20.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 373/1


INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD

van 2 december 2013

tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer

2013/C 373/01

HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE,

hierna „de instellingen” genoemd,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

1.

Dit akkoord, dat overeenkomstig artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is aangenomen, heeft ten doel uitvoering te geven aan de begrotingsdiscipline en het verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure en de samenwerking tussen de instellingen in begrotingszaken te verbeteren, alsmede een goed financieel beheer te waarborgen.

2.

De begrotingsdiscipline in het kader van dit akkoord geldt voor alle uitgaven. Het akkoord verbindt voor zijn gehele geldigheidsduur alle instellingen.

3.

Dit akkoord houdt geen wijziging in van de respectieve begrotingsbevoegdheden van de instellingen, zoals vastgelegd in de Verdragen, in Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (1) („de MFK-verordening”) en in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (2) („het financieel reglement”).

4.

Elke wijziging van dit akkoord behoeft de onderlinge overeenstemming van alle instellingen.

5.

Dit akkoord bestaat uit drie delen:

Deel I bevat aanvullende bepalingen bij het meerjarig financieel kader (MFK), alsmede bepalingen betreffende bijzondere instrumenten die niet in het MFK zijn opgenomen;

Deel II betreft de interinstitutionele samenwerking tijdens de begrotingsprocedure;

Deel III bevat bepalingen betreffende een goed financieel beheer van de middelen van de Unie.

6.

Dit akkoord treedt in werking op 23 december 2013 en vervangt het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (3).

DEEL I

MFK EN BIJZONDERE INSTRUMENTEN

A.   Bepalingen betreffende het MFK

7.

In afzonderlijke tabellen worden indicatief gegevens verschaft over de operaties die niet in de algemene begroting van de Unie zijn opgenomen en over de vermoedelijke ontwikkeling van de verschillende categorieën eigen middelen van de Unie. Deze gegevens worden jaarlijks bijgewerkt, samen met de documenten die bij de ontwerpbegroting worden gevoegd.

8.

Behalve in de sub-rubriek „economische, sociale en territoriale samenhang” zorgen de instellingen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende marges beschikbaar blijven.

Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten na 2020

9.

De Commissie actualiseert de prognoses voor de betalingskredieten na 2020 in 2017. Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.

B.   Bepalingen betreffende de bijzondere instrumenten die niet in het MFK zijn opgenomen

Reserve voor noodhulp

10.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor.

Voorstellen van de Commissie tot overschrijving uit de reserve worden echter voorafgegaan door een onderzoek van de mogelijkheden tot herschikking van kredieten.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt een trialoogprocedure ingeleid.

De overschrijvingen uit de reserve geschieden overeenkomstig het financieel reglement.

Solidariteitsfonds van de Europese Unie

11.

Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het solidariteitsfonds van de Europese Unie, stelt de Commissie voor middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Wanneer er mogelijkheden zijn tot herschikking van de kredieten in de rubriek die aanvullende uitgaven vergt, houdt de Commissie daarmee rekening wanneer zij overeenkomstig het financieel reglement het nodige voorstel doet door middel van het passende begrotingsinstrument. Het besluit om middelen uit het solidariteitsfonds beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en het Europees Parlement met een meerderheid van de stemmen van zijn leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt een trialoogprocedure ingeleid.

Flexibiliteitsinstrument

12.

De Commissie doet het voorstel om van het flexibiliteitinstrument gebruik te maken nadat zij alle mogelijkheden heeft onderzocht om kredieten te herschikken binnen de rubriek die aanvullende uitgaven vergt.

In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld. Het kan voor het betrokken begrotingsjaar in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure worden ingediend.

Het besluit om van het flexibiliteitsinstrument gebruik te maken, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en het Europees Parlement met een meerderheid van de stemmen van zijn leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen.

Overeenstemming wordt bereikt in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

13.

Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, stelt de Commissie voor middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en het Europees Parlement met een meerderheid van de stemmen van zijn leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen.

Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt een trialoogprocedure ingeleid.

Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het financieel reglement.

Marge voor onvoorziene uitgaven

14.

De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht. Dat voorstel kan alleen worden gedaan met betrekking tot een ontwerp van gewijzigde of jaarlijkse begroting voor de vaststelling waarvan een dergelijk voorstel noodzakelijk zou zijn. Samen met haar voorstel tot gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven stelt de Commissie een herschikking binnen de bestaande begroting voor, ten belope van een door haar onderzoek onderbouwd significant bedrag.

Het besluit om van de marge voor onvoorziene uitgaven gebruik te maken, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen, op het tijdstip van hun goedkeuring van de gewijzigde of algemene begroting van de Unie waarvan de aanneming door de marge voor onvoorziene uitgaven wordt gefaciliteerd. Het Europees Parlement en de Raad nemen hun besluit volgens de in artikel 314 VWEU vastgestelde stemprocedure voor de goedkeuring van de algemene begroting van de Unie.

DEEL II

VERBETERING VAN DE INTERINSTITUTIONELE SAMENWERKING IN BEGROTINGSZAKEN

A.   Procedure voor interinstitutionele samenwerking

15.

Het precieze verloop van de interinstitutionele samenwerking tijdens de begrotingsprocedure wordt beschreven in de bijlage.

