt (d.w.z. van naadlijn tot naadlijn);

2)

„selectiviteitsnetrooster” (Netgrid): een selectiviteitsvoorziening bestaande uit een door vier panelen gevormd gedeelte dat wordt aangebracht in een door twee panelen gevormde trawl met een hoeks geplaatst netpaneel met ruitvormige mazen van ten minste 200 mm, zodat aan de bovenkant van de trawl een ontsnappingsgat ontstaat;

3)

„Vlaams paneel”: het laatste trechtervormige gedeelte van de netten van een boomkor, waarvan:

de voorkant rechtstreeks aan de kuil is bevestigd;

de boven- en onderkant een maaswijdte van minstens 120 mm hebben, gemeten tussen de knopen;

de lengte in gestrekte toestand minstens 3 meter is;

4)

„SepNep”: een ottertrawl die

een maaswijdte tussen 80 en 99 + ≥ 100 mm heeft;

meerdere kuilen heeft met een maaswijdte tussen minstens 80 en 120 mm, die zijn bevestigd aan één enkele tunnel, waarbij de bovenste kuil een maaswijdte van minstens 120 mm heeft en is uitgerust met een scheidingspaneel met een maximale maaswijdte van 105 mm, en

eventueel kan zijn uitgerust met een selectierooster met een afstand van minstens 17 mm tussen de staven, mits dit zodanig is vervaardigd dat kleine langoustines kunnen ontsnappen.

Artikel 3

Soorten die onder de aanlandingsverplichting vallen

De aanlandingsverplichting geldt voor de in de in de bijlage bij de onderhavige verordening bedoelde soorten, waarop de in de artikelen 4 tot en met 7 beschreven vrijstellingen van toepassing zijn.

Artikel 4

Vrijstellingen voor langoustines op grond van overlevingskansen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt voor de volgende vangsten van langoustines:

a)

vangsten met korven (FPO (8));

b)

vangsten in ICES-sector IIIa met bodemtrawls (OTB, TBN) met een maaswijdte van ten minste 70 mm, die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven;

c)

vangsten in ICES-sector IIIa met bodemtrawls (OTB, TBN) met een maaswijdte van ten minste 90 mm, die zijn uitgerust met een seltra-paneel;

d)

in de winterperiode (oktober tot en met maart): vangsten in de functionele eenheden Farn Deeps (FU6), Firth of Forth (FU8) en Moray Firth (FU9) met bodemtrawls (OTB en TBN) met een maaswijdte van minstens 80 mm, die zijn uitgerust met een selectiviteitsnetrooster.

2.   Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden deze langoustines onmiddellijk in hun geheel vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

Artikel 5

Vrijstellingen voor tong op grond van overlevingskansen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt voor vangsten van tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die binnen zes zeemijl voor de kust in ICES-sector IVc en buiten vastgestelde kraamgebieden worden gedaan met ottertrawls (OTB) met een maaswijdte in de kuil van 80-99 mm.

2.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is slechts van toepassing voor vaartuigen met een lengte van maximaal 10 meter en een motorvermogen van maximaal 221 kW wanneer deze vissen in wateren met een diepte van maximaal 30 meter en hun trekken niet langer duren dan anderhalf uur.

3.   Bij de teruggooi van tong die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tong onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 6

Vrijstellingen voor bijvangsten van vis in korven en fuiken op grond van overlevingskansen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt voor vangsten van kabeljauw, schelvis, wijting, schol, tong, heek en zwarte koolvis in korven en fuiken (FPO, FYK).

2.   Bij de teruggooi van vis die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze vis onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.

Artikel 7

De-minimisvrijstellingen

In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden op grond van artikel 15, lid 4, onder c), worden teruggegooid:

a)

in de visserijen door vaartuigen die in ICES-sector IIIa, ICES-deelgebied IV en de wateren van de Unie van ICES-sector IIa vissen met schakel- en kieuwnetten (GN, GNS, GND, GNC, GTN, GTR, GEN, GNF):

een hoeveelheid tong die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

b)

in de visserijen door vaartuigen die in ICES-deelgebied IV vissen met boomkorren (TBB) met een maaswijdte van 80-119 mm en met een grotere maaswijdte in de tunnel (het „Vlaams paneel”):

een hoeveelheid tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

c)

in de visserijen door vaartuigen die in ICES-deelgebied IV en de wateren van de Unie van ICES-sector IIa vissen met bodemtrawls (OTB, TBN, OTT, TB) met een maaswijdte van 80-99 mm:

een hoeveelheid langoustines onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

d)

in de visserij op langoustines door vaartuigen die in ICES-sector IIIa vissen met bodemtrawls (OTB, TBN) met een maaswijdte van ten minste 70 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven:

een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw en zwarte koolvis onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die maximaal 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, Noordse garnaal, kabeljauw en zwarte koolvis uitmaakt;

e)

in de visserij op Noordse garnaal door vaartuigen die in ICES-sector IIIa vissen met bodemtrawls (OTB) met een maaswijdte van ten minste 35 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven en een vrije uitlaat voor de vis:

een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, schol en zwarte koolvis onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die maximaal 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis, schol en Noordse garnaal uitmaakt;

f)

in de gemengde visserij op tong, wijting, schol en soorten zonder vangstbeperkingen door vaartuigen die in ICES-sector IVc vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm:

een gecombineerde hoeveelheid wijting en kabeljauw onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, schelvis, tong, Noordse garnaal, wijting, schol, zwarte koolvis en kabeljauw uitmaakt; de maximale hoeveelheid kabeljauw die mag worden teruggegooid, is beperkt tot 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort;

g)

in de visserijen door vaartuigen die in ICES-sector IIIa vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met een maaswijdte van 90-119 mm die zijn uitgerust met een seltra-paneel, of met een maaswijdte van 120 mm en meer:

een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte tot maximaal 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, kabeljauw, schelvis, wijting, zwarte koolvis, tong, schol en heek.

Artikel 8

Minimuminstandhoudingsreferentiegrootten

In afwijking van de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die in bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 850/98 is vastgesteld, geldt voor langoustines in ICES-sector IIIa de volgende minimuminstandhoudingsreferentiegrootte:

a)

totale lengte van 105 mm,

b)

staartlengte van 59 mm,

c)

pantserlengte van 32 mm.

Artikel 9

Specifieke technische maatregelen voor het Skagerrak

1.   Het is verboden in het Skagerrak trawls, Deense zegens, boomkorren of soortgelijke sleepnetten met een maaswijdte van minder dan 120 mm aan boord te hebben of te gebruiken.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de volgende trawls worden gebruikt:

a)

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 90 mm die zijn uitgerust met een seltra-paneel of een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven;

b)

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 70 mm (vierkante mazen) die zijn uitgerust met een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven;

c)

trawls met een minimummaaswijdte van minder dan 70 mm wanneer wordt gevist op pelagische of industriële soorten, mits de vangst voor meer dan 80 % uit een of meer pelagische of industriële soorten bestaat;

d)

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 35 mm wanneer wordt gevist op Noordse garnaal, mits ze zijn uitgerust met een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven.

3.   Bij de visserij op Noordse garnaal overeenkomstig lid 2, onder d), mag een visretentiesysteem worden gebruikt mits er toereikende vangstmogelijkheden voor de bijvangst zijn en het retentiesysteem:

a)

een bovenpaneel heeft met vierkante mazen met een maaswijdte van ten minste 120 mm;

b)

minstens 3 meter lang is, en

c)

ten minste even breed is als de breedte van het sorteerrooster.

Artikel 10

SepNep

In afwijking van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 850/98 is het toegestaan SepNep-netten te gebruiken.

Artikel 11

Intrekking

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2250 wordt ingetrokken.

Artikel 12

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)  PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1.

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2250 van de Commissie van 4 oktober 2016 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee en de wateren van de Unie van ICES-sector IIa (PB L 340 van 15.12.2016, blz. 2).

(4)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2440 van de Commissie van 22 oktober 2015 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee en de wateren van de Unie van ICES-sector IIa (PB L 336 van 23.12.2015, blz. 42).

(6)  Goedgekeurde notulen van het visserijoverleg tussen Noorwegen en de Europese Unie inzake de reglementering van de visserij in het Skagerrak en het Kattegat voor 2012.

(7)  Goedgekeurde notulen van het visserijoverleg tussen de Europese Unie en Noorwegen over maatregelen voor de uitvoering van een teruggooiverbod en controlemaatregelen in het Skagerrakgebied, 4 juli 2012.

(8)  De in de onderhavige verordening gebruikte vistuigcodes zijn die van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen. Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 meter wordt in deze verordening gebruikgemaakt van de codes van de vistuigindeling van de FAO.


BIJLAGE

Vistuig (1)  (2)

Maaswijdte

Soorten die onder de aanlandingsverplichting vallen

Trawls:

OTB, OTT, OT, PTB, PT, TBN, TBS, OTM, PTM, TMS, TM, TX, SDN, SSC, SPR, TB, SX, SV

≥ 100 mm

Alle vangsten van kabeljauw, tong, schelvis, schol, zwarte koolvis, Noordse garnaal en langoustine en wijting

Trawls:

OTB, OTT, OT, PTB, PT, TBN, TBS, OTM, PTM, TMS, TM, TX, SDN, SSC, SPR, TB, SX, SV

70-99 mm

Alle vangsten van kabeljauw (3), tong, schelvis, zwarte koolvis, Noordse garnaal en langoustine en wijting

Trawls:

OTB, OTT, OT, PTB, PT, TBN, TBS, OTM, PTM, TMS, TM, TX, SDN, SSC, SPR, TB, SX, SV

32-69 mm

Alle vangsten van kabeljauw, tong, schelvis, schol, zwarte koolvis, Noordse garnaal en langoustine en wijting

Boomkorren:

TBB

≥ 120 mm

Alle vangsten van kabeljauw, tong, schelvis, schol, zwarte koolvis, Noordse garnaal en langoustine en wijting

Boomkorren:

TBB

80-119 mm

Alle vangsten van kabeljauw, tong, schelvis, zwarte koolvis, Noordse garnaal en langoustine en wijting

Kieuw-, schakel- en warnetten:

GN, GNS, GND, GNC, GTN, GTR, GEN, GNF

 

Alle vangsten van kabeljauw (3), tong, schelvis, zwarte koolvis, Noordse garnaal en langoustine en wijting

Haken en lijnen:

LLS, LLD, LL, LTL, LX, LHP en LHM

 

Alle vangsten van kabeljauw, tong, schelvis, heek, schol, zwarte koolvis, Noordse garnaal en langoustine en wijting

Vallen:

FPO, FIX, FYK en FPN

 

Alle vangsten van kabeljauw, tong, schelvis, schol, zwarte koolvis, Noordse garnaal en langoustine en wijting.


