Help Print this page 

Document 62012CJ0131

Title and reference
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 13 mei 2014.
Google Spain SL en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González.
Verzoek van de Audiencia Nacional om een prejudiciële beslissing.
Persoonsgegevens – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van deze gegevens – Richtlijn 95/46/EG – Artikelen 2, 4, 12 en 14 – Materiële en territoriale werkingssfeer – Internetzoekmachines – Verwerking van op websites te vinden gegevens – Opzoeking, indexering en opslag van deze gegevens – Verantwoordelijkheid van de exploitant van de zoekmachine – Vestiging op het grondgebied van een lidstaat – Omvang van de verplichtingen van deze exploitant en van de rechten van de betrokken persoon – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 7 en 8.
Zaak C‑131/12.

Digital reports (Court Reports - general)
  • ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:317
Languages and formats available
Multilingual display
Text

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

13 mei 2014 ( *1 )

„Persoonsgegevens — Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van deze persoonsgegevens — Richtlijn 95/46/EG — Artikelen 2, 4, 12 en 14 — Materiële en territoriale werkingssfeer — Internetzoekmachines — Verwerking van op websites te vinden gegevens — Opzoeking, indexering en opslag van deze gegevens — Verantwoordelijkheid van exploitant van zoekmachine — Vestiging op grondgebied van lidstaat — Omvang van verplichtingen van deze exploitant en van rechten van betrokkene — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikelen 7 en 8”

In zaak C‑131/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Audiencia Nacional (Spanje) bij beslissing van 27 februari 2012, ingekomen bij het Hof op 9 maart 2012, in de procedure

Google Spain SL,

Google Inc.

tegen

Agencia Española de Protección de Datos (AEPD),

Mario Costeja González,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, M. Ilešič (rapporteur), L. Bay Larsen, T. von Danwitz, M. Safjan, kamerpresidenten, J. Malenovský, E. Levits, A. Ó Caoimh, A. Arabadjiev, M. Berger, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 februari 2013,

gelet op de opmerkingen van:

Google Spain SL en Google Inc., vertegenwoordigd door F. González Díaz, J. Baño Fos en B. Holles, abogados,

Costeja González, vertegenwoordigd door J. Muñoz Rodríguez, abogado,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Rubio González als gemachtigde,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door E.‑M. Mamouna en K. Boskovits als gemachtigden,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Kunnert en C. Pesendorfer als gemachtigden,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en M. Szpunar als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en B. Martenczuk als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 juni 2013,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, sub b en d, 4, lid 1, sub a en c, 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31) en van artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Google Spain SL (hierna: „Google Spain”) en Google Inc. en anderzijds het Agencia Española de Protección de Datos (agentschap voor de gegevensbescherming; hierna: „AEPD”) en M. Costeja González, betreffende een besluit van dit agentschap waarbij gevolg is gegeven aan de door Costeja González tegen deze twee vennootschappen ingediende klacht en waarbij Google Inc. is gelast de nodige maatregelen te nemen om de persoonsgegevens betreffende Costeja González uit zijn index te verwijderen en voor de toekomst de toegang tot deze gegevens te verhinderen.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

3

Richtlijn 95/46, die volgens artikel 1 ervan tot doel heeft in verband met de verwerking van persoonsgegevens de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, inzonderheid van het recht op persoonlijke levenssfeer, te waarborgen alsmede de belemmeringen voor het vrije verkeer van die gegevens op te heffen, vermeldt in de punten 2, 10, 18 tot en met 20 en 25 van de considerans ervan het volgende:

„(2)

Overwegende dat de systemen voor de verwerking van gegevens ten dienste van de mens staan; dat zij de fundamentele rechten en vrijheden en inzonderheid de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen, ongeacht hun nationaliteit of verblijfplaats, moeten eerbiedigen en tot [...] het welzijn van de individuen moeten bijdragen;

[...]

(10)

Overwegende dat met de nationale wetgevingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens de eerbiediging moet worden gewaarborgd van de fundamentele rechten en vrijheden, en met name van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat tevens in artikel 8 van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht is erkend; dat derhalve de onderlinge aanpassing van deze wetgevingen niet tot een verzwakking van de aldus geboden bescherming mag leiden, maar juist erop gericht moet zijn een hoog beschermingsniveau in de Gemeenschap te waarborgen;

[...]

(18)

Overwegende dat om te voorkomen dat een persoon wordt uitgesloten van de bescherming waarop hij krachtens deze richtlijn recht heeft, alle verwerkingen van persoonsgegevens in de Gemeenschap moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de wetgeving van een van de lidstaten; dat in dit verband de verwerking die wordt uitgevoerd door een persoon namens een voor de verwerking verantwoordelijke die in een lidstaat is gevestigd, door het recht van die Staat dient te worden geregeld;

(19)

Overwegende dat de vestiging op het grondgebied van een lidstaat het effectief en daadwerkelijk uitoefenen van activiteiten door een vaste vestiging veronderstelt; dat de rechtsvorm van een dergelijke vestiging, of het nu gaat om een bijkantoor of om een dochteronderneming met rechtspersoonlijkheid, hier niet doorslaggevend is; dat, wanneer een en dezelfde voor de verwerking verantwoordelijke gevestigd is op het grondgebied van verscheidene lidstaten, met name door middel van een dochteronderneming, hij dient te waarborgen, in het bijzonder om elke vorm van wetsontduiking te voorkomen, dat elk van de vestigingen voldoet aan de verplichtingen die het nationale recht aan de activiteiten stelt;

(20)

Overwegende dat de vestiging in een derde land van de voor de verwerking verantwoordelijke de bescherming van personen waarin de onderhavige richtlijn voorziet, niet in de weg mag staan; dat in dit geval de verwerking moet worden geregeld door het recht van de lidstaat waarin de gebruikte middelen zich bevinden, en dat gewaarborgd moet worden dat de rechten en verplichtingen waarin de onderhavige richtlijn voorziet, in de praktijk worden geëerbiedigd;

[...]

(25)

Overwegende dat de beginselen van de bescherming enerzijds tot uiting moeten komen in de verplichtingen die aan de personen [...] die de verwerkingen uitvoeren, worden opgelegd, verplichtingen die met name betrekking hebben op de kwaliteit van de gegevens, de technische beveiliging, de aanmelding bij de toezichthoudende autoriteit en de omstandigheden waarin de verwerking kan worden uitgevoerd, en anderzijds in het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten.”

4

Artikel 2 van richtlijn 95/46 bepaalt dat „[i]n de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

‚persoonsgegevens’, iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, hierna ‚betrokkene’ te noemen; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit;

b)

‚verwerking van persoonsgegevens’, hierna ‚verwerking’ te noemen, elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

[...]

d)

‚voor de verwerking verantwoordelijke’, de natuurlijke of rechtspersoon, de overheidsinstantie, de dienst of enig ander lichaam die, respectievelijk dat, alleen of tezamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer het doel van en de middelen voor de verwerking worden vastgesteld bij nationale of communautaire wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, kan in het nationale of communautaire recht worden bepaald wie de voor de verwerking verantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen;

[...]”

5

Artikel 3 van die richtlijn, „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.”

6

Artikel 4 van diezelfde richtlijn, „Toepasselijk nationaal recht”, luidt als volgt:

„1.   Elke lidstaat past zijn nationale, ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen toe op de verwerking van persoonsgegevens indien:

a)

die wordt verricht in het kader van de activiteiten van een vestiging op het grondgebied van de lidstaat van de voor de verwerking verantwoordelijke; wanneer dezelfde verantwoordelijke een vestiging heeft op het grondgebied van verscheidene lidstaten, dient hij de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat elk van die vestigingen voldoet aan de verplichtingen die worden opgelegd door de toepasselijke nationale wetgeving;

b)

de voor de verwerking verantwoordelijke niet gevestigd is op het grondgebied van de lidstaat, maar in een plaats waar de nationale wet uit hoofde van het internationale publiekrecht van toepassing is;

c)

de voor de verwerking verantwoordelijke persoon niet gevestigd is op het grondgebied van de Gemeenschap en voor de verwerking van persoonsgegevens gebruik maakt van al dan niet geautomatiseerde middelen die zich op het grondgebied van genoemde lidstaat bevinden, behalve indien deze middelen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap slechts voor doorvoer worden gebruikt.

2.   In de in lid 1, sub c, bedoelde omstandigheden moet de voor de verwerking verantwoordelijke een op het grondgebied van de betrokken lidstaat gevestigde vertegenwoordiger aanwijzen, onverminderd rechtsvorderingen die tegen de voor de verwerking verantwoordelijke zelf kunnen worden ingesteld.”

7

In hoofdstuk II, afdeling I, „Beginselen betreffende de kwaliteit van de gegevens”, van richtlijn 95/46, bepaalt artikel 6 van die richtlijn het volgende:

„1.   De lidstaten bepalen dat de persoonsgegevens:

a)

eerlijk en rechtmatig moeten worden verwerkt;

b)

voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verkregen en vervolgens niet worden verwerkt op een wijze de onverenigbaar is met die doeleinden. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt niet als onverenigbaar beschouwd, mits de lidstaten passende garanties bieden;

c)

toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig moeten zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt;

d)

nauwkeurig dienen te zijn en, zo nodig, dienen te worden bijgewerkt; alle redelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de gegevens die, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt, onnauwkeurig of onvolledig zijn, uit te wissen of te corrigeren;

e)

in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is. De lidstaten voorzien in passende waarborgen voor persoonsgegevens die langer dan hierboven bepaald voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard.

