32000D0750

2000/750/EG: Besluit van de Raad van 27 november 2000 tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bestrijding van discriminatie (2001-2006)

Publicatieblad Nr. L 303 van 02/12/2000 blz. 0023 - 0028


Besluit van de Raad

van 27 november 2000

tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bestrijding van discriminatie (2001-2006)

(2000/750/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 13,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement(1),

Na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben. Overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie, eerbiedigt de Unie de grondrechten zoals die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht.

(2) Het Europees Parlement heeft er herhaaldelijk krachtig bij de Europese Unie op aangedrongen haar beleid op het gebied van gelijke behandeling en gelijke kansen gestalte te geven en te versterken tegenover alle vormen van discriminatie.

(3) De Europese Unie verwerpt alle theorieën die het bestaan van verschillende menselijke rassen trachten aan te tonen. Het gebruik van het woord "ras" in dit besluit betekent geenszins dat dergelijke theorieën onderschreven worden.

(4) Bij de uitvoering van het programma tracht de Gemeenschap, overeenkomstig het EG-Verdrag, de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, met name omdat vrouwen vaak het slachtoffer zijn van verschillende vormen van discriminatie.

(5) De verschillende vormen van discriminatie kennen geen onderlinge rangorde en zijn allemaal in dezelfde mate ontoelaatbaar; het programma beoogt zowel de uitwisseling van goede praktijken die reeds in de lidstaten bestaan, als de bevordering en uitwerking van nieuwe praktijken en beleidslijnen ter bestrijding van discriminatie, met inbegrip van meervoudige discriminatie. Dit besluit kan ertoe bijdragen vorm te geven aan een allesomvattende strategie ter bestrijding van discriminatie op verschillende gronden, die gelijktijdig zou moeten worden ontwikkeld.

(6) De ervaring met acties op Gemeenschapsniveau, inzonderheid op het gebied van gender, leert dat de bestrijding van discriminatie in de praktijk vraagt om een combinatie van maatregelen, met name om wetgeving en praktische acties die elkaar wederzijds versterken. Vergelijkbare lessen kunnen worden getrokken uit de ervaringen met discriminatie op grond van ras, etnische afstamming en handicaps.

(7) Het programma moet aandacht besteden aan alle discriminatiegronden met uitzondering van het geslacht, waaraan specifieke communautaire maatregelen zijn gewijd. Discriminatie op verschillende gronden kan vergelijkbare kenmerken vertonen en op vergelijkbare wijze worden bestreden. De jarenlang opgebouwde ervaring met het bestrijden van discriminatie op bepaalde gronden, met inbegrip van het geslacht, kan worden gebruikt ten aanzien van discriminatie op andere gronden. Wel moet bijzondere aandacht worden besteed aan de specifieke kenmerken van de verschillende vormen van discriminatie. Derhalve moet rekening worden gehouden met de bijzondere behoeften van mensen met een handicap ten aanzien van de toegankelijkheid van activiteiten en resultaten.

(8) Het programma moet toegankelijk zijn voor alle overheids- en privé-instanties en -instellingen die betrokken zijn bij discriminatiebestrijding. In dat opzicht moet rekening gehouden worden met de ervaring en de deskundigheid van de niet-gouvernementele organisaties op lokaal en nationaal niveau.

(9) Vele niet-gouvernementele organisaties op Europees niveau hebben ervaring en expertise verworven in de bestrijding van discriminatie, en behartigen bovendien op Europees niveau de belangen van mensen die aan discriminatie blootstaan. Derhalve kunnen zij een belangrijke bijdrage leveren aan de kennis omtrent de verschillende vormen en gevolgen van discriminatie, en kunnen zij helpen waarborgen dat bij het ontwerp, de uitvoering en de follow-up van het programma rekening wordt gehouden met mensen die aan discriminatie blootstaan; de Gemeenschap heeft in het verleden in een basisfinanciering voorzien voor diverse organisaties die actief zijn op het gebied van discriminatie; de toekenning van een basisfinanciering aan doeltreffende niet-gouvernementele organisaties kan dan ook een belangrijke troef zijn bij de bestrijding van discriminatie.

(10) De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(4).

