ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 151

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

60e jaargang
15 mei 2017


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2017/C 151/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2017/C 151/02

Zaak C-158/14: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — A, B, C, D/Minister van Buitenlandse Zaken [Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) — Specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met oog op de strijd tegen terrorisme — Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB — Kaderbesluit 2002/475/JBZ — Verordening (EG) nr. 2580/2001 — Artikel 2, lid 3 — Opname van de organisatie Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE) op de lijst van personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden — Prejudiciële vraag over de geldigheid van die opname — Overeenstemming met het internationale humanitaire recht — Begrip terroristische daad — Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict]

2

2017/C 151/03

Zaak C-157/15: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Cassatie — België) — Samira Achbita, Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding/G4S Secure Solutions NV (Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Richtlijn 2000/78/EG — Gelijke behandeling — Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging — Arbeidsreglement van een onderneming dat werknemers verbiedt om zichtbare politieke, filosofische of religieuze tekens te dragen op het werk — Directe discriminatie — Geen — Indirecte discriminatie — Verbod voor een werkneemster om een islamitische hoofddoek te dragen)

3

2017/C 151/04

Zaak C-162/15 P: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 — Evonik Degussa GmbH/Europese Commissie [Hogere voorziening — Mededinging — Artikelen 101 en 102 VWEU — Verordening (EG) nr. 1/2003 — Artikel 30 — Beschikking van de Commissie houdende vaststelling van een onrechtmatige mededingingsregeling op de Europese markt van waterstofperoxide en perboraat — Bekendmaking van een uitgebreide niet-vertrouwelijke versie van die beschikking — Afwijzing van een verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde informatie — Mandaat van de raadadviseur-auditeur — Besluit 2011/695/EU — Artikel 8 — Vertrouwelijkheid — Geheimhoudingsplicht — Artikel 339 VWEU — Begrip zakengeheimen of anderszins vertrouwelijke informatie — Informatie afkomstig uit een clementieverzoek — Afwijzing van het verzoek tot vertrouwelijke behandeling — Gewettigd vertrouwen]

4

2017/C 151/05

Zaak C-188/15: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation — Frankrijk) — Asma Bougnaoui, Association de défense des droits de l’homme (ADDH)/Micropole SA, voorheen Micropole Univers SA (Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Richtlijn 2000/78/EG — Gelijke behandeling — Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging — Wezenlijk en bepalend beroepsvereiste — Begrip — Wens van een klant dat de diensten niet worden verleend door een werkneemster die een islamitische hoofddoek draagt)

4

2017/C 151/06

Zaak C-323/15 P: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 — Polynt SpA/New Japan Chemical, REACh ChemAdvice GmbH, Europees Agentschap voor chemische stoffen, Sitre Srl, Koninkrijk der Nederlanden, Europese Commissie [Hogere voorziening — Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) — Artikel 57, onder f) — Autorisatie — Zeer zorgwekkende stoffen — Identificatie — Even zorgwekkende stoffen — Cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride, cis-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride en trans-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride]

5

2017/C 151/07

Zaak C-324/15 P: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 — Hitachi Chemical Europe GmbH, Polynt SpA/New Japan Chemical, REACh ChemAdvice GmbH, Sitre Srl, Europees Agentschap voor chemische stoffen, Koninkrijk der Nederlanden, Europese Commissie [Hogere voorziening — Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) — Artikel 57, onder f) — Autorisatie — Zeer zorgwekkende stoffen — Identificatie — Even zorgwekkende stoffen — Hexahydromethylftaalzuuranhydride, hexahydro-4-methylftaalzuuranhydride, hexahydro-1-methylftaalzuuranhydride en hexahydro-3-methylftaalzuuranhydride]

6

2017/C 151/08

Zaak C-414/15 P: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 — Stichting Woonlinie, Woningstichting Volksbelang, Stichting Woonstede/Europese Commissie, Koninkrijk België, Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland (IVBN) [Hogere voorziening — Staatssteun — Bestaande steun — Artikel 108, lid 1, VWEU — Steunregeling voor woningcorporaties — Verordening (EG) nr. 659/1999 — Artikelen 17, 18 en 19 — Beoordeling door de Commissie van de verenigbaarheid van een bestaande steunregeling met de interne markt — Voorstel voor dienstige maatregelen — Door de Nederlandse autoriteiten aangegane verbintenissen om zich te conformeren aan het Unierecht — Verenigbaarheidsbesluit — Omvang van de rechterlijke toetsing — Rechtsgevolgen]

6

2017/C 151/09

Zaak C-415/15 P: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 — Stichting Woonpunt, Woningstichting Haag Wonen, Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl/Europese Commissie, Koninkrijk België, Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland (IVBN) [Hogere voorziening — Staatssteun — Bestaande steun — Artikel 108, lid 1, VWEU — Staatssteun ten behoeve van sociale woningcorporaties — Verordening (EG) nr. 659/1999 — Artikelen 17, 18 en 19 — Beoordeling door de Commissie van de verenigbaarheid van een bestaande steunregeling met de interne markt — Voorstel voor dienstige maatregelen — Door de nationale autoriteiten aangegane verbintenissen om zich te conformeren aan het Unierecht — Verenigbaarheidsbesluit — Omvang van de rechterlijke toetsing — Rechtsgevolgen]

7

2017/C 151/10

Zaak C-493/15: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Agenzia delle Entrate/Marco Identi [Prejudiciële verwijzing — Fiscale bepalingen — Belasting over de toegevoegde waarde — Artikel 4, lid 3, VEU — Zesde richtlijn — Staatssteun — Procedure voor kwijtschelding van schulden van failliete natuurlijke personen (esdebitazione) — Niet-opeisbaarheid van btw-schulden]

7

2017/C 151/11

Zaak C-528/15: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 15 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud — Tsjechië) — Policie ČR, Krajské ředitelství policie Ústeckého kraje, odbor cizinecké policie/Salah Al Chodor, Ajlin Al Chodor, Ajvar Al Chodor [Prejudiciële verwijzing — Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming — Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublin III) — Artikel 28, lid 2 — Bewaring met het oog op overdracht — Artikel 2, onder n) — Significant risico op onderduiken — Objectieve criteria — Ontbreken van wettelijke definitie]

8

2017/C 151/12

Zaak C-536/15: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 15 maart 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven — Nederland) — Tele2 (Netherlands) BV, Ziggo BV, Vodafone Libertel BV/Autoriteit Consument en Markt (ACM) (Prejudiciële verwijzing — Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten — Richtlijn 2002/22/EG — Artikel 25, lid 2 — Telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen — Richtlijn 2002/58/EG — Artikel 12 — Abonneelijsten — Terbeschikkingstelling van persoonsgegevens van abonnees ten behoeve van het verstrekken van openbare telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen — Toestemming van de abonnee — Onderscheid naargelang van de lidstaat waarin de openbare telefooninlichtingendienst en telefoongids worden verstrekt — Discriminatieverbod)

9

2017/C 151/13

Zaak C-563/15: Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 15 maart 2017 — Europese Commissie/Koninkrijk Spanje (Niet-nakoming — Milieu — Richtlijn 2008/98/EG — Artikelen 13 en 15 — Afvalstoffenbeheer — Bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu — Verantwoordelijkheid — Stortplaatsen)

9

2017/C 151/14

Zaak C-3/16: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het hof van beroep Brussel — België) — Lucio Cesare Aquino/Belgische Staat (Prejudiciële verwijzing — Unierecht — Rechten toegekend aan particulieren — Schending door een rechterlijke instantie — Prejudiciële vragen — Voorlegging aan het Hof — Nationale rechterlijke instantie die uitspraak doet in laatste aanleg)

10

2017/C 151/15

Zaak C-47/16: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — Valsts ieņēmumu dienests/Veloserviss SIA [Prejudiciële verwijzing — Douane-unie — Communautair douanewetboek — Artikel 220, lid 2, onder b) — Navordering van invoerrechten — Gewettigd vertrouwen — Toepassingsvoorwaarden — Vergissing van de douaneautoriteiten — Verplichting van de importeur om te goeder trouw te handelen en de omstandigheden na te gaan waaronder het certificaat van oorsprong formulier A is afgegeven — Bewijsmiddelen — Verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)]

11

2017/C 151/16

Zaak C-138/16: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Handelsgericht Wien — Oostenrijk) — Staatlich genehmigte Gesellschaft der Autoren, Komponisten und Musikverleger registrierte Genossenschaft mbH (AKM)/Zürs.net Betriebs GmbH [Prejudiciële verwijzing — Intellectuele eigendom — Auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij — Richtlijn 2001/29/EG — Recht van mededeling van werken aan het publiek — Artikel 3, lid 1 — Beperkingen en restricties — Artikel 5, lid 3, onder o) — Uitzending van televisieprogramma’s via een lokaal kabelnetwerk — Nationale regeling die voorziet in uitzonderingen voor installaties die de toegang voor maximaal 500 abonnees mogelijk maken en voor de doorgifte van publieke omroepuitzendingen op het nationale grondgebied]

12

2017/C 151/17

Zaak C-211/16: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Torino — Italië) — Bimotor SpA/Agenzia delle Entrate — Direzione Provinciale II di Torino (Prejudiciële verwijzing — Belasting over de toegevoegde waarde — Beginsel van neutrale fiscaliteit — Nationale regeling die voorziet in een vaste maximumgrens die het bedrag van terugbetaling of verrekening van het krediet of overschot van de belasting over de toegevoegde waarde beperkt)

13

2017/C 151/18

Zaak C-253/16: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 15 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de cour d’appel de Bruxelles — België) — FlibTravel International SA, Leonard Travel International SA/AAL Renting SA e.a. (Prejudiciële verwijzing — Artikel 96 VWEU — Toepasselijkheid — Nationale regeling die taxidiensten verbiedt individuele plaatsen ter beschikking te stellen — Nationale regeling die taxidiensten verbiedt vooraf de bestemming te bepalen — Nationale regeling die taxidiensten verbiedt klanten te ronselen)

13

2017/C 151/19

Zaak C-615/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 28 november 2016 — Giovanna Judith Kerr/Fazenda Pública

14

2017/C 151/20

Zaak C-26/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 19 januari 2017 door Birkenstock Sales GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 november 2016 in zaak T-579/14, Birkenstock Sales GmbH/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

14

2017/C 151/21

Zaak C-32/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 23 januari 2017 door Apcoa Parking Holdings GmbH tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 8 november 2016 in de gevoegde zaken T-268/15 en T-272/15, Apcoa Parking Holdings GmbH/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

15

2017/C 151/22

Zaak C-74/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Düsseldorf (Duitsland) op 10 februari 2017 — Jonathan Heintges/German Wings GmbH

17

2017/C 151/23

Zaak C-75/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 9 februari 2017 door Fiesta Hotels & Resorts, S.L. tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 30 november 2016 in zaak T-217/15, Fiesta Hotels & Resorts/EUIPO — Residencial Palladium (Palladium Palace Ibiza Resort & Spa)

17

2017/C 151/24

Zaak C-76/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Înalta Curte de Casație și Justiție (Roemenië) op 13 februari 2017 — SC Petrotel Lukoil SA, Maria Magdalena Georgescu/Ministerul Economiei, Ministerul Energiei, Ministerul Finanțelor Publice

19

2017/C 151/25

Zaak C-94/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 23 februari 2017 — Rafael Ramón Escobedo Cortés/Banco de Sabadell, S.A.

19

2017/C 151/26

Zaak C-96/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social de Terrassa (Spanje) op 22 februari 2017 — Gardenia Vernaza Ayovi/Consorci Sanitari de Terrassa

20

2017/C 151/27

Zaak C-102/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal de Contas (Portugal) op 28 februari 2017 — Secretaria Regional de Saúde dos Açores/Ministério Público

21

2017/C 151/28

Zaak C-121/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) (Verenigd Koninkrijk) op 8 maart 2017 — Teva UK Ltd, Accord Healthcare Ltd, Lupin Ltd, Lupin (Europe) Ltd, Generics (UK) (handelend onder de naam Mylan)/Gilead Sciences Inc.

21

2017/C 151/29

Zaak C-122/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (Ierland) op 9 maart 2017 — David Smith/Patrick Meade, Philip Meade, FBD Insurance plc, Ireland, Attorney General

22

2017/C 151/30

Zaak C-127/17: Beroep ingesteld op 10 maart 2017 — Europese Commissie/Republiek Polen

22

2017/C 151/31

Zaak C-128/17: Beroep ingesteld op 10 maart 2017 — Republiek Polen/Europees Parlement en Raad van de Europese Unie

24

2017/C 151/32

Zaak C-138/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 17 maart 2017 door Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) van 10 januari 2017 in zaak T-577/14, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie

25

2017/C 151/33

Zaak C-146/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 22 maart 2017 door Gascogne Sack Deutschland GmbH en Gascogne S.A. tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) van 10 januari 2017 in zaak T-577/14, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie

26

 

Gerecht

2017/C 151/34

Zaak T-681/14: Arrest van het Gerecht van 28 maart 2017 — El-Qaddafi/Raad (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen tegen Libië — Bevriezing van tegoeden — Beperkingen van binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de Unie — Handhaving van verzoeksters naam — Rechten van verdediging — Motiveringsplicht)

28

2017/C 151/35

Zaak T-112/15: Arrest van het Gerecht van 30 maart 2017 — Griekenland/Commissie [EOGFL — Afdeling ‚Garantie’ — ELGF en Elfpo — Van financiering uitgesloten uitgaven — Verordening (EG) nr. 1782/2003 — Verordening (EG) nr. 796/2004 — Regeling inzake oppervlaktegebonden steun — Begrip blijvend grasland — Motiveringsplicht — Evenredigheid — Forfaitaire financiële correctie — Aftrek van eerdere correctie]

29

2017/C 151/36

Zaak T-210/15: Arrest van het Gerecht van 28 maart 2017 — Deutsche Telekom/Commissie [Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Documenten betreffende een procedure inzake toepassing van de mededingingsregels — Weigering van toegang — Motiveringsplicht — Uitzondering betreffende de bescherming van de commerciële belangen van een derde — Uitzondering betreffende de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits — Hoger openbaar belang — Raadpleging van derden — Transparantie — Geen antwoord op een confirmatief verzoek binnen de gestelde termijn]

29

2017/C 151/37

Zaak T-387/15: Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — J & Joy/EUIPO — Joy-Sportswear (J AND JOY) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Uniewoordmerk J AND JOY — Ouder nationaal beeldmerk joy SPORTSWEAR — Relatieve weigeringsgronden — Verwarringsgevaar — Soortgelijke waren — Overeenstemmende tekens — Beoordelingscriteria — Samengesteld merk — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

30

2017/C 151/38

Zaak T-388/15: Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — J & Joy/EUIPO — Joy-Sportswear (JN-JOY) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Uniewoordmerk JN-JOY — Ouder nationaal beeldmerk joy SPORTSWEAR — Relatieve weigeringsgronden — Verwarringsgevaar — Soortgelijke waren — Overeenstemmende tekens — Beoordelingscriteria — Samengesteld merk — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

31

2017/C 151/39

Zaak T-389/15: Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — J & Joy/EUIPO — Joy-Sportswear (J&JOY) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Uniebeeldmerk J&JOY — Ouder nationaal beeldmerk joy SPORTSWEAR — Relatieve weigeringsgronden — Verwarringsgevaar — Soortgelijke waren — Overeenstemmende tekens — Beoordelingscriteria — Samengesteld merk — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009]

31

2017/C 151/40

Zaak T-501/15: Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — Nederland/Commissie [ELGF en Elfpo — Van financiering uitgesloten uitgaven — Geïntegreerd beheers- en controlesysteem — Verlaging of uitsluiting van betalingen bij niet-naleving van de voorschriften inzake de randvoorwaarden — Niet-naleving van gering belang — Artikel 24, lid 2, van verordening (EG) nr. 73/2009 — Artikel 71, lid 3, van verordening (EG) nr. 1122/2009 — Bewijslast — Uitlegging van bijlage II bij verordening (EG) nr. 73/2009]

32

2017/C 151/41

Zaak T-538/15: Arrest van het Gerecht van 28 maart 2017 — Regent University/EUIPO — Regent’s College (REGENT UNIVERSITY) [Uniemerk — Nietigheidsprocedure — Uniewoordmerk REGENT UNIVERSITY — Ouder nationaal beeldmerk REGENT’S COLLEGE — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 53, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009]

33

2017/C 151/42

Zaak T-638/15: Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — Alcohol Countermeasure Systems (International)/EUIPO — Lion Laboratories (ALCOLOCK) [Uniemerk — Nietigheidsprocedure — Uniewoordmerk ALCOLOCK — Woordmerk van het Verenigd Koninkrijk ALCOLOCK — Relatieve weigeringsgrond — Artikel 8, lid 1, onder a) en b), en artikel 53, lid 1, onder a) en b), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Normaal gebruik van het oudere merk]

33

2017/C 151/43

Zaak T-733/15: Arrest van het Gerecht van 28 maart 2017 — Portugal/Commissie (Niet-uitvoering van een arrest van het Hof houdende vaststelling van een niet-nakoming — Dwangsom — Besluit tot vaststelling van de dwangsom — Intrekking van de litigieuze nationale maatregel — Datum van beëindiging van de niet-nakoming)