(1)  De in deze tabel gebruikte vistuigcodes zijn die van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).

(2)  Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 meter wordt in deze tabel gebruikgemaakt van de codes van de vistuigindeling van de FAO.

(3)  De aanlandingsverplichting voor kabeljauw is niet van toepassing in ICES-deelsector IIIaS.


12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/13


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/46 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2017

tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale en diepzeevisserijen in de noordwestelijke wateren voor 2018

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 6, en artikel 18, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

(2)

Om de aanlandingsverplichting uit te voeren heeft de Commissie krachtens artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de bevoegdheid om door middel van gedelegeerde handelingen teruggooiplannen vast te stellen voor een termijn van ten hoogste drie jaar, op basis van gezamenlijke aanbevelingen die de lidstaten opstellen in overleg met de betrokken adviesraden.

(3)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie (2) is voor de periode 2016-2018 een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren vastgesteld op grond van een gezamenlijke aanbeveling van de lidstaten België, Ierland, Spanje, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk uit 2016.

(4)

België, Ierland, Spanje, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserij in de noordwestelijke wateren. Na overleg met de adviesraad voor de noordwestelijke wateren hebben deze lidstaten op 31 mei 2017 bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend inzake een teruggooiplan voor bepaalde demersale en diepzeevisserijen in de noordwestelijke wateren voor 2018. De desbetreffende wetenschappelijke instanties hebben een wetenschappelijke bijdrage geleverd, die is beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) (3). De in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en kunnen derhalve in de onderhavige verordening worden opgenomen.

(5)

Overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 geldt de aanlandingsverplichting voor visserijbepalende soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, in de noordwestelijke wateren uiterlijk vanaf 1 januari 2016. In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling is bepaald welke vloten moeten voldoen aan de aanlandingsverplichting voor de gemengde visserijen op kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis, voor de visserijen op langoustine, voor de gemengde visserij op tong en schol en voor de visserijen op heek, scharretong en witte koolvis.

(6)

Overeenkomstig de nieuwe gezamenlijke aanbeveling moet het teruggooiplan voor 2018, behalve op de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 gespecificeerde visserijen (i.e. de zeer gemengde visserij op kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis, de visserij op langoustines, de gemengde visserij op tong en schol, en de visserij op heek, scharretong en witte koolvis), betrekking hebben op de visserij op zwarte koolvis in de ICES-sectoren VI en Vb, en deelgebied VII. Bijvangsten moeten in bepaalde visserijen ook in aanmerking worden genomen.

(7)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt verder voorgesteld dat de aanlandingsverplichting met ingang van 2018 zou worden toegepast op diepzeevisserijen die voor de vangst van zwarte haarstaartvis, blauwe leng en grenadiervis in ICES-deelgebied VI en ICES-sector Vb gebruikmaken van trawls en zegens.

(8)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt, voor het jaar 2018, een op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voorgesteld voor langoustines die in ICES-sector VI en ICES-deelgebied VII worden gevangen met korven, vallen of kubben, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, de visserijpraktijken en het ecosysteem. Het WTECV is tot de conclusie gekomen dat de vrijstelling gegrond is. Bijgevolg moet die vrijstelling in het teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen.

(9)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt, voor 2018, een op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voorgesteld voor tong die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte en die met ottertrawls van 80-99 mm in ICES-sector VIId binnen zes zeemijl van de kust en buiten de bekende kraamgebieden is gevangen De WTECV heeft opgemerkt dat de in de verordening bedoelde kraamgebieden moeten worden omschreven. Daarom moet die vrijstelling in het teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen onder de voorwaarde dat de betrokken lidstaten aanvullend proefonderzoek verrichten en de informatie over de ligging van de kraamgebieden verstrekken.

(10)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling worden, voor 2018, zeven de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen en tot op bepaalde niveaus voorgesteld. Het door de lidstaten geleverde bewijsmateriaal is beoordeeld door het WTECV, dat concludeerde dat de gezamenlijke aanbeveling gefundeerde argumenten bevatte voor de stelling dat de selectiviteit moeilijk verder te verbeteren valt en/of de kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten onevenredig hoog uitvallen, hetgeen in sommige gevallen met een kwalitatieve beoordeling van de kosten is onderbouwd. In het licht van het voorgaande en bij ontstentenis van afwijkende wetenschappelijke informatie moeten deze de-minimisvrijstellingen in het teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen overeenkomstig het in de gezamenlijke aanbeveling voorgestelde percentage en op niveaus die niet hoger zijn dan die welke zijn toegestaan overeenkomstig artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(11)

De voorgestelde de-minimisvrijstelling voor wijting van maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die voor de vangst van wijting in de ICES-sectoren VIId en VIIe gebruikmaken van bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van minder dan 100 mm en van pelagische trawls, berust op het feit dat het zeer moeilijk is de selectiviteit te verhogen.

(12)

De voorgestelde de-minimisvrijstelling voor wijting van maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die voor de vangst van wijting in de ICES-sectoren VIIb-VIIj gebruikmaken van bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van niet minder dan 100 mm, berust op het feit dat het zeer moeilijk is de selectiviteit te verhogen.

(13)

De voorgestelde de-minimisvrijstelling voor wijting van maximaal 6 % in 2018 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die voor de vangst van wijting in ICES-deelgebied VII (met uitzondering van VIIa, VIId en VIIe) gebruikmaken van bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van minder dan 100 mm, berust op het feit dat het zeer moeilijk is de selectiviteit te verhogen.

(14)

Ten aanzien van deze drie voorgestelde de-minimisvrijstellingen voor wijting is in Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 bepaald dat de betrokken lidstaten aanvullende wetenschappelijke informatie bij de Commissie moeten indienen ter onderbouwing van de vrijstellingen. Het WTECV heeft vastgesteld dat de aanvullende informatie die is ingediend een aantal zorgen van het WTECV wegneemt, maar dat het volledige bewijs nog moet worden geleverd. Daarbij heeft het WTECV gewezen op de noodzaak om tot een coherentere aanpak voor dit bestand te komen. Op basis van het wetenschappelijke bewijs dat door het WTECV is geëvalueerd, en gelet op de verbeterde onderbouwing van de vrijstelling moet deze vrijstelling in het teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen.

(15)

De voorgestelde de-minimisvrijstelling voor langoustine van maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort in ICES-deelgebied VII door vaartuigen die op langoustine vissen, berust op het feit dat het zeer moeilijk is de selectiviteit te verhogen. Het WTECV is tot de conclusie gekomen dat de vrijstelling gegrond is. Bijgevolg moet die vrijstelling in het teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen.

(16)

De de-minimisvrijstelling voor langoustine van maximaal 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die op langoustine vissen in ICES-deelgebied VI, berust op het feit dat het zeer moeilijk is de selectiviteit te verhogen en dat ondersteunende kwantitatieve informatie beschikbaar is over onevenredig hoge kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten. Het WTECV is tot de conclusie gekomen dat de vrijstelling gegrond is. Bijgevolg moet die vrijstelling in het teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen.

(17)

De voorgestelde de-minimisvrijstelling voor tong van maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die gebruikmaken van TBB-tuig met een maaswijdte van 80-199 mm met verhoogde selectiviteit in de ICES-sectoren VIId, VIIe, VIIf, VIIg en VIIh, berust op het feit dat het zeer moeilijk is de selectiviteit te verhogen. Het WTECV heeft er akte van genomen dat de vrijstelling als compensatie voor het gebruik van selectiever tuig is bedoeld en op de resterende teruggooi betrekking heeft. Bijgevolg moet die vrijstelling in het teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen.

(18)

De voorgestelde de-minimisvrijstelling voor tong van maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die voor de vangst van tong in de ICES-sectoren VIId, VIIe, VIIf en VIIg gebruikmaken van schakel- en kieuwnetten, berust op het feit dat het zeer moeilijk is de selectiviteit te verhogen. Het WTECV is tot de conclusie gekomen dat de vrijstelling duidelijk omschreven is. Bijgevolg moet die vrijstelling in het teruggooiplan voor 2018 worden opgenomen.

(19)

De reikwijdte van bepaalde bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 is beperkt tot het jaar 2017. Die verordening moet derhalve worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen met ingang van 1 januari 2018.

(20)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de vaartuigen van de Unie en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet met ingang van 1 januari 2018 van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoering van de aanlandingsverplichting

In de ICES-zones V (exclusief Va en alleen de wateren van de Unie van Vb), VI en VII is de aanlandingsverplichting van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing op demersale visserijen en diepzeevisserijen overeenkomstig deze verordening.

Artikel 2

Definities

Onder „Vlaams paneel” wordt verstaan het achterste trechtervormige netgedeelte van een boomkor, waarvan de voorkant rechtstreeks is bevestigd aan de kuil. Het bovenste en onderste netgedeelte van het paneel hebben een maaswijdte van ten minste 120 mm gemeten tussen de knopen en het paneel heeft in uitgestrekte toestand een lengte van ten minste 3 m.

