32002L0091

Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen

Publicatieblad Nr. L 001 van 04/01/2003 blz. 0065 - 0071


Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad

van 16 december 2002

betreffende de energieprestatie van gebouwen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In artikel 6 van het Verdrag is bepaald dat de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap.

(2) De natuurlijke hulpbronnen waarvan het behoedzame en rationele gebruik in artikel 174 van het Verdrag is vermeld, omvatten aardolieproducten, aardgas en vaste brandstoffen die essentiële energiebronnen, maar tevens de belangrijkste emissiebronnen van kooldioxide zijn.

(3) Verbetering van de energie-efficiëntie vormt een belangrijk onderdeel van het beleid en de maatregelen die nodig zijn ter naleving van het Protocol van Kyoto, en moet deel uitmaken van elk geheel van maatregelen om aan verdere verbintenissen te voldoen.

(4) Het beheer van de vraag naar energie is voor de Gemeenschap een belangrijk instrument om invloed uit te oefenen op de wereldenergiemarkt en daarmee op de continuïteit van de energievoorziening op middellange en lange termijn.

(5) De Raad heeft in zijn conclusies van 30 mei 2000 en 5 december 2000 het actieplan voor energie-efficiëntie van de Commissie onderschreven en verzocht om specifieke maatregelen in de bouwsector.

(6) Meer dan 40 % van het eindverbruik van energie in de Gemeenschap komt voor rekening van de woon- en tertiaire sector, die grotendeels uit gebouwen bestaat en die zich nog steeds uitbreidt, een tendens die ongetwijfeld tot een hoger energieverbruik en derhalve tot meer uitstoot van kooldioxide door deze sector zal leiden.

(7) Richtlijn 93/76/EEG van de Raad van 13 september 1993 tot beperking van kooldioxide-emissies door verbetering van de energie-efficiëntie (Save)(5), die vereist dat lidstaten programma's op het gebied van energie-efficiëntie in de bouwsector opstellen en ten uitvoer leggen alsmede daarover verslag uitbrengen, begint nu een aantal belangrijke positieve effecten te sorteren. Er is echter een aanvullend wettelijk instrument nodig om concretere acties vast te stellen teneinde het aanzienlijke, nog niet gerealiseerde potentieel voor energiebesparingen te benutten en de grote verschillen tussen de resultaten van de lidstaten in deze sector te verminderen.

(8) Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten(6) schrijft voor dat bouwwerken en de temperatuurregelings- en ventilatie-installaties ervan zodanig moeten worden ontworpen en uitgevoerd dat een, gezien de plaatselijke klimatologische omstandigheden, gering energieverbruik voldoende is om het thermische comfort van de bewoners te verzekeren.

(9) Bij de maatregelen voor de verdere verbetering van de energieprestaties van gebouwen moet rekening worden gehouden met de klimatologische en plaatselijke omstandigheden, alsmede met de binnenklimaateisen en de kosteneffectiviteit. De maatregelen mogen geen beletsel vormen voor andere essentiële eisen die aan gebouwen worden gesteld, zoals toegankelijkheid, veiligheid, gezondheid en de gebruiksbestemming van het gebouw.

(10) De energieprestaties van gebouwen dienen te worden berekend volgens een methode, die op regionaal niveau mag worden gedifferentieerd, en die behalve thermische isolatie ook andere factoren in aanmerking neemt welke een steeds belangrijkere rol spelen, zoals installaties voor verwarming en airconditioning, de toepassing van hernieuwbare energiebronnen en het ontwerp van het gebouw. Een gemeenschappelijke benadering van dit proces, uit te voeren door gekwalificeerd personeel en/of erkende deskundigen, wier onafhankelijkheid op basis van objectieve criteria wordt gegarandeerd, zal bijdragen tot gelijke voorwaarden wat betreft de inspanningen die in de lidstaten worden gedaan om energie in de gebouwensector te besparen en zal toekomstige eigenaars of gebruikers duidelijkheid verschaffen over de energieprestaties op de communautaire onroerendgoedmarkt.

(11) De Commissie is voornemens om normen zoals EN 832 of prEN 13790 verder te ontwikkelen en daarbij ook rekening te houden met airconditioningsystemen en verlichting.