34

2017/C 151/44

Zaak T-28/16: Arrest van het Gerecht van 3 april 2017 — Duitsland/Commissie [ELGF en Elfpo — Van financiering uitgesloten uitgaven — Plattelandsontwikkeling — Landinrichting en dorpsvernieuwing — Selectiecriteria voor de concrete acties — Beginsel van loyale samenwerking — Subsidiariteit — Gewettigd vertrouwen — Evenredigheid — Motiveringsplicht]

34

2017/C 151/45

Zaak T-209/16: Arrest van het Gerecht van 30 maart 2017 — Apax Partners UK/EUIPO — Apax Partners Midmarket (APAX PARTNERS) [Uniemerk — Nietigheidsprocedure — Aanvraag voor Uniewoordmerk APAX PARTNERS — Ouder internationaal woordmerk APAX — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Soortgelijke diensten — Artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 53, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009]

35

2017/C 151/46

Zaak T-215/16: Arrest van het Gerecht van 3 april 2017 — Cop/EUIPO — Conexa (AMPHIBIAN) [Uniemerk — Nietigheidsprocedure — Internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen — Beeldmerk AMPHIBIAN — Absolute weigeringsgronden — Onderscheidend vermogen — Geen beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009]

36

2017/C 151/47

Zaak T-117/17: Beroep ingesteld op 23 februari 2017 — Proximus/Raad

36

2017/C 151/48

Zaak T-124/17: Beroep ingesteld op 22 februari 2017 — Enosi Syntaxiouchon Tameiou Asfaliseon Michanikon kai Ergolipton Dimosion Ergon/ECB

37

2017/C 151/49

Zaak T-161/17: Beroep ingesteld op 11 maart 2017 — Le Pen/Parlement

38

2017/C 151/50

Zaak T-166/17: Beroep ingesteld op 8 maart 2017 — EKETA/Commissie

39

2017/C 151/51

Zaak T-168/17: Beroep ingesteld op 16 maart 2017 — CBA Spielapparate- und Restaurantbetriebs/Commissie

40

2017/C 151/52

Zaak T-169/17: Beroep ingesteld op 17 maart 2017 — Pethke/EUIPO

40

2017/C 151/53

Zaak T-177/17: Beroep ingesteld op 15 maart 2017 — EKETA/Commissie

41

2017/C 151/54

Zaak T-183/17: Beroep ingesteld op 21 maart 2017 — Menta y Limón Decoración/EUIPO — Ayuntamiento de Santa Cruz de La Palma (Afbeelding van een man in regionale klederdracht)

42

2017/C 151/55

Zaak T-189/17: Beroep ingesteld op 20 maart 2017 — EKETA/Commissie

43

2017/C 151/56

Zaak T-190/17: Beroep ingesteld op 22 maart 2017 — EKETA/Commissie

44

2017/C 151/57

Zaak T-195/17: Beroep ingesteld op 27 maart 2017 — CeramTec/EUIPO — C5 Medical Werks (Tint roze)

44

2017/C 151/58

Zaak T-196/17: Beroep ingesteld op 27 maart 2017 — Naftogaz of Ukraine/Commissie

45

2017/C 151/59

Zaak T-197/17: Beroep ingesteld op 28 maart 2017 — Abel e.a./Commissie

46

2017/C 151/60

Zaak T-198/17: Beroep ingesteld op 29 maart 2017 — EKETA/Commissie

47


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2017/C 151/01)

Laatste publicatie

PB C 144 van 8.5.2017

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 129 van 24.4.2017

PB C 121 van 18.4.2017

PB C 112 van 10.4.2017

PB C 104 van 3.4.2017

PB C 95 van 27.3.2017

PB C 86 van 20.3.2017

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/2


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — A, B, C, D/Minister van Buitenlandse Zaken

(Zaak C-158/14) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) - Specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met oog op de strijd tegen terrorisme - Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB - Kaderbesluit 2002/475/JBZ - Verordening (EG) nr. 2580/2001 - Artikel 2, lid 3 - Opname van de organisatie „Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)” op de lijst van personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden - Prejudiciële vraag over de geldigheid van die opname - Overeenstemming met het internationale humanitaire recht - Begrip „terroristische daad” - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict])

(2017/C 151/02)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: A, B, C, D

Verwerende partij: Minister van Buitenlandse Zaken

Dictum

1)

Het staat niet buiten twijfel, in de zin van de rechtspraak die is voortgekomen uit de arresten van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C-188/92, EU:C:1994:90), en 15 februari 2001, Nachi Europe (C-239/99, EU:C:2001:101), dat beroepen tot nietigverklaring die door personen in een situatie als die van verzoekers in het hoofdgeding, bij het Gerecht van de Europese Unie zouden worden ingesteld tegen uitvoeringsverordening (EU) nr. 610/2010 van de Raad van 12 juli 2010 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1285/2009, of tegen de daaraan voorafgaande Uniehandelingen, inzake de plaatsing van de entiteit „Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)” op de lijst als bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, ontvankelijk zouden zijn geweest.

2)

Aangezien gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, en verordening nr. 2580/2001 zich er niet tegen verzetten dat handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht „terroristische daden” in de zin van deze Uniehandelingen vormen, doet het feit dat de activiteiten van de entiteit „Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)” dergelijke daden kunnen vormen, niet af aan de geldigheid van uitvoeringsverordening nr. 610/2010 en van de daaraan voorafgaande Uniehandelingen inzake de in punt 1 van dit dictum bedoelde plaatsing op de lijst.


(1)  PB C 194 van 24.6.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/3


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Cassatie — België) — Samira Achbita, Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding/G4S Secure Solutions NV

(Zaak C-157/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 2000/78/EG - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging - Arbeidsreglement van een onderneming dat werknemers verbiedt om zichtbare politieke, filosofische of religieuze tekens te dragen op het werk - Directe discriminatie - Geen - Indirecte discriminatie - Verbod voor een werkneemster om een islamitische hoofddoek te dragen))

(2017/C 151/03)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van Cassatie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Samira Achbita, Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Verwerende partij: G4S Secure Solutions NV

Dictum

Artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat het verbod om een islamitische hoofddoek te dragen, dat voortvloeit uit een interne regel van een particuliere onderneming die voorziet in een verbod op het zichtbaar dragen van enig politiek, filosofisch of religieus teken op het werk, geen directe discriminatie op basis van godsdienst of overtuiging in de zin van die richtlijn vormt.

Een dergelijke interne regel van een particuliere onderneming kan daarentegen wel indirecte discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78 vormen, indien vaststaat dat de daarin opgenomen ogenschijnlijk neutrale verplichting in feite tot gevolg heeft dat de personen die een bepaalde godsdienst aanhangen of een bepaalde overtuiging hebben bijzonder worden benadeeld, tenzij die verplichting objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, zoals het nastreven door de werkgever, in de relaties met zijn klanten, van een beleid van politieke, filosofische en religieuze neutraliteit, en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.


(1)  PB C 205 van 22.6.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 — Evonik Degussa GmbH/Europese Commissie

(Zaak C-162/15 P) (1)

([Hogere voorziening - Mededinging - Artikelen 101 en 102 VWEU - Verordening (EG) nr. 1/2003 - Artikel 30 - Beschikking van de Commissie houdende vaststelling van een onrechtmatige mededingingsregeling op de Europese markt van waterstofperoxide en perboraat - Bekendmaking van een uitgebreide niet-vertrouwelijke versie van die beschikking - Afwijzing van een verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde informatie - Mandaat van de raadadviseur-auditeur - Besluit 2011/695/EU - Artikel 8 - Vertrouwelijkheid - Geheimhoudingsplicht - Artikel 339 VWEU - Begrip „zakengeheimen of anderszins vertrouwelijke informatie” - Informatie afkomstig uit een clementieverzoek - Afwijzing van het verzoek tot vertrouwelijke behandeling - Gewettigd vertrouwen])

(2017/C 151/04)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Evonik Degussa GmbH (vertegenwoordigers: C. Steinle, C. von Köckritz en A. Richter, Rechtsanwälte)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Meessen, M. Kellerbauer en F. van Schaik, gemachtigden)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 28 januari 2015, Evonik Degussa/Commissie (T-341/12, EU:T:2015:51), wordt vernietigd voor zover het Gerecht daarin heeft geoordeeld dat de raadadviseur-auditeur op goede gronden heeft verklaard dat hij niet bevoegd was om te antwoorden op de bezwaren die Evonik Degussa GmbH op grond van de eerbiediging van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van het beginsel van gelijke behandeling had geformuleerd tegen de voorgenomen bekendmaking van een gedetailleerde niet-vertrouwelijke versie van beschikking C(2006) 1766 definitief van de Commissie van 3 mei 2006 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst ten aanzien van Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals Holding AB, Eka Chemicals AB, Degussa AG, Edison SpA, FMC Corporation, FMC Foret SA, Kemira OYJ, L’Air Liquide SA, Chemoxal SA, Snia SpA, Caffaro Srl, Solvay SA/NV, Solvay Solexis SpA, Total SA, Elf Aquitaine SA en Arkema SA (zaak COMP/F/38.620 — Waterstofperoxide en perboraat).

2)

De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

3)

Besluit C(2012) 3534 final van de Commissie van 24 mei 2012 houdende afwijzing van een verzoek tot vertrouwelijke behandeling dat Evonik Degussa GmbH had ingediend, wordt nietig verklaard voor zover de raadadviseur-auditeur daarin heeft verklaard dat hij niet bevoegd was om te antwoorden op de in punt 1 van het dictum van het onderhavige arrest bedoelde bezwaren.

4)

Evonik Degussa GmbH en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 198 van 15.6.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation — Frankrijk) — Asma Bougnaoui, Association de défense des droits de l’homme (ADDH)/Micropole SA, voorheen Micropole Univers SA

(Zaak C-188/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 2000/78/EG - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging - Wezenlijk en bepalend beroepsvereiste - Begrip - Wens van een klant dat de diensten niet worden verleend door een werkneemster die een islamitische hoofddoek draagt))

(2017/C 151/05)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour de cassation

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Asma Bougnaoui, Association de défense des droits de l’homme (ADDH)

Verwerende partij: Micropole SA, voorheen Micropole Univers SA

Dictum

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep dient aldus te worden uitgelegd dat de wil van een werkgever om rekening te houden met de wensen van een klant om de diensten van die werkgever niet langer te laten verrichten door een werkneemster die een islamitische hoofddoek draagt, niet kan worden beschouwd als een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste in de zin van die bepaling.


(1)  PB C 221 van 6.7.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/5


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 — Polynt SpA/New Japan Chemical, REACh ChemAdvice GmbH, Europees Agentschap voor chemische stoffen, Sitre Srl, Koninkrijk der Nederlanden, Europese Commissie

(Zaak C-323/15 P) (1)

([Hogere voorziening - Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) - Artikel 57, onder f) - Autorisatie - Zeer zorgwekkende stoffen - Identificatie - Even zorgwekkende stoffen - Cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride, cis-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride en trans-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride])

(2017/C 151/06)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Polynt SpA (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, avocats)

Andere partijen in de procedure: New Japan Chemical (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, avocats), REACh ChemAdvice GmbH (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, avocats), Sitre Srl (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, avocats), Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (vertegenwoordigers: M. Heikkilä, C. Buchanan, W. Broere en T. Zbihlej, gemachtigden, bijgestaan door J. Stuyck, advocaat), Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: C. Schillemans en M. Bulterman, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Kukovec en K. Mifsud-Bonnici, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Polynt SpA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA).

3)

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.

4)

New Japan Chemical en REACh ChemAdvice GmbH dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 311 van 21.9.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/6


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 — Hitachi Chemical Europe GmbH, Polynt SpA/New Japan Chemical, REACh ChemAdvice GmbH, Sitre Srl, Europees Agentschap voor chemische stoffen, Koninkrijk der Nederlanden, Europese Commissie

(Zaak C-324/15 P) (1)

([Hogere voorziening - Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) - Artikel 57, onder f) - Autorisatie - Zeer zorgwekkende stoffen - Identificatie - Even zorgwekkende stoffen - Hexahydromethylftaalzuuranhydride, hexahydro-4-methylftaalzuuranhydride, hexahydro-1-methylftaalzuuranhydride en hexahydro-3-methylftaalzuuranhydride])

(2017/C 151/07)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwiranten: Hitachi Chemical Europe GmbH, Polynt SpA (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, avocats)

Andere partijen in de procedure: New Japan Chemical (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, avocats), REACh ChemAdvice GmbH (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, avocats), Sitre Srl (vertegenwoordigers: C. Mereu en M. Grunchard, avocats), Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (vertegenwoordigers: M. Heikkilä, C. Buchanan, W. Broere en T. Zbihlej, gemachtigden, bijgestaan door J. Stuyck, advocaat), Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigrs: C. Schillemans en M. Bulterman, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Kukovec en K. Mifsud-Bonnici, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Hitachi Chemical Europe GmbH en Polynt SpA worden verwezen in hun eigen kosten en in die van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA).

3)

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.

4)

New Japan Chemical en REACh ChemAdvice GmbH dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 311 van 21.9.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/6


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 — Stichting Woonlinie, Woningstichting Volksbelang, Stichting Woonstede/Europese Commissie, Koninkrijk België, Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland (IVBN)

(Zaak C-414/15 P) (1)

([Hogere voorziening - Staatssteun - Bestaande steun - Artikel 108, lid 1, VWEU - Steunregeling voor woningcorporaties - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikelen 17, 18 en 19 - Beoordeling door de Commissie van de verenigbaarheid van een bestaande steunregeling met de interne markt - Voorstel voor dienstige maatregelen - Door de Nederlandse autoriteiten aangegane verbintenissen om zich te conformeren aan het Unierecht - Verenigbaarheidsbesluit - Omvang van de rechterlijke toetsing - Rechtsgevolgen])

(2017/C 151/08)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Rekwirantes: Stichting Woonlinie, Woningstichting Volksbelang, Stichting Woonstede (vertegenwoordigers: L. Hancher, E. Besselink en P. Glazener, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Noë en P.-J. Loewenthal, gemachtigden), Koninkrijk België, Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland (IVBN) (vertegenwoordiger: M. Meulenbelt, advocaat)

Dictum

1)

De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 12 mei 2015, Stichting Woonlinie e.a./Commissie (T-202/10 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:287), wordt vernietigd.

2)

De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 337 van 12.10.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/7


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 — Stichting Woonpunt, Woningstichting Haag Wonen, Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl/Europese Commissie, Koninkrijk België, Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland (IVBN)

(Zaak C-415/15 P) (1)

([Hogere voorziening - Staatssteun - Bestaande steun - Artikel 108, lid 1, VWEU - Staatssteun ten behoeve van sociale woningcorporaties - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikelen 17, 18 en 19 - Beoordeling door de Commissie van de verenigbaarheid van een bestaande steunregeling met de interne markt - Voorstel voor dienstige maatregelen - Door de nationale autoriteiten aangegane verbintenissen om zich te conformeren aan het Unierecht - Verenigbaarheidsbesluit - Omvang van de rechterlijke toetsing - Rechtsgevolgen])

(2017/C 151/09)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Rekwirantes: Stichting Woonpunt, Woningstichting Haag Wonen, Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl (vertegenwoordigers: L. Hancher, E. Besselink en P. Glazener, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Noë en P.-J. Loewenthal, gemachtigden), Koninkrijk België, Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland (IVBN) (vertegenwoordiger: M. Meulenbelt, advocaat)

Dictum

1)

De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 12 mei 2015, Stichting Woonpunt e.a./Commissie (T-203/10 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:286), wordt vernietigd.

2)

De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 337 van 12.10.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/7


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Agenzia delle Entrate/Marco Identi

(Zaak C-493/15) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Belasting over de toegevoegde waarde - Artikel 4, lid 3, VEU - Zesde richtlijn - Staatssteun - Procedure voor kwijtschelding van schulden van failliete natuurlijke personen (esdebitazione) - Niet-opeisbaarheid van btw-schulden])

(2017/C 151/10)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte suprema di cassazione

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Agenzia delle Entrate

Verwerende partij: Marco Identi

Dictum

Het Unierecht, in het bijzonder artikel 4, lid 3, VEU en de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, alsook de staatssteunregels, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat btw-schulden niet-opeisbaar worden verklaard krachtens een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die voorziet in een procedure voor kwijtschelding van schulden waarbij een rechterlijke instantie onder bepaalde voorwaarden de schulden van een natuurlijke persoon die niet zijn aangezuiverd bij afloop van de faillissementsprocedure waarin hij verwikkeld is, niet-opeisbaar kan verklaren.


(1)  PB C 406 van 7.12.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/8


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 15 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud — Tsjechië) — Policie ČR, Krajské ředitelství policie Ústeckého kraje, odbor cizinecké policie/Salah Al Chodor, Ajlin Al Chodor, Ajvar Al Chodor

(Zaak C-528/15) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming - Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublin III) - Artikel 28, lid 2 - Bewaring met het oog op overdracht - Artikel 2, onder n) - Significant risico op onderduiken - Objectieve criteria - Ontbreken van wettelijke definitie])

(2017/C 151/11)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Nejvyšší správní soud

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Policie ČR, Krajské ředitelství policie Ústeckého kraje, odbor cizinecké policie

Verwerende partijen: Salah Al Chodor, Ajlin Al Chodor, Ajvar Al Chodor

Dictum

Artikel 2, onder n), juncto artikel 28, lid 2, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten verplicht om de objectieve criteria waarop de redenen zijn gebaseerd om aan te nemen dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt en tegen wie een overdrachtsprocedure loopt, zou onderduiken, vast te leggen in een dwingende bepaling van algemene strekking. Het ontbreken van een dergelijke bepaling heeft tot gevolg dat artikel 28, lid 2, van die verordening niet kan worden toegepast.