Artikel 3

Soorten die onder de aanlandingsverplichting vallen

De aanlandingsverplichting geldt in elke in de bijlage genoemde visserij, behoudens de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde vrijstellingen.

Artikel 4

Vrijstelling op basis van overlevingskansen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt:

a)

voor langoustine (Nephrops norvegicus) die in de ICES-deelgebieden VI en VII is gevangen met korven, vallen of kubben (vistuigcodes (4) FPO en FIX);

b)

voor tong (Solea solea) die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte en die met ottertrawls (vistuigcodes OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT, TX) met een maaswijdte in de kuil van 80-99 mm in ICES-sector VIId binnen zes zeemijl van de kust en buiten de bekende kraamgebieden is gevangen bij visserijactiviteiten die aan de volgende voorwaarden voldoen: vaartuigen met een maximale lengte van 10 meter, een maximaal motorvermogen van 221 kW, in wateren met een diepte van 30 meter of minder en met een beperkte sleepduur van ten hoogste 1,5 uur. Dergelijke vangsten van tong worden onmiddellijk vrijgelaten.

2.   Lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de noordwestelijke wateren dienen vóór 1 mei 2018 aanvullende wetenschappelijke informatie bij de Commissie in ter onderbouwing van de in lid 1, onder b), bedoelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt deze informatie vóór 1 september 2018.

Artikel 5

De-minimisvrijstellingen

In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden worden teruggegooid:

a)

voor wijting (Merlangius merlangus) maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die wijting moeten aanlanden en voor de vangst van wijting in de ICES-sectoren VIId en VIIe gebruikmaken van bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van minder dan 100 mm (OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, TB, SX, SV, OT, PT en TX) en van pelagische trawls (OTM, PTM);

b)

voor wijting (Merlangius merlangus) maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die wijting moeten aanlanden en voor de vangst van wijting in de ICES-sectoren VIIb-VIIj gebruikmaken van bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van niet minder dan 100 mm (OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, TB, SX, SV, OT, PT en TX) en van pelagische trawls (OTM, PTM);

c)

voor wijting (Merlangius merlangus) maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die wijting moeten aanlanden en voor de vangst van wijting in ICES-deelgebied VII, exclusief de sectoren VIIa, VIId en VIIe, gebruikmaken van bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van minder dan 100 mm (OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, TB, SX, SV, OT, PT en TX) en van pelagische trawls (OTM, PTM);

d)

voor langoustine (Nephrops norvegicus) maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die langoustine moeten aanlanden in ICES-deelgebied VII;

e)

voor langoustine (Nephrops norvegicus) maximaal 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die langoustine moeten aanlanden in ICES-deelgebied VI;

f)

voor tong (Solea solea) maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die tong moeten aanlanden en voor de vangst van tong in de ICES-sectoren VIId, VIIe, VIIf en VIIg gebruikmaken van schakel- en kieuwnetten;

g)

voor tong (Solea solea) maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die tong moeten aanlanden en voor de vangst van tong in de ICES-sectoren VIId, VIIe, VIIf, VIIg en VIIh gebruikmaken van TBB-tuig met een maaswijdte van 80-199 mm met een verhoogde selectiviteit, zoals een verlengstuk met grote mazen.

Artikel 6

Vaartuigen die onder de aanlandingsverplichting vallen

1.   Overeenkomstig de criteria van de bijlage bepalen de lidstaten voor elke specifieke visserij welke vaartuigen onder de aanlandingsverplichting vallen.

Vaartuigen die in 2017 voor bepaalde visserijen onder de aanlandingsverplichting vielen, blijven voor die visserijen aan de aanlandingsverplichting onderworpen.

2.   Vóór 31 december 2017 dienen de betrokken lidstaten bij de Commissie en de andere lidstaten via de beveiligde controlewebsite van de Unie de lijst in van vaartuigen die krachtens lid 1 voor elke in de bijlage vermelde specifieke visserij zijn vastgesteld. De betrokken lidstaten werken deze lijsten bij.

Artikel 7

Intrekking

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 wordt ingetrokken.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.

Artikel 6 is evenwel van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 352 van 12.10.2016, blz. 39.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2438 van de Commissie van 12 oktober 2015 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren voor de periode 2016-2018 (PB L 336 van 23.12.2015, blz. 29) is ingetrokken bij en vervangen door Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie van 12 oktober 2016 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren voor de periode 2016-2018 (PB L 352 van 23.12.2016, blz. 39).

(3)  2017-07_STECF PLEN 17-02_JRCxxx.pdf

(4)  De in deze verordening gebruikte vistuigcodes zijn die van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties.


BIJLAGE

Visserijen die onder de aanlandingsverplichting vallen

a)

Visserijen in de internationale en de Uniewateren van ICES-deelgebied VI en ICES-sector Vb

Visserij

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Kabeljauw (Gadus morhua), schelvis (Melanogrammus aeglefinus), wijting (Merlangius merlangus) en zwarte koolvis (Pollachius virens)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls en zegens

Alle

Alle vangsten van schelvis en bijvangsten van tong, schol en scharretongen wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*1) uit meer dan 5 % van de volgende kabeljauwachtigen bestonden: een combinatie van kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis.

Langoustine (Nephrops norvegicus)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, FPO, TBN, TB, TBS, OTM, PTM, SX, SV, FIX, OT, PT, TX

Trawls, zegens, korven, vallen en kubben

Alle

Alle vangsten van langoustine en bijvangsten van schelvis, tong, schol en scharretong wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*1) uit meer dan 5 % langoustine bestonden.

Zwarte koolvis (Pollachius virens)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls

≥ 100 mm

Alle vangsten van zwarte koolvis wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*1) uit meer dan 50 % zwarte koolvis bestonden.

Zwarte haarstaartvis (Aphanopus carbo)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls en zegens

≥ 100 mm

Alle vangsten van zwarte haarstaartvis wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*1) uit meer dan 20 % zwarte haarstaartvis bestonden.

Blauwe leng (Molva dypterygia)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls en zegens

≥ 100 mm

Alle vangsten van blauwe leng wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*1) uit meer dan 20 % blauwe leng bestonden.

Grenadiervissen (Coryphaeides rupestris, Macrourus berglax)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls en zegens

≥ 100 mm

Alle vangsten van grenadiervissen wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*1) uit meer dan 20 % grenadiervissen bestonden.

b)

Visserijen in de ICES-deelgebieden VI en VII en de internationale wateren en de wateren van de Unie van ICES-sector Vb

Visserij

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Heek

(Merluccius merluccius)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls en zegens

Alle

Alle vangsten van heek wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*2) uit meer dan 10 % heek bestonden.

Heek

(Merluccius merluccius)

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle kieuwnetten

Alle

Alle vangsten van heek

Heek

(Merluccius merluccius)

LL, LLS, LLD, LX, LTL, LHP, LHM

Alle beuglijnen

Alle

Alle vangsten van heek

c)

Visserijen in ICES-deelgebied VII

Visserij

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Langoustine (Nephrops norvegicus)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, FPO, TBN, TB, TBS, OTM, PTM, SX, SV, FIX, OT, PT, TX

Trawls, zegens, korven, vallen en kubben

Alle

Alle vangsten van langoustine wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*3) uit meer dan 10 % langoustine bestonden.

Zwarte koolvis (Pollachius virens)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls

≥ 100 mm

Alle vangsten van zwarte koolvis wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*3) uit meer dan 50 % zwarte koolvis bestonden.

d)

Visserijen in ICES-sector VIIa

Visserij

Vistuigcode

Vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Kabeljauw (Gadus morhua), schelvis (Melanogrammus aeglefinus), wijting (Merlangius merlangus) en zwarte koolvis (Pollachius virens)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls en zegens

Alle

Alle vangsten van schelvis wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*4) uit meer dan 10 % van de volgende kabeljauwachtigen bestonden: een combinatie van kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis.

e)

Visserijen in ICES-sector VIId

Visserij

Vistuigcode

Vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Tong (Solea solea)

TBB

Alle boomkorren

Alle

Alle vangsten van tong

Tong (Solea solea)

OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT, TX

Trawls

< 100 mm

Alle vangsten van tong

Tong (Solea solea)

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakel- en kieuwnetten

Alle

Alle vangsten van tong

Kabeljauw (Gadus morhua), schelvis (Melanogrammus aeglefinus), wijting (Merlangius merlangus) en zwarte koolvis (Pollachius virens)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls en zegens

Alle

Alle vangsten van wijting wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*5) uit meer dan 10 % van de volgende kabeljauwachtigen bestonden: een combinatie van kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis.

f)

Visserijen in ICES-sector VIIe

Visserij

Vistuigcode

Vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Tong (Solea solea)

TBB

Alle boomkorren

Alle

Alle vangsten van tong

Tong (Solea solea)

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakel- en kieuwnetten

Alle

Alle vangsten van tong

g)

Visserijen in de ICES-sectoren VIId en VIIe

Visserij

Vistuigcode

Vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Witte koolvis (Pollachius pollachius)

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakel- en kieuwnetten

Alle

Alle vangsten van witte koolvis

h)

Visserijen in de ICES-sectoren VIIb, VIIc en VIIf-VIIk

Visserij

Vistuigcode

Vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Tong (Solea solea)

TBB

Alle boomkorren

Alle

Alle vangsten van tong

Tong (Solea solea)

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakel- en kieuwnetten

Alle

Alle vangsten van tong

i)

Visserijen in de ICES-sectoren VIIb, VIIc, VIIe en VIIf-VIIk

Visserij

Vistuigcode

Vistuig

Maaswijdte

Aan te landen soort

Kabeljauw (Gadus morhua), schelvis (Melanogrammus aeglefinus), wijting (Merlangius merlangus) en zwarte koolvis (Pollachius virens)

OTB, SSC, OTT, PTB, SDN, SPR, TBN, TBS, OTM, PTM, TB, SX, SV, OT, PT, TX

Trawls en zegens

Alle

Alle vangsten van wijting wanneer de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 (*6) uit meer dan 10 % van de volgende kabeljauwachtigen bestonden: een combinatie van kabeljauw, schelvis, wijting en zwarte koolvis.


