ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 157

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
15 juni 2016


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan ( 1 )

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2016/944 van de Raad van 6 juni 2016 betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System — GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

19

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/945 van de Commissie van 14 juni 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

21

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2016/946 van de Raad van 9 juni 2016 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden overeenkomstig artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1523 en artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1601 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland

23

 

*

Besluit (GBVB) 2016/947 van de Raad van 14 juni 2016 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo (EULEX KOSOVO) ( 2 )

26

 

*

Besluit (EU) 2016/948 van de Europese Centrale Bank van 1 juni 2016 betreffende de tenuitvoerlegging van het aankoopprogramma bedrijfssector (ECB/2016/16)

28

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

 

(2)   Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

15.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/1


RICHTLIJN (EU) 2016/943 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 8 juni 2016

betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bedrijven en niet-commerciële onderzoeksinstellingen investeren in het verkrijgen, ontwikkelen en toepassen van knowhow en informatie, de twee kernelementen van de kenniseconomie, die concurrentievoordeel opleveren. Deze investering in het ontwikkelen en toepassen van intellectueel kapitaal is bepalend voor hun concurrentievermogen en hun met innovatie verbonden prestaties op de markt en bijgevolg voor het rendement van hun investeringen, de eigenlijke grond voor onderzoek en ontwikkeling door bedrijven. Bedrijven nemen hun toevlucht tot verschillende middelen om zich de resultaten van hun met innovatie verbonden activiteiten toe te eigenen, wanneer ze vanwege de openheid hun investeringen in onderzoek en innovatie niet volledig kunnen laten renderen. Voorbeelden van dergelijke middelen zijn intellectuele-eigendomsrechten zoals octrooien, rechten op tekeningen of modellen of het auteursrecht. Een ander middel om zich de resultaten van innovatieactiviteiten toe te eigenen is het afschermen van de toegang en het benutten van de kennis die waardevol voor de entiteit en niet algemeen bekend is. Dergelijke waardevolle knowhow en bedrijfsinformatie, die niet openbaar zijn gemaakt en bedoeld zijn om vertrouwelijk te blijven, worden „bedrijfsgeheim” genoemd.

(2)

Ongeacht hun omvang hechten bedrijven evenveel belang aan bedrijfsgeheimen als aan octrooien en andere vormen van intellectuele-eigendomsrechten. Ze gebruiken vertrouwelijkheid als een beheersinstrument voor het concurrentievermogen en de onderzoeksinnovatie, met betrekking tot een breed scala van informatie, van technologische kennis tot handelsgegevens zoals informatie over klanten en leveranciers, bedrijfsplannen, en marktonderzoek en marktstrategieën. Kleine en middelgrote ondernemingen hechten sterker aan en zijn in nog hogere mate afhankelijk van bedrijfsgeheimen. Door dergelijke uiteenlopende vormen van knowhow en handelsinformatie te beschermen, als aanvulling op of alternatief voor intellectuele-eigendomsrechten, laten bedrijfsgeheimen makers en innovators toe profijt te trekken uit hun scheppingen of innovaties, waardoor ze bijzonder belangrijk zijn voor het concurrentievermogen van zijn bedrijf evenals voor zijn prestaties inzake onderzoek en ontwikkeling en voor met innovatie verbonden prestaties.

(3)

Open innovatie zorgt voor nieuwe ideeën die tegemoet komen aan de behoeften van consumenten en die een oplossing bieden voor maatschappelijke problemen, en maakt het mogelijk dat die ideeën gemakkelijker hun weg naar de markt vinden. Deze innovatie is een belangrijke hefboom voor de ontwikkeling van nieuwe kennis en ondersteunt het ontstaan van nieuwe, innovatieve bedrijfsmodellen die gebaseerd zijn op het gebruik van kennis die door verschillende partijen is gecreëerd. Gezamenlijk onderzoek, met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerking, is bijzonder belangrijk om het niveau van bedrijfsonderzoek en -ontwikkeling door bedrijven op de interne markt te vergroten. De verspreiding van kennis en informatie is als essentieel te beschouwen voor het waarborgen van een positieve dynamiek en van eerlijke ontwikkelingskansen voor het bedrijfsleven, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen. Op een interne markt waar belemmeringen voor dergelijke grensoverschrijdende samenwerking zoveel mogelijk worden beperkt en waar samenwerking niet is verstoord, moeten intellectuele schepping en innovatie investeringen in innovatieve processen, diensten en producten aanmoedigen. Een dergelijk klimaat dat gunstig is voor intellectuele schepping en innovatie en waarin arbeidsmobiliteit niet belemmerd wordt, is ook belangrijk voor het scheppen van banen en voor de verbetering van het concurrentievermogen van de economie van de Unie. Bedrijfsgeheimen spelen een belangrijke rol bij de bescherming van kennisuitwisseling tussen bedrijven, waaronder, in het bijzonder, kleine en middelgrote ondernemingen, en onderzoeksinstellingen binnen en buiten de grenzen van de interne markt, in het kader van onderzoek en ontwikkeling, en innovatie. Bedrijfsgeheimen vormen een van de meest gebruikte manieren waarop bedrijven intellectuele schepping en innovatieve knowhow beschermen. Toch worden ze door het bestaande rechtskader van de Unie het minst beschermd tegen de onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of onrechtmatig gebruik door andere partijen.

(4)

Innovatieve bedrijven zijn steeds meer blootgesteld aan oneerlijke praktijken die gericht zijn op het onrechtmatige gebruik van bedrijfsgeheimen, zoals diefstal, kopiëren zonder toestemming, economische spionage of inbreuk op vertrouwelijkheidsvereisten, zowel van binnen als van buiten de Unie. Recente ontwikkelingen, zoals globalisering, toegenomen uitbesteding, langere toeleveringsketens en een ruimere toepassing van informatie- en communicatietechnologie, dragen bij aan het toenemende risico van deze praktijken. De onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of het onrechtmatige gebruik van een bedrijfsgeheim is een bedreiging voor het vermogen van de rechtmatige houder van het bedrijfsgeheim om als pionier voordeel te halen uit de resultaten van zijn met innovatie verbonden activiteiten. Zonder doeltreffende en vergelijkbare rechtsinstrumenten om bedrijfsgeheimen in de hele Unie te beschermen, zijn bedrijven minder geneigd om grensoverschrijdende innovatieactiviteiten binnen de interne markt uit te voeren en kan het potentieel van bedrijfsgeheimen om economische groei en werkgelegenheid te stimuleren niet worden benut. Bijgevolg worden innovatie en creativiteit ontmoedigd en nemen de investeringen af, wat negatieve gevolgen heeft voor de goede werking en het groeipotentieel van de interne markt.

(5)

Op internationaal niveau werden in het kader van de Wereldhandelsorganisatie inspanningen geleverd om dit probleem op te lossen. Dit leidde tot de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (de TRIPS-overeenkomst — Agreement on Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights). De TRIPS-overeenkomst bevat onder andere bepalingen over de bescherming van bedrijfsgeheimen tegen de onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of het onrechtmatige gebruik ervan door derden, die als gemeenschappelijke internationale normen zijn aanvaard. Alle lidstaten, alsmede de Unie zelf, moeten deze overeenkomst, die werd goedgekeurd bij Besluit 94/800/EG van de Raad (3), naleven.

(6)

Ondanks de TRIPS-overeenkomst zijn er aanzienlijke verschillen tussen de wetgevingen van de lidstaten wat de bescherming van bedrijfsgeheimen tegen de onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of het onrechtmatige gebruik ervan door andere personen betreft. Zo hebben niet alle lidstaten een nationale definitie vastgesteld van een bedrijfsgeheim en/of een onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of onrechtmatig gebruik van een bedrijfsgeheim, waardoor kennis over de reikwijdte van de bescherming niet gemakkelijk te verkrijgen is en deze reikwijdte verschilt tussen de lidstaten. Bovendien is er geen samenhang wat betreft de middelen die het burgerlijk recht biedt in het geval van onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of onrechtmatig gebruik van bedrijfsgeheimen, aangezien stakingsbevelen ten aanzien van derden die geen concurrenten zijn van de rechtmatige houder van het bedrijfsgeheim, niet altijd in alle lidstaten kunnen worden uitgevaardigd. In de lidstaten wordt ook op uiteenlopende manieren omgegaan met derden die het bedrijfsgeheim te goeder trouw hebben verkregen, maar daarna, op het tijdstip van het gebruik, ontdekken dat de verkrijging is gebaseerd op een vorige onrechtmatige verkrijging door een andere partij.

(7)

De nationale regels verschillen ook wat betreft het recht van de rechtmatige houder van een bedrijfsgeheim te verzoeken om de goederen te vernietigen die zijn geproduceerd door derden die bedrijfsgeheimen onrechtmatig gebruiken, of de documenten, de bestanden of het materiaal dat het onrechtmatig verkregen of gebruikte bedrijfsgeheim bevat belichaamt, terug te geven of te vernietigen. Bovendien houden de toepasselijke nationale regels betreffende de berekening van de schadevergoeding niet altijd rekening met de immateriële aard van bedrijfsgeheimen, waardoor het moeilijk is de werkelijke verliezen of de onterechte verrijking van de inbreukmaker aan te tonen als de marktwaarde van de desbetreffende informatie niet kan worden vastgesteld. Slechts enkele lidstaten voorzien in de toepassing van abstracte regels voor de berekening van schadevergoeding op basis van de redelijke royalty of vergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien een licentie voor het gebruik van het bedrijfsgeheim zou hebben bestaan. Bovendien bieden veel nationale regels geen adequate bescherming van de vertrouwelijkheid van een bedrijfsgeheim indien de houder van een bedrijfsgeheim een klacht indient wegens een vermeende onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of een vermeend onrechtmatig gebruik van het bedrijfsgeheim door een derde. Hierdoor zijn de bestaande maatregelen en rechtsmiddelen minder aantrekkelijk en wordt de geboden bescherming verzwakt.

(8)

Door de verschillen in de rechtsbescherming van bedrijfsgeheimen in de lidstaten, genieten bedrijfsgeheimen niet in de gehele Unie dezelfde mate van bescherming. Dit leidt tot versnippering van de interne markt op dit gebied en een geringer algemeen afschrikkend effect van de relevante regels. Dergelijke verschillen hebben gevolgen voor de interne markt in zoverre dat bedrijven hierdoor minder geneigd zijn om innovatiegerelateerde grensoverschrijdende economische activiteiten uit te voeren, zoals samenwerking met partners op het gebied van onderzoek of productie of uitbesteding of investeringen in andere lidstaten, die afhankelijk zouden zijn van het gebruik van als bedrijfsgeheim beschermde informatie. Grensoverschrijdend netwerkonderzoek en -ontwikkeling en grensoverschrijdende innovatieactiviteiten, ook voor daarmee verband houdende productie en nadien grensoverschrijdende handel, worden binnen de Unie minder aantrekkelijk en moeilijker, met ook ondoelmatige innovatie op Unieniveau als gevolg.

