Help Print this page 

Document 52016PC0767R(01)

Title and reference
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

COM/2016/0767 final/2 - 2016/0382 (COD)
Multilingual display
Text

Brussel, 23.2.2017

COM(2016) 767 final

2016/0382(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

{SWD(2016) 416 final}
{SWD(2016) 417 final}
{SWD(2016) 418 final}
{SWD(2016) 419 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

•1.1Motivering en doel van het voorstel

Hernieuwbare energiebronnen (HEB) dragen bij tot de beperking van de klimaatverandering door een lagere uitstoot van broeikasgassen, tot de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling, tot de bescherming van het milieu en de verbetering van de volksgezondheid. Bovendien zorgt hernieuwbare energie in toenemende mate voor inclusieve economische groei, werkgelegenheid en versterking van de energiezekerheid in heel Europa.

Deze aspecten maken deel uit van artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie , op basis waarvan aan de Unie bevoegdheden zijn verleend om hernieuwbare energie te bevorderen.

De Europese Unie is reeds geruime tijd wereldwijd vooraanstaand wat betreft de bevordering en ontwikkeling van hernieuwbare energie: zij geeft sturing aan de inspanningen om de klimaatverandering te bestrijden, zij moedigt de overstap naar een koolstofarme economie aan en zij stimuleert hoogwaardige economische groei. Voorzitter Juncker heeft als een van de belangrijkste politieke prioriteiten van de Commissie vastgelegd de EU de wereldwijde leider op het gebied van hernieuwbare energie te maken. Deze ambitie houdt niet alleen in dat de toepassing van hernieuwbare energie toeneemt, maar ook dat Europese bedrijven binnen en buiten de EU belangrijke componenten leveren.

Het huidige kader voor 2020 omvat een EU-streefcijfer van 20 % wat betreft energieverbruik, uitgaande van juridisch bindende nationale streefcijfers tot 2020. De nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen en het tweejaarlijkse toezicht waarin Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voorziet, hebben ervoor gezorgd dat de transparantie voor investeerders en andere economische actoren is verbeterd, hetgeen heeft bijdragen tot een snelle toename van de toepassing van hernieuwbare energie, van 10,4 % in 2007 tot 17 % in 2015.

In oktober 2014 heeft de Europese Raad overeenstemming bereikt over het kader voor klimaat en energie voor 2030, waardoor is bevestigd dat de Unie op de lange termijn achter de EU-strategie betreffende hernieuwbare energie staat. In het nieuwe kader is voor 2030 een EU-streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel in de EU verbruikte hernieuwbare energie vastgesteld. Dit streefcijfer is bindend op EU-niveau en zal worden bereikt door middel van de bijdragen van de afzonderlijke lidstaten die zodoende gezamenlijk inspanningen ten bate van de EU doen. Met het nieuwe kader kunnen de gezamenlijke inspanningen bovendien zodanig worden geleverd dat de lidstaten in staat zijn eigen, eventueel ambitieuzere, nationale streefcijfers vast te stellen. De lidstaten kunnen hernieuwbare energie steunen, mits zij de staatssteunregels naleven.

Herhaaldelijk heeft de Europese Raad 1 de Commissie aangemoedigd de wetgeving inzake onder meer hernieuwbare energie te herzien en tot ontwikkeling te brengen teneinde het overeengekomen streefcijfer voor 2030 te ondersteunen. Ook het Europees Parlement heeft de Commissie opgeroepen wetgeving inzake hernieuwbare energie voor te leggen en het ambitieniveau te verhogen tot ten minste 30 %.

Projecties voor het EU-energiesysteem geven aan dat bij het huidige beleid van de lidstaten en de EU, indien er geen nieuw beleid wordt ingevoerd, slechts een verbruik van hernieuwbare energie van ongeveer 24,3 % in 2030 wordt bereikt. Dit niveau is aanzienlijk lager dan het op EU-niveau bindende, door de Europese Raad overeengekomen streefcijfer voor hernieuwbare energie van ten minste 27 %, waardoor de Unie niet in staat zou zijn gezamenlijk de in het kader van de in 2015 gesloten overeenkomst van Parijs gedane toezeggingen na te komen. De voortzetting van ongewijzigd beleid zou ook een ernstige bedreiging vormen voor de verwezenlijking van de politieke ambitie van de Unie ten aanzien van het wereldwijde leiderschap op het gebied van hernieuwbare energie. Bovendien kunnen zodoende de voordelen qua zekerheid niet worden benut die worden geboden door de toegenomen energievoorziening uit inheemse bronnen en neemt de deelname van de consumenten aan het energiesysteem af.

Uit de analyse die ten grondslag ligt aan dit voorstel voor een herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie (hierna "het voorstel" genoemd) blijkt derhalve dat een wijziging van het beleid in de vorm van een kader op EU-niveau, waaruit maatregelen op EU-, nationaal en regionaal niveau voortvloeien, nodig is om het EU-streefcijfer van ten minste 27 % te behalen. Dit is des te meer het geval wanneer er rekening mee wordt gehouden dat de exacte mate waarin het streefcijfer niet wordt behaald met onvermijdelijke onzekerheid gepaard gaat door de aannames die bij de raming moeten worden toegepast, dat een EU-aandeel voor hernieuwbare energie van ten minste 27 % het minimaal te behalen niveau is en dat met het oog op de significante investeringen die nodig zijn om de kloof in de EU te overbruggen (dat wil zeggen uitsluitend op het gebied van elektriciteitsopwekking al 254 miljard EUR voor hernieuwbare energie) vroegtijdige, duidelijke en stabiele beleidssignalen moeten worden afgegeven.

Tegelijkertijd bestaat bij afwezigheid van een bijgewerkt regelgevingskader het risico dat er binnen de EU grotere verschillen ontstaan en alleen de best presterende lidstaten de stijgende lijn bij het verbruik van hernieuwbare energie voortzetten, terwijl de lidstaten die achterlopen geen prikkels meer krijgen om hun productie en verbruik van hernieuwbare energie te verhogen. Bovendien zou een dergelijke concentratie van de inspanningen in enkele lidstaten duurder zijn en de verstoring van de interne energiemarkt doen toenemen.

Daarnaast is actie op EU-niveau een bijzonder geschikt middel vanwege het fundamentele verschil tussen het kader voor 2020 en het kader voor 2030. Terwijl de te leveren inspanningen bij het eerste kader in hoge mate afhankelijk zijn van de kracht van de nationale bindende streefcijfers en de keuze van nationale maatregelen dus grotendeels aan de lidstaten werd overgelaten, is het kader voor 2030 uitsluitend gebaseerd op een bindend streefcijfer op EU-niveau dat niet wordt vertaald in nationale streefcijfers.

Het EU-streefcijfer voor 2030 kan dus het beste worden bereikt door middel van een partnerschap van de lidstaten die hun nationale acties combineren, ondersteund door een kader van maatregelen als geschetst in dit voorstel. In de elektriciteitssector zullen de lidstaten over de mogelijkheid beschikken om hernieuwbare elektriciteit te bevorderen door middel van kosteneffectieve nationale steunregelingen, mits wordt voldaan aan de staatssteunregels en de randvoorwaarden die op EU-niveau worden vastgesteld, met inbegrip van voorschriften voor grensoverschrijdende deelname. In de verwarming- en koelingssector zal dankzij een grotere penetratie van hernieuwbare energie onbenut potentieel worden aangeboord. Daartoe dienen de lidstaten op flexibele wijze inspanningen te leveren. In de vervoerssector is vanwege de grensoverschrijdende handel in biobrandstoffen een geharmoniseerde benadering noodzakelijk.

In deze context wordt een belangrijk coördinerend element van het algehele energie- en klimaatkader voor 2030 gevormd door het voorstel betreffende de governance van de energie-unie, waartoe de volgende aspecten behoren: (i) planning, waarbij de lidstaten nationale plannen inzake energie en klimaat opstellen, (ii) verslaglegging en toezicht, waarbij de lidstaten verslag uitbrengen over de vorderingen die zij maken bij de uitvoering van hun nationale plannen, en (iii) maatregelen waarmee discrepanties worden weggewerkt en corrigerende maatregelen, waarbij de Commissie in 2025 een grondige beoordeling van de vorderingen betreffende hernieuwbare energie verricht.

Voor de EU wordt de investeringsbehoefte geraamd op ongeveer dan wel ten minste 1 biljoen EUR tussen 2015 en 2030, uitsluitend met betrekking tot elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen 2 . In dat kader is het van essentieel belang dat de zekerheid van de investeerders wordt versterkt; dat is daarom een van de specifieke doelstellingen van het voorstel. Hierbij moet erop worden gewezen dat de EU-investeringen in hernieuwbare energie in 2015 48,8 miljard dollar bedroegen, hetgeen in vergelijking met 2011 een daling van ongeveer 60 % is. Deze daling wordt niet alleen veroorzaakt door de lagere kosten voor technologie. Het gevolg daarvan is dat de Unie nog steeds koploper is wat betreft investeringen in hernieuwbare energie per hoofd van de bevolking, maar dat haar aandeel in de totale investeringen in hernieuwbare energie snel is gedaald, van bijna een tweede in 2010 tot minder dan een vijfde in 2015.

Bij een bijgewerkt kader moet ook rekening worden gehouden met nieuwe elementen die zich reeds voordoen op het gebied van investeringen. Het kader voor 2030 bied de Europese Unie mogelijkheden op het gebied van investeringen, groei en werkgelegenheid. De EU moet ervoor zorgen dat de juiste voorwaarden voor investeringen tot stand worden gebracht. In dat opzicht is gebleken dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), als onderdeel van het investeringsplan voor Europa en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF), een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan investeringen in de sector hernieuwbare energie. Van de EFSI-transacties die door de Europese Investeringsbank (EIB) zijn goedgekeurd, heeft 23 % betrekking op de energiesector. Bijna de helft van de projecten in deze sector is gerelateerd aan investeringen in hernieuwbare energie. Hieruit blijkt dat particuliere investeerders veel belangstelling hebben om deel te nemen aan concrete projecten in de hele EU, aangezien zij de sector beschouwen als doorslaggevend voor de energietransitie van de Europese Unie en als strategische sector voor investeringen. De ESIF zijn in hoge mate gericht op investeringen in koolstofarme projecten, waaronder in hernieuwbare energie, in de periode 2014-2020.

Bovendien moet het voorstel om de looptijd van het EFSI en de financiële draagkracht ervan te verdubbelen worden beschouwd als mogelijkheid voor meer investeringen in hernieuwbare energie. Het voorstel voor de voortzetting van het EFSI tot 2020 omvat de doelstelling om tot 40 % van de investeringen in het venster infrastructuur en innovatie uit te trekken voor COP21-gerelateerde projecten. Daartoe moeten hernieuwbare-energieprojecten en energie-efficiëntie een groot deel blijven uitmaken van de investeringen in de energiesector. Het is daarom essentieel dat de juiste signalen worden gehandhaafd. Op die manier beschikken de particuliere en publieke sectoren in de EU over een duidelijke indicatie wat betreft de toekomst van het EU-beleid. Wat dat betreft wordt met dit voorstel het juiste regelgevingskader vastgesteld. Investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie alsmede in de modernisering en integratie van de Europese energiemarkten zijn essentieel voor het koolstofarm maken van de EU-economie. Eveneens zijn deze van groot belang voor de totstandbrenging van groei en werkgelegenheid in heel Europa en voor het wereldwijde concurrentievermogen van de Unie, aangezien het technologische voordeel dat met deze investeringen gepaard gaat essentieel zal zijn voor de Europese industrie.

Niet in de laatste plaats is de herziening van het huidige kader inzake hernieuwbare energie noodzakelijk om in te spelen op de wereldwijde verandering die sinds 2009 plaatsvindt en waarbij concurrenten op wereldschaal sterker worden dankzij hun toenemende investeringen in hernieuwbare energie. Indien de EU koploper wil blijven, is een sterk kader inzake hernieuwbare energie nodig om de toepassing van hernieuwbare energie in alle sectoren te ondersteunen. Hieruit vloeien ook aanzienlijke voordelen voort, en met name concurrentievoordelen voor de Europese industrie.

Bij dit voorstel worden de beginselen vastgesteld op basis waarvan de lidstaten gezamenlijk en aanhoudend kunnen waarborgen dat het aandeel van hernieuwbare energie in het eindenergieverbruik van de EU in 2030 op kosteneffectieve wijze in de drie sectoren elektriciteit (HE-E), verwarming en koeling (HE-V&K) en vervoer (HE-V) ten minste 27 % bereikt, rekening houdend met de volgende specifieke doelstellingen:

aanpakken van de onzekerheid op het gebied van investeringen, via een traject dat rekening houdt met langetermijn- en middellangetermijndoelstellingen inzake het koolstofarm maken van de economie;

waarborgen van kosteneffectieve toepassing en marktintegratie van hernieuwbare elektriciteit;

waarborgen dat het EU-brede streefcijfer voor hernieuwbare energie in 2030 gezamenlijk wordt bereikt, waarbij aansluitend op de governance van de energie-unie een beleidskader wordt vastgesteld dat mogelijke lacunes vermijdt;

ontwikkelen van het koolstofarme potentieel van geavanceerde biobrandstoffen en verduidelijken van de rol van biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen na 2020;

ontwikkelen van het potentieel van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling.

De in het voorstel opgenomen maatregelen zijn er daarom op gericht op evenredige wijze de bestaande problemen aan te pakken die een belemmering vormen voor de toepassing van hernieuwbare energie, zoals onzekerheid bij de investeerders, administratieve drempels, de noodzaak voor verbetering van de kosteneffectiviteit van de toepassing van hernieuwbare energie, de noodzaak van het bijwerken van het beleidskader en het risico op het verliezen van de participatie van de burger tijdens de overgang naar 2030.

1.2.•Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

Het voorstel is in overeenstemming met de voorstellen inzake de opzet van de markt en de governance van de energie-unie alsmede met de herziening van de richtlijn energie-efficiëntie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen, het ETS-voorstel van de EU van juli 2015, de voorgestelde verordening inzake de verdeling van de inspanningen en de verordening inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) van juli 2016.

Het voorstel moet samen met de bovengenoemde initiatieven worden beschouwd die op zichzelf niet voldoende zijn om de EU in staat te stellen gezamenlijk in 2030 op kosteneffectieve wijze een aandeel van ten minste 27 % hernieuwbare energie in het eindenergieverbruik te bereiken.

Het voorstel bouwt voort op de totstandbrenging van een aan hernieuwbare energie aangepaste elektriciteitsmarkt in het kader van het initiatief betreffende de opzet van de markt, waarbij kortetermijnmarkten volledige ontwikkeld en geïntegreerd worden, flexibiliteit een belangrijke rol speelt bij het verbeteren van de marktwaarde van hernieuwbare energie, en producenten van hernieuwbare energie een groter deel van hun inkomsten op de energiemarkten kunnen genereren, waardoor minder overheidssteun nodig is. Daarnaast vormt het voorstel een aanvulling op het initiatief betreffende de opzet van de markt doordat verschillende maatregelen worden vastgesteld die zijn gericht op het op kosteneffectieve en tijdige wijze aantrekken van de nodige investeringen, en doordat de administratieve lasten voor producenten van hernieuwbare energie, waaronder consumenten die hun eigen hernieuwbare warmte en elektriciteit produceren, verder worden verlaagd.

Het voorstel vormt tevens een aanvulling op de governance van de energie-unie doordat in de drie sectoren (elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer) de voorwaarden tot stand worden gebracht om het EU-streefcijfer op gezamenlijke wijze te bereiken. Tegelijkertijd zorgt het initiatief betreffende de governance ervoor dat de bestaande verplichtingen inzake planning, verslaglegging en toezicht van het energie-acquis worden gestroomlijnd en geïntegreerd, waaronder de verplichtingen voor hernieuwbare energie na 2020, op basis waarvan de vorderingen in de richting van het EU-brede streefcijfer worden gecontroleerd, een herziening van de ambitie in de nationale plannen mogelijk is, en naar aanleiding van een lacune in de gezamenlijke ambitie of in de geleverde inspanningen maatregelen kunnen worden getroffen.

De richtlijn energie-efficiëntie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen zijn respectievelijk gericht op het vergemakkelijken van het bereiken van het streefcijfer voor energie-efficiëntie en op het verbeteren van de energieprestatie van gebouwen. De bepalingen inzake verwarming en koeling in de voorgestelde richtlijn energie-efficiëntie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen zullen een aanvulling vormen op de inspanningen die de lidstaten leveren om de penetratie van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling te bevorderen in het kader van de tweeledige actie van de bepalingen van dit voorstel en van de verordening betreffende de governance. Hierdoor wordt de flexibiliteit zo veel mogelijk in stand gehouden, zodat rekening wordt gehouden met de nationale verschillen van dergelijke bestaande systemen, en tegelijkertijd de nodige bijdrage voor het bereiken van het algehele streefcijfer voor 2030 wordt gewaarborgd.

In het kader van de hervormde EU-regeling voor de emissiehandel (EU-ETS) voor de periode na 2020 zal een versterkte EU-ETS in toenemende mate een rol spelen bij het afgeven van een sterker investeringssignaal voor koolstofarme energietechnologieën, met inbegrip van hernieuwbare energie, en zal worden gewaarborgd dat synergie-effecten tussen het beleid inzake hernieuwbare energie en het klimaatbeleid beter worden benut. De ETS-prijzen overeenkomstig de hervormde EU-ETS zullen echter niet volstaan om het bindende EU-streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie te bereiken. De bepalingen betreffende ondersteuning voor hernieuwbare energie in de elektriciteitssector zullen ervoor zorgen dat dergelijke mechanismen volledig complementair zijn met de ETS en dat elk potentieel negatief effect op de koolstofprijs zo klein mogelijk blijft.

Daarnaast worden in de voorgestelde verordening inzake de verdeling van de inspanningen voorstellen gedaan voor het vaststellen van nationale bindende doelstellingen inzake broeikasgasemissiereductie voor de sectoren buiten de EU-ETS en met betrekking tot LULUCF, waarbij niet wordt aangegeven hoe deze doelstellingen op de meest kostenefficiënte wijze kunnen worden bereikt. Uit projecties voor het EU-energiesysteem blijkt dat een beleid inzake hernieuwbare energie voor de sectoren elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer nodig is om het niet-ETS-streefcijfer op kosteneffectieve wijze te bereiken.

De voorgestelde LULUCF-verordening is erop gericht de emissie en absorptie van koolstofdioxide uit de landbouw en bosbouw op te nemen in het EU-kader inzake klimaat en energie voor 2030. De versterkte EU-duurzaamheidscriteria betreffende bio-energie zijn gericht op de voortzetting van het waarborgen van de duurzaamheid van in de energiesector gebruikte bosbiomassa, onder meer door middel van een LULUCF-vereiste waarmee wordt gewaarborgd dat een gepaste koolstofboekhouding plaatsvindt voor de koolstofimpacts van bosbiomassa die voor energie wordt gebruikt.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

•2.1.Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de rechtsgrondslag voor maatregelen op energiegebied is. Aangezien het Verdrag een specifieke rechtsgrondslag voor maatregelen op energiegebied bevat, is het passend om deze te gebruiken.

•2.2.Subsidiariteitsbeginsel

Het subsidiariteitsbeginsel is in dit voorstel van toepassing, aangezien de Unie geen exclusieve bevoegdheden op het gebied van beleid inzake hernieuwbare energie heeft. Het voorstel bouwt voort op het toenemende belang van energie als politieke en economische uitdaging en de nauwe onderlinge verbondenheid van energie met de beleidsterreinen energievoorziening, klimaatverandering, interne markt en economische en sociale ontwikkeling.

Behoefte aan actie van de EU

Actie op EU-niveau is noodzakelijk om te waarborgen dat de lidstaten bijdragen tot het op EU-niveau bindende streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie en dat dit gezamenlijk en op kosteneffectieve wijze wordt verwezenlijkt. De lidstaten worden verzocht hun eigen ambitieniveaus vast te leggen, inclusief trajecten die overeenkomen met hun nationale omstandigheden en voorkeuren. Met behulp van een lineair EU-breed traject worden de vorderingen in de richting van het verwezenlijken van het EU-brede streefcijfer bijgehouden, waarbij dit traject niet bindend is voor de afzonderlijke lidstaten. De steun voor hernieuwbare elektriciteit moet geleidelijk worden opengesteld teneinde de versnippering van de interne markt aan te pakken en de grensoverschrijdende verhandelbaarheid te waarborgen, met name ten aanzien van gemeenschappelijke voorschriften inzake transportbrandstoffen.

Wat betreft de elektriciteitssector heeft de EU een enkele geïntegreerde elektriciteitsmarkt opgezet waarvoor de belangrijkste beginselen, voorschriften met betrekking tot gemeenschappelijke problemen en voorschriften betreffende grensoverschrijdende aspecten op EU-niveau worden vastgesteld. Dat houdt in dat dergelijke grensoverschrijdende aspecten ook met betrekking tot hernieuwbare energie door middel van specifieke voorschriften op EU-niveau moeten worden benaderd.

Sommige van de duurzaamheidsrisico's in verband met de ontwikkeling van bio-energie hebben een grensoverschrijdende dimensie en kunnen daarom efficiënter op EU-niveau worden aangepakt. Dat geldt met name voor milieueffecten zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies. Bovendien is er behoefte aan een geharmoniseerd EU-duurzaamheidskader voor biomassa in warmte en elektriciteit teneinde de biomassahandel te vergemakkelijken en de interne markt in biobrandstoffen te bevorderen.

Uit analyses blijkt dat uitsluitend op het niveau van de lidstaten ondernomen actie waarschijnlijk tot verstoringen en versnippering van de interne energiemarkt leidt, met als gevolg hogere totale kosten en minder toepassing van hernieuwbare energie in de hele Unie.

Meerwaarde van de EU

De sector verwarming en koeling verbruikt bijna 50 % van de energie van de EU en 75 % van het verbruik van de EU in deze sector is nog steeds gebaseerd op fossiele brandstoffen. Het ontbreken van een EU-brede strategie heeft de onzekerheid voor de investeerders vergroot en geleid tot de versnippering van lokale markten, waarbij de consumenten moeilijkheden ondervinden bij het maken van keuzes op basis van hun voorkeuren, en regelgevend beleid ontbreekt dat prikkels voor gedecentraliseerde energie tot stand brengt. EU-richtsnoeren in deze sector kunnen bijdragen tot de tostandbrenging van een geïntegreerde EU-markt voor hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling. De lidstaten krijgen zodoende opties voor het benutten van ongebruikt potentieel in de sector verwarming en koeling.

Gezien de lokale dimensie van verwarming en koeling voorziet het voorstel in een algeheel kader voor het stimuleren van hernieuwbare energie in deze sector, waarbij de lidstaten over de mogelijkheid beschikken om op de meest kostenefficiënte wijze aanpassingen aan de lokale omstandigheden te verrichten.

De sector vervoer is verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de totale energiebehoefte van de EU, en in deze behoefte wordt nagenoeg volledig voorzien door middel van olie. In de sector vervoer is de overgang naar alternatieve energie met lage uitstoot weliswaar al begonnen, onder meer dankzij de huidige richtlijn hernieuwbare energie, maar de sector loopt om een aantal redenen aanzienlijk achter bij de andere sectoren, waaronder door het ontbreken van sterke prikkels voor innovatie op het gebied van energie en technologieën die nodig zijn voor het op lange termijn koolstofarm maken en de energiediversificatie van het vervoer alsmede door infrastructuurproblemen in verband met elektrificatie (hetgeen wordt aangepakt door middel van de richtlijn alternatieve brandstoffen en de voorgestelde maatregelen in het kader van de richtlijn energieprestatie van gebouwen).

Door gemeenschappelijke EU-actie wordt gewaarborgd dat de doelstellingen van het beleid (namelijk het potentieel van geavanceerde biobrandstoffen wat betreft het koolstofarm maken van de economie) gezamenlijk worden bereikt tegen zo laag mogelijke kosten.

Een EU-breed energie- en klimaatkader voor hernieuwbare energie in 2030 zal ook bijdragen tot het toezicht op en de ondersteuning van het energiebeleid van de lidstaten met het oog op de totstandbrenging van een duurzaam, zeker en betaalbaar energiesysteem voor de Europese burgers. Door middel van een voorspelbaar EU-regelgevingskader dat de sector hernieuwbare energie in de richting van 2030 leidt en de europeanisering van het beleid inzake hernieuwbare energie ondersteunt, waarbij met name de marktgebaseerde benadering ten aanzien van hernieuwbare energie wordt versterkt en de openstelling van grensoverschrijdende steun wordt bevorderd, zijn de lidstaten beter in staat hun nationale beleid met het oog op het streefcijfer voor 2020 vast te stellen, waarmee wordt gewaarborgd dat het beleid inzake hernieuwbare energie in overeenstemming is met andere energie- en klimaatdoelstellingen, namelijk de ETS, de verordening inzake verdeling van de inspanningen en het EU-streefcijfer voor energie-efficiëntie voor 2030. Een kader op EU-niveau waarmee beginselen van hoog niveau voor steunregelingen worden vastgesteld, zorgt ook voor zekerheid voor investeerders die in het verleden eventueel werden geconfronteerd met inconsistent beleid en soms met door de lidstaten met terugwerkende kracht getroffen maatregelen.

Door op EU-niveau te werk te gaan, kunnen verschillende belemmeringen voor openbare en particuliere investeringen (bijvoorbeeld in verband met vergunningsprocedures) worden weggewerkt, waarbij het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende vergunningverlenende instanties op nationaal niveau wordt aangepakt en de bestuurlijke capaciteit betreffende de uitvoering van grensoverschrijdende projecten en steunregelingen wordt gestimuleerd.

EU-actie biedt de investeerders zekerheid door middel van een EU-breed regelgevingskader, de consistente en kostenefficiënte toepassing van hernieuwbare energie in de hele EU en een efficiënte werking van de interne energiemarkt, waarbij rekening wordt gehouden met het potentieel van de lidstaten om verschillende vormen van hernieuwbare energie te produceren naargelang van de gekozen energiemix.

Wat dat betreft behouden de lidstaten een grote mate van bewegingsvrijheid en flexibiliteit om de ontwikkeling van hernieuwbare energie in eender welke sector van hun economie aan te moedigen op manieren die het best aansluiten bij het nationale potentieel en de nationale omstandigheden; zo krijgen de lidstaten de mogelijkheid om het streefcijfer op EU-niveau te bereiken door de toepassing van hernieuwbare energie in andere lidstaten te steunen, in overeenstemming met de voorstellen inzake de opzet van de markt.

Het voorstel voldoet dan ook aan het subsidiariteitsbeginsel.

2.3.Evenredigheidsbeginsel en keuze van instrumenten

Het voorstel voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien het EU-actie omvat waarmee wordt gewaarborgd dat de Unie het streefcijfer van ten minste 27 % bereikt, waarbij het de lidstaten flexibiliteit biedt om de beoogde acties uit te voeren en de sector hernieuwbare energie tot ontwikkeling te brengen op een manier die het best aansluit bij hun nationale situatie, voorkeuren en potentieel, mits zij gezamenlijk het streefcijfer van ten minste 27 % bereiken.

Het streefcijfer op EU-niveau betekent een fundamentele verschuiving in het beleidskader voor 2030, van juridisch bindende nationale streefcijfers, waarbij de lidstaten over een grote mate van bewegingsvrijheid betreffende hun nationale maatregelen beschikken, naar een juridisch bindend streefcijfer op het niveau van de Europese Unie. In die context zouden louter nationale maatregelen leiden tot niet-kostenefficiënte en ongelijk verdeelde inspanningen in de hele EU, met als gevolg onvoldoende toepassing van hernieuwbare energie op de interne EU-markt voor energie waardoor het overeengekomen streefcijfer eventueel niet wordt bereikt. In die context zouden louter nationale maatregelen met coördinatie in het kader van de voorgestelde governancemechanismen niet voldoende waarborgen bieden met het oog op het op de meest kostenefficiënte wijze bereiken van het streefcijfer, het vermijden van "free riding" door de lidstaten en het terugdringen van de versnippering van de markt. Met actie op EU-niveau kan daarentegen een robuust en stabiel kader tot stand worden gebracht waarmee de bindende EU-doelstelling van ten minste 27 % hernieuwbare energie in 2030 gezamenlijk en op kostenefficiënte wijze kan worden bereikt, waarbij de inspanningen op billijke wijze onder de lidstaten worden verdeeld en niet verder wordt gegaan dan de maatregelen die nodig zijn om de kostenoptimaliteit van de gemeenschappelijke inspanning te waarborgen.

Met betrekking tot specifieke sectorale bepalingen verbruikt de sector verwarming en koeling bijna 50 % van de energie van de EU, en in 75 % van de behoefte aan brandstof in de EU ten behoeve van verwarming en koeling wordt nog steeds voorzien door fossiele brandstoffen. Daarom is het koolstofarm maken van de sector verwarming en koeling cruciaal om ervoor te zorgen dat de EU het traject in de richting van onze koolstofdoelstellingen op lange termijn blijft volgen en dat de voorzieningszekerheid wordt verbeterd. In 2030 moet bijna de helft 3 van de bijdrage aan het EU-streefcijfer voor hernieuwbare energie afkomstig zijn van verwarming en koeling. Uit deze omvang blijkt de noodzaak van actie in deze specifieke sector. De voorgestelde opties inzake verwarming en koeling bieden de lidstaten richtsnoeren voor de keuze van de benadering voor het vergemakkelijken van de penetratie van hernieuwbare energie in de sector en het leveren van een bijdrage aan dit kostenefficiënte aandeel, waarbij zij beschikken over volledige flexibiliteit wat betreft de opzet van hun geïntegreerde klimaat- en energieplannen. Indien alle lidstaten de voorgestelde maatregel vaststellen, komt dat overeen met ongeveer een vierde van het verschil tussen ongewijzigd beleid en het streefcijfer op EU-niveau van ten minste 27 %.

Aan belangrijke nationale bevoegdheden, zoals het recht van de lidstaten om de voorwaarden voor de benutting van hun energiehulpbronnen te bepalen, de keuze die zij maken tussen verschillende energietechnologieën en de algemene structuur van hun energievoorziening, zal niet worden getornd. Bovendien omvat het EU-kader voor de duurzaamheid van bio-energie minimumcriteria betreffende het aantonen van de duurzame productie en het efficiënte gebruik van biomassa in het vervoer, warmte en elektriciteit. De nieuwe bepalingen inzake duurzaamheid volgen een risicogebaseerde aanpak en zijn uitsluitend van toepassing op grootschalige producenten van warmte en elektriciteit.

Tot slot wordt de evenredigheid gewaarborgd door middel van een evenwicht tussen de doelstellingen inzake concurrentievermogen, voorzieningszekerheid en duurzaamheid, en doordat de langetermijnvoordelen voor de periode na 2030 van de voorgestelde werkwijze, en niet enkel de effecten op de korte tot middellange termijn, in overweging zijn genomen.

De verplichtingen die worden opgelegd zijn dus evenredig met het doel.

2.4.Keuze van het instrument

Het gekozen instrument is een richtlijn, die door de lidstaten ten uitvoer moet worden gelegd. Een richtlijn is een geschikt instrument voor het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen omdat de nagestreefde doelstellingen duidelijk worden gedefinieerd en de lidstaten toch voldoende flexibiliteit behouden om de richtlijn ten uitvoer te leggen op de manier die het best aansluit bij hun omstandigheden. Daarom omvat de richtlijn slechts beperkte bepalingen die verplichte maatregelen opleggen, uitsluitend gericht op het verhogen van de nodige kostenoptimale toepassing in de hele Unie (bijvoorbeeld artikel 5 van het voorstel betreffende de gedeeltelijke verplichte openstelling van steunregelingen).

Het voorstel omvat een materiële wijziging van de richtlijn hernieuwbare energie en de herschikkingsmethode voorziet in de vaststelling van een enkele wetgevingstekst waarmee tegelijkertijd de gewenste wijziging wordt verricht, die wijziging wordt gecodificeerd ten aanzien van de ongewijzigde bepalingen van de voorafgaande handeling en die handeling wordt ingetrokken. Een herschikkingsrichtlijn is daarom het passende instrument dat aansluit bij de verbintenis van de Commissie op grond van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven 4 .

3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

3.1.Refit-evaluatie

Tussen 2014 en 2016 is in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) een evaluatie van de richtlijn hernieuwbare energie uitgevoerd. De resultaten van deze evaluatie zijn opgenomen in een afzonderlijk werkdocument betreffende de Refit-evaluatie die bij de effectbeoordeling voor dit voorstel is gevoegd.

In de Refit-evaluatie wordt geconcludeerd dat de doelstelling betreffende het op duurzame wijze verhogen van het aandeel van hernieuwbare energie in het eindenergieverbruik van de EU is behaald. Met name de bindende nationale streefcijfers, de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen en het tweejaarlijkse toezicht waarin de richtlijn hernieuwbare energie voorziet, zijn doeltreffend gebleken wat betreft de bevordering van de transparantie voor investeerders en andere economische actoren, en is gezorgd voor hoogwaardige informatie over markten en beleid betreffende hernieuwbare energie in de lidstaten. Dit wordt aangetoond door de snelle toename van de toepassing na de datum van vaststelling van de richtlijn, van een aandeel hernieuwbare energie van 10,4 % in 2007 tot 17 % in 2015.

Deze wettelijke bepalingen alsmede aanvullend nationaal beleid en andere niet-regelgevende maatregelen hebben bijgedragen tot de algehele verwezenlijking van de EU-beleidsdoelstellingen inzake energie en klimaat, resulterend in een reductie van de emissie van broeikasgassen, toegenomen voorzieningszekerheid, leiderschap op het gebied van innovatie, werkgelegenheid, publieke aanvaarding en regionale ontwikkeling. Zij hebben met het oog op de algehele EU-doelstellingen inzake energie en klimaatverandering blijk gegeven van hun relevantie, coherentie, efficiëntie, doeltreffendheid en toegevoegde waarde. Hernieuwbare energie is in de elektriciteitssector momenteel de enige koolstofarme optie die met een tempo wordt toegepast dat in de buurt ligt van de vereisten op grond van de langetermijnscenario's van het Internationaal Energieagentschap (IEA) ten aanzien van de beperking van de wereldwijde temperatuurstijging tot 2◦C boven pre-industriële niveaus.

Hoewel de EU als geheel, evenals alle lidstaten behalve één, momenteel op schema liggen met het oog op de algehele streefcijfers voor hernieuwbare energie voor 2020, kan de verwezenlijking van de streefcijfers enkel worden gewaarborgd indien de lidstaten de toepassing van hernieuwbare energie blijven bevorderen teneinde hun steeds steilere trajecten te volgen. Tevens zijn aanvullende inspanningen nodig om het tempo van de toepassing van hernieuwbare energie in het vervoer te verhogen en te waarborgen dat het sectorspecifieke streefcijfer van 10 % wordt bereikt. Met name de rechtsonzekerheid als gevolg van de langdurige politieke discussie over de aanpak van het risico op indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) in verband met biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen, heeft een negatief effect gehad op de toepassing van hernieuwbare energie in de vervoerssector.

3.2.Raadpleging van belanghebbenden

3.2.1. Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

Bij de voorbereiding van het voorstel waren uiteenlopende belanghebbenden betrokken, waaronder de lidstaten en de nationale reguleringsinstanties. In het kader vond een twaalf weken durende openbare raadpleging plaats, evenals een workshop met de belanghebbenden die op 5 februari 2016 werd gehouden, een aan dit onderwerp gewijde discussie op het regelgevingsforum voor elektriciteit in Florence en talrijke bilaterale besprekingen.

Van 18 november 2015 tot 10 februari 2016 vond een openbare raadpleging plaats. De Commissie heeft in totaal 614 antwoorden ontvangen. 340 oftewel 58 % van de antwoorden waren afkomstig van nationale en in de hele EU actieve organisaties. Daarvan waren 110 afkomstig van branche-organisaties (18 % van het totale aantal antwoorden) en 90 van de sector hernieuwbare energie (15 %). Daarnaast waren 186 rechtstreeks van ondernemingen afkomstig (30 %). In totaal hebben 19 nationale overheden en 22 regionale of lokale autoriteiten aan deze raadpleging deelgenomen. Van belang was verder dat een aanzienlijk aantal individuele burgers, energiecoöperaties en NGO's heeft deelgenomen.

Verder heeft de Commissie via internet een openbare raadpleging over de duurzaamheid van bio-energie gehouden die plaatsvond van 10 februari tot 10 mei 2016. Er werden meer dan 950 antwoorden ontvangen. Als aanvulling daarop heeft op 12 mei 2016 een thematische, op de belanghebbenden gerichte conferentie plaatsgevonden.

3.2.2 Samenvatting van de standpunten van de belanghebbenden

De nadere beoordeling van de antwoorden op de openbare raadplegingen bevestigt dat de respondenten het over een aantal onderwerpen ervan grotendeels eens zijn, onder meer over de noodzaak van een stabiel en betrouwbaar juridisch EU-kader voor hernieuwbare energie, het belang van het vaststellen van aanvullende maatregelen in de herschikkingsrichtlijn teneinde het op EU-niveau bindende streefcijfer van ten minste 27 % te bereiken en het belang van de totstandbrenging van een markt die geschikt is voor hernieuwbare energie. Met betrekking tot andere aangelegenheden lopen de meningen echter uiteen, bijvoorbeeld wat betreft de geografische reikwijdte van steunregelingen en blootstelling van hernieuwbare energie aan marktvoorwaarden (bijvoorbeeld prioritaire dispatching en de verantwoordelijkheden inzake balancering).

Wat betreft de rol van particuliere entiteiten en overheidsinstanties op de elektriciteitsmarkt is er brede steun voor aanvullende EU-actie ten behoeve van het mondig maken van energieconsumenten en lokale autoriteiten. Uit de overgrote meerderheid van de antwoorden blijkt dat er steun is voor strengere EU-voorschriften waarmee wordt gegarandeerd dat de consumenten hun eigen hernieuwbare warmte en elektriciteit kunnen produceren alsmede op niet-discriminerende en eenvoudige wijze kunnen deelnemen aan alle relevante energiemarkten, onder meer door middel van aankoopgroeperingen. Veel respondenten zijn voorstander van een grotere mate van blootstelling van systemen voor eigen verbruik aan de kortetermijnmarkt door middel van de waardebepaling van overtollige, aan het net teruggeleverde elektriciteit tegen de wholesalemarktprijs. Meerdere producenten van hernieuwbare energie wijzen er echter op dat marktgebaseerde steunregelingen nog steeds nodig zijn voor kleinschalige systemen voor eigen verbruik tijdens de overgang naar een hervormde opzet van de markt. Verschillende respondenten zijn voorstander van gemakkelijkere toegang tot financiering voor lokale initiatieven op het gebied van hernieuwbare energie.

De belanghebbenden wijzen erop dat wijzigingen van steunregelingen met terugwerkende kracht dienen te worden voorkomen. Ook andere elementen worden als belangrijk voor de stabiliteit van investeringen beschouwd; daartoe behoren het wegwerken van administratieve barrières, verdere marktintegratie en een versterkte regeling betreffende de bescherming van investeringen die verder gaat dan het Verdrag inzake het Energiehandvest. Meerdere respondenten achten het verder noodzakelijk dat een vlotte tenuitvoerlegging van de herschikkingsrichtlijn, ruim voor 2021, wordt gewaarborgd, zodat beleidssignalen tijdig worden afgegeven en de investeerders over een perspectief beschikken.

Meerdere lidstaten hebben er in het bijzonder op gewezen dat het recht van de lidstaten om hun eigen energiemix te kiezen en de hernieuwbare technologieën te ontwikkelen die zij hebben gekozen, bijvoorbeeld vanwege de diversificatie, moet worden gegarandeerd, met name wat betreft de opzet van steunregelingen. Verder wezen zij erop dat de marktintegratie van hernieuwbare energiebronnen op gecoördineerde wijze moet worden georganiseerd en niet mag plaatsvinden door middel van versnipperde procedures die afhankelijk zijn van afzonderlijke kennisgevingsschema's van de lidstaten.

Tot slot wordt ervan uitgegaan dat een robuust, in de richtlijn hernieuwbare energie verankerd juridisch kader doorslaggevend is voor het bereiken van het EU-streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie in 2030. De meerderheid van de respondenten is voorstander van preventieve maatregelen waarmee een kloof wat betreft het bereiken van het streefcijfer wordt voorkomen, maar acht het ook noodzakelijk dat corrigerende maatregelen worden getroffen indien een dergelijke kloof zich voordoet. Sommige belanghebbenden, waaronder energieregulators, wijzen erop dat het noodzakelijk is te zorgen voor samenhang van eventuele aanvullende maatregelen met de nationale steunregelingen.

Uit de openbare raadpleging is naar voren gekomen dat tot de voornaamste belemmeringen voor een toename van hernieuwbare energie in het vervoer onder meer het ontbreken van een stabiel beleidskader voor de periode na 2020, het langdurige debat over de duurzaamheid van biobrandstoffen en de hoge prijs van elektrische voertuigen behoren. De overgrote meerderheid van de respondenten geeft verder aan dat een EU-brede verplichting tot de integratie van brandstoffen een doeltreffende dan wel zeer doeltreffende maatregel zou zijn ter bevordering van het verbruik van duurzame hernieuwbare brandstoffen in de EU-vervoerssector en ter verhoging van de invoering van elektrische voertuigen.

Bovendien is in het kader van het regelgevingsforum voor elektriciteit dat op 13 en 14 juni 2016 in Florence plaatsvond en waaraan de lidstaten, de nationale reguleringsinstanties en belangrijke belanghebbenden deelnamen, geconcludeerd dat het kader voor hernieuwbare energie voor de periode na 2020 moet worden gebaseerd op een versterkte opzet van de markt die geschikt moet zijn voor volledige integratie van hernieuwbare energie, op een sterk koolstofprijssignaal door middel van een versterkte ETS, en dat specifieke steun voor hernieuwbare energie, wanneer en indien deze nodig is, marktgebaseerd moet zijn en tot minimale marktverstoringen moet leiden. Daartoe heeft het forum de Commissie aangespoord om gemeenschappelijke voorschriften inzake steunregelingen te ontwikkelen als onderdeel van de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie teneinde een marktgebaseerde en meer geregionaliseerde aanpak voor hernieuwbare energie te bevorderen.

Uit de openbare raadpleging betreffende de duurzaamheid van bio-energie blijkt dat de perceptie met betrekking tot de voordelen en risico's van bio-energie alsmede de noodzaak van nieuwe EU-beleid uiteenloopt. De overgrote meerderheid van de respondenten wees er evenwel op dat beperking van de klimaatverandering de voornaamste doelstelling van het beleid inzake de duurzaamheid van bio-energie moet zijn.

Meerdere overheidsinstanties en -bedrijven, producenten van biobrandstoffen en biovloeistoffen, bosbouwbedrijven en lidstaten hebben aangegeven de voorkeur te geven aan het basisscenario, dat wil zeggen geen aanvullende EU-duurzaamheidseisen. Een van de voornaamste redenen die hiervoor wordt aangevoerd is het bestaan van andere wetgeving die betrekking heeft op de potentiële risico's in verband met biomassa voor energie, alsmede het risico op buitensporige administratieve lasten.

Anderzijds zijn veel EU-producenten en gebruikers van bio-energie alsmede een aantal lidstaten voorstander van aanvullende EU-maatregelen en van uitbreiding van de EU-duurzaamheidscriteria tot biomassa die wordt gebruikt voor verwarming en koeling alsmede elektriciteit. In een recent advies van het Permanent Comité voor de bosbouw van de EU, de adviesgroep voor EU-acties op het gebied van bosbouw, wordt de optie van invoering van een risicogebaseerd criterium voor bosbiomassa ondersteund.

Vereisten inzake de efficiëntie van de omzetting van biomassa in energie worden ondersteund door uiteenlopende belanghebbenden, waaronder met name de houtverwerkende industrie, waartoe pulp- en papierproducenten behoren, en milieu-NGO's. NGO's zijn ook voorstander van een limiet voor het totale gebruik van bio-energie, van beperkingen voor bepaalde grondstoffen of bronnen en van milieu- en sociale eisen voor de productie van biomassa.

In het algemeen hebben de belanghebbenden verzocht om een coherente behandeling bij het opleggen van maatregelen die betrekking hebben op specifieke grondstoffen, ongeacht het uiteindelijke gebruik ervan: dat houdt bijvoorbeeld in dat de voorschriften hetzelfde moeten zijn voor agrarische biomassa die wordt gebruikt om biobrandstoffen te produceren en voor biogas ten behoeve van warmte en elektriciteit.