Budgettaire transparantie

16.

De Commissie stelt een jaarverslag op dat de algemene begroting van de Unie vergezelt en alle beschikbare niet-vertrouwelijke informatie bestrijkt betreffende:

de activa en passiva van de Unie, waaronder die welke voortkomen uit leningen die de Unie in overeenstemming met de haar bij de Verdragen toegekende bevoegdheden heeft opgenomen en verstrekt;

de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen, trustfondsen inbegrepen;

de uitgaven van de lidstaten in het kader van de nauwere samenwerking, voor zover die niet in de algemene begroting van de Unie zijn opgenomen.

B.   Opneming van financiële bepalingen in wetgevingshandelingen

17.

Wetgevingshandelingen betreffende meerjarenprogramma's die volgens de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, bevatten een bepaling waarin de wetgever de financiële middelen van het programma voor de gehele looptijd ervan vaststelt.

Dit bedrag vormt voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

Het Europees Parlement en de Raad, en de Commissie wanneer zij de ontwerpbegroting opstelt, verbinden zich ertoe voor de gehele looptijd van het betrokken programma niet meer dan 10 % van dit bedrag af te wijken, behalve in het geval van nieuwe objectieve en duurzame omstandigheden die uitdrukkelijk en nauwkeurig moeten worden gerechtvaardigd, waarbij rekening moet worden gehouden met de resultaten die bij de tenuitvoerlegging van het programma zijn verwezenlijkt, met name op de grondslag van evaluaties. Uit dergelijke afwijkingen voortvloeiende verhogingen blijven onder het voor de betrokken rubriek geldende maximum, onverminderd de mogelijkheid gebruik te maken van de in de MFK-verordening of in dit akkoord genoemde instrumenten.

Dit punt geldt niet voor kredieten in het kader van het cohesiebeleid die volgens de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, van tevoren door de lidstaten zijn toegewezen en die de financiële middelen voor de gehele duur van een programma regelen, noch voor de in artikel 16 van de MFK-verordening bedoelde grootschalige projecten.

18.

Wetgevingshandelingen betreffende meerjarenprogramma's die niet volgens de gewone wetgevingsprocedure worden vastgesteld, bevatten geen „noodzakelijk geacht bedrag”.

Indien de Raad een financieel referentiebedrag wenst op te nemen, dient dat bedrag slechts ter illustratie van de wil van de wetgever en laat dat de in het VWEU vastgestelde begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement en de Raad onverlet. In alle wetgevingshandelingen waarin een dergelijk financieel referentiebedrag is genoemd, wordt daartoe een bepaling opgenomen.

Indien overeenkomstig de overlegprocedure waarin de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 4 maart 1975 (4) voorziet, over het betrokken financieel referentiebedrag overeenstemming is bereikt, wordt dit bedrag als een referentiebedrag in de zin van punt 17 van dit akkoord beschouwd.

C.   Uitgaven betreffende visserijovereenkomsten

19.

Voor uitgaven in het kader van visserijovereenkomsten gelden de volgende bijzondere regels:

De Commissie verbindt zich ertoe het Europees Parlement regelmatig van de voorbereiding en het verloop van de onderhandelingen, met inbegrip van de gevolgen ervan voor de begroting, op de hoogte te houden.

In het kader van de wetgevingsprocedure betreffende de visserijovereenkomsten verbinden de instellingen zich ertoe alles in het werk te stellen opdat alle procedures zo spoedig mogelijk worden afgewikkeld.

Bedragen die in de begroting zijn voorzien voor nieuwe visserijovereenkomsten of voor de verlenging van visserijovereenkomsten die in werking treden na 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, worden opgevoerd in de reserve.

Indien de kredieten betreffende visserijovereenkomsten, met inbegrip van de reserve, ontoereikend blijken, verstrekt de Commissie het Europees Parlement en de Raad de nodige gegevens voor een gedachtewisseling in de vorm van een — eventueel vereenvoudigde — trialoog over de oorzaken van deze situatie alsmede over de maatregelen die volgens gevestigde procedures kunnen worden genomen. De Commissie stelt zo nodig passende maatregelen voor.

Elk kwartaal verstrekt de Commissie het Europees Parlement en de Raad gedetailleerde gegevens over de tenuitvoerlegging van de geldende visserijovereenkomsten en een financiële prognose voor de rest van het jaar.

20.

Vertegenwoordigers van het Europees Parlement kunnen als waarnemer deelnemen aan bilaterale of multilaterale conferenties waar over internationale visserijovereenkomsten wordt onderhandeld, rekening houdend met de bevoegdheden van het Europees Parlement op het gebied van visserijovereenkomsten en overeenkomstig de punten 25 en 26 van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie (5).

21.

Onverminderd de voorgeschreven procedure voor onderhandelingen over visserijovereenkomsten verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe in het kader van de begrotingssamenwerking tijdig een akkoord over adequate financiering van visserijovereenkomsten te bereiken.

D.   Uitgaven met betrekking tot de crisisreserve in de landbouwsector

22.