(9)

Daarnaast zijn de bedrijfsrisico's groter in lidstaten met een relatief zwakkere bescherming, doordat bedrijfsgeheimen gemakkelijker kunnen worden gestolen of op een andere manier onrechtmatig kunnen worden verkregen. Omdat er meer moet worden uitgegeven aan beschermingsmaatregelen om deze ontoereikende rechtsbescherming in sommige landen te compenseren, leidt dit ertoe dat het kapitaal voor groeibevorderende innovatie op de interne markt niet doelmatig wordt besteed. Dit stimuleert ook de activiteiten van oneerlijke concurrenten die, na de onrechtmatige verkrijging van bedrijfsgeheimen, goederen die op dergelijke geheimen zijn gebaseerd, op de interne markt kunnen verspreiden. Als gevolg van verschillen in de wetgeving kunnen ook goederen uit derde landen waarvan het ontwerp, de productie of het in de handel brengen gebaseerd is op gestolen of op een andere manier onrechtmatig verkregen bedrijfsgeheimen, gemakkelijker in de Unie worden ingevoerd via punten van binnenkomst die minder goed zijn beschermd. Algemeen kan worden gesteld dat dergelijke verschillen de goede werking van de interne markt belemmeren.

(10)

Er moeten op het niveau van de Unie regels worden vastgesteld om het recht van de lidstaten op elkaar af te stemmen, zodat er op de gehele interne markt een toereikend en consistent niveau van civiele maatregelen is in geval van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim. Deze regels moeten gelden onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten te voorzien in verder reikende bescherming tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen, zolang de waarborgen ter bescherming van de belangen van derden die uitdrukkelijk in deze richtlijn zijn vastgesteld, in acht worden genomen.

(11)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de toepassing van Unie- of nationale regels die de openbaarmaking van informatie, waaronder bedrijfsgeheimen, aan het publiek of overheidsinstanties voorschrijven. Deze richtlijn mag ook geen afbreuk te doen aan de toepassing van regels die het overheidsinstanties toestaan informatie te vergaren voor de uitvoering van hun taken, noch van regels die het overheidsinstanties toestaan deze informatie aan het publiek openbaar te maken of die hen hiertoe verplichten. Het gaat dan met name over regels inzake de openbaarmaking, door de instellingen en organen van de Unie of de nationale overheidsinstanties, van bedrijfsinformatie waarover zij beschikken krachtens de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (4), Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5) en Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) of uit hoofde van andere regels betreffende de toegang van het publiek tot documenten.

(12)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van de sociale partners om collectieve overeenkomsten te sluiten, indien het arbeidsrecht daarin voorziet, met betrekking tot een verplichting een bedrijfsgeheim niet openbaar te maken of het gebruik ervan te beperken, en met betrekking tot de gevolgen van een schending van die verplichting door een aan die verplichting onderworpen partij. Voorwaarde hierbij is dat een dergelijke collectieve overeenkomst geen beperking behelst van de in deze richtlijn opgenomen uitzonderingen op grond waarvan een verzoek tot inleiding van de in deze richtlijn bedoelde maatregelen, procedures of rechtsmiddelen wegens een vermeende verkrijging of openbaarmaking of het vermeende gebruik van een bedrijfsgeheim moet worden afgewezen.

(13)

Deze richtlijn mag niet worden opgevat als een beperking van de vrijheid van vestiging, het vrije verkeer van werknemers of de mobiliteit van werknemers, zoals vastgesteld in het Unierecht. Evenmin heeft deze richtlijn de bedoeling afbreuk te doen aan de mogelijkheid om overeenkomstig het toepasselijke recht niet-concurrentieovereenkomsten tussen werkgevers en werknemers af te sluiten.

(14)

Het is belangrijk een homogene definitie van „bedrijfsgeheim” vast te stellen zonder het tegen onrechtmatig gebruik te beschermen onderwerp te beperken. Deze definitie moet daarom betrekking hebben op knowhow, bedrijfsinformatie en technologische informatie, wanneer er zowel een legitiem belang is bij het vertrouwelijk houden ervan als een legitieme verwachting ten aanzien van het bewaren van deze vertrouwelijkheid. Die knowhow of informatie moet bovendien feitelijke dan wel potentiële handelswaarde hebben. Die knowhow of informatie moet worden geacht handelswaarde te bezitten bijvoorbeeld wanneer het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken daarvan schadelijk zou kunnen zijn voor de belangen van de persoon die rechtmatig over de informatie zeggenschap heeft, aangezien daardoor afbreuk wordt gedaan aan het wetenschappelijk en technisch potentieel, de zakelijke of financiële belangen, de strategische posities of het concurrentievermogen van die persoon. Alledaagse informatie valt niet onder de definitie van een bedrijfsgeheim, evenmin als de ervaring en vaardigheden die werknemers vergaren tijdens de normale uitoefening van hun functie noch informatie die algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie.

(15)

Het is ook belangrijk de omstandigheden vast te stellen waaronder rechtsbescherming van bedrijfsgeheimen is gerechtvaardigd. Hiertoe is het noodzakelijk de gedragingen en praktijken vast te stellen die moeten worden beschouwd als onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of onrechtmatig gebruik van een bedrijfsgeheim.

(16)

Gezien het belang van innovatie en om concurrentie te bevorderen, mag deze richtlijn geen exclusieve rechten vaststellen op knowhow of informatie die als bedrijfsgeheim is beschermd. Bijgevolg moet de onafhankelijke ontdekking van dezelfde knowhow of informatie mogelijk blijven. Reverse engineering van een rechtmatig verkregen product moet worden beschouwd als een rechtmatig middel om informatie te verkrijgen, tenzij bij overeenkomst anders is overeengekomen. De vrijheid tot het aangaan van dergelijke contractuele regelingen kan evenwel van rechtswege worden beperkt.

(17)

In sommige bedrijfstakken, waar uitvinders en innovators geen profijt kunnen trekken van exclusieve rechten en waar innovatie van oudsher gebaseerd was op bedrijfsgeheimen, kunnen thans producten, eenmaal op de markt, gemakkelijk worden nagemaakt met behulp van reverse engineering. In die gevallen kunnen zulke uitvinders en innovators slachtoffer zijn van praktijken zoals parasitair kopiëren of slaafse nabootsing waarmee meegelift wordt op hun reputatie en innovatie-inspanningen. In sommige nationale regelgeving inzake oneerlijke mededinging worden dergelijke praktijken aangepakt. Hoewel deze richtlijn niet gericht is op de hervorming of harmonisatie van het recht inzake oneerlijke mededinging in het algemeen, is het wenselijk dat de Commissie zorgvuldig de noodzaak van optreden van de Unie op dit gebied onderzoekt.

(18)

Voorts zou het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen, indien van rechtswege voorgeschreven of toegestaan, als rechtmatig moeten worden aangemerkt. Dit betreft met name de verkrijging en openbaarmaking van bedrijfsgeheimen in het kader van de uitoefening van de rechten van de vertegenwoordigers van werknemers op informatie, raadpleging en participatie overeenkomstig het recht van de Unie en volgens het nationale recht en nationale praktijken, en de collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, evenals de verkrijging of openbaarmaking van een bedrijfsgeheim in het kader van wettelijke audits die worden uitgevoerd overeenkomstig het Unie- of nationale recht. Het feit dat het verkrijgen van een bedrijfsgeheim als rechtmatig wordt aangemerkt, mag echter geen afbreuk doen aan eender welke vertrouwelijkheidsverplichting met betrekking tot het bedrijfsgeheim of andere gebruiksbeperkingen die het Unierecht of nationaal recht aan de ontvanger of verkrijger van de informatie oplegt. Met name mag deze richtlijn overheidsinstanties niet ontheffen van de vertrouwelijkheidsverplichtingen die zij hebben ten aanzien van informatie die afkomstig is van houders van bedrijfsgeheimen, ongeacht of deze verplichtingen in het Unie of nationale recht zijn opgenomen. Onder deze vertrouwelijkheidsverplichtingen worden onder meer verstaan verplichtingen ten aanzien van informatie die in het kader van aanbestedingsprocedures aan aanbestedende diensten is verstrekt, zoals bijvoorbeeld bepaald in Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad (7), Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (8) of Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (9).

(19)

Hoewel de richtlijn voorziet in maatregelen en rechtsmiddelen ter voorkoming van de openbaarmaking van informatie met het oog op bescherming van de vertrouwelijkheid van bedrijfsgeheimen, is het van essentieel belang dat de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, die de vrijheid en de pluriformiteit van de media omvat, als bepaald in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”) niet wordt beperkt, in het bijzonder wat onderzoeksjournalistiek en de bescherming van journalistieke bronnen betreft.

(20)

De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen op grond van deze richtlijn mogen geen beperking vormen voor activiteiten van klokkenluiders. Daarom mag de bescherming van bedrijfsgeheimen geen betrekking hebben op gevallen waarin de openbaarmaking van een bedrijfsgeheim het openbaar belang dient, voor zover direct relevant wangedrag, onrecht of relevante illegale activiteiten aan het licht wordt gebracht. Dit mag niet beschouwd worden als een beletsel voor de bevoegde rechterlijke instanties om een uitzondering toe te staan op de toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, wanneer de verweerder alle redenen had om te goeder trouw te veronderstellen dat zijn handelen voldeed aan de betreffende, in deze richtlijn vermelde criteria.

(21)

In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel moeten de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen om bedrijfsgeheimen te beschermen, worden afgestemd op de doelstelling van een goede werking van de interne markt voor onderzoek en innovatie, met name door de onrechtmatige verkrijging, gebruikmaking en openbaarmaking van een bedrijfsgeheim te ontmoedigen. Bij dit afstemmen van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen mogen de fundamentele rechten en vrijheden of het openbaar belang, zoals openbare veiligheid, consumentenbescherming, volksgezondheid, en milieubescherming niet in gevaar worden gebracht, en mag evenmin afbreuk worden gedaan aan de mobiliteit van werknemers. In dit opzicht zorgen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen van deze richtlijn ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties rekening houden met factoren als de waarde van een bedrijfsgeheim, de ernst van de gedraging die heeft geleid tot het onrechtmatig verkrijgen, openbaar maken of gebruiken van het bedrijfsgeheim, alsmede met de effecten van die gedraging. De bevoegde rechterlijke instanties moeten ook de discretionaire bevoegdheid krijgen om de belangen van de partijen bij de gerechtelijke procedure af te wegen, evenals de belangen van de derden met inbegrip van, indien van toepassing, de consumenten.

(22)

De goede werking van de interne markt zou worden ondermijnd indien de geboden maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zouden worden gebruikt om onrechtmatige, met de doelstellingen van deze richtlijn onverenigbare doelen na te streven. Daarom is het belangrijk dat rechterlijke instanties de bevoegdheid krijgen om passende maatregelen te gelasten met betrekking tot eisers die met het oog op misbruik of te kwader trouw handelen en kennelijk ongegronde eisen indienen die er, bijvoorbeeld, toe strekken de toegang van de verweerder tot de markt op oneerlijke wijze te vertragen of te beperken of om de verweerder anderszins te intimideren of te tergen.

(23)

In het belang van de rechtszekerheid en omdat van de rechtmatige houders van bedrijfsgeheimen wordt verwacht dat zij zich inspannen om hun waardevolle bedrijfsgeheimen vertrouwelijk te houden en toezicht op het gebruik ervan te houden, is het passend om de termijn voor het vorderingen ten gronde of voor het instellen van vorderingen ter bescherming van bedrijfsgeheimen te beperken. In het nationale recht moet tevens op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze worden bepaald wanneer die termijn begint te lopen en in welke omstandigheden deze termijn wordt gestuit of geschorst.