2.   Op de voor de verwerking verantwoordelijke rust de plicht om voor de naleving van het bepaalde in lid 1 zorg te dragen.”

8

In hoofdstuk II, afdeling II, van richtlijn 95/46, „Beginselen betreffende de toelaatbaarheid van gegevensverwerking”, bepaalt artikel 7 van die richtlijn het volgende:

„De lidstaten bepalen dat de verwerking van persoonsgegevens slechts mag geschieden indien:

[...]

f)

de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van artikel 1, lid 1, van deze richtlijn, niet prevaleren.”

9

Artikel 9 van deze richtlijn, „Verwerking van persoonsgegevens en vrijheid van meningsuiting”, luidt als volgt:

„De lidstaten voorzien voor de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke of voor artistieke of literaire doeleinden in uitzonderingen op en afwijkingen van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de hoofdstukken IV en VI uitsluitend voor zover deze nodig blijken om het recht op persoonlijke levenssfeer te verzoenen met de regels betreffende de vrijheid van meningsuiting.”

10

Artikel 12 van diezelfde richtlijn, „Recht van toegang”, bepaalt:

„De lidstaten waarborgen elke betrokkene het recht van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen:

[...]

b)

naargelang van het geval, de rectificatie, de uitwissing of de afscherming van de gegevens waarvan de verwerking niet overeenstemt met de bepalingen van deze richtlijn, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens;

[...]”

11

Artikel 14 van richtlijn 95/46, „Recht van verzet van de betrokkene”, luidt als volgt:

„De lidstaten kennen de betrokkene het recht toe:

a)

zich ten minste in de gevallen, bedoeld in artikel 7, sub e en f, te allen tijde om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behoudens andersluidende bepalingen in de nationale wetgeving. In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de voor de verwerking verantwoordelijke persoon verrichte verwerking niet langer op deze gegevens betrekking hebben;

[...]”

12

Artikel 28 van deze richtlijn, „Toezichthoudende overheid”, luidt als volgt:

„1.   Elke lidstaat bepaalt dat een of meer autoriteiten worden belast met het toezicht op de toepassing op zijn grondgebied van de ter uitvoering van deze richtlijn door de lidstaten vastgestelde bepalingen.

[...]

3.   Elke toezichthoudende autoriteit beschikt met name over:

onderzoeksbevoegdheden, zoals het recht van toegang tot gegevens die het voorwerp vormen van een verwerking en het recht alle inlichtingen in te winnen die voor de uitoefening van haar toezichtstaak noodzakelijk zijn;

effectieve bevoegdheden om in te grijpen, zoals [...] de bevoegdheid om afscherming, uitwissing of vernietiging van gegevens te gelasten, dan wel een verwerking voorlopig of definitief te verbieden [...];

[...]

Tegen beslissingen van de toezichthoudende autoriteit kan beroep bij de rechter worden aangetekend.

4.   Een ieder kan in eigen persoon of door middel van een vereniging die als zijn vertegenwoordiger optreedt bij elke toezichthoudende autoriteit een verzoek indienen met betrekking tot de bescherming van zijn rechten en vrijheden in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Hij wordt van het gevolg dat daaraan wordt gegeven in kennis gesteld.

[...]

6.   Elke toezichthoudende autoriteit is bevoegd, ongeacht welk nationaal recht op de betrokken verwerking van toepassing is, op het grondgebied van haar eigen lidstaat de haar overeenkomstig lid 3 verleende bevoegdheden uit te oefenen. Elke autoriteit kan door een autoriteit van een andere lidstaat worden verzocht haar bevoegdheden uit te oefenen.

De toezichthoudende autoriteiten werken onderling samen voor zover zulks noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken, met name door de uitwisseling van alle nuttige inlichtingen.

[...]”

Spaans recht

13

Richtlijn 95/46 is omgezet in Spaans recht bij de organieke wet nr. 15/1999 van 13 december 1999 betreffende de bescherming van persoonsgegevens (BOE nr. 298 van 14 december 1999, blz. 43088).

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14

Op 5 maart 2010 heeft Costeja González, Spaans onderdaan en wonende te Spanje, bij de AEPD een klacht ingediend tegen La Vanguardia Ediciones SL, uitgeefster van een dagblad met grote oplage in met name Catalonië (Spanje) (hierna: „La Vanguardia”) en tegen Google Spain en Google Inc. Deze klacht was gebaseerd op de omstandigheid dat wanneer een internetgebruiker Costeja González’ naam ingaf in de zoekmachine van het Googleconcern (hierna: „Google Search”), er koppelingen verschenen naar twee pagina’s van het dagblad La Vanguardia van respectievelijk 19 januari en 9 maart 1998, met daarin een aankondiging met de naam van Costeja González betreffende een verkoop per opbod van gebouwen in het kader van een beslag ter terugvordering van socialezekerheidsschulden.

15

Met deze klacht verzocht Costeja González de AEPD ten eerste La Vanguardia te gelasten hetzij deze pagina’s te verwijderen of zodanig te wijzigen dat zijn persoonsgegevens niet langer werden getoond, hetzij deze gegevens te beschermen via bepaalde door de zoekmachines geboden instrumenten. Ten tweede verzocht hij de AEPD Google Spain of Google Inc. te gelasten zijn persoonsgegevens te verwijderen of te maskeren, zodat deze niet meer in de zoekresultaten en in de koppelingen van La Vanguardia zouden verschijnen. Costeja González heeft in dit verband gesteld dat het ten aanzien van hem toegepaste beslag sedert meerdere jaren volledig was afgehandeld en dat de vermelding ervan inmiddels elke relevantie had verloren.

16

Bij beslissing van 30 juli 2010 heeft de AEPD dit verzoek afgewezen voor zover het La Vanguardia betrof, waarbij de AEPD heeft geoordeeld dat de publicatie van de betrokken informatie door La Vanguardia een wettelijke grondslag had aangezien zij op last van de minister van Arbeid en Sociale Zaken had plaatsgevonden en ertoe strekte aan de openbare verkoop een maximale publiciteit te geven om zoveel mogelijk bieders aan te trekken.

17

Daarentegen is dezelfde klacht gegrond verklaard voor zover zij tegen Google Spain en Google Inc. was ingesteld. De AEPD heeft geoordeeld dat de exploitanten van zoekmachines onder de wetgeving betreffende de bescherming van persoonsgegevens vallen daar zij persoonsgegevens verwerken waarvoor zij verantwoordelijk zijn en zij optreden als tussenpersoon in de informatiemaatschappij. Volgens haar kan zij de verwijdering van gegevens gelasten en exploitanten van zoekmachines de toegang tot bepaalde gegevens ontzeggen wanneer zij van mening is dat de lokalisatie en de verspreiding ervan kunnen leiden tot een aantasting van het grondrecht op gegevensbescherming en van de waardigheid van personen in ruime zin, wat tevens de eenvoudige wens van de betrokkene omvat dat derden deze gegevens niet kennen. De AEPD heeft geoordeeld dat deze verplichting rechtstreeks voor exploitanten van zoekmachines kan gelden, waarbij het niet noodzakelijk is dat de gegevens of de informatie worden verwijderd van de website waarop zij zijn geplaatst, met name niet wanneer het behoud van deze informatie op deze site een wettelijke grondslag heeft.

18

Google Spain en Google Inc. hebben tegen deze beslissing afzonderlijk beroep ingesteld bij de Audiencia Nacional, die deze twee beroepen heeft gevoegd.

19

In haar verwijzingsbeslissing zet deze rechterlijke instantie uiteen dat deze beroepen de vraag doen rijzen naar de plichten van exploitanten van zoekmachines inzake de bescherming van persoonsgegevens van betrokken personen, die niet wensen dat bepaalde informatie, die door derden op het internet is gepubliceerd en die hun persoonsgegevens bevat op basis waarvan deze informatie met deze personen in verband kan worden gebracht, oneindig wordt gelokaliseerd, geïndexeerd en ter beschikking van internetgebruikers wordt gesteld. Het antwoord op deze vraag hangt af van de wijze waarop richtlijn 95/46 moet worden uitgelegd in de context van deze technologieën, die na de publicatie van deze richtlijn hun intrede hebben gedaan.