(11) Om de toegevoegde waarde van communautaire acties te vergroten, moet de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, op alle niveaus toezien op de coherentie en complementariteit van de acties in het kader van dit besluit en andere relevante communautaire beleidslijnen, instrumenten en acties, in het bijzonder die uit hoofde van het Europees Sociaal Fonds op het gebied van onderwijs en opleiding en de gelijkheid van kansen tussen vrouwen en mannen, alsmede die ter bevordering van maatschappelijke integratie. Tevens moet worden toegezien op de coherentie en complementariteit met de relevante activiteiten van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat.

(12) De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-Overeenkomst) voorziet in ruimere samenwerking op sociaal gebied tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds, en de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie die deelnemen aan de Europese Economische Ruimte (EVA/EER) anderzijds. Dit programma moet worden opengesteld voor deelneming van de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de Europa-overeenkomsten, in de aanvullende protocollen daarbij en in de besluiten van de respectieve associatieraden, en voor deelneming van Cyprus, Malta, en Turkije, op basis van aanvullende kredieten volgens met die landen overeen te komen procedures.

(13) In dit besluit is voor de volledige looptijd van het programma een financiële referentie opgenomen in de zin van punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(5), dat de in het Verdrag vastgelegde bevoegdheden van de begrotingsautoriteit onverlet laat.

(14) De Commissie en de lidstaten moeten trachten te bewerkstelligen dat alle teksten, richtsnoeren en oproepen tot indiening van voorstellen die in het kader van dit programma worden gepubliceerd, in duidelijke, eenvoudige en toegankelijke taal zijn gesteld.

(15) Er moet rekening worden gehouden met de noodzaak om in voorkomend geval bijzondere bijstand te verlenen, teneinde het eenieder mogelijk te maken de obstakels voor deelname aan het programma te overwinnen.

(16) Voor het welslagen van iedere communautaire actie is het noodzakelijk de resultaten in het licht van de doelstellingen te controleren en te evalueren.

(17) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag kunnen de doelstellingen van het overwogen optreden betreffende de bijdrage van de Gemeenschap aan de bestrijding van discriminatie niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt vanwege, onder andere, de behoefte aan multilaterale partnerschappen, transnationale uitwisseling van informatie en de verspreiding van goede praktijken op het niveau van de Gemeenschap. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel van voornoemd artikel gaat dit besluit niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

BESLUIT:

Artikel 1

Vaststelling van het programma

Hierbij wordt, voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2006, een communautair actieprogramma vastgesteld voor het bevorderen van maatregelen ter bestrijding van directe of indirecte discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (hierna "programma" te noemen).

Artikel 2

Doelstellingen

Het programma ondersteunt, binnen de communautaire bevoegdheden, de inspanningen op het niveau van de Gemeenschap en in de lidstaten ter bevordering van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van zowel enkelvoudige als meervoudige discriminatie en vult deze aan, door, waar nodig, rekening te houden met de ontwikkelingen op wetgevingsgebied. Het heeft de volgende doelstellingen:

a) verbetering van het inzicht in discriminatievraagstukken door een betere kennis en door de evaluatie van de doeltreffendheid van beleid en praktijk;

b) ontwikkeling van het vermogen om discriminatie doeltreffend te voorkomen en aan te pakken, met name door versterking van de actiemiddelen van de organisaties en door steun aan de uitwisseling van informatie en goede praktijken en netwerken op Europees niveau, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzonderheden van de diverse vormen van discriminatie;

c) bekendmaking en verspreiding van de waarden en praktijken die aan de basis liggen van de bestrijding van discriminatie, met inbegrip van bewustmakingsactiviteiten.

Artikel 3

Communautaire acties

1. Teneinde de in artikel 2 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, kunnen de volgende acties in een transnationaal kader worden uitgevoerd:

a) analyse van factoren in verband met discriminatie, onder andere door studies en de ontwikkeling van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren en benchmarks met inachtneming van het nationaal recht en de nationale praktijken; daarnaast de evaluatie van wetgeving en praktijken op het gebied van anti-discriminatie, teneinde de doeltreffendheid en het effect ervan te beoordelen en de resultaten doeltreffend te verspreiden;

b) transnationale samenwerking en de bevordering van netwerken op Europees niveau tussen partners die betrokken zijn bij het voorkomen en bestrijden van discriminatie, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties;

c) bewustmaking, met name om de aandacht te vestigen op de Europese dimensie van de bestrijding van discriminatie en om de resultaten van het programma bekendheid te geven, in het bijzonder door mededelingen, publicaties, campagnes en evenementen.

