Help Print this page 
Title and reference
Onderhoudsverplichtingen

Summaries of EU legislation: direct access to the main summaries page.
Multilingual display
Text

Onderhoudsverplichtingen

De verordening heeft betrekking op verzoeken inzake grensoverschrijdende onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen. Zij bevat gemeenschappelijke regels voor de hele Europese Unie (EU) die de inning van levensonderhoud moeten garanderen, ook wanneer de onderhoudsgerechtigde of de onderhoudsplichtige in het buitenland woont.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.

SAMENVATTING

Deze verordening voorziet in een reeks maatregelen die het innen van levensonderhoud in grensoverschrijdende situaties moet vergemakkelijken. Deze onderhoudsverplichtingen vloeien voort uit de plicht om familieleden te helpen en betreffen bijvoorbeeld alimentatie die betaald wordt aan een kind of aan een ex-echtgenoot of -echtgenote na een scheiding.

De verordening is van toepassing op onderhoudsverplichtingen die hun oorsprong hebben in:

  • familiebetrekkingen;
  • bloedverwantschap;
  • huwelijk of aanverwantschap.

Bevoegdheid

Op het gebied van onderhoudsverplichtingen ligt de rechterlijke bevoegdheid bij:

  • het gerecht van de plaats waar de verweerder of de onderhoudsgerechtigde zijn/haar gewone verblijfplaats heeft; of
  • het gerecht dat bevoegd is om verzoeken betreffende de staat van personen (bijvoorbeeld een scheiding) of ouderlijke verantwoordelijkheid te onderzoeken, wanneer die verzoeken gepaard gaan met een verzoek inzake een onderhoudsverplichting (op voorwaarde dat de bevoegdheid niet uitsluitend op de nationaliteit van een van de partijen berust).

Tenzij het geschil betrekking heeft op een onderhoudsverplichting jegens een kind dat jonger is dan 18 jaar, kunnen de partijen onder bepaalde voorwaarden overeenkomen welk gerecht of welke gerechten van een EU-lidstaat bevoegd zijn om het te beslechten.

Het gerecht in de EU-lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt is het bevoegde gerecht, tenzij de verweerder zijn bevoegdheid betwist.

Indien aan geen van de voornoemde voorwaarden is voldaan, kan het geschil onder bepaalde voorwaarden aanhangig worden gemaakt bij het gerecht van een EU-lidstaat waarvan beide partijen onderdaan zijn.

Wanneer aan geen van bovenstaande voorwaarden is voldaan, kan het geschil aanhangig worden gemaakt bij het gerecht van een EU-lidstaat waarmee het geschil voldoende is verbonden indien de procedure niet in redelijkheid voor een gerecht aanhangig gemaakt kan worden waarmee het geschil nauw is verbonden.

Zolang de onderhoudsgerechtigde verblijf houdt in de EU-lidstaat waarin het gerecht de beslissing inzake de onderhoudsverplichting had gegeven, kan de onderhoudsplichtige slechts in enkele uitzonderlijke gevallen in een andere EU-lidstaat procederen om de beslissing te wijzigen. De onderhoudsgerechtigde kan er wel mee instemmen dat het geschil door een andere rechtbank wordt beslecht.

Indien dezelfde partijen procedures voor gerechten van verschillende EU-lidstaten hebben ingesteld die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, ligt de bevoegdheid bij het eerste gerecht waarbij de zaak aanhangig werd gemaakt.

Ongeacht de rechtbank die ten gronde bevoegd is, kunnen verzoeken tot voorlopige en bewarende maatregelen ingediend worden voor eender welk gerecht van eender welke EU-lidstaat, op voorwaarde dat het recht van de betrokken lidstaat daarin voorziet.

Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen

Een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen genomen door één EU-lidstaat moet in een andere EU-lidstaat erkend worden zonder bijzondere procedures.

Nagenoeg alle EU-lidstaten zijn gebonden door het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.

Indien de beslissing werd genomen door een door het Haagse Protocol van 2007 gebonden lidstaat, is verzet tegen de erkenning niet mogelijk.