(12) Gebouwen zijn van invloed op het energieverbruik op lange termijn en nieuwe gebouwen zouden daarom moeten voldoen aan minimumeisen inzake energieprestaties die zijn aangepast aan het plaatselijke klimaat. In dit verband dienen goede praktijken een optimaal gebruik van de elementen ter verbetering van de energieprestaties mogelijk te maken. Aangezien de mogelijke toepassing van alternatieve systemen van energievoorziening in het algemeen niet volledig wordt onderzocht, moet de technische, ecologische en economische haalbaarheid van alternatieve systemen van energievoorziening worden nagegaan; dit kan in een keer door de lidstaat bepaald worden door middel van een studie op basis waarvan tegen de gemiddelde plaatselijke marktvoorwaarden een lijst van maatregelen voor energiebehoud wordt vastgesteld die aan de criteria inzake kosteneffectiviteit voldoen. Alvorens met de bouw wordt aangevangen, kunnen specifieke studies worden gevraagd als de maatregelen haalbaar worden geacht.

(13) Ingrijpende renovaties van bestaande gebouwen boven een bepaalde grootte moeten worden beschouwd als een goede gelegenheid om kosteneffectieve maatregelen te nemen ter verbetering van de energieprestaties. Ingrijpende renovaties zijn gevallen zoals die waarbij de totale kosten van de renovatie met betrekking tot de buitenschil of energie-installaties zoals verwarming, warmwatervoorziening, airconditioning, ventilatie en verlichting hoger zijn dan 25 % van de waarde van het gebouw, exclusief de waarde van de grond waarop het gebouw zich bevindt, dan wel die waarbij meer dan 25 % van de buitenschil van het gebouw gerenoveerd wordt.

(14) De verbetering van de totale energieprestatie van een bestaand gebouw betekent echter niet noodzakelijk een totale renovatie van het gebouw, maar zou beperkt kunnen blijven tot die delen die het meeste relevant zijn voor de energieprestatie van het gebouw en die kosteneffectief zijn.

(15) De renovatie-eisen voor bestaande gebouwen mogen niet onverenigbaar zijn met de beoogde functie, de hoedanigheid of het karakter van het gebouw; het moet mogelijk zijn door grotere energiebesparingen de aan zo'n renovatie verbonden extra kosten binnen een, gezien de verwachte technische levensduur van de investering, redelijke termijn terug te verdienen.

(16) De certificering kan ondersteund worden door programma's ter vergemakkelijking van een gelijke toegang tot verbeterde energieprestaties, gebaseerd worden op overeenkomsten tussen organisaties van belanghebbenden en een door de lidstaat aangewezen instantie, of uitgevoerd worden door energieservicefirma's die bereid zijn zich ertoe te verbinden de vastgestelde investeringen te doen. De controle en follow-up van de regelingen dient te worden uitgevoerd door de lidstaten. Deze moeten tevens de toepassing van stimuleringsmaatregelen vergemakkelijken. Het certificaat zou zoveel mogelijk de bestaande energieprestatiesituatie van het gebouw moeten beschrijven en kan dienovereenkomstig herzien worden. Overheidsgebouwen en gebouwen die veelvuldig door het publiek worden bezocht, dienen een voorbeeldfunctie te vervullen op het gebied van zorg voor het milieu en energiegebruik en daarom dient voor die gebouwen regelmatig energiecertificering plaats te vinden. De verspreiding van informatie over die energieprestaties onder het publiek kan worden verbeterd door die energiecertificaten op een opvallende plaats aan te brengen. Bovendien dient het duidelijk aangeven van officieel aanbevolen binnentemperaturen, samen met de werkelijke gemeten temperatuur, het onjuiste gebruik van systemen voor verwarming, airconditioning en ventilatie tegen te gaan. Dit zou ertoe moeten bijdragen dat onnodig energieverbruik wordt vermeden en comfortabele klimaatomstandigheden binnenshuis (thermisch comfort) ten opzichte van de buitentemperatuur worden gewaarborgd.

(17) Voor het stimuleren van betere energieprestaties kunnen lidstaten ook gebruikmaken van niet in deze richtlijn genoemde middelen/maatregelen. De lidstaten dienen goed energiebeheer te stimuleren, rekening houdend met de gebruiksintensiteit van gebouwen.