(*1)  Vaartuigen die overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen, blijven, ondanks de wijziging van de referentieperiode, op de in artikel 4 van de onderhavige verordening bedoelde lijst staan en dus onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen.

(*2)  Vaartuigen die overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen, blijven, ondanks de wijziging van de referentieperiode, op de in artikel 4 van de onderhavige verordening bedoelde lijst staan en dus onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen.

(*3)  Vaartuigen die overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen, blijven, ondanks de wijziging van de referentieperiode, op de in artikel 4 van de onderhavige verordening bedoelde lijst staan en dus onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen.

(*4)  Vaartuigen die overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen, blijven, ondanks de wijziging van de referentieperiode, op de in artikel 4 van de onderhavige verordening bedoelde lijst staan en dus onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen.

(*5)  Vaartuigen die overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen, blijven, ondanks de wijziging van de referentieperiode, op de in artikel 4 van de onderhavige verordening bedoelde lijst staan en dus onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen.

(*6)  Vaartuigen die overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen, blijven, ondanks de wijziging van de referentieperiode, op de in artikel 4 van de onderhavige verordening bedoelde lijst staan en dus onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen.


12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/21


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/47 VAN DE COMMISSIE

van 30 oktober 2017

tot goedkeuring van het gebruik van alternatieve T90-trawlnetten voor de visserij in de Oostzee, in afwijking van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (1), en met name artikel 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) heeft tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen door middel van de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen zijn vastgesteld. Maatregelen om teruggooi geleidelijk uit te bannen, kunnen worden opgenomen in meerjarenplannen.

(2)

Bij Verordening (EU) 2016/1139 is een meerjarenplan vastgesteld voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren. Het meerjarenplan voorziet onder meer in technische maatregelen die door de Commissie moeten worden aangenomen zodat kan worden bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het plan. De Commissie kan met name gedelegeerde handelingen vaststellen betreffende de aanpassingen aan vistuig om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren, om ongewenste vangsten te verminderen of om de negatieve gevolgen voor het ecosysteem te minimaliseren.

(3)

In Verordening (EG) nr. 2187/2005 (3) van de Raad zijn technische instandhoudingsmaatregelen vastgesteld in verband met de vangst en de aanvoer van visserijhulpbronnen in de Oostzee. In die verordening zijn de maaswijdte en andere specificaties gedefinieerd, onder andere het voor elke doelsoort in de Oostzee toegelaten vistuig.

(4)

Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland en Zweden hebben een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserij in de Oostzee. Die lidstaten hebben, na overleg met de adviesraad voor de Oostzee, bij de Commissie een gemeenschappelijke aanbeveling (4) ingediend. In de aanbeveling wordt erop gewezen dat bepaalde aanpassingen van de specificaties van kenmerken van de kuil van de huidige T90-trawlnetten, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 2187/2005, de selectiviteit zullen verhogen en het aantal ongewenste vangsten van kabeljauw zullen beperken. Voor die stelling is wetenschappelijk bewijs geleverd door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).

(5)

De in de gemeenschappelijke aanbeveling voorgestelde maatregelen voor het gebruik van alternatieve T90-trawlnetten als aanvulling op de T90-trawlnetten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 2187/2005, dragen bij tot het behalen van de doelstellingen van het bij Verordening (EU) 2016/1139 vastgestelde meerjarenplan. Daarom moeten die maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt voor bepaalde visserijen in de Oostzee het gebruik toegestaan van T90-trawlnetten met specificaties die afwijken van de specificaties die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2187/2005.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in de visserijen in de Oostzee als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EU) 2016/1139.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „T90-trawls”: trawls, Deense zegens en soortgelijk vistuig met een kuil en tunnel uit standaard ruitvormig geknoopt netwerk dat 90° is gedraaid, zodat het netgaren in hoofdzaak parallel aan de sleeprichting loopt;

b)   „betrokken lidstaten”: Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland en Zweden.

Artikel 4

Alternatieve specificaties voor de kuil van T90-trawlnetten

1.   In afwijking van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 2187/2005 mogen T90-trawlnetten worden gebruikt met een kuil die aan de volgende specificaties beantwoordt:

a)

de maaswijdte van de kuil bedraagt ten minste 115 mm, in afwijking van voetnoot 2 bij bijlage II en punt b) van aanhangsel 2 bij die bijlage;

b)

het aantal mazen in de omtrek van de kuil in strikte zin en de tunnel, met uitzondering van bevestigingsnaden en naadlijnen, bedraagt 80, in afwijking van punt e) van aanhangsel 2 van die bijlage;

c)

de lengte van de kuil bedraagt ten minste 9 meter.

2.   De kuil voldoet aan alle andere specificaties van aanhangsel 2 van die bijlage.

Artikel 5

Registratie van vangsten

De betrokken lidstaten zien erop toe dat alle vangsten met het in artikel 4 beschreven vistuig afzonderlijk worden geregistreerd van vangsten met ander vistuig.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 oktober 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1).

(4)  Gemeenschappelijke aanbeveling van de groep op hoog niveau BALTFISH. Technische maatregelen voor ICES-deelgebieden 22-32 (Oostzee) — alternatieve kuil voor T90.


12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/23


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/48 VAN DE COMMISSIE

van 11 januari 2018

tot inschrijving van een naam in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten (Suikerstroop (GTS))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 3, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Nederland tot registratie van de naam „Suikerstroop” als gegarandeerde traditionele specialiteit (GTS) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

„Suikerstroop” is de stroperige vloeistof, verkregen uit de kooksels van de plant waaruit de waar is bereid nadat daaruit suiker in kristallen is verwijderd. De naam betekent suikerhoudende stroop.

(3)

Op 16 september 2014 heeft de Commissie drie aankondigingen van bezwaar ontvangen: één van Finland, één van Denemarken en één van Nordic Sugar AB (een in Denemarken gevestigd bedrijf).

(4)

De aankondigingen van bezwaar van Denemarken en Finland zijn doorgezonden aan Nederland.

(5)

Voor de aankondiging die Nordic Sugar AB rechtstreeks aan de Commissie heeft toegezonden, is geen bezwaarprocedure ingeleid. Krachtens artikel 51, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 kan iedere natuurlijke of rechtspersoon die een rechtmatig belang heeft en is gevestigd of woonachtig is in een andere lidstaat dan de lidstaat vanwaar de aanvraag is ingediend, een aankondiging van bezwaar indienen bij de lidstaat waarin hij is gevestigd. Nordic Sugar AB had bijgevolg niet het recht om een aankondiging van bezwaar of een bezwaarschrift rechtstreeks bij de Commissie in te dienen.

(6)

Op 13 november 2014 heeft de Commissie het met redenen omklede bezwaarschrift van Finland ontvangen. Het met redenen omklede bezwaarschrift van Denemarken was reeds in de aankondiging van bezwaar vervat. Zowel het met redenen omklede bezwaarschrift van Denemarken als dat van Finland werden ontvankelijk geacht in de zin van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

(7)

Overeenkomstig artikel 51, lid 3, van de genoemde verordening heeft de Commissie bij brieven van 19 december 2014 enerzijds Nederland en Finland en anderzijds Nederland en Denemarken verzocht om gedurende een periode van ten hoogste drie maanden na de datum van ontvangst van de brieven op gepaste wijze overleg te plegen met het oog op het bereiken van een overeenkomst.

(8)

Op verzoek van Nederland heeft de Commissie overeenkomstig artikel 51, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 bij brief van 8 april 2015 met betrekking tot de genoemde aanvraag een termijnverlenging toegestaan voor het overleg tussen de bij de twee bezwaarprocedures betrokken partijen. De uiterste datum voor het beëindigen van de minnelijke procedure werd dan ook vastgesteld op 19 juni 2015.

(9)

Er werd geen overeenstemming bereikt binnen de vastgestelde termijn. Bij brief van 22 februari 2017 heeft Nederland aan de Commissie de resultaten van het overleg met Finland en Denemarken verzonden. Daarom moet de Commissie een besluit over de registratie nemen in overeenstemming met de in artikel 52, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 bedoelde procedure en daarbij rekening houden met de resultaten van dat overleg.

(10)

Finland en Denemarken voeren in hun met redenen omklede bezwaarschriften aan dat: 1) de naam niet specifiek is (hij betekent gewoon suikerhoudende stroop); 2) er een identieke naam gangbaar is voor verschillende gelijksoortige producten op de Deense, de Zweedse, de Finse, de Duitse en de Baltische markt; 3) de kenmerken van het product en de productiemethode niet uniek voor het product zijn, aangezien in Denemarken, Finland en Zweden gelijksoortige producten met dezelfde specifieke kenmerken en productiemethoden worden verhandeld. Finland is met name van mening dat het in de aanvraag omschreven product niet als een „speciale” soort stroop kan worden beschouwd, aangezien ook andere producten dan „Suikerstroop” voor 100 % van de biet- of rietsuikerplant afkomstig zijn.

(11)

Daarnaast voert Denemarken aan dat punt 3.1 van het productdossier, waarin staat dat „de vermelding „traditioneel Nederlands product” op het etiket wordt aangebracht in de taal van het land waar het product in de handel wordt gebracht”, moet worden geherformuleerd om in overeenstemming te zijn met artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1151/2012. Finland van zijn kant tekent bezwaar aan tegen het gebruik van de omschrijving „traditioneel Nederlands product”, die niet specifiek zou zijn voor het in de aanvraag omschreven product, aangezien gelijksoortige in Noord-Europa in de handel gebrachte producten eveneens kunnen worden aangemerkt als traditioneel.

