Help Print this page 
Title and reference
Industriële emissies - EUR-Lex

Summaries of EU legislation: direct access to the main summaries page.
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html CS html DA html DE html EL html EN html FR html IT html HU html NL html PL html PT html RO html FI html SV
Multilingual display
Text

Industriële emissies - EUR-Lex

De Europese Unie (EU) definieert de normen waaraan industriële activiteiten met de hoogste kans op vervuiling moeten voldoen. Ze stelt een vergunningsprocedure in en bepaalt vereisten, met name voor afval. Het doel is om vervuilende emissies in lucht, water en bodem te vermijden of te minimaliseren, zoals van afval afkomstig van industriële en landbouwinstallaties, om een hoge mate van bescherming van het milieu en de gezondheid te bereiken.

BESLUIT

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging).

SAMENVATTING

Deze richtlijn verenigt Richtlijn 2008/1/EG (de IPPC-richtlijn) en zes andere richtlijnen in één enkele richtlijn inzake industriële emissies.

Toepassingsgebieden

Deze richtlijn is van toepassing op de industriële activiteiten met de hoogste kans op vervuiling, gedefinieerd in bijlage I van de richtlijn (energie-industrie, productie en verwerking van metalen, minerale industrie, chemische industrie, afvalbeheer, dierenkweek, enz.).

De richtlijn bevat specifieke bepalingen voor de volgende installaties:

  • stookinstallaties (≥ 50 MW);
  • verbrandingsinstallaties of meeverbrandingsinstallaties van afval;
  • bepaalde installaties en activiteiten die gebruik maken van organische oplosmiddelen;
  • installaties die titaandioxide produceren.

Deze richtlijn is niet van toepassing op activiteiten voor onderzoek en ontwikkeling noch op experimenten met nieuwe producten en processen.

Milieunormen

Elke industriële installatie die activiteiten uitvoert die zijn vermeld in bijlage I van de richtlijn moet bepaalde fundamentele normen respecteren:

  • preventieve maatregelen nemen tegen vervuiling;
  • de beste beschikbare technieken toepassen (BBT);
  • geen aanzienlijke vervuiling veroorzaken;
  • het afval op de minst vervuilende manier beperken, recycleren of elimineren;
  • de energie-efficiëntie maximaliseren;
  • ongevallen voorkomen en hun gevolgen beperken;
  • de locaties in hun oorspronkelijke staat herstellen wanneer de activiteiten worden beëindigd.

Toepassing van de beste beschikbare technieken

De industriële installaties moeten de BBT gebruiken, d.w.z. de meest doeltreffende technieken, om in hun geheel een hoge algemene mate van bescherming van de omgeving te bereiken, op zodanige schaal ontwikkeld dat de technieken, in economisch en technisch haalbare omstandigheden, in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast. De Europese Commissie moet conclusies vastleggen over de BBT met daarin de emissiegehaltes die verband houden met de BBT. Deze conclusies dienen als referentie voor de bepaling van vergunningsvoorwaarden.

Vergunningsvoorwaarden

De vergunning moet de noodzakelijke maatregelen voorzien om de naleving te garanderen van de fundamentele plichten van de exploitant en de normen voor milieukwaliteit. Deze maatregelen bestaan ten minste uit:

  • grenswaarden voor de emissies van vervuilende stoffen;
  • voorschriften die de bescherming van bodem, water en lucht garanderen;
  • maatregelen voor toezicht op en beheer van afval;
  • normen met betrekking tot de meetmethode voor emissies, de frequentie van de metingen en de evaluatieprocedure;
  • een plicht om de bevoegde instantie op de hoogte te brengen, ten minste eenmaal per jaar, van de resultaten van het toezicht;
  • normen inzake onderhoud van en toezicht op de bodem en het grondwater;
  • maatregelen met betrekking tot uitzonderlijke omstandigheden (lekken, storingen, korte of definitieve stilleggingen, enz.);
  • bepalingen om vervuiling op lange afstand of over de grenzen heen te minimaliseren;
  • de voorwaarden die het mogelijk maken om de naleving van de emissiegrenswaarden te evalueren.

Bijzondere bepalingen

Bijzondere bepalingen zijn van toepassing op stookinstallaties, verbrandingsinstallaties en meeverbrandingsinstallaties van afval, installaties die organische oplosmiddelen gebruiken en installaties die titaandioxide produceren.

De emissiegrenswaarden voor de grote stookinstallaties bepaald in bijlage V van de richtlijn zijn over het algemeen strikter dan die in Richtlijn 2001/80/EG. Voor bestaande installaties is een zekere flexibiliteit voorzien (nationaal overgangsplan, in de tijd beperkte afwijking).

Voor de andere activiteiten, waarvoor bijzondere bepalingen van toepassing zijn, werden de bepalingen van de huidige richtlijnen grotendeels behouden.

Milieu-inspecties

De lidstaten moeten een systeem voor milieu-inspectie opzetten voor de betrokken installaties. Alle installaties moeten opgenomen zijn in een milieu-inspectieplan. Dit plan moet regelmatig worden gereviseerd en geactualiseerd.

Op basis van de inspectieplannen, moet de bevoegde autoriteit regelmatig programma's opstellen voor routine milieu-inspecties, met daarin opgenomen de frequentie van de bezoeken aan de sites voor de verschillende installatietypen. Hoeveel tijd er blijft tussen twee inspectiebezoeken aan een locatie moet gebaseerd zijn op een systematische evaluatie van de milieurisico's die de betrokken installaties stellen. Dit kan niet langer zijn dan een jaar voor installaties die het hoogste risico lopen en drie jaar voor de installaties die het minste risico lopen.

Intrekking

Richtlijn 2010/75/EU vervangt definitief,

vanaf 7 januari 2014:

met ingang van 1 januari 2016:

  • Richtlijn 2001/80/EG inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties.

Referenties

Besluit

Datum van inwerkingtreding

Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten

Publicatieblad

Richtlijn 2010/75/EU

6.1.2011

7.1.2013

PB L 334 van 17.12.2010

GERELATEERD BESLUIT

Uitvoeringsbesluit 2013/84/EU van de Commissie van 11 februari 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor het looien van huiden en vellen [PB L 45 van 16.2.2013]: het besluit trekt BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen. Deze conclusies dienen als referentie bij het vaststellen van de toelatingsvoorwaarden voor installaties die vallen onder Richtlijn 2010/75/EU. In het onderhavige geval heeft het besluit betrekking op het looien van huiden en vellen met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindproducten per dag, evenals op de behandeling van afvalwater geproduceerd door de zelfstandig opererende installaties tijdens de uitvoering van hun activiteiten. Tenzij anders bepaald, dienen de bevoegde nationale autoriteiten emissiewaarden vast te stellen om te garanderen dat de emissieniveaus bij normaal gebruik de in de BBT-conclusies beschreven drempelwaarden niet overschrijden.

12.11.2013

Top