3.3.Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

De volgende belangrijke studies werden besteld bij externe contractanten:

Studie over de effectbeoordeling voor een nieuwe richtlijn ter stroomlijning van de toepassing van hernieuwbare energie en ter waarborging dat de EU aan haar streefcijfers voor hernieuwbare energie voor 2030 voldoet – ECN, Oeko Institute, Eclareon, REBEL, SUER, BBH.

Studie over technische bijstand bij het opstellen van het verslag betreffende hernieuwbare energie van 2016, ter voorbereiding van het pakket hernieuwbare energie voor de periode 2020-2030 in de Europese Unie – Öko-Institut, E3-Modelling, Observ’ER, COWI.

Ondersteunen van investeringen in hernieuwbare elektriciteit in de context van diepgaande marktintegratie van HE-E na 2020: Studie over opties op EU-, regionaal en nationaal niveau – Cambridge Economic Policy Associates (CEPA).

Studie over duurzaam en optimaal gebruik van biomassa voor energie in de EU na 2020 – PricewaterhouseCoopers, Vito, TU Wien, Utrecht University, INFRO, Rutter Soceco.

Koolstofeffecten van in de EU verbruikte biomassa – Forest Research UK, VTT, North Energy, Alterra.

Studie over de effecten van efficiëntie betreffende hulpbronnen op de toekomstige behoefte in de EU aan bio-energie, IISA, Idufor, EFI, Oeko Institute, IEEP.

3.4.Effectbeoordeling

De effectbeoordeling bij het voorstel omvat geen reeks voorkeursopties, maar een gedetailleerde analyse van elke beleidsoptie met een geleidelijke aanpak, te beginnen met een scenario met ongewijzigd beleid (optie 0), bestaande uit de voortzetting van nationale maatregelen zonder aanvullende actie op EU-niveau, tot alternatieve scenario's met uitgebreidere EU-maatregelen op de hieronder genoemde vijf gebieden.

Op 16 september 2016 5 heeft de Raad voor regelgevingstoetsing een eerste advies over de effectbeoordeling uitgebracht en om herindiening ervan verzocht. De effectbeoordeling is naar aanleiding daarvan herzien en op 17 oktober 2016 opnieuw ingediend bij de Raad voor regelgevingstoetsing, die op 4 november 2016 een tweede negatief advies uitbracht, maar niet verzocht om verdere herziening en herindiening van de effectbeoordeling.

De Commissie vond het derhalve opportuun een herschikkingsvoorstel betreffende de richtlijn hernieuwbare energie uit te werken, terdege rekening houdend met het voorbehoud dat de Raad voor regelgevingstoetsing in het tweede advies heeft gemaakt. Met name heeft zij gekozen voor meer evenredige en minder omslachtige bepalingen voor de sector verwarming en koeling, in combinatie met versterkte bepalingen in het governancekader ter waarborging van het bereiken van de streefcijfers voor 2030. Bovendien heeft zij ervoor gezorgd dat de bepalingen van het voorstel volledig verenigbaar en complementair met de staatssteunregels zijn en geen inbreuk maken op de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van staatssteun. De voorgestelde bepalingen zijn algemene beginselen die (voor zover nodig) het gebruik van marktgebaseerde en kosteneffectieve regelingen vereisen. Dit is volledig in overeenstemming met de nieuwe opzet van de markt en draagt bij tot het minimaliseren van de kosten voor de belastingbetalers en elektriciteitsverbruikers. De bepalingen zorgen verder voor ondersteuning van de zekerheid voor investeerders gedurende de periode 2021-2030. De Commissie heeft rekening gehouden met alle doelstellingen van de energie-unie. Tot slot heeft de Commissie nota genomen van de onvermijdelijke onzekerheden wat betreft de raming van de te overbruggen kloof, het minimale karakter van het op EU-niveau bindende streefcijfer van ten minste 27 % en de noodzaak van het voorzien in stabiele en tijdige prikkels voor investeringen met lange aanlooptijden. Gezien het bovenstaande is de Commissie van mening dat het totale pakket maatregelen een proportioneel antwoord biedt op de problemen die zich voordoen. Dit hoofdstuk bevat hierover meer gedetailleerde informatie.

(i) Opties voor meer hernieuwbare energie in de elektriciteitssector (HE-E)

a) Een gemeenschappelijk Europees kader voor steunregelingen: (1) uitsluitend gebruik van marktmechanismen; (2) een Europees kader voor marktgebaseerde en kosteneffectieve steun; (3) verplichte verschuiving naar investeringssteun.

De richtlijn hernieuwbare energie biedt de mogelijkheid voor steunregelingen, maar laat de keuze van steunregelingen over aan de lidstaten. Dit heeft geleid tot een suboptimale situatie waarin lidstaten steunregelingen hebben ingevoerd die vervolgens in veel gevallen met terugwerkende kracht zijn gewijzigd of ingetrokken. Dit heeft vervolgens een negatieve invloed op het vertrouwen bij de investeerders gehad. De herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie moet daarom duidelijker voorschriften omvatten die zorgen voor meer vertrouwen bij de investeerders.

Tegen deze achtergrond omvat optie 2 de invoering van beginselen voor steunregelingen die de lidstaten kunnen gebruiken en die momenteel nog noodzakelijk zijn om voldoende investeringen aan te trekken teneinde het EU-streefcijfer voor 2030 te bereiken. Deze optie omvat beginselen betreffende de opzet die de lidstaten kunnen gebruiken voor steunregelingen en voor de bescherming van investeerders tegen met terugwerkende kracht ingevoerde wijzigingen. Dergelijke beginselen laten de staatssteunregels onverlet.

Ten aanzien van deze sector was de Raad voor regelgevingstoetsing van mening dat de bestaande staatssteunrichtsnoeren al ingaan op het grootste deel van de in de effectbeoordeling opgenomen kwesties en de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 reeds erkennen.

Het is een politieke keuze om deze beginselen in de wetgeving te verankeren. Zodoende zullen deze bepalingen bijdragen tot de europeanisering van het beleid inzake hernieuwbare energie en ervoor zorgen dat hernieuwbare energie geschikt is voor de markt, waarbij de zekerheid voor investeerders tot 2030 wordt gewaarborgd. Meer details zijn beschikbaar in bijlage 1 bij de effectbeoordeling. In deze context worden in het voorgestelde kader beginselen inzake de opzet vastgesteld die (i) zorgen voor voldoende zekerheid voor de investeerders voor de periode 2021-2030 en (ii) indien vereist zorgen voor verplicht gebruik van marktgebaseerde en kosteneffectieve regelingen op basis van beste praktijken inzake de opzet. De beginselen van dit voorstel sluiten volledig aan bij de richting die de Commissie is ingeslagen in het kader van de richtsnoeren betreffende staatssteun op het gebied van milieu en energie en zorgen voor verdere ontwikkeling daarvan op een aantal gebieden, zoals met name grensoverschrijdende deelname.

Bovendien zorgt het kader op doeltreffende wijze voor voldoende zekerheid voor de investeerders, doordat algemene beginselen inzake de opzet worden vastgesteld in overeenstemming met marktgebaseerde beginselen en op basis van de beste praktijken met betrekking tot de periode 2021-2030.

Tegelijkertijd is het kader evenredig en niet overdreven prescriptief, aangezien de voorschriften algemeen van aard zijn, en voldoet het aan het subsidiariteitsbeginsel, aangezien het volledig rekening houdt met het recht van de lidstaten om hun energiemix te bepalen. Daarom is het noodzakelijk om in het huidige regelgevingskader de relatie te definiëren tussen aan de ene kant het recht van de lidstaten om hun eigen energiemix te kiezen en de hernieuwbare energietechnologieën te ontwikkelen die zij hebben gekozen, bijvoorbeeld vanwege de diversificatie, en aan de andere kant de doelstelling betreffende het waarborgen van een concurrentieniveau voor de verschillende technologieën. Het met het oog op een akkoord voorleggen van deze basisbeginselen van het energiekader voor Europa aan de Raad en het Europees Parlement zal bijdragen tot de legitimiteit en publieke aanvaarding van de agenda inzake markintegratie.

Bovendien hebben verschillende belanghebbenden, waaronder regulators 6 en een aantal lidstaten, ertoe opgeroepen een dergelijk kader in het voorstel op te nemen, complementair met de toepasselijke staatssteunregels.

b) Een meer gecoördineerde regionale aanpak: (1) verplichte regionale steun; (2) verplichte gedeeltelijke openstelling van steunregelingen voor grensoverschrijdende deelname.

Dit voorstel gaat uit van de tweede optie (optie 1 in de effectbeoordeling) en stelt de gedeeltelijke openstelling van HE-E-steunregelingen voor grensoverschrijdende deelname verplicht. Met deze optie kunnen de totale systeemkosten en steunkosten worden teruggedrongen, doordat wordt gewaarborgd dat investeringen in toenemende mate plaatsvinden waar het potentieel en andere omstandigheden het gunstigst zijn. Uit de resultaten van de effectbeoordeling blijkt dat deze maatregel zou leiden tot een afname van de energiesysteemkosten van 1miljard EUR per jaar voor de periode 2021-2030, terwijl de door de consumenten betaalde steunkosten voor hernieuwbare energie met 3 % worden teruggedrongen.

Deze optie is evenredig aangezien slechts een geleidelijke en gedeeltelijke openstelling wordt voorgesteld die rekening houdt met het niveau van fysieke interconnecties. Er wordt voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel, aangezien aan de lidstaten geen beperking wordt opgelegd wat betreft de opzet van hun steunregeling en derhalve geen inbreuk wordt gemaakt op hun recht om hun energiemix zelf te bepalen.

c) Een op hernieuwbare energie gericht financieringsinstrument: (1) een financieringsinstrument op EU-niveau met brede criteria; (2) een financieringsinstrument op EU-niveau ter ondersteuning van HEB-projecten met hoger risico.

Het doel op dit gebied is versterking van het gebruik van middelen via bestaande of nieuwe financieringsinstrumenten ter ondersteuning van de ambitieuze doelstellingen van de lidstaten inzake de toepassing van hernieuwbare energie. De details van een dergelijk ondersteunend kader dienen te worden vastgesteld in de context van de voorbereiding van het meerjarig financieel kader voor 2021-2027.

d) Administratieve vereenvoudiging: (1) versterkte bepalingen met "one-stop-shops", tijdschema's en vergemakkelijkte procedures voor repowering; (2) vergunningsprocedures met beperkte tijdsduur, door middel van automatische goedkeuring en eenvoudige kennisgeving voor kleine projecten.

In dit voorstel wordt de voorkeur gegeven aan een combinatie van de opties 1 en 2 teneinde voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie een vergunningverleningsproces vast te stellen met één aangewezen instantie ("one-stop-shop"), een maximale tijdsduur voor het vergunningverleningsproces, een eenvoudige kennisgeving aan de distributiesysteembeheerders voor kleinschalige projecten en een specifieke bepaling inzake het bespoedigen van het vergunningverleningsproces voor de repowering van bestaande hernieuwbare installaties. Deze optie zorgt voor een duidelijker, transparanter, voorspelbaarder en minder tijdrovend vergunningverleningsproces voor de aanvragers.

Deze optie is evenredig, aangezien grotendeels de beste praktijken worden toegepast die reeds in sommige lidstaten bestaan. Er zijn geen hoge kosten aan verbonden. Er wordt een het subsidiariteitsbeginsel voldaan, aangezien de lidstaten zelf kunnen beslissen hoe zij de "one-stop-shops" organiseren. Bovendien blijft de inhoud van de vergunningsprocedures ongewijzigd.

(ii) Opties voor meer hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling (HE-V&K):

a) Mainstreaming van hernieuwbare energie in de verwarming- en koelingsvoorziening: (0) voortzetting van de huidige nationale maatregelen zonder EU-actie; (1) invoering van HE-V&K-verplichtingen voor leveranciers van fossiele brandstoffen; (2) dezelfde verplichting voor alle brandstofleveranciers.

De voorkeursoptie was optie 2, op basis waarvan door de lidstaten aangewezen leveranciers die ten minste 50 % van de energievoorziening dekken, zouden worden verplicht om geleidelijk hernieuwbare energie in hun totale jaarlijkse verkoopvolume te mainstreamen tot 2030 (met 1 procentpunt per jaar).

Met betrekking tot deze sector heeft de Raad voor regelgevingstoetsing vraagtekens gezet bij de evenredigheid van het vaststellen van een verplichting voor leveranciers van verwarmings- en koelingsenergie. Het onderhavige voorstel houdt hiermee rekening doordat de verplichting is vervangen door meerdere opties waaruit de lidstaten kunnen kiezen, zodat op nationaal niveau flexibiliteit wat betreft de tenuitvoerlegging wordt geboden.

Ermee rekening houdend dat verwarming en koeling verantwoordelijk is voor bijna de helft van het eindenergieverbruik van de EU 7 en dat, terwijl het aandeel van hernieuwbare energie in de elektriciteitssector tussen 2009 en 2015 met meer dan 8 procentpunten is toegenomen, het aandeel van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling in dezelfde periode slechts met minder dan 3 procentpunten is gestegen, moeten in deze sector ambitieuze, maar flexibele maatregelen worden getroffen.

Deze optie is evenredig, aangezien deze niet verder gaat dan nodig is om de toepassing van hernieuwbare energie in de sector HE-V&K op EU-niveau te versterken en geen zware last vormt voor het mkb.

Deze optie is in overeenstemming en complementair met de richtlijn energie-efficiëntie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen. De energie-efficiëntie in de sector verwarming en koeling wordt bevorderd door middel van energiebesparingen en renovatie, met name in de bouwsector. Parallel daaraan zouden de opties inzake verwarming en koeling de overstap van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling bespoedigen, waarbij ook de bestaande gebouwenvoorraad wordt aangepakt. Door specifieke hernieuwbare-energiemaatregelen voor de verwarmings- en koelingsvoorziening en het energiegebruik op gebouwniveau wordt het risico op technologische lock-in verminderd, dat wil zeggen het risico dat de focus op energie-efficiëntie er slechts toe leidt dat technologieën op basis van fossiele brandstoffen worden vervangen door efficiëntere oplossingen, die echter nog steeds op fossiele brandstoffen zijn gebaseerd.

b) Het gebruik van hernieuwbare energie en afvalwarmte in stadsverwarming en -koeling vergemakkelijken: (1) delen van beste praktijken; (2) energieprestatiecertificaten en toegang tot lokale verwarming en koeling openstellen; (3) combinatie van de maatregelen van optie 1 en 2 en een aanvullend versterkt kader inzake consumentenrechten.

Optie 3 heeft in dit voorstel de voorkeur. Deze optie geeft consumenten de mogelijkheid om lokaal hernieuwbare warmte te produceren en hernieuwbare stadsverwarming en -koeling te gebruiken om op lokaal niveau synergie-effecten met andere gebruikers tot stand te brengen, waardoor een positief sociaal effect teweeg wordt gebracht. De mogelijkheid tot ontkoppeling zou aanvullende hernieuwbare-warmteproductie tussen 2020 en 2030 mogelijk maken en een verdere bijdrage leveren aan de beperking van de klimaatverandering. Hoewel het toestaan van ontkoppeling negatieve gevolgen voor de inkomsten van lokale stadsverwarmingsbedrijven en stadskoelingsbedrijven kan hebben, zouden deze effecten worden gecompenseerd door de positieve sociale en milieueffecten.

Deze optie is evenredig, aangezien de administratieve lasten rechtstreeks verband houden met het penetratieniveau van stadsverwarming op nationaal niveau. Met name lidstaten met een klein aandeel van stadsverwarming zullen met een beperkte last op het gebied van certificering en waarschijnlijk een geringe vraag naar ontkoppeling worden geconfronteerd.

Stadsverwarming en -koeling vertegenwoordigt ongeveer 10 % van de energievoorziening in de EU. Stadsverwarming en -koeling biedt mogelijkheden voor grotere aandelen van hernieuwbare energie in het energiesysteem van de EU. Er is bijvoorbeeld een enorm onbenut potentieel wat betreft het gebruik van warmtepompen op industriële schaal in de stadsverwarming, en volgens ramingen woont meer dan 25 % van de EU-bevolking in gebieden die geschikt zijn voor geothermische stadsverwarmingstoepassingen. Bovendien vormt stadsverwarming een belangrijke infrastructurele technologie met het oog op het bevorderen van het totale omzettingsrendement van afvalverbrandingsinstallaties 8 .

Oudere stadsverwarming en -koeling moet worden ontwikkeld om tegemoet te komen aan de stijging van de voorziening van hernieuwbare energie. Met de huidige investeringen in stadsverwarming en -koeling is een overgang naar efficiënte en hernieuwbare energievoorziening echter niet mogelijk.

Maatregelen inzake de energieprestatie vergen betrekkelijk eenvoudige administratieve steun, maar kunnen potentieel voor een aanzienlijke toename van de toepassing van hernieuwbare energie zorgen, waardoor de efficiëntie van de maatregel wordt verhoogd.

Deze optie is evenredig (aangezien door middel van een transparant en vergelijkbaar systeem voor een gelijk speelveld wordt gezorgd voor enerzijds lokale beheerders van stadsverwarming en -koeling en anderzijds degenen die bijdragen tot warmte en deze gebruiken) en voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel (aangezien wordt voorzien in beginselen en tegelijkertijd de rol van nationale en lokale autoriteiten bij het opzetten van stadsverwarming en -koeling wordt gerespecteerd).

(iii) Opties voor meer koolstofarme en hernieuwbare energie in de vervoerssector (HE-V):

(1) EU-incorporatieverplichting voor geavanceerde hernieuwbare brandstoffen; (2) EU-incorporatieverplichting voor geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen (met inbegrip van geavanceerde biobrandstoffen), in combinatie met een reductie van biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen met een reeks varianten betreffende het tempo en de mate van de reductie; (3) voortbouwend op optie 2, een specifieke EU-incorporatieverplichting voor hernieuwbare lucht- en zeevaartbrandstoffen; (4) Verplichtingen betreffende de reductie van broeikasgasemissies (voortzetting van de richtlijn brandstofkwaliteit).

De Raad voor regelgevingstoetsing was van mening dat de duurzaamheid van biobrandstoffen en de potentiële bijdrage daarvan aan het streefcijfer op EU-niveau duidelijk gespecificeerd moeten worden en op dezelfde wijze als andere vormen van bio-energie beoordeeld moet worden. Bovendien werd gevraagd een aanvullende optie in overwegingen te nemen waarbij verbeterde duurzaamheidscriteria op alle biobrandstoffen worden toegepast.

De effectbeoordeling omvat een analyse van deze vier beleidsopties voor EU-actie ter bevordering van het koolstofarm maken en de energiediversificatie van transportbrandstoffen, waarbij tevens indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) in verband met biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen aan bod komen. In deze context wordt voortgebouwd op de analyse in de effectbeoordeling bij de ILUC-richtlijn en wordt in de effectbeoordeling een aantal opties beoordeeld voor het versterken van het bestaande duurzaamheidskader voor biobrandstoffen, onder meer door uitbreiding en verdere verlaging van de bestaande limiet voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen tot de periode na 2020 teneinde ILUC-emissies te minimaliseren. Bovendien zijn in de effectbeoordeling betreffende bio-energie opties beoordeeld voor het versterken van de algehele duurzaamheidscriteria voor bio-energie, met inbegrip van een nieuw duurzaamheidscriterium voor bosbiomassa (ook gebruikt voor de productie van biobrandstoffen) en een uitbreiding van de duurzaamheidscriteria tot voor warmte en elektriciteit gebruikt biomassa.

Voor dit voorstel is de voorkeur gegeven aan optie 2, aangezien hiermee wordt voortgebouwd op de werkwijze van 25 lidstaten die mandaten voor het mengen van biobrandstoffen hebben ingevoerd, en meer zekerheid aan de industrie wordt geboden ten aanzien van de marktvraag/volumes voor geavanceerde biobrandstoffen, hetgeen nodig is om grootschalige investeringen en innovatie in de sector te waarborgen. Deze optie maakt verder de geleidelijke vermindering van biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen mogelijk als aangegeven in de strategie voor emissiearme mobiliteit van juli 2016 9 .

Het voorgestelde reductietraject houdt rekening met de belangrijke investeringen die tot nu toe hebben plaatsgevonden en gaat uit van een realistisch tempo bij de uitrol van geavanceerde biobrandstoffen op de markt. Deze optie kan eenvoudig worden uitgevoerd, aangezien deze voortbouwt op de uitgebreide beleidsmatige en administratieve ervaring die op nationaal niveau is opgedaan.

Met de voorkeursoptie worden ILUC-emissies aangepakt en wordt een hoge prestatie van geavanceerde biobrandstoffen op het gebied van broeikasgassen bevorderd. ILUC kan aanzienlijk worden teruggebracht door middel van een geleidelijke vermindering van conventionele biobrandstoffen tegen 2030, waarbij voornamelijk aandacht wordt besteed aan op oliegewassen gebaseerde brandstoffen die met grotere ILUC-gevolgen in verband worden gebracht. Bovendien zou de vereiste inzake minimale broeikasgasbesparing de optimale koolstofprestatie van nieuwe biobrandstofinstallaties bevorderen.

In haar strategie voor emissiearme mobiliteit heeft de Commissie te kennen gegeven dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen slechts in beperkte mate aan de decarbonisatie van de vervoersector bijdragen en dat de werkelijke bijdrage ervan aan de decarbonisatie van de vervoersector onzeker is. In het voorstel voor de ILUC-richtlijn is een voorzorgsbenadering voorgesteld en aanvaard door de medewetgevers, op basis waarvan de bijdrage van biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen wordt beperkte tot ten hoogste 7 % in 2020. De rechtsonzekerheid bij de voorbereiding en onderhandelingen voor de ILUC-richtlijn hebben ontmoedigend gewerkt op nieuwe investeringen in deze sector bovenop de reeds bestaande investeringen.

Door een progressieve vermindering van biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen en de vervanging daarvan door meer geavanceerde biobrandstoffen kan het potentieel wat betreft de decarbonisatie van de vervoerssector worden benut. Bij het bepalen van de vorderingen die worden gemaakt bij de vermindering van conventionele biobrandstoffen is het evenwel belangrijk dat de zakelijke modellen die in het kader van de bestaande richtlijn zijn gestimuleerd, niet worden ondermijnd. Het voorgestelde traject waarmee het aandeel van conventionele biobrandstoffen geleidelijk wordt verminderd, is erop gericht gestrande activa en onbedoeld banenverlies te voorkomen, rekening houdend met belangrijke, reeds gedane investeringen, en gaat uit van een realistische uitrol van geavanceerde biobrandstoffen op de markt. Het exacte pad van het in dit voorstel vastgestelde geleidelijke verminderingstraject weerspiegelt een gegronde politieke beoordeling van een evenwichtige aanpak ten aanzien van de stabiliteit van investeringen en de reductie van broeikasgasemissies in de vervoerssector.

(iv) Opties gericht op het mondig maken van consumenten wat betreft hernieuwbare energie en hen daarover in te lichten:

a) Consumenten in staat stellen hernieuwbare elektriciteit te produceren, te verbruiken en op te slaan: (1) EU-richtsnoeren betreffende het verbruik van zelfgeproduceerde energie; a) burgers in staat stellen zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit te verbruiken en op te slaan; (3) verbruik van zelfgeproduceerde energie op afstand voor gemeenten.

Optie 2 heeft voor dit voorstel de voorkeur, aangezien de empowerment en potentiële deelname van de consumenten hierdoor wordt gemaximaliseerd, de netimplementatiekosten en kwesties betreffende de verdeling van netkosten worden beperkt, en de bijdrage van zonne-installaties op daken aan het streefcijfer voor hernieuwbare energie wordt verhoogd.

Deze optie is evenredig (aangezien er geen universeel recht op het verbruik van zelfgeproduceerde energie wordt ingevoerd) en voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel (aangezien er geen afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid van de lidstaten om een specifieke technologie te steunen, maar slechts een kader wordt gecreëerd dat de uitrol van de gedecentraliseerde productie van hernieuwbare energie mogelijk maakt).

b) Verstrekken van informatie voor hernieuwbare elektriciteit: (1) consolideren van het systeem inzake garanties van oorsprong; (2) voortbouwen op optie 1 en verplichte verstrekking van garanties van oorsprong invoeren; (3) voortbouwen op optie 2 en garanties van oorsprong uitbreiden tot alle bronnen van elektriciteitsproductie.

In dit voorstel is de voorkeur gegeven aan een combinatie van de opties 1 en 2, waarbij het systeem wordt geconsolideerd en het gebruik van garanties van oorsprong verplicht wordt voor de informatieverstrekking over hernieuwbare elektriciteit. Dit is een evenwichtige oplossing en zorgt voor meer transparantie en vertrouwen met betrekking tot het systeem, waarbij aanvullende administratieve kosten worden vermeden die het gevolg zouden zijn als het systeem wordt uitgebreid tot alle bronnen van productie.

Deze optie is evenredig, aangezien deze geen buitensporige administratieve lasten voor het beheer van het systeem betekent (met name voor kleinschalige producenten). Bovendien wordt aan het subsidiariteitsbeginsel voldaan, aangezien de lidstaten kunnen kiezen welke methode zij voor het beheer van het systeem gebruiken.

c) Traceren van hernieuwbare brandstoffen die worden gebruikt voor verwarming en koeling en vervoer: (1) uitbreiding van garanties van oorsprong tot gasvormige hernieuwbare brandstoffen; (2) uitbreiding van garanties van oorsprong tot vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen; (3) ontwikkelen van een alternatief traceersysteem voor vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen.

Optie 1 voor gasvormige brandstoffen en optie 3 voor vloeibare brandstoffen hebben de voorkeur in dit voorstel. Dit levert voordelen op wat betreft een robuustere tracering van hernieuwbare brandstoffen, ten bate van de consumenten, en vermindert het risico op fraude, met name met betrekking tot vloeibare biobrandstoffen. Bovendien moet de grensoverschrijdende handel in hernieuwbare brandstoffen eveneens worden vergemakkelijkt met dergelijke systemen. Tot slot lijkt optie 3 de voorkeur te hebben boven optie 2 wat betreft vloeibare brandstoffen, aangezien optie 3 beter aansluit op de huidige, bestaande administratieve systemen voor het traceren van de duurzaamheid van deze brandstoffen.

Deze optie is evenredig (aangezien deze voortbouwt op bestaande systemen voor biobrandstoffen en de eenvoudigste methode steunt voor het vergemakkelijken van de grensoverschrijdende handel in gasvormige hernieuwbare brandstoffen) en voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel (aangezien deze complementair is met bestaande registratieregelingen voor vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen op nationaal niveau).

(v) Opties waarmee het bereiken van het streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie in 2030 wordt gewaarborgd:

a) nationale streefcijfers voor 2020: nationale streefcijfers voor 2020 als uitgangspunt ten opzichte van het basisscenario.

Optie 1, dat wil zeggen waarborgen dat de streefcijfers voor 2020 ook na 2020 fungeren als basis, heeft in dit voorstel de voorkeur gekregen. De optie waarbij het streefcijfer voor 2020 wordt behouden, biedt een vangnet en zou geen extra inspanning vereisen, ervan uitgaand dat de lidstaten dat streefcijfer bereiken.

Deze optie is evenredig (aangezien er geen aanvullende inspanning van de lidstaten is vereist, ervan uitgaand dat de lidstaten het streefcijfer bereiken) en voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel (aangezien slechts de tijdsduur met betrekking tot door de lidstaten overeengekomen streefcijfers wordt verlengd).

Het is van belang erop te wijzen dat alle andere opties in verband met het bereiken van het streefcijfers voor hernieuwbare energie van ten minste 27 % in 2030 aan bod komen in de verordening betreffende de governance van de energie-unie, terwijl de aan de EU opgelegde verplichting om het streefcijfer van ten minste 27 % te bereiken in het voorstel is verankerd.

b) Traject: lineair versus niet-lineair.

Optie 1 die het vaststellen van een lineair traject van het streefcijfer voor 2020 tot 2030 inhoudt, heeft in dit voorstel de voorkeur gekregen. Hierdoor wordt meer zekerheid geboden en wordt bijgedragen tot het verminderen van de kosten en risico's in verband met het bereiken van het streefcijfer voor 2030.

Deze optie is evenredig (aangezien deze een beperkt effect op de kosten van toepassing heeft doordat het grootse deel van de technologische kennis wat betreft de meest volwassen technologieën reeds is opgedaan) en voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel (het is simpelweg een modaliteit voor het meten van de gemaakte vorderingen in de richting van het door de lidstaten overeengekomen streefcijfer op EU-niveau).

c) Mechanismen om een amibitiekloof ten opzichte van het EU-streefcijfers voor hernieuwbare energie te vermijden: (1) de ambitie van de nationale plannen herzien; (2) een herzieningsclausule voorzien teneinde op een later tijdstip aanvullende uitvoeringsmechanismen op EU-niveau voor te stellen; (3) de ambitie van EU-brede maatregelen verhogen; (4) bindende nationale streefcijfers invoeren.

Ervan uitgaand dat het governanceproces ervoor zorgt dat het streefcijfer van ten minste 27 % wordt bereikt en dat door middel van een herzieningsclausule aanvullende EU-brede maatregelen in overweging worden genomen, heeft een combinatie van de opties 1 en 2 de voorkeur gekregen voor het voorstel betreffende de governance van de energie-unie. Er wordt vanuit gegaan dat de andere opties politiek niet haalbaar zijn en dat hierover wellicht geen overeenstemming kan worden bereikt zonder vooruit te lopen op het volgende begrotingskader voor de middellange termijn.

Deze benadering is evenredig (aangezien er niet automatisch aanvullende maatregelen uit voortvloeien waarvoor financiering op EU-niveau nodig is) en voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel (aangezien de keuze ten aanzien van het leveren van aanvullende inspanningen aan de lidstaten wordt overgelaten).

d) Mechanismen waarmee een gebrek aan concrete resultaten wordt voorkomen en gecorrigeerd: (1) de nationale plannen herzien; (2) een herzieningsclausule voorzien teneinde op een later tijdstip aanvullende uitvoeringsmechanismen op EU-niveau voor te stellen; (3) de ambitie van EU-brede maatregelen verhogen; (4) bindende nationale streefcijfers invoeren.

Een variant van optie 3 heeft de voorkeur gekregen voor het voorstel betreffende de governance van de energie-unie, aangezien deze variant wordt beschouwd als de meest haalbare wijze om een gebrek aan concrete resultaten te corrigeren. Ter ondersteuning is optie 1 (herziening van de nationale plannen) voorzien die tevens van kracht zou worden in het kader van het governanceproces betreffende de energie-unie.

Deze optie is evenredig (aangezien er geen aanvullende maatregelen uit voortvloeien waarvoor financiering op EU-niveau nodig is) en voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel (aangezien de keuze ten aanzien van het leveren van aanvullende inspanningen aan de lidstaten wordt overgelaten).

(vi) Opties ter versterking van het EU-duurzaamheidskader voor bio-energie:

Bovendien zijn in de effectbeoordeling betreffende bio-energie opties onderzocht met betrekking tot de duurzaamheid van biomassa die wordt gebruikt voor warmte en elektriciteit: (1) Basisscenario: vertrouwen op andere elementen van het klimaat- en energiekader 2030 en op nationaal beleid teneinde de duurzaamheid van biomassa die wordt gebruikt voor warmte en elektriciteit te waarborgen; (2) Uitbreiden van bestaande criteria inzake duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies voor biobrandstoffen in het vervoer tot vaste en gasvormige biomassa voor warmte en elektriciteit; (3) Voortbouwend op optie 2, verder ontwikkelen van duurzaamheidseisen voor bosbiomassa, in combinatie met een eis om LULUCF-emissies op te nemen in nationale verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs; (4) Voortbouwend op optie 2 of 3, een eis inzake energie-efficiëntie voor warmte- en elektriciteitsinstallaties toevoegen; (5) Voortbouwend op optie 2 of 3, een limiet op het gebruik van bepaalde grondstoffen (bijv. rondhout) voor de energieproductie toevoegen.

Optie 3 heeft voor dit voorstel de voorkeur gekregen, aangezien deze benadering als de meest kosteneffectieve werd beschouwd teneinde te blijven waarborgen dat bij het gebruik van bio-energie in de EU na 2020 optimale broeikasgasreducties tot stand worden gebracht en tegelijkertijd de risico's op negatieve milieueffecten in verband met de toegenomen winning van bosbiomassa zo veel mogelijk worden teruggedrongen. Deze optie voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel, aangezien wordt voortgebouwd op een risicogebaseerde benadering en in de eerste plaats gebruik wordt gemaakt van nationale wetgeving en normen voor het aantonen van duurzame productie van bosbiomassa voor energiegebruik. Deze optie is eveneens evenredig, aangezien deze alleen van toepassing is op grootschalige producenten van warmte en elektriciteit op basis van biomassa.

3.5.Toegepaste modellen

Het voorstel bouwt voort op beleidsopties die zijn beoordeeld ten opzichte van de resultaten van modelleringsscenario's inzake energiesystemen. Meer in het bijzonder is het EU-referentiescenario 2016 (REF2016) als uitgangspunt voor de effectbeoordeling bij het voorstel gebruikt; dit scenario omvat projecties betreffende het energiesysteem voor 2030 die zijn gebaseerd op huidige tendensen en huidig beleid.

3.5.1. De basisscenario's

Voortbouwend op REF2016 en EUCO27 (zie hieronder in 3.5.2.) zijn vervolgens specifieke basisscenario's gebruikt waarin de verwachte gevolgen van huidige beleidsmaatregelen en praktijken voor de ontwikkelingen in de specifieke sectoren aan bod komen waarop beleidsinterventies van toepassing zijn, ervan uitgaand dat alle sectoren en beleidsmaatregelen overeenstemmen met het centrale beleidsscenario.

3.5.2. De beleidsscenario's

Tevens is er gebruikgemaakt van een centraal beleidsscenario dat is opgesteld voor de effectbeoordelingen bij het voorstel voor een herziening van de richtlijn energie-efficiëntie en het voorstel betreffende de verordening inzake de verdeling van de inspanningen. Dit scenario ("EUCO27") omvat projecties van de verwachte ontwikkelingen in alle sectoren met het oog op het bereiken van de streefcijfers voor 2030 en draagt bij tot het bepalen van de schaal van de economische, sociale en milieu-uitdagingen teneinde op kosteneffectieve wijze een aandeel van hernieuwbare energie van ten minste 27 % te bereiken.

Deze benadering, die uitgaat van een gemeenschappelijk beleidsscenario en vervolgens is gericht op "één kwestie per keer", werd beschouwd als de enige operationele manier om de effecten van specifieke beleidsopties in de algehele context van verschillende door de Commissie in het kader van de initiatieven betreffende de energie-unie van 2016 gepresenteerde ingrijpende initiatieven te beoordelen.

3.5.3. Toegepast model

De modelreeks die is gebruikt voor het beoordelen van de beleidsopties die ten grondslag liggen aan het voorstel is dezelfde modelreeks die is gebruikt voor het klimaat- en energiepakket 2020 en het klimaat- en energiebeleidskader 2030.

De modelreeks omvat modellen (PRIMES, PRIMES- TAPEM & PRIMES-TREMOVE, PRIMES Biomass Supply, GAINS, GLOBIOM-G4M, Prometheus en CAPRI) die onderling op formeel gedefinieerde wijzen zijn verbonden teneinde de samenhang bij het opstellen van scenario's te waarborgen. Deze onderlinge verbindingen zijn nodig om te voorzien in de kern van de analyses die wordt gevormd door tendensen inzake energie, vervoer en broeikasgasemissies, met betrekking tot de volgende aspecten:

het volledige energiesysteem (energievraag, -voorziening en -prijzen alsmede toekomstige investeringen op energiegebied) en elke emissie en absorptie van broeikasgassen;

tijdshorizon: 1990 tot 2050 (in stappen van vijf jaar);

geografie: alle afzonderlijke EU-lidstaten, de kandidaat-lidstaten en voor zover relevant Noorwegen, Zwitserland en Bosnië-Herzegovina;

effecten: op energie, vervoer en industrie (PRIMES), landbouw, bosbouw en landgebruik (GLOBIOM-G4M), verspreiding in de atmosfeer, gezondheid en ecosystemen (verzuring, eutrofiëring) (GAINS); de macro-economie met meerdere sectoren, werkgelegenheid en welzijn.

Voor de effectbeoordeling betreffende de duurzaamheid van bio-energie is EUCO27 als basisscenario gebruikt en zijn de beleidsopties beoordeeld door middel van de volgende twee modelleringshulpmiddelen:

GLOBIOM (model voor wereldwijd economisch landgebruik) en G4M (model voor de bosbouwsector) dat projecties biedt betreffende grondstoffenprijzen, effecten op land en broeikasgasemissies door landgebruik, verandering van landgebruik en de bosbouwsector.

Green-X (model voor hernieuwbare energie in de EU), gecombineerd met ArcGIS Network (geospatiaal model voor biomassavervoersketens) en MULTIREG (input-output-model) dat een model geeft voor de uitsplitsing van hernieuwbare-energiebronnen en bio-energiegrondstoffen alsmede broeikasgasemissies door de energiesector, en economische en sociale effecten zoals bruto toegevoegde waarde, investeringen en werkgelegenheid.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Met het voorstel vindt een herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie plaats; de nieuwe maatregelen van de artikelen 23 en 25 hebben naar verwachting beperkte aanvullende budgettaire en administratieve gevolgen voor de overheidsinstanties van de lidstaten wat betreft in te voeren administratieve structuren. In de meeste gevallen worden de kosten in verband met de maatregelen doorgegeven aan de uiteindelijke verbruikers die op hun beurt zullen profiteren van het koolstofarm maken van de economie. Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie.

5.Toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel

Met de onderstaande, belangrijkste bepalingen wordt Richtlijn 2009/28/EG gewijzigd of worden er nieuwe elementen toegevoegd:

In artikel 1 wordt het toepassingsgebied van dit voorstel vastgesteld en worden nieuwe elementen genoemd voor de periode na 2020, zoals het totale bindende streefcijfer op EU-niveau, consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, verbeterde biobrandstoffen, de duurzaamheid van biovloeistoffen en biomassabrandstoffen, en criteria inzake broeikasgasemissiereductie.

In artikel 2 worden nieuwe specifieke definities vastgesteld die verband houden met de wijzigingen van de richtlijn hernieuwbare energie die worden uitgevoerd.

In artikel 3 wordt het EU-streefcijfer voor 2030 vastgesteld. De nationale streefcijfers voor 2020 worden als uitgangspunt vastgesteld (dat wil zeggen dat de lidstaten vanaf 2021 niet lager mogen presteren dan de nationale streefcijfers voor 2020). Bovendien wordt uiteengezet welk mechanisme wordt toegepast om te waarborgen dat dit uitgangspunt wordt nageleefd en te voorkomen dat er een gebrek aan concrete resultaten ontstaat, in beide gevallen overeenkomstig de verordening betreffende de governance. Bovendien wordt het HE-V-streefcijfer van 10 % na 2020 geschrapt.

In artikel 4 worden de algemene beginselen vastgesteld die de lidstaten kunnen toepassen bij het uitstippelen van kosteneffectieve steunregelingen ter vergemakkelijking van een op de markt gerichte en meer Europese benadering, waarbij aan de staatssteunregels moet worden voldaan.

In artikel 5 wordt een geleidelijke en gedeeltelijke openstelling van steunregelingen voor grensoverschrijdende deelname in de elektriciteitssector vastgesteld.

In artikel 6 wordt gewaarborgd dat het niveau van en de voorwaarden verbonden aan steun die aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie wordt verleend, wanneer de lidstaten beslissen dergelijke steun te verlenen, niet zodanig worden herzien dat dit negatieve gevolgen heeft voor projecten waaraan steun is verleend.

In artikel 7, waarin wordt bepaald hoe het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen wordt berekend, wordt een met ingang van 2021 afnemend maximaal aandeel van uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en biovloeistoffen vastgesteld teneinde ILUC-emissies aan te pakken. De lidstaten kunnen een lagere limiet vaststellen en een onderscheid maken tussen verschillende soorten uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en biovloeistoffen, bijvoorbeeld door een lagere limiet vast te leggen voor de bijdrage van uit oliegewassen geproduceerde biobrandstoffen, rekening houdend met indirecte veranderingen in landgebruik.

Artikel 15 omvat een nieuwe berekeningsmethode (die is verankerd in de richtlijn energieprestatie van gebouwen) voor minimumniveaus van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe en bestaande gebouwen die worden gerenoveerd.

In artikel 16 wordt een vergunningverleningsproces voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie met één aangewezen instantie ("one-stop-shop") en een maximale tijdsduur voor het vergunningverleningsproces vastgesteld.

Artikel 17 omvat een eenvoudige kennisgeving aan de distributiesysteembeheerders voor kleinschalige projecten en een specifieke bepaling inzake het bespoedigen van het vergunningverleningsproces voor de repowering van bestaande hernieuwbare installaties.

Artikel 19 omvat enkel wijzigingen van het systeem voor garanties van oorsprong waarbij (i) het systeem wordt uitgebreid tot hernieuwbaar gas, (ii) de afgifte van garanties van oorsprong verplicht wordt voor verwarming en koeling op verzoek van een producent, (iii) het gebruik van garanties van oorsprong verplicht wordt voor de verstrekking van informatie betreffende HE-E en hernieuwbaar gas, (iv) de afgifte van garanties van oorsprong aan ondersteunde, via veiling toegewezen HE-E mogelijk wordt gemaakt en de inkomsten daarvan worden gebruikt om de kosten van steun voor hernieuwbare energie te compenseren, en (v) de administratieve procedures worden verbeterd door toepassing van de CEN-norm.

Door artikel 21 krijgen de consumenten meer mogelijkheden doordat zij in staat worden gesteld zelfgeproduceerde elektriciteit te verbruiken zonder ongerechtvaardigde beperkingen en zij worden vergoed voor de elektriciteit die zij aan het net terugleveren.

Artikel 22 omvat nieuwe bepalingen inzake energiegemeenschappen teneinde deze in staat te stellen aan de markt deel te nemen.

Artikel 23 is erop gericht het potentieel van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling te benutten, een kostenefficiënte bijdrage van deze sector aan het bereiken van de streefcijfers te waarborgen en een grotere markt voor HE-V&K in de hele EU tot stand te brengen. Dienovereenkomstig zullen de lidstaten het nodige doen om een jaarlijkse toename van 1 % van het aandeel van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingsvoorziening te bereiken. De lidstaten beslissen zelf hoe zij dit ten uitvoer leggen.

Door artikel 24 krijgen de consumenten meer mogelijkheden doordat informatie betreffende de energieprestatie van stadsverwarming ter beschikking wordt gesteld en de consumenten in staat worden gesteld op het niveau van het gebouw geen warmte/koude van stadsverwarming/-koeling meer te kopen indien zij of partijen die namens hen optreden een significant betere energieprestatie kunnen bereiken door op het niveau van het gebouw getroffen maatregelen. Bovendien worden lokale verwarmings- en koelingssystemen opengesteld voor producenten van hernieuwbare verwarming en koeling alsmede van afvalwarmte en -koude en voor derden die namens hen optreden.

In artikel 25 wordt een verplichting op EU-niveau vastgesteld op basis waarvan brandstofleveranciers een bepaalde aandeel (6,8 % in 2030) koolstofarme en hernieuwbare brandstoffen (met inbegrip van hernieuwbare elektriciteit en geavanceerde biobrandstoffen) moeten leveren teneinde het koolstofarm maken van de economie en de energiediversificatie te stimuleren en een kostenefficiënte bijdrage van de sector aan het bereiken van het algehele streefcijfer te waarborgen. Kwesties met betrekking tot ILUC komen aan bod in artikel 7, waarin een met ingang van 2021 afnemend maximaal aandeel van uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en biovloeistoffen wordt vastgesteld. De overstap naar geavanceerde biobrandstoffen wordt bevorderd door middel van een specifiek submandaat op basis waarvan de bijdrage ervan elk jaar toeneemt en in 2030 ten minste 3,6 % bedraagt. Tot slot omvat het artikel een bepaling betreffende de totstandbrenging van nationale databanken waarmee de traceerbaarheid van brandstoffen wordt gewaarborgd en het risico op fraude wordt beperkt.