Wanneer de beslissing werd genomen door een lidstaat die niet is gebonden door het Haagse Protocol van 2007, kan de erkenning in bepaalde gevallen worden geweigerd en kan de beslissing alleen uitgevoerd worden in een andere lidstaat indien een verklaring van tenuitvoerlegging daarvan verkregen is in die lidstaat.

In ieder geval kan het gerecht van herkomst de beslissing voorlopig uitvoerbaar verklaren. Wanneer de beslissing uitgevoerd wordt in een andere EU-lidstaat dan waar ze werd genomen, is het recht van de EU-lidstaat van tenuitvoerlegging op de procedure van toepassing.

In geen geval wordt in de EU-lidstaat waar erkenning, uitvoerbaarheid of tenuitvoerlegging wordt gevraagd, overgegaan tot een onderzoek naar de juistheid van de in een EU-lidstaat gegeven beslissingen.

Er kan kosteloze rechtsbijstand worden verleend voor verzoeken van onderhoudsgerechtigden met betrekking tot onderhoudsverplichtingen jegens personen jonger dan 21 jaar die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie op voorwaarde dat deze verzoeken via centrale autoriteiten ingediend worden.

Centrale autoriteiten

Elke EU-lidstaat dient een centrale autoriteit aan te duiden die tot taak heeft de partijen bij te staan bij het bepalen en innen van levensonderhoud. Zij verzenden en ontvangen met name de in de verordening voorziene verzoeken en nemen alle maatregelen die nodig zijn om de procedure in te leiden of de inleiding ervan te vergemakkelijken.

De centrale autoriteiten werken onderling samen, bevorderen de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van hun land en zoeken naar oplossingen voor problemen die zich bij de tenuitvoerlegging van deze verordening kunnen stellen. Daartoe zullen zij gebruikmaken van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.

Slotbepalingen

Deze verordening vervangt de bepalingen inzake onderhoudsverplichtingen van Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken . Zij vervangt ook Verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering vaneen Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen , behalve voor Europese executoriale titels inzake onderhoudsverplichtingen die worden uitgegeven door EU-lidstaten die niet zijn gebonden door het Haagse Protocol van 2007.

Deze verordening is van toepassing sinds 18 juni 2011.

REFERENTIES

Besluit

Datum van inwerkingtreding

Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten

Publicatieblad

Verordening (EG) nr. 4/2009

30.1.2009

PB L 7 van 10.1.2009

GERELATEERDE BESLUITEN

Besluit 2006/325/EC van de Raad van 27 april 2006 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingnen in burgerlijke en handelszaken [Publicatieblad L 120 van 5.5.2006].

Beschikking 2009/451/EC van de Commissie van 8 juni 2009 over het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om deel te nemen aan Verordening (EG nr. 4/2009 van de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen [Publicatieblad L 149 van 12.6.2009].

Besluit 2011/220/EU van de Raad van 31 maart 2011 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden [Publicatieblad L 93 van 7.4.2011].

Onder dit Besluit ondertekende de EU op 6 april 2011 het Verdrag van ’s-Gravenhage van 23 november 2007 waarmee de verdragsluitende partijen een wereldwijd systeem opzetten voor de inning van levensonderhoud.

Besluit 2011/432/EU van de Raad van 9 juni 2011 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 23 november 2007 inzake de international inning van levensonderhoud ten behoeve van kinderen en andere familieleden [Publicatieblad L 192 van 22.7.2011].

Besluit 2014/218/EU van de Raad van 9 april 2014 tot wijziging van Bijlagen I, II en III bij Besluit 2011/432/EU betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 23 november 2007 inzake de international inning van levensonderhoud ten behoeve van kinderen en andere familieleden [Publicatieblad L 113 van 16.4.2014].

Onder deze besluiten heeft de Unie haar instrument neergelegd voor goedkeuring van het Verdrag op 9 april 2014. Het Verdrag zal in alle EU-lidstaten in werking treden, behalve in Denemarken pas op 1 augustus 2014. Het Verdrag biedt een allesomvattend kader om zaken aan te pakken die verband houden met onderhoudsverplichtingen met andere niet-EU-lidstaten die daarbij een Partij zijn.

Laatste wijziging: 25.09.2014

Top