(12)

Finland heeft vervolgens, tijdens het overleg met Nederland, verzocht om de laatste zin van punt 3.2 („Er zijn geen andere producten met dezelfde benaming of gelijksoortige producten met een gelijkluidende benaming”) te schrappen omdat die niet correct zou zijn.

(13)

De Commissie heeft de argumenten van de met redenen omklede bezwaarschriften en de informatie over het overleg tussen de betrokken partijen beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de naam „Suikerstroop” als GTS mag worden ingeschreven.

(14)

De bezwaarschriften zijn gebaseerd op zowel punt a) als punt b) van artikel 21, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

(15)

De beweerde onverenigbaarheid met de bepalingen van de verordening berust op drie argumenten: 1) de naam is niet specifiek; 2) de kenmerken van het product en de productiemethode zijn niet uniek; 3) punt 3.1 van het productdossier is niet in overeenstemming met artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 voor zover gewag wordt gemaakt van een „traditioneel Nederlands product”.

(16)

De bewering dat de naam op rechtmatige, erkende en economisch significante wijze wordt gebruikt voor soortgelijke landbouwproducten of levensmiddelen, berust op één argument, namelijk het feit dat er een identieke naam gangbaar is voor verschillende gelijksoortige producten op de Deense, de Zweedse, de Finse, de Duitse en de Baltische markt.

(17)

Verordening (EU) nr. 1151/2012 schrijft niet voor dat een GTS-naam specifiek moet zijn. Op grond van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad (3) was dat wel vereist. De aanvraag werd weliswaar bij de Commissie ingediend toen Verordening (EG) nr. 509/2006 van kracht was, maar is vervolgens gepubliceerd in het kader van Verordening (EU) nr. 1151/2012, die bijgevolg, bij gebrek aan specifieke overgangsbepalingen, van toepassing is. Overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 komt een naam in aanmerking voor een registratie als GTS indien hij traditioneel is gebruikt om het specifieke product aan te duiden of indien hij het traditionele karakter of de specificiteit van het product aanduidt. In voorliggend geval is de naam „Suikerstroop” van oudsher gebruikt om naar dit specifieke product te verwijzen. De naam duidt de specificiteit van het product aan, namelijk een stroop die is vervaardigd van de vloeistof die overblijft bij de bereiding van suiker uit de biet- of rietsuikerplant. Bijgevolg is de naam in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1151/2012.

(18)

Verordening (EU) nr. 1151/2012 schrijft niet voor dat een GTS-product uniek of onderscheidend moet zijn. Wel moet het identificeerbaar en onderscheidbaar zijn. Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 kan een naam alleen worden uitgesloten als hij verwijst naar claims die algemeen van aard zijn en ten aanzien van een reeks producten worden gebruikt, of naar claims waarin wordt voorzien bij specifieke wetgeving van de Unie. „Suikerstroop” is duidelijk geïdentificeerd wat betreft de kenmerken en de productiemethode ervan. Bovendien voldoet het onder het productdossier voor de naam „Suikerstroop” vallende product aan de voorschriften van artikel 18, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 1151/2012, aangezien de productiewijze in overeenstemming is met het traditionele gebruik voor dit product, dat wordt vervaardigd uit de traditioneel gebruikte ingrediënten.

(19)

De volgende zin in punt 3.1 van het productdossier is niet in overeenstemming met artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1151/2012: „Nadat de procedure, uit hoofde van artikel 18, lid 3 Verordening (EU) nr. 1151/2012 is doorlopen, is de wens dat de vermelding „traditioneel Nederlands product” op het etiket wordt aangebracht in de taal van het land waar het product in de handel wordt gebracht”. De zin moet worden vervangen door: De naam moet vergezeld gaan van de claim „vervaardigd volgens de traditie van Nederland”. De Nederlandse autoriteiten hebben ermee ingestemd dat deze wijziging wordt opgenomen in het productdossier, dat ter informatie opnieuw moet worden gepubliceerd.

(20)

Ook al worden in andere lidstaten op „Suikerstroop” lijkende producten in de handel gebracht onder een naam die kan worden beschouwd als de vertaling van de term „Suikerstroop” in de officiële talen van die lidstaten, kan niet worden geconcludeerd dat op de markt van die lidstaten een „identieke naam” voor soortgelijke producten wordt gebruikt. De in die lidstaten gebruikte namen hebben inderdaad dezelfde betekenis als „Suikerstroop” in het Nederlands, maar zijn niet identiek aan „Suikerstroop” omdat zij in een andere taal worden uitgedrukt. Bovendien is de naam „Suikerstroop” niet als zodanig erkend, maar alleen in samenhang met de claim „vervaardigd volgens de traditie van Nederland”.

(21)

Derhalve kan voor producten die lijken op het in de aanvraag van „Suikerstroop” bedoelde product en die op de Deense, de Zweedse, de Finse, de Duitse en de Baltische markt worden verhandeld, verder gebruik worden gemaakt van de namen die „suikerstroop” betekenen en in hun talen de respectieve vertalingen zijn van de naam „Suikerstroop”. Zij zijn niet identiek aan „Suikerstroop” en zij mogen niet worden beschouwd als nabootsing of voorstelling van de naam „Suikerstroop” omdat die naam na de registratie ervan moet vergezeld gaan van de claim „vervaardigd volgens de traditie van Nederland”. Derhalve is deze naam slechts beschermd voor zover wordt verwezen naar de Nederlandse traditie.

(22)

Bovendien is duidelijk dat de registratie van de naam „Suikerstroop” geen belemmering mag vormen voor het gebruik van de aparte termen „suiker” of „stroop”, die gangbare namen betreffen.

(23)

Nederland en Finland zijn ook overeengekomen dat de laatste zin van punt 3.2 („Er zijn geen andere producten met dezelfde benaming of gelijksoortige producten met een gelijkluidende benaming”) wordt geschrapt. Derhalve moet die zin worden geschrapt uit het productdossier, dat ter informatie opnieuw moet worden gepubliceerd.

(24)

Gezien het bovenstaande moet de naam „Suikerstroop” worden ingeschreven in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten. De geconsolideerde versie van het enig document moet ter informatie worden bekendgemaakt.

(25)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité kwaliteitsbeleid inzake landbouwproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam „Suikerstroop” (GTS) wordt ingeschreven in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten.

Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 2.3 (Brood, gebak, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (4).

Artikel 2

De in artikel 1 vermelde naam gaat vergezeld van de claim „vervaardigd volgens de traditie van Nederland”. Het geconsolideerde productdossier is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 januari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB C 187 van 19.6.2014, blz. 9.

(3)  Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 93 van 31.3.2006, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


BIJLAGE

AANVRAAG TOT REGISTRATIE VAN EEN GTS

Verordening (EG) nr. 509/2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (*1)

„SUIKERSTROOP”

EG-nummer: NL-TSG-0007-01203 — 27.1.2014

1.   NAAM EN ADRES VAN DE AANVRAGENDE GROEPERING

Naam:

Kenniscentrum suiker & voeding

Adres:

Amsterdamsestraatweg 39a, 3744 MA Baarn

Tel.

+31 355433455

Fax

+31 355426626

E-mail:

info@kenniscentrumsuiker.nl

2.   LIDSTAAT OF DERDE LAND

Nederland

3.   PRODUCTDOSSIER

3.1.   Benaming(en) waarvoor de registratie wordt aangevraagd (artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1216/2007 van de Commissie  (1) )

„Suikerstroop”

De naam moet vergezeld gaan van de claim „vervaardigd volgens de traditie van Nederland”.

3.2.   De benaming

is zelf specifiek

brengt de specificiteit van het landbouwproduct of het levensmiddel tot uitdrukking.

De naam wordt van oudsher gebruikt om het product aan te duiden. Suikerstroop wordt verkregen bij de bereiding van suiker. Zoals het Suiker- en stroopbesluit (Warenwet) 1977 vermeldt in artikel 12: „Aangeduid moet en mag uitsluitend worden met de naam suikerstroop, al dan niet voorafgegaan door de naam van de plant waaruit de waar is bereid: de stroperige vloeistof, verkregen uit de kooksels van de plant waaruit de waar is bereid, nadat daaruit suiker in kristallen is verwijderd, …”.

3.3.   Aanvraag tot registratie met of zonder reservering overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 509/2006

Registratie met reservering van de benaming

Registratie zonder reservering van de benaming

3.4.   Productcategorie

Categorie 2.3: Suikerwerk, brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren

3.5.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel waarvoor de in punt 3.1 vermelde benaming geldt (artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1216/2007)

Suikerstroop is de stroperige vloeistof, verkregen uit de kooksels van de biet- of rietsuikerplant waaruit het product is bereid, nadat daaruit suiker in kristallen is verwijderd, van welke vloeistof het extractgehalte ten minste 80 %, het asgehalte ten hoogste 4,0 % en de schijnbare zuiverheidsfactor ten minste 73 % bedragen. Door het hoge drogestofgehalte in combinatie met de hoge concentratie suiker (meer dan 60 g per 100 g) is het product lang houdbaar. De suiker zorgt voor een lage beschikbaarheid van „vrij water” zodat zich geen micro-organismen kunnen ontwikkelen.

Het product heeft de volgende specifieke kenmerken:

 

Kleur

Brix (2)

Totaal suiker

„Suikerstroop”

2 000 -30 000 IU (3)

min. 79°

min. 70 %

Fysische kenmerken

Suikerstroop is een plakkerige, dikke, traag vloeibare, donkerbruine, stroperige vloeistof. Het bevat een grote hoeveelheid suiker, ten minste 70 %.

Chemische kenmerken

Suikerstroop heeft een schijnbare zuiverheidsfactor van minimaal 73 %. Het extractgehalte dient minimaal 80 % te zijn. Verder mag suikerstroop een asgehalte van maximaal 4 % bevatten.