De kredieten voor de reserve voor crisissituaties in de landbouwsector waarin is voorzien in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) worden rechtstreeks in de algemene begroting van de Unie opgenomen. Het bedrag van de reserve dat niet voor crisismaatregelen beschikbaar is gesteld, wordt overgeheveld naar de rechtstreekse betalingen.

Uitgaven betreffende maatregelen voor crises die zich tussen 16 oktober en het einde van het begrotingsjaar voordoen, kunnen volgens de in de derde alinea vervatte voorschriften uit de reserve van het volgende begrotingsjaar worden gefinancierd.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve moet worden aangesproken, overeenkomstig de desbetreffende wetgevingshandeling, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel voor tot overschrijving uit de reserve naar de begrotingsonderdelen waaruit de door haar noodzakelijk geachte maatregelen worden gefinancierd. Voorstellen van de Commissie tot overschrijving uit de reserve worden voorafgegaan door een onderzoek van de mogelijkheden tot herschikking van kredieten.

Overschrijvingen uit de reserve geschieden overeenkomstig het financieel reglement.

Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt een trialoogprocedure ingeleid.

E.   Financiering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

23.

Het totale bedrag van de werkingsuitgaven van het GBVB wordt volledig in een begrotingshoofdstuk opgenomen, met als titel GBVB. Dit bedrag dekt de voorspelbare reële behoeften, zoals geraamd in het kader van de opstelling van de ontwerpbegroting op basis van jaarlijks door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (hierna „de hoge vertegenwoordiger” genoemd) gemaakte prognoses, met een redelijke marge voor onvoorziene acties. Er mogen geen middelen in een reserve worden opgenomen.

24.

Ten aanzien van de uitgaven van het GBVB die overeenkomstig artikel 41 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ten laste van de algemene begroting van de Unie komen, trachten de instellingen elk jaar in het bemiddelingscomité en op basis van de door de Commissie opgestelde ontwerpbegroting overeenstemming te bereiken over de ten laste van de algemene begroting van de Unie te brengen werkingsuitgaven en de verdeling ervan over de in de vierde alinea van dit punt voorgestelde artikelen van het GBVB-hoofdstuk van de begroting. Wordt geen overeenstemming bereikt, dan nemen het Europees Parlement en de Raad in de begroting het bedrag op dat in de voorgaande begroting was opgevoerd of, indien het lager is, het bedrag dat in de ontwerpbegroting wordt voorgesteld.

Het totale bedrag van de werkingsuitgaven van het GBVB wordt over de in de vierde alinea voorgestelde artikelen van het GBVB-hoofdstuk van de begroting verdeeld. Elk artikel heeft betrekking op reeds vastgestelde instrumenten, op instrumenten die zijn voorzien maar nog niet zijn vastgesteld en op alle andere toekomstige, d.w.z. niet-voorziene, instrumenten die door de Raad in de loop van het betrokken begrotingsjaar zullen worden vastgesteld.

Daar de Commissie overeenkomstig het financieel reglement de bevoegdheid heeft autonoom kredietoverschrijvingen tussen artikelen binnen het GBVB-hoofdstuk van de begroting, te verrichten, wordt derhalve de voor een snelle uitvoering van GBVB-optredens vereiste flexibiliteit gewaarborgd. Mocht het bedrag van de GBVB-hoofdstuk van de begroting gedurende het begrotingsjaar ontoereikend zijn om de noodzakelijke uitgaven te dekken, dan komen het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie, met inachtneming van artikel 3 van de MFK-verordening en punt 10 van dit akkoord, overeen met spoed een oplossing te vinden.

Binnen het GBVB-hoofdstuk van de begroting zouden de artikelen waaronder de GBVB-optredens worden ondergebracht, als volgt kunnen luiden:

de belangrijkste missies bedoeld in artikel 49, lid 1, onder g), van het financieel reglement,

crisisbeheersingsoperaties, preventie, oplossing en stabilisering van conflictsituaties en het toezien op en de tenuitvoerlegging van vredes- en veiligheidsprocessen,

non-proliferatie en ontwapening,

spoedeisende maatregelen,

voorbereidende en controlemaatregelen,

speciale vertegenwoordigers van de Europese Unie.

25.

De hoge vertegenwoordiger raadpleegt het Europees Parlement jaarlijks over een uiterlijk op 15 juni van het betrokken jaar te verstrekken prospectief document dat de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen van het GBVB behelst, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Unie, een beoordeling van de in jaar n-1 aangevangen maatregelen, alsmede een beoordeling van de coördinatie tussen en de complementariteit van het GBVB en andere externe financiële instrumenten van de Unie. Bovendien houdt de hoge vertegenwoordiger het Europees Parlement regelmatig op de hoogte door middel van gezamenlijke overlegvergaderingen die ten minste vijf keer per jaar in het kader van de gewone politieke dialoog over het GBVB plaatsvinden en die uiterlijk in het bemiddelingscomité worden overeengekomen. Over de deelneming aan deze vergaderingen wordt om beurten besloten door het Europees Parlement en de Raad, rekening houdend met de doelstelling en de aard van de tijdens die vergaderingen uit te wisselen informatie.

De Commissie wordt uitgenodigd om aan deze bijeenkomsten deel te nemen.