(24)

Rechtmatige houders van bedrijfsgeheimen zijn vaak terughoudend om procedures in te leiden ter verdediging van hun bedrijfsgeheimen uit vrees dat de vertrouwelijkheid van een bedrijfsgeheim in de loop van gerechtelijke procedures verloren zou gaan, waardoor de doeltreffendheid van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen in het gedrang zou komen. Daarom is het noodzakelijk om, met inachtneming van de nodige waarborgen om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces te verzekeren, specifieke eisen vast te stellen die de vertrouwelijkheid van het betreffende bedrijfsgeheim tijdens de ter verdediging van dat bedrijfsgeheim ingeleide gerechtelijke procedures beschermen. Deze vorm van bescherming moet ook na afloop van de gerechtelijke procedures en zolang de informatie die het bedrijfsgeheim vormt, niet tot het publieke domein behoort, van toepassing blijven.

(25)

Deze eisen dienen onder meer minstens te zien op de mogelijkheid om de kring van personen die toegang heeft tot bewijsmateriaal of tot hoorzittingen te beperken, in aanmerking nemend dat al deze personen onder de vertrouwelijkheidsvereisten van deze richtlijn moeten vallen, en om uitsluitend de niet-vertrouwelijke elementen van rechterlijke uitspraken bekend te maken. Aangezien een van de voornaamste doelen van de procedure de beoordeling vormt van de aard van de informatie die voorwerp van geschil is, is het in deze context met name van belang om te waarborgen dat zowel de vertrouwelijkheid van bedrijfsgeheimen doeltreffend wordt beschermd als dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces voor de partijen bij die procedure wordt geëerbiedigd. De beperkte kring van personen moet derhalve ten minste één natuurlijke persoon van elke partij alsmede de respectieve advocaten van de partijen omvatten en, in voorkomend geval, andere vertegenwoordigers die overeenkomstig het nationale recht naar behoren gekwalificeerd zijn om in gerechtelijke procedures in het kader van deze richtlijn de belangen van een partij te verdedigen, vertegenwoordigen of behartigen; zij moeten allen volledige toegang krijgen tot dergelijk bewijsmateriaal of tot dergelijke hoorzittingen. In het geval dat één van de partijen een rechtspersoon is, moet deze een natuurlijke persoon of natuurlijke personen kunnen voorstellen die tot die kring moet(en) behoren, zodat een behoorlijke vertegenwoordiging van die rechtspersoon gegarandeerd is, zulks met inachtneming van het nodige gerechtelijke toezicht om te voorkomen dat de doelstelling van beperking van de toegang tot bewijsmateriaal of tot hoorzittingen wordt ondermijnd. Deze waarborgen mogen niet worden opgevat als een verplichting voor de partijen om zich tijdens de gerechtelijke procedures door een advocaat of een andere vertegenwoordiger te laten vertegenwoordigen indien dit volgens nationaal recht niet noodzakelijk is. Zij mogen evenmin worden opgevat als een beperking van de bevoegdheid van de rechtbanken om, in overeenstemming met de toepasselijke regels en praktijken van de betrokken lidstaat, te besluiten of en zo ja, in hoeverre bevoegde gerechtsfunctionarissen ook volledige toegang tot bewijsmateriaal of tot hoorzittingen moeten hebben voor de uitoefening van hun taken.

(26)

Het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim door een derde kan voor de rechtmatige houder van een bedrijfsgeheim nefast zijn, aangezien het voor die houder niet meer mogelijk is om, nadat het bedrijfsgeheim openbaar is gemaakt, de situatie van voor het verlies van het bedrijfsgeheim te herstellen. Bijgevolg is het zeer belangrijk dat wordt voorzien in snelle, doeltreffende en toegankelijke voorlopige maatregelen zodat onmiddellijk een einde kan worden gemaakt aan het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, ook indien dat bedrijfsgeheim voor het verrichten van diensten wordt gebruikt. Het is essentieel dat deze maatregelen beschikbaar zijn zonder dat eerst een beslissing ten principale moet worden afgewacht; hierbij moet naar behoren rekening worden gehouden met de rechten van de verdediging en het evenredigheidsbeginsel en met de bijzonderheden van de zaak. In bepaalde gevallen moet het mogelijk zijn de vermeende inbreukmaker toe te staan om, onder voorwaarde van het stellen van een of meer waarborgen, het bedrijfsgeheim te blijven gebruiken, met name wanneer het risico dat het bedrijfsgeheim in het publieke domein terechtkomt, gering is. Het moet ook mogelijk zijn toereikende waarborgen te eisen met betrekking tot de kosten en schade van de verweerder in het geval dat het verzoek niet gegrond is, met name wanneer uitstel onherstelbare schade voor de rechtmatige houder van een bedrijfsgeheim zou veroorzaken.

(27)

Om dezelfde reden is het ook belangrijk definitieve maatregelen te nemen om verder onrechtmatig gebruik of verdere onrechtmatige openbaarmaking van een bedrijfsgeheim te voorkomen, ook indien dit voor het verrichten van diensten wordt gebruikt. Deze maatregelen kunnen slechts doeltreffend en evenredig zijn als hun looptijd, wanneer er door de omstandigheden een tijdsbeperking is vereist, lang genoeg is om de handelsvoordelen teniet te doen die de derde zou hebben kunnen halen uit het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim. Maatregelen van deze aard mogen in geen geval worden afgedwongen als de informatie waarop het bedrijfsgeheim oorspronkelijk betrekking had al tot het publieke domein behoort om redenen die niet aan de verweerder kunnen worden toegerekend.

(28)

Het is mogelijk dat een bedrijfsgeheim onrechtmatig kan worden gebruikt om goederen of onderdelen daarvan te ontwerpen, te produceren of in de handel te brengen; als deze goederen of onderdelen vervolgens op de interne markt worden verspreid, worden de handelsbelangen van de houder van het bedrijfsgeheim en de werking van de interne markt geschaad. In die gevallen, en wanneer het bedrijfsgeheim in kwestie een significante invloed heeft op de kwaliteit, waarde of prijs van de goederen die uit dat onrechtmatige gebruik voortvloeien of op het beperken van de kosten, het vergemakkelijken of versnellen van de productie of het in de handel brengen daarvan, is het belangrijk dat de rechterlijke instanties de bevoegdheid krijgen om doeltreffende en passende maatregelen te gelasten die ervoor zorgen dat deze goederen niet in de handel worden gebracht of uit de handel worden verwijderd. Aangezien wereldwijd handel wordt gedreven, is het ook noodzakelijk dat deze maatregelen de invoer van dergelijke goederen in de Unie verbieden, evenals het opslaan met het oog op het aanbieden of in de handel brengen ervan. Krachtens het evenredigheidsbeginsel mogen corrigerende maatregelen niet noodzakelijkerwijs betekenen dat de goederen moeten worden vernietigd, indien er andere haalbare opties zijn. Dergelijke opties omvatten bijvoorbeeld het goed ontdoen van zijn inbreukmakende kwaliteit of het zich ontdoen van de goederen buiten de markt door ze bijvoorbeeld te schenken aan liefdadigheidsorganisaties.

(29)

Een persoon kan een bedrijfsgeheim te goeder trouw hebben verkregen en slechts later beseffen, bijvoorbeeld na kennisgeving door de originele houder van het bedrijfsgeheim, dat zijn kennis van het betrokken bedrijfsgeheim gebaseerd is op bronnen die het betrokken bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruiken of openbaar maken. Om te voorkomen dat de corrigerende maatregelen of rechterlijke bevelen in dergelijke omstandigheden onevenredige schade aan deze persoon kunnen toebrengen, moeten lidstaten indien nodig als alternatieve oplossing de mogelijkheid bieden om aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling toe te kennen. Deze geldelijke schadeloosstelling mag echter niet meer bedragen dan het bedrag van de royalty's of vergoedingen dat verschuldigd zou zijn geweest indien die persoon toestemming had verkregen om het betrokken bedrijfsgeheim te gebruiken voor de periode waarin de oorspronkelijke houder van het bedrijfsgeheim het gebruik van het bedrijfsgeheim had kunnen voorkomen. Indien echter het onrechtmatige gebruik van het bedrijfsgeheim anderszins dan in deze richtlijn is bepaald een inbreuk op wetgeving zou inhouden of consumenten schade zou kunnen berokkenen, mag dergelijk onrechtmatig gebruik niet worden toegestaan.

(30)

Om te voorkomen dat een persoon die weet of redelijkerwijs zou moeten weten dat hij een bedrijfsgeheim onrechtmatig verkrijgt, gebruikt of openbaar maakt, voordeel kan halen uit dergelijk gedrag, en om te waarborgen dat de benadeelde houder van het bedrijfsgeheim zoveel mogelijk in de positie wordt gebracht waarin hij zich zou hebben bevonden als dat gedrag niet had plaats gevonden, moet een passende schadeloosstelling worden vastgesteld voor de als gevolg van dat onrechtmatige gedrag geleden schade. Het bedrag van de schadevergoeding voor de benadeelde houder van het bedrijfsgeheim moet worden vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, zoals het door de houder van het bedrijfsgeheim geleden inkomensverlies of de door de inbreukmaker onrechtmatig gemaakte winst en, in voorkomend geval, de aan de houder van het bedrijfsgeheim toegebrachte morele schade. Als alternatief, bijvoorbeeld indien, gezien de immateriële aard van bedrijfsgeheimen, de feitelijke schade moeilijk te bepalen is, kan het bedrag van de schadevergoeding worden afgeleid uit elementen als het bedrag dat aan royalty's of vergoedingen verschuldigd zou zijn geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het betrokken bedrijfsgeheim te gebruiken. De bedoeling van dat alternatief is niet een verplichting te introduceren om te voorzien in een niet-compensatoire schadevergoeding, maar om schadeloosstelling te verzekeren die op een objectieve grondslag berust, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de kosten van de houder van het bedrijfsgeheim, bijvoorbeeld voor opsporing en onderzoek. Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten in hun nationale recht vast te leggen dat de aansprakelijkheid voor schade van werknemers wordt beperkt in gevallen waarin zij zonder opzet hebben gehandeld.

(31)

Als extra afschrikking voor toekomstige inbreukmakers en als bijdrage tot de bewustmaking van het brede publiek is het nuttig uitspraken bekend te maken, bijvoorbeeld waar passend via opvallende publiciteit, in zaken betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken bedrijfsgeheimen. Men moet er echter wel voor zorgen dat door deze bekendmaking het bedrijfsgeheim niet openbaar wordt gemaakt of de persoonlijke levenssfeer en reputatie van een natuurlijke persoon niet onevenredig worden geschaad.

(32)

De doeltreffendheid van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarover de houders van bedrijfsgeheimen beschikken, kan worden ondermijnd indien niet wordt voldaan aan de relevante uitspraken van de bevoegde rechterlijke instanties. Het is daarom belangrijk ervoor te zorgen dat deze instanties de nodige sanctiebevoegdheden krijgen.