(18) De laatste jaren is het aantal airconditioningsystemen in de zuidelijke landen van Europa toegenomen. Dit veroorzaakt in deze landen aanzienlijke problemen op het gebied van piekbelasting, waardoor de kostprijs voor elektrische energie stijgt en de energiebalans in het gedrang komt. Er moet prioriteit worden verleend aan strategieën die bijdragen tot betere thermische prestaties van gebouwen tijdens de zomer. Met name technieken voor passieve koeling en in het bijzonder technieken die bijdragen tot het verbeteren van de kwaliteit van het binnenklimaat en van het microklimaat rond gebouwen moeten verder worden ontwikkeld.

(19) Regelmatig onderhoud van verwarmingsketels en airconditioningsystemen door gekwalificeerd personeel draagt bij tot handhaving van de correcte afstelling ervan in overeenstemming met de productspecificatie en zal leiden tot optimale prestaties uit milieu-, veiligheids- en energieoogpunt. Een onafhankelijke beoordeling van de gehele verwarmingsinstallatie is op zijn plaats wanneer vervanging op basis van kosteneffectiviteit te overwegen zou zijn.

(20) Facturering aan gebruikers van gebouwen van de kosten van verwarming, klimaatregeling en warm tapwater, die naar evenredigheid op basis van het werkelijke verbruik worden berekend, kan bijdragen tot energiebesparing in de woonsector. Gebruikers dienen in staat te worden gesteld hun eigen gebruik van verwarming en warm tapwater te regelen, mits dergelijke maatregelen kosteneffectief zijn.

(21) In overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, als vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag, dienen er op communautair niveau algemene beginselen te worden vastgesteld voor een systeem van energieprestatie-eisen en de doelstellingen daarvan, maar de gedetailleerde uitvoering dient aan de lidstaten te worden overgelaten, zodat elke lidstaat het systeem kan kiezen dat het meest op zijn specifieke situatie is toegesneden. Deze richtlijn is beperkt tot het minimum dat is vereist om deze doelstellingen te verwezenlijken en gaat niet verder dan voor dat doel noodzakelijk is.

(22) Er dient te worden voorzien in de mogelijkheid om de methode voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen snel aan te passen en om de lidstaten de minimumeisen op het gebied van de energieprestatie van gebouwen op gezette tijden te laten evalueren met betrekking tot de vooruitgang van de techniek, onder andere ten aanzien van de isolatiewaarde (of kwaliteit) van het bouwmateriaal, en toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de normalisatie.

(23) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(7),

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

Doel van deze richtlijn is het stimuleren van verbeterde energieprestatie van gebouwen in de Gemeenschap - rekening houdend met zowel de klimatologische en plaatselijke omstandigheden buiten het gebouw als met de eisen voor het binnenklimaat -, en de kosteneffectiviteit.

Deze richtlijn voorziet in eisen met betrekking tot:

a) het algemeen kader voor een methode voor de berekening van de geïntegreerde energieprestatie van gebouwen,

b) de toepassing van minimumeisen voor de energieprestatie van nieuwe gebouwen,

c) de toepassing van minimumeisen voor de energieprestatie van bestaande grote gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan,

d) de energiecertificering van gebouwen, en

e) de regelmatige keuring van c.v.-ketels en airconditioningsystemen in gebouwen en een eenmalige totale keuring van verwarmingsinstallaties waarvan de ketel ouder is dan 15 jaar.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn zijn de volgende definities van toepassing:

1. gebouw: een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen; de term "gebouw" kan verwijzen naar het gebouw in zijn geheel of naar delen ervan die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt;

2. energieprestatie van een gebouw: de hoeveelheid energie die daadwerkelijk wordt verbruikt of die nodig wordt geacht voor de verschillende behoeften die verband houden met een gestandaardiseerd gebruik van een gebouw, waaronder verwarming, warmwatervoorziening, koeling, ventilatie en verlichting. De hoeveelheid wordt uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren die zijn berekend met inachtneming van de volgende factoren: isolatie, technische en installatiekenmerken, ontwerp en ligging in samenhang met de klimatologische aspecten, blootstelling aan de zon en invloed van aangrenzende structuren, eigen energieopwekking, alsmede andere factoren, waaronder het binnenklimaat, die van invloed zijn op de vraag naar energie;