Organoleptische kenmerken

Suikerstroop heeft een zoet-zoute, licht bittere smaak. De zoete smaak ontstaat door het hoge suikergehalte en de zoute smaak door mineralen en andere (oplosbare) componenten uit de betreffende biet- of rietsuikerplant, die door het productieproces in de stroop terecht zijn gekomen.

3.6.   Beschrijving van de methode waarmee het product met de in punt 3.1 vermelde benaming wordt geproduceerd

De ruwe grondstof voor suikerstroop is de stroperige vloeistof die overblijft bij de bereiding van suiker uit de biet- of rietsuikerplant nadat de suiker in kristallen daaruit is verwijderd.

Tijdens de productie van kristalsuiker worden gedurende de extractie de suikers uit de biet- of rietsuikerplant opgelost in water. Andere — in water oplosbare — componenten („niet-suikers”) uit deze biet- of rietsuikerplant worden ook opgelost in dit water.

Dit extract wordt gezuiverd, ingedikt en gekristalliseerd. Na kristallisatie van de aldus verkregen suikeroplossing worden de suikerkristallen verwijderd. De „niet-suikers” blijven achter in de resterende suikeroplossing, ook wel moederloog (= stroop, afloopstroop) genoemd. Deze moederloog bevat nog veel opgeloste suiker (ongeveer 85 %). Om deze nog opgeloste suiker te laten kristalliseren wordt de moederloog opnieuw ingedikt tot zich wederom suikerkristallen vormen. De kristallen worden weer verwijderd. De overgebleven stroop wordt B-stroop genoemd en bevat circa 75 % suiker (op droge-stofbasis) en relatief meer niet-suikers. Voor de productie van suikerstroop wordt de B-stroop als grondstof gebruikt.

De B-stroop wordt in een mengtank gedoseerd om onzuiverheden te verwijderen. Door de grondstof te behandelen met actieve kool worden onzuiverheden geabsorbeerd en samen met de kool door filtratie verwijderd. Een gezuiverde B-stroop wordt verkregen, wat het hoofdbestanddeel is van suikerstroop. Aan deze gezuiverde B-stroop wordt suikeroplossing (oplossing van suiker in water) en/of invertsuiker(stroop) toegevoegd om te voldoen aan de kenmerken genoemd onder 3.5. Invertsuiker(stroop) is een stroop verkregen door suiker (sacharose) te splitsen in glucose en fructose. De gezuiverde B-stroop, suikeroplossing en/of invertsuiker(stroop) worden gemengd tot een homogene massa.

Om suikerstroop te verkrijgen, conform samenstelling beschreven onder 3.5, wordt deze homogene stroperige massa ingedampt onder vacuüm, totdat de gewenste Brix bereikt is (minimaal 79° Brix).

De stroop wordt opgeslagen in opslagtanks van waaruit het in verschillende verpakkingen wordt afgevuld.

3.7.   Specificiteit van het betrokken landbouwproduct of levensmiddel

Het specifieke karakter van suikerstroop is te danken aan het feit dat de stroop zich als kwaliteit duidelijk onderscheidt van andere soorten stroop zoals appelstroop of perenstroop maar ook van melasse, door de volgende eigenschappen:

Grondstof

Suikerstroop kenmerkt zich doordat de stroop voor 100 % afkomstig is van de biet- of rietsuikerplant.

Suikersamenstelling

Doordat de stroop voor 100 % afkomstig is van de biet- of rietsuikerplant bevat de stroop vrijwel uitsluitend sacharose en invertsuiker als koolhydraten. Het suikergehalte is minimaal 70 % (zie ook kenmerken genoemd onder 3.5). Hiermee onderscheidt de stroop zich ook van melasse, die een lager suikergehalte heeft dan 68 %.

Smaak

Door de „niet-suikers” uit de ruwe grondstof ontstaat een zoute smaak met een licht bitter accent. In combinatie met het hoge suikergehalte ontstaat een unieke zoet-zoute smaak en aroma in vergelijking tot andere soorten stropen.

3.8.   Traditionele karakter van het betrokken landbouwproduct of levensmiddel

De aanvraag tot registratie is gebaseerd op het feit dat het product wordt gekenmerkt door een traditionele productiemethode en een traditionele samenstelling.

Traditionele productiemethode

Heel vroeger (vanaf begin 17e eeuw) werd suikerstroop handmatig geproduceerd, sinds 1908 wordt het product fabrieksmatig geproduceerd. De fabrieksmatige methode is sindsdien ongewijzigd, wel is het productieproces verbeterd, gestroomlijnd en meer gemechaniseerd. De fabrieken (oprichting begin 20e eeuw, rond 1910) zijn nog steeds operationeel, het interieur is door voortschrijden van de techniek aan de tegenwoordige tijd aangepast.

17e, 18e en 19e eeuw

Suikerstroop is van oudsher een bijproduct van de suikerraffinage. In „De suikerraffinadeur” van J.H. Reisig uit 1783 staat beschreven hoe siroop werd opgevangen in uitlekbakken tijdens de fabricage van suikerbroden. Tijdens het kristallisatieproces werd gezuiverd suikerkooksel (dikvloeibaar) in suikerbroodvormen gedaan. De suikerbroodvormen stonden een paar dagen op uitlekpotten. De siroop die werd opgevangen noemde men ongedekte siroop. Vervolgens werden de broden met natte pijpaarde afgedekt (dit bevordert het kristallisatieproces en voorkomt oplossen) en weer op de afdekpotten gezet. Langzaam werd er water over de broden gegoten, dat langzaam door het brood heen droop. De siroop die hiermee wordt afgescheiden noemde men gedekte siroop. Hierna werd de deklaag (opgedroogde aarde) verwijderd en bleven de suikerbroden enige dagen staan. Daarna werden ze afgedekt met een deklaag dunnere pijpaarde en weer op de sirooppotten geplaatst en overgoten met water. De siroop die zo werd opgevangen noemde men naloopsiroop (de zuiverste siroop).

20e eeuw tot heden

Door de voortschrijding van de techniek (industrialisatie), kan meer kristalsuiker gewonnen worden tijdens het productieproces dan vroeger. Hierdoor bevat de melado/melasse (= stroop) meer „niet-suikers” en minder suiker (totaal suikergehalte lager dan 68 %, schijnbare zuiverheidsfactor lager dan 73 %). Ook is de smaak erg anders, door de ophoping van onzuiverheden (vanwege efficiëntie van het industriële productieproces), veel zouter dan de vroegere naloopsiroop (laatste stroop uit het handmatige productieproces). Echter doordat de vraag naar suikerstroop bleef bestaan is men het speciaal gaan vervaardigen. Rond 1900 is het productieproces ontstaan (beschrijving zie 3.6.), vanaf 1908 is men het gaan vervaardigen op de huidige manier.

Overzicht productiemethode 1908 en huidig:

Productiemethode (zoals beschreven onder 3.6.)

1908

huidig

Grondstof B-stroop afkomstig bij fabricage van suiker uit riet- of bietsuikerplant

X

X

Zuiveren B-stroop m.b.v. actieve kool

X

X

Suikeroplossing en/of invertsuikerstroop toevoegen conform recept

X

X

Mengen tot homogene massa

X

X

Indamping door verhitting tot gewenste droge stof

X

X

Traditionele samenstelling

Suikerstroop heeft een traditionele samenstelling van sacharose en invertsuiker als koolhydraten, afkomstig van de biet- of rietsuikerplant.

De samenstelling van de huidige suikerstroop waarvan de eisen zijn beschreven onder 3.9. is dezelfde als die in het Warenwetbesluit Suiker en Stroop (1977).

In het Warenwetbesluit Suiker en stroop uit 1977 werd de samenstelling beschreven als de stroperige vloeistof, verkregen uit de kooksels van de plant waaruit de waar is bereid nadat daaruit suiker in kristallen is verwijderd. Bovendien moest het extractgehalte minimaal 80 % bedragen en de schijnbare zuiverheidsfactor 73 %. Het asgehalte mocht maximaal 4,0 % bedragen. Deze voornaamste kenmerken van de samenstelling, zijn niet veranderd en zijn identiek aan de eisen van de samenstelling van de huidige suikerstroop zoals beschreven in 3.5.

Traditioneel gebruik

Suikerstroop is een veelgebruikt ingrediënt in traditionele gerechten. Uit de serie Streekgerechten en wetenswaardigheden, Jo van Lamoen, 1987-1988, blijkt dat in veel streekgerechten suikerstroop wordt gebruikt zoals in Groningse kruidkoek, bruine bonen met appeltjes, Limburgse zoervleisj, Drentse proemenkreuze en Zeeuwse boterbabbelaars. Ook staan er tal van recepten met suikerstroop in het kookboek van de Amsterdamse huishoudschool, 6e druk, C.J. Wanneé uit 1910. Voorbeelden hiervan zijn boluskoek, stroopmoppen en bij veel gerechten wordt aangeraden stroopsaus (een saus gemaakt van suikerstroop) te serveren omdat de oer-Hollandse „traditionele” recepten vaak niet het meest smaakvol waren.

3.9.   Minimumeisen en procedures voor de controle van de specificiteit

Het specifieke karakter van suikerstroop kan worden getoetst aan meetbare minimumeisen op de onder 3.5 genoemde kenmerken (kleur, °Brix en totaal suiker) van suikerstroop. Per productiebatch (bij elke productie) wordt hierop door de producent gecontroleerd.

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verifieert dit middels toezicht op controle. De NVWA voert ten minste één maal per jaar steekproefsgewijs een administratieve controle uit bij de producent, door de opgeslagen gegevens inzake de kleur, °Brix en totaal suiker (door de producent per productiebatch gemeten en digitaal bewaard) te controleren.