20

Daarop heeft de Audiencia Nacional de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Met betrekking tot de territoriale werkingssfeer van richtlijn [95/46] en bijgevolg van de Spaanse wetgeving inzake gegevensbescherming:

a)

Moet worden aangenomen dat er sprake is van ‚vestiging’ in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van [richtlijn 95/46] in een of meerdere van de volgende gevallen:

wanneer de exploitant van een zoekmachine in een lidstaat een bijkantoor of dochteronderneming opricht ten behoeve van de promotie en verkoop van door deze zoekmachine aangeboden advertentieruimte en waarvan de activiteiten op de inwoners van die lidstaat zijn gericht;

of

wanneer de moedermaatschappij een dochteronderneming in die lidstaat aanwijst als haar vertegenwoordigster en verantwoordelijke voor de verwerking van twee concrete bestanden met de gegevens van de klanten die reclameovereenkomsten met die onderneming hebben gesloten,

of

wanneer het bijkantoor of de dochteronderneming gevestigd in een lidstaat, klachten en sommaties van zowel betrokkenen als de bevoegde autoriteiten betreffende de handhaving van het recht van gegevensbescherming doorzendt aan de moedermaatschappij, die buiten de Europese Unie is gevestigd, zelfs wanneer die samenwerking vrijwillig is?

b)

Moet artikel 4, lid 1, sub c, van [richtlijn 95/46] aldus worden uitgelegd dat er sprake is van ‚gebruikmaking van middelen die zich op het grondgebied van genoemde lidstaat bevinden’,

wanneer een zoekmachine gebruik maakt van spiders of robots voor het lokaliseren en indexeren van gegevens op internetpagina’s die zich op servers in die lidstaat bevinden, of

wanneer deze een bij die lidstaat behorende domeinnaam gebruikt en de zoekopdrachten en resultaten stuurt aan de hand van de taal van die lidstaat?

c)

Kan de tijdelijke opslag van de door internetzoekmachines geïndexeerde informatie worden aangemerkt als gebruikmaking van middelen in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van [richtlijn 95/46]? Zo ja, kan dit aanknopingscriterium dan als vervuld worden beschouwd wanneer de onderneming op grond van concurrentieoverwegingen weigert de plaats aan te geven waar zij deze indexen opslaat?

d)

Los van het antwoord op de voorgaande vragen en met name voor het geval dat het Hof meent dat niet is voldaan aan de aanknopingscriteria van artikel 4 van [...] richtlijn [95/46]:

Moet [richtlijn 95/46], in het licht van artikel 8 van het [Handvest], worden toegepast in de lidstaat waar zich het zwaartepunt van het geschil bevindt en waar een meer doeltreffend toezicht op de rechten van de burgers van de [...] Unie mogelijk is?

2)

In verband met de activiteit van de zoekmachines als leveranciers van content met betrekking tot [richtlijn 95/46]:

a)

wat de activiteit van [Google Search], als leverancier van content, betreft, bestaande in het vinden van door derden op internet gepubliceerde of opgeslagen informatie, het automatisch indexeren ervan, het tijdelijk opslaan ervan en ten slotte het ter beschikking stellen ervan aan internetgebruikers in een bepaalde volgorde, wanneer die informatie persoonsgegevens van derden bevat, moet een activiteit als hierboven omschreven worden geacht te vallen onder het begrip ‚verwerking van persoonsgegevens’ in artikel 2, sub b, van [richtlijn 95/46]?

b)

Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, en nog steeds in verband met een activiteit als boven omschreven:

Moet artikel 2, sub d, van [richtlijn 95/46] aldus worden uitgelegd dat de onderneming die [Google Search] exploiteert, de ‚voor de verwerking verantwoordelijke’ is met betrekking tot de persoonsgegevens op de internetpagina’s die zij indexeert?

c)

Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt:

Kan de [AEPD] ter bescherming van de rechten van de artikelen 12, sub b, en 14, [eerste alinea], sub a, van [richtlijn 95/46] zich rechtstreeks tot [Google Search] richten en verlangen dat zij door derden gepubliceerde gegevens uit haar indexen verwijdert, zonder zich eerst of tegelijkertijd te wenden tot de houder van de internetpagina waarop zich die informatie bevindt?

d)

Indien het antwoord op deze laatste vraag bevestigend luidt:

Vervalt de verplichting van de exploitant van de zoekmachine om deze rechten te beschermen wanneer de informatie waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen, door derden rechtmatig is gepubliceerd en op de oorspronkelijke internetpagina gehandhaafd blijft?

3)

Met betrekking tot de omvang van het recht op verwijdering en/of het recht op verzet tegen de verwerking van de gegevens betreffende de betrokkene, in het kader van het recht te worden vergeten, wordt de volgende vraag voorgelegd:

Moet het in artikel 12, sub b, van [richtlijn 95/46] bedoelde recht op uitwissing en afscherming van persoonsgegevens en het in artikel 14, [eerste alinea], sub a, van [richtlijn 95/46] bedoelde recht van verzet tegen de verwerking ervan aldus worden uitgelegd dat de betrokkene zich tot de exploitant van de zoekmachine kan wenden teneinde de indexering van zijn persoon betreffende informatie te verhinderen die op internetpagina’s van derden zijn gepubliceerd, daarbij als zijn wens te kennen gevend dat deze informatie niet bekend wordt bij internetgebruikers wanneer deze hem naar zijn mening schade kan berokkenen, of vergeten wordt, hoewel het om door derden rechtmatig gepubliceerde informatie gaat?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Tweede vraag, sub a en b, betreffende de materiële werkingssfeer van richtlijn 95/46

21

Met zijn tweede vraag, sub a en b, die allereerst moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46 aldus moet worden uitgelegd dat de activiteit van een content aanleverende zoekmachine, die erin bestaat door derden op internet gepubliceerde of opgeslagen informatie te vinden, automatisch te indexeren, tijdelijk op te slaan en, ten slotte, in een bepaalde volgorde ter beschikking te stellen aan internetgebruikers, moet worden gekwalificeerd als „verwerking van persoonsgegevens” in de zin van deze bepaling, wanneer die informatie persoonsgegevens bevat. Bij een bevestigend antwoord wenst de verwijzende rechter bovendien te vernemen of dit artikel 2, sub d, aldus moet worden uitgelegd dat de exploitant van een zoekmachine moet worden geacht de „verantwoordelijke” te zijn voor de verwerking van persoonsgegevens, in de zin van deze bepaling.

22

Volgens Google Spain en Google Inc. kan de activiteit van zoekmachines niet worden geacht een verwerking te vormen van de gegevens die zijn gepubliceerd op de webpagina’s van derden die in de zoekresultatenlijst worden weergegeven, daar deze zoekmachines de via het internet toegankelijke informatie in hun geheel behandelen zonder daarbij een onderscheid te maken tussen persoonsgegevens en andere informatie. Bovendien kan de exploitant van een zoekmachine, gesteld al dat deze activiteit als „verwerking van gegevens” moet worden gekwalificeerd, niet worden geacht de „verantwoordelijke” voor deze verwerking te zijn daar hij deze gegevens niet kent en niet controleert.

23

Daarentegen zijn Costeja González, de Spaanse, de Italiaanse, de Oostenrijkse en de Poolse regering en de Europese Commissie van mening dat deze activiteit duidelijk een „verwerking van gegevens” behelst in de zin van richtlijn 95/46, die verschilt van de gegevensverwerking door webredacteurs en in vergelijking daarmee andere doelstellingen nastreeft. De exploitant van een zoekmachine is „verantwoordelijk” voor de door hem verrichte gegevensverwerking aangezien hij het doel van en de middelen voor deze verwerking vaststelt.

24

Volgens de Griekse regering vormt de betrokken activiteit een dergelijke „verwerking”, maar kunnen de bedrijven die deze machines exploiteren – voor zover de zoekmachines louter als medium fungeren – niet worden geacht „verantwoordelijken” te zijn, tenzij zij langer dan technisch noodzakelijk is gegevens in een „tijdelijk” of „cachegeheugen” opslaan.

25

In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46 de „verwerking van persoonsgegevens” omschrijft als „elke bewerking of geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens”.

26

Aangaande in het bijzonder het internet, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het plaatsen van persoonsgegevens op een internetpagina als een dergelijke „verwerking” in de zin van artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46 moet worden aangemerkt (zie arrest Lindqvist, C‑101/01, EU:C:2003:596, punt 25).

27

Aangaande de in het hoofdgeding aan de orde zijnde activiteit, wordt niet betwist dat de door de zoekmachines gevonden, geïndexeerde, bewaarde en aan de gebruikers ervan ter beschikking gestelde gegevens tevens gegevens bevatten over geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen en dus „persoonsgegevens” in de zin van artikel 2, sub a, van deze richtlijn.

28

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat door geautomatiseerd, onophoudelijk en systematisch op het internet te zoeken naar aldaar gepubliceerde informatie, de exploitant van een zoekmachine dergelijke gegevens „verzamelt”, die hij vervolgens via zijn indexeringsprogramma’s „opvraagt”, „vastlegt” en „ordent”, op zijn servers „bewaart” en, in voorkomend geval, „verstrekt aan” en „ter beschikking stelt van” zijn gebruikers in de vorm van resultatenlijsten van hun zoekopdrachten. Aangezien deze verrichtingen uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk door artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46 worden beoogd, moeten zij als „verwerking” in de zin van deze bepaling worden gekwalificeerd, zonder dat het daarbij van belang is dat de exploitant van de zoekmachine dezelfde verrichtingen tevens op andere soorten informatie toepast en daarbij geen onderscheid maakt tussen deze informatie en de persoonsgegevens.

29

Aan de voorgaande vaststelling wordt evenmin afgedaan door de omstandigheid dat deze gegevens reeds op het internet zijn gepubliceerd en niet door deze zoekmachine zijn gewijzigd.

