Help Print this page 

Summaries of EU Legislation

Title and reference
De Economische en Monetaire Unie van de EU – derde fase

Summaries of EU legislation: direct access to the main summaries page.
Languages and formats available
Multilingual display
Text

De Economische en Monetaire Unie van de EU – derde fase

 

SAMENVATTING VAN:

Artikel 119 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 140 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

WAT IS HET DOEL VAN DE DERDE FASE VAN DE ECONOMISCHE EN MONETAIRE UNIE VAN DE EU?

De derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU) van de EU bestaat uit de invoering van de euro en de toepassing van een gemeenschappelijk monetair beleid in de EU-landen.

KERNPUNTEN

De EMU is een proces gericht op de harmonisering van het economische en monetaire beleid van de EU-landen. Dit proces bestaat uit de volgende drie fasen:

  • Eerste fase (van 1 juli 1990 t/m 31 december 1993): vrij kapitaalverkeer tussen EU-landen;
  • Tweede fase (van 1 januari 1994 t/m 31 december 1998): coördinatie van het monetaire beleid en nauwere samenwerking tussen de centrale banken van de EU-landen, en versterking van de economische convergentie tussen de EU-landen;
  • Derde fase (vanaf 1 januari 1999): de geleidelijke invoering van de euro en toepassing van een gemeenschappelijk monetair beleid onder verantwoordelijkheid van de Europese Centrale Bank (ECB).

De eerste twee fasen van de EMU zijn voltooid. De derde en laatste fase is nog gaande. Deze fase betreft in het bijzonder de invoering van de euro in de EU-landen. Op dit moment hebben 19 EU-landen de euro als de gemeenschappelijke munt ingevoerd. Deze landen vormen de „eurozone”.

Overgang naar de euro

Voordat een EU-land tot de derde fase van de EMU kan toetreden, moet het eerst aan een aantal economische en wettelijke vereisten voldoen.

De economische vereisten worden de convergentiecriteria genoemd. Het doel is om te waarborgen dat de economie en de financiële situatie van de EU stabiel zijn om zo de stabiliteit van de eurozone te behouden.

De wettelijke vereisten houden in dat de nationale wetgeving moet aansluiten bij de EU-verdragen, in het bijzonder wetgeving met betrekking tot de nationale centrale bank en de munt.

Als een EU-land aan alle vereisten voldoet, mag het deelnemen aan de derde fase van de EMU en de euro als de gemeenschappelijke munt invoeren. Op dat moment wordt de eerdere nationale munt door de euro vervangen en wordt deze de officiële munt van het land.

Europese Centrale Bank

De Europese Centrale Bank speelt in de EMU een essentiële rol. Het is de ECB die het monetaire beleid van de landen in de eurozone formuleert. De ECB is ook als enige bevoegd om toestemming te geven om eurobankbiljetten in omloop te brengen. EU-landen mogen wel munten in omloop brengen, maar niet nadat de ECB het totaal voor het hele jaar heeft goedgekeurd.

De eerste landen in de eurozone

3 mei 1998 is een historische datum voor wat betreft de start van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie. Op die datum nam de Raad de beslissing dat elf EU-landen aan de noodzakelijke voorwaarden voldeden om op 1 januari 1999 de gemeenschappelijke munt in te voeren. Deze elf landen waren België, Duitsland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland.

Vervolgens vond de invoering van de euro in twee fasen plaats:

  • Op 1 januari 1999 werd de euro in het girale bankverkeer ingevoerd en werden de wisselkoersen tussen de voormalige nationale munten en de euro definitief vastgesteld. De nationale munten werden zo non-decimale verschijningsvormen van de euro;
  • Op 1 januari 2002 werden de euromunten en -bankbiljetten in de EU-landen ingevoerd. Toen konden Europese burgers en bedrijven hun fiduciaire betalingen in euro's doen.

Griekenland, dat in 1998 niet aan de convergentiecriteria voldeed, vroeg in 2000 een nieuwe evaluatie van de situatie van het land aan. De Europese Commissie kwam met een positief advies en Griekenland kwam op 1 januari 2001 officieel in de derde fase van de EMU terecht.

Uitbreiding van de eurozone

In principe dienen alle EU-landen aan de derde fase van de EMU deel te nemen en daarmee ook de euro in te voeren (artikel 119 van het Verdrag betreffende de werking van de EU). Sommige landen voldoen echter nog niet aan de noodzakelijke economische en financiële voorwaarden. Deze landen krijgen voorlopige derogaties tot zij in staat zijn om zich bij de eurozone aan te sluiten. Daarnaast hebben Denemarken en het Verenigd Koninkrijk een vrijstelling van deelname aan de euro (zie hieronder). Deze vrijstelling staat ook bekend als een „opt-out”.

Tenminste elke twee jaar evalueren de Commissie en de ECB de vooruitgang die is geboekt door de landen met een derogatie van de convergentie- en wettelijke vereisten. Als zij een positief advies geven over de mogelijkheid van het land zich bij de derde fase van de EMU aan te sluiten, neemt de Raad een beslissing over het lidmaatschap van de euro van het land.

Met deze procedure is de eurozone verscheidene malen met extra landen uitgebreid:

Op dit moment gebruiken 19 van de 28 landen de euro als hun gemeenschappelijke munt.

Vrijstellingen

Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken maakten hun voornemen bekend om zich niet aan te sluiten bij de derde fase van de EMU en de euro dus ook niet in te voeren. Deze twee landen hebben daarom een vrijstelling van deelname aan de EMU. De details van de regelingen daarvoor zijn opgenomen in protocollen 15 en 16 als bijlagen bij de oprichtingsverdragen van de EU. Bovendien hebben Denemarken en het Verenigd Koninkrijk de optie om hun vrijstellingsregeling te beëindigen en deelname aan de derde fase van de EMU aan te vragen.

ACHTERGROND

Zie voor meer informatie:

BELANGRIJKSTE DOCUMENTEN

Artikel 119 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 140 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Laatste bijwerking 01.08.2016

Top