Help Print this page 

Document 52017DC0172

Title and reference
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over de uitoefening van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen die aan de Commissie is verleend uit hoofde van Richtlijn 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)

COM/2017/0172 final
Multilingual display
Text

Brussel, 18.4.2017

COM(2017) 172 final

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over de uitoefening van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen die aan de Commissie is verleend uit hoofde van Richtlijn 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)


VERSLAG VAN DE COMMISSIE

AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over de uitoefening van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen die aan de Commissie is verleend uit hoofde van Richtlijn 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)

1. INLEIDING

Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur ( 1 ) (de AEEA-richtlijn) stelt regels vast met betrekking tot het beheer van AEEA en heeft ten doel bij te dragen tot duurzame productie en consumptie, in de eerste plaats door preventie van AEEA, en daarnaast door hergebruik, recycling en andere vormen van nuttige toepassing van dergelijke afvalstoffen, teneinde de hoeveelheid te verwijderen afval te verminderen en bij te dragen tot efficiënt hulpbronnengebruik en de terugwinning van waardevolle secundaire grondstoffen.

De AEEA-richtlijn verleent de Commissie de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op:

de instelling van de nodige overgangsaanpassingen om problemen aan te pakken waar lidstaten mee te maken krijgen bij de naleving van het inzamelingspercentage voor AEEA dat in de richtlijn wordt vastgesteld, zoals bepaald in artikel 7, lid 4;

de eventuele wijziging van bijlage VII inzake de vereisten voor selectieve behandeling om andere verwerkingstechnieken in te voeren, zoals bepaald in artikel 8, lid 4;

de vaststelling van criteria om te beoordelen of de omstandigheden voor de verwerking van AEEA buiten de EU stroken met de voorschriften van de richtlijn, zoals bepaald in artikel 10, lid 3;

de aanpassing van artikel 16, lid 5, en bijlagen IV, VII, VIII en IX aan de vooruitgang van wetenschap en techniek, zoals bepaald in artikel 19.

2. RECHTSGRONDSLAG

Dit verslag moet worden opgesteld uit hoofde van artikel 20, lid 2, van de AEEA-richtlijn. Ingevolge dit artikel heeft de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen gedurende een periode van vijf jaar vanaf 13 augustus 2012. De Commissie moet daarnaast uiterlijk 9 maanden voor het eind van de periode van vijf jaar een rapport opstellen over de gedelegeerde bevoegdheden. De bevoegdheidsdelegatie wordt, in overeenstemming met artikel 20, lid 2, stilzwijgend met eenzelfde termijn verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van een termijn tegen verlenging verzet.



3. UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEIDSDELEGATIE

Gedurende de verslagperiode heeft de Commissie geen gebruikgemaakt van de gedelegeerde bevoegdheden om de redenen die hieronder worden toegelicht.

3.1. Overgangsaanpassingen om problemen aan te pakken waar lidstaten mee te maken krijgen bij de naleving van het in de richtlijn vastgestelde inzamelingspercentage (artikel 7, lid 4)

In artikel 7, lid 1, van de AEEA-richtlijn wordt een minimaal inzamelingspercentage gepresenteerd dat vanaf 2016 geldt, van 45 % van het gemiddelde gewicht van de elektrische en elektronische apparatuur (EEA) die in elke lidstaat in de drie voorgaande jaren in de handel is gebracht. Als tweede stap zal vanaf 2019 een inzamelingspercentage gelden van 65 % van het gemiddelde gewicht van de EEA die in elke lidstaat in de drie voorgaande jaren in de handel is gebracht, of van 85 % van de hoeveelheid AEEA, naar gewicht, die jaarlijks in een lidstaat wordt gegenereerd. Artikel 7, lid 3, biedt bepaalde lidstaten( 2 ) de mogelijkheid om van deze eis af te wijken. Letland, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije en de Tsjechische Republiek hebben gebruikgemaakt van deze afwijking.

Daarnaast creëert artikel 7, lid 4, van de AEEA-richtlijn de mogelijkheid voor overgangsregelingen om problemen aan te pakken waar een lidstaat mee te maken krijgt bij de naleving van deze inzamelingspercentages. Om de problemen te beoordelen waar lidstaten mogelijk mee te maken krijgen bij de naleving van de streefcijfers voor inzameling, heeft de Commissie onafhankelijke adviseurs in de arm genomen die de relevante statistische gegevens, literatuur en technische informatie hebben geëvalueerd en raadplegingen hebben gehouden, met inbegrip van een workshop met de belangrijkste belanghebbenden (lidstaten, brancheverenigingen, compliancesystemen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, ngo's en onafhankelijke deskundigen)( 3 ).