2. De regelingen voor de uitvoering van de in lid 1 beschreven communautaire acties staan in de bijlage.

Artikel 4

Programma-uitvoering en samenwerking met de lidstaten

1. De Commissie:

a) ziet toe op de uitvoering van de communautaire acties in het kader van dit programma overeenkomstig de bepalingen van de bijlage;

b) zorgt voor een regelmatige gedachtewisseling met vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties en de sociale partners op Europees niveau over het ontwerp, de uitvoering en de follow-up van het programma en verwante beleidslijnen. Daartoe stelt de Commissie de nodige informatie ter beschikking van de niet-gouvernementele organisaties en de sociale partners. De Commissie brengt het comité van artikel 6 van hun standpunten op de hoogte.

2. De Commissie neemt, in samenwerking met de lidstaten, de nodige stappen om:

a) de medewerking van alle betrokken partijen aan het programma te bevorderen, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties ongeacht de grootte;

b) een actief partnerschap en een actieve dialoog tussen alle partners van het programma te bevorderen, onder andere om een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van de discriminatiebestrijding te stimuleren;

c) te zorgen voor de verspreiding van de resultaten van de acties in het kader van dit programma;

d) toegankelijke informatie te verstrekken en te zorgen voor een passende publiciteit en follow-up in verband met de door dit programma gesteunde activiteiten.

Artikel 5

Uitvoeringsmaatregelen

1. De voor de uitvoering van dit instrument vereiste maatregelen met betrekking tot de hieronder genoemde onderwerpen worden vastgesteld volgens de beheersprocedure van artikel 6 bis, lid 2:

a) de algemene richtsnoeren voor de uitvoering van het programma;

b) het jaarlijkse werkprogramma voor de uitvoering van de acties van het programma, met de mogelijkheid om de programmathema's aan te passen of aan te vullen;

c) de door de Gemeenschap te leveren financiële steun;

d) de jaarlijkse begroting en de uitsplitsing van de middelen over de verschillende acties van het programma;

e) de wijze waarop de door de Gemeenschap gesteunde acties en organisaties worden geselecteerd alsmede de door de Commissie voorgestelde ontwerplijst met de acties en de organisaties die deze steun ontvangen;

f) de criteria voor het uitoefenen van toezicht op en het evalueren van het programma, en in het bijzonder de kosteneffectiviteit, alsook de wijze waarop de resultaten worden verspreid en doorgegeven.

2. De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen met betrekking tot alle overige onderwerpen worden vastgesteld volgens de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 6, lid 3.

Artikel 6

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG genoemde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

4. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 7

Samenwerking met andere comités

Ter waarborging van de samenhang en complementariteit van dit programma met andere maatregelen als bedoeld in artikel 8, houdt de Commissie het comité regelmatig op de hoogte van andere communautaire acties die bijdragen aan de bestrijding van discriminatie. Zo nodig zal de Commissie een regelmatige en gestructureerde samenwerking tot stand brengen tussen dit comité en de voor andere relevante beleidslijnen, instrumenten en acties ingestelde toezichthoudende comités.

Artikel 8

Samenhang en complementariteit

1. De Commissie draagt, in samenwerking met de lidstaten, zorg voor de algehele samenhang tussen het onderhavige programma en de andere beleidslijnen, instrumenten en acties van de Unie en de Gemeenschap, meer bepaald door de vaststelling van passende mechanismen voor de coördinatie van de activiteiten van dit programma met relevante activiteiten op het gebied van onderzoek, werkgelegenheid, gelijkheid van vrouwen en mannen, sociale integratie, cultuur, onderwijs, opleiding en jeugdzaken en op het gebied van de externe betrekkingen van de Gemeenschap.

2. De Commissie en de lidstaten dragen zorg voor de samenhang en complementariteit tussen de acties in het kader van dit programma en andere relevante acties van Unie en Gemeenschap, met name uit hoofde van de Structuurfondsen en het communautair initiatief EQUAL.

3. De lidstaten stellen alles in het werk om te zorgen voor samenhang en complementariteit tussen de activiteiten in het kader van dit programma en die op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau.

