Help Print this page 
Title and reference
Overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's)

Summaries of EU legislation: direct access to the main summaries page.
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html CS html DA html DE html EL html EN html FR html IT html HU html NL html PL html PT html RO html FI html SV
Multilingual display
Text

Overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's)

De Europese Unie (EU) stelt regels vast voor de preventie, de bestrijding en de uitroeiing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën. Het doel is te verhinderen dat er zich opnieuw voedselcrises voordoen zoals die van de jaren negentig en een hoog niveau van volksgezondheid en voedselveiligheid te verzekeren.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën [Zie wijzigingsbesluit(en)].

SAMENVATTING

Sinds het begin van de jaren tachtig zijn verschillende overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) vastgesteld, zowel bij de mens (de ziekte van Creutzfeldt-Jakob en haar varianten) als bij dieren (boviene spongiforme encefalopathie of BSE).

TOEPASSINGSGEBIED

Bij deze verordening worden de bepalingen vastgesteld voor de preventie, bestrijding en uitroeiing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij dieren. Zij is van toepassing op de productie, het in de handel brengen, en in bepaalde gevallen de uitvoer van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong.

Deze verordening is niet van toepassing op:

  • cosmetische producten, geneesmiddelen, grondstoffen of andere producten van dierlijke oorsprong die voor hun productie worden gebruikt;
  • grondstoffen of andere producten van dierlijke oorsprong die niet voor de productie van voedingsmiddelen, diervoeders of meststoffen worden gebruikt;
  • producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor tentoonstellingen, onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, bijzondere studies of analyses, voor zover zij niet uiteindelijk geconsumeerd of hergebruikt worden door mensen of dieren;
  • levende dieren die gebruikt worden of bestemd zijn voor onderzoek.

BEPALING VAN DE BSE-STATUS

De Commissie stelt een hiërarchische lijst op waarin de lidstaten, de derde landen of hun regio's naar gelang van het BSE-risico in verschillende categorieën worden ondergebracht. Het Europese classificatiesysteem voor de landen op basis van hun risico is vergelijkbaar met het systeem dat wordt aanbevolen door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE).

Een land of één van zijn regio's kan in één van de drie categorieën van de BSE-status worden ingedeeld:

  • categorie 1: land of regio met een verwaarloosbaar BSE-risico;
  • categorie 2: land of regio met een gecontroleerd BSE-risico;
  • categorie 3: land of gebied met een onbepaald BSE-risico.

PREVENTIE VAN TSE'S

Systeem van toezicht

De lidstaten voeren een jaarlijks programma voor toezicht op BSE en scrapie uit dat een screeningprocedure omvat waarbij gebruik wordt gemaakt van snelle tests. Bijlage III beschrijft in detail het systeem van toezicht dat voor beide ziekten moet worden ingesteld. Naast de verplichte controles voor alle dieren die TSE-verdachte tekenen vertonen, moet sinds 1 januari 2001 ook een snelle post-mortemtest worden uitgevoerd op een groot aantal dieren (met name runderen, schapen en geiten), met inbegrip van (maar niet uitsluitend) als deze bedoeld zijn voor de menselijke consumptie.

Uiterlijk op 31 maart van elk jaar leggen de lidstaten aan de Commissie een jaarverslag voor dat informatie bevat over het aantal verdachte gevallen per diersoort dat aan een verplaatsingsbeperking onderworpen is. Binnen drie maanden na ontvangst van de verslagen legt de Commissie een geconsolideerd verslag voor over de epidemiologische situatie in de Unie.

De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten er eveneens van in kennis wanneer zich op hun grondgebied een andere TSE voordoet.Bijlage III is evenals de andere bijlagen bij de Verordening in 2013 gewijzigd. Opgenomen is nieuw wetenschappelijk advies inzake TSE en getracht wordt de overmatig complexe procedure te verduidelijken.

Verbodsbepalingen in verband met diervoeding

De verordening verbiedt het gebruik van dierlijke eiwitten en van diervoeders die dergelijke eiwitten bevatten in de voeding van herkauwers. In diervoeding voor landbouwhuisdieren, met uitzondering van vleesetende pelsdieren, is het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten, van herkauwers afkomstige gelatine, bloedproducten, gehydrolyseerde eiwitten en dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong verboden.

Bijlage IV van de Verordening, zoals gewijzigd in 2013, bepaalt de voorwaarden waaronder bepaalde dierlijke eiwitten wel kunnen worden gebruikt in het voeder van niet-herkauwers, herkauwers en vis.