Wanneer de Raad een besluit op het gebied van het GBVB vaststelt dat uitgaven meebrengt, legt de hoge vertegenwoordiger het Europees Parlement onverwijld en in elk geval binnen vijf werkdagen daarna een schatting van de geraamde kosten („financieel memorandum”) voor, met name de kosten inzake tijdsduur, personeel, gebruik van gebouwen en andere infrastructuur, vervoermiddelen, opleidingsvereisten en veiligheidsregelingen.

De Commissie licht het Europees Parlement en de Raad eenmaal per kwartaal in over de uitvoering van de GBVB-optredens en over de financiële prognoses voor de rest van het begrotingsjaar.

F.   Betrokkenheid van de instellingen ten aanzien van ontwikkelingsbeleidskwesties en het Europees Ontwikkelingsfonds

26.

De Commissie zet een informele dialoog met het Europees Parlement op over ontwikkelingsbeleidskwesties, ongeacht de financieringsbron. De wijze waarop het Europees Parlement toezicht uitoefent op het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), zal op vrijwillige basis in overeenstemming worden gebracht met de desbetreffende, in het kader van de algemene begroting van de Unie, en met name ten aanzien van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, bestaande rechten van toezicht, volgens nadere regelingen die in de informele dialoog worden vastgesteld.

Het Europees Parlement en de Raad nemen er nota van dat de Commissie, met het oog op, onder andere, versterking van het democratische toezicht op het ontwikkelingsbeleid, voornemens is voor te stellen het EOF vanaf 2021 in de begroting op te nemen.

G.   Samenwerking van de instellingen tijdens de begrotingsprocedure inzake administratieve uitgaven

27.

De besparingen ten gevolge van het in de bijlage bij de MFK-verordening opgenomen maximum voor rubriek 5 worden evenredig over alle instellingen en andere organen van de Unie verdeeld op basis van hun respectieve aandeel in de administratieve begrotingen.

Iedere instelling, ieder orgaan of agentschap c.q. bureau dient ramingen van de uitgaven bij de jaarlijkse begrotingsprocedure in te dienen conform de in de eerste alinea bedoelde richtsnoeren.

Om de extra capaciteit ingevolge de verhoging van de arbeidstijd tot 40 uur per week te neutraliseren, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen hun personeel ten opzichte van het personeelsbestand op 1 januari 2013 geleidelijk met 5 % te verminderen (7). Deze vermindering geldt voor alle instellingen, organen, agentschappen en bureaus en moet tussen 2013 en 2017 worden uitgevoerd. Deze vermindering laat de begrotingsrechten van het Europees Parlement en de Raad onverlet.

DEEL III

GOED FINANCIEEL BEHEER VAN DE MIDDELEN VAN DE UNIE

A.   Gezamenlijk beheer

28.

De Commissie zorgt ervoor dat het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer op hun verzoek alle informatie en documentatie ontvangen die nodig wordt geacht voor de uitoefening van de bevoegdheden van het Europees Parlement, de Raad of de Rekenkamer uit hoofde van het VWEU en die verband houdt met middelen van Unie die via internationale organisaties in het kader van de met deze organisaties gesloten verificatieovereenkomsten zijn uitgegeven.

Evaluatieverslag

29.

In het evaluatieverslag waarin is voorzien bij artikel 318 VWEU maakt de Commissie een onderscheid tussen het intern beleid, dat op de Europa 2020-strategie is toegespitst, en het externe beleid en maakt zij meer gebruik van informatie over prestaties, waaronder prestatiecontroleresultaten, om de financiën van de Unie te toetsen aan de behaalde resultaten.

Financiële programmering

30.

De Commissie dient tweemaal per jaar — de eerste maal in april of mei (samen met de documenten die de ontwerpbegroting vergezellen) en de tweede maal in december of januari (na de vaststelling van de algemene begroting van de Unie) — een volledige financiële programmering in voor de rubrieken 1 (behalve de sub-rubriek voor „economische, sociale en territoriale samenhang”), 2 (slechts voor „milieu” en „visserij”), 3 en 4 van het MFK. In deze per rubriek, beleidsgebied en begrotingsonderdeel opgestelde programmering dient te worden gedifferentieerd naar:

a)

de geldende wetgeving, waarbinnen een onderscheid wordt gemaakt tussen meerjarenprogramma's en jaarlijkse acties:

voor de meerjarenprogramma's dient de Commissie aan te geven volgens welke procedure zij zijn aangenomen (gewone of bijzondere wetgevingsprocedure), de looptijd, het totale referentiebedrag van de financiële middelen en het voor administratieve uitgaven bestemde aandeel daarvan;

voor jaarlijkse acties (met betrekking tot voorbereidende acties en proefprojecten, agentschappen/bureaus) en voor op grond van de prerogatieven van de Commissie gefinancierde activiteiten dient de Commissie meerjarige ramingen te verstrekken en de marges aan te geven die resteren onder de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie (8) toegestane maxima;

b)

hangende wetgevingsvoorstellen: lopende Commissievoorstellen, volgens de laatste stand van zaken.