(33)

Ter bevordering van de eenvormige toepassing van de in deze richtlijn opgenomen maatregelen, procedures en rechtsmiddelen ter bescherming van bedrijfsgeheimen is het wenselijk te voorzien in systemen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen enerzijds de lidstaten onderling en anderzijds de lidstaten en de Commissie, met name door het opzetten van een netwerk van door de lidstaten aangewezen correspondenten. Om te evalueren of deze maatregelen aan hun doelstellingen voldoen, moet de Commissie ook de toepassing van deze richtlijn en de doeltreffendheid van de nationale maatregelen onderzoeken. Zij kan zich, indien nodig, hierbij laten bijstaan door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie.

(34)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend door het Handvest, met name het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van beroep en het recht om te werken, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, het recht op behoorlijk bestuur, met name het recht op toegang tot documenten en het zakengeheim, waarbij het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd.

(35)

Het is belangrijk dat het recht op eerbiediging van het privé- en het gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens van personen wier persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de houder van dat bedrijfsgeheim wanneer deze stappen onderneemt om een bedrijfsgeheim te beschermen, of van personen die betrokken zijn bij een gerechtelijke procedure betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen en wier persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn worden verwerkt, worden geëerbiedigd. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) regelt de verwerking van persoonsgegevens zoals die in het kader van deze richtlijn plaatsvindt in de lidstaten en onder toezicht van de bevoegde instanties van de lidstaten, met name de door de lidstaten aangewezen onafhankelijke instanties. Deze richtlijn mag dus geen afbreuk doen aan de rechten en verplichtingen die zijn vastgesteld in Richtlijn 95/46/EG, in het bijzonder de rechten van degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt op toegang tot die persoonsgegevens en op rectificatie, uitwissing of afscherming van onjuiste of onvolledige gegevens noch, in voorkomend geval, aan de verplichting om gevoelige gegevens overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Richtlijn 95/46/EG te verwerken.

(36)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, te weten een goede werking van de interne markt door de vaststelling van een toereikend en vergelijkbaar niveau van rechtsmiddelen binnen de interne markt voor gevallen van het onrechtmatige verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar, vanwege de omvang en gevolgen daarvan, beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken.

(37)

Deze richtlijn heeft niet ten doel geharmoniseerde regels betreffende justitiële samenwerking, rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken vast te stellen, noch zich met het toepasselijke recht bezig te houden. Andere Unie-instrumenten die deze onderwerpen in algemene zin regelen, dienen in beginsel ook van toepassing te blijven op het gebied waarop deze richtlijn betrekking heeft.

(38)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de toepassing van de mededingingsregels, met name de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De in deze richtlijn opgenomen maatregelen, procedures en rechtsmiddelen mogen niet worden gebruikt om de mededinging te beperken op een wijze die strijdig is met het VWEU.

(39)

Deze richtlijn mag geen gevolgen hebben voor de toepassing van het overige relevante recht op andere gebieden, zoals intellectuele-eigendomsrechten, en het overeenkomstenrecht. Indien echter het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (11) en het toepassingsgebied van deze richtlijn elkaar overlappen, krijgt deze richtlijn als lex specialis voorrang.

(40)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (12) en heeft op 12 maart 2014 advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Onderwerp en toepassingsgebied

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn stelt de regels vast betreffende de bescherming tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen.

De lidstaten kunnen, met inachtneming van de bepalingen van het VWEU, voorzien in een verder reikende bescherming tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen dan door deze richtlijn wordt voorgeschreven, mits de naleving van de artikelen 3, 5 en 6, artikel 7, lid 1, artikel 8, artikel 9, lid 1, tweede alinea, artikel 9, leden 3 en 4, artikel 10, lid 2, de artikelen 11 en 13 en artikel 15, lid 3, wordt gewaarborgd.

2.   Deze richtlijn laat onverlet:

a)

de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie zoals neergelegd in het Handvest, met inbegrip van de eerbiediging van de vrijheid en het pluralisme van de media;

b)

de toepassing van Unie- of nationale regels die houders van bedrijfsgeheimen voorschrijven informatie, waaronder bedrijfsgeheimen, om redenen van algemeen belang openbaar te maken aan het publiek of aan administratieve of rechterlijke instanties voor de uitvoering van de taken van deze instanties;

c)

de toepassing van Unie- of nationale regels die instellingen en organen van de Unie of nationale overheidsinstanties voorschijven of toestaan de door bedrijven ingediende informatie waarover deze instellingen, organen of instanties beschikken krachtens, en in overeenstemming met, in het Unierecht of het nationaal recht omschreven verplichtingen en prerogatieven, openbaar te maken;

d)

de autonomie van de sociale partners en hun recht om collectieve overeenkomsten te sluiten in overeenstemming met het Unie- en het nationale recht en nationale praktijken.

3.   Niets in deze richtlijn mag worden opgevat als een grond om de mobiliteit van werknemers te beperken. In het bijzonder biedt deze richtlijn, met betrekking tot de uitoefening van deze mobiliteit, geen enkele grond om:

a)

werknemers te beperken in het gebruik van informatie die geen bedrijfsgeheim als omschreven in artikel 2, punt 1, vormt;

b)

werknemers te beperken in het gebruik van ervaringen en vaardigheden die zij op eerlijke wijze tijdens de normale uitoefening van hun functie hebben opgedaan;

c)

andere aanvullende beperkingen op te leggen aan werknemers in hun arbeidsovereenkomsten dan die welke zijn opgelegd in overeenstemming met het Unie- of nationale recht.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.   „bedrijfsgeheim”: informatie die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:

a)

de informatie is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;

b)

de informatie bezit handelswaarde omdat zij geheim is, en

c)

de informatie is door de persoon die rechtmatig daarover beschikt onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden;

2.   „houder van het bedrijfsgeheim”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt;

3.   „inbreukmaker”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die een bedrijfsgeheim onrechtmatig heeft verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt;

4.   „inbreukmakende goederen”: goederen waarvan het ontwerp, de kenmerken, de werking, het productieproces of het in de handel brengen aanzienlijk baat hebben bij bedrijfsgeheimen die onrechtmatig zijn verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt.

HOOFDSTUK II

Het verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen

Artikel 3

Het rechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen

1.   De verkrijging van een bedrijfsgeheim wordt als rechtmatig beschouwd indien het bedrijfsgeheim wordt verkregen op een van de volgende manieren:

a)

onafhankelijke ontdekking of onafhankelijk ontwerp;

b)

observatie, onderzoek, demontage of testen van een product of voorwerp dat ter beschikking van het publiek is gesteld of dat op een rechtmatige manier in het bezit is van de persoon die de informatie verwerft en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting de verkrijging van het bedrijfsgeheim te beperken;

c)

uitoefening van het recht van werknemers of werknemersvertegenwoordigers op informatie en raadpleging in overeenstemming met het Unie- en het nationale recht en de nationale praktijken;

d)

iedere andere praktijk die, gezien de omstandigheden, in overeenstemming is met eerlijke handelspraktijken.

2.   Het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim wordt als rechtmatig beschouwd voor zover dit verkrijgen, gebruiken of openbaar maken bij het Unie- of nationale recht vereist of toegestaan is.

Artikel 4

Het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de houders van bedrijfsgeheimen het recht hebben te verzoeken om de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die in deze richtlijn zijn vastgesteld ter voorkoming van, of om schadeloosstelling te verkrijgen voor, het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van hun bedrijfsgeheim.

2.   De verkrijging van een bedrijfsgeheim zonder de toestemming van de houder van het bedrijfsgeheim wordt als onrechtmatig beschouwd wanneer de verkrijging gebeurde door middel van:

a)

onbevoegde toegang tot of het zich onbevoegd toe-eigenen of kopiëren van documenten, voorwerpen, materialen, substanties of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid;

b)

andere gedragingen die, gezien de omstandigheden, worden beschouwd als strijdig met eerlijke handelspraktijken.

3.   Het gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim wordt als onrechtmatig beschouwd wanneer dit, zonder de toestemming van de houder van het bedrijfsgeheim, wordt verricht door een persoon die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

a)

het bedrijfsgeheim op onrechtmatige manier verkregen hebben;

b)

een inbreuk maken op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim;

c)

een inbreuk maken op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim.

4.   Het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim wordt ook als onrechtmatig beschouwd wanneer een persoon op het moment van het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een andere persoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte in de zin van lid 3.

5.   Het produceren, aanbieden of in de handel brengen van inbreukmakende goederen, of de invoer, uitvoer of opslag van inbreukmakende goederen voor die doeleinden, wordt ook als een onrechtmatig gebruik van een bedrijfsgeheim beschouwd wanneer de persoon die dergelijke activiteiten uitvoert, wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim onrechtmatig werd gebruikt in de zin van lid 3.

Artikel 5

Uitzonderingen

De lidstaten dragen er zorg voor dat een verzoek om toepassing van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die in deze richtlijn zijn vastgesteld, wordt afgewezen wanneer het vermeende verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim in een van de volgende gevallen plaatsvond:

a)

het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie zoals neergelegd in het Handvest, met inbegrip van de eerbiediging van de vrijheid en het pluralisme van de media;

b)

het onthullen van wangedrag, fouten of illegale activiteiten, op voorwaarde dat de verweerder handelde met het oog op de bescherming van het algemeen openbaar belang;

c)

het openbaar maken van het bedrijfsgeheim door werknemers aan hun vertegenwoordigers in het kader van de rechtmatige uitoefening van hun vertegenwoordigende functies overeenkomstig het Unie- of nationale recht, op voorwaarde dat deze openbaarmaking noodzakelijk was voor deze uitoefening;

d)

met het oog op de bescherming van een rechtmatig belang dat erkend is in het Unie- of nationale recht.

HOOFDSTUK III

Maatregelen, procedures en rechtsmiddelen

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 6

Algemene verplichting

1.   De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om te waarborgen dat tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen een civiele vordering kan worden ingesteld.

2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn:

a)

eerlijk en billijk;

b)

niet onnodig ingewikkeld of duur en houden geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen in, en

c)

doeltreffend en afschrikkend.

Artikel 7

Evenredigheid en misbruik van procesrecht

1.   De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet, worden toegepast op een manier die:

a)

evenredig is;

b)

het ontstaan van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer binnen de interne markt vermijdt, en

c)

waarborgt dat ze niet worden misbruikt.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties, op verzoek van de verweerder, passende maatregelen als bedoeld in het nationale recht kunnen toepassen, wanneer een vordering betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim kennelijk ongegrond is en wordt vastgesteld dat de eiser de gerechtelijke procedure met het oog op misbruik of te kwader trouw heeft ingeleid. Die maatregelen kunnen, in voorkomend geval, betrekking hebben op het toekennen van schadevergoeding aan de verweerder, het opleggen van sancties aan de eiser of het laten verspreiden van informatie over een beslissing als bedoeld in artikel 15.

De lidstaten kunnen bepalen dat de in de eerste alinea bedoelde maatregelen in een afzonderlijke gerechtelijke procedure worden behandeld.

Artikel 8

Verjaringstermijn

1.   De lidstaten stellen overeenkomstig dit artikel regels vast inzake de verjaringstermijnen die gelden voor vorderingen ten gronde en voor het indienen van vorderingen tot toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen als bedoeld in deze richtlijn.