Artikel 9

Deelname van de EVA/EER-landen, de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa, Cyprus, Malta en Turkije

Het programma staat open voor deelname van:

a) de EVA/EER-landen, overeenkomstig de voorwaarden van de EER-Overeenkomst;

b) de kandidaat-lidstaten van Midden- en Oost-Europa (LMOE), overeenkomstig de voorwaarden van de Europa-overeenkomsten, de aanvullende protocollen en de besluiten van de respectieve associatieraden;

c) Cyprus, Malta en Turkije, op basis van aanvullende kredieten volgens met die landen vast te stellen procedures;

Artikel 10

Financiering

1. Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van het programma voor de periode 2001-2006 bedraagt 98,4 miljoen EUR.

2. De begrotingsautoriteit kent de jaarlijkse kredieten toe binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

Artikel 11

Toezicht en evaluatie

1. De Commissie houdt, in samenwerking met de lidstaten, volgens de procedures van artikel 6, leden 2 of 3, voortdurend toezicht op het verloop van het programma.

2. De Commissie evalueert het programma met medewerking van onafhankelijke deskundigen. Bij deze evaluatie worden de relevantie, de doeltreffendheid en de kosteneffectiviteit beoordeeld van de acties die worden uitgevoerd in verband met de in artikel 2 genoemde doelstellingen. Ook wordt het effect van het programma als geheel beoordeeld.

Deze evaluatie betreft tevens de complementariteit tussen de in het kader van dit programma uitgevoerde acties en de acties die betrekking hebben op andere relevante communautaire beleidslijnen, instrumenten en acties.

3. De Commissie legt uiterlijk 31 december 2005 een evaluatieverslag over de uitvoering van het programma voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Brussel, 27 november 2000.

Voor de Raad

De voorzitter

É. Guigou

(1) Advies uitgebracht op 5 oktober 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(2) PB C 204 van 18.7.2000, blz. 82.

(3) PB C 226 van 8.8.2000, blz. 1.

(4) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(5) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.

BIJLAGE

AANWIJZINGEN VOOR DE UITVOERING VAN HET PROGRAMMA

I. Actiegebieden

Binnen de bij het verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden mag het programma de volgende gebieden bestrijken:

a) non-discriminatie binnen en door overheidsdiensten;

b) non-discriminatie binnen en door de media;

c) gelijke deelname aan de politieke, economische en sociale besluitvorming;

d) gelijke toegang tot goederen en diensten en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, met name inzake huisvesting, vervoer, cultuur, vrijetijdsbesteding en sport;

e) doeltreffende controle op discriminatie, met inbegrip van meervoudige discriminatie;

f) doeltreffende verspreiding van informatie over het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie;

g) integratie van anti-discriminerende beleidslijnen en praktijken in alle sectoren.

Bij alle activiteiten in het kader van het programma moet het beginsel van non-discriminatie op basis van geslacht in acht genomen worden.

Bij de uitvoering van het programma kan de Commissie, zowel ten behoeve van haarzelf als voor de begunstigden, gebruik maken van technische en/of administratieve ondersteuning met betrekking tot maatregelen voor ontwikkeling, voorbereiding, beheer, follow-up, audit en controle van het programma of de projecten.

De Commissie kan eveneens studies uitvoeren, bijeenkomsten van deskundigen organiseren en informatie- en voorlichtingsactiviteiten ondernemen die rechtstreeks verband houden met de doelstelling van dit programma.

II. Toegang tot het programma

Dit programma is, onder de in deze bijlage uiteengezette voorwaarden en met inachtneming van de daarin bepaalde uitvoeringsregelingen, toegankelijk voor overheids- en privé-instanties en -instellingen die betrokken zijn bij discriminatiebestrijding, in het bijzonder:

a) de lidstaten;

b) plaatselijke en regionale autoriteiten;

c) instanties voor de bevordering van een gelijke behandeling;

d) de sociale partners;

e) niet-gouvernementele organisaties;

f) universiteiten en andere onderzoeksinstellingen;

g) nationale bureaus voor de statistiek;

h) de media.