De Commissie dient na te gaan hoe er een kruisverwijzing tot stand kan worden gebracht tussen de financiële programmering en de betreffende wetgevingsprogrammering, opdat de ramingen nauwkeuriger en betrouwbaarder kunnen worden. Voor elk wetgevingsvoorstel dient de Commissie te vermelden of dit in het april- of het decemberprogramma is opgenomen. Het Europees Parlement en de Raad dienen met name in kennis te worden gesteld van:

a)

alle nieuwe wetgevingshandelingen die zijn aangenomen en alle hangende voorstellen die zijn ingediend, maar die niet zijn opgenomen in het april- of het decemberprogramma (met de desbetreffende bedragen);

b)

de in het jaarlijkse wetgevingsprogramma van de Commissie beoogde wetgeving, met vermelding of de acties al dan niet financiële gevolgen zullen hebben.

Indien nodig dient de Commissie melding te maken van de herprogrammering die de nieuwe wetgevingsvoorstellen noodzakelijk maken.

B.   Agentschappen en Europese scholen

31.

Voordat zij een voorstel voor de oprichting van een nieuw agentschap indient, dient de Commissie een degelijke, volledige en objectieve effectbeoordeling te verrichten, waarin onder meer rekening wordt gehouden met de kritische massa aan personeel en vaardigheden, kosten-batenaspecten, subsidiariteit en proportionaliteit, het effect op nationale en uniale werkzaamheden en de budgettaire gevolgen voor de desbetreffende uitgavenrubriek. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe, onverminderd de wetgevingsprocedures voor de oprichting van agentschappen, in het kader van de begrotingssamenwerking op grond van de desbetreffende informatie tijdig tot een akkoord te komen over de financiering van het voorgestelde agentschap.

De volgende procedurestappen worden daarbij gevolgd:

ten eerste legt de Commissie stelselmatig elk voorstel tot oprichting van een nieuw agentschap voor aan de eerste trialoogvergadering na de aanneming van het voorstel, waarbij zij tevens het financieel memorandum bij de ontwerprechtshandeling waarin de oprichting van het agentschap wordt voorgesteld, overlegt en de gevolgen van het voorstel voor de resterende periode van de financiële programmering uiteenzet;

ten tweede staat de Commissie de wetgever gedurende het wetgevingsproces bij in het beoordelen van de financiële gevolgen van de voorgestelde wijzigingen. Die financiële gevolgen dienen in overweging te worden genomen tijdens de desbetreffende wetgevingstrialogen;

ten derde dient de Commissie vóór de afsluiting van het wetgevingsproces een bijgewerkt financieel memorandum in waarin rekening is gehouden met mogelijke wijzigingen door de wetgever; dit financieel memorandum wordt op de agenda van de laatste wetgevingstrialoog geplaatst en wordt formeel bekrachtigd door de wetgever. Het wordt ook op de agenda van een volgende (in spoedeisende gevallen vereenvoudigde) budgettaire trialoogvergadering geplaatst met het oog op het bereiken van overeenstemming over de financiering;

ten vierde wordt de overeenstemming die in het kader van een trialoog is bereikt, rekening houdend met de begrotingsraming door de Commissie met betrekking tot de inhoud van het wetgevingsproces, bevestigd in een gezamenlijke verklaring. Die overeenstemming dient goedgekeurd te worden door het Europees Parlement en de Raad conform hun eigen reglement van orde.

Dezelfde procedure wordt gevolgd voor alle wijzigingen van een rechtshandeling betreffende een agentschap die gevolgen zouden hebben voor de middelen van het betrokken agentschap.

Indien de taken van een agentschap ingrijpend worden gewijzigd zonder dat de rechtshandeling tot oprichting van dat agentschap wordt gewijzigd, stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis middels een herzien financieel memorandum, zodat het Europees Parlement en de Raad tijdig overeenstemming kunnen bereiken over de financiering van het agentschap.

32.

De toepasselijke bepalingen van de gemeenschappelijke aanpak die is gehecht aan de op 19 juli 2012 ondertekende gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen, moeten bij de begrotingsprocedure ter dege in aanmerking worden genomen.

33.

Wanneer de raad van bestuur van een Europese school overweegt een nieuwe Europese school op te richten, wordt mutatis mutandis een soortgelijke procedure gevolgd om de budgettaire gevolgen voor de algemene begroting van de Unie vast te stellen.

Gedaan te Brussel, 9 december 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BERNATONIS

Voor de Commissie

J. LEWANDOWSKI

Lid van de Commissie

Gedaan te Straatsburg, 10 december 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ


(1)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 20 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(2)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(3)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(4)  PB C 89 van 22.4.1975, blz. 1.

(5)  PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.

(6)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(7)  De Raad en de Commissie hebben reeds een eerste vermindering met 1 % op het personeel toegepast ten opzichte van hun personeelsbestand op 1 januari 2013.

(8)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).


BIJLAGE

Interinstitutionele samenwerking tijdens de begrotingsprocedure

Deel A.   Tijdschema voor de begrotingsprocedure

1.

De instellingen stellen tijdig vóór de aanvang van de begrotingsprocedure een pragmatisch tijdschema vast op basis van de huidige praktijk.

Deel B.   Prioriteiten voor de begrotingsprocedure

2.

Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken.

Deel C.   Opstelling van de ontwerpbegroting en actualisering van de ramingen

3.