30

Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat ook wanneer de door artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46 beoogde verrichtingen uitsluitend betrekking hebben op informatie die reeds ongewijzigd in de media is gepubliceerd, zij als een dergelijke verwerking moeten worden gekwalificeerd. Het Hof heeft in dit verband immers opgemerkt dat bij een algemene afwijking van de toepassing van richtlijn 95/46 in een dergelijke hypothese deze richtlijn grotendeels zinloos zou worden (zie in die zin arrest Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia, C‑73/07, EU:C:2008:727, punten 48 en 49).

31

Bovendien vloeit uit de omschrijving in artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46 voort dat, hoewel de wijziging van persoonsgegevens ongetwijfeld een verwerking ervan vormt in de zin van die bepaling, voor de andere in die bepaling vermelde verrichtingen daarentegen geenszins is vereist dat deze gegevens worden gewijzigd.

32

Aangaande de vraag of de exploitant van een zoekmachine al dan niet moet worden geacht de „verantwoordelijke” te zijn voor de door deze zoekmachine verrichte „verwerking” van persoonsgegevens in het kader van een activiteit als aan de orde in het hoofdgeding, moet in herinnering worden gebracht dat artikel 2, sub d, van richtlijn 95/46 deze verantwoordelijke omschrijft als „de natuurlijke of rechtspersoon, de overheidsinstantie, de dienst of enig ander lichaam die, respectievelijk dat, alleen of tezamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt”.

33

Het is de exploitant van de zoekmachine die het doel van en de middelen voor deze activiteit vaststelt en dus van de door hem zelf in dat kader verrichte verwerking van persoonsgegevens, zodat hij krachtens dat artikel 2, sub d, moet worden geacht de „verantwoordelijke” voor deze verwerking te zijn.

34

Overigens moet worden vastgesteld dat het niet enkel in strijd zou zijn met de duidelijke bewoordingen, maar tevens met de doelstelling van deze bepaling, die erin bestaat een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te verzekeren via een ruime omschrijving van het begrip „verantwoordelijke”, indien de exploitant van een zoekmachine van die omschrijving zou worden uitgesloten omdat hij geen controle uitoefent over de op webpagina’s van derden gepubliceerde persoonsgegevens.

35

In dit verband moet worden benadrukt dat de in het kader van de activiteit van een zoekmachine verrichte verwerking van persoonsgegevens verschilt van de door webredacteurs verrichte verwerking van persoonsgegevens, die erin bestaat deze gegevens op een webpagina te plaatsen, en bovenop deze laatstgenoemde verwerking komt.

36

Bovendien staat vast dat deze activiteit van zoekmachines een beslissende rol speelt bij de wereldwijde verspreiding van deze gegevens, doordat zij deze toegankelijk maakt voor elke internetgebruiker die op de naam van de betrokkene zoekt, daaronder begrepen de internetgebruikers die anders de webpagina waarop diezelfde gegevens zijn gepubliceerd niet hadden gevonden.

37

Verder kan de door de zoekmachines verrichte ordening en samenvoeging van de op het internet gepubliceerde informatie, teneinde de gebruikers van deze machines gemakkelijker toegang tot deze informatie te verschaffen, ertoe leiden dat, wanneer deze gebruikers op de naam van een natuurlijke persoon zoeken, zij via de resultatenlijst een gestructureerd overzicht krijgen van de over deze persoon op het internet vindbare informatie, waardoor zij een min of meer gedetailleerd profiel van de betrokkene kunnen opstellen.

38

Aangezien de activiteit van een zoekmachine de grondrechten op privéleven en op bescherming van persoonsgegevens dus aanzienlijk kan aantasten, bovenop de aantasting daarvan door de activiteit van de webredacteurs, moet de exploitant van deze machine – als persoon die het doel van en de middelen voor deze activiteit vaststelt – in het kader van zijn verantwoordelijkheden, zijn bevoegdheden en zijn mogelijkheden verzekeren dat deze activiteit voldoet aan de vereisten van richtlijn 95/46, opdat de daarin vervatte waarborgen hun volle werking kunnen krijgen en een doelmatige en volledige bescherming van de betrokkenen, en met name van de eerbiediging van hun recht op privéleven, daadwerkelijk tot stand kan worden gebracht.

39

Tot slot betekent de omstandigheid dat de webredacteurs via met name uitsluitingsprotocollen, zoals „robot.txt” of codes zoals „noindex” of „noarchive”, de exploitanten van zoekmachines ervan op de hoogte kunnen brengen dat zij wensen dat bepaalde op hun site gepubliceerde informatie geheel of gedeeltelijk van de automatische indexen van deze machines wordt uitgesloten, niet dat het ontbreken van een dergelijke aanduiding door deze redacteuren de exploitant van een zoekmachine bevrijdt van zijn verantwoordelijkheid voor de in het kader van de activiteit van deze machine door hem verrichte verwerking van persoonsgegevens.

40

Deze omstandigheid doet immers niet af aan het feit dat het doel van en de middelen voor deze verwerking door deze exploitant worden vastgesteld. Bovendien doet, gesteld al dat deze mogelijkheid voor de webredacteurs betekent dat zij samen met deze exploitant de middelen voor deze verwerking vaststellen, deze vaststelling niets af aan de verantwoordelijkheid van laatstgenoemde, daar artikel 2, sub d, van richtlijn 95/46 uitdrukkelijk bepaalt dat dit doel en deze middelen „alleen of tezamen met anderen” kunnen worden vastgesteld.

41

Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat op de tweede vraag, sub a en b, moet worden geantwoord dat artikel 2, sub b en d, van richtlijn 95/46 aldus moet worden uitgelegd dat, ten eerste, de activiteit van een zoekmachine, die erin bestaat door derden op het internet gepubliceerde of opgeslagen informatie te vinden, automatisch te indexeren, tijdelijk op te slaan en, ten slotte, in een bepaalde volgorde ter beschikking te stellen aan internetgebruikers, moet worden gekwalificeerd als „verwerking van persoonsgegevens” in de zin van dit artikel 2, sub b, wanneer deze informatie persoonsgegevens bevat, en, ten tweede, de exploitant van deze zoekmachine moet worden geacht de „verantwoordelijke” voor deze verwerking te zijn, in de zin van dat artikel 2, sub d.

Eerste vraag, sub a tot en met d, betreffende de territoriale werkingssfeer van richtlijn 95/46

42

Met zijn eerste vraag, sub a tot en met d, beoogt de verwijzende rechter vast te stellen of de nationale wetgeving ter omzetting van richtlijn 95/46 kan worden toegepast in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding.

43

In die context heeft de verwijzende rechter de volgende feiten vastgesteld:

Google Search wordt wereldwijd aangeboden via de website „www.google.com”. In verschillende staten bestaan lokale versies die aan de nationale taal zijn aangepast. De Spaanse taalversie van Google Search wordt aangeboden via de website „www.google.es”, die sedert 16 september 2003 is geregistreerd. In Spanje is Google Search is een van de meest gebruikte zoekmachines.

Google Search wordt geëxploiteerd door Google Inc., de moedermaatschappij van het Googleconcern, waarvan de maatschappelijke zetel in de Verenigde Staten is gevestigd.

Google Search indexeert websites over de hele wereld, waaronder websites die zich in Spanje bevinden. De informatie die wordt geïndexeerd door haar „web spiders” of haar indexeringsrobots, namelijk computerprogramma’s die worden gebruikt om de content van webpagina’s methodisch en geautomatiseerd op de sporen en te scannen, wordt tijdelijk opgeslagen op servers, waarvan onbekend is in welk land zij zijn geplaatst aangezien deze informatie uit concurrentieoverwegingen geheim wordt gehouden.

Google Search beperkt zich niet tot het verlenen van toegang tot de content die op de geïndexeerde websites wordt gehost, maar gebruikt deze activiteit om, tegen betaling, met de door de internetgebruiker ingegeven zoektermen verbonden advertenties op te nemen van ondernemingen die dit instrument wensen te gebruiken om hun goederen of diensten aan deze internetgebruikers aan te bieden.

Het Googleconcern doet een beroep op haar dochteronderneming Google Spain voor de verkoopbevordering van op de website „www.google.com” ter beschikking gestelde advertentieruimte. Google Spain, dat is opgericht op 3 september 2003 en over eigen rechtspersoonlijkheid beschikt, heeft haar maatschappelijke zetel in Madrid (Spanje). Zij richt haar activiteiten voornamelijk op in Spanje gevestigde bedrijven, waarbij zij als handelsagente voor dit concern in deze lidstaat optreedt. Haar maatschappelijk doel is het bevorderen en vergemakkelijken van de onlineverkoop aan derden van advertentieproducten en ‑diensten, het verkopen van deze producten en diensten en het verzorgen van de marketing voor deze advertenties.

Google Inc. heeft Google Spain aangewezen als verantwoordelijke voor de verwerking in Spanje van twee bestanden die Google Inc. bij de AEPD heeft aangemeld, daar deze bestanden tot doel hebben de persoonsgegevens op te slaan van klanten die met Google Inc. reclameovereenkomsten hebben gesloten.

44

Concreet twijfelt de verwijzende rechter in hoofdzaak over het begrip „vestiging”, in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46, en over het begrip „gebruik[maken] van [...] middelen die zich op het grondgebied van genoemde lidstaat bevinden”, in de zin van dat artikel 4, lid 1, sub c.