(1)  PB C 16 van 18.1.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/9


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 15 maart 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven — Nederland) — Tele2 (Netherlands) BV, Ziggo BV, Vodafone Libertel BV/Autoriteit Consument en Markt (ACM)

(Zaak C-536/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten - Richtlijn 2002/22/EG - Artikel 25, lid 2 - Telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen - Richtlijn 2002/58/EG - Artikel 12 - Abonneelijsten - Terbeschikkingstelling van persoonsgegevens van abonnees ten behoeve van het verstrekken van openbare telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen - Toestemming van de abonnee - Onderscheid naargelang van de lidstaat waarin de openbare telefooninlichtingendienst en telefoongids worden verstrekt - Discriminatieverbod))

(2017/C 151/12)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

College van Beroep voor het Bedrijfsleven

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Tele2 (Netherlands) BV, Ziggo BV, Vodafone Libertel BV

Verwerende partijen: Autoriteit Consument en Markt (ACM)

in tegenwoordigheid van: European Directory Assistance NV

Dictum

1)

Artikel 25, lid 2, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, moet aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „verzoeken” in dat artikel ook wordt begrepen het verzoek van een onderneming die is gevestigd in een andere lidstaat dan die waarin de ondernemingen zijn gevestigd die telefoonnummers aan abonnees toekennen, en die verzoekt om de relevante informatie waarover deze ondernemingen beschikken, ten behoeve van het verstrekken van openbare telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen in deze lidstaat en/of in andere lidstaten.

2)

Artikel 25, lid 2, van richtlijn 2002/22, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een onderneming die telefoonnummers aan abonnees toekent en krachtens de nationale regeling verplicht is toestemming te vragen van deze abonnees voor het gebruik van de hen betreffende gegevens ten behoeve van het verstrekken van telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen, dit verzoek zodanig formuleert dat die abonnees in hun toestemming voor dat gebruik differentiëren naargelang van de lidstaat waarin de ondernemingen die de in deze bepaling bedoelde informatie zouden kunnen vragen, deze diensten aanbieden.


(1)  PB C 27 van 25.1.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/9


Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 15 maart 2017 — Europese Commissie/Koninkrijk Spanje

(Zaak C-563/15) (1)

((Niet-nakoming - Milieu - Richtlijn 2008/98/EG - Artikelen 13 en 15 - Afvalstoffenbeheer - Bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu - Verantwoordelijkheid - Stortplaatsen))

(2017/C 151/13)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Pignataro-Nolin en E. Sanfrutos Cano, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Gavela Llopis, gemachtigde)

Dictum

1)

Het Koninkrijk Spanje is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 13 en 15, lid 1, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, door met betrekking tot de stortplaatsen van Torremolinos (Málaga), Torrent de S’Estret (Andratx, Mallorca), Hoya de la Yegua de Arriba (Yaiza, Lanzarote), Barranco de Butihondo (Pájara, Fuerteventura), La Laguna-Tiscamanita (Tuineje, Fuerteventura), Lomo Blanco (Antigua, Fuerteventura), Montaña de Amagro (Galdar, Gran Canaria), Franja Costera de Botija (Galdar, Gran Canaria), Cueva Lapa (Galdar, Gran Canaria), La Colmena (Santiago del Teide, Tenerife), Montaña Los Giles (La Laguna, Tenerife), Las Rosas (Güimar, Tenerife), Barranco de Tejina (Guía de Isora, Tenerife), Llano de Ifara (Granadilla de Abona, Tenerife), Barranco del Carmen (Sta. Cruz de la Palma, La Palma), Barranco Jurado (Tijarafe, La Palma), Montaña Negra (Puntagorda, La Palma), Lomo Alto (Fuencaliente, La Palma), Arure/Llano Grande (Valle Gran Rey, La Gomera), El Palmar-Taguluche (Hermigua, La Gomera), Paraje de Juan Barba (Alajeró, La Gomera), El Altito (Valle Gran Rey, La Gomera), Punta Sardina (Agulo, La Gomera), Los Llanillos (La Frontera, El Hierro), Faro de Orchilla (La Frontera, El Hierro), Montaña del Tesoro (Valverde, El Hierro), Arbancón, Galve de Sorbe, Hiendelaencina, Tamajón, El Casar, Cardeñosa (Ávila), Miranda de Ebro (Burgos), Poza de la Sal (Burgos), Acebedo (León), Bustillo del Páramo (León), Cármenes (León), Gradefes (León), Noceda del Bierzo (León), San Millán de los Caballeros (León), Santa María del Páramo (León), Villaornate y Castro (León), Cevico de la Torre (Palencia), Palencia (Palencia), Ahigal de los Aceiteros (Salamanca), Alaraz (Salamanca), Calvarrasa de Abajo (Salamanca), Hinojosa de Duero (Salamanca), Machacón (Salamanca), Palaciosrubios (Salamanca), Peñaranda de Bracamonte (Salamanca), Salmoral (Salamanca), Tordillos (Salamanca), Basardilla (Segovia), Cabezuela (Segovia), Almaraz del Duero (Zamora), Cañizal (Zamora), Casaseca de las Chanas (Zamora), La Serratilla (Abanilla), Las Rellanas (Santomera) en El Labradorcico (Águilas) niet de nodige maatregelen te hebben vastgesteld om ervoor te zorgen dat het afvalstoffenbeheer de menselijke gezondheid niet in gevaar brengt en het milieu niet aantast, en dat met name geen risico ontstaat voor water, lucht, bodem, fauna en flora, alsook dat het afval dat er wordt geloosd, wordt behandeld door de gemeenten zelf of door een handelaar, een inrichting of een onderneming die afvalverwerkingshandelingen verrichten dan wel door een private of publieke inzamelaar van afvalstoffen, overeenkomstig de artikelen 4 en 13 van deze richtlijn.

2)

Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 16 van 18.1.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/10


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het hof van beroep Brussel — België) — Lucio Cesare Aquino/Belgische Staat

(Zaak C-3/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Unierecht - Rechten toegekend aan particulieren - Schending door een rechterlijke instantie - Prejudiciële vragen - Voorlegging aan het Hof - Nationale rechterlijke instantie die uitspraak doet in laatste aanleg))

(2017/C 151/14)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van beroep Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Lucio Cesare Aquino

Verwerende partij: Belgische Staat

Dictum

1)

Artikel 267, derde alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep niet kan worden beschouwd als een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de gevallen waarin het cassatieberoep tegen een beslissing van die rechterlijke instantie niet is beoordeeld wegens afstand van geding door de verzoekende partij.

2)

De tweede vraag behoeft niet te worden beantwoord.

3)

Artikel 267, derde alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie het Hof geen prejudiciële vraag hoeft te stellen wanneer een cassatieberoep wordt verworpen wegens redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen.


(1)  PB C 136 van 18.4.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/11


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — Valsts ieņēmumu dienests/„Veloserviss” SIA

(Zaak C-47/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Douane-unie - Communautair douanewetboek - Artikel 220, lid 2, onder b) - Navordering van invoerrechten - Gewettigd vertrouwen - Toepassingsvoorwaarden - Vergissing van de douaneautoriteiten - Verplichting van de importeur om te goeder trouw te handelen en de omstandigheden na te gaan waaronder het certificaat van oorsprong „formulier A” is afgegeven - Bewijsmiddelen - Verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)])

(2017/C 151/15)

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Augstākā tiesa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Valsts ieņēmumu dienests

Verwerende partij:„Veloserviss” SIA

Dictum

1)

Artikel 220, lid 2, onder b), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, moet aldus worden uitgelegd dat een importeur, onder aanvoering van zijn goede trouw, slechts een gewettigd vertrouwen op grond van deze bepaling kan aanvoeren om zich te verzetten tegen een boeking achteraf van invoerrechten, wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. Allereerst moet inning van deze rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf, vervolgens moet die vergissing van dien aard zijn dat een belastingschuldige te goeder trouw deze redelijkerwijze niet had kunnen ontdekken, en ten slotte moet laatstbedoelde voor zijn douaneaangifte aan alle geldende voorschriften hebben voldaan. Van een dergelijk gewettigd vertrouwen is met name geen sprake wanneer een importeur, hoewel hij duidelijke redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid van een certificaat van oorsprong „formulier A”, niet ertoe is overgegaan om, binnen de mate van hetgeen voor hem mogelijk was, de omstandigheden inzake de afgifte van dat certificaat te onderzoeken teneinde na te gaan of die twijfels gegrond waren. Een dergelijke verplichting betekent evenwel niet dat een importeur algemeen gehouden is om systematisch de omstandigheden te controleren waaronder de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer een certificaat van oorsprong „formulier A” hebben afgegeven. Het staat aan de verwijzende rechter om aan de hand van alle concrete elementen van het hoofdgeding te beoordelen of in casu aan die drie voorwaarden is voldaan.

2)

Artikel 220, lid 2, onder b), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, moet aldus worden uitgelegd dat in een zaak als die in het hoofdgeding, uit de gegevens in een verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan worden afgeleid dat een importeur zich niet kan beroepen op een gewettigd vertrouwen op grond van deze bepaling om zich te verzetten tegen een boeking achteraf van de invoerrechten. Wanneer een dergelijk verslag slechts een algemene beschrijving van de betrokken situatie bevat, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan, kan dit verslag op zichzelf echter niet volstaan om rechtens genoegzaam aan te tonen dat in alle opzichten daadwerkelijk aan die voorwaarden is voldaan, met name wat betreft de relevante gedraging van de exporteur. In dat geval staat het in beginsel aan de douaneautoriteiten van de staat van invoer om, middels aanvullend bewijsmateriaal, te bewijzen dat de afgifte van een onjuist certificaat van oorsprong „formulier A” door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer, te wijten is aan de onjuiste voorstelling van de feiten door de exporteur. Wanneer de douaneautoriteiten van de staat van invoer dat bewijs niet kunnen leveren, staat het in voorkomend geval echter aan de importeur om te bewijzen dat het certificaat is opgesteld op basis van een juiste weergave van de feiten door de exporteur.


(1)  PB C 111 van 29.3.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/12


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Handelsgericht Wien — Oostenrijk) — Staatlich genehmigte Gesellschaft der Autoren, Komponisten und Musikverleger registrierte Genossenschaft mbH (AKM)/Zürs.net Betriebs GmbH

(Zaak C-138/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Intellectuele eigendom - Auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij - Richtlijn 2001/29/EG - Recht van mededeling van werken aan het publiek - Artikel 3, lid 1 - Beperkingen en restricties - Artikel 5, lid 3, onder o) - Uitzending van televisieprogramma’s via een lokaal kabelnetwerk - Nationale regeling die voorziet in uitzonderingen voor installaties die de toegang voor maximaal 500 abonnees mogelijk maken en voor de doorgifte van publieke omroepuitzendingen op het nationale grondgebied])

(2017/C 151/16)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Handelsgericht Wien

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Staatlich genehmigte Gesellschaft der Autoren, Komponisten und Musikverleger registrierte Genossenschaft mbH (AKM)

Verwerende partij: Zürs.net Betriebs GmbH

Dictum

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, en artikel 11 bis van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, in de versie na de Akte van Parijs van 24 juli 1971, als gewijzigd op 28 september 1979, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan voor een gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van omroepuitzendingen van de nationale omroeporganisatie, door middel van kabels die op het nationale grondgebied liggen, geen toestemming van de auteur uit hoofde van het uitsluitende recht van mededeling aan het publiek hoeft te worden verkregen, voor zover deze doorgifte een louter technisch communicatiemiddel vormt en daarmee door de auteur van het werk rekening is gehouden bij de oorspronkelijke toestemming tot mededeling ervan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan;

Artikel 5 van richtlijn 2001/29, en in het bijzonder lid 3, onder o), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan voor een omroepuitzending via een gemeenschappelijke antenne-installatie geen toestemming van de auteur uit hoofde van het uitsluitende recht van mededeling aan het publiek hoeft te worden verkregen, wanneer bij de installatie niet meer dan 500 abonnees zijn aangesloten, en dat deze wettelijke regeling bijgevolg moet worden toegepast in overeenstemming met artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.


(1)  PB C 222 van 20.6.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/13


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Torino — Italië) — Bimotor SpA/Agenzia delle Entrate — Direzione Provinciale II di Torino

(Zaak C-211/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Belasting over de toegevoegde waarde - Beginsel van neutrale fiscaliteit - Nationale regeling die voorziet in een vaste maximumgrens die het bedrag van terugbetaling of verrekening van het krediet of overschot van de belasting over de toegevoegde waarde beperkt))

(2017/C 151/17)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Commissione Tributaria Provinciale di Torino

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bimotor SpA

Verwerende partij: Agenzia delle Entrate — Direzione Provinciale II di Torino

Dictum

Artikel 183, eerste alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling, als die in het hoofdgeding, die de verrekening van bepaalde belastingschulden met kredieten van de belasting over de toegevoegde waarde tot een bepaald maximumbedrag beperkt, voor elk belastingtijdvak, voor zover de nationale rechtsorde hoe dan ook voorziet in de mogelijkheid voor de belastingplichtige om het totale krediet van de belasting over de toegevoegde waarde binnen een redelijke termijn terug te krijgen.


(1)  PB C 251 van 11.7.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/13


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 15 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de cour d’appel de Bruxelles — België) — FlibTravel International SA, Leonard Travel International SA/AAL Renting SA e.a.

(Zaak C-253/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Artikel 96 VWEU - Toepasselijkheid - Nationale regeling die taxidiensten verbiedt individuele plaatsen ter beschikking te stellen - Nationale regeling die taxidiensten verbiedt vooraf de bestemming te bepalen - Nationale regeling die taxidiensten verbiedt klanten te ronselen))

(2017/C 151/18)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour d’appel de Bruxelles

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: FlibTravel International SA, Leonard Travel International SA

Verwerende partijen: AAL Renting SA, Haroune Tax SPRL, Saratax SCS, Ryad SCRI, Taxis Bachir & Cie SCS, Abdelhamid El Barjraji, Abdelouahab Ben Bachir, Sotax SCRI, Mostapha El Hammouchi, Boughaz SPRL, Sahbaz SPRL, Jamal El Jelali, Mohamed Chakir Ben Kadour, Taxis Chalkis SCRL, Mohammed Gheris, Les délices de Fes SPRL, Abderrahmane Belyazid, E.A.R. SCS, Sotrans SPRL, B.M.A. SCS, Taxis Amri et Cie SCS, Aramak SCS, Rachid El Amrani, Mourad Bakkour, Mohamed Agharbiou, Omar Amri, Jmili Zouhair, Mustapha Ben Abderrahman, Mohamed Zahyani, Miltotax SPRL, Lextra SA, Ismael El Amrani, Farid Benazzouz, Imad Zoufri, Abdel-Ilah Bokhamy, Ismail Al Bouhali, Bahri Messaoud & Cie SCS, Mostafa Bouzid, BKN Star SPRL, M.V.S. SPRL, A.B.M.B. SCS, Imatrans SPRL, Reda Bouyaknouden, Ayoub Tahri, Moulay Adil El Khatir, Redouan El Abboudi, Mohamed El Abboudi, Bilal El Abboudi, Sofian El Abboudi, Karim Bensbih, Hadel Bensbih, Mimoun Mallouk, Abdellah El Ghaffouli, Said El Aazzoui

Dictum

Artikel 96, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het geen toepassing vindt op beperkingen die aan aanbieders van taxidiensten worden opgelegd, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beperkingen.


(1)  PB C 260 van 18.7.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 28 november 2016 — Giovanna Judith Kerr/Fazenda Pública

(Zaak C-615/16)

(2017/C 151/19)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Supremo Tribunal Administrativo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Giovanna Judith Kerr

Verwerende partij: Fazenda Pública

Prejudiciële vraag

Moeten de artikelen 135, lid 1, onder f), en 15, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad […] aldus worden uitgelegd dat zij enkel zien op de partijen bij een contract betreffende de verkoop van een gebruiksrecht op onroerend goed dat zij hebben afgesloten, of kunnen deze bepalingen ook aldus worden uitgelegd dat zij eveneens zien op de door verzoekster uitgeoefende activiteit, bestaande in het aantrekken van klanten en promoten van diensten teneinde ervoor te zorgen dat de onderneming die de diensten aanbiedt, de betrokken verkoop sluit, volgens vooraf vastgestelde instructies en binnen bepaalde grenzen inzake kortingen en promotiegeschenken?