Dit onderzoek toont aan dat het voor veel lidstaten een probleem is dat een aanzienlijk deel van de inzameling niet wordt meegenomen in de statistieken over de inzameling van AEEA. Dit is met name het geval wanneer inzameling plaatsvindt buiten de compliancesystemen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid om of wanneer AEEA niet wordt verwerkt door geautoriseerde AEEA-recycleerders. Dit probleem wordt versterkt door de beperkte handhavings- en controlecapaciteit in de lidstaten. Ook de grote en diverse groep actoren die is betrokken bij de verschillende activiteiten van AEEA-beheer, een nog steeds gering bewustzijn onder het publiek en een ontoereikende inzamelingsinfrastructuur waren factoren die werden geïdentificeerd als barrières voor het behalen van de streefcijfers.

De conclusie van de analyse was dat het streefcijfer voor inzameling voor 2019 ambitieus is, maar desalniettemin haalbaar is indien lidstaten zich extra inspannen om de geïdentificeerde problemen geleidelijk aan op te lossen. Dit blijkt uit de vorderingen van sommige lidstaten die al wel een hoog inzamelingspercentage hebben.

Op basis hiervan is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen sprake was van specifieke omstandigheden die de vaststelling rechtvaardigden van een gedelegeerde handeling met overgangsaanpassingen om problemen aan te pakken waar lidstaten mee te maken krijgen bij de naleving van de inzamelingspercentages die in de AEEA-richtlijn zijn vastgesteld.

De Commissie zal de lidstaten, door middel van een gericht initiatief ter bevordering van de naleving, ondersteuning en begeleiding bieden om hen te helpen mogelijke problemen bij het realiseren van hun streefcijfers aan te pakken. Het initiatief is van start gegaan tijdens het opstellen van dit verslag en besteedt met name aandacht aan de belangrijkste vereisten van de AEEA-richtlijn.

3.2. Wijziging van bijlage VII (artikel 8, lid 4)

Bijlage VII gaat in op de selectieve behandeling van AEEA-materialen en -bestanddelen.

Artikel 8, lid 4, van de AEEA-richtlijn verleent de Commissie de bevoegdheid om bijlage VII te wijzigen om andere verwerkingstechnieken die ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu bieden, in te voeren.

Tijdens de verslagperiode heeft de Commissie geen informatie ontvangen op basis waarvan bijlage VII zou kunnen worden gewijzigd.

De termijn voor de omzetting van de richtlijn was 14 februari 2014; de meeste lidstaten hebben de richtlijn echter met enige vertraging omgezet en in de praktijk is 2016 het eerste jaar dat deze in alle 28 lidstaten werd uitgevoerd. Tegen deze achtergrond is een wijziging van bijlage VII tot nu toe niet noodzakelijk geacht en is er geen verwante gedelegeerde handeling vastgesteld.

3.3. Criteria om te beoordelen of de omstandigheden voor de verwerking van AEEA buiten de EU stroken met de voorschriften van de richtlijn (artikel 10, lid 3)

In overeenstemming met artikel 10, lid 2, van de AEEA-richtlijn, wordt AEEA die buiten de Unie is uitgevoerd bij de narekening of de in artikel 11 van de richtlijn bedoelde verplichtingen en streefcijfers bereikt zijn, slechts meegeteld indien de uitvoerder in overeenstemming met Verordeningen (EG) nr. 1013/2006 en (EG) nr. 1418/2007 betreffende overbrengingen van afval kan aantonen dat de verwerking gebeurde in omstandigheden die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van deze richtlijn. In artikel 10, lid 3, van de richtlijn wordt de Commissie verplicht uiterlijk op 14 februari 2014 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarbij gedetailleerde regels ter aanvulling van die van artikel 10, lid 2, worden vastgesteld, in het bijzonder criteria om te beoordelen of de omstandigheden voor de verwerking van AEEA buiten de EU stroken met de voorschriften van de richtlijn.