In artikel 26 worden de bestaande EU-duurzaamheidscriteria voor bio-energie versterkt, onder meer doordat het toepassingsgebied ervan wordt uitgebreid tot biomassa en biogas voor verwarming en koeling en elektriciteitsproductie. Het duurzaamheidscriterium dat van toepassing is op agrarische biomassa wordt gestroomlijnd teneinde de administratieve lasten te verlagen. De nieuwe tekst zorgt er verder voor dat het criterium voor de bescherming van veengebieden strenger wordt en gemakkelijker kan worden gecontroleerd. Er wordt een nieuw op risico's gebaseerd duurzaamheidscriterium voor bosbiomassa vastgesteld alsmede een LULUCF-vereiste waarmee wordt gewaarborgd dat een gepaste koolstofboekhouding plaatsvindt voor de koolstofimpacts van bosbiomassa die voor energie wordt gebruikt. Bovendien wordt de vereiste inzake de prestatie betreffende broeikasgasreductie die van toepassing is op biobrandstoffen verhoogd tot 70 % voor nieuwe installaties en wordt een reductievereiste van 80 % toegepast op verwarming/koeling en elektriciteit op basis van biomassa. Teneinde buitensporige administratieve lasten te vermijden, zijn de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de EU niet van toepassing op kleine verwarmings-/koelingsinstallaties en elektriciteitsinstallaties op basis van biomassa met een brandstofcapaciteit van minder dan 20 MW. Bijlage V omvat bijgewerkte standaardwaarden voor biobrandstoffen en biovloeistoffen en er is een nieuwe bijlage VI toegevoegd met een gemeenschappelijke boekhoudingsmethodiek betreffende broeikasgassen voor biomassabrandstoffen voor warmte en elektriciteit, met inbegrip van standaardwaarden.

In artikel 27 wordt het massabalanssysteem verduidelijkt en wordt dat systeem aangepast zodat het betrekking heeft op de co-vergisting van biogas en de injectie van biomethaan in het aardgasnet. Het gewijzigde artikel omvat de verplichte erkenning van bewijzen uit nationale regelingen van andere lidstaten die door de Commissie zijn geverifieerd. Ter stroomlijning van de EU-duurzaamheidscriteria wordt een aantal niet-operationele bepalingen geschrapt, waaronder de mogelijkheid om bilaterale overeenkomsten met derde landen te sluiten, en de mogelijkheid voor de Commissie om gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten te erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen. Bovendien wordt de rechtsgrondslag verduidelijkt, zodat de Commissie de in het kader van de vrijwillige regelingen toegepaste auditmethoden kan specificeren, waarbij meer aandacht wordt besteed aan het beperken van de administratieve lasten. Tot slot wordt de betrokkenheid van de lidstaten bij de governance van vrijwillige regelingen versterkt doordat controles van de certificeringsorganen worden toegestaan.

Artikel 28 omvat de rechtsgrondslag op basis waarvan de Commissie de methode voor de berekening van broeikasgasemissies kan bijwerken. Daarnaast wordt het toekomstige gebruik van de verslagen van de lidstaten over gemiddelde teeltgebonden emissies verduidelijkt.

De artikelen 3 en 4, artikel 16, leden 1 tot en met 8, de artikelen 22, 23 en 24 en artikel 26 van Richtlijn 2009/28/EG zullen bij dit voorstel worden ingetrokken. De artikelen 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 14, 25, 25 bis, 27, 28, 29 van Richtlijn 2009/28/EG (de artikelen 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 18, 31, 32, 33, 35 en 36 van dit voorstel) worden in beperkte mate herzien (bijv. technische aspecten of aanpassingen aan nieuwe wijzigingen en bepalingen) of deze worden slechts hernummerd.

6.Aanvullende informatie

Gezonde regelgeving en vereenvoudiging

De vaststelling van het streefcijfer op EU-niveau voor 2030 biedt een mogelijkheid om een totaalaanpak te hanteren voor de toepassing van hernieuwbare energie. Dit omvat een enkel overkoepelend streefcijfer voor hernieuwbare energie van ten minste 27 % voor de Unie tegen 2030, waarbij het niet nodig is een specifiek deelstreefcijfer voor HE-V te handhaven. Het voorstel omvat maatregelen voor de drie sectoren op het gebied van hernieuwbare energie en maakt investeringen in hernieuwbare energie zichtbaarder, waarbij het algemene regelgevingskader wordt versterkt en het potentieel van alle sectoren wordt verhoogd wat betreft de bijdragen tot de gezamenlijke inspanning om het streefcijfer voor 2030 te bereiken.

De berekening van het eindenergieverbruik uit hernieuwbare bronnen in het vervoer wordt verplaatst naar artikel 7 zodat deze overeenkomt met de berekening van het eindenergieverbruik uit hernieuwbare bronnen in de sector elektriciteit en de sector verwarming en koeling.

Er worden tevens maatregelen vastgesteld die betrekking hebben op het stroomlijnen van het huidige kader voor steun aan hernieuwbare elektriciteit (bijv. artikel 4 van het voorstel) en op transversale kwesties (bijv. administratieve belemmeringen in de artikelen 15, 16 en 17 van het voorstel).

Intrekking van bestaande wetgeving

De vaststelling van het voorstel heeft de intrekking van de bestaande richtlijn hernieuwbare energie met ingang van 1 januari 2021 tot gevolg.

Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling

Artikel 30 van het voorstel omvat een algemene evaluatiebepaling.

Herschikking

Deze toelichting maakt deel uit van een voorstel voor herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie. Deze specifieke benadering wordt gehanteerd omdat herschikking betrekking heeft op nieuwe materiële wijzigingen, terwijl sommige bepalingen van de voorafgaande handeling ongewijzigd blijven.

Concordantietabel

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de nationale bepalingen tot omzetting van de richtlijn mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en de richtlijn.

Gezien het uitgebreide toepassingsgebied van dit voorstel en het aantal juridische verplichtingen die eruit voortvloeien, is deze concordantietabel nodig om ervoor te zorgen dat de Commissie haar taken betreffende het toezicht op de omzetting van de richtlijn naar behoren kan uitvoeren

Europese Economische Ruimte (EER)

De voorgestelde maatregel betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom worden uitgebreid tot de Europese Economische Ruimte.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

2016/0382 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap Ö betreffende de werking van de Europese Unie Õ, en met name op artikel 175 ð 194 ï, lid 1 ð 2 ï, en op artikel 95 wat betreft de artikelen 17, 18 en 19 van deze richtlijn,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité 10 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 11 ,

Handelend volgens de Ö gewone wetgevingsprocedure Õ procedure van artikel 251 van het Verdrag 12 ,

Overwegende hetgeen volgt:

ò nieuw

(1)Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad 13 is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd 14 . Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

ê 2009/28/EG overweging 1 (aangepast)

ð nieuw

(2)ð De bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen is een van de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie. ï Beperking van het Europese energieverbruik en Het veelvuldiger gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen vormen Ö vormt Õ, samen met energiebesparing en grotere energie-efficiëntie, Ö een Õ belangrijke onderdeelen van het pakket maatregelen dat nodig is om de broeikasgasemissies te doen dalen en om te voldoen aan Ö de Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 Õ het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en aan de strengere communautaire en internationale toezeggingen inzake de beperking van broeikasgasemissies na 2012 Ö beleidskader voor klimaat en energie 2030 van de Unie, met inbegrip van de bindende doelstelling om het emissieniveau tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen ten opzichte van het emissieniveau van 1990 Õ. Deze factoren spelen Ö Dit speelt Õ ook een belangrijke rol bij het versterken van de energievoorzieningszekerheid, het bevorderen van technologische ontwikkeling en innovatie en het scheppen van werkgelegenheid en kansen voor regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden en geïsoleerde gebieden ð of gebieden met een lage bevolkingsdichtheid ï.

ê 2009/28/EG overweging 2 (aangepast)

ð nieuw

(3)Vooral meer technologische verbeteringen, stimulansen voor het gebruik en de uitbreiding van het openbaar vervoer, het gebruik van technologieën die een efficiënter energiegebruik mogelijk maken en Ö de bevordering van Õ het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ð in de elektriciteits-, verwarmings- en koelingssectoren, alsook ï in het Ö de Õ vervoerÖ vervoersector, Õ zijn enkele van de meestð , samen met energie-efficiëntiebevorderende maatregelen, ï Ö zeer Õ doeltreffende middelen waarover de Gemeenschap beschikt om haar ð om de broeikasgasemissie in de Unie terug te dringen en de Unie minder ï afhankelijkheid te maken van ingevoerde de invoer van ð gas en ï olie in de vervoersector te beperken, waarin het probleem van de energievoorzieningszekerheid het meest acuut is, en om de markt voor transportbrandstoffen te beïnvloeden.

ò nieuw

(4)In Richtlijn 2009/28/EG is een regelgevingskader vastgesteld ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met bindende, tegen 2020 te behalen nationale streefcijfers voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik en het vervoer. In de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 15 is een kader voor het toekomstige beleid van de Unie inzake energie en klimaat vastgesteld en is de aanzet gegeven tot een gemeenschappelijke visie op de ontwikkeling van dat beleid na 2020. De Commissie heeft hierin voorgesteld om op Unieniveau een streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel van in de Unie tegen 2030 verbruikte hernieuwbare energie vast te stellen.

(5)De Europese Raad van oktober 2014 heeft dit streefcijfer bekrachtigd en aangegeven dat lidstaten zelf ambitieuzere nationale streefcijfers kunnen vaststellen.

(6)Het Europees Parlement heeft in zijn resoluties over “een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030” en “het voortgangsverslag hernieuwbare energie” de voorkeur gegeven aan een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat.

(7)Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen. De lidstaten moeten bepalen hoe zij in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zullen bijdragen tot de verwezenlijking van dit streefdoel door middel van de in Verordening [governance] vastgestelde governanceprocedure.

(8)De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden. Een op Unieniveau vastgesteld streefcijfer zou de lidstaten meer ruimte bieden om hun streefcijfers voor de beperking van broeikasgasemissies op de meest kosteneffectieve wijze te halen overeenkomstig hun specifieke situatie, energiemix en mogelijkheden om hernieuwbare energie te produceren.

(9)De nationale streefcijfers voor 2020 moeten de minimale bijdrage van de lidstaten aan het nieuwe kader voor 2030 vormen. Het nationale aandeel hernieuwbare energie dient in geen geval onder deze drempel te zakken en indien dit gebeurt, moet de betrokken lidstaat passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat dit referentiescenario behouden blijft en moet de lidstaat bijdragen tot het in Verordening [governance] bedoelde financieringsinstrument.

(10)De lidstaten moeten aanvullende maatregelen nemen indien het aandeel hernieuwbare energie op Unieniveau niet op koers ligt voor het behalen van het streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie. Als bepaald in Verordening [governance] kan de Commissie, indien bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een ambitiekloof wordt vastgesteld, op Unieniveau maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het streefcijfer wordt behaald. Indien de Commissie bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een gebrek aan concrete resultaten vaststelt, moeten de lidstaten de in Verordening [governance] opgenomen maatregelen toepassen, die hen voldoende ruimte bieden om keuzes te maken.

(11)Ter ondersteuning van de ambitieuze bijdragen die de lidstaten leveren aan de verwezenlijking van het streefcijfer van de Unie, moet een financieel kader worden vastgesteld om het investeren in projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de lidstaten te vergemakkelijken, ook door middel van het gebruik van financieringsinstrumenten.

(12)De Commissie moet zich bij de toekenning van fondsen concentreren op de verlaging van de kapitaalkosten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, die de kost van dergelijke projecten materieel beïnvloeden, alsook op hun concurrentievermogen.

(13)De Commissie moet de uitwisseling van beste praktijken tussen de bevoegde nationale of regionale autoriteiten of organen vergemakkelijken, bijvoorbeeld door middel van periodieke vergaderingen teneinde een gezamenlijke aanpak uit te werken ter bevordering van kostenefficiënte projecten op het gebied van hernieuwbare energie en investeringen in nieuwe, flexibele en schone technologieën en om een adequate strategie uit te werken voor de stopzetting, op basis van transparant criteria en betrouwbare marktprijssignalen, van technologieën die niet bijdragen aan de emissiereductie of die onvoldoende flexibiliteit bieden.

ê 2009/28/EG overweging 7 (aangepast)

ð nieuw

(14)Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt 16 , en Richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer 17 , ð en Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad  18 ïbevatten definities van verschillende typen energie uit hernieuwbare bronnen. Richtlijn 2003/54/EG XXXX/XX/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit Ö  19  Õ bevat definities voor de elektriciteitssector in het algemeen. In het belang van de rechtszekerheid en de duidelijkheid moeten Ö die definities Õ in deze richtlijn dezelfde of soortgelijke definities worden gebruikt.

ò nieuw

(15)Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten.

(16)De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moet worden ingezet op een manier die de afnemers en belastingbetalers zo weinig mogelijk kost. Bij het ontwerpen van steunregelingen en het toekennen van steun moeten de lidstaten ernaar streven de totale systeemkosten voor de inzet ervan te minimaliseren en daarbij ten volle rekening houden met de behoeften met betrekking tot de ontwikkeling van het net en het systeem, de hieruit voortvloeiende energiemix en het langetermijnpotentieel van technologieën.

(17)Door grensoverschrijdende participatie in aanmerking te laten komen voor steunregelingen, worden de negatieve gevolgen voor de interne energiemarkt beperkt en kunnen lidstaten onder bepaalde voorwaarden op een kostenefficiëntere manier het streefcijfer op Unieniveau behalen. Grensoverschrijdende participatie is ook een logisch gevolg van de ontwikkeling van het beleid van de Unie op het gebied van hernieuwbare energiebronnen, waarbij een bindend streefcijfer op Unieniveau de nationale bindende streefcijfers vervangt. Het is derhalve passend om van de lidstaten te verlangen dat zij de steun geleidelijk en deels openstellen voor projecten in andere lidstaten en verschillende manieren te bepalen waarop een dergelijke geleidelijke openstelling ten uitvoer kan worden gelegd met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 30, 34 en 110.

(18)Onverlet wijzigingen van steunregelingen teneinde ze in overeenstemming te brengen met de staatssteunregels, moeten beleidsmaatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare energie stabiel zijn en moet worden vermeden dat deze voortdurend worden gewijzigd. Dergelijke wijzigingen hebben een directe impact op de kapitaalkosten, de projectontwikkelingskosten en bijgevolg op de totale kost voor de inzet van hernieuwbare energiebronnen in de Unie. De lidstaten moeten voorkomen dat de herziening van steun die is toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie, een negatieve impact heeft op de economische levensvatbaarheid van die projecten. In dit verband moeten de lidstaten kostenefficiënte steunmaatregelen bevorderen en de financiële duurzaamheid ervan garanderen.

(19)De verplichtingen van de lidstaten om actieplannen en voortgangsverslagen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen op te stellen en de verplichting van de Commissie om verslag uit te brengen over de voortgang van de lidstaten, zijn van cruciaal belang om de transparantie te vergroten, investeerders en consumenten klaarheid te verschaffen en doeltreffende monitoring mogelijk te maken. In Verordening [governance] worden deze verplichtingen geïntegreerd in het governancesysteem van de energie-unie, waarin de verplichtingen inzake planning, rapportage en toezicht op het vlak van energie en klimaat worden gestroomlijnd. Het transparantieplatform voor hernieuwbare energie is ook geïntegreerd in het ruimere, bij Verordening [governance] vastgestelde e-platform.

ê 2009/28/EG overweging 11 (aangepast)

(20)Er moeten transparante en eenduidige regels worden opgesteld voor het berekenen van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en voor de definiëring van die bronnen. In dit verband moet rekening worden gehouden met de energie die aanwezig is in de oceanen en andere waterlichamen in de vorm van golven, zeestromingen, getijden en energie uit de thermische gradiënt of de zoutgradiënt van de oceanen.

ê 2009/28/EG overweging 5

Om de emissie van broeikasgassen binnen de Gemeenschap terug te dringen en haar afhankelijkheid van energie-invoer te verminderen, moet een groter gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen hand in hand gaan met een toename van de energie-efficiëntie.

ê 2009/28/EG overweging 8

De mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 met als titel „Routekaart voor hernieuwbare energie — Hernieuwbare energiebronnen in de 21e eeuw: een duurzamere toekomst opbouwen” heeft aangetoond dat een streefcijfer van 20 % voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen en 10 % voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer correcte en haalbare doelstellingen zouden zijn, en dat een kader met bindende streefcijfers het bedrijfsleven de langetermijnstabiliteit biedt die het nodig heeft om duurzame investeringen te doen in de sector energie uit hernieuwbare bronnen, die de mogelijkheid bieden om de afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele brandstoffen te verminderen en het gebruik van nieuwe energietechnologieën te bevorderen. Die streefcijfers bestaan in het kader van de verbetering van de energie-efficiëntie met 20 % uiterlijk in 2020, die door de Commissie is vastgesteld in haar mededeling van 19 oktober 2006, getiteld „Actieplan voor energie-efficiëntie: het potentieel realiseren”, dat werd goedgekeurd door de Europese Raad van maart 2007 en door het Europees Parlement in zijn resolutie van 31 januari 2008 over genoemd actieplan.

ê 2009/28/EG overweging 9

De Europese Raad van maart 2007 bevestigde nogmaals dat de Gemeenschap zich er toe verbindt om energie uit hernieuwbare bronnen ook na 2010 in de hele Europese Unie te ontwikkelen. De Raad onderschreef een bindend streefcijfer van 20 % voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het totale energiegebruik in de Gemeenschap tegen 2020, en een bindend minimumstreefcijfer van 10 % dat alle lidstaten moeten halen voor het aandeel biobrandstoffen in het totale gebruik van benzine en diesel voor het vervoer, uiterlijk in 2020; de invoering van dit streefcijfer van 10 % dient op een kostenefficiënte manier te geschieden. De Raad verklaarde dat het bindende karakter van het streefcijfer voor biobrandstoffen opportuun is, mits de productie duurzaam is, biobrandstoffen van de tweede generatie commercieel beschikbaar worden en Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof 20 dienovereenkomstig wordt gewijzigd zodat er passende niveaus voor het mengen mogelijk worden. De Europese Raad van maart 2008 heeft herhaald dat het van essentieel belang is om doeltreffende duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen te ontwikkelen en daaraan te voldoen, en om de commerciële beschikbaarheid van biobrandstoffen van de tweede generatie te waarborgen. De Europese Raad van juni 2008 heeft opnieuw verwezen naar de duurzaamheidscriteria en de ontwikkeling van biobrandstoffen van de tweede generatie, en heeft onderstreept dat de mogelijke effecten van biobrandstofproductie op landbouwproducten die voor de voeding bestemd zijn, moeten worden beoordeeld en dat er zo nodig maatregelen moeten worden genomen om tekortkomingen aan te pakken. De Raad verklaarde tevens dat ook de ecologische en de sociale gevolgen van de productie en het verbruik van biobrandstoffen nader moeten worden beoordeeld.

ê 2009/28/EG overweging 10

In zijn resolutie van 25 september 2007 over de routekaart voor hernieuwbare energie in Europa 21 heeft het Europees Parlement de Commissie opgeroepen om tegen eind 2007 een voorstel voor een wetgevingskader voor energie uit hernieuwbare bronnen in te dienen, waarbij onderkend werd dat het belangrijk is streefcijfers vast te stellen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen op het niveau van de Gemeenschap en de lidstaten.

ê 2009/28/EG overweging 12

Het gebruik van landbouwmaterialen zoals mest, drijfmest en andere dierlijke en organische afvalstoffen voor de productie van biogas biedt heeft een groot broeikasgasemissiereducerend potentieel en levert daarom aanzienlijke milieuvoordelen op bij warmte- en elektriciteitsproductie en het gebruik ervan als biobrandstof. Vanwege hun gedecentraliseerde aard en regionale investeringsstructuur kunnen biogasinstallaties in aanzienlijke mate bijdragen aan de duurzame ontwikkeling in plattelandsgebieden en kunnen zij voor landbouwers een nieuwe bron van inkomsten worden.

ê 2009/28/EG overweging 13

In het licht van de standpunten die door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn ingenomen, moeten voor het energieverbruik in de Gemeenschap tegen 2020 bindende nationale streefcijfers die overeenstemmen met 20 % voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en 10 % voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer worden vastgesteld.

ê 2009/28/EG overweging 14

Het belangrijkste doel van bindende nationale streefcijfers is zekerheid te bieden aan investeerders en de voortdurende ontwikkeling te bevorderen van technologieën om energie op te wekken uit alle soorten hernieuwbare bronnen. Daarom past het niet besluiten over het bindende karakter van een streefcijfer uit te stellen tot een toekomstige gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

ê 2009/28/EG overweging 15

Het vertrekpunt, de mogelijkheden op het vlak van energie uit hernieuwbare bronnen en de energiemix variëren van de ene lidstaat tot de andere. Het communautaire streefcijfer van 20 % moet dan ook worden omgezet in individuele doelstellingen voor elke lidstaat, waarbij de nodige aandacht moet worden besteed aan een billijke en adequate toewijzing, rekening houdende met de uiteenlopende vertrekpunten en mogelijkheden in elke lidstaat, inclusief de mate waarin energie uit hernieuwbare bronnen nu reeds wordt gebruikt en de actuele energiemix. Dit dient te gebeuren door de vereiste totale toename van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen tussen de lidstaten te verdelen op grond van een gelijke toename in het aandeel van elke lidstaat, gewogen volgens hun bbp, dat zodanig gemoduleerd wordt dat de vertrekpunten van elke lidstaat worden weerspiegeld, en door de berekeningen te baseren op het bruto-eindverbruik van energie, waarbij rekening moet worden gehouden met de in het verleden door de lidstaten verrichte inspanningen met betrekking tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

ê 2009/28/EG overweging 16

Het streefcijfer van 10 % voor energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer moet daarentegen best voor elke lidstaat gelden, om te garanderen dat de specificaties van transportbrandstof in alle lidstaten overeenstemmen en om de beschikbaarheid van die brandstof te waarborgen. Aangezien transportbrandstof gemakkelijk kan worden verhandeld, kunnen lidstaten die over weinig eigen relevante hulpbronnen beschikken biobrandstoffen van elders invoeren. Hoewel de Gemeenschap vanuit technisch oogpunt het streefcijfer voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer met binnenlandse productie alleen kan halen, is het waarschijnlijk en wenselijk dat dit streefcijfer wordt gehaald via een combinatie van eigen productie en invoer. De Commissie moet dan ook toezicht houden op de voorziening van de communautaire markt voor biobrandstoffen en moet, voor zover nodig, relevante maatregelen voorstellen om een evenwicht tussen binnenlandse productie en invoer te bereiken, rekening houdende met onder meer de ontwikkeling van multilaterale en bilaterale handelsbesprekingen, het milieu, sociale en economische overwegingen, en de energievoorzieningszekerheid.

ê 2009/28/EG overweging 17

De verbetering van de energie-efficiëntie is een hoofddoelstelling van de Gemeenschap en het streefdoel is het verwezenlijken van een verbetering van de energie-efficiëntie met 20 % tegen 2020. Dat streefdoel, samen met bestaande en toekomstige wetgeving met inbegrip van Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen 22 , Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten 23 , en Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten 24 , heeft een wezenlijke rol voor het bereiken van de klimaat- en energiedoelstellingen tegen geringe kosten en kan tevens nieuwe mogelijkheden voor de economie van de Europese Unie creëren. Het beleid inzake energie-efficiëntie en energiebesparing is een van de doeltreffendste methoden voor de lidstaten om het procentuele aandeel energie uit hernieuwbare bronnen te vergroten en de lidstaten zullen dus in deze richtlijn vervatte totale nationale streefcijfers en streefcijfers in het vervoer voor energie uit hernieuwbare bronnen gemakkelijker verwezenlijken.

ê 2009/28/EG overweging 18

De lidstaten zullen de energie-efficiëntie in alle sectoren aanzienlijk moeten verbeteren teneinde hun streefcijfers inzake energie uit hernieuwbare bronnen, uitgedrukt als percentage van het bruto-eindverbruik van energie, gemakkelijker te halen. Energie-efficiëntie in de vervoersector is een dringende noodzaak omdat het wellicht steeds moeilijker zal worden om op een duurzame wijze een bindend streefcijfer voor energie uit hernieuwbare bronnen te halen als de totale vraag naar vervoersenergie blijft stijgen. Het door alle lidstaten te halen bindende streefcijfer van 10 % voor het vervoer dient derhalve te worden gedefinieerd als het aandeel van het eindverbruik van energie in het vervoer dat afkomstig moet zijn van hernieuwbare energiebronnen als een geheel, en niet alleen van biobrandstoffen.

ê 2009/28/EG overweging 19

Om te garanderen dat de bindende nationale totale streefcijfers worden gehaald, moeten de lidstaten werk maken van een indicatieve keten die hen op weg zet naar het verwezenlijken van hun definitieve bindende streefcijfers. Zij moeten een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen opstellen met informatie over de streefcijfers per sector, rekening houdende met het feit dat er verschillende toepassingen van biomassa zijn en dat het dus van essentieel belang is dat nieuwe hulpbronnen voor biomassa worden aangesproken. Ook moeten de lidstaten maatregelen uiteenzetten welke zij nemen om deze streefcijfers te halen. Iedere lidstaat dient, bij de beoordeling van zijn verwachte bruto-eindverbruik van energie in zijn nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen, te beoordelen welke bijdrage maatregelen inzake energie-efficiëntie en energiebesparing kunnen leveren om zijn nationale streefcijfers te halen. De lidstaten dienen ook in aanmerking te nemen hoe op energie-efficiëntie gerichte technologieën optimaal kunnen worden gecombineerd met energie uit hernieuwbare bronnen.

ê 2009/28/EG overweging 20

Om profijt te kunnen trekken van de voordelen van technologische vooruitgang en schaalvoordelen moet bij het vaststellen van de indicatieve keten rekening worden gehouden met het feit dat het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de toekomst sneller kan groeien. Daarom moet bijzondere aandacht worden besteed aan sectoren die verhoudingsgewijs sterker te lijden hebben onder het gebrek aan technologische vooruitgang en schaalvoordelen en daardoor achterop hinken, maar die in de toekomst een belangrijke bijdrage kunnen leveren tot het halen van de streefcijfers voor 2020.

ê 2009/28/EG overweging 21

Bij het vaststellen van de indicatieve keten moet het jaar 2005 als vertrekpunt worden genomen omdat dit het laatste jaar is waarvoor betrouwbare gegevens over de nationale aandelen energie uit hernieuwbare bronnen beschikbaar zijn.

ê 2009/28/EG overweging 23

De lidstaten kunnen de lokale en regionale autoriteiten aanmoedigen om streefcijfers vast te stellen die ambitieuzer zijn dan de nationale streefcijfers, en de lokale en regionale autoriteiten betrekken bij de opstelling van de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen en van acties om het publiek bewust te maken van de voordelen van energie uit hernieuwbare bronnen.

ê 2009/28/EG overweging 24

Om het potentieel van biomassa volledig te kunnen benutten, moeten de Gemeenschap en de lidstaten het gebruik van bestaande houtreserves stimuleren en zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bosbouwsystemen.

ê 2009/28/EG overweging 25

De lidstaten hebben een verschillend potentieel inzake energie uit hernieuwbare bronnen en hanteren op nationaal niveau verschillende steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen. De meerderheid van de lidstaten hanteert steunregelingen waarbij alleen de op hun grondgebied geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen voor steun in aanmerking komt. Voor de goede werking van nationale steunregelingen is het van wezenlijk belang dat de lidstaten greep hebben op het effect en de kosten van hun nationale steunregelingen naargelang hun respectieve potentieel. Een belangrijke manier om het doel van deze richtlijn te bereiken, is te zorgen voor de goede werking van de nationale steunregelingen, als uit hoofde van Richtlijn 2001/77/EG, teneinde het vertrouwen van de investeerders te bewaren en de lidstaten in staat te stellen doeltreffende nationale maatregelen voor het naleven van de streefcijfers te nemen. Deze richtlijn heeft ten doel grensoverschrijdende ondersteuning van energie uit hernieuwbare bronnen te vergemakkelijken zonder aan de nationale steunregelingen te raken. Zij bevat facultatieve samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten waardoor zij overeen kunnen komen in welke mate een lidstaat de energieproductie in een andere lidstaat steunt en hoe zwaar de energieproductie uit hernieuwbare bronnen moet worden meegeteld voor het bereiken van hun respectieve nationale algemene streefcijfers. Om de doeltreffendheid van beide maatregelen voor het naleven van de streefcijfers, te weten nationale steunregelingen en samenwerkingsmechanismen, te garanderen, is het van wezenlijk belang dat de lidstaten kunnen vaststellen of en in welke mate hun nationale steunregelingen van toepassing zijn op energie uit hernieuwbare bronnen die in andere lidstaten is geproduceerd, en dat zij dit overeen kunnen komen door de in deze richtlijn bepaalde samenwerkingsmechanismen toe te passen.

ê 2009/28/EG overweging 26

Het is wenselijk dat de energieprijzen de externe kosten van energieproductie en -verbruik weerspiegelen, eventueel met inbegrip van milieu-, sociale en gezondheidszorgkosten.

ê 2009/28/EG overweging 27

Overheidssteun is nodig om de doelstellingen van de Gemeenschap in verband met de uitbreiding van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te verwezenlijken, vooral zolang de elektriciteitsprijzen op de interne markt niet de volledige milieu- en sociale kosten en voordelen van de gebruikte energiebronnen weerspiegelen.

ê 2009/28/EG overweging 28

De Gemeenschap en de lidstaten moeten ernaar streven dat het totale energieverbruik in het vervoer afneemt en de energie in het vervoer doelmatiger wordt gebruikt. De belangrijkste manieren om het energieverbruik in het vervoer te verlagen omvatten vervoersplanning, steun voor het openbaar vervoer, een toename van het aandeel elektrische voertuigen in productie en de productie van energie-efficiëntere auto’s van een kleiner formaat en met een kleinere motorinhoud.

ê 2009/28/EG overweging 29

De lidstaten moeten streven naar diversificatie van de mix van energieën uit hernieuwbare bronnen in alle vervoersectoren. De Commissie moet uiterlijk op 1 juni 2015 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voorleggen, waarin het potentieel voor een toenemend gebruik van energieën uit hernieuwbare bronnen in elke vervoersector wordt uiteengezet.

ê 2009/28/EG overweging 30

(21)Bij het berekenen van de bijdrage van waterkracht en windenergie voor de toepassing van deze richtlijn, moet het effect van de klimaatverandering worden uitgevlakt door de toepassing van een normaliseringregel. Voorts moet elektriciteit die geproduceerd wordt door middel van pompaccumulatie waarbij gebruik wordt gemaakt van water dat eerder opwaarts is gepompt, niet worden beschouwd als uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit.

ê 2009/28/EG overweging 31

(22)Warmtepompen die het gebruik van aerothermische, geothermische of hydrothermische warmte op een bruikbaar temperatuursniveau mogelijk maken, werken op elektriciteit of een andere aanvullende energiebron. De energie die gebruikt wordt om warmtepompen aan te drijven moet derhalve afgetrokken worden van de totale bruikbare warmte. Alleen warmtepompen waarvan de output aanzienlijk de voor de aandrijving ervan noodzakelijke primaire energie overschrijdt, worden in aanmerking genomen.

ê 2009/28/EG overweging 32

(23)Passieve energie betekent dat gebouwen zodanig worden ontworpen dat de energie niet kan weglekken. Dit moet beschouwd worden als een energiebesparing. Om dubbele tellingen te vermijden, moet met het oog op de toepassing van deze richtlijn geen rekening gehouden met deze als dusdanig ingesloten energie.

ê 2009/28/EG overweging 33 (aangepast)

(24)In sommige lidstaten is het aandeel van de luchtvaart in het bruto-eindverbruik van energie groot. Gelet op de bestaande beperkingen op het gebied van technologie en regelgeving die het commerciële gebruik van biobrandstoffen in de luchtvaart belemmeren, is het wenselijk te voorzien in een gedeeltelijke vrijstelling voor deze lidstaten, door bij de berekening van hun bruto-eindverbruik van energie in het nationale luchtvervoer geen rekening te houden met het bedrag de hoeveelheid waarmee zij het communautair gemiddelde Ö Uniegemiddelde Õ van het bruto-eindverbruik van energie in de luchtvaart in 2005 als vastgesteld door Eurostat anderhalve maal overschrijden, namelijk 6,18 %. Cyprus en Malta vanwege hun insulair en perifeer karakter zijn afhankelijk van de luchtvaart als transportmodus die essentieel is voor hun burgers en economie. Derhalve is het bruto-eindverbruik van energie van Cyprus en Malta in het nationale luchtvervoer onevenredig hoog, zijnde meer dan drie maal het communautair gemiddelde Ö Uniegemiddelde Õ in 2005, en zijn zij dus onevenredig getroffen worden door de huidige beperkingen op het gebied van technologie en regelgeving. Voor deze lidstaten is het derhalve wenselijk te voorzien dat de vrijstelling het bedrag de hoeveelheid dient te dekken waarmee zij het communautair gemiddelde Ö Uniegemiddelde Õ van het bruto-eindverbruik van energie in de luchtvaart in 2005 als vastgesteld door Eurostat overschrijden, namelijk 4,12 %.

ò nieuw

(25)Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad 25 vastgestelde beginselen van afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie bij haar regelmatige beoordelingen van de bijlage overwegen deze uit te breiden met aanvullende grondstoffen die geen significant verstorend effect hebben op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.

ê 2009/28/EG overweging 34

Om een energiemodel te verkrijgen dat energie uit hernieuwbare bronnen bevordert, moet strategische samenwerking tussen de lidstaten worden aangemoedigd en moeten daarbij waar nodig ook regionale en lokale overheden worden betrokken.

ê 2009/28/EG overweging 35

Met inachtneming van de bepalingen van deze richtlijn moeten de lidstaten worden aangemoedigd om te streven naar alle passende vormen van samenwerking in verband met de in deze richtlijn bepaalde doelstellingen. Deze samenwerking kan plaatsvinden op alle niveaus, bilateraal of multilateraal. Naast de mechanismen die gevolgen hebben voor de berekening en naleving van de streefcijfers waarin deze richtlijn uitsluitend voorziet, zijnde statistische overdrachten tussen lidstaten, gezamenlijke projecten en gezamenlijke steunregelingen, kan samenwerking ook de vorm aannemen van bijvoorbeeld de uitwisseling van informatie en goede praktijken, zoals met name in het door deze richtlijn ingestelde transparantieplatform is voorzien, en andere vormen van vrijwillige coördinatie tussen allerlei soorten steunregelingen.

ê 2009/28/EG overweging 36 (aangepast)

ð nieuw

(26)Om het mogelijk te maken de kosten voor het bereiken van dehet in deze richtlijn vastgestelde streefcijfers Ö van de Unie Õ te drukken ð en de lidstaten meer ruimte te bieden om te voldoen aan hun verplichting om na 2020 niet onder hun nationale doelstelling voor 2020 te zakken ï, moeten lidstaten gemakkelijker energie kunnen verbruiken die in andere lidstaten uit energie uit hernieuwbare bronnen is geproduceerd en moeten zij in andere lidstaten verbruikte energie uit hernieuwbare bronnen kunnen meetellen voor het behalen van hun eigen ð aandeel van hernieuwbare energie ï nationale streefcijfers. Daarom zijn moeten flexibiliteitsmaatregelen ð samenwerkingsmechanismen ï worden genomen vereist, die echter onder de controle van de lidstaten blijven opdat hun vermogen tot het halen van hun nationale streefcijfers niet wordt aangetast ð ter aanvulling op de verplichtingen om ook projecten in andere lidstaten voor steun in aanmerking te laten komen ï. Deze flexibiliteitsmaatregelen ð mechanismen ï nemen de vorm aan van Ö omvatten Õ statistische overdrachten, gezamenlijke projecten van lidstaten of gezamenlijke steunregelingen.

ê 2009/28/EG overweging 35 (aangepast)

ð nieuw

(27)Met inachtneming van de bepalingen van deze richtlijn moeten dDe lidstaten moeten worden aangemoedigd om te streven naar alle passende vormen van samenwerking in verband met de in deze richtlijn bepaalde doelstellingen. Deze samenwerking kan plaatsvinden op alle niveaus, bilateraal of multilateraal. Naast de mechanismen die gevolgen hebben voor de berekening en naleving van de streefcijfers ð met betrekking tot het aandeel hernieuwbare energie ï waarin deze richtlijn uitsluitend voorziet, zijnde statistische overdrachten tussen lidstaten, gezamenlijke projecten en gezamenlijke steunregelingen, kan samenwerking ook de vorm aannemen van bijvoorbeeld de uitwisseling van informatie en goede praktijken, zoals met name in het door bij deze richtlijn ð Verordening [governance] ï ingestelde transparantieplatform Ö e-platform Õ is voorzien, en andere vormen van vrijwillige coördinatie tussen allerlei soorten steunregelingen.

ê 2009/28/EG overweging 37 (aangepast)

ð nieuw

(28)Het zou moet mogelijk moeten zijn dat ingevoerde elektriciteit die geproduceerd is uit op basis van hernieuwbare energiebronnen buiten de Ö Unie Õ Gemeenschap, meetelt voor het behalen verwezenlijken van de streefcijfers ð aandelen van hernieuwbare energie ï van de lidstaten. Om te vermijden dat zich een netto stijging van de broeikasgasemissies voordoet door de omleiding van bestaande hernieuwbare energiebronnen en de volledige of gedeeltelijke vervanging ervan door conventionele energiebronnen, zou alleen elektriciteit die wordt geproduceerd door installaties die gebruikmaken van hernieuwbare energie die na de inwerkingtreding van deze richtlijn operationeel zijn geworden of door de verhoogde capaciteit van een installatie die na die datum gerenoveerd werd, mogen worden meegerekend. Teneinde ervoor te zorgen dat de vervanging van conventionele energie door energie uit hernieuwbare bronnen zowel in de Gemeenschap Ö Unie Õ als in de derde landen een passend effect sorteert, dient te worden gegarandeerd dat ingevoerde energie op betrouwbare wijze kan worden getraceerd en verantwoord. Overeenkomsten met derde landen betreffende de organisatie van deze handel in elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zullen worden overwogen. Indien bij een op grond van het Energiegemeenschapsverdrag 26 genomen besluit daartoe, de toepasselijke bepalingen van deze richtlijn bindend worden Ö zijn Õ voor de betrokken verdragspartijen, worden Ö moeten Õ de in deze richtlijn bepaalde maatregelen voor samenwerking tussen de lidstaten op die partijen van toepassing Ö zijn Õ.

ê 2009/28/EG overweging 38

Indien lidstaten samen met een of meer derde landen gezamenlijke projecten op het gebied van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opzetten, is het passend dat deze projecten alleen betrekking hebben op nieuwe installaties of installaties waarvan de capaciteit recentelijk is verhoogd. Dit zal er mede voor zorgen dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het totale energieverbruik van het derde land niet wordt gereduceerd ten gevolge van de invoer van energie uit hernieuwbare bronnen in de Gemeenschap. Tevens dienen de betrokken lidstaten het voor het betrokken land gemakkelijker te maken om een deel van de productie van elektriciteit door de bij het gezamenlijk project betrokken installaties in eigen land te verbruiken. Tevens dient het betrokken derde land door de Commissie en de lidstaten te worden aangemoedigd om een beleid inzake energie uit hernieuwbare bronnen op te zetten, met ambitieuze streefcijfers.

ê 2009/28/EG overweging 39

Aangezien voor projecten van groot Europees belang in derde landen, zoals het zonne-energieplan in het Middellandse Zeegebied (Mediterranean Solar Plan), veel tijd nodig kan zijn alvorens ze volledig zijn aangesloten op het grondgebied van de Gemeenschap, is het wenselijk de ontwikkeling ervan te bevorderen door toe te staan dat lidstaten gedurende de totstandbrenging van de interconnectie bij hun nationale streefcijfers met een beperkte hoeveelheid elektriciteit uit deze projecten rekening houden.

ê 2009/28/EG overweging 40 (aangepast)

(29)De door het bestuur dat verantwoordelijk is voor het toezicht op de toestemming voor en de certificering en het vergunnen van installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen, gebruikte procedure moet objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn bij de toepassing van de voorschriften op specifieke projecten. Het is vooral zaak ervoor te zorgen dat elke onnodige belasting, die zich zou kunnen voordoen als projecten voor energie uit hernieuwbare bronnen worden behandeld als installaties met een groot gezondheidsrisico, wordt vermeden.

ê 2009/28/EG overweging 42

(30)Met het oog op de snelle inzet van energie uit hernieuwbare bronnen en gelet op de algemene hoge duurzaamheid en positieve impact op het milieu die deze energie heeft, moeten de lidstaten bij de toepassing van administratieve regels, planningsstructuren en wetgeving die bedoeld zijn om vergunningen te verlenen voor installaties met betrekking tot de vermindering en controle van de vervuiling in industriële installaties, om de luchtvervuiling te bestrijden of om de lozing van gevaarlijke stoffen in het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken, rekening houden met de bijdrage die hernieuwbare energiebronnen tot het halen van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering leveren, in het bijzonder in vergelijking met installaties zonder energie uit hernieuwbare bronnen.

ê 2009/28/EG overweging 43

Om te stimuleren dat individuele burgers bijdragen aan de doelstellingen van deze richtlijn, moeten de betrokken autoriteiten overwegen of voor het installeren van kleine gedecentraliseerde apparaten voor het produceren van energie uit hernieuwbare bronnen het vergunningenstelsel kan worden vervangen door een eenvoudige kennisgeving aan de bevoegde instantie.

ê 2009/28/EG overweging 44 (aangepast)

(31)De samenhang tussen de doelstellingen van deze richtlijn en de overige Gemeenschapsmilieuwetgeving Ö van de Unie Õ moet gewaarborgd zijn. Met name tijdens de beoordelings-, plannings- of vergunningsprocedures voor installaties voor energie uit hernieuwbare bronnen, dienen de lidstaten rekening te houden met alle Gemeenschapsmilieuwetgeving Ö van de Unie Õ en met de bijdrage van hernieuwbare energiebronnen aan de milieu- en de klimaatveranderingsdoelstellingen, in het bijzonder in vergelijking met installaties voor energie uit niet-hernieuwbare bronnen.

ê 2009/28/EG overweging 45 (aangepast)

ð nieuw

(32)De nationale technische specificaties en andere voorschriften van Richtlijn 98/34/EG (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad Ö  27  Õ van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij 28 , die bijvoorbeeld betrekking hebben op het kwaliteitsniveau, de testmethoden of de gebruiksomstandigheden, mogen geen hinderpalen vormen voor de handel in apparatuur en systemen voor energie uit hernieuwbare bronnen. Steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen mogen daarom geen nationale technische specificaties voorschrijven die afwijken van de geldende Gemeenschapsnormen Ö van de Unie Õ, of waarbij vereist wordt dat de gesteunde apparatuur of systemen op een specifieke plaats of door een specifieke entiteit moeten worden gecertificeerd of getest.

ê 2009/28/EG overweging 46

De lidstaten moeten mechanismen overwegen om het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor stadsverwarming en -koeling te bevorderen.

ê 2009/28/EG overweging 47 (aangepast)

(33)Op nationaal en regionaal niveau hebben regels en verplichtingen betreffende minimumeisen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen geleid tot een aanzienlijke toename in het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Dergelijke maatregelen moeten ook op ruimere communautaire schaal Ö in de hele Unie Õ worden aangemoedigd; voorts moet ook het gebruik van energie-efficiëntere toepassingen van energie uit hernieuwbare bronnen in het kader van bouwvoorschriften en -regels worden aangemoedigd.

ê 2009/28/EG overweging 48 (aangepast)

ð nieuw

(34)Om de bepaling van minimumniveaus voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in gebouwen in de hand te werken te vergemakkelijken en te bespoedigen, kan het wenselijk zijn dat de lidstaten erin voorzien dat deze niveaus worden gehaald door een factor voor energie uit hernieuwbare bronnen op te nemen in het kader van de verplichting om te voldoen aan de minimumvereisten op het gebied van energieprestatie krachtens Richtlijn 2002/91/EG, wat de kostenoptimale vermindering van koolstofemissies per gebouw betreft. ð moeten deze minimumniveaus in nieuwe gebouwen en gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, worden berekend volgens de in Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad 29 vastgestelde methodologie. ï

ò nieuw

(35)Om ervoor te zorgen dat nationale maatregelen ter ontwikkeling van hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling gebaseerd zijn op een uitgebreide inventarisatie en analyse van het nationale potentieel inzake hernieuwbare energie en afvalenergie, en om te voorzien in een betere integratie van hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen voor verwarming en koeling, is het passend van de lidstaten te verlangen dat zij hun nationale potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling beoordelen, met name ter bevordering van de brede integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsinstallaties en van efficiënte en concurrerende stadsverwarming en -koeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad 30 . Om de samenhang met de vereisten betreffende energie-efficiëntie voor verwarming en koeling te garanderen en de administratieve lasten te verminderen, moet deze beoordeling worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn uitgevoerde en meegedeelde uitgebreide beoordelingen.