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/14


Hogere voorziening ingesteld op 19 januari 2017 door Birkenstock Sales GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 november 2016 in zaak T-579/14, Birkenstock Sales GmbH/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

(Zaak C-26/17 P)

(2017/C 151/20)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Birkenstock Sales GmbH (vertegenwoordigers: C. Menebröcker, Rechtsanwalt, en V. Töbelmann, Rechtsanwältin)

Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Conclusies

het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 9 november 2016 (zaak T-579/14) vernietigen, voor zover daarbij het beroep van rekwirante werd verworpen;

de in eerste aanleg voor het Gerecht ingestelde vorderingen voor de waren waarvoor het beroep van rekwirante werd verworpen, toewijzen;

het EUIPO verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof, voor het Gerecht en voor de kamer van beroep.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Rekwirante vordert vernietiging van het arrest van het Gerecht van 9 november 2016 in zaak T-579/14 betreffende internationaal merk nr. 1132742, voor zover daarbij het beroep van rekwirante werd verworpen, alsmede toewijzing van de in eerste aanleg voor het Gerecht ingestelde vorderingen voor de waren waarvoor het beroep van rekwirante werd verworpen.

2.

Rekwirante voert hiertoe vooreerst aan dat artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 (1) werd geschonden, doordat het Gerecht de beginselen inzake driedimensionale merken onjuist heeft toegepast op het in geding zijnde internationale merk. Verder betoogt rekwirante dat het Gerecht bij de toetsing van het internationale merk aan de beginselen inzake driedimensionale merken niet is overgegaan tot een vaststelling „van de norm en van wat in de betrokken sectoren gangbaar is” voor de litigieuze waren, en ten slotte dat het Gerecht bij de beoordeling van de door het internationale merk opgeroepen algemene indruk strengere criteria heeft gehanteerd dan die van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.

3.

Voorts voert rekwirante aan dat het arrest in eerste aanleg een tegenstrijdigheid bevat, voor zover daarbij werd vastgesteld dat het onderscheidend vermogen van een teken op basis van het teken als zodanig dient te worden beoordeeld, maar het gebruik ervan in die beoordeling werd betrokken, en voor de vraag, of voor een teken tegelijkertijd een twee- en driedimensionale toepassing kan worden aangenomen, wordt verwezen naar oudere eigen rechtspraak.

4.

Verder betoogt rekwirante dat het arrest de feiten onjuist voorstelt, voor zover daarin wordt gesteld dat het EUIPO niet verplicht is bewijzen aan te voeren voor zijn oordeel dat het internationale merk niet op significante wijze afwijkt van de in deze sector gangbare gebruiksvormen, aangezien de kamer van beroep zich heeft gebaseerd op feiten die volgen uit de praktische ervaring die algemeen is opgedaan bij de commercialisering van de betrokken waren en die voor eenieder kenbaar zijn.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1).


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/15


Hogere voorziening ingesteld op 23 januari 2017 door Apcoa Parking Holdings GmbH tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 8 november 2016 in de gevoegde zaken T-268/15 en T-272/15, Apcoa Parking Holdings GmbH/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

(Zaak C-32/17 P)

(2017/C 151/21)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Apcoa Parking Holdings GmbH (vertegenwoordiger: Dr. A. Lohmann, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Conclusies

1.

Vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie (Zevende kamer) van 8 november 2016 in de gevoegde zaken T-268/15 en T-272/15.

2.

Vernietiging van de beslissingen van de vierde kamer van beroep van het EUIPO (voorheen BHIM) van 25 maart 2015 in de beroepsprocedures betreffende de zaken R 2062/2014-4 en R 2063/2014-4.

3.

Verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens verzoekster gaat de bestreden beschikking mank door een vormverzuim (eerste middel). Bovendien schendt deze beschikking het recht van de Unie, aangezien het Gerecht geen rekening heeft gehouden met belangrijke feitelijke gegevens (tweede middel). Het heeft de feiten ook onjuist opgevat (derde middel). De bestreden beschikking doet voorts afbreuk aan het beginsel dat het Uniemerk een eenheid vormt (vierde middel).

Eerste middel: het Gerecht heeft het beroep afgedaan zonder dat een pleitzitting is gehouden, hoewel verzoekster uitdrukkelijk daarom had verzocht.

Een mondelinge behandeling ter terechtzitting was niet overbodig, aangezien het beroep noch kennelijk niet-ontvankelijk, noch kennelijk rechtens ongegrond was. De bestreden beschikking is dus aangetast door een procedurele fout.

Tweede middel: de beschikking van het Gerecht levert schending op van het recht van de Unie. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, staat geen enkele absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 (1) in de weg aan inschrijving van de litigieuze merken, aangezien deze merken niet beschrijvend van aard zijn.

Het Gerecht heeft een aantal relevante feitelijke elementen niet in aanmerking genomen. Het heeft geoordeeld dat het Engelse woord „Parkway” voor het publiek in het Verenigd Koninkrijk een parkeergarage in een treinstation aanduidt. Het heeft dienaangaande echter geen rekening ermee gehouden dat het Britse merkenbureau zich reeds uitdrukkelijk en omstandig over deze vraag had uitgesproken, ook tijdens een hoorzitting, en dat dit bureau na een grondig onderzoek had uitgesloten dat sprake was van een beschrijvende aanduiding. Wanneer dit woord op zich wordt gebruikt, zoals het in het merk is vermeld, heeft het niet de betekenis die het Gerecht eraan heeft verleend. Met betrekking tot de identieke merken „Parkway” is geoordeeld dat deze in aanmerking komen voor bescherming. Deze merken zijn bij wege van een uitbreiding van de internationale inschrijving ervan als geschikt voor bescherming beoordeeld, en dus ingeschreven in verschillende lidstaten (onder meer in Ierland), en dat is in het kader van nationale merkaanvragen ook het geval in het Verenigd Koninkrijk.

Het Gerecht heeft geen rekening daarmee gehouden en het heeft louter aangegeven het in de regel niet gebonden is door nationale beslissingen. Het is in dit verband eraan voorbijgegaan dat het feit dat het niet gebonden is, hem niet vrijstelt van zijn verplichting om minstens alle relevante feiten te onderzoeken en te beoordelen. De nationale inschrijvingen van identieke merken in de lidstaten van het taalgebied waarvan de litigieuze benaming afkomstig is, vormen hoe dan ook belangrijke feitelijke gegevens. Doordat het Gerecht deze niet in aanmerking heeft genomen, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Derde middel: het Gerecht leidt de door hem gehanteerde betekenis van het woord „Parkway” af uit twee bronnen die voortkomen uit woordenboeken. Het heeft deze bronnen evenwel onvolledig weergegeven en verdraaid. Het Gerecht heeft geen rekening ermee gehouden dat het uit deze bronnen geen algemene betekenis van het afzonderlijk gebruikte woord „Parkway” kan afleiden zoals die waarop het zijn beslissing heeft gebaseerd. Dat bleek ook volledig uit de beslissing van het merkenbureau van het Verenigd Koninkrijk betreffende de vraag of het merk geschikt was voor bescherming op dit grondgebied. Dit bureau is tot de slotsom gekomen dat de in het woordenboek aan de betrokken term verleende betekenis niet belet dat dit woord wordt ingeschreven als merk. Indien het Gerecht de voormelde bronnen juist had opgevat, zou het tot dezelfde conclusie zijn gekomen. Ook deze verdraaiing van de feiten levert een onjuiste rechtsopvatting op.

Vierde middel: de bestreden beschikking doet bovendien afbreuk aan het beginsel dat het Uniemerk een eenheid vormt. Hoewel in geen enkele lidstaat een absolute weigeringsgrond voor inschrijving bestaat, heeft het Gerecht verzoekster de eenheidsbescherming van het Europese merkenrecht ontzegd.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (gecodificeerde versie) (PB L 78, blz. 1).


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/17


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Düsseldorf (Duitsland) op 10 februari 2017 — Jonathan Heintges/German Wings GmbH

(Zaak C-74/17)

(2017/C 151/22)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Düsseldorf

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Jonathan Heintges

Verwerende partij: German Wings GmbH

Prejudiciële vragen

I.

Dient artikel 12, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1) aldus te worden uitgelegd dat de aldaar genoemde „rechten op verdere compensatie” slechts rechten betreffen die op rechtsgrondslagen buiten de verordening zijn gebaseerd?

II.

a.

Indien vraag I ontkennend wordt beantwoord, dient artikel 8 van verordening nr. 261/2004 dan aldus te worden uitgelegd dat wanneer een luchtvaartmaatschappij de in de leden 1 en 2 van dit artikel bepaalde diensten niet verricht, uit dat artikel voor de passagier een eigen recht op compensatie wegens het niet verrichten van de genoemde diensten voortvloeit, en, zo ja, omvat dit recht ook de terugbetaling van de kosten van een door de passagier zelf georganiseerd ander vervoer tot op zijn eindbestemming?

aa.

Indien vraag a. bevestigend wordt beantwoord, wordt het recht op compensatie voor het door de passagier zelf georganiseerd alternatief vervoer dan verrekend in de zin van artikel 12, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 261/2004?

b.

Indien vraag I bevestigend wordt beantwoord, en het nationale recht een regeling bevat op grond waarvan een passagier wegens niet-nakoming van de verplichting van artikel 8 van de verordening ten aanzien van de luchtvaartmaatschappij recht heeft op terugbetaling van de kosten die hem zijn opgekomen doordat hij zelf voor alternatief vervoer heeft gezorgd, wordt dit nationale recht op compensatie dan verrekend overeenkomstig artikel 12, lid 1, tweede zin, van de verordening?

c.

Indien het antwoord op vraag II.a. of II.b. luidt dat een verrekening overeenkomstig artikel 12, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 261/2004 dient plaats te vinden, dient artikel 12 dan aldus te worden uitgelegd dat de verrekening automatisch plaatsvindt, zonder dat de vergoedingsplichtige partij dit moet inroepen?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/17


Hogere voorziening ingesteld op 9 februari 2017 door Fiesta Hotels & Resorts, S.L. tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 30 november 2016 in zaak T-217/15, Fiesta Hotels & Resorts/EUIPO — Residencial Palladium (Palladium Palace Ibiza Resort & Spa)

(Zaak C-75/17 P)

(2017/C 151/23)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Fiesta Hotels & Resorts, S.L. (vertegenwoordigers: J.-B. Devaureix en J. C. Erdozain López, abogados)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en Residencial Palladium S.L.

Conclusies

volledige vernietiging van het arrest van het Gerecht van 30 november 2016 in zaak T-217/15;

volledige toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg;

verwijzing van verweerder en interveniënte in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Eerste middel: het Gerecht geeft in het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat voor de toepassing van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 van de Raad (1) van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (hierna: „de verordening”) aan het vereiste van een teken van „meer dan alleen plaatselijke betekenis” is voldaan los van de geografische dimensie waarin de merkhouder zijn activiteiten uitoefent. Een dergelijke uitlegging doet afbreuk aan de letterlijke betekenis van de term „plaatselijk” alsmede aan het doel van artikel 8, lid 4, van de verordening. Het Gerecht heeft blijk gegeven van deze onjuiste rechtsopvatting, voor zover het bij de vaststelling of de aangevoerde niet-ingeschreven handelsnaam louter van plaatselijke betekenis is, rekening heeft gehouden met documenten met rechtsgeldigheid buiten het Spaanse grondgebied.

Verder kan uit het feit dat de diensten, verricht door de inrichting die door het merk of de handelsnaam wordt aangeduid, worden verleend aan een internationaal publiek, niet worden afgeleid dat het gebruik van het teken van meer dan plaatselijke betekenis is.

De vaststelling in het arrest met betrekking tot het vereiste van een teken van „meer dan alleen plaatselijke betekenis” doet derhalve afbreuk aan het doel van artikel 8, lid 4, van de verordening. Aldus wordt in het bestreden arrest erkend dat dit vereiste bij toepassing ervan op de handelsnaam die zich verzet tegen een Uniemerkaanvraag, niet afhangt van de plaatselijke betekenis van de inrichting die deze gebruikt, maar van de „geografische spreiding van haar clientèle of van de reputatie die zij geniet op nationaal of zelfs internationaal niveau”. Met dit oordeel gaat het arrest verder dan de restrictieve doelstelling van artikel 8, lid 4, van de verordening, aangezien het hierdoor gemakkelijk wordt aan te tonen dat het teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis is door het loutere gebruik van het niet-ingeschreven teken op internet of, in de omstandigheden van het concrete geval, door de internationale factor van de gasten die verblijven in het betrokken hotel.

2.

Tweede middel: het Gerecht geeft in het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat voor de toepassing van artikel 8, lid 4, van de verordening, juncto artikel 9, lid 1, onder d), van de in Spanje geldende Ley 17/2001, de 7 de diciembre, de Marcas (Spaanse merkenwet), niet vereist is dat het aangevoerde niet-ingeschreven teken bekend is, terwijl in de heersende rechtspraak in Spanje juist het tegenovergestelde wordt geëist, te weten niet alleen een gebruik van het aangevoerde teken, maar ook dat dit gebruik bekend is in een wezenlijk deel van het Spaanse grondgebied.

3.

Derde middel: het Gerecht geeft in het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat is voldaan aan artikel 8, lid 4, onder b), van de verordening op grond van het arrest LAGUIOLE (punt 37), terwijl laatstgenoemd arrest in casu niet van toepassing is, aangezien in casu het Spaanse recht wordt uitgelegd, en niet het Franse recht zoals in het arrest LAGUIOLE, en rekwirante heeft gewezen op arresten van het Spaanse Tribunal Supremo die duidelijk verbieden dat een niet-ingeschreven handelsnaam het gebruik van een jonger merk verhindert zonder dat verwerende partij beroep heeft gedaan op de Spaanse wet inzake oneerlijke mededinging, die deze mogelijkheid zou omvatten, hetgeen rekwirante ernstig heeft betwist.

4.

Vierde middel: het Gerecht geeft in het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip „tussenliggende merken”, dat is bedacht overeenkomstig de Spaanse Ley de Marcas (merkenwet), en in het bijzonder wordt blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 65 van de verordening.

Rekwirante betoogt dat in het bestreden arrest blijk wordt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, op grond dat artikel 65 van de verordening sensu stricto niet eraan in de weg staat dat de rechtsvraag wordt onderzocht die rijst in het licht van het juridische betoog van partijen. Anders dan het Gerecht in het bestreden arrest stelt, beoogt rekwirante geenszins de feiten te wijzigen die de kamer van beroep in aanmerking heeft genomen voor haar beslissing, maar voert zij louter een rechtsgrondslag aan waaruit de onjuiste rechtsopvatting van het EUIPO in de litigieuze beslissing blijkt.

Rekwirante steunt op het beginsel iura novit curia, volgens hetwelk de rechter bij de beslechting van het geschil de rechtsregels dient toe te passen die hem passend lijken alsmede de rechtsgrondslag van het betoog van partijen dient te wijzigen, voor zover de beslissing in overeenstemming is met de feitelijke en rechtsvragen die door partijen zijn opgeworpen, de aangevoerde grondslag van de rechtsvordering niet wordt gewijzigd en evenmin het probleem wordt omgevormd tot een ander probleem. Aldus had het Gerecht rekwirantes betoog moeten onderzoeken, aangezien bij gebreke daarvan afbreuk wordt gedaan aan rekwirantes rechten van de verdediging en haar de uit inschrijving voortvloeiende rechten worden ontzegd.


(1)  PB 2009, L 78, blz. 1.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Înalta Curte de Casație și Justiție (Roemenië) op 13 februari 2017 — SC Petrotel Lukoil SA, Maria Magdalena Georgescu/Ministerul Economiei, Ministerul Energiei, Ministerul Finanțelor Publice

(Zaak C-76/17)

(2017/C 151/24)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Înalta Curte de Casație și Justiție

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: SC Petrotel Lukoil SA, Maria Magdalena Georgescu

Verwerende partijen: Ministerul Economiei, Ministerul Energiei, Ministerul Finanțelor Publice

Prejudiciële vragen

1)

Staat het bepaalde in artikel 30 VWEU in de weg aan een uitlegging volgens welke de belastingplichtige die feitelijk de last van een heffing van gelijke werking heeft gedragen, teruggaaf van de uit hoofde van die heffing betaalde bedragen kan vorderen, ook wanneer volgens het mechanisme voor de betaling van de heffing deze laatste moet worden afgewenteld op de Europese consument?

2)

Is teruggaaf van de bedragen die zijn geïnd als heffing van gelijke werking verenigbaar met de bepalingen van gemeenschapsrecht wanneer de last van de heffing niet wordt afgewenteld op de consument maar feitelijk rust op de belastingplichtige?


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 23 februari 2017 — Rafael Ramón Escobedo Cortés/Banco de Sabadell, S.A.

(Zaak C-94/17)

(2017/C 151/25)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Eiser tot cassatie: Rafael Ramón Escobedo Cortés

Verweerster in cassatie: Banco de Sabadell, S.A.

Prejudiciële vragen

1)

Verzetten artikel 3, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 (1) zich tegen rechtspraak volgens welke bij het in een leningsovereenkomst opgenomen vertragingsrentebeding in de vorm van een verhoging van de in de overeenkomst vastgelegde normale jaarrente met meer dan 2 % sprake is van een onevenredig hoge schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die een betalingsachterstand oploopt, en daarmee van een oneerlijk beding?

