Help Print this page 
Title and reference
De rechtstreekse werking van het Europese recht

Summaries of EU legislation: direct access to the main summaries page.
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html CS html DA html DE html EL html EN html FR html IT html HU html NL html PL html PT html RO html FI html SV
Multilingual display
Text

De rechtstreekse werking van het Europese recht

Door de rechtstreekse werking kunnen particulieren zich ten overstaan van nationale of Europese rechterlijke instanties rechtstreeks op een Europese rechtsregel beroepen. Dit beginsel heeft evenwel slechts betrekking op bepaalde Europese rechtshandelingen en geldt slechts onder bepaalde voorwaarden.

De rechtstreekse werking van het Europese recht is, naast het voorrangsbeginsel, een basisbeginsel van het Europese recht dat door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HJEU) werd vastgelegd. Dankzij dit beginsel kunnen particulieren zich ten overstaan van het gerecht rechtstreeks op het Europese recht beroepen, ongeacht het bestaan van regelgeving in het nationale recht.

Het beginsel van de rechtstreekse werking waarborgt aldus de toepasselijkheid en de doelmatigheid van het Europese recht in de EU-landen. Het HJEU stelt evenwel een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan opdat een Europese rechtshandeling rechtstreeks van toepassing is. Indien een rechtshandeling een rechtstreekse werking heeft, geldt deze bovendien slechts voor de betrekkingen tussen een particulier en een EU-land en eventueel ook tussen particulieren onderling.

Definitie

De directe werking van het Europese recht werd door het Hof van Justitie vastgesteld in het arrest Van Gend en Loos van 5 februari 1963. In dat arrest stelt het Hof dat het Europese recht niet alleen verplichtingen voor de EU-landen, maar ook rechten voor particulieren met zich meebrengt. Particulieren kunnen dan ook van deze rechten gebruik maken en zich ten overstaan van nationale en Europese rechters rechtstreeks op Europese rechtsregels beroepen. De EU-landen hoeven in dat geval de betrokken Europese rechtsregel niet in hun nationale rechtsorde te hebben opgenomen.

Horizontale en verticale rechtstreekse werking

Er zijn twee vormen van rechtstreekse werking, namelijk de verticale en de horizontale.

De verticale rechtstreekse werking komt aan bod in de betrekkingen tussen particulieren en het land. Zij houdt in dat particulieren zich ten overstaan van het land op een Europese rechtsregel kunnen beroepen.

De horizontale rechtstreekse werking komt aan bod in de betrekkingen tussen particulieren onderling. Zij houdt in dat particulieren zich ten overstaan van elkaar op een Europese rechtsregel kunnen beroepen.

Naargelang van de betrokken rechtshandeling heeft het Hof van Justitie hetzij een volledige rechtstreekse werking (d.w.z. een horizontale en verticale rechtstreekse werking), hetzij een gedeeltelijke rechtstreekse werking (die is beperkt tot een verticale rechtstreekse werking) aanvaard.

Rechtstreekse werking en primair recht

Voor het primair recht, d.w.z. voor de teksten aan de top van de Europese rechtsorde, heeft het Hof van Justitie in het arrest Van Gend en Loos het beginsel van de rechtstreekse werking ontwikkeld. Als voorwaarde geldt evenwel dat de verplichtingen nauwkeurig, duidelijk en onvoorwaardelijk zijn en geen aanvullende maatregelen vereisen, op nationaal noch op Europees niveau.

In het arrest Becker (arrest van 19 januari 1982), heeft het Hof van Justitie de rechtstreekse werking van de hand gewezen omdat de landen voor de tenuitvoerlegging van de betrokken bepaling (arrest van 12 december 1990, Kaefer en Procacci) beschikken over manoeuvreerruimte, hoe miniem deze ook moge zijn.

Rechtstreekse werking en afgeleid recht

Het beginsel van rechtstreekse werking geldt ook voor handelingen van afgeleid recht, d.w.z. handelingen die door de instellingen zijn aangenomen op basis van de oprichtingsverdragen. De reikwijdte van de rechtstreekse werking hangt evenwel af van het soort rechtshandeling:

  • verordeningen: verordeningen hebben steeds een rechtstreekse werking. In artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de EU is immers bepaald dat verordeningen direct van toepassing zijn in de EU-landen. Het Hof van Justitie specificeert in het arrest Politi van 14 december 1971 dat het een volledige rechtstreekse werking betreft;
  • richtlijnen: richtlijnen zijn rechtshandelingen die bestemd zijn voor de EU-landen en moeten door hen worden omgezet in nationaal recht. Om de rechten van particulieren te beschermen erkent het Hof van Justitie in bepaalde gevallen echter dat zij een rechtstreekse werking hebben. In zijn jurisprudentie heeft het Hof bepaald dat richtlijnen een rechtstreekse werking hebben wanneer de erin opgenomen bepalingen onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn en wanneer de EU-landen de richtlijn niet voor de uiterste datum hebben omgezet (arrest Van Duyn van 4 december 1974). Richtlijnen kunnen echter slechts een verticale rechtstreekse werking hebben; EU-landen zijn verplicht om de richtlijnen uit te voeren, maar richtlijnen kunnen niet door een EU-land tegen particulieren ingezet worden. (arrest Ratti van 5 april 1979);
  • besluiten: besluiten kunnen een rechtstreekse werking hebben indien zij gericht zijn tot een EU-land. Het Hof van Justitie erkent in dat geval uitsluitend een verticale rechtstreekse werking (arrest Hansa Fleisch van 10 november 1992);
  • internationale overeenkomsten: in het arrest Demirel van 30 september 1987 heeft het Hof van Justitie erkend dat bepaalde overeenkomsten een rechtstreekse werking hebben volgens dezelfde voorwaarden als die welke zijn vastgesteld in het arrest Van Gend en Loos;
  • adviezen en aanbevelingen: adviezen en aanbevelingen zijn juridisch niet verbindend. Zij hebben dan ook geen rechtstreekse werking.

14.01.2015

Top