ê 2009/28/EG overweging 41

ð nieuw

(36)Het gebrek aan transparante regels en coördinatie tussen de verschillende vergunningsinstanties is een hinderpaal voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen gebleken. ð De oprichting van één enkel administratief contactpunt waarin alle vergunningsprocedures worden geïntegreerd en gecoördineerd, moet de complexiteit verminderen en de efficiëntie en transparantie verhogen. ï Wanneer nationale, regionale en lokale autoriteiten hun administratieve procedures voor de afgifte van bouw- en exploitatievergunningen voor installaties en bijbehorende transmissie- en distributienetinfrastructuren voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling of van transportbrandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen herzien, moeten zij dan ook rekening houden met de specifieke structuur van de sector energie uit hernieuwbare bronnen. Administratieve goedkeuringsprocedures moeten gestroomlijnd worden met transparante termijnen voor installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen. De voorschriften en regels op het gebied van ruimtelijke ordening moeten worden aangepast om rekening te houden met kostenefficiënte en milieuvriendelijke apparatuur voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking op basis van hernieuwbare energiebronnen. ð Deze richtlijn, en met name de bepalingen inzake de organisatie en duurtijd van de vergunningsprocedure, moet worden toegepast onverminderd de toepassing van het internationale recht en het recht van de Unie, waaronder de bepalingen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid. ï

ò nieuw

(37)Lange administratieve procedures vormen een grote administratieve belemmering en zijn duur. De vereenvoudiging van de vergunningsprocedures moet, samen met een duidelijke termijn waarbinnen de respectieve instanties een beslissing moeten nemen wat betreft de projectopbouw, tot een efficiëntere afhandeling van de procedures en bijgevolg tot lagere administratieve kosten leiden.

(38)Een ander obstakel voor het kostenefficiënte gebruik van hernieuwbare energiebronnen is dat de mogelijke ondersteuning door de lidstaten onvoldoende voorspelbaar is voor investeerders. De lidstaten moeten er met name zorgen voor dat het geplande gebruik van steunmaatregelen door de lidstaten voldoende voorspelbaar is voor investeerders. Zo kan de industrie vooruitzien en een toeleveringsketen ontwikkelen, waardoor de totale gebruikskost vermindert.

ê 2009/28/EG overweging 43 (aangepast)

ð nieuw

(39)Om te stimuleren Ö bevorderen Õ datð kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’s) en ï individuele burgers bijdragen aan de doelstellingen van deze richtlijn, moeten  de betrokken autoriteiten overwegen of voor het installeren van kleine ð kleine projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van ï gedecentraliseerde ð projecten zoals zonne-installaties op daken, ï apparaten voor het produceren van energie uit hernieuwbare bronnen het vergunningenstelsel kan worden vervangen door een eenvoudige kennisgeving aan de bevoegde instantie. ð Aangezien er steeds meer behoefte is aan repowering van bestaande installaties voor hernieuwbare energie, moeten kortere vergunningsprocedures worden vastgesteld. ï

ê 2009/28/EG overweging 49

(40)Hiaten op het vlak van informatieverstrekking en opleiding, met name in de sector verwarming en koeling, moeten worden weggewerkt om de toepassing van energie uit hernieuwbare bronnen aan te moedigen.

ê 2009/28/EG overweging 50

(41)Voor zover de toegang tot of de uitoefening van het beroep van installateur gereglementeerd is, gelden de voorafgaande voorwaarden voor de erkenning van beroepskwalificaties zoals vastgelegd in Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties 31 . De toepassing van deze richtlijn laat derhalve Richtlijn 2005/36/EG onverlet.

ê 2009/28/EG overweging 51

(42)In Richtlijn 2005/36/EG zijn eisen vastgesteld voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties, onder meer voor architecten, maar voorts moet er ook voor worden gezorgd dat architecten en planologen in hun plannen en ontwerpen voldoende oog hebben voor een optimale combinatie van hernieuwbare energiebronnen en hogerendements-technologieën. De lidstaten moeten ter zake duidelijke richtsnoeren opstellen, zonder dat dit afbreuk mag doen aan Richtlijn 2005/36/EG en met name de artikelen 46 en 49 daarvan.

ê 2009/28/EG overweging 52 (aangepast)

(43)Een garantie van oorsprong die is afgegeven met het oog op de toepassing van deze richtlijn heeft uitsluitend tot doel de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is uit hernieuwbare bronnen. Een garantie van oorsprong kan, ongeacht de energie waarop zij betrekking heeft, van de ene houder aan de andere worden overgedragen. Teneinde ervoor te zorgen dat een eenheid uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit slechts eenmaal aan een afnemer verstrekt wordt, moeten dubbeltellingen en dubbele verstrekkingen van garanties van oorsprong worden vermeden. Energie uit hernieuwbare bronnen waarvan de bijbehorende garantie van oorsprong afzonderlijk door de producent is verkocht, zou niet aan de eindafnemer mogen verstrekt of verkocht worden als energie uit hernieuwbare bronnen. Het is zaak een duidelijk onderscheid te maken tussen in het kader van een steunregeling gebruikte groene certificaten en garanties van oorsprong.

ê 2009/28/EG overweging 53 (aangepast)

ð nieuw

(44)De opkomende consumentenmarkt voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen moet de mogelijkheid hebben bij te dragen tot de constructie ð ontwikkeling ï van met betrekking tot nieuwe installaties voor energie uit hernieuwbare bronnen. Daarom zouden moeten de lidstaten van elektriciteitsleveranciers die aan de eindafnemers overeenkomstig artikel X 3, lid 6, van Richtlijn [opzet van de markt]2003/54/EG informatie over hun energiemix verstrekken,ð of die energie verkopen aan consumenten en daarbij verwijzen naar het verbruik van energie uit hernieuwbare bronnen ï,moeten kunnen verlangen dat zij ð gebruikmaken van ï een minimumpercentage garanties van oorsprong uit recentelijk gebouwde installaties die energie uit hernieuwbare bronnen produceren, opnemen, op voorwaarde dat deze vereiste strookt met de Gemeenschapswetgeving.

ê 2009/28/EG overweging 54 (aangepast)

ð nieuw

(45)Het is belangrijk informatie te verstrekken over de wijze waarop de elektriciteit waarvoor steun wordt verleend, aan de eindafnemers wordt toegewezen overeenkomstig artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG. Om de kwaliteit van deze informatie aan de consumenten te verbeteren, met name wat de hoeveelheid door nieuwe installaties geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen betreft, moet de Commissie de doeltreffendheid van de door de lidstaten genomen maatregelen beoordelen. ð moeten de lidstaten ervoor zorgen dat garanties van oorsprong worden afgegeven voor alle geproduceerde eenheden hernieuwbare energie.  Om dubbele compensatie te vermijden, dienen producenten van hernieuwbare energie waaraan reeds steun wordt verleend, geen garanties van oorsprong te krijgen. Deze garanties van oorsprong moeten echter worden gebruikt voor informatieverstrekking, zodat eindafnemers duidelijk, betrouwbaar en afdoend bewijs kunnen krijgen over de hernieuwbare oorsprong van de desbetreffende energie-eenheden. Voor elektriciteit waarvoor steun is verleend, moeten de garanties van oorsprong bovendien aan de markt worden geveild en moet de opbrengst hiervan worden gebruikt om de overheidssubsidies voor hernieuwbare energie te verminderen. ï

ê 2009/28/EG overweging 55 (aangepast)

ð nieuw

(46)Bij Richtlijn 2004/8/EG 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt 32 zijn garanties van oorsprong ingesteld die dienen als bewijs voor de oorsprong van elektriciteit die geproduceerd is door een hoogrenderende installaties voor warmtekrachtkoppeling. ð Er is voor ï Ddeze garanties van oorsprong kunnen echter niet ð echter geen specifiek gebruik aangegeven en deze moeten dus ook ï worden gebruikt bij de informatieverstrekking over het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen overeenkomstig artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG, aangezien dubbeltellingen en dubbele informatieverstrekkingen het gevolg ervan zou kunnen zijn ð hoogrenderende warmtekrachtkoppeling ï.

ê 2009/28/EG overweging 56 (aangepast)

Garanties van oorsprong impliceren op zichzelf geen recht om te profiteren van nationale steunregelingen.

ò nieuw

(47)De bestaande garanties van oorsprong voor hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare verwarming en koeling moeten worden uitgebreid tot hernieuwbaar gas. Dit zou een consistente manier zijn om aan eindafnemers het bewijs van oorsprong van hernieuwbaar gas zoals biomethaan te leveren en de grensoverschrijdende handel in dergelijke gassen vergemakkelijken. Hierdoor zouden ook garanties van oorsprong voor andere hernieuwbare gassen, zoals waterstof, kunnen worden gecreëerd. 

ê 2009/28/EG overweging 57 (aangepast)

ð nieuw

(48)De Iintegratie van energie uit hernieuwbare bronnen in het transmissie- en distributienet en het gebruik van systemen voor de opslag van energie uit geïntegreerde niet permanent ter beschikking staande ð variabele ï productie van energie uit hernieuwbare bronnen moet worden gesteund ð , met name wat de regels inzake dispatching en toegang tot het net betreft. Richtlijn [opzet van de elektriciteitsmarkt] biedt een kader voor de integratie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Dit kader omvat evenwel geen bepalingen voor de integratie van gas uit hernieuwbare energiebronnen in het gasnet. Bijgevolg is het belangrijk deze bepalingen in onderhavige richtlijn te behouden. ï

ê 2009/28/EG overweging 58

De ontwikkeling van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, inclusief „projecten van Europees belang op het gebied van hernieuwbare energie” in het kader van het programma inzake het trans-Europese netwerk voor energie (TEN-E) moet worden versneld. Daartoe moet de Commissie tevens nagaan hoe de financiering van dergelijke projecten kan worden verbeterd. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar projecten voor hernieuwbare energie die bijdragen aan een significante verbetering van de energievoorzieningszekerheid in de Gemeenschap en haar buurlanden.

ê 2009/28/EG overweging 3 (aangepast)

(49)De mogelijkheden om via innovatie en een duurzaam concurrerend energiebeleid tot economische groei te komen, zijn onderkend. De productie van energie uit hernieuwbare bronnen hangt vaak af van lokale of regionale kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s). De kansen op het gebied van groei en werkgelegenheid die investeringen in regionale en lokale productie van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaten en hun regio’s scheppen, zijn belangrijk. De Commissie en de lidstaten zouden daarom nationale en regionale ontwikkelingsmaatregelen op deze gebieden moeten steunen, de uitwisseling van optimale praktijken bij de productie van energie uit hernieuwbare bronnen tussen lokale en regionale ontwikkelingsinitiatieven moeten aanmoedigen en het gebruik van de structuurfondsen van het cohesiebeleid op dit gebied moeten bevorderen.

ê 2009/28/EG overweging 4

(50)Ter bevordering van de ontwikkeling van een markt voor energie uit hernieuwbare bronnen is het noodzakelijk rekening te houden met de positieve gevolgen daarvan voor de regionale en lokale ontwikkelingsmogelijkheden, de perspectieven voor de uitvoer, de sociale samenhang en de werkgelegenheidskansen, vooral wat betreft kmo’s en onafhankelijke energieproducenten.

ò nieuw

(51)De specifieke situatie van de ultraperifere gebieden wordt erkend in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De energiesector in de ultraperifere gebieden wordt vaak gekenmerkt door isolement, beperkte levering en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, hoewel deze gebieden over grote lokale hernieuwbare energiebronnen beschikken. De ultraperifere gebieden kunnen de Unie dus tot voorbeeld strekken wat de toepassing van innovatieve energietechnologieën betreft. Daarom is het nodig dat het gebruik van hernieuwbare energie wordt gestimuleerd, zodat deze gebieden autonomer in hun energiebehoeften kunnen voorzien, en dat hun specifieke situatie wordt erkend met betrekking tot hun potentieel op het gebied van hernieuwbare energie en hun behoeften op het vlak van overheidssteun.

ê 2009/28/EG overweging 6 (aangepast)

ð nieuw

(52)Er moet steun worden verleend voor de demonstratie- en marketingfase van ð Het is passend om de ontwikkeling van ï technologieën voor gedecentraliseerde hernieuwbare energie ð mogelijk te maken onder niet-discriminerende voorwaarden en zonder de financiering van investeringen in infrastructuur te belemmeren ï.De overgang naar een gedecentraliseerde energieproductie heeft vele voordelen, waaronder het gebruik van lokale energiebronnen, meer plaatselijke energievoorzieningszekerheid, kortere aanvoerwegen en minder verliezen bij de transmissie van energie. Ook de ontwikkeling en de cohesie van gemeenschappen worden door zulke decentralisatie bevorderd, omdat er lokaal bronnen van inkomsten en werkgelegenheid worden gecreëerd.

ò nieuw

(53)Door het toenemende belang van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit is er behoefte aan een definitie van “consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie”, alsook aan een regelgevingskader dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie de mogelijkheid biedt om elektriciteit te produceren, op te slaan, te verbruiken en te verkopen zonder met onevenredige lasten te worden geconfronteerd. Collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moet in sommige gevallen worden toegestaan zodat burgers die in appartementen wonen bijvoorbeeld dezelfde mate van empowerment kunnen genieten als huishoudens in eengezinswoningen.

(54)Lokale burgerparticipatie in projecten op het gebied van hernieuwbare energie via hernieuwbare-energiegemeenschappen heeft tot aanzienlijk meer lokale acceptatie van hernieuwbare energie en toegang tot extra particulier kapitaal geleid. Deze lokale betrokkenheid zal des te essentiëler zijn wanneer in de toekomst de hernieuwbare-energiecapaciteit toeneemt.

(55)De specifieke kenmerken van lokale hernieuwbare-energiegemeenschappen met betrekking tot hun grootte, eigendomsstructuur en aantal projecten kan hun een concurrentieel nadeel opleveren ten opzichte van grote spelers, zoals concurrenten met grotere projecten of portfolio’s. Deze nadelen kunnen onder andere worden geneutraliseerd door energiegemeenschappen toe te laten werkzaam te zijn in het energiesysteem en door hun martkintegratie te vergemakkelijken.

(56)Verwarming en koeling zijn samen goed voor ongeveer de helft van het eindenergieverbuik van de Unie en worden gezien als een essentiële sector om het energiesysteem sneller koolstofarm te maken. Bovendien is deze sector ook van strategisch belang voor de energiezekerheid, aangezien hernieuwbare verwarming en koeling in 2030 naar verwachting goed zullen zijn voor 40 % van het hernieuwbare-energieverbruik. Het ontbreken van een geharmoniseerde strategie op Unieniveau, het gebrek aan internalisering van externe kosten en de fragmentatie van de markten voor verwarming en koeling hebben ertoe geleid dat in deze sector tot dusver relatief traag vooruitgang is geboekt.

(57)Verscheidene lidstaten hebben maatregelen genomen in de verwarmings- en koelingssector om hun streefcijfer inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Bij gebrek aan bindende nationale streefcijfers voor de periode na 2020 zullen de overblijvende nationale stimulansen wellicht onvoldoende zijn om de langetermijndoelstellingen inzake decarbonisatie voor 2030 en 2050 te halen. Om met het oog op dergelijke doelstellingen te handelen, investeerders meer zekerheid te bieden en de ontwikkeling van een Uniebrede markt voor hernieuwbare verwarming en koeling te bevorderen, is het passend de lidstaten aan te moedigen wanneer zij een inspanning leveren met betrekking tot de levering van hernieuwbare verwarming en koeling teneinde bij te dragen aan een progressieve toename van het aandeel hernieuwbare energie. Aangezien sommige markten voor verwarming en koeling versnipperd zijn, is het van groot belang dat bij dergelijke inspanningen voor flexibiliteit wordt gezorgd. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat een potentiële toename van het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling geen schadelijke neveneffecten heeft voor het milieu.

(58)Stadsverwarming en -koeling maken momenteel ongeveer 10 % uit van de warmtebehoefte in de hele Unie, waarbij er grote verschillen zijn tussen de lidstaten. In de strategie van de Commissie inzake verwarming en koeling wordt rekening gehouden met de potentiële decarbonisatie van stadsverwarming door middel van meer energie-efficiëntie en een groter gebruik van hernieuwbare energie.

(59)In de strategie van de energie-unie is bij de energietransitie ook een rol weggelegd voor de burger, waarbij deze inspraak heeft in en controle heeft over de energietransitie, van de nieuwe technologieën profiteert in de vorm van een lagere energiefactuur en een actieve marktdeelnemer is.

(60)Nadruk moet worden gelegd op de potentiële synergieën tussen de inspanning om het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling te laten toenemen enerzijds en de bestaande regelingen van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU anderzijds. In de mate van het mogelijke moeten lidstaten de mogelijkheid hebben om bestaande administratieve structuren te gebruiken om aan een dergelijke inspanning uitvoering te geven, zodat de administratieve lasten worden beperkt.

(61)Op het gebied van stadsverwarming is het bijgevolg van cruciaal belang dat de overstap naar hernieuwbare brandstoffen mogelijk wordt gemaakt en dat een lock-in op het vlak van regelgeving en technologie alsook een technologische lock-out worden vermeden door producenten van hernieuwbare energie en eindverbruikers meer rechten te geven, en de eindverbruikers instrumenten te geven om hun keuze te vergemakkelijken tussen de oplossingen die de hoogste energieprestatie bieden en die rekening houden met toekomstige behoeften met betrekking tot verwarming en koeling overeenkomstig de verwachte criteria inzake de prestaties van gebouwen.

(62)In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoersector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen.

(63)In Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad 33 werd de Commissie verzocht om onverwijld met een alomvattend voorstel te komen voor een kosteneffectief en technologieneutraal beleid na 2020 om een langetermijnperspectief te scheppen voor investeringen in duurzame biobrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik en in andere manieren om de vervoersector koolstofvrij te maken. Een vermengingsverplichting voor brandstofleveranciers kan investeerders zekerheid bieden en de voortdurende ontwikkeling van alternatieve hernieuwbare transportbrandstoffen stimuleren, zoals geavanceerde biobrandstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, en hernieuwbare elektriciteit in het vervoer. Het is passend om aan brandstofleveranciers in alle lidstaten dezelfde eisen te stellen ter waarborging van consistente specificaties en beschikbaarheid van transportbrandstof. Aangezien transportbrandstoffen gemakkelijk kunnen worden verhandeld, moeten brandstofleveranciers in lidstaten die over weinig eigen relevante hulpbronnen beschikken gemakkelijk biobrandstoffen van elders kunnen invoeren.

(64)Geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, en hernieuwbare elektriciteit in het vervoer kunnen bijdragen aan lage koolstofemissies, het koolstofvrij maken van de vervoersector van de Unie op een kosteneffectieve manier stimuleren en onder meer de diversificatie in de vervoersector verbeteren, en tegelijkertijd innovatie, groei en werkgelegenheid in de economie van de Unie bevorderen en de afhankelijkheid van ingevoerde energie verminderen. Met de vermengingsverplichting voor brandstofleveranciers moet de voortdurende ontwikkeling van geavanceerde brandstoffen, zoals biobrandstoffen, worden aangemoedigd en het is belangrijk om ervoor te zorgen dat deze verplichting stimulansen biedt voor de verbetering van de broeikasgasprestaties van de brandstoffen die worden geleverd om aan deze verplichting te voldoen. De Commissie moet de broeikasgasprestaties, technische vernieuwing en duurzaamheid van die brandstoffen beoordelen.

(65)Door koolstofarme fossiele brandstoffen geproduceerd uit afvalstromen van fossiele oorsprong te promoten, kan ook een bijdrage worden geleverd aan de beleidsdoelstellingen inzake de energiediversificatie en het koolstofvrij maken van het vervoer. Daarom is het passend om deze brandstoffen op te nemen in de vermengingsverplichting voor brandstofleveranciers.

(66)Grondstoffen die slechts in beperkte mate tot indirecte veranderingen in het landgebruik leiden wanneer ze worden gebruikt voor biobrandstoffen, moeten worden bevorderd vanwege de bijdrage die hiermee kan worden geleverd aan het koolstofvrij maken van de economie. In het bijzonder grondstoffen voor geavanceerde biobrandstoffen die innovatievere en minder ontwikkelde technologie en dus meer ondersteuning vereisen, moeten worden opgenomen in een bijlage bij deze richtlijn. Om ervoor te zorgen dat deze bijlage de nieuwste technologische ontwikkelingen volgt en dat onbedoelde negatieve gevolgen worden vermeden, moet na de vaststelling van de richtlijn een evaluatie plaatsvinden om na te gaan of de bijlage kan worden uitgebreid tot nieuwe grondstoffen.

ê 2009/28/EG overweging 94

Daar de maatregelen bepaald in de artikelen 17 tot en met 19 tevens gevolgen hebben voor de werking van de interne markt, omdat zij de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor de berekening van de streefcijfers uit hoofde van deze richtlijn harmoniseren, en aldus de handel tussen de lidstaten in biobrandstoffen en vloeibare biomassa die aan deze voorwaarden voldoen, overeenkomstig artikel 17, lid 8, van deze richtlijn, vergemakkelijken, zijn zij gegrond op artikel 95 van het Verdrag.

ê 2009/28/EG overweging 59

Interconnecties tussen landen vergemakkelijken de integratie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Het vlakt niet alleen de variabiliteit uit, maar kan ook de balanceringskosten doen dalen en zal bevorderlijk zijn voor echte concurrentie en dus lagere prijzen en dus de ontwikkeling van netwerken ondersteunen. Het delen en optimaal benutten van transmissiecapaciteit kan ook helpen voorkomen dat te veel nieuwe capaciteit dient gebouwd te worden.

ê 2009/28/EG overweging 60

Voorrang inzake toegang en gewaarborgde toegang voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is van belang om hernieuwbare energiebronnen in de interne markt voor elektriciteit te integreren, en is in overeenstemming met artikel 11, lid 2, en een verdere uitwerking van artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2003/54/EG. De voorschriften inzake de instandhouding van de betrouwbaarheid en veiligheid van het net en de dispatching kunnen naargelang de kenmerken van het nationale net en de veilige werking daarvan verschillen. Voorrang inzake nettoegang biedt de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen de verzekering dat zij te allen tijde wanneer de bron beschikbaar is de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de connectieregels zullen kunnen verkopen en transporteren. Wanneer elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen geïntegreerd worden in de „spotmarkt”, zorgt gegarandeerde toegang ervoor dat alle verkochte en gesteunde elektriciteit toegang krijgt tot het net en dat een maximale hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bronnen van de op het net aangesloten installaties wordt gebruikt. Dit houdt geenszins de verplichting in dat lidstaten aankoopverplichtingen voor energie uit hernieuwbare bronnen moeten steunen of invoeren. In andere systemen wordt voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gewoonlijk een vaste prijs vastgesteld, gewoonlijk in combinatie met een aankoopverplichting voor de systeembeheerder. In dit geval is reeds voorrang inzake toegang gegeven.

ê 2009/28/EG overweging 61

In bepaalde omstandigheden is het niet mogelijk om de transmissie en distributie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen volledig te garanderen zonder de betrouwbaarheid of de veiligheid van het net in gevaar te brengen. In dergelijke omstandigheden kan overwogen worden financiële compensaties te geven aan de betrokken producenten. Desalniettemin strekken de doelstellingen van deze richtlijn ertoe de transmissie en distributie van uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit duurzaam te laten toenemen zonder de betrouwbaarheid of de veiligheid van het net aan te tasten. Daartoe dienen de lidstaten passende maatregelen te nemen om de marktpenetratie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te vergroten, onder meer door rekening te houden met de specifieke kenmerken van variërende energiebronnen en energiebronnen die nog niet kunnen worden opgeslagen. Om te kunnen voldoen aan de, in de onderhavige richtlijn gestelde doelen, moet de aansluiting van nieuwe installaties voor energie uit hernieuwbare bronnen zo spoedig mogelijk worden toegestaan. Om de netaansluitingsprocedures te versnellen, kunnen de lidstaten voorzieningen treffen voor een prioritaire of gereserveerde aansluiting van nieuwe installaties die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceren.

ê 2009/28/EG overweging 62 (aangepast)

(67)De kosten voor het aansluiten van nieuwe producenten van elektriciteit en gas uit hernieuwbare energiebronnen op het elektriciteits- en gasnet moeten Ö gebaseerd zijn op Õ objectiefve, transparante en niet-discriminerende zijn Ö criteria Õ en er moet naar behoren rekening worden gehouden met de voordelen die ingebedde producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en lokale producenten van gas uit hernieuwbare energiebronnen opleveren voor het elektriciteits- en gasnet.

ê 2009/28/EG overweging 63

Elektriciteitsproducenten die gebruik willen maken van het potentieel van energie uit hernieuwbare bronnen in perifere gebieden van de Gemeenschap, met name eilanden en gebieden met een lage bevolkingsdichtheid, moeten zoveel mogelijk kunnen profiteren van redelijke aansluitkosten om te waarborgen dat zij in vergelijking met producenten in centraler gelegen, meer geïndustrialiseerde en dichter bevolkte gebieden niet in op oneerlijke wijze benadeeld worden.

ê 2009/28/EG overweging 64

Richtlijn 2001/77/EG stelt het kader vast voor de integratie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het net. De mate van integratie die daadwerkelijk bereikt is varieert echter aanzienlijk van de ene lidstaat tot de andere. Het is dan ook noodzakelijk om het kader te versterken en de toepassing ervan periodiek te evalueren op nationaal niveau.

ê 2009/28/EG overweging 24 (aangepast)

ð nieuw

(68)Teneinde Om maximaal voordeel te halen uit het potentieel van biomassa volledig te kunnen benuttenð om bij te dragen aan het koolstofarm maken van de economie dankzij het gebruik ervan voor materialen en energie ï, moeten de GemeenschapÖ Unie Õ en de lidstaten het ð duurzame ï gebruik van bestaande houtopstandenreserves ð en agrarische hulpbronnen ï stimuleren en zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bosbouwsystemen ð en systemen voor landbouwproductie ï.

ê 2009/28/EG overweging 65 (aangepast)

ð nieuw

(69)Biobrandstoffen moeten op duurzame wijze worden geproduceerd. Biobrandstoffen ð , vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moeten altijd op een duurzame manier worden geproduceerd. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen ï die worden gebruikt om de streefcijfers van deze richtlijn na te leven te halen en deze die steun genieten vanuit Ö waarop Õ nationale steunregelingen van toepassing zijn, moeten dan ook voldoen aan duurzaamheidscriteria ð en criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï.

ê 2009/28/EG overweging 66 (aangepast)

ð nieuw

(70)De Gemeenschap Ö Unie Õ dient passende maatregelen te nemen in het kader van deze richtlijn, zoals de bevordering van duurzaamheidscriteria ð en criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï voor biobrandstoffen en ð voor vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de opwekking van verwarming of koeling en elektriciteit ïde ontwikkeling van biobrandstoffen van de tweede en derde generatie in de Gemeenschap en wereldwijd, en zij dient meer te doen aan landbouwkundig onderzoek en de vergaring van kennis op deze gebieden.

ê 2009/28/EG overweging 67

Het doel dat met de invoering van duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen wordt beoogd, zal niet worden bereikt als die producten die niet aan de criteria beantwoorden en anders zouden gebruikt zijn als biobrandstof, in de plaats daarvan als vloeibare biomassa in de sectoren verwarming of elektriciteit worden gebruikt. De duurzaamheidscriteria moeten daarom tevens van toepassing zijn op vloeibare biomassa in het algemeen.

ê 2009/28/EG overweging 68 (aangepast)

(68)     Tijdens de Europese Raad van maart 2007 is de Commissie verzocht een alomvattende richtlijn inzake het gebruik van alle hernieuwbare energiebronnen voor te stellen, met criteria en bepalingen om te zorgen voor een duurzame levering en een duurzaam gebruik van bio-energie. Deze duurzaamheidscriteria moeten een coherent onderdeel vormen van een ruimere regeling, die niet alleen betrekking heeft op biobrandstoffen maar ook op alle vloeibare biomassa. Dergelijke duurzaamheidscriteria moeten dan ook worden opgenomen in deze richtlijn. Om een samenhangende aanpak tussen het energie- en het milieubeleid te verzekeren en te vermijden dat een onsamenhangende aanpak tot extra kosten voor het bedrijfsleven en tot incoherentie van de milieumaatregelen zou leiden, is het van essentieel belang te voorzien in dezelfde duurzaamheidscriteria voor het gebruik van biobrandstoffen met het oog op de toepassing van deze richtlijn enerzijds en van Richtlijn 98/70/EG anderzijds. Om dezelfde redenen moet dubbele verslaglegging in dit verband vermeden worden. Voorts dienen de Commissie en de bevoegde nationale instanties hun activiteiten te coördineren in het kader van een comité dat specifiek verantwoordelijk is voor duurzaamheidsaangelegenheden. De Commissie moet bovendien in 2009 de mogelijke uitbreiding tot andere biomassatoepassingen en de nadere regelingen daarvoor nagaan.

ê 2009/28/EG overweging 69 (aangepast)

ð nieuw

(71)De toename van de wereldwijde vraag naar ð productie van landbouwgrondstoffen voor ï biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï en de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor hun gebruik mogen niet leiden tot de vernietiging van gebieden met grote biodiversiteit. DezeÖ Dergelijke Õ eindige hulpbronnen, die volgens diverse internationale instrumenten waardevol zijn voor de volledige mensheid, moeten worden beschermd. De consumenten in de Gemeenschap zouden het bovendien moreel onaanvaardbaar vinden dat de toename van hun gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa zou kunnen leiden tot de vernietiging van gebieden met grote biodiversiteit. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria ð en criteria inzake broeikasgasemissiereductie ïvast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï alleen voor stimuleringsmaatregelen in aanmerking kunnen komen wanneer kan worden indien gewaarborgd Ö is Õ dat zij ð de landbouwgrondstoffen ï niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, aantoont dat de productie van de ð landbouwgrondstoffen ïgrondstoffen niet in strijd is met deze Ö dergelijke Õ doelstellingen. Volgens de duurzaamheidscriteria hebben Ö moeten Õ bossen Ö worden geacht een grote biodiversiteit te herbergen Õ met een grote biodiversiteit als het gaat om oerbossen volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment), die door landen wereldwijd wordt gehanteerd om verslag uit te brengen over de omvang van hun oerbos, of om bossen die beschermd zijn door nationale wetgeving voor natuurbescherming. Tevens moeten hieronder gGebieden vallen waar andere bosproducten dan hout worden verzameld, Ö moeten worden beschouwd als bossen met een grote biodiversiteit, Õ mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen gering blijven. Andere bostypen in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te worden beschouwd. Gezien de grote biodiversiteitswaarde van bepaalde graslanden, zowel in gematigde als tropische gebieden, waaronder savannen, steppen, met struikgewas bedekte gronden en prairies met een grote biodiversiteit, mogen biobrandstoffenð , vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen ï die geproduceerd zijn op basis van ð landbouwgrondstoffen ïgrondstoffen die op dergelijke gronden worden geteeld, niet in aanmerking komen voor de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen. De Commissie moet passende criteria en geografische grenzen vaststellen om dergelijke graslanden met grote biodiversiteitswaarde te definiëren overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en relevante internationale normen.

ê 2009/28/EG overweging 70

Als het gebruik van gronden met grote koolstofvoorraden in de bodem of de vegetatie wordt gewijzigd voor de teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen of vloeibare biomassa, komt doorgaans een gedeelte van de opgeslagen koolstof vrij in de atmosfeer, wat tot de vorming van koolstofdioxide leidt. De daaruit voortvloeiende negatieve invloed op broeikasgas kan de positieve invloed van biobrandstoffen of vloeibare biomassa op de broeikasgas overtreffen, en soms zelfs ruimschoots. Bij het berekenen van de broeikasasemissiereductie van bepaalde biobrandstoffen en vloeibare biomassa moet daarom rekening worden gehouden met het volledige effect van dergelijke wijzigingen van het grondgebruik. Dit is nodig teneinde te garanderen dat bij het berekenen van de broeikasasemissiereductie rekening wordt gehouden met het totale koolstofeffect van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa.

ê 2009/28/EG overweging 71

Bij de berekening van de invloed van de omschakeling van het landgebruik op broeikasgas moeten de marktpartijen gebruik kunnen maken van feitelijke waarden voor de koolstofoorraden van het referentielandgebruik en het landgebruik na de omschakeling. Ook moeten zij gebruik kunnen maken van standaardwaarden. De werkzaamheden van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering bieden voor zulke standaardwaarden een passende basis. Deze werkzaamheden worden thans niet in een vorm gegoten die de marktpartijen zonder meer kunnen gebruiken. Daarom zou de Commissie voor de toepassing van de onderhavige richtlijn richtsnoeren ter zake moeten opstellen die als uitgangspunt kunnen dienen voor de berekening van de wijzigingen van koolstofvoorraden, inclusief wijzigingen van beboste gebieden met een bedekkingsgraad van 10 % tot 30 %, savannen, met struikgewas begroeid gebied en prairies.

ê 2009/28/EG overweging 72

Het is wenselijk dat de Commissie methodieken ontwikkelt teneinde de invloed van het droogleggen van veengebieden op de uitstoot van broeikasgassen te bepalen.

ê 2009/28/EG overweging 73 (aangepast)

ð nieuw

(72)Landgebruik mag dient niet te worden omgeschakeld voor de productie van ð landbouwgrondstoffen voor ïbiobrandstoffenð , vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen ï indien zijn koolstofvoorraden die vrijkomen bij de omschakeling niet binnen een redelijke termijn, rekening houdende met de hoogdringendheid van de klimaatverandering, kunnen worden gecompenseerd door de broeikasgasemissiereducties die voortkomen uit de productie ð en het gebruik ï van biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï. Dit zou onnodig moeizaam onderzoek door marktpartijen vermijden en voorkomen dat landen met grote koolstofvoorraden, die achteraf bekeken niet geschikt waren voor de productie van ð landbouwgrondstoffen ïgrondstoffen voor biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï, toch daarvoor worden gebruikt. Uit de inventarisering van de wereldwijde koolstofvoorraden kan worden geconcludeerd dat waterrijke en permanent beboste gebieden met een bedekkingsgraad van meer dan 30 % in deze categorie moeten worden opgenomen.Beboste gebieden met een bedekkingsgraad tussen 10 en 30 % moeten eveneens worden opgenomen, tenzij wordt aangetoond dat hun koolstofvoorraden laag genoeg zijn om hun omschakeling conform de voorschriften van deze richtlijn te rechtvaardigen. Bij de verwijzing naar waterrijke gebieden moet rekening worden gehouden met de definitie neergelegd in de Convention on Wetlands of International Importance, especially as Waterfowl Habitat, die op 2 februari 1971 is aangenomen in Ramsar.

ò nieuw

(73)Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden worden geproduceerd aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd, en niet gemakkelijk kan worden geverifieerd dat geen ontwatering heeft plaatsgevonden.

(74)In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten landbouwers in de Unie aan een uitgebreide reeks milieueisen voldoen om in aanmerking te komen voor rechtstreekse steun. De naleving van deze eisen kan het meest doeltreffend worden gecontroleerd in het kader van het landbouwbeleid. Het is niet passend om deze eisen op te nemen in de duurzaamheidsregeling aangezien met de duurzaamheidscriteria voor bio-energie regels moeten worden vastgesteld die objectief en algemeen toepasbaar zijn. Het controleren van de naleving in het kader van deze richtlijn zou ook een risico op onnodige administratieve lasten met zich meebrengen.

(75)Het is passend om in de hele Unie duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie in te voeren voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, om hoge broeikasgasemissiereducties te blijven garanderen ten opzichte van alternatieven op basis van fossiele brandstoffen zodat onbedoelde duurzaamheidseffecten worden vermeden, en om de interne markt te bevorderen.

(76)Om ervoor te zorgen dat bosbiomassa, ondanks de toenemende vraag ernaar, op een duurzame manier wordt geoogst in bossen met gewaarborgde herbebossing, dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan gebieden die expliciet zijn aangewezen ter bescherming van de biodiversiteit, de landschappen en specifieke natuurlijke elementen, dat de biodiversiteit wordt beschermd en dat koolstofvoorraden worden gevolgd, dient hout als grondstof enkel uit bossen te komen waarin wordt geoogst volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn ontwikkeld in het kader van internationale bosbouwprocessen zoals Forest Europe en die worden uitgevoerd door middel van nationale wetgeving of de beste beheerspraktijken op het niveau van het bosbedrijf. De beheerders moeten de nodige stappen zetten om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa voor de productie van bio-energie tot een minimum te beperken. Daartoe moeten de beheerders een risicogebaseerde aanpak invoeren. In dit verband is het passend dat de Commissie operationele richtsnoeren ontwikkelt inzake de controle op de naleving van de op risico gebaseerde aanpak, na raadpleging van het comité voor de governance van de energie-unie en het bij Beschikking 89/367/EEG van de Raad ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw 34 .

(77)Om de administratieve lasten tot een minimum te beperken, moeten de duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de Unie uitsluitend van toepassing zijn op elektriciteit en warmte uit biomassabrandstoffen die worden geproduceerd in installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer.

(78)Biomassabrandstoffen moeten op een efficiënte manier worden omgezet in elektriciteit en warmte met het oog op maximale energiezekerheid en broeikasgasemissiereductie en om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te beperken en de druk op beperkte bronnen van biomassa zo veel mogelijk te beperken. Daarom moet overheidssteun aan installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, indien nodig, uitsluitend worden toegekend aan hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties als gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Bestaande steunregelingen voor elektriciteit uit biomassa moeten echter tot hun voorziene einddatum voor alle biomassainstallaties worden toegestaan. Bovendien dient elektriciteit die wordt opgewekt uit biomassa in nieuwe installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer enkel te worden meegerekend voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie in het geval van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. Om een grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met een grote impact op het klimaat en het milieu te vermijden, moeten de lidstaten overeenkomstig de staatssteunregels echter de mogelijkheid hebben om installaties overheidssteun toe te kennen voor de opwekking van hernieuwbare energie en de in deze installaties geproduceerde elektriciteit mee te rekenen voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie indien zij, na alle technische en economische mogelijkheden voor de bouw van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties te hebben benut, een gegrond risico zouden lopen wat de leveringszekerheid van elektriciteit betreft.

(79)De minimumdrempel voor de broeikasgasemissiereductie door in nieuwe installaties geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa moet worden verhoogd teneinde de totale broeikasgasbalans daarvan te verbeteren en verdere investeringen in installaties met lage prestaties qua broeikasgasemissiereductie te ontmoedigen. Deze verhoging van de drempel zorgt voor investeringszekerheid voor de productiecapaciteit van biobrandstoffen en vloeibare biomassa.

(80)Uit ervaring met de praktische uitvoering van de duurzaamheidscriteria van de Unie blijkt dat het passend is de rol van vrijwillige internationale en nationale certificeringsregelingen voor de controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria op geharmoniseerde wijze te versterken.

ê 2009/28/EG overweging 74

De in deze richtlijn opgenomen stimulansen zullen meer productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wereldwijd bevorderen. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa op basis van grondstoffen die in de Gemeenschap zijn geproduceerd, moeten ook beantwoorden aan de communautaire milieuvoorschriften voor landbouw, waaronder die inzake de bescherming van de kwaliteit van het grond- en het oppervlaktewater, en aan de sociale voorschriften. In dit verband bestaat er echter bezorgdheid dat in bepaalde derde landen bij de productie van biobrandstof en vloeibare biomassa de minimumeisen op milieu- en sociaal gebied wellicht niet in acht worden genomen. Derhalve dienen er stimulansen te worden gegeven aan de ontwikkeling van multilaterale en bilaterale overeenkomsten en vrijwillige internationale of nationale systemen die de voornaamste internationale milieuaspecten en sociale aspecten bestrijken, zulks teneinde wereldwijd de duurzame productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa te bevorderen. Bij gebreke van dergelijke overeenkomsten of systemen moeten de lidstaten de marktpartijen verzoeken over deze zaken verslag uit te brengen.

ê 2009/28/EG overweging 75

De vereisten voor een duurzaamheidsregeling voor andere toepassingen van biomassa voor energie dan biobrandstoffen en vloeibare biomassa moeten in 2009 door de Commissie worden geanalyseerd; zij moet daarbij rekening houden met de noodzaak om biomassa op duurzame wijze te beheren.

ê 2009/28/EG overweging 76

De duurzaamheidscriteria zullen alleen effect hebben als ze een wijziging van het gedrag van de marktdeelnemers tot gevolg hebben. Deze wijzigingen zullen pas gebeuren als biobrandstoffen en vloeibare biomassa die aan deze criteria beantwoorden een prijsverhoging gebieden ten opzichte van die welke niet aan deze criteria voldoen. Volgens de massabalansmethode voor het verifiëren van de naleving bestaat er een fysiek verband tussen de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die aan de duurzaamheidscriteria beantwoorden en het verbruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa in de Gemeenschap, die een correct evenwicht doet ontstaan tussen vraag en aanbod en zorgt voor een prijsverhoging die groter is dan in systemen zonder dit verband. Om te garanderen dat biobrandstoffen en vloeibare biomassa die aan de duurzaamheidscriteria voldoen tegen een hogere prijs kunnen worden verkocht, moet de naleving derhalve worden geverifieerd op basis van de massabalansmethode. Daardoor blijft de integriteit van het systeem behouden en worden onredelijke lasten voor het bedrijfsleven vermeden. Andere verificatiesystemen moeten echter worden herzien.

ê 2009/28/EG overweging 77

Waar nodig houdt de Commissie naar behoren rekening met de millenniumecosysteemevaluatie (Millennium Ecosystem Assessment), die nuttige gegevens bevat voor de instandhouding van ten minste de gebieden die in kritieke situaties een basisfunctie voor het ecosysteem vervullen, zoals bescherming van stroomgebieden of erosiecontrole.

ê 2009/28/EG overweging 78

Het is passend toezicht te houden op de gevolgen van de teelt van biomassa, zoals door wijzigingen in het landgebruik, met inbegrip van verdringingseffecten, de invoering van agressieve exoten en andere effecten op de biodiversiteit, alsmede gevolgen voor de voedselproductie en de plaatselijke welvaart. De Commissie dient rekening te houden met alle relevante informatiebronnen, waaronder de hongerkaart van de FAO. Biobrandstoffen moeten op een zodanige wijze worden gestimuleerd dat een grotere landbouwproductiviteit en het gebruik van aangetast land worden bevorderd.

ê 2009/28/EG overweging 79 (aangepast)

ð nieuw

(81)Het is in het belang van de Gemeenschap Ö Unie Õ stimulansen te bieden voor de ontwikkeling van multilaterale en bilaterale overeenkomsten en voor vrijwillige internationale of nationale systemen voor het vaststellen van normen voor de productie van duurzame biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï en voor het certificeren van het feit dat de productie van biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï aan die normen voldoet. Daarom moeten voorzieningen worden getroffen om te garanderen dat dergelijke overeenkomsten of systemen als dusdanig erkend worden dat zij betrouwbare bewijzen en gegevens opleveren, voor zoverÖ indien Õ ze voldoen aan passende normen inzake betrouwbaarheid, transparantie en een onafhankelijke audit. ð Om te garanderen dat op een krachtige en geharmoniseerde manier wordt gecontroleerd of de duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden nageleefd, en in het bijzonder om fraude te voorkomen, moet de Commissie worden gemachtigd om gedetailleerde uitvoeringsbepalingen vast te stellen, met inbegrip van op de vrijwillige regelingen toe te passen adequate normen voor betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke doorlichting. ï

ò nieuw

(82)Vrijwillige regelingen spelen een steeds belangrijkere rol bij het leveren van bewijzen dat aan de duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voldaan. Daarom is het passend dat de Commissie eist dat vrijwillige regelingen, ook de reeds door de Commissie erkende, op regelmatige basis verslag uitbrengen over hun werkzaamheden. Dergelijke verslagen moeten openbaar worden gemaakt om de transparantie te vergroten en het toezicht door de Commissie te verbeteren. Daarnaast zouden deze verslagen de Commissie de nodige informatie geven om verslag uit te brengen over de werking van de vrijwillige regelingen om een beste praktijk vast te stellen en indien passend een voorstel in te dienen om een dergelijke beste praktijk verder te promoten.