Om zich voor te bereiden op dergelijke gedelegeerde handelingen heeft de Commissie een studie( 4 ) uitgevoerd om potentiële opties voor het beoordelen en documenteren van gelijkwaardige omstandigheden van verwerking te identificeren en te vergelijken en aanbevelingen te doen omtrent de best mogelijke beleidsoptie(s). In het kader van de studie heeft een raadpleging van belanghebbenden plaatsgevonden.

Daarnaast, en in verband met de vereisten in artikel 8, lid 5, van de richtlijn inzake passende verwerking, heeft de Commissie de Europese normalisatie-instellingen verzocht Europese normen te ontwikkelen voor de verwerking van AEEA, met inbegrip van terugwinning, recycling en voorbereiding voor hergebruik, die een afspiegeling vormen van de allerlaatste ontwikkelingen op dit gebied( 5 ). Deze normen zullen de relevante marktdeelnemers in de EU naar verwachting helpen om de AEEA-richtlijn na te leven en marktdeelnemers buiten de EU om te bewijzen dat de verwerking van AEEA plaatsvindt in omstandigheden die gelijkwaardig zijn aan die in de EU. Deze normen worden momenteel door het CENELEC ontwikkeld en zullen naar verwachting eind 2017 gereed zijn.

Op basis van de uitgevoerde analyse en rekening houdend met de lopende werkzaamheden aan de ontwikkeling van Europese normen voor de verwerking van AEEA, heeft de Commissie raadplegingen gehouden met de deskundigengroep voor gedelegeerde handelingen in het kader van deze richtlijn, waarvan de Raad en het Parlement op de hoogte zijn gebracht. Naar aanleiding van de raadplegingen werd besloten dat het noodzakelijk is te wachten totdat de normen voor AEEA-verwerking gereed zijn, gezien het verband tussen de normen en de bepaling van criteria voor de beoordeling van gelijkwaardige voorwaarden voor de verwerking van AEEA die naar landen buiten de EU wordt uitgevoerd.

Daarom was de Commissie tijdens de verslagperiode niet in een positie om gedelegeerde handelingen vast te stellen uit hoofde van artikel 10, lid 3. Dit blijft echter een prioriteit in het kader van het Europees beleid op het gebied van milieu, grondstoffen en de circulaire economie.

3.4. Aanpassing van artikel 16, lid 5, en bijlagen IV, VII, VIII en IX aan de vooruitgang van wetenschap en techniek (artikel 19)

Artikel 16, lid 5, van de AEEA-richtlijn gaat in op de rapportageverplichtingen van de lidstaten. bijlage IV bevat een niet-beperkende lijst van EEA die onder de EEA-categorieën valt; bijlage VII gaat in op de selectieve behandeling van materialen en onderdelen van AEEA; in bijlage VIII worden de technische vereisten toegelicht voor locaties voor de opslag en verwerking van AEEA en in bijlage IX wordt het symbool dat wordt gebruikt als merkteken voor EEA gepresenteerd.

Tijdens de verslagperiode is er geen gelegenheid geweest om artikel 16, lid 5, en de bijlagen die hierboven worden genoemd aan te passen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek en de Commissie heeft geen relevante gedelegeerde handelingen vastgesteld, al blijft dit een mogelijkheid.

Als onderdeel van het pakket circulaire economie heeft de Commissie voorgesteld( 6 ) artikel 16, lid 5, te wijzigen om de rapportageverplichtingen van de lidstaten te vereenvoudigen en de kwaliteit van gegevens te verhogen.

4. CONCLUSIE

In afgelopen vijf jaar heeft de Commissie de gedelegeerde bevoegdheden die aan haar zijn verleend uit hoofde van Richtlijn 2012/19/EU om de redenen die in dit verslag worden beschreven niet uitgeoefend. De Commissie zal dit, om de genoemde redenen, in de toekomst mogelijk alsnog doen.

De Commissie verzoekt het Europees Parlement en de Raad om van dit verslag nota te nemen.

(1)

 PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38.

(2)

 Bulgarije, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.

(3)

 „Study on collection rates on WEEE”:  http://ec.europa.eu/environment/waste/weee/events_weee_en.htm .

(4)

Studie „Equivalent conditions for waste electrical and electronic equipment (WEEE) recycling operations taking place outside the European Union” http://ec.europa.eu/environment/waste/weee/pdf/Final%20report_E%20C%20S.pdf

(5)

Mandaat M/518: http://ec.europa.eu/environment/waste/weee/pdf/m518%20EN.pdf

(6)

 Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (COM(2015) 593 final).

Top