3. energieprestatiecertificaat van een gebouw: een door een lidstaat, of door een door deze lidstaat aangewezen rechtspersoon erkend certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de energieprestatie van een gebouw volgens een methode die is gebaseerd op het algemeen kader in de bijlage;

4. WKK (warmtekrachtkoppeling): de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie, waarbij wordt voldaan aan bepaalde kwaliteitscriteria inzake energie-efficiëntie;

5. airconditioningsysteem: een combinatie van alle bestanddelen die nodig zijn voor een vorm van luchtbehandeling waarbij de temperatuur wordt geregeld of kan worden verlaagd, eventueel samen met een regeling van de ventilatie, luchtvochtigheid en luchtzuiverheid;

6. c.v.-ketel: het geheel van ketellichaam en brander dat de verbrandingswarmte op water overbrengt;

7. nominaal vermogen (uitgedrukt in kW): het maximale verwarmingsvermogen dat door de fabrikant voor continu gebruik is aangegeven en gegarandeerd, waarbij het door hem aangegeven nuttig rendement wordt gehaald;

8. warmtepomp: een toestel/installatie dat/die bij lage temperatuur warmte aan de lucht, het water of de bodem onttrekt en deze warmte aan het gebouw afgeeft.

Artikel 3

Vaststelling van een berekeningsmethodiek

De lidstaten passen op nationaal of regionaal niveau voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen een methodiek toe op basis van het algemene kader in de bijlage. De delen 1 en 2 van dit kader worden volgens de procedure van artikel 14, lid 2, en met inachtneming van de in de lidstaten vigerende normen aan de stand van de techniek aangepast.

Deze methode wordt vastgesteld op nationaal of op regionaal niveau.

De energieprestatie van een gebouw wordt op transparante wijze uitgedrukt en kan een indicator voor de CO2-uitstoot omvatten.

Artikel 4

Vaststelling van de eisen voor de energieprestatie

1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen opdat minimumeisen voor de energieprestatie van gebouwen worden vastgesteld volgens de in artikel 3 bedoelde methodiek. Bij het vaststellen van de eisen kunnen de lidstaten onderscheid maken tussen nieuwe en bestaande gebouwen alsmede verschillende categorieën gebouwen. In de eisen wordt rekening gehouden met de algemene binnenklimaatsituatie - om eventuele negatieve neveneffecten zoals onvoldoende ventilatie te voorkomen -, met de plaatselijke omstandigheden, met de gebruiksbestemming en met de ouderdom van het gebouw. De eisen dienen regelmatig en ten minste om de vijf jaar te worden getoetst, en zo nodig aan de technische vooruitgang in de bouwsector te worden aangepast.

2. De eisen voor de energieprestatie worden toegepast overeenkomstig de artikelen 5 en 6.

3. De lidstaten kunnen beslissen om ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen als bedoeld in lid 1 vast te stellen of toe te passen:

- gebouwen en monumenten die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, indien de toepassing van de eisen hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;

- gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten;

- tijdelijke gebouwen die in principe niet langer dan twee jaar gebruikt worden, industriepanden, werkplaatsen en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven met een lage energiebehoefte en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven die in gebruik zijn bij een sector die onder een nationale sectorovereenkomst inzake energieprestatie valt;

- woongebouwen die in principe minder dan vier maanden per jaar gebruikt worden;

- alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2.

Artikel 5

Nieuwe gebouwen

De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen aan de in artikel 4 bedoelde minimumeisen voor de energieprestatie voldoen.

Waar het gaat om nieuwe gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1000 m2 zorgen de lidstaten ervoor dat de technische, milieutechnische en economische haalbaarheid van alternatieve systemen zoals

- gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening gebaseerd op hernieuwbare energiebronnen,

- WKK,

- stads/blokverwarming of -koeling, indien beschikbaar,

- warmtepompen, onder bepaalde voorwaarden,

in aanmerking worden genomen, alvorens met de bouw wordt begonnen.