(83)Om de werking van de interne markt te bevorderen, moeten bewijzen inzake de duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie voor biomassa met betrekking tot energie die wordt opgewekt overeenkomstig een door de Commissie erkende regeling, in alle lidstaten worden aanvaard. De lidstaten moeten helpen ervoor te zorgen dat de certificeringsbeginselen van vrijwillige regelingen correct worden toegepast door toezicht te houden op het beheer van de door het nationale accrediteringsorgaan geaccrediteerde certificeringsorganen en de vrijwillige regelingen in kennis te stellen van relevante opmerkingen.

ê 2009/28/EG overweging 80

Het is noodzakelijk duidelijke regels vast te stellen voor de berekening van de broeikasgasemissies van biobrandstoffen en vloeibare biomassa en van vergelijkbare fossiele brandstoffen.

ê 2009/28/EG overweging 81

Bij de berekening van broeikasgasemissies moet ook rekening worden gehouden met bijproducten van de productie en het gebruik van brandstoffen. De substitutiemethode is geschikt voor het analyseren van het beleid, maar niet voor regulering van individuele marktpartijen en individuele leveringen van transportbrandstoffen. In dit laatste geval is de energietoewijzingsmethode het meest geschikte instrument omdat het gemakkelijk toepasbaar en voorspelbaar in de tijd is, contraproductieve stimulansen tot een minimum beperkt en resultaten oplevert die in het algemeen vergelijkbaar zijn met de resultaten van de substitutiemethode. Voor het analyseren van het beleid moet de Commissie in haar verslagen ook de resultaten van de substitutiemethode opnemen.

ê 2009/28/EG overweging 82 (aangepast)

ð nieuw

(84)Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden voor gebruikelijke routes voor de productie van biobrandstoffen ð , vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen ï worden vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen, geactualiseerd en uitgebreid moet worden. Marktpartijen moeten steeds het recht hebben het in die lijst voor biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï lijst vermelde niveau van broeikasgasemissiereductie te doen gelden. Als de standaardwaarde voor broeikasgasemissiereductie van een productieketen onder de vereiste minimumreductie voor broeikasgasemissiereductie blijft, moeten producenten die wensen aan te tonen dat ze dit minimumniveau bereikten, aantonen dat de werkelijke emissies van hun productieprocessen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaardwaarden.

ò nieuw

(85)Het is noodzakelijk duidelijke regels vast te stellen voor de berekening van de reductie van broeikasgasemissie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en van vergelijkbare fossiele brandstoffen.

(86)Volgens de huidige technische en wetenschappelijke kennis moet in de boekhoudingsmethodiek voor broeikasgassen rekening worden gehouden met de omzetting van vaste en gasvormige biomassabrandstoffen in uiteindelijke energie teneinde consistent te zijn met de berekening van hernieuwbare energie met het oog op de berekening van de voortgang naar het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie. De toewijzing van emissies aan bijproducten, te onderscheiden van afvalstoffen en residuen, moet ook worden herzien in gevallen waarin elektriciteit en/of verwarming en koeling worden geproduceerd in warmtekrachtkoppelingcentrales of polygeneratiecentrales.

(87)Om ervoor te zorgen dat de broeikasgasemissiereductie van biomassabrandstoffen voor verwarming en koeling en elektriciteitsproductie in verschillende lidstaten consistent en vergelijkbaar is, is het wenselijk een vergelijking met fossiele brandstoffen te gebruiken op basis van de gemiddelde emissies op Unieniveau in de verwarmings- en elektriciteitssectoren.

(88)Als het gebruik van gronden met grote koolstofvoorraden in de bodem of de vegetatie wordt gewijzigd voor de teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen, komt doorgaans een gedeelte van de opgeslagen koolstof vrij in de atmosfeer, wat tot de vorming van koolstofdioxide leidt. De daaruit voortvloeiende negatieve invloed op broeikasgas kan de positieve invloed van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen op de broeikasgasemissie overtreffen, en soms zelfs ruimschoots. Bij het berekenen van de broeikasgasemissiereductie van bepaalde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moet daarom rekening worden gehouden met het volledige effect van dergelijke wijzigingen van het grondgebruik. Dit is nodig teneinde te garanderen dat bij het berekenen van de broeikasgasemissiereductie rekening wordt gehouden met het totale koolstofeffect van het gebruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.

(89)Bij de berekening van de invloed van de omschakeling van het landgebruik op broeikasgas moeten de marktpartijen gebruik kunnen maken van feitelijke waarden voor de koolstofvoorraden van het referentielandgebruik en het landgebruik na de omschakeling. Ook moeten zij gebruik kunnen maken van standaardwaarden. De methodologie van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering bieden voor zulke standaardwaarden een passende basis. Deze werkzaamheden worden thans niet in een vorm gegoten die de marktpartijen zonder meer kunnen gebruiken. Daarom moet de Commissie de richtsnoeren van 10 juni 2010 voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond voor de toepassing van bijlage V bij deze richtlijn herzien en tegelijk zorgen voor samenhang met Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad 35 .

(90)Bij de berekening van broeikasgasemissies moet ook rekening worden gehouden met bijproducten van de productie en het gebruik van brandstoffen. De substitutiemethode is geschikt voor het analyseren van het beleid, maar niet voor regulering van individuele marktpartijen en individuele leveringen van transportbrandstoffen. In dit laatste geval is de energietoewijzingsmethode het meest geschikte instrument omdat het gemakkelijk toepasbaar en voorspelbaar in de tijd is, contraproductieve stimulansen tot een minimum beperkt en resultaten oplevert die in het algemeen vergelijkbaar zijn met de resultaten van de substitutiemethode. Voor het analyseren van het beleid moet de Commissie in haar verslagen ook de resultaten van de substitutiemethode opnemen.

(91)Bijproducten verschillen van residuen en landbouwresiduen aangezien zij het hoofddoel van het productieproces vormen. Bijgevolg is het wenselijk te verduidelijken dat residuen van landbouwproducten residuen zijn en geen bijproducten. Dit heeft geen gevolgen voor de bestaande methodiek, maar verduidelijkt de bestaande bepalingen.

(92)De energietoewijzingsmethode die is vastgesteld om in de regel broeikasgasemissies te verdelen tussen bijproducten, heeft goed gewerkt en moet worden gehandhaafd. Het is wenselijk om de methodologie voor de berekening van broeikasgasemissies door het gebruik van warmtekrachtkoppeling (WKK) wanneer de WKK wordt gebruikt bij de verwerking van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen op één lijn te brengen met de methodologie die wordt toegepast op een WKK voor eindgebruik.

(93)In de methodologie wordt rekening gehouden met de lagere broeikasgasemissies als gevolg van het gebruik van WKK, in vergelijking met het gebruik van centrales die uitsluitend elektriciteit of warmte produceren, door rekening te houden met de bruikbaarheid van warmte in vergelijking met die van elektriciteit en met de bruikbaarheid van warmte op verschillende temperaturen. Bijgevolg moet een hoog-calorische warmte worden gekoppeld aan een groter aandeel van de totale broeikasgasemissie dan laag-calorische warmte, wanneer de warmte samen met elektriciteit wordt geproduceerd. De methodologie houdt rekening met het volledige traject naar de uiteindelijke energie, met inbegrip van omzetting naar warmte of elektriciteit.

ê 2009/28/EG overweging 84

Om te vermijden dat de teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt aangemoedigd op plaatsen waar dit tot hogere broeikasgasemissies zou leiden, moet het gebruik van standaardwaarden voor de teelt van dergelijke grondstoffen worden beperkt tot gebieden waar een dergelijk effect met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten. Om echter onevenredige administratieve lasten te vermijden, is het passend dat de lidstaten nationale of regionale gemiddelden vaststellen voor de bij de teelt vrijkomende emissie, met inbegrip van de bij het gebruik van kunstmest vrijkomende emissie.

ê 2009/28/EG overweging 83 (aangepast)

(94)Het is dienstig dat de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardwaarden, afkomstig zijn uit onafhankelijke en wetenschappelijk deskundige bronnen en in voorkomend geval worden geactualiseerd naarmate hun werk vordert. De Commissie zou deze bronnen moeten aanmoedigen om zich bij het actualiseren ook bezig te houden met de bij de teelt vrijkomende emissies, het effect van regionale en klimatologische omstandigheden, het effect van de teelt waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzame en organische landbouwmethoden en de wetenschappelijke bijdragen van producenten in de Gemeenschap Ö Unie Õ en in derde landen, en van het maatschappelijk middenveld.

ê 2009/28/EG overweging 85 (aangepast)

ð nieuw

(95)De wereldwijde vraag naar landbouwgrondstoffen stijgt. Het antwoord op deze stijgende vraag ligt ten dele in een toename van het landbouwareaal. Het herstel van gronden die ernstig zijn aangetast of vervuild en bijgevolg in hun huidige toestand niet voor landbouwdoeleinden kunnen worden gebruikt, is een van de middelen om het voor de teelt beschikbare areaal te vergroten. Omdat het bevorderen van het gebruik van biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï de vraag naar landbouwgrondstoffen zal doen toenemen, moet de duurzaamheidsregeling het gebruik van hersteld aangetast land stimuleren. Ook als de biobrandstof zelf geproduceerd wordt uit op bestaande landbouwgrond geteelde grondstoffen, kan de door de stimulering van biobrandstoffen veroorzaakte nettostijging van de grondstoffenvraag een nettotoename van de beteelde oppervlakte tot gevolg hebben. Als daarvoor land met een hoge koolstofvoorraad wordt aangesproken, kunnen, als schadelijk neveneffect, koolstofvoorraden vrijkomen. Teneinde dit risico te beperken, is het dienstig begeleidende maatregelen te nemen ter stimulering van de productiviteitsstijging op de reeds beteelde gronden, het gebruik van aangetast land, en de aanneming van duurzaamheidsvereisten, vergelijkbaar met die welke in deze richtlijn worden vastgesteld voor het verbruik van biobrandstoffen in de Gemeenschap, door andere biobrandstofgebruikende rechtsgebieden. Ook zou de Commissie moeten werken aan de ontwikkeling van een concrete methodologie om de uitstoot van broeikasgas als gevolg van indirecte veranderingen in het landgebruik te verminderen. Daartoe moet de Commissie, op grond van de beste wetenschappelijke bewijzen, met nam onder meer, de opname van een factor voor indirecte veranderingen in het landgebruik bij de berekening van broeikasgasemissies analyseren, evenals de noodzaak het gebruik van duurzame biobrandstoffen die de invloed van veranderingen in het landgebruik minimaliseren en de duurzaamheid van biobrandstof in verband met indirecte veranderingen in landgebruik verbeteren. De Commissie moet zich daarbij onder meer buigen over de potentiële effecten op indirecte veranderingen in het landgebruik van biobrandstof die wordt geproduceerd uit non-food cellulosemateriaal en uit lignocellulosisch materiaal.

ê 2009/28/EG overweging 86

Om een adequaat marktaandeel van de biobrandstoffen te kunnen verwezenlijken, moet het in de handel gebrachte dieselmengsel een hoger gehalte aan biodiesel bevatten dan bepaald in norm EN590/2004.

ê 2009/28/EG overweging 87

Om te garanderen dat biobrandstoffen die tot grotere diversiteit van het grondstoffengamma leiden commercieel levensvatbaar worden, moet in de nationale verplichtingen inzake biobrandstoffen een groter gewicht worden toegekend aan deze biobrandstoffen.

ê 2009/28/EG overweging 88

Regelmatige rapportage is nodig om te garanderen dat de aandacht voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen op nationaal en communautair niveau niet verslapt. Het is dienstig te verlangen dat er gebruik wordt gemaakt van een geharmoniseerd model voor nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen die de lidstaten moeten indienen. Dergelijke plannen kunnen geraamde kosten en winsten van de beoogde maatregelen omvatten, maatregelen voor de noodzakelijke uitbreiding of versterking van de bestaande netinfrastructuur, geraamde kosten en winsten van het ontwikkelen van energie uit hernieuwbare bronnen bovenop de vereisten van de indicatieve keten, informatie over nationale steunregelingen en informatie over hun gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe of gerenoveerde gebouwen.

ê 2009/28/EG overweging 89

Bij het ontwerpen van hun steunregelingen mogen lidstaten het gebruik aanmoedigen van biobrandstoffen die aanvullende voordelen opleveren, zoals de voordelen van diversificatie ingevolge het produceren van biobrandstoffen uit afval, residuen, non-food cellulosemateriaal, lignocellulosisch materiaal en algen, alsmede niet-geïrrigeerde gewassen die in droge gebieden worden geteeld om woestijnvorming te bestrijden; de lidstaten dienen daarbij rekening te houden met de kosten van het produceren van energie op basis van traditionele biobrandstoffen enerzijds en op basis van brandstoffen die aanvullende voordelen opleveren anderzijds. De lidstaten mogen investeringen aanmoedigen voor onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot deze en andere technologieën op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen die tijd nodig hebben om concurrerend te worden.

ò nieuw

(96)Om te zorgen voor een geharmoniseerde toepassing van de methode voor de berekening van de broeikasgasemissies en teneinde zich te richten naar de nieuwste wetenschappelijke bewijzen moet de Commissie worden gemachtigd om de methodologische beginselen en waarden aan te passen die nodig zijn om te beoordelen of aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie is voldaan en te besluiten dat door lidstaten en derde landen ingediende verslagen nauwkeurige gegevens bevatten over de broeikasgasemissies gerelateerd aan de teelt van grondstoffen.

ê 2009/28/EG overweging 22 (aangepast)

(97)Om de doelstellingen van deze richtlijn te kunnen verwezenlijken, dienen de Gemeenschap Ö Unie Õ en de lidstaten aanzienlijke financiële middelen uit te trekken voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van technologieën voor energie uit hernieuwbare bronnen. Het Europees Instituut voor innovatie en technologie dient met name hoge prioriteit te geven aan het onderzoek en de ontwikkeling van technologieën op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen.

ê 2009/28/EG overweging 90

(98)Bij de uitvoering van deze richtlijn dient in voorkomend geval rekening gehouden te worden met het bepaalde in het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, met name zoals ten uitvoer gelegd bij Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie 36 .

ò nieuw

(99)Om niet-essentiële onderdelen van de bepalingen van deze richtlijn te wijzigen of aan te vullen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de lijst van grondstoffen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen, waarvan de bijdrage aan de naleving door de brandstofleveranciers van hun verplichting op het gebied van vervoer beperkt is; de aanpassing van de energie-inhoud van transportbrandstoffen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang; de methode om het aandeel biobrandstof uit biomassa te bepalen wanneer deze in een gemeenschappelijk proces met fossiele brandstoffen wordt verwerkt; de uitvoering van overeenkomsten van onderlinge erkenning van garanties van oorsprong; de vaststelling van regels om toezicht te houden op de werking van het systeem van garanties van oorsprong; en de regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

ê 2009/28/EG overweging 91 (aangepast)

ð nieuw

(100)De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 ð Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 37  ï tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden 38 .

ê 2009/28/EG overweging 92

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om de methoden en waarden die nodig zijn om te beoordelen of de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa zijn nageleefd, alsook de energie-inhoud van transportbrandstoffen aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, criteria en geografische reikwijdtes vast te stellen voor de bepaling van zeer biodiverse weilanden en gedetailleerde definities vast te stellen voor ernstige aangetaste of vervuilde gronden. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten ze worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing bepaald in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

ê 2009/28/EG overweging 93

De bepalingen van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG die de bepalingen van de onderhavige richtlijn overlappen, moeten op het laatst mogelijke moment voor de omzetting van deze richtlijn worden geschrapt. De bepalingen die betrekking hebben op streefcijfers en rapportage voor 2010 blijven van kracht tot eind 2011. Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG moeten derhalve dienovereenkomstig worden aangepast.

ê 2009/28/EG overweging 95

De duurzaamheidsregeling mag de lidstaten er niet van weerhouden bij hun nationale steunregelingen rekening te houden met de hogere productiekosten voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die voordelen bieden die de in de duurzaamheidsregeling vastgestelde minimumnormen overschrijden.

ê 2009/28/EG overweging 96 (aangepast)

ð nieuw

(101)Daar de algemene doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het halen van een aandeel van 20 % ð ten minste 27 % ï energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie van de Gemeenschap Ö Unie Õ en een aandeel van 10 % energie uit hernieuwbare bronnen in het energieverbruik in het vervoer in elke lidstaat tegen 2020 ð 2030 ï, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, Ö vanwege Õ door wegens de omvang van de te nemen maatregelen, beter door de Gemeenschap Ö Unie Õ kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap Ö Unie Õ, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag Ö betreffende de Europese Unie Õ neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

ê 2009/28/EG overweging 97

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” 39 , worden de lidstaten aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

ò nieuw

(102)De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijn zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijn.

(103)Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken ð  40  ï, hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht.

(104)Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XI, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp en toepassingsgebied

In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. Voorts wordten Ö een Õ bindende nationale streefcijfers ð op Unieniveau ï vastgesteld voor het totale aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie ð in 2030 ï en voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer. Zij stelt Ö ook Õ regels vast Ö voor Õ betreffende de statistische overdracht tussen lidstaten, gezamenlijke projecten ð financiële steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit en aan het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelings- en vervoersectoren, regionale samenwerking ï tussen lidstaten onderling en met derde landen, garanties van oorsprong, administratieve procedures, Ö en Õ voorlichting en opleiding en toegang tot het elektriciteitsnet voor energie uit hernieuwbare bronnen. Zij stelt duurzaamheidscriteria ð en criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï vast voor biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï.

ê 2009/28/EG artikel 2 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van Richtlijn 2003/54/EG 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad 41 .

De volgende definities gelden eveneens:

a) “energie uit hernieuwbare bronnen”: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk: wind-, zonne- ð (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en ï, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie ð , omgevingswarmte, getijdenenergie, golfslagenergie ï en ð andere ï energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;

ò nieuw

b) “omgevingswarmte”: thermische energie op een bruikbaar temperatuurniveau die wordt geëxtraheerd of onttrokken door middel van op elektriciteit of andere hulpenergie werkende warmtepompen, en die in de omgevingslucht, onder het vaste aardoppervlak of in het oppervlaktewater kan worden opgeslagen. De gerapporteerde waarden worden vastgesteld op basis van dezelfde methodologie die wordt gebruikt voor de rapportering van door middel van warmtepompen geëxtraheerde en onttrokken thermische energie;

ê 2009/28/EG artikel 2 (aangepast)

ð nieuw

b) „aerothermische energie”: energie die in de vorm van warmte is opgeslagen in de omgevingslucht;

c) „geothermische energie”: energie die in de vorm van warmte onder het vaste aardoppervlak is opgeslagen;

d) „hydrothermische energie”: energie die in de vorm van warmte in het oppervlaktewater is opgeslagen;

ec) “biomassa”: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw, (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van ð afval, met inbegrip van ï industrieel en huishoudelijk afval ð van biologische oorsprong ï;

fd) “bruto-eindverbruik van energie”: de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, inclusief het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit en warmte en inclusief het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;

ge) “stadsverwarming” of “stadskoeling”: de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;

hf) “vloeibare biomassa”: vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa;

ig) “biobrandstof”: vloeibare of gasvormige brandstof voor vervoer die geproduceerd is uit biomassa;

jh) “garantie van oorsprong”: een elektronisch document dat uitsluitend tot doel heeft de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is op basis van hernieuwbare bronnen, zoals voorgeschreven in artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG;

ki) “steunregeling”: een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;

lj) “verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen”: een nationale steunregeling waarbij energieproducenten worden verplicht een bepaald aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in hun productie op te nemen, energieleveranciers worden verplicht een bepaald aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de levering op te nemen of energieconsumenten worden verplicht een bepaald gedeelte van hun energieverbruik uit hernieuwbare bronnen te halen. Inbegrepen zijn regelingen waarbij middels het gebruik van groenestroomcertificaten aan deze eisen kan worden voldaan;

mk) “feitelijke waarde”: de broeikasgasemissiereductie die bereikt wordt met bepaalde of met alle stappen van een specifiek productieproces voor biobrandstof als berekend volgens de werkwijze in deel C van bijlage V;

nl) “typische waarde”: een raming van de representatieve broeikasemissie Ö  en emissie Õreductie die kenmerkend is voor een bepaalde productieroute van biobrandstoffen ð , vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen ï Ö , die representatief is voor het verbruik in de Unie Õ;

om) “standaardwaarde”: een waarde die is afgeleid van een typische waarde middels toepassing van tevoren vastgestelde factoren en die, onder in deze richtlijn welomschreven voorwaarden, gebruikt mag worden in plaats van een feitelijke waarde;

pn) “afvalstof”: een stof als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad 42 ; stoffen die doelbewust zijn gewijzigd of besmet om aan die definitie te voldoen, vallen niet binnen die begripsomschrijving;

qo) “zetmeelrijke gewassen”: gewassen die hoofdzakelijk granen bevatten (ongeacht of enkel de granen dan wel de volledige plant worden gebruikt, zoals in het geval van snijmaïs), knollen en wortelgewassen (zoals aardappelen, aardperen, zoete aardappelen, cassave en yamswortelen) en stengelknolgewassen (zoals taro en cocoyam);

rp) “lignocellulosisch materiaal”: materiaal bestaande uit lignine, cellulose en hemicellulose, zoals biomassa afkomstig van bossen, houtachtige energiegewassen en residuen en afvalstoffen van de houtsector;

sq) “non-food cellulosemateriaal”: grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;

tr) “procesresidu”: een stof die niet het eindproduct (de eindproducten) vormt waarop een productieproces rechtstreeks is gericht; het vormt geen hoofddoel van het productieproces en het proces is niet opzettelijk gewijzigd om het te produceren;

us) “hernieuwbare vloeibare of gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong”: andere vloeibare of gasvormige brandstoffen dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa en die in de vervoersector worden gebruikt;

vt) “van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige residuen”: residuen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de landbouw, de aquacultuur, de visserij, en de bosbouw, doch met uitsluiting van residuen van aanverwante bedrijfstakken of van verwerking;

wu) “biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik”: biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvan de grondstoffen zijn geproduceerd in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen en vloeibare biomassa beperken, en die zijn geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa vermeld in artikel 17 26.

ò nieuw

x) “distributiesysteembeheerder”: een beheerder als gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2009/72/EG;

y) “afvalwarmte of afvalkoude”: warmte of koude die als bijproduct in industriële of stroomopwekkingsinstallaties wordt geproduceerd en die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem;

z) “repowering”: het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie te verhogen;

aa) “consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie”: een actieve afnemer als gedefinieerd in Richtlijn [MDI Directive] die hernieuwbare elektriciteit die op eigen terrein is geproduceerd, met inbegrip van een appartementsgebouw, een commerciële locatie of een locatie met gedeelde diensten of een gesloten distributiesysteem, verbruikt en kan opslaan en verkopen, op voorwaarde dat dit voor niet-huishoudelijke consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie niet hun primaire commerciële of professionele activiteit is;

bb) “consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie”: productie en verbruik, en in voorkomend geval opslag, van hernieuwbare elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie;

cc) “stroomafnameovereenkomst”: een overeenkomst waarmee een rechtspersoon zich ertoe verbindt hernieuwbare energie rechtstreeks van een stroomproducent te kopen;

dd) “voedsel- en voedergewassen”: zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen die als hoofdgewas op landbouwgrond worden geteeld, met uitzondering van residuen, afvalstoffen of lignocellulosisch materiaal;

ee) “geavanceerde biobrandstoffen”: brandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen;

ff) “uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen”: vloeibare en gasvormige brandstoffen die zijn geproduceerd uit afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong, met inbegrip van afvalverwerkings- en uitlaatgassen;

gg) “brandstofleverancier”: de entiteit die de markt brandstof levert en die brandstof langs een punt voert waar accijns wordt geheven of, indien er geen accijns verschuldigd is, elke andere relevante, door een lidstaat aangewezen entiteit;

hh) “agrarische biomassa”: van landbouw afkomstige biomassa;

ii) “bosbiomassa”: van bosbouw afkomstige biomassa;

jj) “oogstvergunning”: een officieel document dat recht geeft op het oogsten van bosbiomassa;

43 kk) “kmo”: een kleine, middelgrote of micro-onderneming als gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie;

ll) “herbebossing”: het herstel van een bosareaal langs natuurlijke of kunstmatige weg, nadat de vorige begroeiing door het omhakken ervan of als gevolg van natuurlijke oorzaken, zoals brand of storm, is verwijderd;

mm) “bosbedrijf”: één of meerdere percelen bosgebied en andere beboste grond die vanuit het oogpunt van beheer of gebruik een eenheid vormen;

nn) “bioafval”: biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, restaurants, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie;

oo) “restenergiemix”: de totale jaarlijkse energiemix voor een lidstaat, met uitzondering van het aandeel dat onder de geschrapte garanties van oorsprong valt;

pp) “biomassabrandstoffen”: gasvormige of vaste brandstoffen die uit biomassa worden geproduceerd;

qq) “biogas”: gasvormige brandstof die uit biomassa is geproduceerd;

rr) “opengestelde aanbesteding”: een door een lidstaat uitgeschreven aanbestedingsprocedure voor de bouw van installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie, waarop projecten in een of meerdere andere lidstaten kunnen inschrijven;

ss) “gezamenlijke aanbesteding”: een aanbestedingsprocedure voor de bouw van installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen, die twee of meer lidstaten gezamenlijk hebben ontworpen en georganiseerd en waarop projecten in alle betrokken lidstaten kunnen inschrijven;

tt) “opengestelde certificeringsregeling”: een door een lidstaat uitgevoerde certificeringsregeling die is opengesteld voor installaties die zich in een of meerdere andere lidstaten bevinden;

44 uu) “financieringsinstrument”: financieringsinstrumenten als gedefinieerd als in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad.

ê 2009/28/EG

Artikel 3

Bindende nationale algemene streefcijfers en maatregelen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

1. Elke lidstaat dient ervoor te zorgen dat zijn aandeel energie uit hernieuwbare bronnen, berekend in overeenstemming met de artikelen 5 tot en met 11, in het bruto-eindverbruik van energie in 2020 minstens gelijk is aan zijn nationaal algemeen streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor dat jaar, zoals uiteengezet in de derde kolom van de tabel in bijlage I, deel A. Zulke bindende nationale algemene streefcijfers stemmen overeen met een streefcijfer van een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen van minstens 20 % in het communautaire bruto-eindverbruik van energie in 2020. Teneinde de in dit artikel vastgelegde streefcijfers gemakkelijker te halen, wordt door iedere lidstaat energie-efficiëntie en energiebesparing bevorderd en aangemoedigd.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 2, onder a)

Met het oog op het behalen van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde streefcijfers bedraagt de gezamenlijke maximumbijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa verkregen uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, niet meer dan de energiehoeveelheid die overeenstemt met de maximumbijdrage als bepaald in lid 4, onder d).

ê 2009/28/EG

2. De lidstaten nemen maatregelen die effectief bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat hun aandeel energie uit hernieuwbare bronnen gelijk is aan of groter is dan het aandeel dat vermeld is in de indicatieve keten die is aangegeven in bijlage I, deel B.

3. Teneinde de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde streefcijfers te halen, kunnen de lidstaten onder meer de volgende maatregelen nemen:

a) steunregelingen;

b) samenwerkingsmaatregelen tussen diverse lidstaten onderling en met derde landen om hun nationale algemene streefcijfers te halen overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 11.

Onverminderd de artikelen 87 en 88 van het Verdrag, hebben de lidstaten het recht overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 11 van deze richtlijn te besluiten in welke mate zij in een andere lidstaat geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen steunen.

4. Elke lidstaat ziet erop toe dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 minstens 10 % bedraagt van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat.

Voor de toepassing van dit lid gelden de volgende bepalingen:

ê 2015/1513 artikel 2, punt 2, onder b)

a) voor het berekenen van de noemer, zijnde het totale energieverbruik voor vervoer voor de toepassing van de eerste alinea, wordt alleen rekening gehouden met benzine, diesel, in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte biobrandstoffen, en elektriciteit, met inbegrip van de elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong;

ê 2009/28/EG

è1 2015/1513 artikel 2, punt 2, onder b)

b) voor het berekenen van de teller, zijnde de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt voor vervoer voor de toepassing van de eerste alinea, wordt rekening gehouden met alle soorten energie uit hernieuwbare bronnen die verbruikt wordt in alle vormen van vervoer. è1 Dit punt laat hetgeen is bepaald in punt d) van dit lid en in artikel 17, lid 1, onder a), onverlet; ç

ê 2015/1513 artikel 2, punt 2, onder b)

c) voor het berekenen van de bijdrage van uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit die wordt gebruikt in alle soorten elektrische voertuigen alsmede voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, voor de toepassing van de punten a) en b), mogen de lidstaten kiezen voor het gemiddelde aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie of het aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in hun eigen land, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie. Voor het berekenen van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die verbruikt wordt door geëlektrificeerd spoorvervoer, wordt dit verbruik geacht 2,5 keer de energie-inhoud te zijn van de input van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Voor het berekenen van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die wordt verbruikt door elektrische wegvoertuigen in punt b), wordt dit verbruik geacht vijf keer de energie-inhoud te zijn van de input van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen;

ê 2015/1513 artikel 2, punt 2, onder b)

d) voor het berekenen van biobrandstoffen in de teller bedraagt het aandeel van energie uit biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, niet meer dan 7 % van het eindverbruik van energie in de vervoersector in de lidstaten in 2020.

Biobrandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX genoemde grondstoffen, worden niet meegerekend met het oog op het in de eerste alinea van dit punt vastgestelde maximum.

De lidstaten kunnen bepalen dat het aandeel van energie uit biobrandstoffen die worden geproduceerd uit andere gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, dan granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen, niet wordt meegerekend met het oog op het in de eerste alinea van dit punt vastgestelde maximum, mits:

i) overeenkomstig artikel 18 is gecontroleerd of aan de in artikel 17, leden 2 tot en met 5, vermelde duurzaamheidscriteria is voldaan, en

ii) die gewassen zijn geteeld op grond die onder bijlage V, deel C, punt 8, valt, en de overeenkomstige bonus „eB”, zoals vermeld in bijlage V, deel C, punt 7, is verwerkt in de berekening van de broeikasgasemissies om aan te tonen dat is voldaan aan artikel 17, lid 2;

e) elke lidstaat heeft als doelstelling een minimumverbruiksniveau te bereiken op zijn grondgebied van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en van andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A. Daartoe moet iedere lidstaat uiterlijk op 6 april 2017 een nationaal streefcijfer bepalen, waaraan deze tracht te voldoen. Een referentiewaarde voor dit streefcijfer is 0,5 procentpunt in energie-inhoud van het in de eerste alinea bedoelde aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020, dat moet worden bereikt met biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en met andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A. Daarnaast kunnen biobrandstoffen die worden geproduceerd uit niet in de lijst van bijlage IX vermelde grondstoffen die door de bevoegde nationale autoriteiten werden beschouwd als afval, residuen, non-food cellulosemateriaal of lignocellulosisch materiaal en die vóór de vaststelling van Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad 45 in bestaande installaties werden gebruikt, worden meegeteld voor het bereiken van het nationale streefcijfer.

De lidstaten kunnen een nationaal streefcijfer bepalen dat lager is dan de referentiewaarde van 0,5 procentpunt en gebaseerd is op één of meer van de volgende gronden:

i) objectieve factoren zoals de beperkte mogelijkheden tot duurzame productie van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en van andere brandstoffen die zijn vermeld in bijlage IX, deel A, of de beperkte beschikbaarheid van dergelijke biobrandstoffen tegen kostenefficiënte prijzen op de markt;

ii) de specifieke technische en klimatologische kenmerken van de nationale markt voor transportbrandstoffen, zoals de samenstelling en de conditie van het wegvoertuigenpark, of

iii) nationale beleidsmaatregelen waarbij financiële middelen naar evenredigheid worden toegewezen voor stimulansen voor energie-efficiëntie en het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het vervoer.

Bij de vaststelling van hun nationale streefcijfers verstrekken de lidstaten de beschikbare informatie over de hoeveelheden biobrandstoffen die worden verbruikt uit grondstoffen en andere brandstoffen die zijn vermeld in bijlage IX, deel A.

Bij de vaststelling van beleidsmaatregelen ter bevordering van de productie van brandstoffen uit de in bijlage IX vermelde grondstoffen besteden de lidstaten passende aandacht aan de afvalhiërarchie, zoals vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG, met inbegrip van het daarin bepaalde over het levenscyclus denken met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van verschillende afvalstromen.

De Commissie publiceert overeenkomstig artikel 24 van deze richtlijn:

de nationale streefcijfers van de lidstaten,

indien beschikbaar, de plannen van de lidstaten met het oog op het halen van de nationale streefcijfers,

indien van toepassing, de redenen waarom de nationale streefcijfers van de lidstaten afwijken van de referentiewaarde die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/1513 is aangemeld, en

een syntheseverslag over de voortgang van de lidstaten bij de verwezenlijking van hun nationale streefcijfers;

f) voor het halen van het in de eerste alinea gestelde streefcijfer wordt de bijdrage van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX genoemde grondstoffen geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 2, onder c)

De Commissie doet, zo nodig, uiterlijk op 31 december 2017 een voorstel op grond waarvan, onder bepaalde voorwaarden, voor alle soorten elektrische voertuigen en voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong het volledige aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in aanmerking mag worden genomen.

ê 2009/28/EG

De Commissie doet tevens, zo nodig, uiterlijk op 31 december 2011 een voorstel voor een methode voor de berekening van de bijdrage van waterstof uit hernieuwbare bronnen in de totale brandstofmix.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 2, onder d)

5. Om het risico dat afzonderlijke leveringen in de Unie meer dan eens worden geclaimd, tot een minimum te beperken, stellen de Commissie en de lidstaten alles in het werk om de samenwerking te versterken tussen de nationale systemen onderling en tussen de nationale systemen en de vrijwillige systemen die zijn ingevoerd overeenkomstig artikel 18, waarbij in voorkomend geval ook gegevens worden uitgewisseld. Om te voorkomen dat materialen opzettelijk worden gewijzigd of verwijderd opdat zij onder bijlage IX komen te vallen, stimuleren de lidstaten de ontwikkeling en het gebruik van systemen aan de hand waarvan grondstoffen en de ermee geproduceerde biobrandstoffen in de gehele waardeketen kunnen worden getraceerd en opgespoord. De lidstaten zorgen ervoor dat er bij de vaststelling van fraude gepaste maatregelen worden getroffen. De lidstaten brengen uiterlijk op 31 december 2017 en vervolgens om de twee jaar verslag uit over de maatregelen die zij hebben genomen indien zij geen gelijkwaardige informatie hebben verstrekt over de betrouwbaarheid en de bescherming tegen fraude in hun overeenkomstig artikel 22, lid 1, onder d), op te stellen verslagen over de voortgang met de bevordering en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 25 bis vast te stellen om de lijst van grondstoffen in bijlage IX, deel A, te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen. De Commissie stelt een afzonderlijke gedelegeerde handeling vast met betrekking tot elke grondstof die aan de lijst in bijlage IX, deel A, moet worden toegevoegd. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, en waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik, geen significant verstorend effect heeft op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties oplevert in vergelijking met fossiele brandstoffen, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigt te veroorzaken.

ò nieuw

Artikel 3
Algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau voor 2030

1. De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 27 % bedraagt.

2. De respectieve bijdragen van de lidstaten aan dit algemeen streefcijfer voor 2030 worden vastgesteld en meegedeeld aan de Commissie als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 5 en de artikelen 9 tot en met 11 van Verordening [governance].

3. Vanaf 1 januari 2021 mag het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in elke lidstaat niet lager zijn dan het percentage in de derde kolom van de tabel in deel A van bijlage I. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat dit basisscenario wordt nageleefd.

4. De Commissie ondersteunt het hoge ambitieniveau van de lidstaten door middel van een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen mogelijk maakt, met name van financieringsinstrumenten, voornamelijk om de kapitaalkosten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te verlagen.

5. Indien de Commissie bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 25 van Verordening [governance] constateert dat het traject op Unieniveau niet collectief wordt gehaald of het in lid 3 bedoelde basisscenario niet wordt behouden, is artikel 27, lid 4, van die verordening van toepassing.

Artikel 4
Financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen

1. In overeenstemming met de staatssteunregels kunnen de lidstaten steunregelingen hanteren om het in artikel 3, lid 1, vastgestelde streefcijfer op Unieniveau te halen. Steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen worden zodanig ontworpen dat onnodige verstoringen van de elektriciteitsmarkten worden vermeden en ervoor wordt gezorgd dat producenten rekening houden met het aanbod van en de vraag naar elektriciteit, alsook mogelijke netbeperkingen.

2. Steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt zodanig ontworpen dat elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt geïntegreerd in de elektriciteitsmarkt en ervoor wordt gezorgd dat producenten van hernieuwbare energie inspelen op marktprijssignalen en hun marktinkomsten maximaliseren.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat steun voor hernieuwbare elektriciteit wordt toegekend op een open, transparante, concurrerende, niet-discriminerende en kosteneffectieve wijze.

4. De lidstaten beoordelen ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid van hun steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Besluiten over de voortzetting of verlenging van de steun en over het ontwerp van nieuwe steun worden gebaseerd op de resultaten van de beoordelingen.

Artikel 5
Openstelling van steunregelingen voor hernieuwbare elektriciteit

1. De lidstaten stellen de steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit open voor producenten die in andere lidstaten gevestigd zijn overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat steun voor ten minste 10 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2021 en 2025 en ten minste 15 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2026 en 2030 wordt opengesteld voor installaties die zich in andere lidstaten bevinden.

3. Steunregelingen kunnen worden opengesteld voor grensoverschrijdende participatie, onder meer door middel van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen, opengestelde certificeringregelingen of gezamenlijke steunregelingen. De toewijzing van hernieuwbare elektriciteit waarvoor steun wordt toegekend in het kader van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen of opengestelde certificeringregelingen aan de respectieve bijdragen van de lidstaten wordt vastgesteld in een samenwerkingsovereenkomst die voorziet in de regels voor grensoverschrijdende uitbetaling van middelen volgens het principe dat energie wordt meegeteld ten bate van de lidstaat die de installatie financiert.

4. De Commissie beoordeelt tegen 2025 de voordelen van de bepalingen van dit artikel ten aanzien van het kosteneffectieve gebruik van hernieuwbare elektriciteit in de Unie. Op basis van deze beoordeling kan de Commissie voorstellen de in lid 2 vastgestelde percentages te verhogen.

Artikel 6
Stabiliteit van de financiële steun

Onverminderd de nodige aanpassingen om te voldoen aan de staatssteunregels zorgen de lidstaten ervoor dat de herziening van het niveau van en de voorwaarden voor de steun die wordt toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie geen negatieve gevolgen heeft voor de in dat kader verleende rechten en de rendabiliteit van de gefinancierde projecten.

ê 2009/28/EG

Artikel 4

Nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen

1. Elke lidstaat stelt een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen vast. In de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen moeten de nationale algemene streefcijfers van de lidstaten voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt in vervoer, elektriciteit en verwarming en koeling in 2020 zijn vermeld, rekening houdend met het effect van andere beleidsmaatregelen inzake energie-efficiëntie bij het eindverbruik van energie, en moeten passende maatregelen zijn opgenomen om deze nationale algemene streefcijfers te halen, inclusief samenwerking tussen lokale, regionale en nationale autoriteiten, beoogde statistische overdrachten of gezamenlijke projecten, nationale beleidsmaatregelen om de bestaande bronnen van biomassa te ontwikkelen en nieuwe bronnen van biomassa gebruiksklaar te maken voor verschillende toepassingen, en moet worden vermeld welke maatregelen moeten worden genomen om aan de eisen van de artikelen 13 tot en met 19 te voldoen.

De Commissie stelt uiterlijk op 30 juni 2009 een model voor de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen vast. Dit model omvat de minimumvereisten bepaald in bijlage VI. De lidstaten nemen dit model in acht bij de presentatie van hun nationale actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen.

2. De lidstaten moeten uiterlijk op 30 juni 2010 hun nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen aanmelden bij de Commissie.

3. Iedere lidstaat maakt zes maanden voordat hij zijn nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen moet indienen, een ramingsdocument bekend en deelt deze mee aan de Commissie, met:

a) zijn geraamde overtollige productie van energie uit hernieuwbare bronnen in vergelijking met de indicatieve keten, die zou kunnen worden overgedragen aan andere lidstaten overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11, alsmede zijn geraamde potentieel voor gezamenlijke projecten, tot 2020; en

b) zijn geraamde vraag naar energie uit hernieuwbare bronnen waaraan tot 2020 moet worden voldaan met andere middelen dan binnenlandse productie.

Deze informatie kan gegevens over kosten en baten en financiering omvatten. Die raming wordt in de in artikel 22, lid 1, letters l) en m), bedoelde verslagen van de lidstaten geactualiseerd.

4. Als het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen van een lidstaat in de onmiddellijk voorafgaande periode van twee jaar zoals vermeld in bijlage I, deel B, lager is dan de indicatieve keten, dient die lidstaat uiterlijk op 30 juni van het jaar daarop een gewijzigd nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen in bij de Commissie, waarin adequate en evenwichtige maatregelen zijn opgenomen om binnen een redelijke termijn aansluiting te vinden bij de indicatieve keten van bijlage I, deel B.

Indien een lidstaat met een kleine marge niet voldoet aan de indicatieve keten, kan de Commissie rekening houdend met bestaande en nieuwe maatregelen van de lidstaat, besluiten de lidstaat te ontheffen van de verplichting een gewijzigd nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen voor te leggen.

5. De Commissie evalueert de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen, en beziet met name of de maatregelen die de lidstaten overeenkomstig artikel 3, lid 2, beogen, toereikend zijn. De Commissie kan naar aanleiding van een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen of een wijziging daarvan aanbevelingen doen.

6. De Commissie doet het Europees Parlement de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen en de ramingsdocumenten toekomen in de vorm die is openbaar gemaakt op het transparantieplatform bedoeld in artikel 24, lid 2, alsook aanbevelingen bedoeld in lid 5 van dit artikel.

ê 2009/28/EG

ð nieuw

Artikel 57

Berekening van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen

1. Het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in elke lidstaat wordt berekend als de som van:

a) het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen;

b) het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling; en

c) het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer.

Gas, elektriciteit en waterstof uit hernieuwbare energiebronnen worden slechts een keer in aanmerking genomen in de punten a), b) of c), van de eerste alinea, voor het berekenen van het aandeel van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

Onverminderd de tweede alinea van artikel 1726, lid 1, worden biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï die niet aan de duurzaamheidscriteria ð en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï van artikel 2617, leden 2 tot en met 6 (7), voldoen, niet in aanmerking genomen.

ò nieuw

Voor het berekenen van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen in een lidstaat bedraagt de bijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, alsook van in het vervoer verbruikte biomassabrandstoffen, indien geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, niet meer dan 7 % van het eindverbruik van energie in het vervoer over de weg of per spoor in die lidstaat. Deze drempel wordt in 2030 verlaagd tot 3,8 % volgens het in deel A van bijlage X vastgestelde traject. De lidstaten kunnen een lagere drempel vaststellen en een onderscheid maken tussen verschillende soorten biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, bijvoorbeeld door een lagere drempel vast te stellen voor de bijdrage van uit oliegewassen geproduceerde vloeibare biomassa op basis van voedsel- of voedergewassen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

2. Als een lidstaat van oordeel is dat hij wegens overmacht onmogelijk in 2020 zijn aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie kan halen, zoals uiteengezet in de derde kolom van de tabel in bijlage I, te halen, stelt hij de Commissie daar zo snel mogelijk van in kennis. De Commissie neemt een besluit waarin wordt vastgesteld of het geval van overmacht is aangetoond. In het geval dat de Commissie beslist dat overmacht is aangetoond, bepaalt zij hoe het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat voor het jaar 2020 moet worden aangepast.

32. Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen berekend als de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, ð met inbegrip van de productie van elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en energiegemeenschappen, en ïmet uitzondering van de elektriciteitsproductie door middel van pompaccumulatie van water dat eerder omhoog is gepompt.

In installaties die zowel hernieuwbare als conventionele bronnen als brandstof gebruiken, wordt alleen rekening gehouden met de hoeveelheid elektriciteit die uit hernieuwbare energiebronnen is geproduceerd. Met het oog op deze berekening wordt de bijdrage van elke energiebron berekend op basis van haar energie-inhoud.