In de in de eerste alinea bedoelde regels wordt het moment bepaald waarop de verjaringstermijn begint te lopen, de duur van de verjaringstermijn en de omstandigheden waaronder de verjaringstermijn wordt gestuit of geschorst.

2.   De duur van de verjaringstermijn bedraagt maximaal zes jaar.

Artikel 9

Het bewaren van de vertrouwelijkheid van bedrijfsgeheimen tijdens gerechtelijke procedures

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de partijen, hun advocaten of andere vertegenwoordigers, gerechtsfunctionarissen, getuigen, deskundigen en alle andere personen die deelnemen aan gerechtelijke procedures betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, of die toegang hebben tot de documenten die deel uitmaken van deze gerechtelijke procedures, geen bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen mogen gebruiken of openbaar maken die de bevoegde rechterlijke instanties, op een deugdelijk gemotiveerd verzoek van een belanghebbende partij, als vertrouwelijk hebben aangemerkt en die hun ter kennis zijn gekomen als gevolg van een dergelijke deelname of toegang. lidstaten kunnen ook toestaan dat de bevoegde rechterlijke instanties dergelijke maatregelen op eigen initiatief nemen.

De in de eerste alinea genoemde verplichting blijft van kracht na beëindiging van de gerechtelijke procedures. Deze verplichting houdt evenwel op te bestaan in elk van de volgende situaties:

a)

wanneer bij definitieve beslissing is vastgesteld dat het vermeende bedrijfsgeheim niet voldoet aan de in artikel 2, punt 1), bepaalde voorwaarden, of

b)

wanneer na verloop van tijd de desbetreffende informatie algemeen bekend wordt bij of gemakkelijk toegankelijk wordt voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie.

2.   De lidstaten dragen er ook zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties, op een met voldoende redenen omkleed verzoek van een partij, specifieke maatregelen kunnen nemen die nodig zijn om de vertrouwelijkheid te bewaren van een bedrijfsgeheim of een vermeend bedrijfsgeheim dat tijdens de gerechtelijke procedure betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim wordt gebruikt of genoemd. lidstaten kunnen ook toestaan dat de bevoegde rechterlijke instanties dergelijke maatregelen op eigen initiatief nemen.

De in de eerste alinea genoemde maatregelen omvatten minstens de mogelijkheid om:

a)

de toegang tot de documenten die bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen bevatten die de partijen of derden hebben ingediend, volledig of gedeeltelijk te beperken tot een gelimiteerd aantal personen;

b)

de toegang tot hoorzittingen waarin die bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen openbaar kunnen worden gemaakt, en tot de verslagen of afschriften van deze hoorzittingen, te beperken tot een beperkt aantal personen;

c)

een niet-vertrouwelijke versie van rechterlijke uitspraken ter beschikking te stellen aan anderen dan degenen die tot het beperkt aantal personen bedoeld onder a) en b) behoren, waarin de delen die de bedrijfsgeheimen bevatten, zijn geschrapt of bewerkt.

Het in de tweede alinea, onder a) en b), bedoelde aantal personen is niet groter dan nodig is om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan het recht voor de partijen bij de gerechtelijke procedure op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, en omvat ten minste één natuurlijk persoon van elke partij alsmede de respectieve advocaten of andere vertegenwoordigers van deze partijen bij de gerechtelijke procedure.

3.   Wanneer de bevoegde rechterlijke instanties beslissen over de in lid 2 bedoelde maatregelen en zij de evenredigheid ervan beoordelen, dan nemen zij het waarborgen van recht op een doeltreffende voorziening en op een eerlijk proces in acht, alsmede de rechtmatige belangen van de partijen en, indien van toepassing, van derden, alsook de mogelijke schade voor een van de partijen en, indien van toepassing, voor derden, als gevolg van het bevelen of afwijzen van dergelijke maatregelen.

4.   Het verwerken van persoonsgegevens krachtens de leden 1, 2 of 3 vindt plaats in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG.

Afdeling 2

Voorlopige en conservatoire maatregelen

Artikel 10

Voorlopige en conservatoire maatregelen

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties, op verzoek van de houder van het bedrijfsgeheim, een of meer van de volgende voorlopige en conservatoire maatregelen kunnen nemen jegens de vermeende inbreukmaker:

a)

de staking van, of, indien van toepassing, het verbod op het gebruik of de openbaarmaking van het bedrijfsgeheim op voorlopige basis;

b)

het verbod om inbreukmakende goederen te produceren, aan te bieden, in de handel te brengen of te gebruiken, of om inbreukmakende goederen voor deze doeleinden in te voeren, uit te voeren of op te slaan;

c)

de beslaglegging of afgifte van de verdachte inbreukmakende goederen, met inbegrip van ingevoerde goederen, om te vermijden dat ze in de handel worden gebracht of zich in het handelsverkeer bevinden.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de rechterlijke instanties, als alternatief voor de in lid 1 bedoelde maatregelen, aan de voortzetting van het vermeende onrechtmatige gebruik van een bedrijfsgeheim de voorwaarde kunnen verbinden dat een zekerheid wordt gesteld voor de schadeloosstelling van de houder van het bedrijfsgeheim. Het openbaar maken van een bedrijfsgeheim in ruil voor het stellen van zekerheden is niet toegestaan.

Artikel 11

Voorwaarden voor toepassing en waarborgen

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties met betrekking tot de in artikel 10 genoemde maatregelen de bevoegdheid hebben om van de eiser te verlangen dat hij elk redelijkerwijs beschikbaar te achten bewijsmateriaal overlegt opdat zij zich er met een voldoende mate van zekerheid van kunnen vergewissen dat:

a)

een bedrijfsgeheim bestaat;

b)

de eiser de houder van het bedrijfsgeheim is; en

c)

het bedrijfsgeheim onrechtmatig werd verkregen, wordt gebruikt of werd openbaargemaakt, of dat een onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of onrechtmatig gebruik van het bedrijfsgeheim dreigt.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties bij het beslissen over het inwilligen of verwerpen van het verzoek en bij het beoordelen van de evenredigheid van het verzoek, verplicht zijn rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval, met inbegrip van, in voorkomend geval:

a)

de waarde en andere specifieke kenmerken van het bedrijfsgeheim;

b)

de maatregelen die zijn genomen om het bedrijfsgeheim te beschermen;

c)

de handelwijze van de verweerder bij het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;

d)

de effecten van het onrechtmatig gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;

e)

de rechtmatige belangen van de partijen en de mogelijke effecten van het bevelen of afwijzen van de maatregelen voor de partijen;

f)

de rechtmatige belangen van derden; en

g)

het algemeen belang;

h)

de bescherming van grondrechten.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de in artikel 10 genoemde maatregelen, op verzoek van de verweerder, worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben, indien:

a)

de eiser geen gerechtelijke procedure inleidt ter verkrijging van een beslissing ten principale bij de bevoegde rechterlijke instantie, binnen een redelijke termijn die is bepaald door de rechterlijke instantie die de maatregelen beveelt, indien het recht van een lidstaat dit toestaat of, bij gebrek aan een dergelijke bepaling, binnen een termijn van maximaal 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, afhankelijk van welke termijn de langste is;

b)

de betreffende informatie niet langer voldoet aan de eisen van artikel 2, punt 1), op gronden die niet aan de verweerder kunnen worden toegerekend.

4.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties aan de in artikel 10 genoemde maatregelen de voorwaarde kunnen verbinden dat de eiser een passende zekerheid of een gelijkwaardige garantie stelt voor de eventuele schadeloosstelling van de schade die door de verweerder en, indien van toepassing, door andere personen voor wie de maatregelen gevolgen hebben, is geleden.

5.   Wanneer de in artikel 10 bedoelde maatregelen worden herroepen op basis van lid 3, onder a), van dit artikel, wanneer ze vervallen als gevolg van enig handelen of nalaten van de eiser, of wanneer daarna wordt vastgesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim of dreiging van dergelijk gedrag, hebben de bevoegde rechterlijke instanties de bevoegdheid om, op verzoek van de verweerder of een benadeelde derde, de eiser te bevelen de verweerder of de benadeelde derde een passende schadeloosstelling te bieden voor de door deze maatregelen toegebrachte schade.

De lidstaten kunnen bepalen dat het in de eerste alinea bedoelde verzoek om schadeloosstelling in een afzonderlijke gerechtelijke procedure worden behandeld.

Afdeling 3

Maatregelen als gevolg van een beslissing ten principale

Artikel 12

Rechterlijke bevelen en corrigerende maatregelen

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer in een rechterlijke beslissing ten principale is beslist dat er sprake is van onrechtmatige verkrijging of openbaarmaking of onrechtmatig gebruik van een bedrijfsgeheim, de bevoegde rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, jegens de inbreukmaker een of meer van de volgende maatregelen kunnen bevelen:

a)

de staking van, of, indien van toepassing, het verbod op het gebruik of de openbaarmaking van het bedrijfsgeheim;

b)

het verbod om inbreukmakende goederen te produceren, aan te bieden, in de handel te brengen of te gebruiken, of om inbreukmakende goederen voor deze doeleinden in te voeren, uit te voeren of op te slaan;

c)

de toepassing van passende corrigerende maatregelen met betrekking tot de inbreukmakende goederen;

d)

de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de documenten, voorwerpen, materialen, substanties of elektronische bestanden die het bedrijfsgeheim bevatten belichamen, of, indien van toepassing, de gehele of gedeeltelijke overhandiging aan de eiser van die documenten, voorwerpen, materialen, substanties of elektronische bestanden.

2.   De corrigerende maatregelen bedoeld in lid 1, onder c), omvatten:

a)

het terugroepen van de inbreukmakende goederen van de markt;

b)

het ontdoen van de inbreukmakende goederen van hun inbreukmakende hoedanigheid;

c)

de vernietiging van de inbreukmakende goederen of, indien van toepassing, het uit de handel nemen ervan, op voorwaarde dat het uit de handel nemen geen afbreuk doet aan de bescherming van het betrokken bedrijfsgeheim.

3.   De lidstaten kunnen bepalen dat, wanneer hun bevoegde rechterlijke instanties bevelen de inbreukmakende goederen uit de handel te nemen, deze instanties, op verzoek van de houder van het bedrijfsgeheim, kunnen bevelen de goederen aan de houder of aan liefdadigheidsorganisaties te overhandigen.

4.   De bevoegde rechterlijke instanties bevelen dat de in lid 1, onder c) en d), bedoelde maatregelen worden uitgevoerd op kosten van de inbreukmaker, tenzij er bijzondere redenen zijn om dit niet te doen. Die maatregelen doen geen afbreuk aan enige schadevergoeding die aan de houder van het bedrijfsgeheim verschuldigd kan zijn vanwege het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim.

Artikel 13

Voorwaarden voor toepassing, waarborgen en alternatieve maatregelen

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties bij het beslissen over een eis tot vaststelling van rechterlijke bevelen en corrigerende maatregelen als bedoeld in artikel 12 en bij het beoordelen van de evenredigheid ervan, verplicht zijn rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval, met inbegrip van, in voorkomend geval:

a)

de waarde of andere specifieke kenmerken van het bedrijfsgeheim;

b)

de maatregelen die zijn genomen om het bedrijfsgeheim te beschermen;

c)

de handelwijze van de inbreukmaker bij het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;

d)

de effecten van het onrechtmatig gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;

e)

de rechtmatige belangen van de partijen en de mogelijke gevolgen van het bevelen of afwijzen van de maatregelen voor de partijen;

f)

de rechtmatige belangen van derden;

g)

het algemeen belang, en

h)

de bescherming van grondrechten.