De instellingen, behalve de Commissie, wordt verzocht hun raming vóór eind maart vast te stellen.

4.

De Commissie dient ieder jaar een ontwerpbegroting in, die de werkelijke financieringsbehoeften van de Unie weerspiegelt.

Zij houdt rekening met:

a)

door de lidstaten verstrekte prognoses met betrekking tot de Structuurfondsen;

b)

de mogelijkheid tot besteding van de kredieten, waarbij zij ernaar streeft een strikte verhouding tussen de kredieten voor vastleggingen en de kredieten voor betalingen te waarborgen;

c)

de mogelijkheden om nieuwe beleidsmaatregelen uit te voeren door middel van proefprojecten, nieuwe voorbereidende acties, of beide, of om tot hun einde gekomen meerjarenacties voort te zetten, na de voorwaarden voor het verkrijgen van een basishandeling in de zin van het financieel reglement te hebben beoordeeld (definitie van een basishandeling, noodzaak van een basishandeling voor besteding en uitzonderingen);

d)

de noodzaak om te zorgen voor een ontwikkeling van de uitgaven ten opzichte van het voorgaande begrotingsjaar die met de eisen van de begrotingsdiscipline in overeenstemming is.

5.

De instellingen vermijden zoveel mogelijk om in de begroting begrotingsonderdelen voor beleidsuitgaven van onbetekenende bedragen op te nemen.

6.

Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich er ook toe rekening te houden met de evaluatie van de mogelijkheden voor de uitvoering van de begroting die de Commissie in haar ontwerpen alsook in het raam van de uitvoering van de lopende begroting heeft verricht.

7.

Ter wille van een goed financieel beheer en gelet op de gevolgen van de in de titels en hoofdstukken van de begrotingsnomenclatuur aangebrachte wezenlijke veranderingen aangaande de plicht van de diensten van de Commissie inzake beheersverslagen, verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe alle wezenlijke veranderingen tijdens de bemiddelingsprocedure met de Commissie te bespreken.

8.

Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen en gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.

9.

Tot de bijeenkomst van het bemiddelingscomité kan de Commissie overeenkomstig artikel 314, lid 2, VWEU indien nodig de ontwerpbegroting wijzigen, onder meer door middel van een nota van wijzigingen waarin de ramingen van de landbouwuitgaven worden geactualiseerd. De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad ter overweging informatie over deze actualiseringen, zodra die beschikbaar is. Zij verstrekt het Europees Parlement en de Raad alle bewijsstukken die deze noodzakelijk acht.

Deel D.   Begrotingsprocedure vóór de bemiddelingsprocedure

10.

Tijdig vóór de lezing in de Raad wordt een trialoog belegd om de instellingen de gelegenheid te geven van gedachten te wisselen over de ontwerpbegroting.

11.

Om de Commissie in staat te stellen tijdig de uitvoerbaarheid te onderzoeken van de door het Europees Parlement en de Raad overwogen wijzigingen waarbij nieuwe voorbereidende acties of proefprojecten in het leven worden geroepen of bestaande worden verlengd, geven het Europees Parlement en de Raad de Commissie kennis van hun voornemens dienaangaande, opdat een eerste bespreking daarvan reeds kan plaatsvinden tijdens die trialoog.

12.

Een trialoog kan worden belegd voor de plenaire stemming in het Europees Parlement.

Deel E.   Bemiddelingsprocedure

13.

Indien het Europees Parlement amendementen vaststelt op het standpunt van de Raad, neemt de voorzitter van de Raad tijdens dezelfde plenaire vergadering nota van de verschillende opvattingen van beide instellingen en stemt hij ermee in dat de voorzitter van het Europees Parlement onverwijld het bemiddelingscomité bijeenroept. De brief waarbij het bemiddelingscomité wordt bijeengeroepen, wordt verzonden uiterlijk op de eerste werkdag van de week volgend op het einde van de vergaderperiode van het Europees Parlement waarin de plenaire stemming heeft plaatsgevonden; de bemiddelingsperiode begint de daaropvolgende dag. De termijn van 21 dagen wordt berekend overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad (1).

14.

Mocht de Raad niet met alle door het Europees Parlement aangenomen amendementen kunnen instemmen, dan bevestigt hij dit in een brief die wordt verzonden vóór de eerste in de bemiddelingsperiode geplande vergadering. In dat geval gaat het bemiddelingscomité volgens de in de onderstaande alinea's vastgestelde procedure te werk.

15.

Het voorzitterschap van het bemiddelingscomité wordt gezamenlijk bekleed door vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van de Raad. De vergaderingen van het bemiddelingscomité worden voorgezeten door de medevoorzitter van de instelling waar de bijeenkomst plaatsvindt. Iedere instelling wijst, overeenkomstig haar eigen reglement van orde, haar deelnemers aan iedere bijeenkomst aan en stelt haar mandaat voor de onderhandelingen vast. Het Europees Parlement en de Raad worden op een passend niveau vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodanig dat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.

16.

De Commissie neemt overeenkomstig artikel 314, lid 5, tweede alinea, VWEU aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité deel en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen.

17.