Eerste vraag, sub a

45

Met zijn eerste vraag, sub a, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46 aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van een verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging op het grondgebied van de lidstaat van de voor de verwerking verantwoordelijke, in de zin van deze bepaling, indien aan een of meerdere van de volgende drie voorwaarden is voldaan:

de exploitant van een zoekmachine richt in een lidstaat een bijkantoor of een dochteronderneming op ten behoeve van het promoten en de verkoop van door deze zoekmachine aangeboden advertentieruimte en waarvan de activiteiten op de inwoners van die lidstaat zijn gericht, of

de moedermaatschappij wijst een in deze lidstaat gevestigde dochteronderneming aan als haar vertegenwoordigster en als verantwoordelijke voor de verwerking van twee specifieke bestanden met de gegevens van klanten die reclameovereenkomsten met die onderneming hebben gesloten, of

het bijkantoor of de dochteronderneming gevestigd in een lidstaat zendt klachten en sommaties betreffende de handhaving van het recht van gegevensbescherming, afkomstig van zowel de betrokkenen als de bevoegde autoriteiten, door aan de buiten de Unie gevestigde moedermaatschappij, zelfs wanneer die samenwerking vrijwillig is.

46

Aangaande de eerste van deze drie voorwaarden merkt de verwijzende rechter op dat Google Search wordt geëxploiteerd en beheerd door Google Inc. en dat niet is aangetoond dat Google Spain in Spanje een activiteit verricht die een rechtstreekse band heeft met het indexeren of opslaan van informatie of van gegevens die van websites van derden afkomstig zijn. Het promoten en de verkoop van advertentieruimte, die Google Spain in Spanje verzorgt, vormen volgens de verwijzende rechter echter het hoofdonderdeel van de commerciële activiteit van het Googleconcern en kan worden geacht nauw met Google Search te zijn verbonden.

47

Costeja González, de Spaanse, de Italiaanse, de Oostenrijkse en de Poolse regering en de Commissie zijn van mening dat, gelet op de onlosmakelijke band tussen de activiteit van de door Google Inc. geëxploiteerde zoekmachine en de activiteit van Google Spain, laatstgenoemde moet worden geacht een vestiging van eerstgenoemde te vormen binnen het activiteitenkader waarvan de persoonsgegevens worden verwerkt. Daarentegen zijn Google Spain, Google Inc. en de Griekse regering van mening dat artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46 niet van toepassing is in het geval waarin aan de eerste van de drie door de verwijzende rechter vermelde voorwaarden is voldaan.

48

In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat punt 19 van de considerans van richtlijn 95/46 preciseert dat „de vestiging op het grondgebied van een lidstaat het effectief en daadwerkelijk uitoefenen van activiteiten door een vaste vestiging veronderstelt” en „dat de rechtsvorm van een dergelijke vestiging, of het nu gaat om een bijkantoor of om een dochteronderneming met rechtspersoonlijkheid, hier niet doorslaggevend is”.

49

Niet betwist wordt dat Google Spain via een vaste vestiging in Spanje daadwerkelijk en reëel een activiteit verricht. Aangezien zij bovendien eigen rechtspersoonlijkheid heeft, vormt zij dus een dochteronderneming van Google Inc. op het Spaanse grondgebied en derhalve een „vestiging” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46.

50

Verder is slechts aan het in deze bepaling gestelde criterium voldaan indien de verwerking van persoonsgegevens door de daarvoor verantwoordelijke wordt „verricht in het kader van de activiteiten” van een vestiging van deze verantwoordelijke op het grondgebied van een lidstaat.

51

Volgens Google Spain en Google Inc. is dit niet het geval, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwerking van persoonsgegevens uitsluitend wordt verricht door Google Inc., die Google Search exploiteert zonder enige tussenkomst van Google Spain, waarvan de activiteit is beperkt tot het ondersteunen van de reclameactiviteit van het Googleconcern, die losstaat van zijn zoekmachinedienst.

52

Zoals met name de Spaanse regering en de Commissie hebben benadrukt, vereist artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46 echter niet dat de betrokken verwerking van persoonsgegevens wordt verricht „door” de betrokken vestiging zelf, maar enkel dat die wordt verricht „in het kader van de activiteiten” van deze vestiging.

53

Bovendien mag, gelet op de doelstelling van richtlijn 95/46 om in verband met de verwerking van persoonsgegevens een adequate en volledige bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, inzonderheid van het recht op persoonlijke levenssfeer, te waarborgen, laatstgenoemde zinsnede niet restrictief worden uitgelegd (zien naar analogie arrest L’Oréal e.a., C‑324/09, EU:C:2011:474, punten 62 en 63).

54

In deze context moet worden opgemerkt dat met name uit de punten 18 tot en met 20 van de considerans van richtlijn 95/46 en uit artikel 4 ervan blijkt dat de Uniewetgever, door te voorzien in een bijzonder ruime territoriale werkingssfeer, wenste te vermijden dat een persoon van de door deze richtlijn gewaarborgde bescherming zou worden uitgesloten en dat deze bescherming zou worden omzeild.

55

Gelet op deze doelstelling van richtlijn 95/46 en de bewoordingen van artikel 4, lid 1, sub a, ervan, moet worden geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van een dienst van een zoekmachine zoals Google Search, die wordt geëxploiteerd door een onderneming die haar maatschappelijke zetel heeft in een derde land maar beschikt over een vestiging in een lidstaat, wordt verricht „in het kader van de activiteiten” van deze vestiging indien die vestiging bestemd is om in die lidstaat de promotie en de verkoop te verzekeren van door deze zoekmachine aangeboden advertentieruimte, die de door deze machine aangeboden dienst rendabel moet maken.

56

In dergelijke omstandigheden zijn de activiteiten van de exploitant van de zoekmachine en die van zijn in de betrokken lidstaat gevestigde vestiging immers onlosmakelijk met elkaar verbonden, daar de activiteiten inzake de advertentieruimtes het middel vormen om de betrokken zoekmachine economisch rendabel te maken en deze machine tegelijkertijd het middel is waardoor deze activiteiten kunnen worden verricht.

57

In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat, zoals in de punten 26 tot en met 28 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, de weergave zelf van persoonsgegevens in de resultatenlijst van een zoekopdracht een verwerking van dergelijke gegevens vormt. Aangezien de weergave van deze resultatenlijst gepaard gaat met de weergave, op dezelfde webpagina, van met de zoektermen verbonden advertenties, moet worden vastgesteld dat de betrokken verwerking van persoonsgegevens wordt verricht in het kader van de reclame‑ en handelsactiviteit van de vestiging van de voor de verwerking verantwoordelijke op het grondgebied van een lidstaat, in casu op het Spaanse grondgebied.

58

In die omstandigheden kan niet worden aanvaard dat de ten behoeve van de werking van deze zoekmachine verrichte verwerking van persoonsgegevens zou zijn vrijgesteld van de verplichtingen en waarborgen van richtlijn 95/46, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan het nuttig effect van deze richtlijn en aan de doeltreffende en volledige bescherming van de fundamentele vrijheden en rechten van natuurlijke personen die zij beoogt te verzekeren (zie naar analogie arrest L’Oréal e.a., EU:C:2011:474, punten 62 en 63), en met name van de eerbiediging van hun privéleven, in verband met de verwerking van persoonsgegevens, waaraan deze richtlijn een bijzonder belang hecht en zoals met name in artikel 1, lid 1, ervan en in de punten 2 en 10 van de considerans ervan is bevestigd (zie in die zin arresten Österreichischer Rundfunk e.a., C‑465/00, C‑138/01 en C‑139/01, EU:C:2003:294, punt 70; Rijkeboer, C‑553/07, EU:C:2009:293, punt 47, en IPI, C‑473/12, EU:C:2013:715, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59

Aangezien de eerste van de door de verwijzende rechter vermelde voorwaarden op zich volstaat om vast te stellen dat een vestiging zoals Google Spain voldoet aan de criteria van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46, hoeven de andere twee voorwaarden niet te worden onderzocht.

60

Uit het voorgaande volgt dat op de eerste vraag, sub a, moet worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46 aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van een verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van de voor de verwerking verantwoordelijke op het grondgebied van de lidstaat, in de zin van deze bepaling, wanneer de exploitant van een zoekmachine in een lidstaat ten behoeve van het promoten en de verkoop van door deze zoekmachine aangeboden advertentieruimte een bijkantoor of een dochteronderneming opricht waarvan de activiteiten op de inwoners van die lidstaat zijn gericht.

Eerste vraag, sub b tot en met d

61

Gelet op het antwoord op de eerste vraag, sub a, hoeft op de eerste vraag, sub b tot en met d, niet te worden geantwoord.

Tweede vraag, sub c en d, betreffende de omvang van de verantwoordelijkheid van de exploitant van een zoekmachine krachtens richtlijn 95/46

62

Met zijn tweede vraag, sub c en d, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 aldus moeten worden uitgelegd dat, om de in deze bepalingen voorziene rechten na te leven, de exploitant van een zoekmachine verplicht is om van de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, de koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie over deze persoon is te vinden, ook indien deze naam of deze informatie niet vooraf of gelijktijdig van deze webpagina’s is gewist en, in voorkomend geval, zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is.