Wanneer de bevoegde rechterlijke instanties de looptijd van de in artikel 12, lid 1, onder a) en b), genoemde maatregel beperken, moet deze looptijd toch voldoende lang zijn om de handels- en economische voordelen teniet te doen die de inbreukmaker zou hebben kunnen halen uit het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de in artikel 12, lid 1, onder a) en b), genoemde maatregelen, op verzoek van de verweerder, worden ingetrokken of op een andere wijze niet langer uitwerking hebben, indien de desbetreffende informatie niet langer voldoet aan de vereisten van artikel 2, punt 1), op gronden die niet direct of indirect aan de verweerder kunnen worden toegerekend.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instantie, op verzoek van de persoon jegens wie de in artikel 12 genoemde maatregelen kunnen worden genomen, kan bevelen om in plaats van de toepassing van deze maatregelen een geldelijke schadeloosstelling te betalen aan de benadeelde partij, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

op het moment van het gebruiken of openbaar maken wist de betrokkene niet of had hij gezien de omstandigheden niet hoeven weten dat het bedrijfsgeheim werd verkregen van een andere persoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte;

b)

de uitvoering van de betrokken maatregelen zou die persoon onevenredige schade toebrengen, en

c)

de geldelijke schadeloosstelling aan de benadeelde partij lijkt redelijkerwijs bevredigend.

Wanneer geldelijke schadeloosstelling wordt bevolen in plaats van de in artikel 12, lid 1, onder a) en b), genoemde maatregelen, mag deze niet meer bedragen dan het bedrag van de royalty's of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien die persoon toestemming had gevraagd om het desbetreffende bedrijfsgeheim te gebruiken, voor de periode waarin het gebruik van het bedrijfsgeheim verboden had kunnen worden.

Artikel 14

Schadevergoeding

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties, op verzoek van de benadeelde partij, een inbreukmaker die wist of had moeten weten dat hij bezig was met het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, bevelen aan de houder van het bedrijfsgeheim een passende vergoeding te betalen tot herstel van de schade die is geleden als gevolg van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim.

De lidstaten kunnen de aansprakelijkheid voor schade van werknemers tegenover hun werkgevers voor het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim van de werkgever beperken indien zij zonder opzet handelen.

2.   De bevoegde rechterlijke instanties houden bij het vaststellen van de in lid 1 bedoelde schadevergoeding rekening met alle passende factoren, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in passende gevallen, andere elementen dan economische factoren, zoals de morele schade die de houder van het bedrijfsgeheim door het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim heeft geleden.

De bevoegde rechterlijke instanties kunnen echter ook, in voorkomend geval, de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag op basis van elementen, waaronder ten minste het bedrag aan royalty's of vergoedingen dat verschuldigd zou zijn geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het betrokken bedrijfsgeheim te gebruiken.

Artikel 15

Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van gerechtelijke procedures wegens het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, op verzoek van de eiser en op kosten van de inbreukmaker, passende maatregelen kunnen bevelen ter verspreiding van de informatie over de uitspraak, met inbegrip van volledige of gedeeltelijke openbaarmaking.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen laten de vertrouwelijkheid van bedrijfsgeheimen onverlet, zoals bepaald in artikel 9.

3.   De bevoegde rechterlijke instanties houden, bij de beslissing over een bevel tot een in lid 1 bedoelde maatregel en bij de beoordeling van de evenredigheid ervan, in voorkomend geval rekening met de waarde van het bedrijfsgeheim, de handelswijze van de inbreukmaker bij het verkrijgen, het gebruiken of het openbaar maken van het bedrijfsgeheim, de effecten van het onrechtmatig gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim, alsmede met de kans dat de inbreukmaker het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier blijft gebruiken of openbaar maken.

De bevoegde rechterlijke instanties houden tevens rekening met de vraag of de informatie over de inbreukmaker kan leiden tot het identificeren van een natuurlijk persoon en, indien dit het geval is, of de bekendmaking van deze informatie gerechtvaardigd is, met name in het licht van de mogelijke schade die een dergelijke maatregel kan veroorzaken voor de persoonlijke levenssfeer en reputatie van de inbreukmaker.

HOOFDSTUK IV

Sancties, verslaglegging en slotbepalingen

Artikel 16

Sancties voor het niet-naleven van deze richtlijn

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties sancties kunnen opleggen aan personen die niet voldoen, of weigeren te voldoen aan de maatregelen die worden vastgesteld krachtens de artikelen 9, 10 en 12.

Deze sancties omvatten de mogelijkheid om een dwangsom op te leggen indien niet wordt voldaan aan een maatregel die wordt vastgesteld krachtens de artikelen 10 en 12.

De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 17

Informatie-uitwisseling en correspondenten

Ter bevordering van de samenwerking, waaronder het uitwisselen van informatie, tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie, benoemt elke lidstaat een of meer nationale correspondenten voor al hetgeen verband houdt met de uitvoering van de maatregelen waarin deze richtlijn voorziet. De lidstaat deelt de contactgegevens van de nationale correspondent(en) mee aan de andere lidstaten en aan de Commissie.

Artikel 18

Verslagen

1.   Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie stelt uiterlijk 9 juni 2021, in het kader van de activiteiten van het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, een eerste verslag op over de tendensen inzake de procesvoering betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen krachtens de toepassing van deze richtlijn.

2.   De Commissie stelt uiterlijk 9 juni 2022 een tussentijds verslag op over de toepassing van deze richtlijn en dient dit verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. In dat verslag wordt naar behoren rekening gehouden met het in lid 1 bedoelde verslag.

Met name wordt in dit tussentijds verslag nagegaan wat de mogelijke gevolgen van de toepassing van deze richtlijn zijn voor onderzoek en innovatie, voor de mobiliteit van werknemers en voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie.

3.   Uiterlijk 9 juni 2026 beoordeelt de Commissie de effecten van deze richtlijn en dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad.

Artikel 19

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 9 juni 2018 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 21

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 8 juni 2016.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

A.G. KOENDERS


(1)  PB C 226 van 16.7.2014, blz. 48.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 14 april 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 mei 2016.

(3)  Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(5)  Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13).

(6)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(7)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 inzake het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(9)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(10)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(11)  Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45).

(12)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

15.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/19


BESLUIT (EU) 2016/944 VAN DE RAAD

van 6 juni 2016

betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System — GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 172, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit 2006/700/EG van de Raad (2) is, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum, de Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System — GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (3) („de overeenkomst”), op 9 september 2006 ondertekend.

(2)

De overeenkomst heeft tot doel de samenwerking tussen de partijen op het gebied van civiele mondiale satellietnavigatie te stimuleren, vergemakkelijken en versterken.

(3)

Voor besluiten die rechtsgevolgen hebben of die de toepassing van de overeenkomst opschorten, wordt het standpunt van de Unie in het comité dat is opgericht overeenkomstig artikel 14 van de overeenkomst („het comité”), op voorstel van de Commissie, door de Raad vastgesteld.

(4)

Voor door het comité te behandelen vraagstukken die geen rechtsgevolgen hebben, coördineert de Commissie het standpunt van de Unie met de lidstaten.

(5)

De overeenkomst moet namens de Europese Unie worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal navigatiesatellietsysteem (Civil Global Navigation Satellite System — GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, wordt namens de Europese Unie goedgekeurd (4).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst de persoon aan die bevoegd is om namens de Europese Unie de in artikel 18, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving te zenden teneinde kenbaar te maken dat de Europese Unie ermee instemt door de overeenkomst (5) gebonden te zijn en doet de volgende kennisgeving:

„Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 heeft de Europese Unie de Europese Gemeenschap vervangen als haar opvolgster en vanaf die datum oefent de Unie alle rechten van de Europese Gemeenschap uit en neemt zij alle verplichtingen van de Gemeenschap op zich. Derhalve worden verwijzingen naar „de Europese Gemeenschap” in de tekst van de overeenkomst gelezen als „de Europese Unie”.”.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 6 juni 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

H.G.J. KAMP


(1)  Goedkeuring verleend op 10 mei 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit 2006/700/EG van de Raad van 1 september 2006 betreffende de ondertekening, namens de Gemeenschap, van de Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (PB L 288 van 19.10.2006, blz. 30).

(3)  Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (PB L 288 van 19.10.2006, blz. 31).

(4)  De tekst is samen met het besluit betreffende de ondertekening bekendgemaakt in PB L 288 van 19.10.2006, blz. 31.

(5)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt door het secretariaat-generaal van de Raad bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


VERORDENINGEN

15.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/945 VAN DE COMMISSIE

van 14 juni 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juni 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

132,8

TR

69,0

ZZ

100,9

0709 93 10

TR

148,7

ZZ

148,7

0805 50 10

AR

160,2

MA

179,9

TR

157,0

ZA

176,3

ZZ

168,4

0808 10 80

AR

122,6

BR

108,7

CL

138,7

CN

102,3

NZ

150,1

US

185,9

ZA

115,7

ZZ

132,0

0809 10 00

TR

259,2

ZZ

259,2

0809 29 00

TR

472,5

US

888,6

ZZ

680,6

0809 30 10 , 0809 30 90

TR

107,9

ZZ

107,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

15.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/23


BESLUIT (EU) 2016/946 VAN DE RAAD

van 9 juni 2016

tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden overeenkomstig artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1523 en artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1601 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 78, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kan de Raad, indien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen.

(2)

Overeenkomstig artikel 80 VWEU dienen aan het beleid van de Unie op het gebied van grenscontroles, asiel en immigratie en de uitvoering daarvan de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten ten grondslag te liggen en dienen de handelingen van de Unie die op dat gebied worden vastgesteld, passende bepalingen voor de toepassing van dit beginsel te bevatten.

(3)

Op grond van artikel 78, lid 3, VWEU heeft de Raad twee besluiten vastgesteld tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland. Op grond van Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad (2) moeten 40 000 verzoekers om internationale bescherming uit Italië en uit Griekenland in de andere lidstaten worden herplaatst. Op grond van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad (3) moeten 120 000 verzoekers om internationale bescherming uit Italië en uit Griekenland in de andere lidstaten worden herplaatst.

(4)

In artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1523 en artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1601 is bepaald dat de Raad, mocht een lidstaat ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, ten gunste van de betrokken lidstaat voorlopige maatregelen kan vaststellen, overeenkomstig artikel 78, lid 3, VWEU. Dergelijke maatregelen kunnen in voorkomend geval de opschorting van de deelname van die lidstaat aan de herplaatsing als bepaald in die besluiten inhouden, alsmede mogelijke compenserende maatregelen voor Italië en voor Griekenland.

(5)

Zweden wordt geconfronteerd met een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen op zijn grondgebied door een sterke verschuiving van migratiestromen. Op 8 december 2015 heeft Zweden formeel verzocht om opschorting van zijn verplichtingen uit hoofde van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601.