4.   AUTORITEITEN OF ORGANEN DIE DE NALEVING VAN HET PRODUCTDOSSIER CONTROLEREN

4.1.   Naam en adres

Naam:

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

Adres:

Catharijnesingel 59, 3511 GG Utrecht

Tel.

+31 882233333

E-mail:

info@vwa.nl

openbaar

particulier

4.2.   Specifieke taken van de autoriteit of het orgaan

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is belast met de verificatie inzake de inachtneming van de vereisten uit het productdossier voor „Suikerstroop”.


(*1)  Vervangen door Verordening (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen.

(1)  Verordening (EG) nr. 1216/2007 van de Commissie van 18 oktober 2007 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 275 van 19.10.2007, blz. 3).

(2)  Maat voor opgeloste hoeveelheid droge stof (in dit geval suiker) in een waterige oplossing, die met behulp van een refractometer wordt bepaald.

(3)  ICUMSA (International Commission for Uniform Methods of Sugar Analysis) Units. Hoe hoger de UI, hoe donkerder de kleur.

Het is een indirecte maat voor de zuiverheid.


12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/49 VAN DE COMMISSIE

van 11 januari 2018

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad naar aanleiding van een nieuw onderzoek ten behoeve van een „nieuwe exporteur” op grond van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 4, artikel 13, lid 4, en artikel 14, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   GELDENDE MAATREGELEN

(1)

Op 29 mei 2013 heeft de Raad, naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, bij Verordening (EU) nr. 502/2013 (2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 (3) tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China gewijzigd („de bestaande maatregelen”).

(2)

Op dezelfde dag heeft de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 (4) de maatregelen met betrekking tot de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”) uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië („de maatregelen zoals uitgebreid”).

(3)

Op 18 mei 2015 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/776 (5) de maatregelen met betrekking tot de invoer van rijwielen van oorsprong uit de VRC uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen.

B.   HUIDIGE PROCEDURE

1.   Verzoek om een nieuw onderzoek

(4)

De Commissie heeft op grond van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van de basisverordening een verzoek ontvangen om vrijstelling van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de VRC, die zijn uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië.

(5)

Het verzoek is op 13 september 2016 ingediend door Look Design System SA („de indiener van het verzoek”), een in Tunesië („het betrokken land”) gevestigde producent-exporteur van rijwielen.

(6)

De indiener van het verzoek heeft aangevoerd dat hij niet is verbonden met een exporteur of producent in het betrokken land waarvoor de maatregelen zoals uitgebreid met betrekking tot rijwielen gelden.

(7)

De indiener van het verzoek heeft tevens aangevoerd dat hij geen rijwielen naar de Unie heeft uitgevoerd gedurende de verslagperiode die is gebruikt in het kader van het onderzoek dat tot de maatregelen zoals uitgebreid heeft geleid, te weten de periode van 1 september 2011 tot en met 31 augustus 2012 („de oorspronkelijke verslagperiode”).

(8)

Bovendien is er volgens hem geen sprake van dat hij de bestaande maatregelen heeft ontweken.

(9)

Ten slotte heeft de indiener van het verzoek bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat hij het onderzochte product in augustus 2016 naar de Unie heeft uitgevoerd.

2.   Opening van een nieuw onderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur

(10)

Daar zij tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om de opening van een onderzoek op grond van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van de basisverordening te rechtvaardigen met het oog op de vaststelling of de indiener van het verzoek van de maatregelen zoals uitgebreid kan worden vrijgesteld, en dat de betrokken bedrijfstak van de Unie in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken, heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/777 (6) met betrekking tot de indiener van het verzoek een nieuw onderzoek geopend ten aanzien van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013.

(11)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/777 is het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 ingestelde antidumpingrecht op rijwielen ingetrokken ten aanzien van het onderzochte product dat door de indiener van het verzoek wordt vervaardigd en naar de Unie wordt uitgevoerd. Tegelijkertijd is de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening opgedragen de nodige maatregelen te nemen om deze invoer te registreren.

3.   Onderzocht product

(12)

Bij het onderzochte product gaat het om rijwielen (bakfietsen daaronder begrepen, doch met uitzondering van eenwielers), zonder motor, verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8712 00 30 en ex 8712 00 70 (Taric-codes 8712003010 en 8712007091).

4.   Betrokken partijen

(13)

De Commissie heeft de bedrijfstak van de Unie, de indiener van het verzoek en de vertegenwoordigers van het land van uitvoer officieel in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. Alle belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en te worden gehoord.

(14)

De Commissie heeft de indiener van het verzoek een aanvraagformulier voor vrijstelling toegezonden, dat binnen de daarvoor vastgestelde termijn ingevuld is teruggestuurd.

(15)

De Commissie heeft alle gegevens gecontroleerd die zij nodig achtte om vast te stellen of er sprake is van een nieuwe exporteur, alsook om het door de indiener van het verzoek ingediende verzoek om vrijstelling van de maatregelen zoals uitgebreid te kunnen beoordelen. Er zijn controles ter plaatse uitgevoerd bij de indiener van het verzoek in Tunesië.

5.   Verslagperiode en onderzoektijdvak

(16)

De verslagperiode liep van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017 en het voor de beoordeling van de corrigerende werking van de maatregelen relevante onderzoek had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2017.

C.   RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

1.   De status van nieuwe exporteur

(17)

De Commissie heeft onderzocht of was voldaan aan de drie voorwaarden van artikel 11, lid 4, van de basisverordening voor de verlening van de status van nieuwe exporteur.

(18)

Het onderzoek heeft bevestigd dat de onderneming het onderzochte product gedurende de oorspronkelijke verslagperiode niet had uitgevoerd, waarmee aan de eerste voorwaarde was voldaan. De indiener van het verzoek heeft tevens aangetoond direct noch indirect verbonden te zijn met enige Tunesische producent-exporteur waarop de maatregelen zoals uitgebreid met betrekking tot het onderzochte product van toepassing zijn, waarmee aan de tweede voorwaarde was voldaan. Ten slotte is uit het onderzoek gebleken dat de indiener van het verzoek pas na afloop van de oorspronkelijke verslagperiode met de uitvoer van het onderzochte product naar de Unie is begonnen, zodat aan de derde voorwaarde was voldaan.

(19)

Bijgevolg heeft de Commissie vastgesteld dat de onderneming moet worden beschouwd als een nieuwe exporteur in de zin van artikel 11, lid 4, van de basisverordening, zodat het verzoek om vrijstelling dienovereenkomstig moet worden beoordeeld.

2.   Verzoek om vrijstelling

(20)

Er is een analyse van de leveringsbronnen van grondstoffen (rijwielonderdelen) en van de fabricagekosten van de indiener van het verzoek verricht teneinde vast te stellen of hij assemblagewerkzaamheden als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de basisverordening verrichtte.

(21)

Uit het onderzoek is gebleken dat bij de assemblage van de tijdens de verslagperiode naar de Unie uitgevoerde rijwielen geen rijwielonderdelen uit de VRC zijn gebruikt. De onderdelen waren voornamelijk uit andere landen afkomstig en de grondstoffen (rijwielonderdelen) uit de VRC maakten dus minder dan 60 % uit van de totale waarde van de onderdelen van het geassembleerde product (60/40-criterium).

(22)

Aangezien de indiener van het verzoek aan het 60/40-criterium voldeed, behoefde bijgevolg niet te worden nagegaan of de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde onderdelen werd toegevoegd, meer dan 25 % van de fabricagekosten bedroeg. Er behoefde evenmin te worden nagegaan of de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden, werd ondermijnd, en of er bewijs was van dumping als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder c), van de basisverordening.

(23)

Bovendien is niet gebleken dat de indiener van het verzoek rijwielen uit de VRC heeft gekocht of in China gefabriceerde rijwielen naar de Unie heeft doorgevoerd.

(24)

De Commissie heeft dan ook geconcludeerd dat de indiener van het verzoek een echte fabrikant van rijwielen is en niet is verbonden met enige in de VRC gevestigde rijwielfabrikant. Bijgevolg heeft de Commissie besloten de indiener van het verzoek vrij te stellen van de maatregelen zoals uitgebreid.

D.   REGISTRATIE

(25)

In het licht van de bovenstaande bevindingen moet de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/777 ingestelde registratie van de invoer worden beëindigd, zonder dat met terugwerkende kracht een antidumpingrecht wordt geheven.

E.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(26)

De belanghebbenden zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was de indiener van het verzoek vrij te stellen van de maatregelen zoals uitgebreid en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 dienovereenkomstig te wijzigen. De Commissie heeft geen opmerkingen van de belanghebbenden ontvangen die aanleiding gaven om het besluit om de indiener van het verzoek vrij te stellen van de maatregelen zoals uitgebreid, te wijzigen.

(27)

Deze verordening is in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   In artikel 1, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 wordt bij Tunesië de volgende rij aan de tabel toegevoegd:

Land

Onderneming

Aanvullende Taric-code

Tunesië

Look Design System

Route de Tunis Km6 — BP 18, 8020 Soliman, Tunesië

C206

2.   De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie van de invoer van het door Look Design System SA vervaardigde onderzochte product van oorsprong uit Tunesië te beëindigen, zonder dat met terugwerkende kracht een antidumpingrecht wordt geheven.

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 januari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Verordening (EU) nr. 502/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 153 van 5.6.2013, blz. 17).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad van 3 oktober 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 261 van 6.10.2011, blz. 2).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië (PB L 153 van 5.6.2013, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/776 van de Commissie van 18 mei 2015 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EU) nr. 502/2013 van de Raad is ingesteld op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen (PB L 122 van 19.5.2015, blz. 4).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/777 van de Commissie van 4 mei 2017 tot opening van een nieuw onderzoek ten aanzien van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad (tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië verzonden rijwielen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië) met het oog op de vaststelling of één Tunesische producent-exporteur van die maatregelen kan worden vrijgesteld, of het antidumpingrecht ten aanzien van de invoer afkomstig van die producent-exporteur kan worden ingetrokken en of die invoer moet worden geregistreerd (PB L 116 van 5.5.2017, blz. 20).