2)

Verzetten artikel 3, gelezen in samenhang met punt 1, onder e), van de bijlage, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich tegen rechtspraak volgens welke bij de toetsing of een in een leningsovereenkomst opgenomen vertragingsrentebeding oneerlijk is, moet worden nagegaan of bij de verhoging die de vertragingsrente inhoudt ten opzichte van de normale rente, sprake is van een „onevenredig hoge schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die zijn verbintenissen niet nakomt”, en de vaststelling dat het beding oneerlijk is tot gevolg heeft dat die verhoging geheel wordt geschrapt en dus alleen nog normale rente verschuldigd is totdat de lening is afgelost?

3)

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: wil sprake zijn van verenigbaarheid met richtlijn 93/13, dient de vaststelling dat een vertragingsrentebeding nietig is omdat het oneerlijk is, dan andere gevolgen te hebben, zoals het geheel schrappen van de normale en de vertragingsrente wanneer een leningnemer zich niet houdt aan zijn verplichting om binnen de in de overeenkomst genoemde termijnen de kosten van de lening te betalen, of het verschuldigd zijn van de wettelijke rente?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social de Terrassa (Spanje) op 22 februari 2017 — Gardenia Vernaza Ayovi/Consorci Sanitari de Terrassa

(Zaak C-96/17)

(2017/C 151/26)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Social de Terrassa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Gardenia Vernaza Ayovi

Verwerende partij: Consorci Sanitari de Terrassa

Prejudiciële vragen

1)

Omvat het begrip „arbeidsvoorwaarden”, in de zin van clausule 4, punt 1, van [de raamovereenkomst die is opgenomen in de bijlage bij] richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (1), de rechtsgevolgen van de onrechtmatigverklaring van een tuchtrechtelijk ontslag, en met name het rechtsgevolg waarop wordt gedoeld in artikel 96, lid 2, van [de Ley del Estatuto Básico del Empleado Público (wet houdende het basisstatuut van het overheidspersoneel), waarvan de herziene tekst is goedgekeurd bij] Real Decreto Legislativo (koninklijk besluit) 5/2015 van 30 oktober 2015 […]?

2)

Dient een situatie als bedoeld in artikel 96, lid 2, van [de Ley del Estatuto Básico del Empleado Público, waarvan de herziene tekst is goedgekeurd bij] Real Decreto Legislativo (koninklijk besluit) 5/2015 van 30 oktober 2015 […], waarin de onrechtmatig of onwettigverklaring van het tuchtrechtelijk ontslag van een werknemer in vaste dienst van de overheid er steeds toe leidt dat de werknemer opnieuw in dienst moet worden genomen, terwijl in het geval van een tuchtrechtelijk ontslag van een werknemer met een overeenkomst voor onbepaalde tijd — of een tijdelijke overeenkomst — die dezelfde functies uitoefent als een werknemer met een vast dienstverband, de mogelijkheid bestaat hem, in ruil voor een schadevergoeding, niet opnieuw in dienst te nemen, als discriminerend te worden aangemerkt op grond van clausule 4, punt 1, van [de raamovereenkomst die is opgenomen in de bijlage bij] richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd?

3)

Kan, in dezelfde situatie als beschreven in de voorgaande vraag, een ongelijke behandeling worden gerechtvaardigd in het licht van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in plaats van in het licht van voornoemde richtlijn?


(1)  PB 1999, L 175, blz. 43.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal de Contas (Portugal) op 28 februari 2017 — Secretaria Regional de Saúde dos Açores/Ministério Público

(Zaak C-102/17)

(2017/C 151/27)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal de Contas

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Secretaria Regional de Saúde dos Açores

Verwerende partij: Ministério Público

Prejudiciële vraag

Dient artikel 58, lid 4, van richtlijn 2014/24/EU (1) van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als die beschreven [in artikel 40, leden 3 en 5, onder c), van regionaal wetgevend decreet nr. 27/2015/A van 29 december 2015], volgens welke inzake overheidsopdrachten als geschiktheidscriterium een geografisch criterium kan worden opgelegd volgens hetwelk in dezelfde autonome regio in het verleden drie opdrachten voor werken moeten zijn uitgevoerd?


(1)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) (Verenigd Koninkrijk) op 8 maart 2017 — Teva UK Ltd, Accord Healthcare Ltd, Lupin Ltd, Lupin (Europe) Ltd, Generics (UK) (handelend onder de naam „Mylan”)/Gilead Sciences Inc.

(Zaak C-121/17)

(2017/C 151/28)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court of Justice (Chancery Division)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Teva UK Ltd, Accord Healthcare Ltd, Lupin Ltd, Lupin (Europe) Ltd, Generics (UK) (handelend onder de naam „Mylan”)

Verwerende partij: Gilead Sciences Inc.

Prejudiciële vraag

Op basis van welke criteria moet worden vastgesteld of „het product wordt beschermd door een van kracht zijnd basisoctrooi” in de zin van artikel 3, onder a), van verordening nr. 469/2009 (1)?


(1)  Verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB 2009, L 152, blz. 1).


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (Ierland) op 9 maart 2017 — David Smith/Patrick Meade, Philip Meade, FBD Insurance plc, Ireland, Attorney General

(Zaak C-122/17)

(2017/C 151/29)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Court of Appeal

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: David Smith

Verwerende partijen: Patrick Meade, Philip Meade, FBD Insurance plc, Ireland, Attorney General

Prejudiciële vragen

In een situatie waarin

(i)

de toepasselijke bepalingen van nationaal recht voorzien in een uitsluiting ter zake van de verplichte motorrijtuigenverzekering ten aanzien van degenen voor wie het motorvoertuig niet is uitgerust met vaste zitplaatsen,

(ii)

de toepasselijke verzekeringspolis bepaalt dat enkel inzittenden op de vast ingebouwde zitplaatsen onder de dekking vallen, en deze polis ten tijde van het ongeval feitelijk een goedgekeurde verzekeringspolis was voor de toepassing van dat nationale recht,

(iii)

de toepasselijke nationale bepalingen die in een dergelijke uitsluiting van die dekking voorzien, in een eerdere uitspraak van het Hof al in strijd zijn geacht met het Unierecht (arrest Farell/Whitty, C-356/05 [EU:C:2007:229]) en, bijgevolg, buiten toepassing moeten blijven, en

(iv)

de bewoordingen van de nationale bepalingen zodanig zijn dat het niet mogelijk is deze in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht uit te leggen,

is de nationale rechter dan, in een geding tussen particuliere partijen en een particuliere verzekeringsmaatschappij inzake een auto-ongeval waarbij een inzittende, die niet op een vast ingebouwde zitplaats zat, in 1999 ernstig letsel heeft opgelopen, in welk geding de nationale rechterlijke instantie, met instemming van de partijen, de particuliere verzekeringsmaatschappij en de Staat als verweerders heeft opgeroepen, wanneer die rechter de toepasselijke bepalingen van nationaal recht buiten toepassing laat, ook verplicht om de in de motorrijtuigenverzekeringspolis opgenomen uitsluitingsclausule buiten toepassing te laten, of anderszins te beletten dat de verzekeraar zich op de uitsluitingsclausule beroept die destijds van kracht was, zodat het slachtoffer met letselschade direct op basis van die polis schadeloosstelling van de verzekeringsmaatschappij had kunnen vorderen? Of zou een dergelijke uitkomst in wezen leiden tot een vorm van horizontale rechtstreekse werking van een richtlijn jegens een particulier, op een wijze die door het Unierecht is verboden?


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/22


Beroep ingesteld op 10 maart 2017 — Europese Commissie/Republiek Polen

(Zaak C-127/17)

(2017/C 151/30)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Hottiaux en W. Mölls, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Polen

Conclusies

vaststellen dat de Republiek Polen niet heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van de artikelen 3 en 7 van richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (1), in samenhang met de punten 3.1 en 3.4 van bijlage I bij die richtlijn, door van transportbedrijven te eisen dat zij in het bezit zijn van speciale vergunningen om van bepaalde openbare wegen gebruik te maken;

de Republiek Polen verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie verwijt de Republiek Polen dat het verkeer van voertuigen die voldoen aan de maximaal toegestane asdruk van 10 t (niet-aangedreven as) en 11,5 t (aangedreven as), zoals vastgesteld in de punten 3.1 en 3.4 van bijlage I bij richtlijn 96/53/EG, op bijna 97 procent van de openbare wegen op het grondgebied van Polen is beperkt, hetgeen in strijd is met artikel 3 van die richtlijn. Deze beperking is het gevolg van een combinatie van de volgende twee factoren:

1)

het verkeer van voertuigen met de maximaal toegestane asdruk van 11,5 t is slechts mogelijk op wegen die deel uitmaken van het trans-Europese netwerk (TEN-T) en bepaalde andere nationale wegen (artikel 41, lid 2, van de Poolse wet op de openbare wegen), en

2)

er is een speciale vergunning vereist voor het verkeer op andere wegen (artikel 64 en verder van de Poolse verkeerswet).

De Commissie verwijt de Republiek Polen voorts dat zij artikel 7 van richtlijn 96/53/EG onjuist heeft uitgelegd. Naar het oordeel van de Republiek Polen biedt die bepaling een lidstaat de mogelijkheid af te wijken van het algemene beginsel dat is neergelegd in artikel 3 van die richtlijn door het verkeer van voertuigen met een asdruk (aangedreven as) van 11,5 t te beperken. Al is het waar dat in de tweede alinea van artikel 7 specifieke voorbeelden worden gegeven van plaatsen waar het verkeer overeenkomstig nationale regelgeving mag worden beperkt (stadscentra, kleine dorpen of plaatsen met een bijzonder belangwekkende natuur), dan nog heeft die bepaling slechts betrekking op beperkingen op bepaalde wegen of kunstwerken op bepaalde weggedeelten. Volgens de Commissie kan een lidstaat zich niet met succes beroepen op de mogelijkheid van uitzonderingen met als doel deze op bijna 97 procent van zijn wegennet van toepassing te verklaren.

Bovendien moeten de eigenaren van de betrokken voertuigen op grond van artikel 64, lid 1, van de Poolse verkeerswet (2) om gebruik te kunnen maken van wegen die geen deel uitmaken van het TEN-T, dat wil zeggen bijna 97 procent van de wegen die het openbare wegennet vormen, bij de geëigende instanties een speciale vergunning aanvragen en een dergelijke vergunning verkrijgen, hetgeen de volgende moeilijkheden meebrengt:

ingewikkelde administratieve formaliteiten waarvoor contacten met meerdere bestuurslichamen zijn vereist;

de beperkte geografische geldigheid van een vergunning, waardoor transportbedrijven in het algemeen worden gedwongen om voor elke route meerdere vergunningen aan te vragen;

de tijd die nodig is voor het verkrijgen van een vergunning en de kosten daarvan.

Ten slotte kan een vergunning van categorieIV voor het gebruik van nationale wegen door voertuigen met een asdruk van de (aangedreven) as van 11,5 t op grond van artikel 64, lid 2, van de hierboven genoemde Poolse verkeerswet niet worden gebruikt voor het vervoer van deelbare ladingen.

Richtlijn 96/53/EG voorziet niet in dit soort van belemmering en hinder op het gebied van vrijheid van verkeer van voertuigen. Een bedrijf dat niet met die voorwaarden instemt, krijgt een verkeersverbod. Dergelijke wetgeving is in strijd met artikel 3 van richtlijn 96/53/EG, dat via de daarin neergelegde voorwaarden voorkomt dat lidstaten het gebruik op hun grondgebied in het internationale verkeer „verbieden of weigeren” van voertuigen die voldoen aan de maximale gewichtswaarden zoals gespecificeerd in bijlage I bij die richtlijn.


(1)  PB L 235, blz. 59.

(2)  Bekendmaking van de voorzitter van de Sejm van de Republiek Polen van 30 augustus 2012 tot afkondiging van de geconsolideerde tekst van de verkeerswet, Dz. U. 2012, volgnr. 1137.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/24


Beroep ingesteld op 10 maart 2017 — Republiek Polen/Europees Parlement en Raad van de Europese Unie

(Zaak C-128/17)

(2017/C 151/31)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Polen (vertegenwoordiger: B. Majczyna, gemachtigde)

Verwerende partijen: Europees Parlement en Raad van de Europese Unie

Conclusies

richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van richtlijn 2001/81/EG (1) nietig verklaren;

subsidiair, deze richtlijn gedeeltelijk nietig verklaren, voor zover hierbij de nationale emissiereductieverbintenissen voor 2030 en de jaren daarna zijn vastgelegd;

het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Republiek Polen voert tegen de bestreden richtlijn de volgende gronden aan:

1.   Schending van het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, VEU)

De aangeklaagde instellingen hebben bij de werkzaamheden rondom het vaststellen van de bestreden richtlijn niet transparant gehandeld en hebben de lidstaten daarbij ongelijk behandeld en slechts aan enkele lidstaten bijkomende reductieverbintenissen opgelegd, die niet gegrond zijn op het criterium van kostenefficiëntie of de beginselen op het gebied van de methodiek der plichtenverdeling. Dat Polen (net als twee andere lidstaten) — voor het bereiken van definitieve overeenstemming met het Europees Parlement — nieuwe emissiereductiewaarden zijn opgelegd, opdat een ambitieuzer totaal reductieniveau wordt bereikt, betekent dat Polen feitelijk was uitgesloten van de onderhandelingen, tijdens welke over de definitieve vorm van de nationale emissiereductieverbintenissen voor 2030 en de jaren daarna is besloten.

Bovendien hebben de aangeklaagde instellingen Polen de mogelijkheid onthouden om de data met betrekking tot Polen, op grond waarvan de nationale emissiereductieverbintenissen voor 2030 en de jaren daarna zijn vastgelegd, effectief te verifiëren, en daarmee het aan Polen toekomende recht om zijn standpunt uiteen te zetten, geschonden.

2.   Schending van de beginselen van openheid en transparantie (artikel 15 VWEU) en ontbreken van een toereikende motivering (artikel 296 VWEU)

De Republiek Polen voert aan dat de wezenlijke veronderstellingen aan de hand waarvan de nationale emissiereductieverbintenissen voor 2013 en de jaren daarna zijn bepaald, niet toegankelijk of openbaar zijn gemaakt. Informatie ontbreekt over de veronderstellingen met betrekking tot prognoses over de technologische structuur van de afzonderlijke sectoren, op welke veronderstellingen wederom de prognoses over de emissies in 2030 zijn gestoeld. Het ontbreken van deze informatie maakt het op zijn beurt onmogelijk om de gegrondheid van de emissieprognoses voor 2030 te verifiëren. Ten tweede is niet bekend volgens welke formule de algemene doelstelling op het gebied van de gezondheid, namelijk het verlagen van het sterftecijfer in de Unie, is vertaald in de verplichting tot verlaging van de emissies voor de gehele Unie alsook voor individuele lidstaten.

Ten gevolge hiervan zijn de overwegingen over de genoemde reductieverbintenissen van de instellingen die de richtlijn hebben vastgesteld, niet helder en eenduidig tot uitdrukking gekomen.

3.   Schending van de verplichting tot een getrouwe beoordeling van de gevolgen van de bestreden richtlijn voor de afzonderlijke lidstaten en de verplichting tot het geven van een toereikende inschatting van de gevolgen van de omzetting ervan

De Republiek Polen voert aan dat de door de Commissie verrichte effectbeoordeling met het oog op de verreikende maatschappelijke en economische gevolgen die in de lidstaten ten gevolge van de emissiereductieverbintenissen voor 2030 en de jaren daarna zijn te verwachten, ontoereikend is.

In de effectbeoordeling wordt verwezen naar het verband tussen het verwezenlijken van de doelstellingen van de richtlijn en de structurele veranderingen waarmee het aandeel van kolen als brandstof in de energiesector en in het gemeentelijke woningwezen moet worden verlaagd. In de effectbeoordeling wordt echter niet precies onderzocht of nakoming van de verbintenissen van aanzienlijke invloed zal zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening. Dit is van wezenlijke betekenis; wanneer namelijk sprake is van een aanzienlijke invloed, betekent dit dat de Uniewetgever de bestreden richtlijn op een andere rechtsgrond had moeten vaststellen, namelijk op grond van artikel 192, lid 2, VWEU en niet op grond van artikel 192, lid 1, VWEU.

4.   Schending van het evenredigheidsbeginsel (artikel 5, lid 4, VEU)

De aangeklaagde instellingen hebben geen rekening gehouden met de grote maatschappelijke en economische kosten die in Polen worden veroorzaakt door de nakoming van de verbintenissen met betrekking tot de reductie van de emissies van enkele verontreinigende stoffen voor de periode vanaf 2030. Ten gevolge hiervan kan de nakoming door Polen van de reductieverbintenissen voor 2030 en de jaren daarna grote negatieve maatschappelijke en economische gevolgen meebrengen. De inzet voor de nakoming van deze verbintenissen kan in vergelijking met de verwachte effecten onevenredig blijken te zijn.

Voor het bereiken van de in de richtlijn vastgelegde doelstellingen was het kennelijk niet vereist in de richtlijn dergelijk hoge nationale emissiereductieverbintenissen voor 2030 en de jaren daarna vast te leggen.