(6)

De aanzienlijke toename van irreguliere grensoverschrijdingen naar de Unie en van secundaire stromen in de Unie heeft geresulteerd in een sterke toename in Zweden van het aantal verzoeken om internationale bescherming, voornamelijk van personen die de Unie via Italië en Griekenland zijn binnengekomen.

(7)

Cijfers van Eurostat bevestigen een sterke toename in Zweden van het aantal verzoekers om internationale bescherming. Het aantal verzoekers om internationale bescherming is met meer dan 60 % toegenomen, van 68 245 verzoekers in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober 2014 tot 112 040 verzoekers in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober 2015.

(8)

Het aantal verzoekers om internationale bescherming per maand heeft recentelijk een nog hoger peil bereikt: het aantal verzoekers is tussen augustus (11 735) en september (24 261) verdubbeld en kwam in oktober 2015 uit op 39 055 (een stijging met 61 % tegenover september).

(9)

Zweden had in 2015 veruit het hoogste aantal verzoekers om internationale bescherming per hoofd van de bevolking in de Unie, met 11 503 verzoekers per miljoen inwoners.

(10)

Ook wordt Zweden met een moeilijke situatie geconfronteerd als gevolg van de recente aanzienlijke stijging van het aantal niet-begeleide minderjarigen: één op vier verzoekers verklaart een niet-begeleide minderjarige te zijn.

(11)

De huidige situatie heeft het Zweedse asiel- en migratiestelsel onder zeer aanzienlijke druk gezet, met ernstige praktische gevolgen op het terrein wat betreft de opvangvoorzieningen en de capaciteit van het asiel- en migratiestelsel om aanvragen te verwerken. Om de aanzienlijke druk waaronder Zweden staat, te helpen verlichten, dienen de verplichtingen van Zweden als lidstaat van herplaatsing op grond van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 voor één jaar te worden opgeschort.

(12)

De opschorting dient te worden aangevuld, waar passend, met operationele ondersteunende maatregelen die door het EASO en, zo nodig, door andere betrokken agentschappen worden gecoördineerd.

(13)

Zweden dient de Raad en de Commissie een routekaart voor te leggen waarin de maatregelen zijn uitgetekend die het zal nemen om de doeltreffendheid van zijn asiel- en migratiestelsel te garanderen en om zijn verplichtingen uit hoofde van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad te hervatten zodra de opschorting van zijn verplichtingen ophoudt effect te sorteren.

(14)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna „VEU” genoemd) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan hetgeen nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(15)

Dit besluit eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn neergelegd.

(16)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dat protocol niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaten.

(17)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit, en is dat protocol niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken.

(18)

Gezien het spoedeisende karakter van de situatie dient dit besluit in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij dit besluit worden voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ingesteld ten gunste van Zweden, teneinde deze lidstaat te helpen beter het hoofd te bieden aan een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen.

Artikel 2

Opschorting van verplichtingen uit hoofde van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601

De verplichtingen van Zweden als lidstaat van herplaatsing op grond van Besluit (EU) 2015/1523 en Besluit (EU) 2015/1601 worden opgeschort tot en met 16 juni 2017.

Artikel 3

Operationele steun voor Zweden

Om Zweden in staat te stellen beter het hoofd te bieden aan de uitzonderlijke druk die op zijn asiel- en migratiestelsel wordt gelegd, wordt, waar passend, operationele steun aan Zweden verleend via activiteiten die door het EASO en andere betrokken agentschappen worden gecoördineerd.

Artikel 4

Door Zweden te nemen aanvullende maatregelen

Uiterlijk op 16 juli 2016 legt Zweden de Raad en de Commissie een routekaart voor met de maatregelen die het zal nemen om de doeltreffendheid van zijn asiel- en migratiestelsel te garanderen en om zijn verplichtingen uit hoofde van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 te hervatten zodra de in artikel 2 bedoelde opschorting ophoudt effect te sorteren.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 9 juni 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

G.A. VAN DER STEUR


(1)  Advies van 26 mei 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad van 14 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 146).

(3)  Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 80).


15.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/26


BESLUIT (GBVB) 2016/947 VAN DE RAAD

van 14 juni 2016

tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo (*) (EULEX KOSOVO)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 4 februari 2008 heeft de Raad Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB (1) vastgesteld.

(2)

Op 12 juni 2014 heeft de Raad Besluit 2014/349/GBVB (2) vastgesteld, waarbij Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB werd gewijzigd en tot en met 14 juni 2016 werd verlengd.

(3)

Op 11 juni 2015 heeft de Raad Besluit 2015/901/GBVB (3) tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB vastgesteld, met een financieel referentiebedrag voor de periode van 15 juni 2015 tot en met 14 juni 2016.

(4)

Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB dient te worden gewijzigd om het mandaat van EULEX KOSOVO te verlengen tot en met 14 juni 2018 en om te voorzien in een nieuw financieel referentiebedrag voor de periode van 15 juni 2016 tot en met 14 juni 2017.

(5)

Niets in dit besluit mag zodanig worden uitgelegd dat het nadelig is voor de onafhankelijkheid en de autonomie van de rechters en de openbare aanklagers.

(6)

Gezien het speciale karakter van de activiteiten van EULEX KOSOVO die de verplaatste gerechtelijke procedures binnen een lidstaat ondersteunen, is het passend in dit besluit aan te wijzen welk bedrag nodig is voor de ondersteuning van de verplaatste gerechtelijke procedures binnen een lidstaat en in de tenuitvoerlegging van dat deel van de begroting te voorzien door middel van een subsidie.

(7)

EULEX KOSOVO zal worden uitgevoerd in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag kan hinderen.

(8)

Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de volgende alinea's ingevoegd:

„Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven voor EULEX KOSOVO van 15 juni 2016 tot en met 14 juni 2017 moet dekken, bedraagt 63 600 000 EUR.

Van het in de negende alinea genoemde bedrag wordt 34 500 000 EUR gebruikt voor de uitgaven van EULEX KOSOVO ten behoeve van de vervulling van zijn mandaat in Kosovo van 15 juni tot en met 14 december 2016 en wordt 29 100 000 EUR gebruikt voor de ondersteuning van de verplaatste gerechtelijke procedures binnen een lidstaat van 15 juni 2016 tot en met 14 juni 2017. Het laatstgenoemde bedrag wordt met terugwerkende kracht eveneens gebruikt voor de uitgaven die per 1 april 2016 zijn gemaakt voor de ondersteuning van de verplaatste gerechtelijke procedures. De Commissie sluit voor dat bedrag een subsidieovereenkomst met een griffier die optreedt voor een griffie die verantwoordelijk is voor de administratie van de verplaatste gerechtelijke procedure. De regels voor subsidies van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (**) zijn van toepassing op deze subsidieovereenkomst.

Het financiële referentiebedrag voor de daaropvolgende periode voor EULEX KOSOVO wordt vastgesteld door de Raad.

(**)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).”;"

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Behalve voor het in lid 1, tiende alinea, genoemde bedrag voor de ondersteuning van de verplaatste gerechtelijke procedures binnen een lidstaat, is EULEX KOSOVO verantwoordelijk voor de financiële uitvoering van de begroting van de missie. Daartoe ondertekent EULEX KOSOVO een overeenkomst met de Commissie.”.

2)

Artikel 20, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Het verstrijkt op 14 juni 2018. De Raad, handelend op voorstel van de hoge vertegenwoordiger en met inachtneming van bijkomende fondsen voor financiering alsmede bijdragen van andere partners, neemt de nodige besluiten om ervoor te zorgen dat het mandaat van EULEX KOSOVO ter ondersteuning van de verplaatste gerechtelijke procedures, als bedoeld in artikel 3 bis, en de betrokken noodzakelijke financiële middelen van toepassing blijven totdat deze gerechtelijke procedures zijn afgerond.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 14 juni 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

A.G. KOENDERS


(*)  Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

(1)  Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB van de Raad van 4 februari 2008 inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO (PB L 42 van 16.2.2008, blz. 92).

(2)  Besluit 2014/349/GBVB van de Raad van 12 juni 2014 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO (PB L 174 van 13.6.2014, blz. 42).

(3)  Besluit (GBVB) 2015/901 van de Raad van 11 juni 2015 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO (PB L 147 van 12.6.2015, blz. 21).


15.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/28


BESLUIT (EU) 2016/948 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 1 juni 2016

betreffende de tenuitvoerlegging van het aankoopprogramma bedrijfssector (ECB/2016/16)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 127, lid 2, eerste streepje,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 12.1, tweede alinea, in samenhang met artikel 3.1, eerste streepje en artikel 18.1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Centrale Bank (ECB), samen met nationale centrale banken van de eurogebiedlidstaten, mag op de financiële markten opereren door de onvoorwaardelijke aan- en verkoop van verhandelbaar papier.

(2)

Besluit ECB/2014/40 (1) dat een derde programma voor de aankoop van gedekte obligaties invoerde, werd op 15 oktober 2014 vastgesteld. Besluit (EU) 2015/5 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/45) (2) dat een programma voor de aankoop van effecten op onderpand van activa invoerde, werd op 19 november 2014 vastgesteld. Besluit (EU) 2015/774 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/10) (3) voerde een overheidsprogramma voor de aankoop van activa op secundaire markten in (hierna het „PSPP”) werd op 4 maart 2015 vastgesteld en breidde de vigerende activa-aankoopprogramma's uit. Naast de gerichte langerlopende herfinancieringstransacties krachtens Besluit (EU) 2014/34 van de Europese Centrale Bank (4) en Besluit (EU) 2016/810 van de Europese Centrale Bank (ECB/2016/10) (5), beogen deze activa-aankoopprogramma's een verdere verbetering van de doorwerking van het monetaire beleid, de kredietverstrekking aan de eurogebiedeconomie te bevorderen, minder strenge leningvoorwaarden voor huishoudens en ondernemingen te bewerkstelligen en ertoe bij te dragen dat de middellangetermijninflatie weer net onder 2 % zal liggen, hetgeen strookt met de primaire ECB-doelstelling de prijsstabiliteit te handhaven.

(3)

Op 10 maart 2016 heeft de Raad van bestuur besloten de bovengenoemde activa-aankoopprogramma's verder uit te breiden en een aankoopprogramma bedrijfssector (CSPP) te initiëren als onderdeel van het gemeenschappelijk monetair beleid en ter verwezenlijking van haar prijsstabiliteitdoelstelling. Dit besluit werd genomen om de doorwerking van de activa-aankopen door het Eurosysteem naar de financieringsvoorwaarden van de reële economie verder te verstreken, en om in samenhang met de overige vigerende niet-standaardmonetairbeleidsmaatregelen een verdere versoepeling van het monetair beleid te bevorderen en ertoe bij te dragen dat de inflatie op middellange termijn weer net onder 2 % zal komen te liggen.

(4)

Het CSPP zal deel uitmaken van het activa-aankoopprogramma (APP) krachtens welk programma aankopen beoogd worden tot eind maart 2017, dan wel langer, indien noodzakelijk, en in ieder geval tot de Raad van bestuur vaststelt dat de inflatieontwikkeling stabiel is, hetgeen strookt met de doelstelling om op middellange termijn een inflatiepercentage van net onder de 2 % te realiseren.

