Help Print this page 
Title and reference
Recht van vrij verkeer en verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden

Summaries of EU legislation: direct access to the main summaries page.
Multilingual display
Text

Recht van vrij verkeer en verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden

In een nieuwe Richtlijn van de Europese Unie (EU) over het recht van EU-burgers op vrij verkeer en verblijf binnen de EU-lidstaten zijn de maatregelen bijeengebracht die waren verspreid over het complexe geheel van wetsteksten waardoor deze materie voorheen werd geregeld. Met de nieuwe maatregelen wordt onder meer beoogd: de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf van burgers binnen de EU-lidstaten te bevorderen, de administratieve formaliteiten tot het strikt noodzakelijke minimum te beperken, het statuut van familieleden beter te omschrijven, de mogelijkheid af te bakenen om het verblijf te weigeren of te beëindigen en het instellen van een nieuw permanent verblijfsrecht.

BESLUIT

Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.

SAMENVATTING

De richtlijn verzamelt in één enkele tekst de bestaande complexe wetgeving op het gebied van het recht van inreis en verblijf van EU-burgers, dat in twee verordeningen en negen richtlijnen was geregeld. Deze vereenvoudiging moet burgers helpen bij de toepassing van deze rechten. Voorts vereenvoudigt de richtlijn zoveel mogelijk de formaliteiten voor de uitoefening van het recht op verblijf van de EU-burgers en hun familieleden.

Algemene bepalingen

Deze richtlijn heeft ten doel:

  • de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf binnen de EU-lidstaten door EU-burgers en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit;
  • het duurzame verblijfsrecht;
  • de beperkingen van deze rechten om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid vast te stellen.

Recht van inreis en van verblijf voor maximaal 3 maanden

Iedere EU-burger die in het bezit is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort heeft het recht het grondgebied van een lidstaat te verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven. Deze persoon kan in geen geval de verplichting worden opgelegd een uit- of inreisvisum te overleggen. Wanneer de betrokken burger niet over reisdocumenten beschikt, biedt het gastland de betrokkene elke redelijke gelegenheid om hem in staat te stellen de nodige documenten te verkrijgen of zich te laten toezenden.

Familieleden die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat bezitten, genieten hetzelfde recht als de burger die zij vergezellen of waarbij zij zich voegen. Zij kunnen er overeenkomstig Verordening (EG) nr. 539/2001 toe worden verplicht in het bezit te zijn van een visum voor kort verblijf. Verblijfskaarten die krachtens deze richtlijn zijn afgegeven, worden als gelijkwaardig met visa voor kort verblijf beschouwd.

Voor een verblijf van minder dan 3 maanden hoeven EU-burgers en de familieleden die hen vergezellen of zich bij hen voegen alleen in het bezit te zijn van een geldig identiteitsbewijs. Het gastland kan de betrokkene vragen zijn aanwezigheid op het grondgebied binnen een aanvaardbare, niet-discriminerende termijn mede te delen.

Verblijfsrecht voor een termijn van langer dan 3 maanden

Het recht van verblijf voor een termijn van langer dan 3 maanden blijft aan bepaalde voorwaarden onderworpen:

  • ofwel de verplichting als werknemer of als zelfstandige een economische activiteit uit te oefenen in het gastland;
  • ofwel de verplichting over voldoende bestaansmiddelen voor zichzelf en zijn familieleden te beschikken om te voorkomen dat de burger tijdens zijn verblijf ten laste komt van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en een ziektekostenverzekering te hebben. De EU-lidstaten mogen niet het bedrag van de bestaansmiddelen vaststellen dat zij als toereikend beschouwen, zij moeten rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene;
  • ofwel de verplichting een studie, inclusief een beroepsopleiding te volgen in de hoedanigheid van student alsook over voldoende bestaansmiddelen te beschikken en een ziektekostenverzekering te hebben om te voorkomen dat de student tijdens zijn verblijf ten laste komt van het socialebijstandsstelsel van het gastland;
  • ofwel de verplichting een familielid te zijn die een EU-burger die onder een van bovengenoemde categorieën valt, vergezelt of zich bij hem voegt.