5.   Schending van het beginsel van gelijkheid van de lidstaten (artikel 4, lid 2, VEU) en het beginsel van evenwichtige ontwikkeling (artikel 191, lid 3, vierde streepje, VWEU juncto artikel 191, lid 2, VWEU)

De verplichtingen tot emissiereductie vanaf 2030 die aan de afzonderlijke lidstaten zijn opgelegd, houden geen rekening met de uiteenlopende economische situatie en de technologische en maatschappelijke omstandigheden in de lidstaten, waaronder de omvang van de investeringsbehoefte in verschillende regio’s van de Unie. Bij het vastleggen van de reductieverbintenissen is één enkele methode gehanteerd, die los staat van de feitelijke, uiteenlopende economische en maatschappelijke situatie in de afzonderlijke lidstaten.

Bovendien hebben de aangeklaagde instellingen bij het vaststellen voor afzonderlijke lidstaten van nationale emissiereductieverbintenissen voor 2030 en de jaren daarna er waarschijnlijk niet voldoende rekening mee gehouden dat een aanzienlijke hoeveelheid verontreinigende stoffen in gebieden in de directe nabijheid van de Unie grensoverschrijdend in enkele lidstaten wordt uitgestoten, hetgeen kan leiden tot een ongelijke behandeling van lidstaten die aan derde landen grenzen ten opzichte van lidstaten die niet worden geconfronteerd met het probleem van de toestroom van verontreinigende stoffen die van buiten de Unie afkomstig zijn.


(1)  PB L 344, blz. 1.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/25


Hogere voorziening ingesteld op 17 maart 2017 door Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) van 10 januari 2017 in zaak T-577/14, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie

(Zaak C-138/17 P)

(2017/C 151/32)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. Inghelram en Á. M. Almendros Manzano, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Gascogne Sack Deutschland GmbH, Gascogne, Europese Commissie

Conclusies

punt 1) van het dictum van het bestreden arrest vernietigen;

de vordering in eerste aanleg van Gascogne Sack Deutschland en Gascogne tot verkrijging van een bedrag van 187 571 EUR wegens beweerdelijk geleden verliezen als gevolg van extra betalingen voor de bankgarantie na het verstrijken van de redelijke termijn afwijzen;

Gascogne Sack Deutschland en Gascogne verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan.

Het eerste middel is ontleend aan een blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip causaal verband, omdat het Gerecht heeft geoordeeld dat de schending van de redelijke procestermijn de doorslaggevende oorzaak is geweest voor de vermeende materiële schade bestaande in de betaling van bankgarantiekosten, terwijl de eigen keuze van een onderneming om de geldboete niet hangende de procedure voor de Unierechter te betalen, volgens vaste rechtspraak de doorslaggevende oorzaak voor de betaling van dergelijke kosten is.

Het tweede middel is ontleend aan een blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip schade, omdat het Gerecht heeft geweigerd om op de vermeende materiële schade in verband met de betaling van kosten voor bankgaranties dezelfde voorwaarde toe te passen als die die het voor de vermeende schade in verband met de betaling van rente over het boetebedrag heeft geformuleerd, namelijk dat verzoeksters in eerste aanleg moesten aantonen dat de financiële last die met die laatste betaling samenhing, hoger was dan het voordeel dat zij uit het niet betalen van de geldboete heeft kunnen halen.

Het derde middel is ontleend aan een blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de bepaling van de periode waarin de vermeende materiële schade zich heeft voorgedaan en een motiveringsgebrek, omdat het Gerecht, zonder de reden daarvoor uiteen te zetten, heeft geoordeeld dat de periode waarin de vermeende materiële schade bestaande in de betaling van bankgarantiekosten zich heeft voorgedaan, anders kon zijn dan de periode waarin het Gerecht het onrechtmatige gedrag had gesitueerd dat beweerdelijk tot deze schade heeft geleid.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/26


Hogere voorziening ingesteld op 22 maart 2017 door Gascogne Sack Deutschland GmbH en Gascogne S.A. tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) van 10 januari 2017 in zaak T-577/14, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie

(Zaak C-146/17 P)

(2017/C 151/33)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirantes: Gascogne Sack Deutschland GmbH, Gascogne S.A. (vertegenwoordigers: F. Puel en E. Durand, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, Europese Commissie

Conclusies

gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest, dat op 16 januari 2017 via e-Curia aan de raadslieden van rekwirantes is betekend, waarbij het Gerecht, dat heeft erkend dat de redelijke procestermijn is geschonden in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T-72/06) en Sachsa Verpackung/Commissie (T-79/06), en dat rekwirantes materiële en immateriële schade hebben geleden als gevolg van de schending van de redelijke termijn, de Unie heeft veroordeeld tot betaling van een niet-passende en ontoereikende vergoeding voor de geleden schade;

afdoening van de zaak op grond van zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht door het Hof voor zover het de financiële compensatie voor de door rekwirantes geleden materiële en immateriële schade betreft, overeenkomstig rekwirantes’ vorderingen;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten van deze aanleg.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het eerste middel stelt Gascogne dat het Gerecht, door te weigeren om schadevergoeding voor de materiële schade toe te kennen voor een periode die vóór 30 mei 2011 is gelegen, op grond dat het niet ultra petita uitspraak mocht doen, kennelijk blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven bij de uitlegging en de toepassing van dit beginsel.

Met het tweede middel stelt Gascogne dat het Gerecht zichzelf formeel heeft tegengesproken en geen gevolg aan zijn conclusies heeft verbonden door als uitgangspunt voor de begroting van de materiële schade dat te nemen waarnaar Gascogne had teruggerekend op basis van een te lange duur die zij op 30 maanden schatte maar die het Gerecht op 20 maanden heeft bepaald, en dus de door Gascogne geleden schade over een periode van 6 maanden te vergoeden, terwijl het Gerecht uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat de geleden materiële schade bestaat in de betaling van bankgarantiekosten in de periode die met de overschrijding van de redelijke termijn overeenstemt (dus een periode van 20 maanden).

Met het derde middel betoogt Gascogne dat het Gerecht van de rechten van de verdediging heeft geschonden door de materiële schade op andere wijzen te begroten dan aanvankelijk door rekwirantes was gedaan, zonder dat zij zich over de mogelijke gevolgen van die berekeningswijze hebben kunnen uitlaten.

Met het vierde middel stellen rekwirantes dat het Gerecht met zijn oordeel dat het geen schadevergoeding voor de immateriële schade kon toekennen waarvan het bedrag naar verhouding te hoog zou blijken te zijn in vergelijking met de door de Europese Commissie opgelegde geldboete, op grond dat het de Unierechter volgens de rechtspraak niet is toegestaan om de hoogte van de geldboete geheel of ten dele ter discussie te stellen omdat de redelijke termijn niet in acht is genomen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven bij uitlegging en toepassing van die rechtspraak.

Met het vijfde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht het bepaalde in de artikelen 256, lid 1, en 340, lid 1, VWEU zijn nuttige werking heeft ontnomen en die bepalingen en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte heeft geschonden door te weigeren om het verzoek om vergoeding van de immateriële schade toe te wijzen, op grond dat de toekenning van de door rekwirantes gevraagde vergoeding, gelet op de hoogte daarvan, er feitelijk op zou neerkomen dat het bedrag van de hun opgelegde geldboete ter discussie wordt gesteld, terwijl de artikelen 256, lid 1, en 340, lid 1, VWEU er juist voor bedoeld zijn om het voor enig slachtoffer van door de instellingen van de Unie veroorzaakte schade mogelijk te maken om bij het Gerecht reparatie te verkrijgen.

Met het zesde middel stellen rekwirantes dat het Gerecht zichzelf formeel heeft tegengesproken door aan rekwirantes een vergoeding van 5 000 EUR toe te kennen voor de geleden immateriële schade, terwijl het Gerecht ten eerste heeft geoordeeld dat de vergoeding voor de immateriële schade zelfs niet gedeeltelijk afbreuk mocht doen aan het bedrag van de door de Commissie opgelegde geldboete en ten tweede uitdrukkelijk heeft erkend dat de door rekwirantes geleden immateriële schade reëel was en dat de vergoeding daarvoor moest worden bepaald aan de hand van de „omvang van de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn” en „de doelmatigheid van het onderhavige beroep”.

Met het zevende middel betogen rekwirantes dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door zonder aanvoering van enige rechtvaardiging te oordelen dat ten eerste de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden, gelet op het voorwerp en de ernst van deze schending, volstond als reparatie voor de door verzoeksters gestelde aantasting van de reputatie en dat ten tweede een vergoeding van 5 000 EUR een passende vergoeding vormde voor de geleden immateriële schade.


Gerecht

15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/28


Arrest van het Gerecht van 28 maart 2017 — El-Qaddafi/Raad

(Zaak T-681/14) (1)

((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen Libië - Bevriezing van tegoeden - Beperkingen van binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de Unie - Handhaving van verzoeksters naam - Rechten van verdediging - Motiveringsplicht”))

(2017/C 151/34)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Aisha Muammer Mohamed El-Qaddafi (Mascate, Oman) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Jones, QC, vervolgens S. Bafadhel, barrister)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Kyriakopoulou en A. de Elera-San Miguel Hurtado, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van, ten eerste, besluit 2014/380/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 tot wijziging van besluit 2011/137/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (PB 2014, L 183, blz. 52), voor zover dat besluit verzoeksters naam handhaaft op de lijst van bijlagen I en III bij besluit 2011/137/GBVB van de Raad van 28 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (PB 2011, L 58, blz. 53), en, ten tweede, uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2014 van de Raad van 23 juni 2014 tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB 2014, L 183, blz. 1), voor zover die verordening verzoeksters naam handhaaft op de lijst van bijlage II bij verordening (EU) nr. 204/2011 van de Raad van 2 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB 2011, L 58, blz. 1)

Dictum

1)

Besluit 2014/380/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 tot wijziging van besluit 2011/137/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië, wordt nietig verklaard voor zover het de naam van Aisha Muammer Mohamed El-Qaddafi handhaaft op de lijst van bijlagen I en III bij besluit 2011/137/GBVB van de Raad van 28 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië.

2)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2014 van de Raad van 23 juni 2014 tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië, wordt nietig verklaard voor zover die verordening de naam van El-Qaddafi handhaaft op de lijst van bijlage II bij verordening (EU) nr. 204/2011 van de Raad van 2 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië.

3)

De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 431 van 1.12.2014.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/29


Arrest van het Gerecht van 30 maart 2017 — Griekenland/Commissie

(Zaak T-112/15) (1)

([„EOGFL - Afdeling ‚Garantie’ - ELGF en Elfpo - Van financiering uitgesloten uitgaven - Verordening (EG) nr. 1782/2003 - Verordening (EG) nr. 796/2004 - Regeling inzake oppervlaktegebonden steun - Begrip blijvend grasland - Motiveringsplicht - Evenredigheid - Forfaitaire financiële correctie - Aftrek van eerdere correctie”])

(2017/C 151/35)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: aanvankelijk I. Chalkias, G. Kanellopoulos, E. Leftheriotou en A. Vasilopoulou, vervolgens G. Kanellopoulos, E. Leftheriotou en A. Vasilopoulou, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Triantafyllou en A. Marcoulli, vervolgens D. Triantafyllou, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2014/950/EU van de Commissie van 19 december 2014 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2014, L 369, blz. 71)

Dictum

1)

Uitvoeringsbesluit 2014/950/EU van de Commissie van 19 december 2014 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), wordt nietig verklaard voor zover het de correctie van 5 007 867,36 EUR, de verlaging van 2 318 055,75 EUR en de financiële impact van 2 689 811,61 EUR betreft, welke bedragen zien op uitgaven die door de Helleense Republiek zijn verricht in de sector plattelandsontwikkeling Elfpo As 2 (2007-2013, areaalgerelateerde maatregelen) voor het begrotingsjaar 2009, wegens tekortkomingen in het systeem voor de identificatie van percelen landbouwgrond (LPIS) en in de controles ter plaatse (tweede pijler, aanvraagjaar 2008).

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Helleense Republiek zal haar eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen.


(1)  PB C 171 van 26.5.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/29


Arrest van het Gerecht van 28 maart 2017 — Deutsche Telekom/Commissie

(Zaak T-210/15) (1)

([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten betreffende een procedure inzake toepassing van de mededingingsregels - Weigering van toegang - Motiveringsplicht - Uitzondering betreffende de bescherming van de commerciële belangen van een derde - Uitzondering betreffende de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits - Hoger openbaar belang - Raadpleging van derden - Transparantie - Geen antwoord op een confirmatief verzoek binnen de gestelde termijn”])

(2017/C 151/36)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Deutsche Telekom AG (Bonn, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Rosenfeld en O. Corzilius, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Vondung en A. Buchet, vervolgens F. Erlbacher, P. Van Nuffel en A. Dawes, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 17 februari 2015 waarbij de Commissie verzoekster de toegang heeft geweigerd tot de documenten van procedure COMP/AT.40089 — Deutsche Telekom, inzake misbruik van een machtspositie

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Deutsche Telekom AG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 270 van 17.8.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/30


Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — J & Joy/EUIPO — Joy-Sportswear (J AND JOY)

(Zaak T-387/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Uniewoordmerk J AND JOY - Ouder nationaal beeldmerk joy SPORTSWEAR - Relatieve weigeringsgronden - Verwarringsgevaar - Soortgelijke waren - Overeenstemmende tekens - Beoordelingscriteria - Samengesteld merk - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 151/37)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: J & Joy SA (Waremme, België) (vertegenwoordigers: A. Maqua, C. Pirenne en C. Smits, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: H. O’Neill, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Joy-Sportswear GmbH (Ottensoos, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Kiphuth, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 22 april 2015 (zaak R 1352/2014-2) inzake een oppositieprocedure tussen Joy-Sportswear en J & Joy

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

J & Joy SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 381 van 16.11.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/31


Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — J & Joy/EUIPO — Joy-Sportswear (JN-JOY)

(Zaak T-388/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Uniewoordmerk JN-JOY - Ouder nationaal beeldmerk joy SPORTSWEAR - Relatieve weigeringsgronden - Verwarringsgevaar - Soortgelijke waren - Overeenstemmende tekens - Beoordelingscriteria - Samengesteld merk - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 151/38)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: J & Joy SA (Waremme, België) (vertegenwoordigers: A. Maqua, C. Pirenne en C. Smits, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: H. O’Neill, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Joy-Sportswear GmbH (Ottensoos, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Kiphuth, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 22 april 2015 (zaak R 1353/2014-2) inzake een oppositieprocedure tussen Joy-Sportswear en J & Joy

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

J & Joy SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 381 van 16.11.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/31


Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — J & Joy/EUIPO — Joy-Sportswear (J&JOY)

(Zaak T-389/15) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Uniebeeldmerk J&JOY - Ouder nationaal beeldmerk joy SPORTSWEAR - Relatieve weigeringsgronden - Verwarringsgevaar - Soortgelijke waren - Overeenstemmende tekens - Beoordelingscriteria - Samengesteld merk - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 151/39)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: J & Joy SA (Waremme, België) (vertegenwoordigers: A. Maqua, C. Pirenne en C. Smits, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: H. O’Neill, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Joy-Sportswear GmbH (Ottensoos, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Kiphuth, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 22 april 2015 (zaak R 1355/2014-2) inzake een oppositieprocedure tussen Joy-Sportswear en J & Joy

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

J & Joy SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 381 van 16.11.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/32


Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — Nederland/Commissie

(Zaak T-501/15) (1)

([„ELGF en Elfpo - Van financiering uitgesloten uitgaven - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem - Verlaging of uitsluiting van betalingen bij niet-naleving van de voorschriften inzake de randvoorwaarden - Niet-naleving van gering belang - Artikel 24, lid 2, van verordening (EG) nr. 73/2009 - Artikel 71, lid 3, van verordening (EG) nr. 1122/2009 - Bewijslast - Uitlegging van bijlage II bij verordening (EG) nr. 73/2009”])

(2017/C 151/40)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: M. Bulterman, B. Koopman en H. Stergiou, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Kranenborg en D. Triantafyllou, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Brodie, vervolgens J. Kraehling, en ten slotte J. Kraehling en G. Brown, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1119 van de Commissie van 22 juni 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2015, L 182, blz. 39), voor zover dit besluit de door het Koninkrijk der Nederlanden gedane uitgaven betreft

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Koninkrijk der Nederlanden draagt zijn eigen kosten en die van de Europese Commissie.

3)

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt zijn eigen kosten.