De trialogen vinden gedurende de gehele bemiddelingsprocedure plaats, op verschillende niveaus van vertegenwoordiging, om de nog niet afgedane problemen op te lossen en het bereiken van overeenstemming in het bemiddelingscomité voor te bereiden.

18.

De bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen vinden beurtelings plaats in de gebouwen van het Europees Parlement en die van de Raad, opdat de voorzieningen, waaronder de tolkenfaciliteiten, gelijkelijk worden gebruikt.

19.

De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen.

20.

Het bemiddelingscomité beschikt over een gemeenschappelijk dossier (de basisdocumentatie) waarin de verschillende fasen van de begrotingsprocedure worden vergeleken (2). Deze documenten bevatten bedragen per begrotingsonderdeel, totaalbedragen per rubriek van het MFK en een geconsolideerd document met bedragen en opmerkingen betreffende alle begrotingsonderdelen die in technische zin nog niet als afgesloten worden beschouwd. Onverminderd het uiteindelijke besluit van het bemiddelingscomité wordt een speciaal document opgesteld met de lijst van alle begrotingsonderdelen die in technische zin als afgesloten worden beschouwd (3). Deze documenten worden ingedeeld volgens de begrotingsnomenclatuur.

Er worden ook andere documenten toegevoegd aan de basisdocumentatie ten behoeve van het bemiddelingscomité, waaronder een uitvoerbaarheidsnota van de Commissie over het standpunt van de Raad en de amendementen van het Europees Parlement en alle brieven van andere instellingen over het standpunt van de Raad of de amendementen van het Europees Parlement.

21.

Met het oog op een akkoord aan het einde van de bemiddelingsperiode worden in de trialoogvergaderingen de volgende aspecten behandeld:

afbakening van het terrein voor de onderhandelingen over de te bespreken begrotingsvraagstukken;

goedkeuring van de lijst van in technische zin afgesloten begrotingsonderdelen, onder voorbehoud van een definitief akkoord over de volledige begroting voor het begrotingsjaar;

bespreking van de ingevolge het eerste streepje geselecteerde vraagstukken met het oog op mogelijke akkoorden die door het bemiddelingscomité moeten worden goedgekeurd;

behandeling van thematische vraagstukken, onder meer per rubriek van het MFK.

Tijdens of onmiddellijk na iedere trialoogvergadering worden gezamenlijk de voorlopige conclusies opgesteld en wordt er overeenstemming over de agenda voor de volgende vergadering bereikt. De instelling waar de trialoogvergadering plaatsvindt, stelt deze conclusies op schrift en zij worden geacht na 24 uur voorlopig te zijn goedgekeurd, onverminderd het definitieve besluit van het bemiddelingscomité.

22.

Ter vergadering beschikt het bemiddelingscomité over de conclusies van de trialogen en over een document met de begrotingsonderdelen waarover tijdens die trialogen, met het oog op mogelijke bekrachtiging, voorlopige overeenstemming is bereikt.

23.

Het in artikel 314, lid 5, VWEU bedoelde gemeenschappelijk ontwerp wordt opgesteld door de secretariaten van het Europees Parlement en de Raad, met steun van de Commissie. Het ontwerp bestaat uit een begeleidende nota van de voorzitters van de twee delegaties aan de voorzitter van het Europees Parlement en de voorzitter van Raad, waarin staat vermeld op welke datum het bemiddelingscomité een akkoord heeft bereikt, en uit bijlagen, die de volgende gegevens bevatten:

bedragen per begrotingsonderdeel voor alle begrotingsposten en samenvattende cijfers per rubriek van het MFK;

een geconsolideerd document, met bedragen en de definitieve tekst voor alle onderdelen die tijdens de bemiddelingsprocedure zijn gewijzigd;

de lijst van onderdelen die niet zijn gewijzigd ten opzichte van de ontwerpbegroting of het standpunt van de Raad.

Het bemiddelingscomité kan tevens zijn goedkeuring hechten aan conclusies en eventuele gezamenlijke verklaringen met betrekking tot de begroting.

24.

Het gemeenschappelijk ontwerp wordt vertaald in de officiële talen van de instellingen van de Unie (door de diensten van het Europees Parlement) en ter goedkeuring voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad binnen een termijn van 14 dagen, te rekenen vanaf de datum waarop overeenstemming is bereikt over het conform punt 23 opgestelde gemeenschappelijk ontwerp.

Nadat het gemeenschappelijk ontwerp is goedgekeurd, wordt aan de begroting in juridisch-taalkundig opzicht de laatste hand gelegd, waarbij de bijlagen van het gemeenschappelijk ontwerp worden ingevoegd in de begrotingsonderdelen die tijdens de bemiddelingsprocedure niet zijn gewijzigd.

25.

De instelling waar de (trialoog- of bemiddelings)vergaderingen plaatsvinden, stelt tolkenfaciliteiten ter beschikking voor alle talen van de talenregeling zoals die geldt voor de vergaderingen van het bemiddelingscomité, alsmede vertolking op ad-hocbasis voor de trialogen.

De reproductie en de distributie van de vergaderdocumenten worden verzorgd door de instelling waar de vergadering plaatsvindt.