Elektriciteit die is opgewekt met waterkracht en windenergie wordt in aanmerking genomen overeenkomstig de normaliseringsregels bedoeld in bijlage II.

43. Met het oog op de toepassing van lid 1, onder b), wordt het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling berekend als de hoeveelheid stadsverwarming en -koeling die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare bronnen, plus het verbruik van andere energie uit hernieuwbare bronnen in de industrie, de huishoudens, de dienstensector, de land- en bosbouw en de visserij, voor verwarmings-, koelings- en verwerkingsdoeleinden.

In installaties die zowel hernieuwbare als conventionele bronnen als brandstof gebruiken, wordt alleen rekening gehouden met de hoeveelheid verwarming of koeling die uit hernieuwbare energiebronnen is geproduceerd. Met het oog op deze berekening wordt de bijdrage van elke energiebron berekend op basis van haar energie-inhoud.

ð Omgevingswarmte-energie ï Aerothermische, geothermische en hydrothermische warmte-energie die wordt onttrokken door warmtepompen wordt in aanmerking genomen voor de toepassing van lid 1, onder b), mits de output van finale energie de input van primaire energie die nodig is voor het aandrijven van de warmtepompen, aanzienlijk overstijgt. De hoeveelheid warmte die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, wordt berekend volgens de in bijlage VII bepaalde methodiek.

Thermische energie die wordt opgewekt door passieve energiesystemen, waarbij op passieve wijze een lager energieverbruik wordt bereikt via het ontwerp van de gebouwen, of van warmte opgewekt uit energie uit niet-hernieuwbare bronnen, wordt niet meegerekend voor de toepassing van lid 1, onder b).

ò nieuw

4. Voor de toepassing van lid 1, onder c), gelden de volgende bepalingen:

a) het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer wordt berekend als de som van alle biobrandstoffen, biomassabrandstoffen en hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong die worden verbruikt in de vervoersector. Hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong die worden geproduceerd uit hernieuwbare elektriciteit worden echter alleen in aanmerking genomen voor de in lid 1, onder a), bedoelde berekening wanneer de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen wordt berekend.

b) Voor de berekening van het bruto-eindverbruik van energie in het vervoer worden de in bijlage III vastgestelde waarden met betrekking tot de energie-inhoud van transportbrandstoffen gebruikt. Voor de bepaling van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die niet zijn opgenomen in bijlage III gebruiken de lidstaten de respectieve ENO-normen voor de bepaling van de calorische waarden van brandstoffen. Indien er hiertoe geen ENO-norm is vastgesteld, worden de respectieve ISO-normen gebruikt.

5. Om het risico dat afzonderlijke leveringen in de Unie meer dan eens worden geclaimd, tot een minimum te beperken, versterken de Commissie en de lidstaten de samenwerking tussen de nationale systemen onderling en tussen de nationale systemen en de vrijwillige systemen die zijn ingevoerd overeenkomstig artikel 27, waarbij in voorkomend geval ook gegevens worden uitgewisseld.

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 32 vast te stellen om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria van de Unie, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik en waardoor het gebruik van afval- en reststoffen wordt bevorderd, waarbij significant verstorend effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen worden vermeden, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties worden opgeleverd in vergelijking met fossiele brandstoffen, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigen te worden veroorzaakt.

Om de twee jaar evalueert de Commissie de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX met het oog op het toevoegen van grondstoffen in overeenstemming met de in dit lid vastgestelde beginselen. De eerste evaluatie wordt uiterlijk zes maanden na [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] uitgevoerd. In voorkomend geval stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 3 (aangepast)

56. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang van de energie-inhoud van transportbrandstoffen zoals vermeld in bijlage III.

ê 2009/28/EG (aangepast)

67. Het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen wordt berekend als het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen, gedeeld door het bruto-eindverbruik van energie uit alle energiebronnen, uitgedrukt als een percentage.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt de in lid 1 bedoelde som aangepast overeenkomstig de artikelen 6, 8, 10 en 11 8, 10, 12 en 13.

Bij het berekenen van het bruto-eindverbruik van energie van een lidstaat met het oog op het meten van de mate waarin voldaan wordt aan de streefcijfers en de indicatieve keten die is vastgesteld in deze richtlijn, wordt de hoeveelheid in de luchtvaart verbruikte energie beschouwd als niet meer dan 6,18 % van het bruto-eindverbruik van energie van die lidstaat. Voor Cyprus en Malta wordt de hoeveelheid in de luchtvaart verbruikte energie beschouwd als niet meer dan 4,12 % van het bruto-eindverbruik van energie van die lidstaten.

78. De methoden en definities die gebruikt worden voor de berekening van het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake energiestatistieken 46 .

De lidstaten zien toe op de coherentie van de statistische informatie die wordt gebruikt voor de berekening van het aandeel per sector en het totale aandeel en de statistische informatie die aan de Commissie uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1099/2008 verstrekt wordt.

Artikel 68

Statistische overdrachten tussen de lidstaten

ê 2015/1513 artikel 2, punt 4 (aangepast)

ð nieuw

1. De lidstaten kunnen afspraken maken over en regelingen treffen voor de statistische overdracht van een gespecificeerde hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen van de ene naar de andere lidstaat. De overgedragen hoeveelheid:

a) wordt afgetrokken van de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die in aanmerking wordt genomen wanneer ð het aandeel hernieuwbare energie wordt gemeten van ï wordt gemeten of de lidstaat die de overdracht uitvoert ð voor de toepassing van deze richtlijn ï , voldoet aan de eisen van artikel 3, leden 1, 2 en 4, en

b) wordt opgeteld bij de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die in aanmerking wordt genomen wanneer wordt gemeten of ð het aandeel hernieuwbare energie wordt gemeten van ï de lidstaat die de overdracht aanvaardt , voldoet aan de eisen van artikel 3, leden 1, 2 en 4 ð voor de toepassing van deze richtlijn ï.

2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde regelingen met betrekking tot artikel 3, leden 1, 2 en 4, kunnen één of meer jaar duren. Zij worden binnen drie ð twaalf ï maanden na afloop van ieder jaar waarin zij van kracht waren, gemeld aan de Commissie. De aan de Commissie verstrekte informatie omvat de hoeveelheid en de prijs van de energie in kwestie.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

3. Overdrachten worden pas van kracht nadat alle bij de overdracht betrokken lidstaten de overdracht aan de Commissie hebben gemeld.

Artikel 79

Gezamenlijke projecten tussen lidstaten

1. Twee of meer lidstaten kunnen samenwerken in alle soorten gezamenlijke projecten betreffende de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen. Bij deze samenwerking kunnen particuliere exploitanten betrokken zijn.

2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het aandeel of de hoeveelheid elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen dat/die is geproduceerd door een gezamenlijk project op hun grondgebied, dat na 25 juni 2009 operationeel is geworden, of door de capaciteitsverhoging van een installatie die gerenoveerd is na die datum, en dat/die moet worden meegeteld voor het nationaal algemeen streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï van een andere lidstaat teneinde vast te stellen of het streefcijfer in overeenstemming is met de voorschriften ð voor de toepassing ï van deze richtlijn.

3. De in lid 2 bedoelde kennisgeving bevat:

a) een beschrijving van de voorgestelde installatie of de identificatiegegevens van de gerenoveerde installatie;

b) een specificatie van het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit of verwarming of koeling dat/die moet worden meegeteld voor het nationale algemene streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï van een andere lidstaat;

c) de naam van de lidstaat in wiens voordeel de kennisgeving wordt gedaan; en

d) de periode, in gehele kalenderjaren, tijdens welke de door de installatie uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit, koeling of verwarming moet worden meegeteld voor het nationaal algemeen streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï van de andere lidstaat.

4. De in lid 3, onder d), aangegeven periode loopt niet door na 2020. De duur van een gezamenlijk project mag doorlopen tot na 2020ð 2030 ï.

5. Een kennisgeving uit hoofde van dit artikel wordt niet veranderd of ingetrokken zonder de gezamenlijke instemming van de lidstaat die de kennisgeving doet en de lidstaat die overeenkomstig lid 3, onder c), is kenbaar gemaakt.

Artikel 810

Gevolgen van gezamenlijke projecten tussen lidstaten

1. Binnen drie maanden na afloop van ieder jaar dat valt binnen de periode van artikel 7 9, lid 3, onder d), doet de lidstaat die de kennisgeving uit hoofde van artikel 79heeft gedaan, een kennisgevingsbrief uitgaan met vermelding van:

a) de totale hoeveelheid elektriciteit of verwarming of koeling die tijdens dat jaar uit hernieuwbare energiebronnen werd geproduceerd door de installatie die genoemd werd in de kennisgeving uit hoofde van artikel 7 9; en

b) de hoeveelheid elektriciteit of verwarming of koeling die tijdens dat jaar uit hernieuwbare energiebronnen werd geproduceerd door die installatie en die moet worden meegeteld voor het nationaal algemeen streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï van een andere lidstaat overeenkomstig de kennisgeving.

2. De lidstaat die de kennisgeving doet, stuurt de kennisgevingsbrief aan de lidstaat in wiens voordeel de kennisgeving is gedaan, en aan de Commissie.

3. Wanneer wordt gemeten of het streefcijfer voldoet aan de voorschriften ð Voor de toepassing ï van deze richtlijn met betrekking tot de nationale algemene streefcijfers, wordt de hoeveelheid elektriciteit of verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, waarvan overeenkomstig lid 1, onder b), kennis is gegeven:

a) afgetrokken van de hoeveelheid energie of verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen die in aanmerking wordt genomen wanneer wordt gemeten of ð het aandeel hernieuwbare energie wordt gemeten van ï de lidstaat die de in lid 1 bedoelde kennisgevingsbrief doet uitgaan, aan de voorschriften voldoet; en

b) opgeteld bij de hoeveelheid energie of verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen die in aanmerking wordt genomen, wanneer wordt gemeten of ð het aandeel hernieuwbare energie wordt gemeten van ï de lidstaat die overeenkomstig lid 2 de kennisgevingsbrief ontvangt, aan de voorschriften voldoet.

Artikel 9 11

Gezamenlijke projecten tussen lidstaten en derde landen

1. Een of meerdere lidstaten kunnen met een of meer derde landen samenwerken in alle soorten gezamenlijke projecten betreffende productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Bij deze samenwerking kunnen particuliere exploitanten betrokken zijn.

2. Met elektriciteit die in derde landen uit hernieuwbare energiebronnen is opgewekt, wordt voor het meten van de mate waarin de in deze richtlijn voorgeschreven nationale algemene streefcijfers worden nageleefd ð aandelen van hernieuwbare energie van de lidstaten ï alleen rekening gehouden als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de elektriciteit wordt verbruikt in de Gemeenschap Ö Unie. Aan deze Õ , een voorwaarde waaraan wordt geacht te zijn voldaan indien:

i) alle verantwoordelijke transmissiesysteembeheerders in het land van oorsprong, het land van bestemming en in voorkomend geval, elk derde land van doorvoer, aan de toegewezen interconnectiecapaciteit definitief een hoeveelheid elektriciteit hebben genomineerd die gelijkwaardig is aan de in rekening gebrachte hoeveelheid elektriciteit;

ii) de verantwoordelijke transmissiesysteembeheerder aan de communautaire zijde Ö van de Unie Õ van een interconnector definitief een hoeveelheid elektriciteit heeft geregistreerd in het balansschema die gelijkwaardig is aan de in rekening gebrachte hoeveelheid elektriciteit; en

iii) de genomineerde capaciteit en de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen door de in lid 2, onder b), genoemde installatie, betrekking hebben op dezelfde periode;

b) de elektriciteit is geproduceerd door een nieuwe installatie die operationeel is geworden na 25 juni 2009 of door de capaciteitsverhoging van een installatie die gerenoveerd is na die datum, in het kader van een gezamenlijk project als bedoeld in lid 1; en

c) de hoeveelheid geproduceerde en uitgevoerde elektriciteit heeft geen steun gekregen uit een steunregeling van een derde land, met uitzondering van investeringsteun voor de installatie.

3. Onder de hierna vermelde voorwaarden mogen de lidstaten de Commissie in het kader van de aanleg van een interconnector met een zeer lange opleveringstermijn tussen een lidstaat en een derde land indien er is voldaan aan de hierna volgende voorwaarden, verzoeken, met het oog op de toepassing van artikel 57, rekening te houden met in een derde land geproduceerde en verbruikte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen:

a) de aanleg van de interconnector is van start gegaan uiterlijk 31 december ð 2026 ï 2016;

b) het is onmogelijk dat de interconnector operationeel wordt uiterlijk 31 december ð 2030 ï 2020;

c) het is mogelijk dat de interconnector operationeel wordt uiterlijk 31 december ð 2032 ï 2022;

d) nadat de interconnector operationeel is geworden, wordt deze gebruikt voor de uitvoer naar de Gemeenschap Ö Unie Õ , overeenkomstig lid 2, van elektriciteit geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen;

e) de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b) en c), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Gemeenschap Ö Unie Õ zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.

4. De Commissie wordt in kennis gesteld van het aandeel of de hoeveelheid door een installatie op het grondgebied van een derde land geproduceerde elektriciteit dat/die moet worden meegeteld voor het nationaal algemeen streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï van een lidstaat of van verscheidene lidstaten ð voor de toepassing van deze richtlijn ï teneinde vast te stellen of aan artikel 3 is voldaan. Indien het om verscheidene lidstaten gaat, wordt de verdeling van dit aandeel of deze hoeveelheid over de lidstaten aan de Commissie meegedeeld. Het aandeel of de hoeveelheid mag niet groter zijn dan dat welk/die welke momenteel naar de Gemeenschap Ö Unie Õ wordt uitgevoerd en in de Gemeenschap Ö Unie Õ wordt verbruikt, moet overeenkomen met de in lid 2, onder a), i) en ii), van dit artikel, vermelde hoeveelheid en moet voldoen aan de voorwaarden van lid 2, onder a), van dit artikel. De kennisgeving gebeurt door iedere lidstaat waarvoor het aandeel of de hoeveelheid elektriciteit zal meetellen voor het nationaal algemeen streefcijfer.

5. De in lid 4 bedoelde kennisgeving bevat:

a) een beschrijving van de voorgestelde installatie of de identificatiegegevens van de gerenoveerde installatie;

b) een specificatie van het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit dat/die moet worden meegeteld voor het nationaal streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï van een lidstaat, alsmede, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvereisten, de desbetreffende financiële regelingen;

c) de periode, in gehele kalenderjaren, tijdens welke de elektriciteit moet worden meegeteld voor het algemeen nationaal streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï van de lidstaat; en

d) een schriftelijke bevestiging van de punten onder b) en c) door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.

6. De in lid 5, onder c), aangegeven periode loopt niet door na 2020. De duur van een gezamenlijk project mag doorlopen tot na 2020 ð 2030 ï.

7. Een kennisgeving uit hoofde van dit artikel kan niet worden veranderd of ingetrokken zonder de gezamenlijke instemming van de lidstaat die de kennisgeving doet en van het derde land dat overeenkomstig lid 5, onder d), het gezamenlijk project heeft bevestigd.

8. De lidstaten en de Gemeenschap Ö Unie Õ moedigen de desbetreffende organen van het Energiegemeenschapsverdrag aan om overeenkomstig dit verdrag de nodige maatregelen te nemen opdat de verdragspartijen de bepalingen inzake samenwerking tussen de lidstaten bepaald in deze richtlijn, kunnen toepassen.

Artikel 1012

Gevolgen van gezamenlijke projecten tussen lidstaten en derde landen

1. Binnen ð twaalf ï drie maanden na afloop van ieder jaar dat valt binnen de periode van artikel 9 11, lid 5, onder c), doet de lidstaat die de kennisgeving uit hoofde van artikel 9 11 heeft gedaan, een kennisgevingsbrief uitgaan met vermelding van:

a) de totale hoeveelheid elektriciteit die tijdens dat jaar uit hernieuwbare energiebronnen werd geproduceerd door de installatie die genoemd werd in de kennisgeving uit hoofde van artikel 9 11;

b) de hoeveelheid elektriciteit die tijdens dat jaar uit hernieuwbare energiebronnen werd geproduceerd door die installatie en die moet worden meegeteld voor zijn nationaal algemeen streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï overeenkomstig de kennisgeving uit hoofde van artikel 9 11; en

c) het bewijs dat aan de voorwaarden van artikel 9 11, lid 2, is voldaan.

2. De lidstaat stuurt de kennisgevingsbrief aan het derde land dat het project uit hoofde van artikel 9 11, lid 5, onder d), heeft bevestigd, en aan de Commissie.

3. Wanneer wordt gemeten of het streefcijfer voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn met betrekking tot de nationale algemene streefcijfers ð aandelen van hernieuwbare energie uit hoofde van deze richtlijn worden berekend ï, wordt de hoeveelheid elektriciteit die is geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, waarvan overeenkomstig lid 1, onder b), kennis is gegeven, opgeteld bij de hoeveelheid energie uit hernieuwbare energiebronnen die in aanmerking wordt genomen wanneer ð het aandeel hernieuwbare energie wordt gemeten van ï wordt gemeten of de lidstaat die de kennisgevingsbrief doet uitgaan , aan de voorschriften voldoet.

Artikel 1113

Gezamenlijke steunregelingen

1. Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van artikel 3 5 kunnen twee of meerdere lidstaten vrijwillig besluiten hun nationale steunregelingen samen te voegen of deels te coördineren. In dat geval kan een bepaalde hoeveelheid energie die op het grondgebied van een deelnemende lidstaat uit hernieuwbare energiebronnen is geproduceerd, worden meegeteld voor het nationaal algemeen streefcijfer ð aandeel hernieuwbare energie ï van een andere deelnemende lidstaat, indien de betrokken lidstaten:

a) gespecificeerde hoeveelheden energie uit hernieuwbare energiebronnen statistisch overdragen van de ene naar de andere lidstaat overeenkomstig artikel 6 8; of

b) een door de deelnemende lidstaten overeengekomen verdeelsleutel vaststellen op grond waarvan de hoeveelheden energie uit hernieuwbare energiebronnen tussen de deelnemende lidstaten worden verdeeld. Deze sleutel wordt binnen drie maanden na afloop van het eerste jaar waarin hij van kracht wordt, meegedeeld aan de Commissie.

2. Binnen drie maanden na afloop van ieder jaar stuurt elke lidstaat die een kennisgeving uit hoofde van lid 1, onder b), heeft gedaan, een kennisgevingsbrief met vermelding van de totale hoeveelheid elektriciteit of verwarming of koeling die tijdens dat jaar uit hernieuwbare energiebronnen is geproduceerd en waarop de verdeelsleutel moet worden toegepast.

3. Wanneer wordt gemeten of de nationale algemene streefcijfers in overeenstemming zijn met de voorschriften van deze richtlijn ð aandelen van hernieuwbare energie uit hoofde van deze richtlijn worden berekend ï, wordt de hoeveelheid elektriciteit of verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, waarvan overeenkomstig lid 2 kennis is gegeven, opnieuw tussen de betrokken lidstaten verdeeld volgens de meegedeelde verdeelsleutel.

Artikel 1214

Capaciteitsverhogingen

Met het oog op de toepassing van artikel 7 9, lid 2, en artikel 9 11, lid 2, onder b), worden eenheden energie uit hernieuwbare energiebronnen die zijn toe te schrijven aan de capaciteitsverhoging van een installatie behandeld alsof ze geproduceerd zijn door een afzonderlijke installatie die operationeel is geworden op het ogenblik waarop de capaciteitsverhoging heeft plaatsgevonden.

ê 2009/28/EG (aangepast)

Artikel 1315

Administratieve procedures, voorschriften en regels

1. De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie- en distributienetinfrastructuur voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, en op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen of andere energieproducten, evenredig en noodzakelijk zijn.

De lidstaten nemen met name passende maatregelen om ervoor te zorgen dat:

a) onder voorbehoud van verschillen in de administratieve structuur en organisatie van de lidstaten, de respectieve verantwoordelijkheden van nationale, regionale en lokale administratieve organen met betrekking tot de toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures duidelijk zijn gecoördineerd en gedefinieerd, ook op het gebied van ruimtelijke ordening, met transparante termijnen voor de opstelling van stedebouwkundige en bouwaanvragen;

b) uitgebreide informatie over de verwerking van aanvragen voor toestemmingen, certificering en vergunningen voor installaties die gebruikmaken van hernieuwbare energie en over het verlenen van bijstand aan de indieners van aanvragen op passend niveau beschikbaar wordt gesteld;

(a) (c) de administratieve procedures worden gestroomlijnd en worden afgehandeld op het juiste administratieve niveau;

(b) (d) de toestemmings-, certificerings- en vergunningsregels objectief, transparant en evenredig zijn, geen onderscheid maken tussen aanvragers en ten volle rekening houden met de bijzondere kenmerken van individuele technologieën op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen;

(c) (e) de door de consumenten, planologen, architecten, aannemers en installateurs en leveranciers van apparatuur en systemen te betalen administratieve heffingen transparant en kostengerelateerd zijn; en

(d) (f) vereenvoudigde en minder omslachtige toestemmingsprocedures, onder meer door een eenvoudige kennisgeving indien dit op grond van het toepasselijk regelgevend kader is toegestaan, worden opgesteld voor kleinere projecten en, in voorkomend geval, voor gedecentraliseerde apparaten voor het produceren van energie uit hernieuwbare bronnen.

2. De lidstaten moeten duidelijk definiëren aan welke technische specificaties apparatuur en systemen op duurzame energie moeten voldoen om in aanmerking te komen voor steunregelingen. Wanneer er Europese normen bestaan, zoals milieukeuren, energielabels en andere door Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, worden die technische specificaties in termen van die normen opgesteld. Dergelijke technische specificaties schrijven niet voor waar de apparatuur en de systemen moeten worden gecertificeerd en zouden de werking van de interne markt niet mogen belemmeren.

ò nieuw

3. De lidstaten zorgen voor voldoende voorspelbaarheid voor investeerders met betrekking tot het geplande gebruik van steunmaatregelen voor energie uit hernieuwbare bronnen. Hiertoe wordt door de lidstaten een langetermijnplanning van de verwachte steuntoewijzing vastgesteld en bekendgemaakt, die betrekking heeft op ten minste de drie daaropvolgende jaren en waarin voor elke regeling het indicatieve tijdschema, de capaciteit, het budget dat naar verwachting zal worden toegekend en een raadpleging van belanghebbenden over het ontwerp van de steun is opgenomen.

ê 2009/28/EG artikel 13 (aangepast)

ð nieuw

43. De lidstaten bevelen alle actoren, met name lokale en regionale administratieve organen, aan ervoor te zorgen dat ð zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau voorzien in bepalingen over de integratie en inzet van hernieuwbare energie en het gebruik van onvermijdelijke afvalwarmte of -koude ï bij de planning, het ontwerp, de bouw, en de renovatie van ð stedelijke infrastructuur, ï industriële of residentiële zones ð en energie-infrastructuur, met inbegrip van elektriciteit, stadsverwarming en -koeling, en netwerken voor aardgas en alternatieve brandstoffen ï apparatuur en systemen worden geïnstalleerd voor het gebruik vanen elektriciteit, verwarming en koeling uit hernieuwbare energiebronnen en voor stadsverwarming en -koeling. De lidstaten moedigen lokale en regionale administratieve organen er in het bijzonder toe aan verwarming en koeling uit hernieuwbare energiebronnen op te nemen in de planning van de stedelijke infrastructuur, indien van toepassing.

54. In het kader van hun bouwvoorschriften en -regels voeren de lidstaten passende maatregelen in om het aandeel van alle soorten energie uit hernieuwbare energiebronnen in de bouwsector te vergroten.

Bij de vaststelling van zulke maatregelen of in hun regionale steunregelingen kunnen de lidstaten rekening houden met nationale maatregelen die verband houden met aanzienlijke verbeteringen van de energie-efficiëntie en met warmtekrachtkoppeling en passieve, lage- of nulenergiegebouwen.

In hun bouwvoorschriften en -regels of op andere wijze met gelijkwaardig effect eisen de lidstaten in voorkomend geval uiterlijk 31 december 2014 dat in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd minimumniveaus van energie uit hernieuwbare bronnen worden gebruiktð , rekening houdend met de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU wordt uitgevoerd ï. De lidstaten staan toe dat deze minimumniveaus onder meer worden verwezenlijkt middels stadsverwarming of -koeling die voor een aanzienlijk aandeel uit van hernieuwbare energiebronnen wordt geproduceerd.

De in de eerste alinea bedoelde voorschriften gelden voor de strijdkrachten, alleen voor zover de toepassing ervan niet in strijd is met de aard en het voornaamste doel van hun activiteiten, en met uitzondering van materieel dat uitsluitend voor militaire doeleinden wordt gebruikt.

65. De lidstaten dragen er zorg voor dat nieuwe gebouwen, en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, van nationale, regionale en lokale overheden in het kader van deze richtlijn vanaf 1 januari 2012 een voorbeeldfunctie vervullen. De lidstaten kunnen onder meer toestaan dat aan die verplichting moet worden voldaan door naleving van de normen voor nul-energiehuisvesting of door ervoor te zorgen dat de daken van openbare of gemengde private-openbare gebouwen door derde partijen worden gebruikt voor installaties die energie uit hernieuwbare bronnen produceren.

76. Met betrekking tot hun bouwvoorschriften en -regels bevorderen de lidstaten het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarmings- en koelingssystemen en apparatuur die een aanzienlijk lager energieverbruik mogelijk maakt. De lidstaten maken gebruik van energie- of milieukeuren of van andere op nationaal of communautair niveau Ö Unieniveau Õ opgestelde geschikte certificaten of normen, voor zover deze bestaan, om dergelijke systemen en apparatuur aan te moedigen.

In het geval van biomassa bevorderen de lidstaten omzettingstechnologieën met een omzettingsefficiëntie van minstens 85 % voor residentiële en commerciële toepassingen en minstens 70 % voor industriële toepassingen.

In het geval van warmtepompen bevorderen de lidstaten pompen die voldoen aan de minimumeisen inzake de milieukeur, zoals vastgesteld in Beschikking 2007/742/EG van de Commissie van 9 november 2007 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de Europese milieukeur aan elektrische, gas- of gasabsorptiewarmtepompen 47 .

In het geval van thermische zonne-energie bevorderen de lidstaten gecertificeerde apparatuur en systemen op basis van Europese normen wanneer deze bestaan, zoals milieukeuren, energielabels en andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen.

Bij het beoordelen voor de toepassing van dit lid van de omzettingsefficiëntie en verhouding tussen input en output van systemen en apparatuur maken de lidstaten gebruik van communautaire procedures of, bij gebrek daaraan, van internationale procedures, voor zover die bestaan.

ò nieuw

8. De lidstaten beoordelen hun potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling. Deze beoordeling wordt opgenomen in de tweede uitgebreide beoordeling die is vereist overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, voor het eerst uiterlijk op 31 december 2020 en in de daaropvolgende actualiseringen van de uitgebreide beoordelingen.

9. De lidstaten nemen de administratieve belemmeringen weg voor langlopende stroomafnameovereenkomsten op bedrijfsniveau om hernieuwbare energie te financieren en het gebruik ervan te bevorderen.

Artikel 16
Organisatie en duurtijd van de vergunningsprocedure

1. Uiterlijk op 1 januari 2021 richten de lidstaten een of meerdere enkele administratieve contactpunten op, waarin de volledige vergunningsprocedure wordt gecoördineerd voor aanvragers van bouw- en exploitatievergunningen voor installaties en bijbehorende transmissie- en distributienetinfrastructuren voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

2. Het enkele administratieve contactpunt biedt op transparante wijze bijstand aan de aanvrager doorheen de aanvraagprocedure, verstrekt de aanvrager alle nodige informatie, coördineert en betrekt in voorkomend geval andere autoriteiten, en stelt een juridisch bindend besluit vast aan het einde van de procedure.

3. In samenwerking met de transmissie- en distributiesysteembeheerders publiceert het enkele administratieve contactpunt een procedurehandleiding voor ontwikkelaars van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van kleinschalige projecten en projecten voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.

4. De in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure duurt niet langer dan drie jaar, met uitzondering van de in artikel 16, lid 5, en artikel 17 omschreven gevallen.

5. De lidstaten bevorderen de repowering van bestaande installaties voor hernieuwbare energie door onder meer te voorzien in een vereenvoudigde en snelle vergunningsprocedure, die niet langer duurt dan één jaar vanaf de datum waarop het verzoek om repowering is ingediend bij het enkele administratieve contactpunt.

Artikel 17
Procedures voor eenvoudige kennisgeving

1. Demonstratieprojecten en -installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 50 kW mogen worden aangesloten op het net na een kennisgeving aan de distributiesysteembeheerder.

2. Repowering wordt toegestaan na een kennisgeving aan het overeenkomstig artikel 16 opgerichte enkele administratieve contactpunt en indien geen significante negatieve ecologische of sociale gevolgen worden verwacht. Het enkele administratieve contactpunt besluit binnen zes maanden na ontvangst van de kennisgeving of deze toereikend is.

Indien het enkele administratieve contactpunt besluit dat de kennisgeving toereikend is, wordt de vergunning automatisch verleend.

Indien het enkele administratieve contactpunt besluit dat de kennisgeving ontoereikend is, moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd. In dat geval gelden de in artikel 16, lid 5, vastgestelde termijnen.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 1418Informatie en opleiding

1. De lidstaten zien erop toe dat informatie over steunmaatregelen ter beschikking wordt gesteld van alle belanghebbende actoren, zoals consumenten, fabrikanten, installateurs, architecten, en leveranciers van apparatuur en systemen voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking en van voertuigen die gebruik kunnen maken van energie uit hernieuwbare bronnen.

2. De lidstaten zien erop toe dat informatie over de netto baten en kosten en de energie-efficiëntie van apparatuur en systemen voor gebruik van verwarming, koeling en elektriciteit op basis van hernieuwbare energiebronnen ter beschikking wordt gesteld door de leverancier van de apparatuur of het systeem of door de nationale bevoegde autoriteiten.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat er uiterlijk 31 december 2012 certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen beschikbaar komen of zijn voor installateurs van kleinschalige warmwaterketels en verwarmingsketels op biomassa, fotovoltaïsche en thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen en warmtepompen. Dergelijke regelingen kunnen in voorkomend geval rekening houden met bestaande regelingen en structuren en worden gebaseerd op de in bijlage IV vastgelegde criteria. Elke lidstaat erkent de certificaten die door andere lidstaten overeenkomstig die criteria zijn afgegeven.

4. De lidstaten stellen het publiek informatie beschikbaar over de in lid 3 bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen. De lidstaten kunnen ook de lijst van de overeenkomstig lid 3 gekwalificeerde of erkende installateurs aan het publiek beschikbaar stellen.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat alle belanghebbende actoren, met name planologen en architecten, kunnen beschikken over begeleiding, zodat zij bij het plannen, ontwerpen, bouwen en renoveren van industriële ð , commerciële ï of residentiële zones terdege de optimale combinatie van hernieuwbare energiebronnen, hoogrendementstechnologie en stadsverwarming en -koeling kunnen overwegen.

6. De lidstaten ontwikkelen met deelneming van lokale en regionale autoriteiten passende informatie-, voorlichtings-, begeleidings- en/of opleidingsprogramma’s om hun burgers in te lichten over de voordelen en praktische aspecten van de ontwikkeling en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 1519

Garanties van oorsprong voor elektriciteit, verwarming en koeling geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen

1. Teneinde overeenkomstig artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG aan de eindafnemer het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen aan te tonen in de energiemix van een energieleverancier ð en in energie die aan consumenten wordt geleverd in het kader van contracten die op de markt zijn gebracht met verwijzing naar de consumptie van energie uit hernieuwbare bronnen ï, zien de lidstaten erop toe dat de oorsprong van de elektriciteit die uit hernieuwbare energiebronnen is geproduceerd als zodanig kan worden gegarandeerd in de zin van deze richtlijn, overeenkomstig objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

2. Daartoe zien de lidstaten erop toe dat een garantie van oorsprong wordt afgegeven op verzoek van een producent van Ö energie Õ uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit. De lidstaten kunnen maatregelen nemen opdat garanties van oorsprong worden afgegeven ð voor niet-hernieuwbare energiebronnen. ï op verzoek van producenten van uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming of koeling. Deze maatregelen kunnen ð De afgifte van garanties van oorsprong kan ï worden onderworpen aan een minimumcapaciteitslimiet. Een garantie van oorsprong wordt afgegeven voor de standaardhoeveelheid van 1 MWh. Voor elke geproduceerde eenheid energie mag niet meer dan één garantie van oorsprong worden afgegeven.

De lidstaten zien erop toe dat er geen dubbeltellingen zijn voor dezelfde eenheid energie uit hernieuwbare bronnen.

De lidstaten kunnen bepalen ð zorgen ervoor ï dat ð geen garanties van oorsprong worden afgegeven aan ï een producent geen steun ontvangt indien hij die voor dezelfde uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie een garantie van oorsprong ð financiële steun van een steunregeling ï ontvangt. ð De lidstaten geven dergelijke garanties van oorsprong af en dragen deze over aan de markt door ze te veilen. De opbrengst van deze veiling wordt gebruikt om de kosten van de ondersteuning van hernieuwbare energie te compenseren. ï

De garantie van oorsprong heeft geen functie bij het bepalen of een lidstaat aan artikel 3 voldoet. De overdracht van garanties van oorsprong, afzonderlijk of samen met de fysieke overdracht van energie, heeft geen gevolgen voor het besluit van de lidstaten om voor het halen van de streefcijfers gebruik te maken van statistische overdrachten, gezamenlijke projecten of gezamenlijke steunregelingen, of voor de berekening van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen overeenkomstig artikel 57.

3. Een garantie van oorsprong wordt gebruikt binnen twaalf maanden na de productie van de desbetreffende energie-eenheid. Na gebruik vervalt de garantie van oorsprong.

ò nieuw

3. Voor de toepassing van lid 1 zijn garanties van oorsprong geldig voor het kaldenderjaar waarin de energie-eenheid is geproduceerd. De lidstaten zorgen ervoor dat alle niet geschrapte garanties van oorsprong van het voorafgaande kalenderjaar zes maanden na afloop van elk kalenderjaar vervallen. Vervallen garanties van oorsprong worden door de lidstaten opgenomen in de berekening van de restenergiemix.

4. Voor de toepassing van in de leden 8 en 13 bedoelde verstrekking van informatie zorgen de lidstaten ervoor dat de garanties van oorsprong uiterlijk op 30 juni van het jaar na het kalenderjaar waarop de afgegeven garanties van oorsprong betrekking hebben, door de energiebedrijven worden geschrapt.

ê 2009/28/EG

ð nieuw

45. De lidstaten of de aangewezen bevoegde organen zien toe op de afgifte, overdracht en verval van garanties van oorsprong. De aangewezen bevoegde organen hebben geografische verantwoordelijkheden die elkaar niet overlappen en zijn onafhankelijk van productie-, handels- en leveringsactiviteiten.

56. De lidstaten of de aangewezen bevoegde organen stellen passende mechanismen in die ervoor moeten zorgen dat garanties van oorsprong elektronisch worden afgegeven, overgedragen en geschrapt en nauwkeurig, betrouwbaar en fraudebestendig zijn. ð De lidstaten en aangewezen bevoegde organen zorgen ervoor dat de vereisten die zij opleggen in overeenstemming zijn met norm CEN - EN 16325. ï

67. Op een garantie van oorsprong wordt minstens het volgende vermeld:

a) de energiebron waarmee de energie is geproduceerd en de begin- en einddatum van de productie;

b) of de garantie van oorsprong betrekking heeft op:

i) elektriciteit; of

ò nieuw

ii) gas; of

ê 2009/28/EG (aangepast)

iiiii) verwarming of koeling;

c) de identiteit, de locatie, het type en de capaciteit van de installatie waar de energie is geproduceerd;

d) of en in welke mate de installatie investeringssteun heeft gekregen, Ö alsmede Õ of en in welke mate de energie-eenheid op enige andere manier steun heeft gekregen uit een nationale steunregeling, en het type steunregeling;

e) de datum waarop de installatie operationeel is geworden; en

f) de datum en het land van afgifte en een uniek identificatienummer.

ò nieuw

Vereenvoudigde informatie kan worden gespecificeerd betreffende garanties van oorsprong uit kleinschalige installaties.

ê 2009/28/EG

ð nieuw

87. Een elektriciteitsleverancier die voor de toepassing van artikel 3, lid 69, van Richtlijn 2003/54/EG2009/72/EG het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix moet aantonen, kan ð doet ï dat doen door middel van zijn garanties van oorsprong. ð Overeenkomstig artikel 14, lid 10, van Richtlijn 2012/27/EG gecreëerde garanties van oorsprong worden gebruikt om te voldoen aan alle vereisten om de hoeveelheid uit warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit te staven. De lidstaten zorgen ervoor dat ten volle rekening wordt gehouden met transmissieverliezen wanneer garanties van oorsprong worden gebruikt om de consumptie van hernieuwbare energie of elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te tonen. ï

8. De hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die overeenstemt met door een leverancier van elektriciteit aan een derde partij overgedragen garanties van oorsprong, wordt voor de toepassing van artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG afgetrokken van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix.

9. De lidstaten erkennen de door andere lidstaten afgegeven garanties van oorsprong overeenkomstig deze richtlijn uitsluitend als bewijs van de in lid 1 en lid 67, onder a) tot en met f), bedoelde elementen. Een lidstaat mag een garantie van oorsprong alleen weigeren te erkennen, als hij gegronde twijfels heeft omtrent de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid of waarachtigheid daarvan. De lidstaten stellen de Commissie van deze weigering en de motivering ervan in kennis.

10. Indien de Commissie vaststelt dat een weigering van de erkenning van een garantie van oorsprong ongegrond is, kan zij een besluit vaststellen waarbij de lidstaat in kwestie verplicht wordt de garantie te erkennen.

ò nieuw

11. De lidstaten erkennen door derde landen afgegeven garanties van oorsprong niet, behalve wanneer de Commissie met dat derde land een overeenkomst heeft gesloten over de wederzijdse erkenning van in de Unie afgegeven garanties van oorsprong en verenigbare systemen voor garanties van oorsprong die zijn vastgesteld in dat land, indien energie rechtstreeks wordt ingevoerd of uitgevoerd. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de naleving van deze overeenkomsten af te dwingen.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

1112. Een lidstaat kan conform de Gemeenschapswetgeving Ö het recht van de Unie Õ objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria voor het gebruik van garanties van oorsprong vaststellen bij de naleving van de voorschriften van artikel 3, lid 69, van Richtlijn 2003/54/EG2009/72/EG.

1213. Indien energieleveranciers energie uit hernieuwbare bronnen ð of uit hoogrenderende wartmekrachtkoppeling ï aan de consument afnemer verhandelen met een verwijzing naar ecologische of andere voordelen van energie uit hernieuwbare bronnen ð of uit hoogrenderende wartmekrachtkoppeling ï, kunnen ð eisen ï de lidstaten van die energieleveranciers verlangen dat zij, in beknopte vorm, informatie beschikbaar stellen over ð garanties van oorsprong gebruiken om ï de hoeveelheid of het aandeel van hun energie uit hernieuwbare bronnen ð of uit hoogrenderende wartmekrachtkoppeling openbaar te maken ï afkomstig van na 25 juni 2009 operationeel geworden installaties of capaciteitsverhogingen.

ò nieuw

14. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van de regels voor het monitoren van de werking van het in dit artikel bedoelde systeem.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 1620
Toegang tot en beheer van de netwerken

1. De lidstaten nemen passende maatregelen om de transmissie- en distributienetwerkinfrastructuur, intelligente netwerken, opslaginstallaties en het elektriciteitssysteem te ontwikkelen teneinde het elektriciteitsnet veilig te laten functioneren en daardoor de verdere ontwikkeling van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, inclusief interconnectie tussen lidstaten en tussen lidstaten en derde landen te vergemakkelijken. De lidstaten nemen tevens passende maatregelen om de vergunningsprocedures voor de netwerkinfrastructuur te versnellen en de goedkeuring van de netwerkinfrastructuur te coördineren met administratieve en planningsprocedures.

2. Met inachtneming van de voorschriften inzake de instandhouding van de betrouwbaarheid en veiligheid van het net, die gebaseerd zijn op transparante, niet-discriminerende door de bevoegde nationale autoriteiten vastgestelde criteria:

a) zien de lidstaten erop toe dat beheerders van transmissie- en distributiesystemen op hun grondgebied de transmissie en distributie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen garanderen;

b) zorgen de lidstaten er tevens voor dat elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen voorrang heeft op dan wel gewaarborgde toegang krijgt tot het net;

c) zorgen de lidstaten ervoor dat transmissiesysteembeheerders bij de dispatching van elektriciteitsopwekkingsinstallaties voorrang geven aan opwekkingsinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, voor zover het veilige beheer van het nationale elektriciteitssysteem dit toelaat en dit gebeurt op basis van transparante en niet-discriminerende criteria. De lidstaten zorgen ervoor dat passende netwerk- en marktgerelateerde beheersmaatregelen worden getroffen om de belemmeringen voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit tot een minimum te beperken. Indien er ten aanzien van hernieuwbare energiebronnen substantiële beperkende maatregelen worden genomen om de veiligheid van het nationale elektriciteitssysteem en de energievoorzieningszekerheid te garanderen, zorgen de lidstaten ervoor dat de verantwoordelijke systeembeheerders deze maatregelen rapporteren aan de bevoegde regelgevende autoriteit en dat zij aangeven welke corrigerende voorzieningen zij denken te treffen om ongewenste beperkingen te voorkomen.

3. De lidstaten verplichten de beheerders van transmissie- en distributiesystemen om standaardregels op te stellen en bekend te maken voor het dragen en verdelen van de kosten van de technische aanpassingen, zoals netaansluitingen en -verzwaringen, beter netbeheer en regels voor de niet-discriminerende toepassing van de netwerkcodes, die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen aan het net leveren, op het koppelnet aan te sluiten.

Deze regels zijn gebaseerd op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, waarbij met name rekening wordt gehouden met alle kosten en baten van de aansluiting van deze producenten op het net en met de bijzondere omstandigheden van producenten in perifere gebieden en gebieden met een lage bevolkingsdichtheid. Die regels mogen voorzien in verschillende aansluitingstypen.

4. Indien nodig mogen lidstaten beheerders van transmissie- en distributiesystemen verplichten om de in lid 3 vermelde kosten volledig of gedeeltelijk te dragen. Uiterlijk op 30 juni 2011 en daarna om de twee jaar herzien de lidstaten het kader en de regels voor het delen van de in lid 3 vermelde kosten en nemen zij passende maatregelen om dit kader en deze regels te verbeteren, teneinde de integratie van nieuwe producenten, zoals vermeld in dat lid, te garanderen.

5. De lidstaten verplichten de beheerders van transmissie- en distributiesystemen om elke nieuwe producent van energie uit hernieuwbare bronnen die op het net wenst te worden aangesloten de daartoe vereiste uitvoerige en noodzakelijke gegevens te verschaffen, met inbegrip van:

a) een uitgebreide en gedetailleerde raming van de kosten van die aansluiting;

b) een redelijk en precies tijdschema voor de ontvangst en de verwerking van het verzoek om aansluiting op het net;

c) een redelijk indicatief tijdschema voor eventueel geplande aansluitingen op het net.

De lidstaten mogen producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die op het net wensen te worden aangesloten toestaan een aanbesteding uit te schrijven voor de aansluitingswerkzaamheden.

6. De in lid 3 vermelde verdeling van de kosten wordt opgelegd via een mechanisme dat gebaseerd is op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, waarbij rekening wordt gehouden met de baten van de aansluitingen voor oorspronkelijk en later aangesloten producenten en voor beheerders van transmissie- en distributiesystemen.

7. De lidstaten zien erop toe dat de tarieven voor transmissie en distributie geen discriminatie inhouden van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, met name van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die wordt geproduceerd in perifere gebieden, zoals eilanden, en in gebieden met een lage bevolkingsdichtheid. De lidstaten zorgen ervoor dat de transmissie- en distributietarieven geen discriminatie inhouden van gas uit hernieuwbare energiebronnen.