De verblijfskaart voor EU-burgers wordt afgeschaft. De EU-lidstaten kunnen de burger echter verzoeken zich bij de bevoegde instanties te laten inschrijven binnen een termijn die niet korter mag zijn dan 3 maanden vanaf zijn aankomst. Een verklaring van inschrijving wordt onmiddellijk afgegeven bij overlegging van:

  • een geldig identiteitsbewijs of paspoort;
  • een bewijs dat aan de voornoemde voorwaarden is voldaan (zie artikel 8 van de richtlijn inzake de vereiste bewijzen).

De familieleden van een EU-burger die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat bezitten, moeten een verblijfskaart van een familielid van een EU-burger aanvragen (zie art. 10 voor de voorwaarden van afgifte van verblijfskaarten). Deze kaarten hebben een geldigheidsduur van 5 jaar vanaf de datum van afgifte.

Behoud van het verblijfsrecht

Over het algemeen behouden EU-burgers hun verblijfsrecht in de eerste drie maanden zo lang zij niet onredelijk ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland. Na drie maanden moeten zij blijven voldoen aan de voorwaarden van hun verblijf (artikel 7), maar mogen lidstaten niet systematisch controleren of nog altijd aan deze voorwaarden wordt voldaan. Een beroep op het socialebijstandsstelsel kan aanleiding geven tot verwijderingsmaatregelen, maar dat is geen automatisch gevolg.

Onder bepaalde voorwaarden heeft het overlijden, de echtscheiding, de nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het partnerschap van de EU-burger of zijn vertrek van het grondgebied van het gastland geen invloed op het verblijfsrecht van zijn familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten. Werknemers of zelfstandigen behouden hun status indien zij, bijvoorbeeld, tijdelijk arbeidsongeschikt zijn ten gevolge van ziekte of een ongeval of zich in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid bevinden nadat zij gedurende meer dan 1 jaar gewerkt hebben en geregistreerd staan als werkzoekenden (voor meer voorbeelden zie art. 7(3)).

Duurzaam verblijfsrecht

EU-burgers en hun familieleden die gedurende een ononderbroken 5-jarige periode legaal in het gastland hebben verbleven, hebben aldaar een duurzaam verblijfsrecht, voor zover zij niet onderworpen zijn geweest aan een verwijderingsmaatregel. Dit recht is aan geen enkele voorwaarde onderworpen. Wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal is verkregen, kan het uitsluitend worden verloren door een afwezigheid van meer dan 2 achtereenvolgende jaren uit het gastland.

In specifieke gevallen kunnen personen een duurzaam verblijfsrecht in een EU-lidstaat hebben voordat zij daar 5 jaar gewoond hebben.

Gemeenschappelijke bepalingen inzake het verblijfsrecht en het duurzame verblijfsrecht

EU-burgers die het verblijfsrecht of het duurzame verblijfsrecht genieten en hun familieleden hebben op de gebieden waarop het verdrag van toepassing is recht op dezelfde behandeling als de nationale onderdanen. Het gastland is echter niet verplicht in de eerste 3 maanden van verblijf het recht op een sociale bijstandsuitkering toe te kennen aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen en hun familieleden. De lidstaten zijn evenmin verplicht deze personen vóór de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht in de vorm van beurzen of leningen ten behoeve van studies (waaronder ook beroepsopleidingen) steun voor hun levensonderhoud te verstrekken. De familieleden hebben, ongeacht hun nationaliteit, het recht als werknemer of als zelfstandige een economische werkzaamheid uit te oefenen.