Artikel 6

Bestaande gebouwen

De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer bestaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1000 m2 een ingrijpende renovatie ondergaan, de energieprestatie ervan tot het niveau van de minimumeisen wordt opgevoerd, voorzover dit technisch, functioneel en economisch haalbaar is. Zij leiden deze minimumeisen voor de energieprestatie af uit de overeenkomstig artikel 4 vastgestelde energieprestatie-eisen. De eisen kunnen worden vastgesteld hetzij voor het gerenoveerde gebouw in zijn geheel, hetzij voor de gerenoveerde systemen of bestanddelen, wanneer deze deel uitmaken van een renovatie die binnen een bepaald tijdsbestek moet worden uitgevoerd, met het eerder genoemde doel de totale energieprestatie van het gebouw te verbeteren.

Artikel 7

Energieprestatiecertificaat

1. De lidstaten zorgen ervoor dat bij de bouw, verkoop of verhuur van een gebouw aan de eigenaar, of door de eigenaar aan de toekomstige koper of huurder, naar gelang van het geval, een energieprestatiecertificaat wordt verstrekt. Het certificaat is niet langer dan tien jaar geldig.

De certificering van appartementen of van voor apart gebruik ontwikkelde eenheden die deel uitmaken van een blok is mogelijk op basis van:

- een gemeenschappelijke certificering voor het gehele gebouw, wanneer het gaat om een blok met een gemeenschappelijk verwarmingssysteem; of

- keuring van een ander representatief appartement in hetzelfde blok.

De lidstaten kunnen de in artikel 4, lid 3, bedoelde categorieën van de toepassing van dit lid uitsluiten.

2. Het energieprestatiecertificaat voor gebouwen bevat referentiewaarden, zoals geldende wettelijke normen en benchmarks, waarmee de consumenten de energieprestatie van gebouwen kunnen vergelijken en beoordelen. Het certificaat gaat vergezeld van aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie.

De certificaten zijn louter informatief. De eventuele werking ervan voor gerechtelijke of andere procedures wordt bepaald door de nationale voorschriften.

3. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat in gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1000 m2 waarin overheidsdiensten en instellingen die aan een groot aantal personen overheidsdiensten verstrekken gevestigd zijn, en die derhalve vaak door die personen bezocht worden, een energiecertificaat dat niet ouder is dan tien jaar wordt aangebracht op een opvallende plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.

Voor die gebouwen kunnen het bereik van de aanbevolen en actuele binnentemperaturen en, indien van toepassing, andere relevante klimaatfactoren eveneens duidelijk worden aangegeven.

Artikel 8

Keuring van c.v.-ketels

Met het oog op de vermindering van het energieverbruik en de beperking van kooldioxide-emissies:

a) nemen de lidstaten de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van c.v.-ketels die werken op niet-hernieuwbare, vloeibare of vaste brandstof en een nominaal vermogen hebben van 20 tot 100 kW. De keuring kan ook worden ingesteld voor ketels die op andere brandstoffen werken;

dienen c.v.-ketels met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW ten minste om de twee jaar gekeurd te worden; voor gasketels kan deze periode verlengd worden tot vier jaar;

stellen de lidstaten voor verwarmingsinstallaties met ketels met een nominaal vermogen van meer dan 20 kW die ouder zijn dan 15 jaar, de noodzakelijke maatregelen vast voor een eenmalige keuring van de gehele verwarmingsinstallatie. Aan de hand van deze keuring, die een beoordeling dient te omvatten van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw, adviseren de deskundigen de gebruikers over vervanging van de ketels, andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen; of

b) nemen de lidstaten de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de gebruikers geadviseerd worden over vervanging van de c.v.-ketels, andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen, die keuringen kunnen inhouden om de doeltreffendheid en de juiste grootte van de ketel te beoordelen. Deze aanpak dient bij benadering hetzelfde resultaat op te leveren als het bepaalde onder a). De lidstaten die voor deze optie kiezen, brengen bij de Commissie om de twee jaar verslag uit over de gelijkwaardigheid van hun benadering.

Artikel 9

Keuring van airconditioningsystemen

Met het oog op de vermindering van het energieverbruik en de beperking van kooldioxide-emissies nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW.

De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingsbehoefte van het gebouw. De gebruikers wordt nuttig advies verstrekt over mogelijke verbetering of vervanging van het airconditioningsysteem en over alternatieve oplossingen.