(5)

Het CSPP moet een aantal waarborgen omvatten om ervoor te zorgen dat de beoogde aankopen evenredig aan hun doelstellingen zullen zijn. Deze waarborgen moeten er tevens voor zorgen dat met gerelateerde financiële risico's bij de opzet van het CSPP rekening wordt gehouden en moeten van risicobeheerperspectieven doen blijken. Bovendien moeten op door overheidsbedrijven geëmitteerde beleenbare verhandelbare schuldinstrumenten limieten van toepassing zijn die consistent zijn met de krachtens het PSPP toegepaste limieten.

(6)

Het CSPP moet volledig voldoen aan de verplichtingen van de centrale banken van het Eurosysteem uit hoofde van het Verdrag, waaronder het monetairfinancieringsverbod in verband met de aankoop van door overheidsbedrijven geëmitteerde beleenbare verhandelbare schuldinstrumenten.

(7)

Het CSPP moet het openmarkteconomiebeginsel met vrije mededinging respecteren, zulks met passende aandacht voor marktprijsvorming en de werking van markten.

(8)

Overeenkomstig de overige onderdelen van het APP moet de hoofdsomaflossing van de uit hoofde van het CSPP aangekochte beleenbare verhandelbare schuldinstrumenten geherinvesteerd worden op de vervaldag van de onderliggende schuldinstrumenten, zo lang als noodzakelijk, aldus bijdragend aan gunstige liquiditeitscondities en een passende monetairbeleidskoers.

(9)

De onvoorwaardelijke aankopen door het Eurosysteem van beleenbare verhandelbare schuldinstrumenten uit hoofde van het CSPP moeten gedecentraliseerd overeenkomstig dit besluit uitgevoerd worden, waarbij de ECB coördinerend optreedt, zulks ter vrijwaring van het gemeenschappelijke monetaire beleid van het Eurosysteem,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Invoering en toepassingsgebied van de rechtstreekse aankoop van bedrijfsobligaties

Het CSPP wordt hierbij ingevoerd. Uit hoofde van het CSPP mogen aangeduide centrale banken van het Eurosysteem beleenbare bedrijfsobligaties aankopen van in aanmerking komende wederpartijen in de primaire en secundaire markten, terwijl de in artikel 3, lid 1, bedoelde overheidsbedrijfsobligaties alleen onder bepaalde voorwaarden op de secundaire markten aangekocht mogen worden.

Artikel 2

Beleenbaarheidscriteria voor bedrijfsobligaties

Om in aanmerking te komen voor onvoorwaardelijk aankoop uit hoofde van het CSPP voldoen door ondernemingen geëmitteerde verhandelbare schuldinstrumenten aan de beleenbaarheidscriteria voor verhandelbare activa voor krediettransacties van het Eurosysteem zulks krachtens deel 4 van Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/60) (6), en tevens aan de volgende vereisten:

1.

De emittent van het verhandelbare schuldinstrument:

a)

is gevestigd in een eurogebiedlidstaat;

b)

is geen kredietinstelling zoals bedoeld in artikel 2, punt 14, van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);

c)

heeft geen moederonderneming, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 15), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7), die tevens een kredietinstelling is zoals bedoeld in artikel 2, punt 14), van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);

d)

heeft geen moederonderneming waarop bankentoezicht van toepassing is buiten het eurogebied;

e)

is geen onder toezicht staande entiteit zoals bedoeld in artikel 2, punt 20), van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (8) of een lid van een onder toezicht staande groep zoals bedoeld in artikel 2, punt 21), onder b), van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17), in elk geval, zoals opgenomen op de door de ECB op haar website gepubliceerde lijst overeenkomstig artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17), en is geen dochteronderneming, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 16), van Verordening (EU) nr. 575/2013, van enige van die onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen;

f)

is geen beleggingsonderneming zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1), van Richtlijn (EU) 2014/65/EU van het van het Europees Parlement en de Raad (9);

g)

heeft geen effect op onderpand van activa uitgegeven zoals bedoeld in artikel 2, punt 3), van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);

h)

heeft geen multi cédula uitgegeven zoals bedoeld in artikel 2, punt 62), van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);

i)

heeft geen gestructureerde gedekte obligatie uitgegeven zoals bedoeld in artikel 2, punt 88), van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);

j)

is geen activabeheervehikel dat resulteert uit de toepassing van een activasplitsingsinstrument in een afwikkelingshandeling krachtens artikel 26 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad (10) dan wel krachtens nationale wetgeving ter implementatie van artikel 42 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en van de Raad (11);

k)

is geen nationaal activabeheer- en afstootfonds dat werd opgericht om herstructurering en/of afwikkeling in de financiële sector te ondersteunen (12); en

l)

is geen voor de PSPP in aanmerking komende emittent.

2.

Het verhandelbare schuldinstrument heeft een minimumrestlooptijd van zes maanden en een maximumrestlooptijd van 30 jaar en 364 dagen op het moment van aankoop door de betrokken centrale bank van het Eurosysteem.

3.

In afwijking van artikel 59, lid 5, van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) wordt alleen kredietbeoordelingsinformatie, die is verstrekt door een externe kredietbeoordelingsinstelling die is geaccepteerd binnen het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem, in aanmerking genomen voor de beoordeling van de kredietkwaliteitsvereisten van het verhandelbare schuldinstrument.

4.

Het verhandelbare schuldinstrument luidt in euro.

5.

Aankopen van nominale verhandelbare schuldinstrumenten met een negatief rendement tot het einde van de looptijd (of het slechtst mogelijke rendement) boven de depositorente zijn toelaatbaar.

Artikel 3

Beperkingen van de uitvoering van aankopen van overheidsbedrijfsobligaties

1.   Binnen het kader van dit besluit betekent een „overheidsbedrijfsobligatie” een bedrijfsobligatie die voldoet aan de vereisten van artikel 2 en werd uitgegeven door een overheidsonderneming zoals bedoeld in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 3603/93 van de Raad (13).

2.   Om de marktprijstotstandkoming voor beleenbare overheidsbedrijfsobligaties mogelijk te maken, zijn gedurende een door de Raad van bestuur vast te stellen periode aankopen niet toegestaan van recentelijk uitgegeven effecten, of effecten uit vroegere emissies („tapped security”), of door dezelfde entiteit uitgegeven overheidsbedrijfsobligaties, of door de entiteiten binnen de groep van de emittent, met looptijden die hetzij kort voor of kort na de looptijd van de verhandelbare uit te gegeven of te „tappen” schuldinstrumenten vervallen.

Artikel 4

Aankooplimieten

1.   Uit hoofde van het CSPP is per internationaal effectenidentificatienummer (ISIN) een effectenemissielimiet van toepassing na consolidatie van in alle portfolio's van centrale banken van het Eurosysteem aangehouden effecten. De effectenemissielimiet bedraagt 70 % per ISIN voor alle bedrijfsobligaties, met uitzondering van overheidsbedrijfsobligaties.

Een lagere effectenemissielimiet kan in specifieke gevallen van toepassing zijn, waaronder voor overheidsbedrijfsobligaties of vanwege risicobeheerredenen. De behandeling van overheidsbedrijfsobligaties is consistent met hun behandeling krachtens het PSPP.

2.   Het Eurosysteem past permanent geschikte kredietrisico- en duediligenceprocedures toe op beleenbare bedrijfsobligaties.

3.   Het Eurosysteem stelt aanvullende aankooplimieten vast voor emittentengroepen op basis van een benchmarkallocatie die verband houdt met de marktkapitalisatie van een emittentengroep om te zorgen voor een gediversifieerde allocatie van aankopen tussen emittenten en emittentengroepen.

Artikel 5

Aankopen door centrale banken van het Eurosysteem

De centrale banken van het Eurosysteem die bedrijfsobligaties aankopen uit hoofde van het CSPP worden opgenomen op een op de ECB-website gespecificeerde lijst. Het Eurosysteem past een specialisatieschema toe voor de allocatie van uit hoofde van het CSPP aan te kopen bedrijfsobligaties, gebaseerd op het land waar de emittent zijn statutaire zetel heeft. De Raad van bestuur staat ad-hocafwijkingen toe van het specialisatieschema, indien objectieve overwegingen de implementatie van de regeling hinderen of indien die afwijkingen aan te raden zijn om de globale CSPP-monetairbeleiddoelstellingen te verwezenlijken. Met name koopt elke onderscheiden centrale bank van het Eurosysteem slechts beleenbare bedrijfsobligaties die zijn uitgegeven door in een specifieke eurogebiedlidstaat gevestigde emittenten. De geografische allocatie van de landen van vestiging van emittenten van beleenbare bedrijfsobligaties in relatie tot de bedoelde centrale banken van het Eurosysteem wordt uiteengezet in een op de ECB-website gepubliceerde lijst.

Artikel 6

In aanmerking komende wederpartijen

De volgende partijen zijn in aanmerking komende wederpartijen voor het CSPP, zowel voor onvoorwaardelijke transacties en voor effectennuitleningstransacties met in de CSPP-Eurosysteemportefeuilles aangehouden bedrijfsobligaties:

a)

entiteiten die voldoen aan de beleenbaarheidscriteria voor deelname aan monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem krachtens artikel 55 van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60); en

b)

enige andere wederpartij die centrale banken van het Eurosysteem gebruiken voor de belegging van hun in euro luidende beleggingsportfolio's.

Artikel 7

Effectenuitleningstransacties

Centrale banken van het Eurosysteem die uit hoofde van het CSPP bedrijfsobligaties aankopen, stellen die uit hoofde van het CSPP aangekochte effecten, waaronder repo's, beschikbaar voor effectenuitleen om de effectiviteit van het CSPP te verzekeren.

Artikel 8

Slotbepalingen

Dit besluit treedt op 6 juni 2016 in werking.

Gedaan te Wenen, 1 juni 2016.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  Besluit ECB/2014/40 van de Europese Centrale Bank van 15 oktober 2014 houdende de tenuitvoerlegging van het derde programma voor de aankoop van gedekte obligaties (PB L 335 van 22.11.2014, blz. 22).

(2)  Besluit ECB/2015/5 van de Europese Centrale Bank van 19 november 2014 houdende de tenuitvoerlegging van het programma voor de aankoop van effecten op onderpand van activa (PB L 1 van 6.1.2015, blz. 4).

(3)  Besluit ECB/2015/774 van de Europese Centrale Bank van 4 maart 2015 inzake een overheidsprogramma voor aankoop van activa op secundaire markten (PB L 121 van 14.5.2015, blz. 20).

(4)  Besluit ECB/2014/34 van de Europese Centrale Bank van 29 juli 2014 betreffende met gerichte langerlopende herfinancieringstransacties verband houdende maatregelen (PB L 258 van 29.8.2014, blz. 11).

(5)  Besluit ECB/2016/810 van de Europese Centrale Bank van 28 april 2016 betreffende een tweede reeks gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (ECB/2016/10) (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 107).

(6)  Richtsnoer ECB/2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3).

(7)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling voor een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(10)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

(11)  Richtlijn 2014/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(12)  Een lijst van die entiteiten wordt op de ECB-website bekendgemaakt op www.ecb.europa.eu

(13)  Verordening (EG) nr. 3603/93 van de Raad van 13 december 1993 tot vaststelling van de definities voor de toepassing van de in artikel 104 en artikel 104 B, lid 1, van het Verdrag vastgelegde verbodsbepalingen (PB L 332 van 31.12.1993, blz. 1).