8. De lidstaten zien erop toe dat de tarieven die door beheerders van transmissie- en distributiesystemen in aanmerking worden genomen voor de transmissie en distributie van elektriciteit uit installaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, een realistische weergave zijn van de kostenvoordelen die kunnen voortvloeien uit de aansluiting van die installaties op het net. Dergelijke kostenvoordelen kunnen voortvloeien uit het directe gebruik van het laagspanningsnet.

91. In voorkomend geval gaan de lidstaten na of de bestaande gasnetinfrastructuur moet worden uitgebreid om de integratie van gas uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken.

102. In voorkomend geval verplichten de lidstaten de transmissie- en distributiesysteembeheerders op hun grondgebied om technische voorschriften bekend te maken overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas 48 , met name met betrekking tot netwerkconnectieregels die voorschriften voor gaskwaliteit, geurtoevoeging en gasdruk bevatten. De lidstaten verplichten de transmissie- en distributiesysteembeheerders tevens om de connectietarieven voor het aansluiten van hernieuwbare gasbronnen bekend te maken; deze tarieven moeten gebaseerd zijn op transparante en niet-discriminerende criteria.

113 De lidstaten beoordelen in hun nationale actieplannen in hoeverre er met het oog op het bereiken van het in artikel 3, lid 1, bedoelde nationale streefcijfer voor 2020 behoefte is aan de bouw van nieuwe infrastructuur voor stadsverwarming en -koeling op basis van hernieuwbare energiebronnen. Op basis van deze Ö hun Õ ð overeenkomstig bijlage I bij Verordening [governance] in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen opgenomen ïevaluatie ð van de noodzaak om nieuwe infrastructuur te bouwen voor stadsverwarming en -koeling uit hernieuwbare energiebronnen teneinde het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde streefdoel van de Unie te halen, ï nemen de lidstaten waar nodig stappen om een infrastructuur voor stadsverwarming op te zetten teneinde de ontwikkeling van de productie van verwarming en koeling uit grote biomassa-installaties, zonne-energie-installaties en geothermische faciliteiten mogelijk te maken.

ò nieuw

Artikel 21
Consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie

1. De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie individueel of via aankoopgroeperingen:

a) het recht hebben zelfgeproduceerde energie te consumeren en hun overtollige productie van hernieuwbare elektriciteit te verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen;

b) hun rechten als consument behouden;

c) niet worden beschouwd als energieleveranciers overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht wanneer zij een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit aan het net leveren die op jaarbasis niet meer is dan 10 MWh voor huishoudens en niet meer dan 500 MWh voor rechtspersonen; en

d) voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die zij aan het net leveren een vergoeding ontvangen die een weerspeigeling is van de marktwaarde van de geleverde elektriciteit.

De lidstaten kunnen een hogere drempel vaststellen dan bepaald onder c). 

2. De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die in hetzelfde appartementsgebouw wonen of gevestigd zijn op dezelfde commerciële locatie of locatie met gedeelde diensten of een gesloten distributiesysteem gezamenlijk zelfgeproduceerde energie mogen consumeren, alsof zij een individuele consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie zijn. In dit geval is de in lid 1, onder c), bedoelde drempel van toepassing op iedere betrokken consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.

3. De installatie van een consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie kan door een derde partij worden beheerd wat betreft installatie, beheer, met inbegrip van de meteropneming, en onderhoud.

Artikel 22
Hernieuwbare-energiegemeenschappen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht hebben hernieuwbare energie te produceren, consumeren, opslaan en verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen.

Voor de toepassing van deze richtlijn is een hernieuwbare-energiegemeenschap een kmo of een organisatie zonder winstoogmerk waarvan de aandeelhouders of leden samenwerken om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren, te verdelen, op te slaan of te leveren, waarbij aan ten minste vier van de volgende criteria wordt voldaan:

a) de aandeelhouders of leden zijn natuurlijke personen, lokale overheden, met inbegrip van gemeenten, of kmo’s die actief zijn op het gebied van hernieuwbare energie;

b) ten minste 51 % van de stemgerechtigde aandeelhouders of leden van de entiteit zijn natuurlijke personen;

c) ten minste 51 % van de aandelen of medezeggenschapsrechten van de entiteit zijn eigendom van lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of burgers met een direct belang in de activiteit van de gemeenschap en de impact ervan;

d) ten minste 51 % van de zetels in de raad van bestuur of de bestuursorganen van de entiteit zijn voorbehouden aan lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of burgers met een direct belang in de activiteit van de gemeenschap en de impact ervan;

e) per jaar heeft de gemeenschap in de vijf voorgaande jaren gemiddeld niet meer dan 18 MW aan capaciteit voor hernieuwbare elektriciteit, verwarming en koeling en vervoer geïnstalleerd.

2. Onverminderd staatssteunregels houden de lidstaten bij het ontwerpen van steunregelingen rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen.

Artikel 23
Brede integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsinstallaties

1. Om de penetratie van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, doen alle lidstaten het nodige om het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie ieder jaar te doen toenemen met ten minste één percentpunt (pp), uitgedrukt in nationaal aandeel eindenergieverbruik en berekend volgens de in artikel 7 bedoelde methodologie.

2. De lidstaten kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een lijst met maatregelen en uitvoeringsorganen, zoals brandstofleveranciers, aanwijzen en bekendmaken die moeten bijdragen aan de in lid 1 bedoelde toename.

3. De in lid 1 bedoelde toename kan worden verwezenlijkt door middel van een of meer van de volgende opties:

a) fysieke vermenging van hernieuwbare energie in de voor verwarming en koeling geleverde energie en brandstof;

b) directe matigingsmaatregelen, zoals de installatie in gebouwen van hoogrenderende systemen voor hernieuwbare verwarming en koeling of het gebruik van hernieuwbare energie in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;

c) indirecte matigingsmaatregelen die worden gedekt door verhandelbare certificaten waarmee wordt aangetoond dat de verplichting wordt nageleefd door middel van steun aan indirecte matigingsmaatregelen die worden uitgevoerd door een andere marktspeler, zoals een onafhankelijke installateur van technologie op het gebied van hernieuwbare energie of een energiedienstverlener (ESCO) die diensten verleent voor installaties voor hernieuwbare energie.

4. De lidstaten kunnen gebruikmaken van bestaande structuren in het kader van de nationale verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU om de in lid 2 bedoelde maatregelen uit te voeren en te monitoren.

5. De overeenkomstig lid 2 aangewezen entiteiten zorgen ervoor dat hun bijdrage meetbaar en verifieerbaar is en brengen vanaf 30 juni 2021 bij de door de lidstaat aangewezen instantie jaarlijks verslag uit over:

a) de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie;

b)a) de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie;

c) het aandeel hernieuwbare energie in de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie; en

d) het soort hernieuwbare energiebron.

6. De lidstaten zorgen evoor dat de in lid 5 bedoelde verslagen door de bevoegde aangewezen instantie worden geverifieerd.

Artikel 24
Stadsverwarming en -koeling

1. De lidstaten zorgen evoor dat leveranciers van stadsverwarming en -koeling aan de eindconsument informatie verstrekken over hun energieprestaties en het aandeel hernieuwbare energie in hun systemen. Dergelijke informatie voldoet aan de in het kader van Richtlijn 2010/31/EU gebruikte normen.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het afnemers van systemen voor stadsverwarming en koeling die geen “efficiënte stadsverwarming en -koeling” zijn in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU, mogelijk te maken van het systeem te worden ontkoppeld teneinde zelf verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen te produceren of over te stappen op een andere leverancier van verwarming of koeling die toegang heeft tot het systeem zoals bedoeld in lid 4.

3. De lidstaten kunnen het recht om te worden ontkoppeld of van leverancier te veranderen beperken tot afnemers die kunnen bewijzen dat de geplande alternatieve oplossing voor de levering van verwarming of koeling zal leiden tot significant betere energieprestaties. De prestatiebeoordeling van de alternatieve voorzieningsoplossing kan op het in Richtlijn 2010/31/EU gedefinieerde energieprestatiecertificaat worden gebaseerd.

4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter waarborging van niet-discriminerende toegang voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming en koeling en afvalwarmte en -koude tot systemen voor stadsverwarming en -koeling. Deze niet-discriminerende toegang maakt het mogelijk dat andere leveranciers dan de beheerder van het systeem voor stadsverwarming of -koeling rechtstreeks verwarming en koeling uit dergelijke bronnen kunnen leveren aan afnemers die gekoppeld zijn aan het systeem voor stadsverwarming of –koeling.

5. Een beheerder van een systeem voor stadsverwarming of -koeling kan leveranciers toegang weigeren indien in het systeem de nodige capaciteit ontbreekt ten gevolge van andere leveringen van afvalwarmte of -koude, van verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, of van verwarming of koeling uit hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. De lidstaten zorgen ervoor dat in het geval van een dergelijke weigering de beheerder van een systeem voor stadsverwarming en -koeling aan de bevoegde instantie overeenkomstig lid 9 relevante informatie verstrekt over de maatregelen die nodig zijn om het systeem te versterken.

6. Nieuwe systemen voor stadsverarming en -koeling kunnen op verzoek voor een bepaalde periode worden vrijgesteld van de toepassing van lid 4. De bevoegde autoriteit beslist geval per geval over dergelijke vrijstellingsverzoeken. Een vrijstelling wordt uitsluitend toegekend indien het nieuwe systeem voor stadsverwarming of -koeling een “efficiënte stadsverwarming en -koeling” is in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en indien het systeem gebruikmaakt van het potentieel voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte of -koude zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU uitgevoerde uitgebreide beoordeling.

7. Het recht om te worden ontkoppeld of van leverancier te veranderen kan worden uitgeoefend door individuele afnemers, gemeenschappelijke ondernemingen die zijn opgericht door afnemers of door partijen die namens afnemers optreden. In het geval van appartementsgebouwen kan een dergelijke ontkoppeling uitsluitend worden uitgevoerd op het niveau van het volledige gebouw.

8. De lidstaten vereisen dat beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste tweejaarlijks, in samenwerking met de beheerders van systemen voor stadsverwarming of -koeling in hun respectieve gebieden, beoordelen wat het potentieel is van systemen voor stadsverwarming of -koeling om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verstrekken, met inbegrip van vraagrespons en opslag van overtollige, uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel meer hulpbronnen- en kostenefficiënt zou zijn dan andere mogelijke oplossingen.

9. De lidstaten wijzen een of meerdere onafhankelijke instanties aan om ervoor te zorgen dat de rechten van de consument en regels voor het beheer van systemen voor stadsverwarming en -koeling in overeenstemming met dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd en worden afgedwongen.

Artikel 25
Brede integratie van hernieuwbare energie in de vervoersector

1. Met ingang van 1 januari 2021 eisen de lidstaten dat de totale hoeveelheid transportbrandstoffen die brandstofleveranciers tijdens een kalenderjaar leveren voor consumptie of gebruik op de markt, een minimumaandeel bevat van energie uit geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en van hernieuwbare elektriciteit.

Het minimumaandeel zal in 2021 ten minste 1,5 % bedragen en stijgen tot minstens 6,8 % in 2030, waarbij de in deel B van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd. Binnen dit totale aandeel zijn geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, per 1 januari 2021 goed voor minstens 0,5 % van de transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt en uiterlijk in 2030 voor minstens 3,6 %, waarbij de in deel C van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd.

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, zal per 1 januari 2021 ten minste 70 % bedragen.

Voor de berekening van de in de tweede alinea bedoelde aandelen gelden de volgende bepalingen:

a) voor de berekening van de noemer, zijnde de energie-inhoud van de in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, wordt rekening gehouden met benzine, diesel, aardgas, biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen en elektriciteit;

b) voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerd biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen die aan alle vervoersectoren worden geleverd, en aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit.

Voor de berekening van de teller wordt de bijdrage van biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in deel B van bijlage IX vermelde grondstoffen, beperkt tot 1,7 % van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, en wordt de bijdrage van in de lucht- en zeevaartsector geleverde brandstoffen geacht 1,2 maal hun energie-inhoud te zijn.

c) Voor de berekening van zowel de teller als de noemer worden de waarden met betrekking tot de energie-inhoud van transportbrandstoffen gebruikt als bepaald in bijlage III. Voor het bepalen van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die niet in bijlage III zijn opgenomen, gebruiken de lidstaten de respectieve ENO-normen voor de bepaling van de calorische waarden van brandstoffen. Indien voor deze toepassing geen ENO-norm is vastgesteld, worden de respectieve ISO-normen gebruikt.

2. Voor de toepassing van lid 1 zetten de lidstaten een systeem op dat brandstofleveranciers toelaat de in lid 1 bedoelde verplichting over te dragen aan andere brandstofleveranciers en zorgen de lidstaten ervoor dat alle overdrachten worden gedocumenteerd in de in lid 4 vermelde nationale databanken.

3. Om het aandeel hernieuwbare elektriciteit te bepalen voor de toepassing van lid 1 kan of het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie, of het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar de elektriciteit wordt geleverd, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt. In beide gevallen wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.

Het aandeel hernieuwbare energie in vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen wordt bepaald op basis van het aandeel hernieuwbare energie in de totale energie-input die wordt gebruikt voor de productie van de brandstof.

Voor de toepassing van dit lid gelden de volgende bepalingen:

a) Wanneer elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, hetzij rechtstreeks of voor de productie van tussenproducten, kan of het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie of het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen. In beide gevallen wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.

Elektriciteit die wordt verkregen uit een directe verbinding met een installatie die hernieuwbare energie opwekt, die (i) in werking treedt na of tegelijkertijd met de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong produceert en (ii) niet op het net is aangesloten, kan evenwel volledig worden meegeteld als hernieuwbare elektriciteit voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong.

b) Wanneer biomassa in een gemeenschappelijk proces met fossiele brandstoffen wordt verwerkt, wordt de hoeveelheid biobrandstof in het product vastgesteld door adequate omzettingsfactoren toe te passen op de biomassa-input. Indien het proces meer dan één product oplevert, wordt geacht dat alle uit het process voortkomende producten hetzelfde aandeel biobrandstof bevatten; dezelfde regels gelden voor de toepassing van artikel 27, lid 1.

4. De lidstaten zetten een databank op die het mogelijk maakt transportbrandstoffen te volgen die in aanmerking komen om te worden meegeteld bij de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde teller en eisen dat de betrokken marktdeelnemers informatie invoeren over de transacties en de duurzaamheidskenmerken van de in aanmerking komende brandstoffen, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot aan de brandstofleverancier die de brandstof op de markt brengt.

De databank bevat informatie over de in lid 1 beschreven vereiste die wordt opgelegd aan brandstofleveranciers en hoe aan deze vereiste wordt voldaan.

De nationale databanken worden onderling met elkaar verbonden zodat brandstoftransacties tussen lidstaten kunnen worden gevolgd. Om ervoor te zorgen dat de nationale databanken compatibel zijn, stelt de Commissie technische specificaties met betrekking tot hun inhoud en gebruik vast door overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast te stellen.

5. De lidstaten brengen verslag uit over de geaggregeerde gegevens uit de nationale databanken, met inbegrip van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de brandstoffen, overeenkomstig bijlage VII van Verordening [governance].

6. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 3, onder b), van dit artikel bedoelde methodologie nader te specifieren ter bepaling van het aandeel biobrandstoffen uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, ter specificering van de methodologie voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen, en ter bepaling van de minimumreductie van broeikasgasemissies nodig voor deze brandstoffen voor de toepassing van lid 1 van deze richtlijn.

7. Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in de context van de tweejaarlijkse beoordeling van de in het kader van Verordening [governance] geboekte voortgang, of de in lid 1 bedoelde verplichting daadwerkelijk innovatie stimuleert en de reductie van broeikasgasemmissies in de vervoersector bevordert en of de toepasselijke vereisten inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen en biogassen passend zijn. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de in lid 1 bedoelde verplichting.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 1726
Duurzaamheidscriteria ð en criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï voor biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï

1. Ongeacht of de grondstoffen op of buiten het grondgebied van de Gemeenschap werden geteeld, wordt eEnergie uit biobrandstoffen, en vloeibare biomassa  ð en biomassabrandstoffen ï  wordt enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) Ö van dit lid Õ hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6  ð en aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7 ï :

a) het meten van de naleving van de voorschriften van deze richtlijn inzake nationale streefcijfers;  ð het bijdragen aan het streefcijfer van de Unie en het aandeel van hernieuwbare energie van de lidstaten ï

b) het meten van de naleving van de verplichtingen tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnenð , met inbegrip van de verplichtingen van de artikelen 23 en 25 ï ;

c) het in aanmerking komen voor financiële steun voor het verbruik van biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï .

Biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) Ö van dit lid Õ alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria ð criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï  van lid 27. ð Deze bepaling is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen. ï

ò nieuw

Biomassabrandstoffen hoeven alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de leden 2 tot en met 7 indien zij worden gebruikt in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling of brandstoffen, met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer in het geval van vaste biomassabrandstoffen, of met een elektrische capaciteit van 0,5 MW of meer in het geval van gasvormige biomassabrandstoffen. De lidstaten kunnen de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie toepassen op installaties met een lagere brandstofcapaciteit.

De duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7 gelden ongeacht de geografische herkomst van de biomassa.

ê 2009/28/EG artikel 17 (aangepast)

ð nieuw

32. De biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa  ï die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden van lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land met een grote biodiversiteit, d.w.z. land dat in of na januari 2008 een van de hierna vermelde statussen had, ongeacht of het die status nog steeds heeft:

a) oerbos en andere beboste gronden, d.w.z. bos en andere beboste gronden met inheemse soorten, waar geen duidelijk zichtbare tekenen van menselijke activiteiten zijn en de ecologische processen niet in significante mate zijn verstoord;

b) gebieden die:

i) bij wet of door de relevante bevoegde autoriteiten voor natuurbeschermingsdoeleinden zijn aangewezen; of

ii) voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten die bij internationale overeenkomst zijn erkend of opgenomen zijn op lijsten van intergouvernementele organisaties of van de International Union for the Conservation of Nature, zijn aangewezen, mits deze gebieden zijn erkend overeenkomstig de procedure van artikel 1827, lid 4, eerstetweede alinea;

tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft op die natuurbeschermingsdoeleinden;

c) graslanden met grote biodiversiteit ð van meer dan een hectare ï  dat:

i) natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen grasland zou blijven en dat zijn natuurlijke soortensamenstelling en ecologische kenmerken en processen behoudt; of

ii) niet-natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden graslanden te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast ð en door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grasland met grote biodiversiteit, ï tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland Ö met grote biodiversiteit Õ.

ò nieuw

De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, de criteria vaststellen om te bepalen welke graslanden onder punt c) vallen.

ê 2009/28/EG artikel 17 (aangepast)

ð nieuw

4.3. De biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa ï die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land met hoge koolstofvoorraden, d.w.z. land dat in januari 2008 een van de hierna vermelde statussen had maar deze status niet langer heeft:

a) waterrijke gebieden, d.w.z. land dat permanent of tijdens een groot gedeelte van het jaar onder water staat of verzadigd is met water;

b) permanent beboste gebieden, d.w.z. gebieden van meer dan een hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van meer dan 30 %, of bomen die deze drempels ter plaatse kunnen bereiken;

c) gebieden van meer dan een hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van 10 tot 30 %, of bomen die deze drempels ter plaatse kunnen bereiken, tenzij aangetoond wordt dat de voor en na omschakeling aanwezige koolstofvoorraden van een zodanige omvang zijn dat bij toepassing van de in bijlage V, deel C, vastgestelde methode aan de voorwaarden van lid 72 van dit artikel zou zijn voldaan.

De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing op land dat, op het tijdstip dat de grondstof werd verkregen, dezelfde status had als in januari 2008.

54. Biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa ï  die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden, genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was, tenzij aangetoond wordt dat de teelt en het oogsten van deze grondstoffen geen ontwatering van een voorheen niet-ontwaterde bodem met zich brengt.

ò nieuw

5. De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), voldoen aan de volgende eisen om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa tot een minimum te beperken:

a) in het land waar de bosbiomassa is geoogst, is nationale en/of subnationale wetgeving van kracht die van toepassing is op de oogst, alsmede monitoring- en handhavingssystemen die ervoor zorgen dat:

i) het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning binnen in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte grenzen;

ii) de gebieden waar is geoogst worden herbebost;

iii) gebieden met een hoge instandhoudingswaarde, met inbegrip van watterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;

iv) de gevolgen van het oogsten van bossen op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit tot een minimum worden beperkt; en

v) er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat;

b) wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bosbedrijf beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat:

i) de bosbiomassa is geoogst op grond van een wettelijke vergunning;

ii) de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;

iii) gebieden met een hoge instandhoudingswaarde, met inbegrip van veengebieden en waterrijke gebieden, worden geïdentificeerd en beschermd;

iv) de gevolgen van het oogsten van bossen op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit tot een minimum worden beperkt;

v) er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat.

6. De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa worden in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien het land waaruit de bosbiomassa afkomstig is of de regionale organisatie voor economische integratie waaronder de bosbiomassa valt, voldoet aan de volgende eisen in het kader van LULUCF:

i) een partij zijn bij de overeenkomst van Parijs en die overeenkomst geratificeerd hebben;

ii) een nationaal vastgestelde bijdrage (Nationally Determined Contribution of NDC) voor het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) hebben ingediend, die betrekking heeft op emissies en verwijderingen van landbouw, bosbouw en landgebruik om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de koolstofvoorraad die verband houden met de oogst van biomassa worden verrekend in het in de NDC gespecificeerde streefcijfer van het land voor het terugdringen of beperken van broeikasgasemissies, of dat er nationale of subnationale wetgeving van kracht is, overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst van Parijs, die van toepassing is op het oogsten, met het oog op de instandhouding en de uitbreiding van koolstofvoorraden en -putten; 

iii) beschikken over een nationaal systeem voor de rapportage van broeikasgasemissies en verwijderingen door landgebruik, met inbegrip van bosbouw en landbouw, dat in overeenstemming is met de vereisten in de besluiten die zijn aangenomen in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.

Wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bosbedrijf beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos worden gehandhaafd.

De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, vaststellen hoe wordt aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de leden 5 en 6.

Uiterlijk op 31 december 2023 beoordeelt de Commissie op basis van de beschikbare gegevens of de in de leden 5 en 6 bedoelde criteria op doeltreffende wijze het risico op het gebruik van niet-duurzame biomassa tot een minimum beperken en voldoen aan de eisen in het kader van LULUCF. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de eisen van de leden 5 en 6.

ê 2009/28/EG

6. 6. Landbouwgrondstoffen die in de Gemeenschap worden geteeld en gebruikt voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), worden verkregen overeenkomstig de eisen en normen genoemd onder het opschrift "Milieu" in deel A en in punt 9 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers 49 , alsmede overeenkomstig de in artikel 6, lid 1, van die verordening vastgestelde minimumeisen voor goede landbouw- en milieuconditie.

ò nieuw

7. Om voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking te worden genomen, bedraagt de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen :

a) ten minste 50 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015;

b) ten minste 60 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel werden vanaf 5 oktober 2015;

c) ten minste 70 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021;

d) ten minste 80 % voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021, en ten minste 85 % voor installaties die operationeel worden na 1 januari 2026.

Een installatie wordt geacht operationeel te zijn zodra de fysieke productie van biobrandstoffen of vloeibare biomassa, en van verwarming en koeling en elektriciteit voor biomassabrandstoffen, is gestart.

ê 2015/1513 artikel 2, lid 5, onder a)

ð nieuw

2. De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking wordt genomen, bedraagt minstens 60 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 5 oktober 2015. Een installatie wordt geacht operationeel te zijn wanneer de fysieke productie van biobrandstoffen of vloeibare biomassa plaatsvindt.

In het geval van installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015, bedraagt, om voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking te komen, de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa minstens 35 % tot en met 31 december 2017 en minstens 50 % vanaf 1 januari 2018.

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die verwarming, koeling en elektriciteit produceren, ï wordt berekend overeenkomstig artikel 1928, lid 1.

ò nieuw

8. Elektriciteit uit biomassabrandstoffen die wordt geproduceerd in installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, wordt alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c) indien zij is geproduceerd aan de hand van hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie als omschreven in artikel 2, lid 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), is deze bepaling alleen van toepassing op installaties die na [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] van start gaan. Voor de toepassing van lid 1, onder c), laat deze bepaling de overheidssteun die wordt verleend in het kader van regelingen die uiterlijk op [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] worden goedgekeurd, onverlet.

De eerste alinea is niet van toepassing op elektriciteit van installaties die het onderwerp zijn van een specifieke kennisgeving door een lidstaat aan de Commissie in verband met een naar behoren gemotiveerd bestaan van risico's voor de voorzieningszekerheid voor elektriciteit. De Commissie beoordeelt de kennisgeving en neemt een besluit met inachtneming van de daarin opgenomen elementen.

ê 2009/28/EG

ð nieuw

7. De Commissie dient, ten aanzien van zowel derde landen als lidstaten die significante hoeveelheden biobrandstoffen of grondstoffen voor in de Gemeenschap verbruikte biobrandstoffen leveren, om de twee jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de nationale maatregelen die zijn genomen ter vervulling van de in leden 2 tot en met 5 bedoelde duurzaamheidscriteria en ter bescherming van de bodem, het water en de lucht. Het eerste verslag wordt ingediend in 2012.

De Commissie brengt om de twee jaar aan het Europese Parlement en aan de Raad verslag uit over de gevolgen van de toegenomen vraag naar biobrandstof voor de sociale duurzaamheid in de Gemeenschap en derde landen, en over de gevolgen van het biobrandstofbeleid van de Gemeenschap voor de beschikbaarheid van levensmiddelen tegen een betaalbare prijs, met name voor de bevolking in de ontwikkelingslanden, en voor verdere ontwikkelingskwesties. In het verslag komt ook aan de orde in hoeverre de rechten inzake landgebruik worden gerespecteerd. Het verslag vermeldt voor derde landen en lidstaten die significante hoeveelheden grondstoffen leveren voor in de Gemeenschap verbruikte biobrandstoffen, welke van de volgende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie ieder land heeft bekrachtigd en uitgevoerd:

het Verdrag betreffende gedwongen of verplichte arbeid (nr. 29);

het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht (nr. 87);

het Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde (nr. 100);

het Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep (nr. 111);

het Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces (nr. 138);

het Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (nr. 182).

Deze verslagen vermelden voor derde landen en lidstaten die significante hoeveelheden grondstoffen leveren voor in de Gemeenschap verbruikte biobrandstoffen, of dat land heeft bekrachtigd en uitgevoerd:

het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid;

de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde dier- en plantensoorten.

Het eerste verslag wordt ingediend in 2012. De Commissie stelt zo nodig corrigerende maatregelen voor, met name wanneer uit bepaalde elementen blijkt dat de productie van biobrandstoffen een aanzienlijke invloed heeft op de prijs van levensmiddelen.

9. De Commissie brengt uiterlijk 31 december 2009 verslag uit over de vereisten voor een duurzaamheidsregeling voor het gebruik van andere biomassa dan biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor de opwekking van energie. Dit verslag moet, voor zover nodig, gepaard gaan met voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad voor een duurzaamheidsregeling voor het gebruik van andere biomassa dan biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor de opwekking van energie. Het verslag en daarin opgenomen voorstellen zijn gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en houden rekening met de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van innovatieve processen. Indien uit de analyse ter zake blijkt dat het dienstig zou zijn om, voor bosbiomassa, de rekenmethode van bijlage V of de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa met betrekking tot koolstofvoorraden te wijzigen, dient de Commissie, waar passend, tegelijkertijd voorstellen ter zake in bij het Europees Parlement en de Raad.

8. 9. Voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), weigeren de lidstaten niet, wegens andere duurzaamheidsredenen, overeenkomstig dit artikel verkregen biobrandstoffen en vloeibare biomassa in aanmerking te nemen.

ò nieuw

10. Voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), kunnen de lidstaten aanvullende duurzaamheidseisen voor biomassabrandstoffen opleggen.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 1827

Controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria ð en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï  voor biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï

1. Wanneer biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï  in aanmerking moeten worden genomen voor de doeleinden, genoemd ð in de artikelen 23 en 25 en ï in artikel 1726, lid 1, onder a), b) en c), verplichten de lidstaten de marktpartijen om aan te tonen dat voldaan is aan de duurzaamheidscriteria ð en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï  van artikel 2617, leden 2 tot en met 57. Zij verplichten de marktpartijen daartoe gebruik te maken van een massabalanssysteem dat:

a) toelaat leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen, ð vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen ï  met verschillende duurzaamheidskenmerken ð en verschillende kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie ï te mengenð , bijvoorbeeld in een container, verwerkings- of logistiekfaciliteit of transmissie- en distributie-infrastructuur of -locatie ï ;

ò nieuw

b) toelaat leveringen van grondstoffen met verschillende energie-inhoud te mengen met het oog op de verdere verwerking, mits de omvang van de leveringen aan de energie-inhoud ervan is aangepast;

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

bc) vereist dat informatie over de duurzaamheidskenmerken ð en de kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie ï en de omvang van de onder a) bedoelde leveringen aan het mengsel toegewezen blijven; en

cd) voorziet dat de som van alle leveringen die uit het mengsel zijn gehaald dezelfde duurzaamheidscriteria heeft, in dezelfde hoeveelheden, als de som van alle leveringen die aan het mengsel worden toegevoegd ð en vereist dat dat evenwicht binnen een passende tijdsduur wordt bereikt ï.

ò nieuw

2. Wanneer een levering wordt verwerkt, wordt de informatie over de duurzaamheidskenmerken en de kenmerken met betrekking tot broeikasgasemissiereductie aangepast en toegewezen aan de verkregen output overeenkomstig de volgende regels:

a) als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheidskenmerken en kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, en de massa van de grondstof vóór verwerking;

b) als de verwerking van een levering grondstoffen leidt tot meer dan één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, wordt voor elke output een afzonderlijke omzettingsfactor toegepast en een afzonderlijke massabalans gebruikt.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

2. De Commissie brengt in 2010 en 2012 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van de in lid 1 beschreven massabalansverificatiemethode en over de mogelijkheid om andere verificatiemethoden toe te staan voor sommige of alle typen grondstoffen, biobrandstoffen of vloeibare biomassa. De Commissie beoordeelt daarbij de verificatiemethoden waarbij informatie over duurzaamheidskenmerken niet fysiek moet worden toegewezen aan bepaalde leveringen of mengsels. Bij de beoordeling houdt zij rekening met de behoefte om de integriteit en doeltreffendheid van het verificatiesysteem te behouden en tegelijk te vermijden dat onredelijke lasten worden opgelegd aan het bedrijfsleven. Indien nodig gaat dit verslag gepaard met voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad voor het gebruik van andere verificatiemethoden.

3. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktpartijen betrouwbare informatie ð over de naleving van de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van artikel 26, leden 2 tot en met 7, ï  indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten verplichten de marktpartijen om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de door hen ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktpartijen gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en bestand zijn tegen fraude. Voorts wordt ook de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en wordt de robuustheid van de gegevens beoordeeld.

De in de eerste alinea bedoelde informatie heeft met name betrekking op informatie betreffende de naleving van de in artikel 17, leden 2 tot en met 5, bedoelde duurzaamheidscriteria, passende en relevante informatie over maatregelen ter bescherming van bodem, water en lucht, voor herstel van aangetast land, ter voorkoming van overmatig watergebruik in gebieden waar water schaars is, alsmede passende en relevante informatie over maatregelen die zijn genomen om rekening te houden met de in artikel 17, lid 7, tweede alinea, bedoelde elementen.

De Commissie stelt volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast teneinde de lijst van de in de eerste twee alinea's van dit lid bedoelde passende en relevante informatie te bepalen. De Commissie ziet er met name op toe dat het verstrekken van die informatie geen buitensporige administratieve lasten meebrengt voor de marktpartijen in het algemeen of voor kleinschalige boerenbedrijven, producentenverenigingen en coöperaties in het bijzonder.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de biobrandstoffen, of de vloeibare biomassa ðen de biomassabrandstoffen ï in de Gemeenschap Ö Unie Õ geproduceerd dan wel ingevoerd zijn.

De lidstaten dienen de in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie in samengevoegde vorm in bij de Commissie, die deze informatie bekend zal maken op het transparantieplatform ð elektronisch rapporteringsplatform ï bedoeld in artikel 24 ð van Verordening [governance] ï, en wel in samengevatte vorm en met behoud van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie.

4. De Gemeenschap streeft ernaar met derde landen bilaterale of multilaterale overeenkomsten te sluiten waarvan de bepalingen inzake duurzaamheidscriteria in overeenstemming zijn met die van deze richtlijn. Indien de Gemeenschap overeenkomsten heeft gesloten met bepalingen die onderwerpen die vallen onder de in artikel 17, leden 2 tot en met 5, bedoelde duurzaamheidscriteria bestrijken, kan de Commissie besluiten dat die overeenkomsten aantonen dat biobrandstoffen en vloeibare biomassa die geproduceerd zijn op basis van in die landen geteelde grondstoffen, voldoen aan die duurzaamheidscriteria. Wanneer die overeenkomsten worden gesloten, wordt de nodige aandacht besteed aan maatregelen voor de instandhouding van gebieden die in kritieke situaties dienst doen als basisecosysteem (bijvoorbeeld als het gaat om bescherming van stroomgebieden of erosiebestrijding), voor de bescherming van bodem, water en lucht, indirecte veranderingen in landgebruik, het herstel van aangetast land, het vermijden van overmatig waterverbruik in gebieden waar water schaars is, alsmede aan de in artikel 17, lid 7, tweede alinea, genoemde elementen.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 6, onder b) (aangepast)

ð nieuw

4. De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 1726, lid 27, en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen, of vloeibare biomassa ð of biomassabrandstoffen ï voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 1726, leden 3, 4 en 5 2 tot en met 6, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. ð Om aan te tonen dat is voldaan aan de eisen van artikel 26, leden 5 en 6, voor bosbiomassa, kunnen de marktpartijen beslissen het vereiste bewijs rechtstreeks op het niveau van het bosbedrijf te verstrekken. ï De Commissie kan besluiten dat deze systemen accurate gegevens bevatten over de maatregelen die zijn genomen voor de instandhouding van gebieden die in kritieke situaties dienst doen als basisecosysteem (bijvoorbeeld als het gaat om bescherming van stroomgebieden of erosiebestrijding), voor de bescherming van bodem, water en lucht, het herstel van aangetast land, het vermijden van overmatig watergebruik in gebieden waar water schaars is, en over de in artikel 17, lid 7, tweede alinea, bedoelde elementen. Voor de toepassing van artikel 2617, lid 23, onder b), ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de International Union for the Conservation of Nature.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

De Commissie kan besluiten dat ð die ï vrijwillige nationale of internationale systemen voor het meten van broeikasgasemissiereducties accurate gegevens ð informatie ï  bevatten met het oog op de toepassing van artikel 17, lid 2. ð over de maatregelen die zijn genomen voor de bescherming van bodem, water en lucht, het herstel van aangetast land en het vermijden van overmatig watergebruik in gebieden waar water schaars is, alsmede voor de certificering van biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik ï

De Commissie kan besluiten dat gronden die in een nationaal of regionaal herstelprogramma voor omschakeling van ernstig aangetaste of vervuilde gronden zijn opgenomen, voldoen aan de criteria van bijlage V, deel C, punt 9.

5. De Commissie neemt de in lid 4 vermelde besluiten alleen als de overeenkomst of het systeem in kwestie voldoet aan passende normen inzake betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing. Systemen voor het meten van broeikasgasemissiereducties voldoen ook aan de methodologische eisen van bijlage V ð of VI ï . De lijsten van gebieden met een grote biodiversiteit als bedoeld in artikel 2617, lid 23, onder b), ii), voldoen aan passende normen inzake objectiviteit en coherentie met op internationaal niveau erkende standaarden en voorzien in beroepsprocedures.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 6, onder c) (aangepast)

ð nieuw

De vrijwillige systemen, als bedoeld in lid 4 („de vrijwillige systemen”) maken op gezette tijden, en ten minste jaarlijks een lijst van hun voor onafhankelijke audits gebruikte certificeringsorganen bekend en vermelden daarbij voor elk certificeringsorgaan door welke entiteit of nationale overheidsinstantie het is erkend, en onder het toezicht van welke entiteit of nationale overheidsinstantie het staat.

ð Om ervoor te zorgen dat op een efficiënte en geharmoniseerde manier wordt gecontroleerd of de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden nageleefd, en ï Mmet name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie, op basis van een risicoanalyse of van de in lid 6, tweede alinea, van dit artikel vermelde verslagen, de ð uitvoeringsbepalingen, met inbegrip van passende ï normen voor ð betrouwbaarheid, transparantie en  ï onafhankelijke auditing, nader omschrijven ð vaststellen ï en alle vrijwillige systemen ertoe verplichten die normen toe te passen.  ð Bij het bepalen van die normen besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de noodzaak om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. ï Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 2531, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige systemen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige systemen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 6, onder d) (aangepast)

ð nieuw

6. De uit hoofde van lid 4 van dit artikel genomen besluiten worden vastgesteld volgens de in artikel 2531, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. Dergelijke besluiten blijven hoogstens vijf jaar geldig.

De Commissie verlangt dat van elk vrijwillig systeem met betrekking waartoe een besluit krachtens lid 4 is vastgesteld, uiterlijk op 6 oktober 2016, en vervolgens elk jaar uiterlijk op 30 april, bij haar een verslag wordt ingediend over elk van de in de derde alinea van dit lid vermelde punten. In het algemeen hebben de verslagen betrekking op het voorafgaande kalenderjaar. Het eerste verslag heeft betrekking op ten minste zes maanden vanaf 9 september 2015. Het vereiste om een verslag in te dienen geldt uitsluitend voor vrijwillige systemen die gedurende ten minste twaalf maanden hebben gewerkt.

Uiterlijk op 6 april 2017 en daarna in het kader van haar verslagen overeenkomstig artikel 23, lid 3, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin de in de tweede alinea van dit lid bedoelde verslagen worden geanalyseerd en de werking van de in lid 4 bedoelde overeenkomsten of vrijwillige systemen met betrekking tot welke een besluit uit hoofde van dit artikel is vastgesteld, wordt geëvalueerd, en optimale praktijken in kaart worden gebracht. Het verslag is gebaseerd op de beste beschikbare informatie, onder meer na overleg met belanghebbenden, en op praktische ervaringen met de toepassing van de betrokken overeenkomsten of systemen. In het verslag wordt het volgende onderzocht:

in het algemeen:

a) de onafhankelijkheid, vorm en frequentie van de audits, zowel met betrekking tot hetgeen over die aspecten is vermeld in de documentatie van het systeem op het tijdstip dat het betreffende systeem door de Commissie werd goedgekeurd, als met betrekking tot de optimale praktijken van de sector;

b) de beschikbaarheid van en de ervaring met en de transparantie bij de toepassing van methoden voor het vaststellen en behandelen van gevallen van niet-naleving, met bijzondere aandacht voor situaties of beweringen van ernstig wangedrag door leden van het systeem;

c) de transparantie, met name met betrekking tot de toegankelijkheid van het systeem, de beschikbaarheid van vertalingen in de toepasselijke talen van de landen en regio's van herkomst van de grondstoffen, de toegankelijkheid van een lijst van gecertificeerde exploitanten en de relevante certificaten, en de toegankelijkheid van de auditverslagen;

d) de betrokkenheid van belanghebbenden, met name wat betreft de raadpleging van inheemse en lokale gemeenschappen voorafgaand aan de besluitvorming tijdens de opstelling en evaluatie van het systeem en tijdens de audits, alsmede de reactie op hun bijdragen;

e) de algehele robuustheid van het systeem, met name in het licht van de voorschriften betreffende de accreditatie, kwalificatie en onafhankelijkheid van auditoren en bevoegde instanties voor het systeem;

f) marktactualisaties van het systeem, de hoeveelheid gecertificeerde grondstoffen en biobrandstoffen, per land van herkomst en type, en het aantal deelnemers;

g) het gemak en de doeltreffendheid waarmee uitvoering wordt gegeven aan een systeem dat nagaat of de door het systeem aan de leden daarvan opgelegde duurzaamheidscriteria worden nageleefd, waarbij een dergelijk systeem is bedoeld als middel om frauduleuze activiteiten te voorkomen en in het bijzonder is gericht op de detectie, behandeling en follow-up van vermoedelijke fraude en andere onregelmatigheden, alsmede, in voorkomend geval, het aantal gedetecteerde gevallen van fraude of onregelmatigheden;

en in het bijzonder:

h) opties betreffende te machtigen entiteiten voor het erkennen van en het uitoefenen van toezicht op certificeringsorganen;

i) criteria voor de erkenning of accreditatie van certificeringsorganen;

j) voorschriften inzake de wijze van uitoefening van toezicht op de certificeringsorganen;

k) mogelijkheden om de bevordering van optimale praktijken te vergemakkelijken of te verbeteren.

De Commissie stelt de in het kader van de vrijwillige systemen opgestelde verslagen in geaggregeerde of, waar dienstig, volledige vorm beschikbaar op het in artikel 24 ð van Verordening [governance] ï bedoelde transparantieplatformð elektronisch rapporteringsplatform ï.

ò nieuw

De lidstaten kunnen nationale systemen instellen waarbinnen de naleving van de in artikel 26, leden 2 tot en met 7, vermelde duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden gecontroleerd in de gehele bewakingsketen, met inbegrip van de bevoegde nationale instanties.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 6, onder d) (aangepast)

ð nieuw

Een lidstaat kan zijn nationale systeem aanmelden bij de Commissie. De Commissie geeft voorrang aan de beoordeling van een zodanig aangemeld systeem. Een besluit over de conformiteit van een zodanig aangemeld nationaal systeem met de voorwaarden vermeld in deze richtlijn, wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 2531, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, teneinde de wederzijdse bilaterale en multilaterale erkenning van systemen voor de controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria ð en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï voor biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï te vergemakkelijken. Als het besluit positief is, kunnen overeenkomstig dit artikel ingestelde systemen de wederzijdse erkenning van het systeem van die lidstaat met betrekking tot de controle van de naleving van de in artikel 2617, leden 2 tot en met 75, vermelde duurzaamheidscriteria ð en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï  niet weigeren.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

7. Als een marktpartij bewijsmiddelen of gegevens indient die zijn verkregen overeenkomstig een overeenkomst of systeem waarvoor een in lid 4 ð of 6 ï bedoeld besluit is genomen, mag een lidstaat de leverancier, voor zover dat besluit van toepassing is, niet verplichten om verder aan te tonen dat hij voldoet aan de duurzaamheidscriteria ð en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie ï  van artikel 2617, leden 2 tot en met 75, noch dat hij de in lid 3, tweede alinea, van dit artikel bedoelde gegevens over maatregelen verstrekt.

ò nieuw

De bevoegde instanties van de lidstaten mogen toezicht houden op de werking van de certificeringsorganen die door het nationale accrediteringsorgaan zijn geaccrediteerd en die in het kader van een vrijwillig systeem onafhankelijke audits uitvoeren.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 6, onder e)

8. De Commissie gaat op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief na of artikel 17 is toegepast met betrekking tot een bron van biobrandstoffen en besluit, binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek en overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure of de betrokken lidstaat de uit die bron verkregen biobrandstoffen in aanmerking mag nemen voor de toepassing van artikel 17, lid 1.

ê 2009/28/EG

9. 9. Uiterlijk op 31 december 2012 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over:

a) de doeltreffendheid het systeem dat is ingevoerd voor de informatieverstrekking over duurzaamheidscriteria;

b) de vraag of het haalbaar en raadzaam is verplichte eisen in te voeren met betrekking tot lucht-, water of bodembescherming, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke gegevens en de internationale verplichtingen van de Gemeenschap.

De Commissie stelt zo nodig corrigerende maatregelen voor.

ê 2009/28/EG artikel 19, leden 1 en 2 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 1928

Berekening van het effect van biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï op de broeikasgasemissies 

1. Met het oog op de toepassing van artikel 2617, lid 27, wordt de broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffenï  als volgt berekend:

a) indien een standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie met betrekking tot de productieketen is vastgesteld in deel A of B van bijlage V ð voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa of in deel A van bijlage VI voor biomassabrandstoffen ï , en indien de el-waarde voor deze biobrandstoffen of vloeibare biomassa berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage V ð of voor deze biomassabrandstoffen berekend overeenkomstig punt 7 van deel B van bijlage VIï , gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;

b) de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in bijlage V, deel C, ð voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in bijlage VI, deel B, voor biomassabrandstoffen ï  vastgestelde methode, wordt gebruikt; of

c) er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formule Ö formules Õ in punt 1 van deel C van bijlage V, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage V, deel D of E, kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage V, deel C, voor alle andere factoren.;Ö of Õ 

ò nieuw

d) er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formules in punt 1 van deel B van bijlage VI, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in deel C van bijlage VI kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage VI, deel B, voor alle andere factoren.