63

Volgens Google Spain en Google Inc. moet krachtens het evenredigheidsbeginsel elk verzoek om verwijdering van informatie worden gericht aan de redacteur van de betrokken webpagina, aangezien hij de verantwoordelijkheid op zich neemt om de informatie te publiceren, in staat is om de rechtmatigheid van deze publicatie te beoordelen en over de meest doeltreffende en minst restrictieve middelen beschikt om deze informatie ontoegankelijk te maken. Bovendien houdt de verplichting voor de exploitant van een zoekmachine om op het internet gepubliceerde informatie van zijn index te verwijderen onvoldoende rekening met de grondrechten van de webredacteurs, van andere internetgebruikers en van deze exploitant zelf.

64

Volgens de Oostenrijkse regering kan een nationale toezichthoudende autoriteit een dergelijke exploitant uitsluitend gelasten de door derden gepubliceerde informatie van zijn bestanden te wissen indien de onrechtmatigheid of de onnauwkeurigheid van de betrokken gegevens vooraf is vastgesteld of indien de betrokkene succesvol heeft geprotesteerd bij de redacteur van de webpagina waarop deze informatie is gepubliceerd.

65

Costeja González, de Spaanse, de Italiaanse en de Poolse regering en de Commissie zijn van mening dat de nationale autoriteit de exploitant van een zoekmachine rechtstreeks kan gelasten de door derden gepubliceerde informatie die persoonsgegevens bevat van zijn index en van zijn tijdelijk geheugen te verwijderen, zonder dat deze instantie zich vooraf of gelijktijdig hoeft te richten tot de redacteur van de webpagina waarop deze informatie zich bevindt. Bovendien zijn Costeja González, de Spaanse en de Italiaanse regering en de Commissie van mening dat de omstandigheid dat deze informatie rechtmatig is gepubliceerd en zij nog altijd op de originele webpagina wordt weergegeven, niet afdoet aan de krachtens richtlijn 95/46 op deze exploitant rustende verplichtingen. Daarentegen is de Poolse regering van mening dat deze omstandigheid de exploitant van zijn verplichtingen kan bevrijden.

66

Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat zoals volgt uit artikel 1 van richtlijn 95/46 en uit punt 10 van de considerans ervan, deze richtlijn beoogt een hoog niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, en met name van hun privéleven, bij de verwerking van persoonsgegevens te waarborgen (zie in die zin arrest IPI, EU:C:2013:715, punt 28).

67

Volgens punt 25 van de considerans van richtlijn 95/46 komen de beginselen van de bescherming waarin deze richtlijn voorziet tot uiting, enerzijds, in de verplichtingen die worden opgelegd aan de personen die de verwerkingen uitvoeren en die met name betrekking hebben op de kwaliteit van de gegevens, de technische beveiliging, de aanmelding bij de toezichthoudende autoriteit en de omstandigheden waarin de verwerking kan worden uitgevoerd en, anderzijds, in het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten.

68

Het Hof heeft reeds geoordeeld dat richtlijn 95/46, doordat zij een regeling treft in verband met de verwerking van persoonsgegevens die afbreuk kan doen aan de fundamentele vrijheden, en inzonderheid aan het recht op privéleven, noodzakelijkerwijs moet worden uitgelegd op basis van de grondrechten, die volgens vaste rechtspraak integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, en die thans in het Handvest zijn opgenomen (zie met name arresten Connolly/Commissie, C‑274/99 P, EU:C:2001:127, punt 37, en Österreichischer Rundfunk e.a., EU:C:2003:294, punt 68).

69

Aldus waarborgt artikel 7 van het Handvest het recht op eerbiediging van het privéleven, terwijl artikel 8 van het Handvest uitdrukkelijk het recht op bescherming van persoonsgegevens waarborgt. De leden 2 en 3 van laatstgenoemd artikel preciseren dat deze gegevens eerlijk moeten worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet, dat eenieder het recht van inzage heeft in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan en dat een onafhankelijke autoriteit erop toeziet dat deze regels worden nageleefd. Deze vereisten zijn met name bij de artikelen 6, 7, 12, 14 en 28 van richtlijn 95/46 uitgevoerd.

70

Wat artikel 12, sub b, van richtlijn 95/46 betreft, daarin is bepaald dat de lidstaten elke betrokkene het recht waarborgen om van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen, naargelang het geval, de rectificatie, de uitwissing of de afscherming van de gegevens waarvan de verwerking niet overeenstemt met de bepalingen van richtlijn 95/46, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens. Aangezien deze laatste precisering betreffende het geval waarin bepaalde vereisten van artikel 6, lid 1, sub d, van richtlijn 95/46 niet zijn nageleefd, illustratief en niet exhaustief is, kan ook de niet-naleving van andere voorwaarden van deze richtlijn met betrekking tot de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens ertoe leiden dat deze verwerking onrechtmatig is, waardoor de betrokkene in aanmerking kan komen voor het recht dat door artikel 12, sub b, van deze richtlijn wordt gewaarborgd.

71

In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat, behoudens de op grond van artikel 13 van richtlijn 95/46 toegestane uitzonderingen, elke verwerking van persoonsgegevens, ten eerste, moet stroken met de in artikel 6 van deze richtlijn vermelde beginselen betreffende de kwaliteit van de gegevens, en, ten tweede, moet beantwoorden aan een van de in artikel 7 van deze richtlijn vermelde beginselen betreffende de toelaatbaarheid van gegevensverwerking (zie arresten Österreichischer Rundfunk e.a., EU:C:2003:294, punt 65; ASNEF en FECEMD, C‑468/10 en C‑469/10, EU:C:2011:777, punt 26, en Worten, C‑342/12, EU:C:2013:355, punt 33).

72

Volgens artikel 6 en behoudens specifieke bepalingen waarin de lidstaten kunnen voorzien voor verwerkingen voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, staat het aan de voor de verwerking verantwoordelijke om te verzekeren dat de persoonsgegevens „eerlijk en rechtmatig [...] worden verwerkt”, dat zij „voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden [...] worden verkregen en vervolgens niet worden verwerkt op een wijze de onverenigbaar is met die doeleinden”, dat zij „toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig [...] zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt”, dat zij „nauwkeurig [...] zijn en, zo nodig, [...] worden bijgewerkt”, en, tot slot, dat zij „in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer [...] worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is”. In die context moet deze verantwoordelijke alle redelijke maatregelen nemen om de gegevens die niet aan deze vereisten voldoen, te wissen of te rectificeren.

73

Aangaande de toelaatbaarheid, uit hoofde van artikel 7 van richtlijn 95/46, van een verwerking als aan de orde in het hoofdgeding, die is verricht door een exploitant van een zoekmachine, moet worden vastgesteld dat deze verwerking onder de in artikel 7, sub f, vermelde reden kan vallen.

74

Op grond van deze bepaling kunnen persoonsgegevens worden verwerkt indien deze verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt, op voorwaarde dat het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, en met name zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven bij de verwerking van persoonsgegevens, welke rechten volgens artikel 1, lid 1, van deze richtlijn moeten worden beschermd, niet prevaleren. Aldus brengt de toepassing van dit artikel 7, sub f, noodzakelijkerwijze een afweging met zich mee van de aan de orde zijnde tegengestelde rechten en belangen, in het kader waarvan rekening moet worden gehouden met het belang van de uit de artikelen 7 en 8 van het Handvest voortvloeiende rechten van de betrokkene (zie arrest ASNEF en FECEMD, EU:C:2011:777, punten 38 en 40).

75

Ofschoon de overeenstemming van de verwerking met de artikelen 6 en 7, sub f, van richtlijn 95/46, kan worden getoetst in het kader van een verzoek in de zin van artikel 12, sub b, van deze richtlijn, kan de betrokkene zich daarnaast onder bepaalde voorwaarden beroepen op het in artikel 14, eerste alinea, sub a, ervan voorziene recht van verzet.

76

Volgens dit artikel 14, eerste alinea, sub a, kennen de lidstaten de betrokkene het recht toe zich ten minste in de gevallen bedoeld in artikel 7, sub e en f, van richtlijn 95/46, te allen tijde om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behoudens andersluidende bepalingen in de nationale wetgeving. Door de afweging die in het kader van dat artikel 14, eerste alinea, sub a, moet worden gemaakt, kan specifieker rekening worden gehouden met alle omstandigheden van de concrete situatie van de betrokkene. Ingeval van gerechtvaardigd verzet mag de verwerking die is verricht door de voor de verwerking verantwoordelijke niet langer op deze gegevens betrekking hebben.

77

De verzoeken krachtens de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 kunnen door de betrokkene rechtstreeks aan de voor de verwerking verantwoordelijke worden gericht, die vervolgens naar behoren de gegrondheid van deze verzoeken moet onderzoeken en, in voorkomend geval, de betrokken gegevensverwerking moet beëindigen. Wanneer de voor de verwerking verantwoordelijke daaraan geen gevolg geeft, kan de betrokkene een verzoek indienen bij de toezichthoudende autoriteit of de rechter, zodat zij de nodige controles uitvoeren en naar aanleiding daarvan deze verantwoordelijke nauwkeurige maatregelen opleggen.