Vanaf 1 november 2003 delen de lidstaten de andere lidstaten en de Commissie de bijgewerkte lijst mede van de door de Europese Unie erkende slachthuizen waar geen herkauwers worden geslacht. Zij delen ook de lijst mee van inrichtingen die diervoeders en de hierboven beschreven eiwitten mogen vervaardigen.

De uitvoer naar derde landen van van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en van producten die dergelijke dierlijke eiwitten bevatten, dient in overeenstemming te zijn met de op het grondgebied van de Europese Unie geldende wetgeving. Vooraf verbindt het derde land van bestemming zich er schriftelijk toe de producten te gebruiken en/of opnieuw uit te voeren met inachtneming van het eindgebruik waarvoor zij zijn bestemd. De lidstaten die een dergelijke uitvoer toestaan, stellen de Commissie en de overige lidstaten daarvan op de hoogte.

Gespecificeerd risicomateriaal

De lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico blijven onderworpen aan de verwijderingsverplichting van het specifiek risicomateriaal (SRM).

In de landen en regio’s met een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico mogen de beenderen van runderen, schapen en geiten niet gebruikt worden voor de productie van separatorvlees. Kopvlees en de wervelkolom van runderen ouder dan 30 maanden, alsmede tongen van runderen van alle leeftijden worden volgens specifieke methoden verzameld.

Gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd in slachthuizen, uitsnijderijen in geval van wervelkolommen van runderen, en in voorkomend geval, erkende intermediaire bedrijven als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Al het gespecificeerde risicomateriaal of de afgeleide producten worden bij verwijdering onmiddellijk met een kleurstof of met een stempel gemerkt. Ze worden gebruikt en vernietigd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009. De lidstaten voeren frequente officiële controles uit om na te gaan of deze bepalingen correct worden uitgevoerd en zien erop toe dat er maatregelen worden getroffen om verontreiniging te vermijden in de verschillende stadia.

Scholingsprogramma's

De lidstaten moeten erop toezien dat het personeel van de bevoegde autoriteit, de diagnostische laboratoria, de landbouwinstituten en de instellingen voor diergeneeskunde, alsmede de officiële dierenartsen, het personeel van de slachthuizen en de fokkers scholing krijgen over de klinische verschijnselen en de epidemiologie van TSE's. De Gemeenschap kan doorvoor financiële steun verlenen.

BESTRIJDING EN UITROEIING VAN TSE'S

Maatregelen voor van besmetting met een TSE verdachte dieren

Onverminderd de Europese maatregelen inzake de melding van ziekten zorgen de lidstaten ervoor dat elk van besmetting met een TSE verdacht dier aan de bevoegde autoriteiten wordt gemeld. De lidstaten stellen de overige lidstaten en de Commissie regelmatig in kennis van de gemelde gevallen.

Een van besmetting met een TSE verdacht dier wordt ofwel aan een officiële verplaatsingsbeperking onderworpen in afwachting van de klinische en epidemiologische resultaten, ofwel gedood om onder officieel toezicht in een laboratorium te worden onderzocht. In afwachting van de resultaten geldt ook voor alle andere herkauwers van het betrokken bedrijf een officieel verbod op verplaatsing.

Indien blijkt dat een verdacht dier aan TSE kan zijn blootgesteld in een ander bedrijf dan dat waar TSE werd vermoed, kan de bevoegde autoriteit beslissen dat alleen het verdachte dier aan een officiële verplaatsingsbeperking wordt onderworpen en kan ze ook andere bedrijven onder toezicht plaatsen.

Maatregelen in geval van een bevestigde TSE-besmetting

Wanneer een geval van TSE officieel is bevestigd, worden de volgende maatregelen toegepast:

  • er wordt onderzocht wat de mogelijke oorsprong van de ziekte is en welke dieren en afgeleide producten allemaal besmet kunnen zijn;
  • in geval van bevestiging van BSE bij een rund, het doden en volledig vernietigen van alle risicorunderen die in het kader van onderzoek zijn geïdentificeerd (met name het geboorte- of voedercohort van het besmette dier);
  • in geval van bevestiging van BSE bij een schaap of een geit, het doden en volledig vernietigen van alle schapen en geiten van het beslag;
  • in geval van bevestiging van een TSE bij een schaap of een geit, met uitsluiting van BSE, het doden en volledig vernietigen van alle schapen en geiten van het beslag of, uitsluitend indien het schapen betreft, het doden en selectief vernietigen van de dieren met een voor TSE’s gevoelig genotype. Indien het besmette dier afkomstig is van een ander bedrijf, kan de lidstaat besluiten uitroeiingsmaatregelen toe te passen op het bedrijf van oorsprong en al dan niet op het bedrijf waar de besmetting werd bevestigd.