12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/35


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/50 VAN DE COMMISSIE

van 11 januari 2018

tot 280e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren.

(2)

Het Sanctiecomité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft op 26 december 2017 besloten tot schrapping van één vermelding en tot wijziging van één vermelding op de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren. Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 januari 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De vermelding „Zayn Al-Abidin Muhammad Hussein (ook bekend als a) Abu Zubaida, b) Abd Al-Hadi Al-Wahab, c) Zain Al-Abidin Muhahhad Husain, d) Zayn Al-Abidin Muhammad Husayn, e) Zeinulabideen Muhammed Husein Abu Zubeidah, f) Abu Zubaydah, g) Tariq Hani). Geboortedatum: 12.3.1971. Geboorteplaats: Riyad, Saudi-Arabië. Nationaliteit: Palestijns. Overige informatie: a) naaste medewerker van Usama Bin Laden en reisagent voor terroristen; b) in Amerikaanse gevangenschap sinds juli 2007. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 25.1.2001.” wordt geschrapt van de lijst „Natuurlijke personen”.

2)

De vermelding „Seifallah Ben-Hassine (ook bekend als a) Seif Allah ben Hocine; b) Saifallah ben Hassine; c) Sayf Allah 'Umar bin Hassayn; d) Sayf Allah bin Hussayn; e) Abu Iyyadh al-Tunisi; f) Abou Iyadh el-Tounsi; g) Abu Ayyad al-Tunisi; h) Abou Aayadh; i) Abou Iyadh). Geboortedatum: 8.11.1965. Geboorteplaats: Tunis, Tunesië. Nationaliteit: Tunesisch. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 23.9.2014.” in de lijst „Natuurlijke personen” wordt vervangen door:

„Seifallah Ben Omar Ben Mohamed Ben Hassine (ook bekend als a) Seif Allah ben Hocine; b) Saifallah ben Hassine; c) Sayf Allah 'Umar bin Hassayn; d) Sayf Allah bin Hussayn; e) Abu Iyyadh al-Tunisi; f) Abou Iyadh el-Tounsi; g) Abu Ayyad al-Tunisi; h) Abou Aayadh; i) Abou Iyadh; j) Seifallah ben Amor ben Hassine). Adres: a) 60, Rue de la Libye, Hammam Lif, Ben Arous, Tunisië; b) Libië (mogelijke verblijfplaats juli 2017). Geboortedatum: 8.11.1965. Geboorteplaats: Tunis, Tunesië. Nationaliteit: Tunesisch. Paspoortnummer: Tunesisch nummer G557170, afgegeven op 16 november 1989. Nationaal identificatienummer: Tunesische nationale identiteitskaart 05054425, afgegeven op 3 mei 2011 (afgegeven in Hammam Lif). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 23.9.2014.”.


BESLUITEN

12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/37


BESLUIT (EU) 2018/51 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 oktober 2017

betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (1), en met name punt 12,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het flexibiliteitsinstrument kunnen nauwkeurig bepaalde uitgaven worden gefinancierd die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd.

(2)

Het jaarlijkse maximumbedrag voor het flexibiliteitsinstrument bedraagt 600 000 000 EUR (prijzen van 2011), zoals vastgesteld in artikel 11 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (2).

(3)

Het is noodzakelijk om met spoed aanzienlijke extra kredieten ter beschikking te stellen ter financiering van passende maatregelen voor de aanpak van de huidige met migratie, vluchtelingeninstroom en veiligheid verband houdende problemen.

(4)

Nadat alle mogelijkheden tot herschikking van kredieten onder het uitgavenmaximum voor rubriek 4 (Europa als wereldspeler) zijn onderzocht, is het nodig middelen uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen ter aanvulling van de middelen op de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, te weten 275 000 000 EUR boven het maximum van rubriek 4, ter financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO). Dit bedrag omvat in voorafgaande jaren vervallen bedragen van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering die beschikbaar worden gesteld voor het flexibiliteitsinstrument overeenkomstig artikel 11, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013.

(5)

Op basis van het verwachte betalingsprofiel moeten de met het gebruik van het flexibiliteitsinstrument corresponderende betalingskredieten alleen voor het begrotingsjaar 2017 worden toegewezen,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor de algemene begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2017 wordt uit het flexibiliteitsinstrument 275 000 000 EUR aan vastleggingskredieten in rubriek 4 (Europa als wereldspeler) ter beschikking gesteld.

Het in de eerste alinea bedoelde bedrag wordt gebruikt voorde voorziening van de financiering voor het Garantiefonds van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling.

2.   Op basis van het verwachte betalingsprofiel moeten de met het gebruik van het flexibiliteitsinstrument corresponderende betalingskredieten in 2 017 275 000 000 EUR bedragen. Het bedrag wordt goedgekeurd overeenkomstig de begrotingsprocedure.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, 25 oktober 2017.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

M. MAASIKAS


(1)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).


12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/39


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/52 VAN DE COMMISSIE

van 11 januari 2018

tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek betreffende de invoer van bepaalde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1), en met name artikel 9, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 van de Raad (2) zijn definitieve antidumpingrechten ingesteld op bepaalde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”) en Thailand.

(2)

Op 23 mei 2017 heeft de Europese Commissie (de „Commissie”) op basis van artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1036 („de basisverordening”) een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek geopend met betrekking tot de invoer in de Unie van bepaalde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de VRC en Thailand. Zij heeft daartoe een bericht van opening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3) („het bericht van opening”).

(3)

De Commissie opende het nieuwe onderzoek met betrekking tot de VRC naar aanleiding van een verzoek dat op 25 juli 2016 was ingediend door Hebei Yulong Casting Co., Ltd („de indiener van het verzoek”), een Chinese producent-exporteur van bepaalde soorten gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, met betrekking tot de invoer uit de VRC. De indiener van het verzoek had om een nieuw onderzoek verzocht teneinde vast te stellen of binnenringen van knelkoppelingen met schroefdraad overeenkomstig DIN 28601, en kruisvormige hulpstukken (fittings) met twee centrale doorvoeropeningen zonder schroefdraad („het eventueel uit te sluiten product”) moeten worden uitgesloten van de productomschrijving van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013. Aangezien de maatregelen ook van toepassing zijn op de invoer uit Thailand, heeft de Commissie op eigen initiatief besloten tevens voor de invoer uit Thailand een nieuw onderzoek te openen. Het verzoek bevatte voldoende bewijsmateriaal voor de opening van het nieuwe onderzoek.

(4)

In het bericht van opening werden de belanghebbenden uitgenodigd om met de Commissie contact op te nemen om aan het nieuwe onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de indiener van het verzoek, de haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs in de VRC en Thailand alsmede de Chinese en Thaise autoriteiten en de haar bekende importeurs, leveranciers, gebruikers en handelaren en een vereniging op de hoogte gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken.

(5)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de opening van het nieuwe onderzoek en te verzoeken te worden gehoord door de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

2.   INTREKKING VAN HET VERZOEK EN BEËINDIGING VAN HET ONDERZOEK

(6)

Op 8 september 2017 heeft de indiener van het verzoek zijn verzoek om een nieuw onderzoek ingetrokken.

(7)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, en artikel 11, lid 5, van de basisverordening kan, wanneer de indiener van het verzoek zijn verzoek intrekt, de procedure worden beëindigd, tenzij dit strijdig is met het belang van de Unie.

(8)

De Commissie was van oordeel dat het nieuwe onderzoek met betrekking tot de VRC moet worden beëindigd, aangezien bij het onderzoek uit niets is gebleken dat beëindiging van de procedure in strijd met het belang van de Unie zou zijn.

(9)

Wat Thailand betreft, hebben noch de gecontacteerde bekende ondernemingen, noch de Thaise autoriteiten voor het onderzoek relevante informatie met betrekking tot het eventueel uit te sluiten product verstrekt op grond waarvan het nieuwe onderzoek zou kunnen worden uitgevoerd. Geen van de gecontacteerde bekende importeurs heeft melding gemaakt van invoer van het eventueel uit te sluiten product uit Thailand. Uit het onderzoek is geen andere relevante informatie naar voren gekomen die de basis zou vormen voor een nieuw onderzoek met betrekking tot de productomschrijving.

(10)

Aangezien de indiener van het verzoek zijn verzoek met betrekking tot de VRC heeft ingetrokken en er geen verdere relevante informatie met betrekking tot Thailand beschikbaar is, moet het nieuwe onderzoek ten aanzien van Thailand overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 11, lid 5, van de basisverordening ambtshalve worden beëindigd.

(11)

De belanghebbenden zijn hiervan op de hoogte gebracht en in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Er zijn binnen de gestelde termijn geen opmerkingen ontvangen.

(12)

De Commissie concludeert derhalve dat het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek betreffende de invoer van bepaalde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand, moet worden beëindigd.

(13)

Dit besluit is in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het gedeeltelijke nieuwe onderzoek betreffende bepaalde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13 en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7307 19 10 (Taric-code 7307191010) wordt beëindigd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 11 januari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (PB L 129 van 14.5.2013, blz. 1).

(3)  Bericht van opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand (PB C 162 van 23.5.2017, blz. 12).


Rectificaties

12.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 7/41


Rectificatie van Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2007

( Publicatieblad van de Europese Unie L 224 van 31 augustus 2017 )

Bladzijde 96, bijlage XIII, deel b) (Rechtspersonen, entiteiten en lichamen), vermelding 23, derde kolom (Plaats):

in plaats van:

„… SWIFT: DCBK KKPY”,

lezen:

„… SWIFT: DCBK KPPY”.