Help Print this page 

Summaries of EU Legislation

Title and reference
Gerechtelijke beslissingen tot bevriezing van criminele vermogensbestanddelen of bewijsstukken — erkenning in het buitenland

Summaries of EU legislation: direct access to the main summaries page.
Languages and formats available
Multilingual display
Text

Gerechtelijke beslissingen tot bevriezing van criminele vermogensbestanddelen of bewijsstukken — erkenning in het buitenland

SAMENVATTING VAN:

Kaderbesluit 2003/577/JBZ — de tenuitvoerlegging van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken in het buitenland

SAMENVATTING

WAT DOET DIT KADERBESLUIT?

  • In dit kaderbesluit staan de regels voor de erkenning en tenuitvoerlegging door een EU-land van een beslissing tot bevriezing die is uitgevaardigd door de rechterlijke instantie van een ander EU-land in een strafrechtelijke procedure. Het besluit heeft tevens betrekking op de bevriezing van bewijsstukken.
  • Het is van toepassing naast Kaderbesluit 2006/783/JBZ inzake de wederzijdse erkenning van beslissingen tot confiscatie om criminelen hun vermogensbestanddelen te ontnemen, ook als zij in een ander EU-land worden vastgehouden.
  • Vanaf mei 2017 worden de op de bevriezing van bewijsstukken toepasselijke voorschriften van dit kaderbesluit vervangen door Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken.

KERNPUNTEN

Wat is een beslissing tot bevriezing?

Het is een tijdelijke beslissing van een rechterlijke instantie om te voorkomen dat criminelen voorwerpen, documenten of gegevens verbergen in, verkopen aan of gebruiken bij een criminele activiteit.

Dit besluit is van toepassing op beslissingen tot bevriezing die zijn gegeven met het oog op:

  • de veiligstelling van elementen die zouden kunnen worden gebruikt als bewijs in een strafvervolging, of
  • de daarop volgende beslissingen tot confiscatie om definitief te voorkomen dat overtreders voordeel behalen uit strafbare handelingen en om te voorkomen dat opbrengsten van misdrijven worden witgewassen of opnieuw worden geïnvesteerd, wat mogelijk leidt tot verdere criminaliteit.

Strafbare feiten

Een aantal ernstige strafbare feiten behoeven niet op dubbele strafbaarheid van het feit te worden getoetst — d.w.z. dat het strafbare feit een misdrijf is in zowel het EU-land dat de beslissing uitvaardigt (beslissingsstaat) als het EU-land dat de beslissing ten uitvoer legt (tenuitvoerleggingsstaat). Op het strafbare feit moet echter wel een vrijheidsstraf staan in de beslissingsstaat met een maximum van ten minste drie jaar. De strafbare feiten zijn:

  • deelneming aan een criminele organisatie
  • terrorisme
  • corruptie en fraude
  • mensenhandel
  • racisme
  • verkrachting.

Erkenning en tenuitvoerlegging

De rechterlijke instantie van de beslissingsstaat stuurt een certificaat aan de rechterlijke instantie van de tenuitvoerleggingsstaat met het verzoek om de tenuitvoerlegging van de beslissing. De tenuitvoerleggingsstaat moet:

  • zonder verdere formaliteiten de beslissing erkennen en de nodige maatregelen treffen voor de onmiddellijke tenuitvoerlegging daarvan;
  • de formaliteiten en procedures zoals vastgelegd in de beslissingsstaat in de beslissing tot bevriezing in acht nemen, voor zover deze niet strijdig zijn met de grondbeginselen van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat.

Niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging

De tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing weigeren:

  • indien het certificaat niet wordt overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet met de beslissing tot bevriezing overeenstemt;
  • in geval van een voorrecht of een immuniteit uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, waardoor de beslissing tot bevriezing niet ten uitvoer kan worden gelegd;
  • indien uit de informatie die in het certificaat wordt verstrekt, zonder meer blijkt dat het verlenen van rechtshulp het rechtsbeginsel zou schenden dat nieuwe procedures niet kunnen worden ingesteld indien een eindbeslissing is gegeven voor dezelfde feiten;
  • indien het feit dat aan de beslissing tot bevriezing ten grondslag ligt, naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar is tenzij:
    • het behoort tot de ernstige strafbare feiten waarvoor tenuitvoerlegging automatisch plaatsvindt
    • het betrekking heeft op retributies of belastingen, douane en deviezen.

Uitstel van tenuitvoerlegging

De tenuitvoerlegging kan worden uitgesteld indien:

  • deze een lopend strafrechtelijk onderzoek kan schaden;
  • met betrekking tot de voorwerpen of bewijsstukken in kwestie reeds een beslissing tot bevriezing in een strafrechtelijke procedure is gegeven;
  • met betrekking tot de voorwerpen reeds een beslissing is gegeven in een andere procedure in de tenuitvoerleggingsstaat. Een dergelijke beslissing moet echter wel voorrang hebben boven latere nationale beslissingen tot bevriezing in een strafrechtelijke procedure krachtens het nationale recht.

Betrokkenen

EU-landen moeten regelingen treffen teneinde elke betrokkene die door de beslissing tot bevriezing wordt getroffen, met inbegrip van derden, in staat te stellen om zijn rechtmatige belangen te beschermen, zonder schorsende werking van de beslissing.

VANAF WANNER IS DIT BESLUIT VAN TOEPASSING?

Deze richtlijn trad op 2 augustus 2003 in werking. EU-landen moesten de richtlijn voor 2 augustus 2005 omzetten in hun nationale wetgeving.

ACHTERGROND

Confiscatie en bevriezing van vermogensbestanddelen

BESLUIT

Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PB L 196 van 2.8.2003, blz. 45-55)

Rectificatie van Kaderbesluit 2003/577/JBZ van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PB L 196 van 2.8.2003) (PB L 374 van 27.12.2006, blz. 20)

GERELATEERDE BESLUITEN

Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 59-78)

Verslag van de Commissie op grond van artikel 14 van Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (COM(2008) 885 definitief van 22.12.2008)

Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1-36)

Laatste bijwerking 25.01.2016

Top