In afwachting van de resultaten van het onderzoek wordt het bedrijf waar de besmetting is bevestigd onder officieel toezicht geplaatst en is voor elke verplaatsing van vatbare dieren (en van producten van dierlijke oorsprong) van en naar het bedrijf absoluut de toestemming van de bevoegde autoriteit vereist. Dankzij deze maatregel kunnen de verplaatsingen van de betrokken dieren (of van de afgeleide producten) doeltreffend getraceerd en geïdentificeerd worden. Indien wordt vastgesteld dat het bedrijf waar de TSE is bevestigd, niet het bedrijf is waar het dier aan de TSE is blootgesteld, kunnen de autoriteiten naast het bedrijf waar het dier is blootgesteld nog diverse andere bedrijven onder toezicht plaatsen.

Er kunnen evenwel afwijkingen van deze algemene regels worden toegestaan, en het toepassingsgebied is in de loop der tijd aangepast aan nieuw wetenschappelijk onderzoek naar TSE.

De eigenaars die dieren of producten van dierlijke oorsprong hebben verloren, worden onverwijld vergoed.

De lidstaten stellen richtsnoeren op tot vaststelling van de te nemen nationale maatregelen en de bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor het geval een TSE wordt aangetroffen.

IN DE HANDEL BRENGEN, INVOER EN UITVOER

Levende dieren en sperma, embryo's en eicellen van die dieren

Indien de invoer, het in de handel brengen of de uitvoer is toegestaan, gaan de levende dieren en de embryo's en eicellen van die dieren vergezeld van de voorgeschreven gezondheidscertificaten. Voor schapen en geiten moet op deze certificaten worden verklaard dat zij afkomstig zijn van bedrijven waar nooit een geval van scrapie is gediagnosticeerd of, in geval van schapen, dat zij een TSE-resisent genotype hebben.

De laatstgeboren nog levende nakomelingen van met een TSE besmette vrouwelijke runderen, schapen of geiten, die geboren zijn vanaf de jaren voordat de eerste klinische verschijnselen van de ziekte zich hebben voorgedaan, mogen niet in de handel worden gebracht.

In de handel brengen en invoer van producten van dierlijke oorsprong

Deze verordening legt voor BSE een hoog niveau van veiligheid op. Ze vereist dat op de invoer van rundvlees in de Europese Unie dezelfde maatregelen worden toegepast als die welke binnen de Unie worden toegepast, met uitzondering van de landen met een verwaarloosbaar BSE-risico. Het is bijvoorbeeld verboden gespecificeerd risicomateriaal of producten op basis van vlees dat SRM bevat uit derde landen met een gecontroleerd BSE-risico in te voeren. De betrokken derde landen moeten er dus op toezien dat de technieken voor het slachten van dieren in overeenstemming zijn met de Europese regels.

Soortgelijke regels gelden eveneens voor een lijst van producten van runderen, schapen en geiten uit derde landen.

Vrijwaringsmaatregelen

De verordening voorziet in vrijwaringsmaatregelen die kunnen worden toegepast in het intra-Europese handelsverkeer en in de handel met derde landen. Deze maatregelen zijn hoofdzakelijk overgenomen uit de bestaande richtlijnen op dat gebied (met name Richtlijn 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG en 97/78/EG). Er bestaan verschillende vrijwaringsmaatregelen. Indien de invoerende lidstaat tijdens officiële controles bijvoorbeeld de aanwezigheid vaststelt van een ziekte die een ernstige bedreiging voor de gezondheid van mens of dier inhoudt, kunnen de autoriteiten restrictievere maatregelen nemen, met inbegrip van het in quarantaine plaatsen van de betrokken dieren. Ook de Commissie kan dergelijke maatregelen nemen.

Referentielaboratoria, bemonstering, testmethoden en controles

Teneinde de uniformiteit van de wetenschappelijke analyse en betrouwbare resultaten te garanderen, worden nationale en Europese referentielaboratoria aangewezen. Indien nodig kunnen deskundigen van de Commissie hun installaties op hun goede werking controleren.