(1)  PB C 346 van 19.10.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/33


Arrest van het Gerecht van 28 maart 2017 — Regent University/EUIPO — Regent’s College (REGENT UNIVERSITY)

(Zaak T-538/15) (1)

([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk REGENT UNIVERSITY - Ouder nationaal beeldmerk REGENT’S COLLEGE - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 53, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 151/41)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Regent University (Virginia Beach, Virginia, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: E. Himsworth, QC, en D. Wilkinson, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Bonne, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Regent’s College (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: S. Malynicz, QC)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 6 juli 2015 (zaak R 1859/2014-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen Regent’s College en Regent University

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Regent University wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 371 van 9.11.2015.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/33


Arrest van het Gerecht van 29 maart 2017 — Alcohol Countermeasure Systems (International)/EUIPO — Lion Laboratories (ALCOLOCK)

(Zaak T-638/15) (1)

([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk ALCOLOCK - Woordmerk van het Verenigd Koninkrijk ALCOLOCK - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder a) en b), en artikel 53, lid 1, onder a) en b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Normaal gebruik van het oudere merk”])

(2017/C 151/42)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Alcohol Countermeasure Systems (International) Inc. (Toronto, Canada) (vertegenwoordigers: E. Baud en P. Marchiset, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Lion Laboratories Ltd (Barry, Verenigd Koninkrijk)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 11 augustus 2015 (zaak R 1323/2014-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Lion Laboratories en Alcohol Countermeasure Systems (International)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Alcohol Countermeasure Systems (International) Inc. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 16 van 18.1.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/34


Arrest van het Gerecht van 28 maart 2017 — Portugal/Commissie

(Zaak T-733/15) (1)

((„Niet-uitvoering van een arrest van het Hof houdende vaststelling van een niet-nakoming - Dwangsom - Besluit tot vaststelling van de dwangsom - Intrekking van de litigieuze nationale maatregel - Datum van beëindiging van de niet-nakoming”))

(2017/C 151/43)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes en M. Figueiredo, gemachtigden, bijgestaan door L. Silva Morais, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Nicolae en P. Costa de Oliveira, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van besluit Ares(2015)4178538 van de Commissie van 8 oktober 2015 waarbij van de Portugese Republiek betaling is gevorderd van het bedrag van 580 000 EUR, overeenkomend met de dwangsom die voor het tijdvak van 25 juni tot en met 21 augustus is vastgesteld ter uitvoering van het arrest van 25 juni 2014, Commissie/Portugal (C-76/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2029)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 68 van 22.2.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/34


Arrest van het Gerecht van 3 april 2017 — Duitsland/Commissie

(Zaak T-28/16) (1)

([„ELGF en Elfpo - Van financiering uitgesloten uitgaven - Plattelandsontwikkeling - Landinrichting en dorpsvernieuwing - Selectiecriteria voor de concrete acties - Beginsel van loyale samenwerking - Subsidiariteit - Gewettigd vertrouwen - Evenredigheid - Motiveringsplicht”])

(2017/C 151/44)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze en A. Lippstreu, vervolgens T. Henze en D. Klebs, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Aquilina en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, van artikel 1 van en de bijlage bij uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2098 van de Commissie van 13 november 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2015, L 303, blz. 35), voor zover zij de betalingen onttrekken die krachtens het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) zijn gedaan door de bevoegde betaalorganen van de Bondsrepubliek Duitsland, voor een totaal bedrag van 7 719 920,30 EUR

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 98 van 14.3.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/35


Arrest van het Gerecht van 30 maart 2017 — Apax Partners UK/EUIPO — Apax Partners Midmarket (APAX PARTNERS)

(Zaak T-209/16) (1)

([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk APAX PARTNERS - Ouder internationaal woordmerk APAX - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Soortgelijke diensten - Artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 53, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 151/45)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Apax Partners UK Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: D. Rose en J. Warner, solicitors)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: J. Ivanauskas, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Apax Partners Midmarket (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: C. Joly, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 17 februari 2016 (zaak R 1611/2014-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen Apax Partners Midmarket en Apax Partners UK

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Apax Partners UK Ltd wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen de noodzakelijke kosten die Apax Partners Midmarket heeft gemaakt voor de procedure voor de kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).


(1)  PB C 232 van 27.6.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/36


Arrest van het Gerecht van 3 april 2017 — Cop/EUIPO — Conexa (AMPHIBIAN)

(Zaak T-215/16) (1)

([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen - Beeldmerk AMPHIBIAN - Absolute weigeringsgronden - Onderscheidend vermogen - Geen beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 151/46)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Cop Vertriebs-GmbH (Aresing, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Hofmann, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Hanf, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Conexa LLC (Dover, Delaware, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: H. Twelmeier, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 7 maart 2016 (zaak R 1984/2015-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Cop en Conexa

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Cop Vertriebs-GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 251 van 11.7.2016.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/36


Beroep ingesteld op 23 februari 2017 — Proximus/Raad

(Zaak T-117/17)

(2017/C 151/47)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Proximus NV (Brussel, België) (vertegenwoordiger: B. Schutyser, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het op 23 december 2016 aan verzoekster betekende besluit van de Raad waarbij de opdracht werd gegund aan een andere inschrijver en niet aan verzoekster, nietig verklaren;

de Raad verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, namelijk dat de toegepaste methode om de prijzen van de offertes te vergelijken het niet mogelijk maakt om de economisch meest voordelige offerte te kiezen, zoals vereist door het recht van de Europese Unie.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/37


Beroep ingesteld op 22 februari 2017 — Enosi Syntaxiouchon Tameiou Asfaliseon Michanikon kai Ergolipton Dimosion Ergon/ECB

(Zaak T-124/17)

(2017/C 151/48)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Enosi Syntaxiouchon Tameiou Asfaliseon Michanikon kai Ergolipton Dimosion Ergon (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: P. Miliarakis, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

het beroep gegrond verklaren;

verweerster, de Europese Centrale Bank (ECB), gelasten om voor rekening van de tak TSMEDE [ingenieurs en aannemers van openbare werken] aan de huidige socialezekerheidsinstantie EFKA de volgende bedragen te betalen: a) 1 606 539 086,28 EUR in nominale waarde voor het gemeenschappelijke fonds van het voormalige ETAA, en b) 84 285 086,36 EUR voor de obligaties, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de instelling van het onderhavige beroep tot aan de betaling (subsidiair, de ECB veroordelen tot betaling van het compensatiebedrag dat in het deskundigenrapport is vermeld);

overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering een deskundigenonderzoek gelasten met het oog op de vaststelling van het precieze bedrag van de schade die de leden van verzoekster hebben geleden en in elk geval de schade die door de tak TSMEDE van het voormalige ETAA, thans de EFKA, is geleden;

verweerster gelasten om inzage te geven in de overeenkomst van 15 februari 2012 die met de Helleense Republiek is gesloten, en

de ECB verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij het volgende aan:

1.

Met het onderhavige beroep wordt gesteld dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB is ingetreden omdat bij een socialezekerheidsinstantie, zijnde een financiële instelling, geen sprake is geweest van Private Sector Involvement (PSI), maar van Official Sector Involvement (OSI).

2.

Met het onderhavige beroep komt de band tussen de Bank van Griekenland, als lid van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), en de ECB naar voren, en daarmee ook het causale verband bij de wijze waarop de OSI door de Bank van Griekenland is aangestuurd en de aansprakelijkheid wegens nalaten van de ECB bij het verlenen van toestemming voor de OSI door een lid van het ESCB. Bij het onderhavige beroep is voorts de aansprakelijkheid van de ECB voor het functioneren van de Collective Action Clauses (CAC’s) ten nadele van socialezekerheidsinstanties aan de orde.

3.

Met het onderhavige beroep wordt tevens aangevoerd dat ook de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB is komen vast te staan omdat die heeft nagelaten om tijdig en in elk geval vanaf 21 juli 2011 (subsidiair vanaf 26 oktober 2011) het besluit van 6 mei 2010 (ECB 2010/3-2010/268/ΕU) in te trekken. Daarbij had de ECB met name gegarandeerd dat de Griekse obligaties geldig waren „ongeacht enige externe kredietbeoordeling” (onder verwijzing naar de beoordelingen van de ratingbureaus Standard & Poor’s, Fitch and Moody’s). Met overdreven grote vertraging heeft de ECB haar besluit van 6 mei 2010 pas op 27 februari 2012 ingetrokken bij besluit (ECB) 2012/122/EU. Door haar stilzitten heeft de ECB dus gedurende geruime tijd steun geboden aan het gewettigd vertrouwen in de Griekse obligaties.

4.

Bij het onderhavige beroep komt ook naar voren dat de ECB door de OSI buiten de herstructurering van de Griekse staatschuld is gehouden, zoals ook de nationale centrale banken daar door haar interventie van zijn uitgesloten. Dergelijke uitsluitingen zijn in elk geval in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5.

Met het onderhavige beroep wordt ook gesteld dat een lidstaat van de Europese Unie en van meer bepaald de eurozone niet zonder toestemming of impliciete instemming van de ECB eenzijdig kan overgaan tot het treffen van maatregelen in de interne rechtsorde (parlement — raad van ministers — ministeriële besluiten) om de staatsschuld eenzijdig te herstructureren, omdat er anders financiële chaos zou ontstaan. In de onderhavige zaak was er impliciete instemming van de ECB, zodat haar niet-contractuele aansprakelijkheid ter hoogte van 53,3 % van de verliezen is ingetreden, wat het eigendomsrecht in de kern raakt. Tevens wordt aangetoond dat er een causaal verband is tussen de aansprakelijkheid wegens nalaten van de ECB en de verliezen in kwestie, het gedrag van haar organen en haar niet-contractuele aansprakelijkheid.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/38


Beroep ingesteld op 11 maart 2017 — Le Pen/Parlement

(Zaak T-161/17)

(2017/C 151/49)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Marine Le Pen (Saint-Cloud, Frankrijk) (vertegenwoordigers: M. Ceccaldi en J.-P. Le Moigne, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 6 januari 2017, dat is vastgesteld op grond van de artikelen 33, 43, 62, 67 en 68 van het besluit 2009/C 159/01 van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement, zoals gewijzigd, waarbij jegens verzoekster een schuldvordering ten bedrage van 41 554 EUR is vastgesteld uit hoofde van bedragen die onverschuldigd waren uitgekeerd in het kader van parlementaire assistentie, de terugvordering ervan werd gemotiveerd, en de bevoegde ordonnateur werd gelast, in samenwerking met de rekenplichtige van de instelling, over te gaan tot terugvordering ervan op grond van artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen en van de artikelen 66, 78, 79 en 80 van het Financieel Reglement,

nietigverklaring van debetnota nr. 2017-22 van 11 januari 2017, waarbij verzoekster ervan op de hoogte werd gesteld dat jegens haar een schuldvordering van 41 554 EUR was vastgesteld bij het besluit van de secretaris-generaal van 6 januari 2017 tot terugvordering van in het kader van parlementaire assistentie onverschuldigd uitgekeerde bedragen, op grond van artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen en de artikelen 78,79 en 80 van het Financieel Reglement,

verwijzing van het Europees Parlement in alle kosten van de procedure,

veroordeling van het Europees Parlement tot betaling aan Le Pen van 50 000,00 EUR ter vergoeding van invorderbare kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan de gebreken die de formele wettigheid van de bestreden handelingen aantasten. Dit middel bestaat uit vijf onderdelen.

Eerste onderdeel: niet de secretaris-generaal maar het Bureau van het Europees Parlement is bevoegd om financiële beslissingen te nemen die de leden aanbelangen.

Tweede onderdeel: het Bureau van het Europees Parlement kan de aard en de reikwijdte van zijn bevoegdheid niet wijzigen. De secretaris-generaal toont niet aan dat hij op grond van een rechtsgeldige delegatie door de voorzitter van het Bureau van het Parlement de bevoegdheid heeft verkregen om de bestreden besluiten, waarbij financiële aangelegenheden van een lid worden geregeld, vast te stellen en mee te delen.

Derde onderdeel: de bestreden besluiten zijn ontoereikend gemotiveerd en geven blijk van willekeur.

Vierde onderdeel: schending van wezenlijke vormvoorschriften.

Vijfde onderdeel: de secretaris-generaal van het Europees Parlement heeft het dossier niet persoonlijk onderzocht.

2.

Tweede middel, ontleend aan de gebreken die de materiële wettigheid van de bestreden handelingen aantasten. Dit middel bestaat uit zes onderdelen.

Eerste onderdeel: schending van de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid.

Tweede onderdeel: de feiten waarop de bestreden handelingen gebaseerd zijn, hebben zich niet voorgedaan.

Derde onderdeel: de bestreden handelingen berusten op misbruik van bevoegdheid.

Vierde onderdeel: de bestreden handelingen zijn verricht met misbruik van de procedure.

Vijfde onderdeel: de bestreden handelingen zijn discriminerend en er is sprake van fumus persecutionis.

Zesde onderdeel: het OLAF is niet onafhankelijk.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/39


Beroep ingesteld op 8 maart 2017 — EKETA/Commissie

(Zaak T-166/17)

(2017/C 151/50)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (EKETA) (Thessaloniki, Griekenland) (vertegenwoordigers: V. Christianos en S. Paliou, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

vaststellen dat de door de Europese Commissie bij debetnota nr. 3241615291/29.11.2016 gestelde eis dat EKETA van de voor het SENSATION-project ontvangen bijstand een bedrag van 197 799,52 EUR terugbetaalt, ongegrond is ten belope van 191 039,55 EUR;

vaststellen dat het bedrag van 191 039,55 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat EKETA niet verplicht is dit bedrag aan de Europese Commissie terug te betalen, en

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (EKETA) betwist bij onderhavig beroep de eis die de Commissie in het kader van de uitvoering van het SENSATION-project bij debetnota nr. 3241615291/29.11.2016 heeft gesteld. Bij die debetnota heeft de Commissie gevorderd dat EKETA de voor het SENSATION-project ontvangen bijstand gedeeltelijk terugbetaalt, namelijk voor een bedrag van 197 799,52 EUR. Die vordering kwam er nadat de Europese Commissie een controle ter plaatse had verricht in de kantoren van verzoeker.

2.

Verzoeker vraagt het Gerecht in die context, overeenkomstig artikel 272 VWEU vast te stellen dat van het hierboven en in de debetnota vermelde bedrag, het bedrag van 191 039,55 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat ΕΚΕΤΑ niet verplicht is dat bedrag aan de Commissie terug te betalen.

3.

ΕΚΕΤΑ stelt dat het voornoemde bedrag van 191 039,55 EUR uit subsidiabele personeelskosten, uitgaven voor onderaanneming en indirecte uitgaven bestaat, die de Commissie ten onrechte als niet-subsidiabele uitgaven heeft geweigerd te aanvaarden. Dat de uitgaven van verzoeker subsidiabel zijn, wordt bevestigd door de gegevens die hij de Europese Commissie heeft verstrekt bij de controle ter plaatse en in de daaropvolgende briefwisseling, en die hij thans aan het Gerecht voorlegt.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/40


Beroep ingesteld op 16 maart 2017 — CBA Spielapparate- und Restaurantbetriebs/Commissie

(Zaak T-168/17)

(2017/C 151/51)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: CBA Spielapparate- und Restaurantbetriebs GmbH (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: A. Schuster, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het beroep tot nietigverklaring toewijzen en het bestreden besluit nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van besluit C (2017) 249 final van de Commissie van 13 januari 2017 inzake het confirmatief verzoek van verzoekster tot inzage in het dossier op grond van verordening (EG) nr. 1049/2001. (1)

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van essentiële vormvoorschriften, in het bijzonder ontoereikende motivering

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de Verdragen

Verzoekster stelt dat de door de Commissie toegepaste uitzonderingsbepalingen van artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 onwettig zijn, omdat deze uitzonderingsbepalingen strijdig zijn met het hoger geordende primaire Unierecht, in het bijzonder met de artikelen 42 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Bovendien heeft ook in het Unierecht het hoger geordende primaire recht voorrang op hiermee strijdig secundair recht, zodat de Commissie ook op deze grond de uitzonderingsbepalingen van artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 niet had mogen toepassen.


(1)  verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/40


Beroep ingesteld op 17 maart 2017 — Pethke/EUIPO

(Zaak T-169/17)

(2017/C 151/52)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Ralph Pethke (Alicante, Spanje) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

nietig te verklaren besluit PERS-AFFECT-16-134 van 17 oktober 2016, waarbij verzoeker met ingang van 17 oktober 2016 is overgeplaatst van de post van directeur van de afdeling „Operations” naar een post bij het toezichthoudende orgaan en hij is teruggezet naar de Raad van bestuur;

hem een vergoeding te betalen voor de materiële en immateriële schade die hij door de onwettigheid heeft geleden, en

EUIPO te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van de bepalingen betreffende de tuchtprocedure zoals opgenomen in het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”).

Verzoeker betoogt dat zijn terugzetting van de post van directeur van een hoofdafdeling naar de raad van bestuur zonder loopbaanperspectieven geen rechtmatige overplaatsing, maar een tuchtrechtelijke terugzetting in de rang vormt waarvoor, bij gebreke van andere rechtsgrondslag, een tuchtprocedure nodig is. De verwerende partij heeft dus de bepalingen van artikel 86 van het Statuut en van bijlage IX bij het Statuut geschonden.

2.

Tweede middel, ontleend aan de onwettigheid van de overplaatsing en misbruik van bevoegdheid.

Verzoeker betoogt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een normale overplaatsing. Zijn overplaatsing/terugzetting in de rang is immers niet in het belang van de dienst, en de verschillende (wisselende) redenen die daarvoor zijn aangevoerd vormen een aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid. Evenmin is het beginsel van gelijkwaardigheid geëerbiedigd waaraan voor een normale overplaatsing moet worden voldaan.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van het verbod van willekeur en van het verbod van discriminatie op grond van geslacht.

Verzoeker is van mening dat zijn overplaatsing/terugzetting in de rang, teneinde vrouwen in hogere kaderposities te plaatsen, discriminatie op grond van geslacht vormt.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel.