III. Acties

Deel 1 - Analyse en evaluatie

De volgende maatregelen kunnen worden gesteund:

1. de ontwikkeling en verspreiding van vergelijkbare statistieken over de omvang van discriminatie in de Gemeenschap met inachtneming van het nationaal recht en de nationale praktijken;

2. de ontwikkeling en verspreiding van methoden en indicatoren voor de evaluatie van de doeltreffendheid van anti-discriminatoire beleidslijnen en praktijken (benchmarking) met inachtneming van het nationaal recht en de nationale praktijken;

3. de analyse, door middel van jaarlijkse verslagen, van de antidiscriminatiewetgeving en -praktijken, met het oog op de evaluatie van de doeltreffendheid ervan en de verspreiding van de daaruit getrokken lessen;

4. thematische studies in het kader van de prioritaire thema's waarbij benaderingswijzen voor verschillende discriminatiegronden met elkaar vergeleken en aan elkaar getoetst worden.

Bij de uitvoering van dit deel moet de Commissie vooral toezien op de samenhang en complementariteit met de activiteiten van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat, de activiteiten uit hoofde van het communautaire kaderprogramma op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, alsmede de activiteiten uit hoofde van het communautair statistisch programma.

Deel 2 - Capaciteitsopbouw

Ter verbetering van de capaciteit en de doeltreffendheid van de actoren uit de doelgroep die betrokken zijn bij de bestrijding van discriminatie, kunnen de volgende activiteiten op de door dit programma bestreken gebieden gesteund worden:

1. transnationale uitwisselingen tussen uiteenlopende actoren uit ten minste drie verschillende lidstaten, bestaande uit de overdracht van informatie, verworven kennis en goede praktijken. Mogelijke activiteiten zijn de vergelijking van de doeltreffendheid van procedures, methoden en hulpmiddelen in verband met de gekozen thema's; de wederzijdse overdracht en toepassing van goede praktijken; uitwisselingen van personeel; gezamenlijke ontwikkeling van producten, procedures, strategieën en methoden; de aanpassing van de als goede praktijken aangeduide methoden, instrumenten en procedures aan andere contexten; en/of de gemeenschappelijke verspreiding van resultaten, materiaal ter bevordering van de zichtbaarheid, en evenementen. Bij de selectie van de financieringsaanvragen zal het programma rekening houden met de diversiteit van de discriminatie;

2. financiering van de werkingskosten van relevante niet-gouvernementele organisaties op Europees niveau die ervaring hebben op het gebied van de bestrijding van discriminatie en die de belangen behartigen van mensen die aan discriminatie blootstaan, ter bevordering van de ontwikkeling van een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak voor de bestrijding van discriminatie.

Voor de basisfinanciering geldt een maximum van 90 % van de uitgaven waarvoor ondersteuning kan worden verleend.

Bij de wijze van selectie van deze organisaties kan rekening worden gehouden met de diversiteit en de heterogeniteit van de groepen die met discriminatie geconfronteerd worden.

Deel 3 - Bewustmaking

De volgende maatregelen kunnen worden gesteund:

1. de organisatie van conferenties, seminars en evenementen op Europees niveau;

2. de organisatie van seminars door de lidstaten ter ondersteuning van de uitvoering van het Gemeenschapsrecht op het gebied van non-discriminatie; bevordering van de Europese dimensie van op nationaal niveau georganiseerde evenementen;

3. de organisatie van Europese mediacampagnes en evenementen ter ondersteuning van de transnationale uitwisseling van informatie en de identificatie en verspreiding van goede praktijken, met inbegrip van de toekenning van prijzen aan succesvolle acties in het kader van deel 2, ter verbetering van de zichtbaarheid van de discriminatiebestrijding;

4. de publicatie van materiaal ter verspreiding van de resultaten van het programma, met inbegrip van de totstandbrenging van een Internetsite met voorbeelden van goede praktijken, een forum voor de uitwisseling van ideeën en een gegevensbank met potentiële partners voor transnationale uitwisselingsacties.

IV. Methode voor het indienen van aanvragen om steun

Deel 1: Dit deel zal hoofdzakelijk worden uitgevoerd door middel van aanbestedingen. Bij samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek zijn de procedures van Eurostat van toepassing.

Deel 2: Delen 2, punt 1 en 2, punt 2 zullen worden uitgevoerd door middel van oproepen tot het indienen van voorstellen bij de Commissie.

Deel 3: Dit deel zal over het algemeen worden uitgevoerd door middel van aanbestedingen. Acties uit hoofde van de delen 3, punt 2 en 3, punt 3 kunnen worden gesubsidieerd indien hierom wordt verzocht, bijvoorbeeld door lidstaten.