Beperking van het inreis- en verblijfsrecht om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid

Een EU-burger of een lid van zijn familie kan om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid van het grondgebied van het gastland worden verwijderd. De maatregel mag in geen geval gebaseerd zijn op economische redenen. Elke maatregel met betrekking tot de vrijheid van verkeer en verblijf moet het beginsel van evenredigheid respecteren en uitsluitend zijn gebaseerd op het persoonlijke gedrag van de persoon ten aanzien van wie hij wordt genomen. Het gedrag moet een reële, en voldoende ernstige en aanwezige bedreiging voor een fundamenteel belang van de maatschappij vormen.

Het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling vormt niet automatisch een rechtvaardiging voor uitzetting. Het verstrijken van de geldigheidsduur van het document op grond waarvan de inreis in het gastland heeft plaatsgevonden, kan een dergelijke maatregel niet rechtvaardigen.

Alvorens een besluit tot verwijdering wordt genomen, moet het gastland in ieder geval bepaalde factoren in aanmerking nemen, met name de duur van het verblijf van de betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, sociale integratie en gezins- en economische situatie in het gastland alsmede de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong. Het niveau van bescherming tegen verwijdering van de EU-burger neemt toe met de lengte van zijn verblijf. Derhalve, indien de EU-burger gedurende 10 jaar in het gastland is (of indien hij minderjarig is), kan een besluit tot verwijdering slechts om dwingende redenen van openbare veiligheid worden genomen.

Volksgezondheid kan alleen gebruikt worden om beperking van vrij verkeer te rechtvaardigen, indien het gaat om ziekten van epidemische aard (zoals gedefinieerd door de Wereldgezondheidsorganisatie) en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten.

Het besluit tot weigering van toelating tot of verblijf in een EU-lidstaat moet de betrokkene op zodanige wijze schriftelijk ter kennis worden gebracht dat deze in staat is de inhoud en de gevolgen ervan te begrijpen. Het besluit moet worden gemotiveerd en de beroepsmiddelen en de na te leven termijnen moeten erin worden vermeld. Behalve in dringende gevallen mag de termijn waarbinnen het gastland moet worden verlaten niet korter zijn dan 1 maand na de datum van kennisgeving.

Er mag in geen geval een levenslang verbod om op het grondgebied te verblijven worden uitgevaardigd. De betrokkene kan na 3 jaar een aanvraag indienen om zijn situatie opnieuw te onderzoeken. De richtlijn voorziet voorts in een reeks proceduregaranties. De betrokkenen kunnen in het bijzonder gebruik maken van de mogelijkheden in het gastland bij de rechterlijke en in voorkomend geval bestuursrechtelijke instanties beroep in te stellen.

Slotbepalingen

De EU-lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om in geval van rechtsmisbruik of van fraude, zoals schijnhuwelijken, een in deze richtlijn neergelegd recht te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken.

Deze richtlijn geldt ongeacht de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die eventueel gunstiger zijn.

REFERENTIES

Besluit

Datum van inwerkingtreding

Uiterste datum voor omzetting in nationaal recht

Publicatieblad

Richtlijn 2004/38/EG

30.4.2004

30.4.2006

PB L 158 van 30.4.2004

GERELATEERDE BESLUITEN

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden [ COM(2009) 313 final - niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].

Deze mededeling bevat globale richtsnoeren voor de lidstaten met het oog op een betere tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG.

Deze richtsnoeren verduidelijken de rechten van de burgers en van hun familieleden en geven de lidstaten precies aan welke maatregelen zij mogen nemen, met name ter bestrijding van misbruik en van schijnhuwelijken.

Teneinde de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG te waarborgen, verbindt de Commissie zich ertoe de volgende initiatieven te nemen:

  • het opstellen en het regelmatig bijwerken van een gids voor de burgers om hen beter te informeren over hun rechten;
  • het voeren van bilaterale besprekingen met de lidstaten.

Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken (PB L 128, 30.4.2014, p. 8-14).

04.08.2014

Top