Artikel 10

Onafhankelijke deskundigen

De lidstaten zorgen ervoor dat de certificering van gebouwen en de daarbij behorende aanbevelingen, alsmede de keuring van c.v.-ketels en airconditioningsystemen, op onafhankelijke wijze worden uitgevoerd door gekwalificeerde en/of erkende deskundigen die hetzij zelfstandig hetzij in dienst van een openbaar of particulier orgaan optreden.

Artikel 11

Evaluatie

De Commissie, bijgestaan door het bij artikel 14 ingestelde comité, voert een evaluatie van deze richtlijn uit in het licht van de ervaring die is opgedaan met de toepassing ervan en doet zo nodig voorstellen voor onder andere:

a) eventuele aanvullende maatregelen met betrekking tot renovatie van gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 1000 m2;

b) algemene stimulansen voor het nemen van extra maatregelen voor energie-efficiëntie van gebouwen.

Artikel 12

Informatie

De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om de gebruikers van gebouwen te informeren over de verschillende methoden en praktijken om de energieprestatie te verbeteren. Op verzoek assisteert de Commissie de lidstaten bij deze voorlichtingcampagnes, die kunnen worden opgezet in de vorm van communautaire programma's.

Artikel 13

Aanpassing van het kader

De delen 1 en 2 van de bijlage worden regelmatig, doch niet vaker dan elke twee jaar, herzien.

De wijzigingen die nodig zijn om de delen 1 en 2 van de bijlage aan de technische vooruitgang aan te passen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 14

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 15

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 4 januari 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. Bij gebrek aan gekwalificeerde en/of erkende deskundigen beschikken de lidstaten over een extra termijn van drie jaar voor de integrale toepassing van de artikelen 7, 8 en 9 van deze richtlijn. Wanneer de lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaken, stellen zij de Commissie daarvan in kennis, onder opgave van hun redenen en van een tijdschema voor de verdere toepassing van de richtlijn.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 17

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 16 december 2002.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. Cox

Voor de Raad

De voorzitster

M. Fischer Boel

(1) PB C 213 E van 31.7.2001, blz. 266, en PB C 203 E van 27.8.2002, blz. 69.

(2) PB C 36 van 8.2.2002, blz. 20.

(3) PB C 107 van 3.5.2002, blz. 76.

(4) Advies van het Europees Parlement van 6 februari 2002 (nog niet verschenen in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 7 juni 2002 (PB C 197 E van 20.8.2002, blz. 6.) en besluit van het Europees Parlement van 10 oktober 2002 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(5) PB L 237 van 22.9.1993, blz. 28.

(6) PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 93/68/EEG (PB L 220 van 30.8.1993, blz. 1).

(7) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

BIJLAGE

Algemene kaderrichtsnoeren voor het berekenen van energieprestaties van gebouwen (artikel 3)

1. Bij de toepassing van de methode voor het berekenen van de energieprestaties van gebouwen worden ten minste de volgende aspecten in aanmerking genomen:

a) thermische kenmerken van het gebouw (buitenschil, binnenruimten enz.). Die kenmerken kunnen ook de luchtdichtheid omvatten;

b) verwarmingsinstallatie en warmwatervoorziening, met inbegrip van de isolatiekenmerken;

c) airconditioningsysteem;

d) ventilatie;

e) ingebouwde lichtinstallatie (vooral buiten de woonsector);

f) positie en oriëntatie van de gebouwen, met inbegrip van het buitenklimaat;

g) passieve zonnesystemen, zonwering;

h) natuurlijke ventilatie;

i) de kwaliteit van het binnenklimaat, inclusief het kunstmatig binnenklimaat.

2. Bij deze berekening wordt, indien van toepassing, rekening gehouden met de positieve invloed van de volgende aspecten:

a) actieve zonnesystemen en andere verwarmings- en elektriciteitssystemen op basis van hernieuwbare energiebronnen;

b) elektriciteit geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling;

c) verwarmings- en koelsystemen per blok of wijk;

d) natuurlijk licht.

3. Ten behoeve van deze berekening worden gebouwen op een geschikte wijze onderverdeeld in categorieën als:

a) eengezinswoningen van verschillende typen;

b) appartementencomplexen;

c) kantoren;

d) onderwijsgebouwen;

e) ziekenhuizen;

f) hotels en restaurants;

g) sportvoorzieningen;

h) groot- en kleinhandelsgebouwen;

i) andere typen energieverbruikende gebouwen.