De nationale referentielaboratoria zijn in hoofdzaak verantwoordelijk voor de controle van de diagnostische methoden die in de regionale laboratoria worden gebruikt en voor hun coördinatie in de lidstaat. Ze werken samen met het Europese referentielaboratorium.

Een lidstaat die niet over een nationaal referentielaboratorium beschikt, moet gebruik kunnen maken van een Europees referentielaboratorium of van een referentielaboratorium van een andere lidstaat.

Het Europese referentielaboratorium coördineert samen met de Commissie de methoden die in de lidstaten worden gebruikt bij de diagnose van BSE en draagt bij tot de diagnose van uitbraken van TSE's. Het bevordert de scholing van wetenschappelijke deskundigen met het oog op harmonisatie van de diagnosetechnieken in de Gemeenschap.

De gebruikte analyse- en bemonsteringsmethoden volgen de normen die zijn vastgesteld in het handboek van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE). Deze betreffen onder meer de procedures die bij verdachte dieren en in het kader van het jaarlijks programma voor toezicht moeten worden toegepast.

Institutionele bepalingen

De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid en door de betrokken wetenschappelijke comités met betrekking tot de maatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid.

REFERENTIES

Besluit

Datum van inwerkingtreding

Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten

Publicatieblad

Verordening (EG) nr. 999/2001

1.7.2001

-

L 147, 31.5.2004.

Wijzigingsbesluit(en)

Datum van inwerkingtreding

Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten

Publicatieblad

Verordening (EG) nr. 1128/2003

18.7.2003

-

L 160, 28.6.2003

Verordening (EG) nr. 932/2005

1.7.2005

-

L 163, 23.6.2005

Verordening (EG) nr. 1923/2006

19.1.2007

-

L 404, 30.12.2006

Verordening (EG) nr. 220/2009

20.4.2009

-

L 87, 31.3.2009

Verordening (EU) nr. 956/2010

12.11.2012

-

L 279, 23.10.2010

Verordening (EU) nr. 189/2011

18.3.2011

-

L 53, 26.2.2011

Verordening (EU) nr. 56/2013

13.2.2013

-

L 21, 24.1.2013

Verordening (EU) nr. 630/2013

19.7.2013

-

L 179, 29.6.2013

De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.

GERELATEERDE BESLUITEN

Beschikking 2002/1003/EG van de Commissie van 18 december 2002 tot vaststelling van minimumeisen voor een onderzoek naar prioneiwitgenotypes van schapenrassen [Publicatieblad L 349 van 24-12-2002].

Uiterlijk 1 juli 2003 heeft elke lidstaat een onderzoek verricht naar het prioneiwitgenotype van elk schapenras dat inheems is of een significante populatie op zijn grondgebied vormt. Uiterlijk 1 oktober 2003 presenteert elke lidstaat een verslag aan de Commissie.

Mededeling van de Commissie van 15 juli 2005: Het TSE-stappenplan [ COM(2005) 322 – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad].

Beschikking 2007/453/EC van de Commissie van 29 juni 2007 tot vaststelling van de BSE-status van lidstaten, derde landen of gebieden daarvan naar gelang van hun BSE-risico [Publicatieblad L 172 van 30.6.2007].

Mededeling van de Commissie van 16 juli 2010: Het TSE-stappenplan 2 – Beleidsnota betreffende overdraagbare spongiforme encephalopathieën voor de periode 2010-2015 [ COM(2010) 384 definitief – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad].

Het grootste deel van de geplande acties voor de korte en middellange termijn in het eerste TSE-stappenplan is voltooid en de positieve trend die al in 2005 werd gezien tijdens de BSE-epidemie heeft zich sindsdien voortgezet. De doelstelling voor de komende jaren is door te gaan met de herziening van de maatregelen en tegelijkertijd te zorgen voor een hoge mate aan voedselveiligheid. De voorschriften met betrekking tot TSE ondergaan wijzigingen en zullen geleidelijk blijven veranderen op basis van degelijke wetenschappelijke informatie. De EU staat op het punt BSE in haar runderpopulatie uit te roeien, maar moet de situatie in de gaten blijven houden voor het geval er opnieuw BSE uitbreekt of er een nieuwe TSE-agens bij de runderpopulatie optreedt. Het belangrijkste van de evaluatie is dat ze gebaseerd is op wetenschappelijk advies en technische kwesties met betrekking tot toezicht op en implementatie van de nieuwe maatregelen.

Laatste wijziging: 10.04.2014

Top