78

In dit verband moet worden opgemerkt dat uit artikel 28, leden 3 en 4, van richtlijn 95/46 voortvloeit dat eenieder bij elke toezichthoudende autoriteit een verzoek kan indienen met betrekking tot de bescherming van zijn rechten en vrijheden in verband met de verwerking van persoonsgegevens, en dat deze autoriteit beschikt over onderzoeksbevoegdheden en effectieve bevoegdheden om in te grijpen, waardoor zij met name de afscherming, de uitwissing of de vernietiging van gegevens kan gelasten of een dergelijke verwerking voorlopig of definitief kan verbieden.

79

De bepalingen van richtlijn 95/46 betreffende de rechten van de betrokkene wanneer hij bij de toezichthoudende autoriteit of de rechter een verzoek indient als aan de orde in het hoofdgeding, moeten tegen deze achtergrond worden uitgelegd.

80

In dit verband moet er meteen op worden gewezen dat, zoals in de punten 36 tot en met 38 van het onderhavige arrest is vastgesteld, een verwerking van persoonsgegevens als aan de orde in het hoofdgeding, door de exploitant van een zoekmachine, de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens ernstig kan aantasten wanneer met behulp van deze machine op de naam van een natuurlijke persoon wordt gezocht, aangezien elke internetgebruiker op basis van deze verwerking via de resultatenlijst een gestructureerd overzicht kan krijgen van de over deze persoon op het internet vindbare informatie, die potentieel betrekking heeft op tal van aspecten van zijn privéleven en die, zonder deze zoekmachine, niet of slechts zeer moeilijk met elkaar in verband had kunnen worden gebracht, en deze internetgebruiker aldus een min of meer gedetailleerd profiel van de betrokkene kan opstellen. Bovendien is de inmenging in deze rechten van de betrokkene des te sterker door de belangrijke rol van internet en zoekmachines in de moderne samenleving, waardoor de in een dergelijke resultatenlijst weergegeven informatie overal beschikbaar is (zie in die zin arrest eDate Advertising e.a., C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punt 45).

81

Gelet op de potentiële ernst van deze inmenging moet worden vastgesteld dat zij niet kan worden gerechtvaardigd door louter het economisch belang dat de exploitant van een dergelijke zoekmachine bij deze verwerking heeft. Aangezien echter de verwijdering van de koppelingen uit de resultatenlijst, naargelang van de betrokken informatie, gevolgen kan hebben voor het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die potentieel toegang daartoe willen krijgen, moet in situaties als aan de orde in het hoofdgeding worden gezocht naar een juist evenwicht tussen met name dit belang en de grondrechten van deze persoon krachtens de artikelen 7 en 8 van het Handvest. Weliswaar hebben in de regel de door deze artikelen beschermde rechten van de betrokkene tevens voorrang op dit belang van internetgebruikers, maar dit evenwicht kan in bijzondere gevallen afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt.

82

Na de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46, die de toezichthoudende autoriteit en de rechter dienen te verrichten wanneer zij een verzoek ontvangen als aan de orde in het hoofdgeding, kunnen zij deze exploitant bevelen om van de na een zoekopdracht op de naam van een persoon weergegeven resultatenlijst de koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde websites die informatie over deze persoon bevatten, zonder dat een dergelijk bevel veronderstelt dat deze naam en deze informatie, hetzij vrijwillig door de redacteur of op last van een van deze autoriteiten, voordien of gelijktijdig worden verwijderd van de website waarop zij zijn gepubliceerd.

83

Zoals is vastgesteld in de punten 35 tot en met 38 van het onderhavige arrest, moet, aangezien de in het kader van de activiteit van een zoekmachine verrichte verwerking van persoonsgegevens verschilt van de door webredacteurs verrichte verwerking van persoonsgegevens en daar bovenop komt en bijkomend de grondrechten van de betrokkene aantast, de exploitant van deze machine, in zijn hoedanigheid van voor deze verwerking verantwoordelijke, immers binnen het kader van zijn verantwoordelijkheden, bevoegdheden en mogelijkheden verzekeren dat deze verwerking aan de vereisten van richtlijn 95/46 voldoet, zodat de daarin vervatte waarborgen hun volle werking kunnen krijgen.

84

In dit verband moet worden vastgesteld dat, rekening houdend met het gemak waarmee op een website gepubliceerde informatie op andere websites kan worden overgenomen en rekening houdend met de omstandigheid dat de verantwoordelijken voor de publicatie ervan niet altijd aan de wetgeving van de Unie zijn onderworpen, de betrokkenen niet doeltreffend en volledig kunnen worden beschermd indien zij eerst of gelijktijdig van de webredacteurs de verwijdering moeten verkrijgen van de hen betreffende informatie.

85

Bovendien kan de verwerking door de redacteur van een webpagina, bestaande uit de publicatie van informatie betreffende een natuurlijke persoon, in voorkomend geval „voor uitsluitend journalistieke [...] doeleinden” zijn verricht en aldus krachtens artikel 9 van richtlijn 95/46 onder de uitzonderingen op de vereisten van deze richtlijn vallen, terwijl dit niet het geval is voor de door een exploitant van een zoekmachine verrichte verwerking. Aldus kan niet worden uitgesloten dat de betrokkene in bepaalde omstandigheden de in artikel 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 bedoelde rechten tegen deze exploitant kan uitoefenen, maar niet tegen de redacteur van deze webpagina.

86

Tot slot moet worden vastgesteld dat de reden die krachtens artikel 7 van richtlijn 95/46 de publicatie van een persoonsgegeven op een website rechtvaardigt, niet enkel niet noodzakelijkerwijze samenvalt met de reden die geldt voor de activiteit van zoekmachines, maar dat zelfs waar dit het geval is, de krachtens de artikelen 7, sub f, en 14, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn te maken afweging tussen de betrokken belangen tot een verschillend resultaat kan leiden naargelang het gaat om een door een exploitant van een zoekmachine, dan wel de door een redacteur van deze webpagina verrichte verwerking, daar, ten eerste, de rechtmatige belangen die deze verwerkingen rechtvaardigen verschillend kunnen zijn, en, ten tweede, de gevolgen van deze verwerkingen voor de betrokkene, en met name voor zijn privéleven, niet noodzakelijkerwijze dezelfde zijn.

87

Voor zover in de resultatenlijst die wordt weergegeven nadat op de naam van een persoon is gezocht, een webpagina en de daarop gepubliceerde informatie betreffende deze persoon worden weergegeven, vergemakkelijkt dit immers voor elke internetgebruiker die op de naam van de betrokkene zoekt aanzienlijk de toegang tot deze informatie en speelt dit een beslissende rol bij de verspreiding van deze informatie, zodat dit een grotere inmenging in het grondrecht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkene kan vormen dan de publicatie van deze webpagina door de webredacteur.

88

Gelet op al het voorgaande, moet op de tweede vraag, sub c en d, worden geantwoord dat de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 aldus moeten worden uitgelegd dat, ter naleving van de in deze bepalingen voorziene rechten en voor zover aan de in deze bepalingen gestelde voorwaarden daadwerkelijk is voldaan, de exploitant van een zoekmachine verplicht is om van de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, de koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie over deze persoon is te vinden, ook indien deze naam of deze informatie niet vooraf of gelijktijdig van deze webpagina’s is gewist en, in voorkomend geval, zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is.

Derde vraag, betreffende de draagwijdte van de door richtlijn 95/46 gegarandeerde rechten van de betrokkene

89

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 aldus moeten worden uitgelegd dat de betrokkene op basis van deze bepalingen van de exploitant van een zoekmachine kan eisen dat hij uit de resultatenlijst die wordt weergegeven nadat op de naam van deze persoon is gezocht, de koppelingen verwijdert naar rechtmatig door derden gepubliceerde webpagina’s die correcte informatie over laatstgenoemde bevatten, omdat deze informatie hem schade kan berokkenen of omdat hij wenst dat zij na zekere tijd wordt „vergeten”.

90

Google Spain, Google Inc. en de Griekse, de Oostenrijkse en de Poolse regering en de Commissie zijn van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Google Spain, Google Inc., de Poolse regering en de Commissie betogen in dit verband dat de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 de betrokkenen uitsluitend rechten toekennen indien de betrokken verwerking onverenigbaar is met deze richtlijn of wegens zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen betreffende hun bijzondere situatie, en niet enkel omdat zij van mening zijn dat deze verwerking hen schade kan berokkenen of omdat zij wensen dat de verwerkte gegevens worden vergeten. De Griekse en de Oostenrijkse regering zijn van mening dat de betrokkene zich tot de redacteur van de betrokken website moet wenden.

91

Costeja González en de Spaanse en de Italiaanse regering zijn van mening dat de betrokkene zich tegen de indexering van zijn persoonsgegevens door een zoekmachine kan verzetten indien de verspreiding van deze gegevens via die zoekmachine hem schade kan berokkenen, en dat zijn grondrechten op bescherming van deze gegevens en op eerbiediging van zijn privéleven, waartoe het „recht om te worden vergeten” behoort, zwaarder wegen dan de rechtmatige belangen van de exploitant van deze zoekmachine en op het algemeen belang bij de vrijheid van informatie.