Volgens verzoeker vormt zijn tuchtrechtelijke overplaatsing een niet-evenredige maatregel in het kader van de interne reorganisatie van EUIPO.

5.

Vijfde middel, ontleend aan schending van het recht op behoorlijk bestuur en niet nakoming van de zorgplicht — Inbreuk op verzoekers fysieke en psychische gezondheid — Intimidatie

In het kader van het vijfde middel stelt verzoeker dat zijn „plotselinge” overplaatsing een inbreuk op zijn fysieke en psychische gezondheid vormt en niet in overeenstemming is met het minimumniveau van behoorlijk bestuur.

Door het optreden en de tekortkomingen van EUIPO heeft verzoeker materiële en immateriële schade geleden, die moet worden vergoed.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/41


Beroep ingesteld op 15 maart 2017 — EKETA/Commissie

(Zaak T-177/17)

(2017/C 151/53)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (EKETA) (Thessaloniki, Griekenland) (vertegenwoordigers: V. Christianos en S. Paliou, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

vaststellen dat de door de Europese Commissie bij debetnota nr. 3241615292/29.11.2016 gestelde eis dat EKETA van de voor het ASK-IT-project ontvangen bijstand een bedrag van 211 185,95 EUR terugbetaalt, ongegrond is ten belope van 143 910,77 EUR;

vaststellen dat het bedrag van 143 910,77 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat EKETA niet verplicht is dit bedrag aan de Europese Commissie terug te betalen, en

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (EKETA) betwist bij onderhavig beroep de eis die de Commissie in het kader van de uitvoering van het ASK-IT-poject bij debetnota nr. 3241615292/29.11.2016 heeft gesteld. Bij die debetnota heeft de Commissie gevorderd dat EKETA de voor het ASK-IT-project ontvangen bijstand gedeeltelijk terugbetaalt, namelijk voor een bedrag van 211 185,95 EUR. Die vordering kwam er nadat de Europese Commissie een controle ter plaatse had verricht in de kantoren van verzoeker.

2.

Verzoeker vraagt het Gerecht in die context, overeenkomstig artikel 272 VWEU, vast te stellen dat van het hierboven en in de debetnota vermelde bedrag van 143 910,77 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat ΕΚΕΤΑ niet verplicht is dat bedrag aan de Commissie terug te betalen.

3.

ΕΚΕΤΑ stelt dat het voornoemde bedrag van 143 910,77 EUR uit subsidiabele personeelskosten, uitgaven voor onderaanneming en indirecte uitgaven bestaat, die de Commissie ten onrechte als niet-subsidiabele uitgaven heeft geweigerd te aanvaarden. Dat de uitgaven van verzoeker subsidiabel zijn, wordt bevestigd door de gegevens die hij de Europese Commissie heeft verstrekt bij de controle ter plaatse en in de daaropvolgende briefwisseling, en die hij thans aan het Gerecht voorlegt.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/42


Beroep ingesteld op 21 maart 2017 — Menta y Limón Decoración/EUIPO — Ayuntamiento de Santa Cruz de La Palma (Afbeelding van een man in regionale klederdracht)

(Zaak T-183/17)

(2017/C 151/54)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Menta y Limón Decoración, SL (Argame, Spanje) (vertegenwoordiger: E. Estella Garbayo, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Ayuntamiento de Santa Cruz de La Palma (Santa Cruz de La Palma, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk (Afbeelding van een man in regionale klederdracht) — Uniemerk nr. 10 822 013

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 9 januari 2017 in zaak R 510/2015-4

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

de in eerste instantie gegeven beslissing van 28 januari 2015 van de nietigheidsafdeling van het EUIPO houdende volledige nietigverklaring van gemeenschapsmerk nr. 10 822 013 van Excmo. Ayuntamiento de Santa Cruz de La Palma bevestigen;

verweerder verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure alsmede in die van de beroeps- en nietigheidsprocedure.

Aangevoerd middel

schending van artikel 53, lid 2, onder d), van verordening nr. 207/2009.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/43


Beroep ingesteld op 20 maart 2017 — EKETA/Commissie

(Zaak T-189/17)

(2017/C 151/55)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (EKETA) (Thessaloniki, Griekenland) (vertegenwoordigers: V. Christianos en S. Paliou, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

vaststellen dat de door de Europese Commissie bij debetnota nr. 3241615288/29.11.2016 gestelde eis dat EKETA van de voor het HUMABIO-project ontvangen bijstand een bedrag van 64 720,19 EUR terugbetaalt, ongegrond is ten belope van 27 830,27 EUR;

vaststellen dat het bedrag van 27 830,27 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat EKETA niet verplicht is dit bedrag aan de Europese Commissie terug te betalen, en

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (hierna: „EKETA”) betwist de eis die de Commissie in het kader van de uitvoering van het HUMABIO-project bij debetnota nr. 3241615288/29.11.2016 heeft gesteld. Bij die debetnota heeft de Commissie gevorderd dat EKETA de voor het HUMABIO -project ontvangen bijstand gedeeltelijk terugbetaalt, namelijk voor een bedrag van 64 720,19 EUR. Die vordering kwam er nadat de Europese Commissie een controle ter plaatse had verricht in de kantoren van verzoeker.

2.

Verzoeker vraagt het Gerecht in die context, overeenkomstig artikel 272 VWEU vast te stellen dat van het hierboven en in de debetnota vermelde bedrag, het bedrag van 27 830,27 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat ΕΚΕΤΑ niet verplicht is dat bedrag aan de Commissie terug te betalen.

3.

ΕΚΕΤΑ stelt dat het voornoemde bedrag van 27 830,27 EUR uit subsidiabele personeelskosten, uitgaven voor onderaanneming en indirecte uitgaven bestaat, die de Commissie ten onrechte als niet-subsidiabele uitgaven heeft geweigerd te aanvaarden. Dat de uitgaven van verzoeker subsidiabel zijn, wordt bevestigd door de gegevens die hij de Europese Commissie heeft verstrekt bij de controle ter plaatse en in de daaropvolgende briefwisseling, en die hij thans aan het Gerecht voorlegt.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/44


Beroep ingesteld op 22 maart 2017 — EKETA/Commissie

(Zaak T-190/17)

(2017/C 151/56)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (EKETA) (Thessaloniki, Griekenland) (vertegenwoordigers: V. Christianos en S. Paliou, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

vaststellen dat de door de Europese Commissie bij debetnota nr. 3241615289/29.11.2016 gestelde eis dat EKETA van de voor het CATER-project ontvangen bijstand een bedrag van 172 992,15 EUR terugbetaalt, ongegrond is ten belope van 112 737,15 EUR;

vaststellen dat het bedrag van 112 737,15 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat EKETA niet verplicht is dit bedrag aan de Europese Commissie terug te betalen, en

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (hierna: „EKETA”) betwist bij onderhavig beroep de eis die de Commissie in het kader van de uitvoering van het CATER-project bij debetnota nr. 3241615289/29.11.2016 heeft gesteld. Bij die debetnota heeft de Commissie gevorderd dat EKETA de voor het CATER-project ontvangen bijstand gedeeltelijk terugbetaalt, namelijk voor een bedrag van 172 992,15 EUR. Die vordering kwam er nadat de Europese Commissie een controle ter plaatse had verricht in de kantoren van verzoeker.

2.

Verzoeker vraagt het Gerecht in die context, overeenkomstig artikel 272 VWEU vast te stellen dat van het hierboven en in de debetnota vermelde bedrag, het bedrag van 112 737,15 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat ΕΚΕΤΑ niet verplicht is dat bedrag aan de Commissie terug te betalen.

3.

ΕΚΕΤΑ stelt dat het voornoemde bedrag van 112 737,15 EUR uit subsidiabele personeelskosten, uitgaven voor onderaanneming en indirecte uitgaven bestaat, die de Commissie ten onrechte als niet-subsidiabele uitgaven heeft geweigerd te aanvaarden. Dat de uitgaven van verzoeker subsidiabel zijn, wordt bevestigd door de gegevens die hij de Europese Commissie heeft verstrekt bij de controle ter plaatse en in de daaropvolgende briefwisseling, en die hij thans aan het Gerecht voorlegt.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/44


Beroep ingesteld op 27 maart 2017 — CeramTec/EUIPO — C5 Medical Werks (Tint roze)

(Zaak T-195/17)

(2017/C 151/57)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: CeramTec (Plochingen, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Renck en E. Nicolás Gómez, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: C5 Medical Werks (Grand Junction, Colorado, Verenigde Staten)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: figuratief kleurmerk in roze– Uniemerk nr. 10 214 195

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 15 februari 2017 in zaak R 930/2016-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO en de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep, ingeval zij intervenieert, in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van de artikelen 59 en 83 van verordening nr. 207/2009.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/45


Beroep ingesteld op 27 maart 2017 — Naftogaz of Ukraine/Commissie

(Zaak T-196/17)

(2017/C 151/58)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: NJSC Naftogaz of Ukraine (Kiev, Oekraïne) (vertegenwoordigers: D. Mjaaland, A. Haga, P. Grzejszczak en M. Krakowiak, lawyers)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van besluit C(2016) 6950 van de Commissie van 28 oktober 2016 houdende herziening van de krachtens richtlijn 2003/55/EG toegekende ontheffing van de Ostsee-Pipeline-Anbindungsleitung van de vereisten inzake de toegang van derde partijen en tariefregulering, en

verwijzing van de Europese Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Eerste middel: het besluit van de Commissie van 2016 is nietig wegens onbevoegdheid.

Artikel 36, lid 9, van richtlijn 2009/73/EG verleent de Commissie niet de bevoegdheid tot goedkeuring van een beslissing van een regelgevende autoriteit houdende wijziging van een krachtens artikel 36, lid 1, van deze richtlijn toegekende ontheffing die zij eerder had toegestaan.

Subsidiair, indien de Commissie bevoegd is om een dergelijke beslissing goed te keuren, is dat enkel in een beperkt aantal situaties het geval, bijvoorbeeld wanneer de omstandigheden sinds haar vorig goedkeuringsbesluit wezenlijk zijn gewijzigd. Zo niet zou het rechtszekerheidsbeginsel in gevaar komen. In de onderhavige zaak was de Commissie niet bevoegd om het besluit vast te stellen.

2.

Tweede middel: artikel 36, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG is geschonden.

Subsidiair, indien de Commissie in beginsel bevoegd is om het betrokken besluit vast te stellen, kan zij dit enkel rechtmatig doen indien de criteria van artikel 36, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG zijn vervuld.

Het besluit is vastgesteld in strijd met artikel 36, lid 1, onder a), van deze richtlijn. Het besluit zal de mededinging voor de levering van gas niet versterken en de leverings- en voorzieningszekerheid in EU-landen in Midden- en Oost-Europa en de Energiegemeenschap niet verhogen.

Het besluit is vastgesteld in strijd met artikel 36, lid 1, onder b), van die richtlijn. Elk investeringsrisico ontbreekt, aangezien de betrokken pijpleiding in gebruik is sinds juli 2011.

Het besluit is vastgesteld in strijd met artikel 36, lid 1, onder e), van diezelfde richtlijn. Het besluit doet afbreuk aan de mededinging en aan de efficiënte werking van de interne markt in de EU en de Energiegemeenschap, aangezien het de dominante positie van PJSC Gazprom en haar gelieerde ondernemingen op de relevante geografische markt versterkt en tot de opdeling van de interne markt volgens nationale grenzen leidt.

3.

Derde middel: het besluit is ontoereikend gemotiveerd.

Anders dan artikel 296 VWEU verlangt, bevat het besluit onvoldoende redenen en bewijs ter ondersteuning van de argumenten van de Commissie.

4.

Vierde middel: artikel 216, lid 2, VWEU is geschonden.

Volgens artikel 216, lid 2, VWEU zijn de door de Europese Unie gesloten overeenkomsten verbindend voor de instellingen van de Unie.

Door het besluit wordt het regelgevings- en marktkader voor het stimuleren van investeringen in gasnetwerken verstoord, wordt de leverings- en voorzieningszekerheid verminderd en wordt de ontwikkeling van de mededinging belemmerd, hetgeen schending oplevert van artikel 6 van het Verdrag tot Oprichting van de Energiegemeenschap. Het besluit maakt het voor Gazprom mogelijk om misbruik te maken van haar dominante positie op de relevante markt, in strijd met artikel 18 van het Verdrag inzake de Energiegemeenschap.

Het besluit heeft nadelige gevolgen voor de mededinging in de energiesector, in strijd is artikel 6, lid 1, van het Verdrag inzake het Energiehandvest. Het besluit verleent Gazprom als investeerder een voorkeursbehandeling ten koste van de investeringen van Naftogaz in het gastransportsysteem van Oekraïne, wat indruist tegen artikel 10, lid 1, van het Energiehandvest.

Het besluit is vastgesteld zonder overleg of samenwerking met Oekraïne, in strijd met artikel 274 van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/46


Beroep ingesteld op 28 maart 2017 — Abel e.a./Commissie

(Zaak T-197/17)

(2017/C 151/59)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Marc Abel (Montreuil, Frankrijk) en 1 438 andere verzoekers (vertegenwoordiger: J. Assous, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

vast te stellen dat de Europese Commissie onrechtmatig heeft gehandeld;

vast te stellen dat verzoekers schade hebben geleden door de vaststelling van verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft;

de Europese Commissie te veroordelen tot betaling van 1 000 EUR ter vergoeding van de morele schade die verzoekers door de vaststelling van voormelde verordening hebben geleden en tot betaling van 1 symbolische euro ter vergoeding van materiële schade;

de Europese Commissie te gelasten, de in verordening (EU) 2016/646 vastgelegde „definitieve conformiteitsfactor” onmiddellijk terug te brengen tot 1, en af te zien van de „tijdelijke conformiteitsfactor”2,1;

de Europese Commissie in te kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voeren de verzoekende partijen de volgende middelen aan:

1.

Verweerster heeft onjuist gehandeld bij de vaststelling van de bestreden verordening, in de uitoefening van de bevoegdheid die haar door het Europees Parlement en de Raad bij verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2007, L 171, blz. 1) was gedelegeerd overeenkomstig besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, meer in het bijzonder door:

schending van voorschriften van primair en afgeleid Unierecht op milieugebied;

schending van subsidiaire normen van gemeenschapsrecht, zoals de beginselen van non-regressie, voorzorg, preventie, optreden aan de bron en betaling door de vervuiler;

onjuiste toepassing van de procedureregels, daar de Commissie geen gebruik kon maken van de procedure van reglementering met controle om een wezenlijk onderdeel van verordening (EG) nr. 715/2007 te wijzigen;

schending van wezenlijke vormvoorschriften, doordat de bestreden verordening niet tot stand is gekomen met de democratische waarborgen die worden geboden wanneer de gewone wetgevingsprocedure van codecisie van het Europees Parlement en de Raad wordt gevolgd.

2.

Er is sprake van reële en zekere schade en er bestaat een rechtstreeks causaal verband tussen het gedrag van de Commissie en de beweerde schade.


15.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 151/47


Beroep ingesteld op 29 maart 2017 — EKETA/Commissie

(Zaak T-198/17)

(2017/C 151/60)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (EKETA) (Thessaloniki, Griekenland) (vertegenwoordigers: V. Christianos en S. Paliou, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

vaststellen dat de door de Europese Commissie bij debetnota nr. 3241615335/29.11.2016 gestelde eis dat EKETA van de voor het ACTIBIO-project ontvangen bijstand een bedrag van 38 241,00 EUR terugbetaalt, ongegrond is ten belope van 9 353,56 EUR;

vaststellen dat het bedrag van 9 353,56 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat EKETA niet verplicht is dit bedrag aan de Europese Commissie terug te betalen, en

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Ethniko Kentro Erevnas kai Technologikis Anaptyxis (hierna: „EKETA”) betwist bij onderhavig beroep de eis die de Commissie in het kader van de uitvoering van het ACTIBIO-project bij debetnota nr. 3241615335/29.11.2016 heeft gesteld. Bij die debetnota heeft de Commissie gevorderd dat EKETA de voor het ACTIBIO-project ontvangen bijstand gedeeltelijk terugbetaalt, namelijk voor een bedrag van 38 241,00 EUR. Die vordering kwam er nadat de Europese Commissie een controle ter plaatse had verricht in de kantoren van verzoeker.

2.

Verzoeker vraagt het Gerecht in die context, overeenkomstig artikel 272 VWEU vast te stellen dat van het hierboven en in de debetnota vermelde bedrag, het bedrag van 9 353,56 EUR subsidiabele uitgaven vertegenwoordigt en dat ΕΚΕΤΑ niet verplicht is dat bedrag aan de Commissie terug te betalen.

3.

ΕΚΕΤΑ stelt dat het voornoemde bedrag van 9 353,56 EUR uit subsidiabele personeelskosten, uitgaven voor onderaanneming en indirecte uitgaven bestaat, die de Commissie ten onrechte als niet-subsidiabele uitgaven heeft geweigerd te aanvaarden. Dat de uitgaven van verzoeker subsidiabel zijn, wordt bevestigd door de gegevens die hij de Europese Commissie heeft verstrekt bij de controle ter plaatse en in de daaropvolgende briefwisseling, en die hij thans aan het Gerecht voorlegt.