De diensten van de drie instellingen werken samen bij het op schrift stellen van de resultaten van de onderhandelingen ten behoeve van de voltooiing van het gemeenschappelijk ontwerp.

Deel F.   Gewijzigde begrotingen

Algemene beginselen

26.

Aangezien gewijzigde begrotingen vaak betrekking hebben op specifieke en soms dringende kwesties, komen de instellingen overeen de onderstaande beginselen toe te passen om in een gepaste interinstitutionele samenwerking te kunnen voorzien met het oog op een soepel en vlot verlopend besluitvormingsproces voor gewijzigde begrotingen, en daarbij indien mogelijk te vermijden dat een bemiddelingsvergadering moet worden bijeengeroepen.

27.

De instellingen streven ernaar het aantal gewijzigde begrotingen zoveel mogelijk te beperken.

Tijdschema

28.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad vooraf in kennis van de mogelijke data van aanneming van ontwerpen van gewijzigde begroting, wat de uiteindelijke datum van aanneming onverlet laat.

29.

Overeenkomstig zijn eigen reglement van orde streven het Europees Parlement en de Raad ernaar het door de Commissie ingediende ontwerp van gewijzigde begroting spoedig na de aanneming door de Commissie te behandelen.

30.

Om de procedure te bespoedigen, stemmen het Europees Parlement en de Raad de planning van hun respectieve werkzaamheden zoveel mogelijk op elkaar af, teneinde de procedure samenhangend en convergerend te laten verlopen. Daarom trachten zij zo snel mogelijk een indicatief tijdschema vast te stellen voor de diverse stappen die leiden tot de uiteindelijke vaststelling van de gewijzigde begroting.

Het Europees Parlement en de Raad houden rekening met de relatieve urgentie van de gewijzigde begroting en de noodzaak om deze tijdig goed te keuren, wil deze nog dienstig zijn in het betrokken begrotingsjaar.

Samenwerking tijdens de lezingen

31.

De instellingen werken te goeder trouw samen gedurende de gehele procedure en doen er alles aan om de vaststelling van gewijzigde begrotingen in een vroeg stadium van de procedure mogelijk te maken.

In voorkomend geval en indien er een potentieel verschil van inzicht is, kan het Europees Parlement of de Raad, alvorens elk hun definitieve standpunt in te nemen over de gewijzigde begroting, of ook de Commissie, op enig moment voorstellen een specifieke trialoog te beleggen om de verschillen van inzicht te bespreken en te trachten een compromis te bereiken.

32.

Alle door de Commissie ingediende en nog niet definitief goedgekeurde ontwerpen van gewijzigde begroting worden stelselmatig op de agenda van de in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure geplande trialoogvergaderingen gezet. De Commissie licht de ontwerpen van gewijzigde begroting toe en het Europees Parlement en de Raad maken, voor zover mogelijk, hun respectieve standpunt bekend vóór de trialoog.

33.

Indien tijdens de trialoog een compromis wordt bereikt, verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe bij de bespreking van de gewijzigde begroting overeenkomstig het VWEU en hun reglement van orde rekening te houden met de resultaten van de trialoog.

Samenwerking na de lezingen

34.

Als het Europees Parlement het standpunt van de Raad zonder amendementen goedkeurt, is de gewijzigde begroting vastgesteld overeenkomstig het VWEU.

35.

Als het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden amendementen aanneemt, is artikel 314, lid 4, onder c), VWEU van toepassing. Vóór de bijeenkomst van het bemiddelingscomité wordt echter een trialoogvergadering belegd.

indien tijdens de trialoog overeenstemming wordt bereikt en mits het Europees Parlement en de Raad de resultaten van de trialoog aanvaarden, wordt de bemiddeling afgesloten met een briefwisseling, zonder bijeenkomst van het bemiddelingscomité;

indien tijdens de trialoog geen overeenstemming wordt bereikt, komt het bemiddelingscomité bijeen, dat zijn werkzaamheden organiseert met inachtneming van de omstandigheden, teneinde het besluitvormingsproces, voor zover mogelijk, af te ronden binnen de in artikel 314, lid 5, VWEU genoemde termijn van eenentwintig dagen. Het bemiddelingscomité kan zijn conclusies vaststellen in een briefwisseling.

Deel G.   „Reste à liquider” (RAL)

36.

Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauw toe te zien op het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.

Om in alle hoofdstukken een houdbaar beheer en profiel van de betalingen te waarborgen, worden in alle rubrieken de doorhalingsregels, en met name de regels inzake automatische doorhalingen, strikt toegepast.

Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2014-2020 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.


(1)  Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1).

(2)  Deze fasen omvatten: de begroting van het lopende begrotingsjaar (met inbegrip van gewijzigde begrotingen); de oorspronkelijke ontwerpbegroting; het standpunt van de Raad met betrekking tot de ontwerpbegroting; de amendementen van het Europees Parlement op het standpunt van de Raad alsmede de door de Commissie ingediende nota's van wijzigingen (indien nog niet door alle instellingen volledig goedgekeurd).

(3)  Een in technische zin afgesloten begrotingsonderdeel is een onderdeel waarover geen verschil van mening bestaat tussen het Europees Parlement en de Raad en waarvoor geen nota van wijzigingen is ingediend.