92

Aangaande artikel 12, sub b, van richtlijn 95/46, dat slechts toepasselijk is indien de verwerking van persoonsgegevens onverenigbaar is met deze richtlijn, moet in herinnering worden gebracht dat, zoals is opgemerkt in punt 72 van het onderhavige arrest, een dergelijke onverenigbaarheid niet enkel het gevolg kan zijn van de omstandigheid dat deze gegevens onnauwkeurig zijn maar, in het bijzonder, ook omdat zij ontoereikend, niet ter zake dienend of bovenmatig zijn voor de doeleinden van de verwerking, omdat zij niet zijn bijgewerkt of omdat zij langer worden bewaard dan noodzakelijk is, tenzij de bewaring ervan is vereist wegens historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden.

93

Uit deze vereisten van artikel 6, lid 1, sub c tot en met e, van richtlijn 95/46 vloeit voort dat het mogelijk is dat zelfs een aanvankelijk rechtmatige verwerking van exacte gegevens na verloop van tijd niet langer met deze richtlijn verenigbaar is omdat deze gegevens niet langer noodzakelijk zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of verwerkt. Dit is met name het geval wanneer deze gegevens gelet op deze doeleinden en gelet op de verstreken tijd ontoereikend, niet of niet meer ter zake dienend of bovenmatig zijn.

94

Indien dus na een verzoek van de betrokkene krachtens artikel 12, sub b, van richtlijn 95/46 wordt vastgesteld dat in de resultatenlijst die wordt weergegeven nadat op de naam van de betrokkene is gezocht, koppelingen zijn opgenomen naar rechtmatig door derden gepubliceerde webpagina’s die correcte informatie over de betrokkene bevatten, en deze opneming thans onverenigbaar is met artikel 6, lid 1, sub c tot en met e, omdat deze informatie, gelet op het geheel van de omstandigheden van het onderhavige geval, ontoereikend, niet of niet meer ter zake dienend of bovenmatig is ten aanzien van het doel van de betrokken verwerking door de exploitant van de zoekmachine, moeten deze informatie en koppelingen van de resultatenlijst worden gewist.

95

Aangaande de verzoeken in de zin van dit artikel 12, sub b, die zijn gebaseerd op de beweerde niet-naleving van de voorwaarden van artikel 7, sub f, van richtlijn 95/46 en van artikel 14, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn, moet worden vastgesteld dat elke verwerking van persoonsgegevens tijdens de gehele duur ervan toelaatbaar moet zijn krachtens dit artikel 7.

96

Gelet op het voorafgaande, moet bij de beoordeling van dergelijke verzoeken die zijn ingediend tegen een verwerking als aan de orde in het hoofdgeding, met name worden onderzocht of de betrokkene recht erop heeft dat de informatie over hem thans niet meer met zijn naam wordt verbonden via een resultatenlijst die wordt weergegeven nadat op zijn naam is gezocht. In dit verband moet worden benadrukt dat de vaststelling van een dergelijk recht niet veronderstelt dat de opneming van de betrokken informatie in de resultatenlijst de betrokkene schade berokkent.

97

Aangezien de betrokkene op basis van zijn door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten kan verlangen dat de betrokken informatie niet meer via de opneming ervan in een dergelijke resultatenlijst ter beschikking wordt gesteld van het grote publiek, krijgen deze rechten, zoals met name blijkt uit punt 81 van het onderhavige arrest, in beginsel voorrang niet enkel op het economische belang van de exploitant van de zoekmachine, maar ook op het belang van dit publiek om deze informatie te vinden wanneer op de naam van deze persoon wordt gezocht. Dit zal echter niet het geval zijn indien de inmenging in de grondrechten van de betrokkene wegens bijzondere redenen, zoals de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, wordt gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek erbij heeft om, door deze opneming, toegang tot de betrokken informatie te krijgen.

98

Aangaande een situatie als aan de orde in het hoofdgeding – die de weergave betreft in de resultatenlijst die de internetgebruiker verkrijgt na een zoekopdracht op de naam van de betrokkene via Google Search, van koppelingen naar twee gearchiveerde webpagina’s van een dagblad waarop aankondigingen staan waarin de naam van de betrokkene is vermeld en die betrekking hebben op een verkoop per opbod van gebouwen in het kader van een beslag ter terugvordering van schulden betreffende de sociale zekerheid – moet worden overwogen dat, gelet op de gevoeligheid van de informatie in deze aankondigingen voor het privéleven van de betrokkene en op de omstandigheid dat deze informatie zestien jaar daarvoor is gepubliceerd, de betrokkene recht erop heeft dat deze informatie niet langer via een dergelijke resultatenlijst met zijn naam wordt verbonden. Aangezien er in casu geen bijzondere redenen lijken te zijn ter rechtvaardiging van een overwegend belang voor het publiek om, in het kader van een dergelijke zoekopdracht, toegang te krijgen tot deze informatie – waarbij het echter aan de verwijzende rechter staat om dit na te gaan – kan de betrokkene, krachtens de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 de verwijdering van deze koppelingen van de resultatenlijst verlangen.

99

Uit het voorgaande volgt dat op de derde vraag moet worden geantwoord dat de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 aldus moeten worden uitgelegd dat in het kader van de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van deze bepalingen met name moet worden onderzocht of de betrokkene recht erop heeft dat de aan de orde zijnde informatie over hem thans niet meer met zijn naam wordt verbonden via een resultatenlijst die wordt weergegeven nadat op zijn naam is gezocht, zonder dat de vaststelling van een dergelijk recht evenwel veronderstelt dat de opneming van die informatie in de resultatenlijst deze betrokkene schade berokkent. Aangezien laatstgenoemde op basis van zijn door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten kan verlangen dat de betrokken informatie niet meer door de opneming ervan in een dergelijke resultatenlijst ter beschikking wordt gesteld van het grote publiek, krijgen deze rechten in beginsel voorrang niet enkel op het economische belang van de exploitant van de zoekmachine, maar ook op het belang van dit publiek om toegang tot deze informatie te krijgen wanneer op de naam van deze persoon wordt gezocht. Dit zal echter niet het geval zijn indien de inmenging in de grondrechten van de betrokkene wegens bijzondere redenen, zoals de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, wordt gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek erbij heeft om, door deze opneming, toegang tot de betrokken informatie te krijgen.

Kosten

100

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 2, sub b en d, van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens moet aldus worden uitgelegd dat, ten eerste, de activiteit van een zoekmachine, die erin bestaat door derden op het internet gepubliceerde of opgeslagen informatie te vinden, automatisch te indexeren, tijdelijk op te slaan en, ten slotte, in een bepaalde volgorde ter beschikking te stellen aan internetgebruikers, moet worden gekwalificeerd als „verwerking van persoonsgegevens” in de zin van dit artikel 2, sub b, wanneer deze informatie persoonsgegevens bevat, en, ten tweede, de exploitant van deze zoekmachine moet worden geacht de „verantwoordelijke” voor deze verwerking te zijn, in de zin van dat artikel 2, sub d.

 

2)

Artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46 moet aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van de voor de verwerking verantwoordelijke op het grondgebied van de lidstaat, in de zin van deze bepaling, wanneer de exploitant van een zoekmachine in een lidstaat ten behoeve van het promoten en de verkoop van door deze zoekmachine aangeboden advertentieruimte een bijkantoor of een dochteronderneming opricht waarvan de activiteiten op de inwoners van die lidstaat zijn gericht.

 

3)

De artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 moeten aldus worden uitgelegd dat, ter naleving van de in deze bepalingen voorziene rechten en voor zover aan de in deze bepalingen gestelde voorwaarden daadwerkelijk is voldaan, de exploitant van een zoekmachine verplicht is om van de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, de koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie over deze persoon is te vinden, ook indien deze naam of deze informatie niet vooraf of gelijktijdig van deze webpagina’s is gewist en, in voorkomend geval, zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is.

 

4)

De artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 moeten aldus worden uitgelegd dat in het kader van de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van deze bepalingen met name moet worden onderzocht of de betrokkene recht erop heeft dat de aan de orde zijnde informatie over hem thans niet meer met zijn naam wordt verbonden via een resultatenlijst die wordt weergegeven nadat op zijn naam is gezocht, zonder dat de vaststelling van een dergelijk recht evenwel veronderstelt dat de opneming van die informatie in de resultatenlijst deze betrokkene schade berokkent. Aangezien laatstgenoemde op basis van zijn door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten kan verlangen dat de betrokken informatie niet meer door de opneming ervan in een dergelijke resultatenlijst ter beschikking wordt gesteld van het grote publiek, krijgen deze rechten in beginsel voorrang niet enkel op het economische belang van de exploitant van de zoekmachine, maar ook op het belang van dit publiek om toegang tot deze informatie te krijgen wanneer op de naam van deze persoon wordt gezocht. Dit zal echter niet het geval zijn indien de inmenging in de grondrechten van de betrokkene wegens bijzondere redenen, zoals de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, wordt gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek erbij heeft om, door deze opneming, toegang tot de betrokken informatie te krijgen.

 

ondertekeningen


( *1 )   Procestaal: Spaans.

Top