ê 2009/28/EG artikel 19, leden 1 en 2 (aangepast)

ð nieuw

2. Uiterlijk op 31 maart 2010 dienende De lidstaten ð kunnen ï bij de Commissie een verslag in Ö verslagen indienen Õ met de lijst ð informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen ï  van de gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) 50 als niveau 2 in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("NUTS") dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld, waarvoor de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen naar verwachting lager dan of gelijk aan de emissies waarover verslag is uitgebracht onder de titel „Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt” in bijlage V, deel D, van deze richtlijn, samen met een beschrijving van de methode en de gegevens die zij gebruikt hebben om die lijst op te stellenð De verslagen gaan vergezeld van een beschrijving van de methode en de gegevensbronnen die zijn gebruikt om het niveau van de emissies te berekenen. ïDie methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 7, onder a) (aangepast)

ð nieuw

3. De typische waarden voor de broeikasgasemissies ten gevolge van het verbouwen van landbouwgrondstoffen, zoals opgenomen in de in lid 2 bedoelde verslagen, indien het de lidstaten betreft, of  iIndien het buiten de Unie gelegen gebieden betreft, zoals opgenomen in de kunnen Ö door bevoegde organen opgestelde Õ verslagen die gelijkwaardig zijn aan die als bedoeld in lid 2, kunnen aan de Commissie worden voorgelegd.

4. De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 3125, lid 23, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in lid de leden Ö 2 en Õ 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouwgrondstoffen voor ð biomassabrandstoffen ï biobrandstoffen en vloeibare biomassa die typisch in die Ö de in die verslagen opgenomen Õ gebieden wordent geproduceerd voor de doeleinden van artikel 1726, lid 27. ð Die gegevens mogen dan ook worden gebruikt in de plaats van de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt als vastgelegd in deel D of E van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in deel C van bijlage VI voor biomassabrandstoffen. ï

5. 5. De Commissie schrijft en publiceert uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, een verslag over de geraamde typische en standaardwaarden in bijlage IV, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan de broeikasgasemissies van de vervoersector en de verwerkende industrie.

Indien uit de in de eerste alinea bedoelde verslagen blijkt dat de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage V, delen B en E, zouden moeten worden aangepast op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen, dient de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 7, onder c) (aangepast)

ð nieuw

57. De Commissie evalueert regelmatig de bijlagenð en VI ï , met het oog op de toevoeging ð of de herziening ï van waarden voor nieuwe productieketens voor biobrandstoffenð , vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen ï voor dezelfde of andere grondstoffen, indien daar aanleiding toe bestaat. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, ð en in bijlage VI, deel B, ï vastgestelde methode in overweging genomen, in het bijzonder met betrekking tot:

de wijze waarop afvalstoffen en residuen in aanmerking worden genomen;

de wijze waarop bijproducten in aanmerking worden genomen;

de wijze waarop warmtekrachtkoppeling in aanmerking wordt genomen, en

de status die aan residuen van landbouwproducten als bijproduct wordt gegeven..

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo spoedig mogelijk opnieuw bezien. Indien uit de evaluatie door de Commissie blijkt dat bijlage V ð of VI ï moet worden aangevuld ð gewijzigd ï, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 3225 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde in de delen A, B, D en E van bijlage V geraamde typische en standaardwaarden toe te voegen, doch niet te verwijderen of te wijzigen, voor productieketens voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvoor nog geen specifieke waarden in die bijlage zijn opgenomen.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

Ö In het geval van Õ Elke een aanpassing van of toevoeging aan de lijst van standaardwaarden in bijlage V ð of VI ï voldoet aan het volgende:

a) alswaarbij een factor in geringe mate bijdraagt tot de totale emissies, als de variatie beperkt is of als de kosten of moeilijkheden voor het vaststellen van feitelijke waarden groot zijn, moeten Ö worden Õ standaardwaarden worden gebruikt die typisch zijn voor normale productieprocessen.;

b) in alle andere gevallen moeten standaardwaarden worden gebruikt die conservatief zijn voor normale productieprocessen.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 7, onder d) (aangepast)

ð nieuw

68. Voor zover de uniforme toepassing van bijlage V, deel C, punt 9, ð en bijlage VI, deel B, ï dit vereist, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gedetailleerde technische specificaties Ö waaronder Õen definities ð , omzettingsfactoren, de berekening van jaarlijkse teeltgebonden emissies en/of emissiereducties door wijzigingen van boven- en ondergrondse koolstofvoorraden in reeds bebouwde grond en de berekening van emissiereducties door het afvangen, vervangen en geologisch opslaan van koolstof ï. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 31 25, lid 23, bedoelde onderzoeksprocedure.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 2029

Uitvoeringsmaatregelen

De in de tweede alinea van artikel 2617, lidleden 23 ð en 6 ï , de derde alinea van artikel 18, lid 3, artikel 27 18, lid 6, artikel 18, lid 8, artikel 19, lid 5, en de eerste alinea van artikel 28, lid 5 Ö en 6 Õ19, lid 7, en artikel 19, lid 8, bedoelde uitvoeringsmaatregelen houden ten volle rekening met de toepassing van artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG 51 .

ê 2009/28/EG

Artikel 22

Rapportage door de lidstaten

1. Elke lidstaat dient uiterlijk op 31 december 2011, en daarna om de twee jaar, bij de Commissie een verslag in over de voortgang die geboekt is bij het bevorderen en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Het zesde verslag, dat uiterlijk op 31 december 2021 moet worden ingediend, is het laatste verslag dat wordt verlangd.

In dat verslag moet met name het volgende zijn vermeld:

a) het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de voorbije twee kalenderjaren, in totaal en per sector (elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer) en de maatregelen die op nationaal niveau zijn genomen of gepland om de groei van energie uit hernieuwbare bronnen aan te moedigen, rekening houdende met de indicatieve keten van bijlage I, deel B, overeenkomstig artikel 5;

b) de invoering en werking van steunregelingen en andere maatregelen om energie uit hernieuwbare bronnen aan te moedigen, en eventuele ontwikkelingen van de gebruikte maatregelen in het nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen van de lidstaat en informatie over de wijze waarop de elektriciteit waarvoor steun wordt verleend, aan de eindafnemers wordt toegewezen ten behoeve van artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG;

c) de manier waarop de lidstaat, voor zover van toepassing, zijn steunregelingen heeft gestructureerd teneinde rekening te houden met toepassingen van energie uit hernieuwbare bronnen die aanvullende voordelen opleveren in vergelijking met andere, vergelijkbare toepassingen, maar die ook meer kosten, zoals biobrandstoffen uit afval, residuen, non-food cellulosemateriaal en lignocellulosisch materiaal;

d) de werking van het systeem van garanties van oorsprong voor elektriciteit en verwarming en koeling uit hernieuwbare energiebronnen en de maatregelen die zijn genomen om de betrouwbaarheid en fraudebestendigheid van dat systeem te garanderen;

e) de vooruitgang die geboekt is bij het beoordelen en verbeteren van de administratieve procedures voor het wegwerken van regelgevende en niet-regelgevende hinderpalen voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare energiebronnen;

f) de maatregelen die zijn genomen om de transmissie en distributie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te garanderen en om het kader of de regels voor het dragen en de verdeling van kosten, als bedoeld in artikel 16, lid 3, te verbeteren;

g) de ontwikkelingen op het gebied van de beschikbaarheid en het gebruik van biomassa voor energiedoeleinden;

h) wijzigingen in de grondstofprijzen en het landgebruik in de lidstaat ten gevolge van het toegenomen gebruik van biomassa en andere vormen van energie uit hernieuwbare bronnen;

ê 2015/1513 artikel 2, punt 9, onder a)

i) de ontwikkeling en het aandeel van biobrandstoffen uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, met inbegrip van een beoordeling van grondstoffen waarin de aandacht vooral uitgaat naar de duurzaamheidsaspecten die verband houden met de impact van de vervanging van de productie van voedsel en veevoeder door de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG en het beginsel biomassacascadering, met inachtneming van de regionale en lokale economische en technologische omstandigheden, het behoud van de nodige koolstofvoorraden in de bodem en de kwaliteit van de bodem en de ecosystemen;

ê 2009/28/EG

j) de verwachte impact van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa op de biodiversiteit, de watervoorraden en de water- en bodemkwaliteit in hun lidstaat;

k) de verwachte netto broeikasgasemissiereducties door het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;

l) zijn geraamde extra productie van energie uit hernieuwbare bronnen in vergelijking met de indicatieve keten die kan worden overgedragen aan andere lidstaten, alsmede het geraamde potentieel voor gezamenlijke projecten, tot 2020;

m) zijn geraamde vraag naar energie uit hernieuwbare bronnen waaraan tot 2020 moet worden voldaan met andere middelen dan binnenlandse productie;

n) informatie over de wijze van raming van het aandeel biologisch afbreekbaar afval in het voor de energieproductie gebruikte afval, en over de stappen die zijn genomen om dergelijke ramingen te verbeteren en te verifiëren; en

ê 2015/1513 artikel 2, punt 9, onder b)

o) de hoeveelheden biobrandstoffen en vloeibare biomassa in eenheden energie overeenkomstig de respectievelijke categorieën van de in bijlage VIII, deel A, vermelde gewasgroepen, die door die lidstaat in aanmerking worden genomen voor het behalen van de in artikel 3, leden 1 en 2, en in artikel 3, lid 4, eerste alinea, vermelde streefcijfers.

ê 2009/28/EG

2. Bij het ramen van de netto broeikasgasemissiereducties door het gebruik van biobrandstoffen mag de lidstaat, met het oog op de opstelling van de in lid 1 vermelde verslagen, gebruikmaken van de in delen A en B van bijlage V vermelde typische waarden.

3. In zijn eerste verslag moet de lidstaat aangeven of hij voornemens is:

a) één administratief orgaan op te richten voor de verwerking van aanvragen voor toestemmingen, certificaten en vergunningen voor installaties voor hernieuwbare energie en voor het verlenen van bijstand aan de indieners van aanvragen;

b) planning- en bouwaanvragen voor installaties voor hernieuwbare energie automatisch goed te keuren in het geval het vergunningverlenende orgaan niet binnen de gestelde termijnen heeft geantwoord; of

c) geografische locaties aan te duiden die geschikt zijn voor de exploitatie van energie uit hernieuwbare bronnen in het kader van hun ruimtelijke ordening en voor het inrichten van installaties voor stadsverwarming en -koeling.

4. In ieder verslag kan de lidstaat gegevens van eerdere verslagen corrigeren.

ê 2009/28/EG (aangepast)

è1 2015/1513 artikel 2, punt 10, onder a) (aangepast)

ð nieuw

Artikel 2330
Toezicht en rapportage door de Commissie

1. De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de in de Gemeenschap Ö Unie Õ verbruikte biobrandstoffen, en vloeibare biomassa ð en biomassabrandstoffen ï  en analyseert de gevolgen van de productie ervan, met inbegrip van de gevolgen van verdringingseffecten, voor het landgebruik in de Gemeenschap Ö Unie Õ en de belangrijkste derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de ð geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen ï verslagen van de lidstaten, ð zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening [governance], ï ingediend overeenkomstig artikel 22, lid 1, en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid. è1 --- ç

2. De Commissie pleegt overleg en wisselt informatie uit met derde landen, organisaties van producenten en consumenten van biobrandstoffen, ð vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen ï  en maatschappelijke organisaties over de algemene toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen met betrekking tot biobrandstoffen, en vloeibare biomassað en biomassabrandstoffen ï . Zij heeft in dat verband bijzondere aandacht voor het effect dat de productie van Ö die Õ biobrandstoffen  ð en vloeibare biomassa ï  op de prijs van levensmiddelen kan hebben.

3. Op basis van de verslagen die door de lidstaten zijn ingediend overeenkomstig artikel 22, lid 1, en op basis van het toezicht en de analyse die vermeld zijn in lid 1 van het onderhavige artikel, brengt de Commissie om de twee jaar verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad. Het eerste verslag wordt ingediend in 2012.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 10, onder b)

4. Bij de rapportage over de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa maakt de Commissie gebruik van de door de lidstaten gemelde hoeveelheden overeenkomstig artikel 22, lid 1, onder o), met inbegrip van de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende spreidingsbreedte die wordt afgeleid uit de gevoeligheidsanalyse bedoeld in bijlage VIII. De Commissie maakt de gegevens over de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende, uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide spreidingsbreedte voor het publiek toegankelijk. Bovendien evalueert de Commissie of en hoe de ramingen voor directe emissiereductie zouden veranderen als de substitutiemethode zou worden gebruikt bij het in aanmerking nemen van bijproducten.

ê 2009/28/EG

5. De Commissie analyseert in haar verslagen met name:

a) de relatieve kosten en baten van de verschillende biobrandstoffen voor het milieu, de gevolgen van het communautaire invoerbeleid voor deze kosten en baten, de gevolgen voor de continuïteit van de energievoorziening en de manier waarop een evenwichtige aanpak kan worden bereikt tussen productie in de Gemeenschap en invoer;

b) de gevolgen van de toegenomen vraag naar biobrandstoffen voor de duurzaamheid in de Gemeenschap en in derde landen, rekening houdend met de economische en de milieugevolgen ervan, waaronder de gevolgen voor de biodiversiteit;

c) de mogelijkheden om, op een wetenschappelijke en objectieve wijze, geografische gebieden met een grote biodiversiteit aan te duiden die niet onder artikel 17, lid 3, vallen;

d) de gevolgen van de toegenomen vraag naar biomassa op de sectoren die gebruikmaken van biomassa;

ê 2015/1513 artikel 2, punt 10, onder c)

e) de beschikbaarheid en duurzaamheid van biobrandstoffen uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, met inbegrip van een beoordeling van de impact van de vervanging van voedsel en veevoeder door de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG en het beginsel van biomassacascadering, met inachtneming van de regionale en lokale economische en technologische omstandigheden, het behoud van de nodige koolstofvoorraden in de bodem en de kwaliteit van de bodem en de ecosystemen;

f) informatie over en een analyse van de beschikbare wetenschappelijke onderzoeksresultaten inzake indirecte verandering in het landgebruik met betrekking tot alle productieketens, tezamen met een beoordeling van de vraag of de onzekerheidsmarge in de analyses die ten grondslag liggen aan de ramingen van door indirecte veranderingen in het landgebruik veroorzaakte emissies kan worden verkleind, en de mogelijke gevolgen van het beleid van de Unie, zoals het milieu-, het klimaat- en het landbouwbeleid, kunnen worden meegenomen, en

g) technologische ontwikkelingen en de beschikbaarheid van gegevens over het gebruik en de economische en milieugevolgen van in de Unie geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa uit specifieke niet voor voeding bestemde gewassen die primair voor energiedoeleinden worden geteeld.

ê 2009/28/EG

De Commissie stelt zo nodig corrigerende maatregelen voor.

6. Aan de hand van de verslagen die de lidstaten overeenkomstig artikel 22, lid 3, indienen, analyseert de Commissie de doeltreffendheid van de maatregelen van de lidstaten met het oog op de oprichting van één administratief orgaan voor de verwerking van aanvragen voor toestemmingen, certificaten en vergunningen en voor het verlenen van bijstand aan de indieners van aanvragen.

7. Ter verbetering van de financiering en de coördinatie met het oog op het halen van het in artikel 3, lid 1, bedoelde streefcijfer van 20 % legt de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 een analyse en een actieplan inzake energie uit hernieuwbare bronnen voor met het oog op met name:

a) een beter gebruik van de structuurfondsen en kaderprogramma’s;

b) een beter en intensiever gebruik van financiële middelen van de Europese Investeringsbank en andere openbare financiële instellingen;

c) een betere toegang tot risicokapitaal, met name door na te gaan of er in de Gemeenschap een risicodelende faciliteit voor investeringen in energie uit hernieuwbare bronnen kan worden opgezet, naar het voorbeeld van het wereldfonds voor energie-efficiëntie en energie uit hernieuwbare bronnen (Global Energy Efficiency and Renewable Energy Fund), dat bedoeld is voor derde landen;

d) een betere coördinatie tussen communautaire en nationale financiering en andere vormen van steunverlening;

e) een betere coördinatie ter ondersteuning van initiatieven op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen waarvan het succes afhankelijk is van het optreden van partijen in verscheidene lidstaten.

8. Uiterlijk op 31 december 2014 legt de Commissie een verslag voor waarin met name de volgende punten aan bod komen:

a) een evaluatie van de minimumdrempels voor de broeikasgasemissiereductie die vanaf de in artikel 17, lid 2, tweede alinea, bedoelde datums zullen gelden, op basis van een effectbeoordeling waarin in het bijzonder rekening wordt gehouden met de technologische ontwikkelingen, de beschikbare technologieën en de beschikbaarheid van biobrandstoffen van de eerste en tweede generatie die een grote broeikasgasemissiereductie opleveren;

ê 2015/1513 artikel 2, punt 10, onder d)

b) ten aanzien van de in artikel 3, lid 4, bedoelde streefcijfers, een toetsing van:

i) de kostenefficiëntie van de maatregelen die moeten worden uitgevoerd om de streefcijfers te halen;

ii) een beoordeling van de haalbaarheid van het verwezenlijken van de streefcijfers, met behoud van de duurzaamheid van de productie van biobrandstoffen in de Unie en derde landen en rekening houdend met de economische, maatschappelijke en milieugevolgen, waaronder indirecte effecten en gevolgen voor de biodiversiteit, en met de commerciële beschikbaarheid van biobrandstoffen van de tweede generatie;

iii) het effect van de maatregelen ter bereiking van de streefcijfers op de beschikbaarheid van levensmiddelen tegen betaalbare prijzen;

iv) de commerciële beschikbaarheid van elektrisch aangedreven voertuigen, hybride voertuigen en voertuigen op waterstof, en de gekozen methode om het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt in de vervoersector te berekenen;

v) de evaluatie van de specifieke marktomstandigheden, met name op markten waar brandstoffen voor vervoersdoeleinden meer dan de helft vertegenwoordigen van het eindverbruik van energie, en markten die volledig afhankelijk zijn van ingevoerde biobrandstoffen;

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

c) een evaluatie van de uitvoering van deze richtlijn, met name wat betreft samenwerkingsmechanismen, om ervoor te zorgen dat die mechanismen, samen met de mogelijkheid van voortzetting door de lidstaten van de in artikel 3, lid 3, bedoelde nationale steunregelingen, de lidstaten in staat stellen om op basis van de beste kosten-batenverhouding hun nationale streefcijfers van bijlage I te bereiken, van de technologische ontwikkelingen en van de conclusies die moeten worden getrokken om op Gemeenschapsniveau het streefcijfer van 20 % energie uit hernieuwbare energiebronnen te halen.

Op basis van dit verslag doet de Commissie, zo nodig, aan het Europees Parlement en de Raad voorstellen die zich op bovenstaande punten richten en met name:

ten aanzien van het onder a) genoemde punt, een wijziging van de daarin genoemde minimale broeikasgasemissiereducties; en

ten aanzien van het onder c) genoemde punt, nodige aanpassingen van de in deze richtlijn bepaalde samenwerkingsmaatregelen teneinde hun doeltreffendheid bij het halen van het streefcijfer van 20 % te verbeteren. Zulke voorstellen doen geen afbreuk aan het streefcijfer van 20 % en laat de controle van de lidstaten op de nationale steunregelingen en samenwerkingsmaatregelen onverlet.

39. In 2018 Ö2026Õ presenteert de Commissie een routekaart voor energie uit hernieuwbare bronnen voor de periode na 2020 ð wetgevingsvoorstel over het regelgevingskader voor de bevordering van hernieuwbare energie voor de periode na 2030 ï.

Deze routekaart gaat eventueel vergezeld van voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad voor de periode na 2020. In de routekaart ð dit voorstel ï wordt rekening gehouden met de ervaringen bij de uitvoering van deze richtlijnð , met inbegrip van de erin opgenomen duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereducte, ï en de technologische ontwikkelingen op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen.

410. In 2021 Ö 2032 Õ dient de Commissie een verslag in waarin de toepassing van deze richtlijn wordt geëvalueerd. In dit verslag wordt met name bekeken in hoeverre de volgende elementen de lidstaten in staat hebben gesteld de in bijlage I vermelde nationale streefcijfers te halen met de beste kosten-batenverhouding:

   a) de voorbereiding van ramingen en nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen;

   b) de doeltreffendheid van de samenwerkingsmechanismen;

   c) de technologische ontwikkelingen op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen, waaronder de ontwikkeling van het gebruik van biobrandstoffen in de commerciële luchtvaart;

   d) de doeltreffendheid van de nationale steunregelingen;

   e) de conclusies van de in de leden 8 en 9 bedoelde verslagen van de Commissie.

Artikel 24

Transparantieplatform

1. De Commissie zet een online openbaar transparantieplatform op. Dit platform heeft ten doel de transparantie te vergroten en de samenwerking tussen de lidstaten te faciliteren en te stimuleren, in het bijzonder op het stuk van de in artikel 6 bedoelde statistische overdrachten en de in de artikelen 7 en 9 bedoelde gezamenlijke projecten. Daarnaast kan het platform worden gebruikt voor het openbaar maken van informatie die de Commissie of een lidstaat van wezenlijk belang acht voor deze richtlijn en het bereiken van de daarin vermelde doelstellingen.

2. De Commissie maakt op het transparantieplatform de hierna genoemde informatie openbaar, in voorkomend geval in geaggregeerde vorm, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie:

a) de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen van de lidstaten;

b) de in artikel 4, lid 3, genoemde ramingsdocumenten van de lidstaten, zo spoedig mogelijk aangevuld met een overzicht door de Commissie van de extra productie en de geraamde importvraag;

c) het aanbod van de lidstaten om, op verzoek van de betrokken lidstaat, mee te werken aan statistische overdrachten of gezamenlijke projecten;

d) de in artikel 6, lid 2, genoemde informatie over de statistische overdrachten tussen de lidstaten;

e) de in artikel 7, leden 2 en 3, en artikel 9, leden 4 en 5, bedoelde informatie over gezamenlijke projecten;

f) de in artikel 22 genoemde nationale verslagen van de lidstaten;

g) de in artikel 23, lid 3, genoemde verslagen van de Commissie.

Op verzoek van de lidstaat die de informatie heeft verstrekt, maakt de Commissie de in artikel 4, lid 3, bedoelde ramingsdocumenten van de lidstaten of de informatie in de in artikel 22, lid 1, letters l) en m), bedoelde nationale rapporten van de lidstaten evenwel niet openbaar.

ê 2015/1513 artikel 2

ð nieuw

Artikel 2531

Comitéprocedure

1. Behoudens de in lid 2 bedoelde gevallen, wordt dDe Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor hernieuwbare energiebronnen ð comité voor de energie-unieï . Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 52  ð en is werkzaam in de respectieve sectorale samenstellingen die relevant zijn voor deze verordening ï .

2. 2. Voor aangelegenheden die verband houden met de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa wordt de Commissie bijgestaan door het Comité voor de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

23. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Als het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 12 (aangepast)

Artikel 25 bis32

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 3 Ö 7 Õ, lid 5, artikel 5, lid 5 Ö 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6 Õ, en artikel Ö 28, lid 5 Õ 19, lid 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 5 oktober 2015 Ö 1 januari 2021 Õ .

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3 Ö 7 Õ, lid 5, artikel 5, lid 5 Ö 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, Õ en artikel Ö 28, lid 5 Õ 19, lid 7, bedoelde

bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

Ö 4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in het interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Õ

ê 2015/1513 artikel 2, punt 12 (aangepast)

45. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

56. Een overeenkomstig artikel 3 Ö 7 Õ, lid 5, artikel 5, lid 5 Ö 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6 Õ, en artikel 28, lid 519, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van genoemde termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

ê 2009/28/EG (aangepast)

Artikel 26

Wijzigingen en intrekking

1. In Richtlijn 2001/77/EG worden artikel 2, artikel 3, lid 2, en de artikelen 4 tot en met 8 geschrapt met ingang van 1 april 2010.

2. In Richtlijn 2003/30/EG worden artikel 2, artikel 3, leden 2, 3 en 5, en de artikelen 5 en 6 geschrapt met ingang van 1 april 2010.

3. De Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2012.

ê 2009/28/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 2733

Omzetting

1. Onverminderd artikel 4, leden 1, 2 en 3, doen de De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ð 30 juni 2021 ï 5 december 2010 aan de richtlijn te voldoen. ð Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee. ï

Wanneer de lidstaten deze Ö die bepalingen Õ aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. Ö In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten. Õ

2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de tekst van de belangrijke bepalingen van nationaal recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

ò nieuw

Artikel 34

Intrekking

Richtlijn 2009/28/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage XI, deel A, genoemde richtlijnen, wordt met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XI, deel B, genoemde richtlijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XII.

ê 2009/28/EG (aangepast)

Artikel 2835

Inwerkingtreding 

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie Ö 1 januari 2021 Õ.

Artikel 2936

Geadresseerden

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1) Conclusies van de Europese Raad van 19-20 maart 2015, 17-18 december 2015 en 17-18 maart 2016.
(2) Bron: Bloomberg New Energy Finance (2014). 2030 Market Outlook; Internationaal Energieagentschap (2014). World Energy Investment Outlook.
(3) 40 % van het eindenergieverbruik volgens het PRIMES EUCO27-scenario.
(4) PB L 123 van 12 mei 2016, blz. 1.
(5) De adviezen zijn beschikbaar op: http://ec.europa.eu/smart-regulation/impact/ia_carried_out/cia_2016_en.htm . Meer specifieke opmerkingen over de adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing zijn opgenomen in bijlage I van de effectbeoordeling bij dit voorstel.
(6) Zie bijvoorbeeld de conclusies van het Europees regelgevingsforum voor elektriciteit dat op 13 en 14 juni 2016 plaatsvond: "Het forum spoort de Commissie aan om gemeenschappelijke voorschriften inzake steunregelingen te ontwikkelen als onderdeel van de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie teneinde een marktgebaseerde en meer geregionaliseerde aanpak voor hernieuwbare energie te bevorderen."
(7) "Een EU-strategie voor verwarming en koeling" (COM (2016) 51 final).
(8) Persson & Muenster (2016). Current and future prospects for heat recovery from waste in European district heating systems: A literature and data review. Energy. September 2016.
(9) "Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit" (COM(2016) 501 final).
(10) PB C 77 van 31.3.2009, blz. 43.
(11) PB C 325 van 19.12.2008, blz. 12.
(12) Advies van het Europees Parlement van 17 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 april 2009.
(13) Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG.
(14) Zie bijlage XI, deel A.
(15) “Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030” (COM/2014/015 final).
(16) Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (PB L 283 van 27.10.2001, blz. 33).
(17) Richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (PB L 123 van 17.5.2003, blz. 42).
(18) Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1).
(19) Ö Richtlijn XXXX/XX/EU van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (PB L...). Õ
(20) PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58.
(21) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 82.
(22) PB L 1 van 4.1.2003, blz. 65.
(23) PB L 191 van 22.7.2005, blz. 29.
(24) PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64.
(25) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(26) PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.
(27) Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1)
(28) PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.
(29) Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
(30) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
(31) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.
(32) PB L 52 van 21.2.2004, blz. 50.
(33) Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1).
(34) Beschikking 89/367/EEG van de Raad van 29 mei 1989 tot instelling van een Permanent Comité voor de bosbouw (PB L 165 van 15.6.1989, blz. 14).
(35) Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).
(36) Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
(37) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de voorschriften en algemene beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PJ L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(38) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(39) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.
(40) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(41) Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).
(42) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(43) Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
(44) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
(45) Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1).
(46) PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1.
(47) PB L 301 van 20.11.2007, blz. 14.
(48) PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57.
(49) PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.
(50) Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
(51) Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).
(52) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Top

Brussel, 23.2.2017

COM(2016) 767 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking)

{SWD(2016) 416 final}
{SWD(2016) 417 final}
{SWD(2016) 418 final}
{SWD(2016) 419 final}


ê 2009/28/EC

ð nieuw

BIJLAGE I

Totale nationale streefcijfers voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2020 1

A. Algemene nationale doelstellingen

Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie, 2005 (S2005)

Streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie, 2020 (S2020)

België

2,2 %

13 %

Bulgarije

9,4 %

16 %

Tsjechië

6,1 %

13 %

Denemarken

17,0 %

30 %

Duitsland

5,8 %

18 %

Estland

18,0 %

25 %

Ierland

3,1 %

16 %

Griekenland

6,9 %

18 %

Spanje

8,7 %

20 %

Frankrijk

10,3 %

23 %

ð Kroatië ï

ð 12,6% ï

ð 20 % ï

Italië

5,2 %

17 %

Cyprus

2,9 %

13 %

Letland

32,6 %

40 %

Litouwen

15,0 %

23 %

Luxemburg

0,9 %

11 %

Hongarije

4,3 %

13 %

Malta

0,0 %

10 %

Nederland

2,4 %

14 %

Oostenrijk

23,3 %

34 %

Polen

7,2 %

15 %

Portugal

20,5 %

31 %

Roemenië

17,8 %

24 %

Slovenië

16,0 %

25 %

Slowakije

6,7 %

14 %

Finland

28,5 %

38 %

Zweden

39,8 %

49 %

Verenigd Koninkrijk

1,3 %

15 %

B. Indicatieve keten

De in artikel 3, lid 2, vermelde indicatieve keten bestaat uit de volgende aandelen van energie uit hernieuwbare bronnen:

S2005 + 0,20 (S2020 – S2005), als gemiddelde voor de periode 2011 tot en met 2012;

S2005 + 0,30 (S2020 – S2005), als gemiddelde voor de periode 2013 tot en met 2014;

S2005 + 0,45 (S2020 – S2005), als gemiddelde voor de periode 2015 tot en met 2016; en

S2005 + 0,65 (S2020 – S2005), als gemiddelde voor de periode 2017 tot en met 2018,

waarbij

S2005 = het aandeel voor die lidstaat in 2005, zoals aangegeven in de tabel in deel A,

en

S2020 = het aandeel voor die lidstaat in 2020, zoals aangegeven in de tabel in deel A.

ê 2009/28/EC

BIJLAGE II

Normaliseringsregel voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met waterkracht en windenergie

Voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met waterkracht in een bepaalde lidstaat wordt de volgende formule toegepast:

(QN(norm))( CN[(/(i)( N 14))(QiCi)] 15) Waarbij:

N

=

referentiejaar;

QN(norm)

=

de genormaliseerde elektriciteit die is opgewekt door alle waterkrachtcentrales van de lidstaat in jaar N;

Qi

=

de hoeveelheid elektriciteit die in jaar i werkelijk is opgewekt door alle waterkrachtcentrales van de lidstaat, gemeten in GWh, met uitzondering van productie door middel van pompaccumulatie waarbij gebruik wordt gemaakt van water dat eerder omhoog is gepompt;

Ci

=

de totale geïnstalleerde capaciteit, exclusief pompaccumulatie, van alle waterkrachtcentrales van de lidstaat aan het eind van jaar i, gemeten in MW.

Voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met windenergie in een bepaalde lidstaat wordt de volgende formule toegepast:

(QN(norm))((CN CN 12)((/(i)(Nn))Qi(/(j)(Nn))(Cj Cj 12))) waarbij:

N

=

referentiejaar;

QN(norm)

=

de genormaliseerde elektriciteit die is opgewekt door alle windturbines van de lidstaat in jaar N;

Qi

=

de hoeveelheid elektriciteit die in jaar i werkelijk is opgewekt door alle windkrachtturbines van de lidstaat, gemeten in GWh;

Cj

=

de totale geïnstalleerde capaciteit van alle windturbines van de lidstaat aan het eind van jaar j, gemeten in MW;

n

=

4 of het aantal jaren voorafgaand aan het jaar N waarvoor capaciteits- en productiegegevens beschikbaar zijn voor de lidstaat in kwestie, als dat aantal lager is.

ê 2009/28/EC (aangepast)

ð nieuw

BIJLAGE III

Energie-inhoud van transportbrandstoffen

Brandstof

Energie-inhoud per

gewicht (calorische

onderwaarde,

MJ/kg)

Energie-inhoud per

volume (calorische

onderwaarde,

MJ/l)

BRANDSTOFFEN UIT BIOMASSA EN/ OF BIOMASSAVERWERKING

Biopropaan

46

24

Zuivere plantaardige olie (olie die uit oliehoudende planten is verkregen door persing, extractie of vergelijkbare procedés, ruw of geraffineerd maar niet chemisch gemodificeerd)

37

34

Biodiesel - vetzuurmethylester (methylester geproduceerd uit olie uit biomassa)

37

33

Biodiesel - vetzuurethylester (ethylester geproduceerd uit olie uit biomassa)

38

34

Biogas dat kan worden gezuiverd tot de kwaliteit van aardgas

50

-

Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van diesel

44

34

Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van benzine

45

30

Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof

44

34

Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van vloeibaar petroleumgas

46

24

Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet door pyrolyse ontlede biomassa, ter vervanging van diesel

43

36

Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet door pyrolyse ontlede biomassa, ter vervanging van benzine

44

32

Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet door pyrolyse ontlede biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof

43

33

Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet door pyrolyse ontlede biomassa, ter vervanging van vloeibaar petroleumgas

46

23

HERNIEUWBARE BRANDSTOFFEN DIE GEPRODUCEERD KUNNEN WORDEN UIT VERSCHILLENDE HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN, OOK ANDERE DAN BIOMASSA

Methanol uit hernieuwbare energiebronnen

20

16

Ethanol uit hernieuwbare energiebronnen

27

21

Propanol uit hernieuwbare energiebronnen

31

25

Butanol uit hernieuwbare energiebronnen

33

27

Fischer-Tropsch diesel (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen ter vervanging van diesel)

44

34

Fischer-Tropsch benzine (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen, geproduceerd uit biomassa, ter vervanging van benzine)

44

33

Fischer-Tropsch vliegtuigbrandstof (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen, geproduceerd uit biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof)

44

33

Fischer-Tropsch vloeibaar petroleumgas (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen ter vervanging van vloeibaar petroleumgas)

46

24

DME (dimethylether)

28

19

Waterstof uit hernieuwbare bronnen

120

-

ETBE (ethyl-tertiair-butylether op basis van ethanol)

36 (waarvan 37 % uit hernieuwbare bronnen)

27 (waarvan 37 % uit hernieuwbare bronnen)

MTBE (methyl-tertiair-butylether op basis van methanol)

35 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)

26 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)

TAEE (ethyl-tertiair-amylether op basis van ethanol)

38 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)

29 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)

TAME (methyl-tertiair-amylether op basis van ethanol)

36 (waarvan 18 % uit hernieuwbare bronnen)

28 (waarvan 18 % uit hernieuwbare bronnen)

TAME (methyl-tertiair-amylether op basis van ethanol)

38 (waarvan 25 % uit hernieuwbare bronnen)

30 (waarvan 25 % uit hernieuwbare bronnen)

THxME (hexyl-tertiair-methylether op basis van ethanol)

38 (waarvan 14 % uit hernieuwbare bronnen)

30 (waarvan 14 % uit hernieuwbare bronnen)

FOSSIELE BRANDSTOFFEN

Benzine

43

32

Diesel

43

36

ê 2009/28/EC

Brandstof

Energie-inhoud per gewicht

(calorische onderwaarde, MJ/kg)

Energie-inhoud per volume

(calorische onderwaarde, MJ/l)

Bio-ethanol (ethanol uit biomassa)

27

21

Bio-ETBE (op basis van bio-ethanol geproduceerde ethyl-tertiair-butylether)

36 (waarvan 37 % uit hernieuwbare bronnen)

27 (waarvan 37 % uit hernieuwbare bronnen)

Biomethanol (methanol uit biomassa, voor toepassing als biobrandstof)

20

16

Bio-MTBE (op basis van bio-methanol geproduceerde methyl-tertiair-butylether)

35 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)

26 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)

Bio-DME (op basis van biomassa geproduceerde dimethylether, voor toepassing als biobrandstof)

28

19

Bio-TAEE (op basis van bio-ethanol geproduceerde ethyl-tertiair-amylether)

38 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)

29 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)

Biobutanol (butanol uit biomassa, voor toepassing als biobrandstof)

33

27

Biodiesel (methylester op basis van plantaardige of dierlijke olie, van dieselkwaliteit, voor toepassing als biobrandstof)

37

33

Fischer-Tropsch diesel (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen uit biomassa)

44

34

Waterstofbehandelde plantaardige olie (plantaardige olie die thermochemisch is behandeld met waterstof)

44

34

Zuivere plantaardige olie (olie die uit oliehoudende planten is verkregen door persing, extractie of vergelijkbare procedures, ruw of geraffineerd maar niet chemisch gemodificeerd, voor zover verenigbaar met het betreffende motortype en de overeenkomstige emissie-eisen)

37

34

Biogas (een brandstofgas uit biomassa en/of uit het biologisch afbreekbare gedeelte van afval, dat kan worden gezuiverd tot de kwaliteit van aardgas, voor toepassingen als biobrandstof, of houtgas)

50

Benzine

43

32

Diesel

43

36

ê 2009/28/EC

BIJLAGE IV

Certificering van installateurs

De in artikel 18 14, lid 3, bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen worden gebaseerd op de volgende criteria:

1. Het certificerings- of kwalificatieproces moet transparant en duidelijk gedefinieerd zijn door de lidstaat of het door de lidstaat aangeduide administratief orgaan.

2. Installateurs van biomassa-installaties, warmtepompen, ondiepe geothermische installaties en installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie moeten worden gecertificeerd op basis van een geaccrediteerd opleidingsprogramma of een geaccrediteerde opleidingsverstrekker.

3. De accreditering van het opleidingsprogramma of de opleidingsverstrekker gebeurt door de lidstaat of de door de lidstaat aangeduide administratieve organen. Het accrediteringsorgaan ziet toe op de continuïteit en de regionale of nationale dekking van het door de opleidingsverstrekker aangeboden opleidingsprogramma. De opleidingsverstrekker moet over passende technische voorzieningen beschikken om praktische opleidingen te verstrekken, inclusief bepaalde laboratoriumapparatuur, of over overeenkomstige faciliteiten om praktische opleidingen te verstrekken. De opleidingsverstrekker moet naast de basisopleiding ook kortere opfriscursussen over actuele thema’s aanbieden, bijvoorbeeld over nieuwe technologieën, om installateurs de mogelijkheid te bieden levenslang te leren. De opleidingen mogen worden verstrekt door de fabrikant van de apparatuur of het systeem, of door een instelling of vereniging.

4. De opleiding op basis waarvan de installateur wordt gecertificeerd of gekwalificeerd wordt bevonden, moet zowel een theoretisch als een praktisch gedeelte omvatten. Aan het einde van de opleiding moet de installateur over de nodige vaardigheden beschikken om de relevante apparatuur en systemen te installeren volgens de prestatie- en betrouwbaarheidsvereisten van de klant, om vakmanschap van hoge kwaliteit te leveren en om aan alle toepasselijke voorschriften en normen te voldoen, inclusief die op het vlak van de energie- en milieukeur.

5. De opleiding eindigt met een examen en het uitreiken van een certificaat of kwalificatiebewijs. Het examen omvat een beoordeling van het praktische vermogen van de installateur om ketels of kachels op biomassa, warmtepompen, ondiepe geothermische installaties of installaties voor fotovoltaïsche en solaire thermische zonne-energie te installeren.

6. In de in artikel 18 14, lid 3, bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen wordt terdege rekening gehouden met de volgende richtsnoeren:

a) Geaccrediteerde opleidingsprogramma’s moeten worden aangeboden aan installateurs met werkervaring, die de volgende typen opleiding hebben gevolgd of volgen:

i) in het geval van installateurs van ketels en kachels op biomassa zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter, buizenfitter, technicus of monteur van sanitaire, verwarmings- of koelingsapparatuur;

ii) in het geval van installateurs van warmtepompen zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter of koeltechnicus met basisvaardigheden elektriciteit en loodgieterij (buizen snijden, solderen, buizen verbinden, verlijmen van buisverbindingen, isoleren, fittings dichten, testen op lekken en installeren van verwarmings- of koelingssystemen);

iii) in het geval van installateurs van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter of elektricien met vaardigheden op het gebied van loodgieterij, elektriciteit en dakwerken, inclusief kennis van het solderen van buisverbindingen, het verlijmen van buisverbindingen, het dichten van fittings, het testen van loodgieterij op lekken, het aansluiten van bekabeling, en vertrouwd zijn met basismaterialen voor dakwerken en met methoden voor afvonken en dichten; of

iv) een beroepsopleiding die de installateur de vaardigheden verschaft die overeenstemmen met een driejarige opleiding in de onder a), b) of c) vermelde vaardigheden en die bestaat uit theoretische en praktische cursussen.

b) Het theoretisch gedeelte van de opleiding tot installateur van ketels en kachels op biomassa moet een overzicht verschaffen van de marktsituatie van biomassa en betrekking hebben op de ecologische aspecten, brandstoffen op basis van biomassa, logistieke aspecten, brandbeveiliging, desbetreffende subsidies, verbrandingstechnieken, opstarttechnieken, optimale hydraulische oplossingen, vergelijking van kosten en baten en opstelling, installatie en onderhoud van ketels en kachels op biomassa. De opleiding moet ook zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen voor biomassatechnieken en -brandstoffen, zoals pellets, en van nationaal en Gemeenschapsrecht met betrekking tot biomassa.

c) Het theoretisch gedeelte van de opleiding tot installateur van warmtepompen moet een overzicht verschaffen van de marktsituatie van warmtepompen en betrekking hebben op de geothermische situatie en de ondergrondtemperaturen in verschillende regio’s, het vaststellen van de thermische geleiding van bodemlagen en rotsen, regelgeving betreffende het gebruik van geothermische grondstoffen, de haalbaarheid van het gebruik van warmtepompen in gebouwen en het bepalen van het meeste geschikte warmtepompsysteem, alsook kennis van de technische vereisten en de vereisten inzake veiligheid, luchtfiltering, aansluiting op de warmtebron en systeemontwerp. De opleiding moet ook zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen voor warmtepompen en van relevant nationaal en Gemeenschapsrecht. De installateur moet aantonen dat hij over de volgende essentiële vaardigheden beschikt:

i) een basiskennis van de fysische en operationele beginselen van een warmtepomp, met inbegrip van de kenmerken van de warmtepompcyclus: het verband tussen de lage temperatuur van de warmteput, de hoge temperatuur van de warmtebron en de efficiëntie van het systeem, de vaststelling van de prestatiecoëfficiënt en het seizoensgebonden rendement;

ii) een begrip van de onderdelen van een warmtepompcyclus en hun functie, inclusief de compressor, expansieklep, verdamper, condensator, bevestigingen en fittings, smeerolie, koelvloeistof, en de mogelijkheden tot oververhitting en subkoeling en koeling met warmtepompen; en

iii) het vermogen om in typische installatiesituaties correct gedimensioneerde onderdelen te kiezen, inclusief het bepalen van de typische waarden voor de warmtebelasting van verschillende gebouwen en voor de productie van warm water op basis van energieverbruik, het bepalen van de capaciteit van de warmtepomp voor de warmtebelasting voor warmwaterproductie, voor de opslagmassa van het gebouw en voor de levering van onderbreekbare stroom; het bepalen van de buffertank en het volume en de integratie van een tweede verwarmingssysteem.

d) Het theoretische gedeelte van de opleiding tot installateur van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie moet een overzicht verschaffen van de marktsituatie van zonne-energieproducten en vergelijking van kosten en baten, en betrekking hebben op ecologische aspecten, onderdelen, kenmerken en de dimensionering van zonne-energiesystemen, de selectie van nauwkeurige systemen en de dimensionering van onderdelen, het bepalen van de warmtebehoefte, brandbescherming, desbetreffende subsidies, en het ontwerp, de installatie en het onderhoud van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie. De opleiding moet ook zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen inzake deze technologie, en van certificaten zoals Solar Keymark en dehet daarmee verband houdende nationaale en Gemeenschapsrecht. De installateur moet aantonen dat hij over de volgende essentiële vaardigheden beschikt:

i) het vermogen om veilig te werken, met de juiste gereedschappen en apparatuur, om de veiligheidsvoorschriften en -normen toe te passen en om te identificeren welke gevaren inzake loodgieterij, elektriciteit en andere gevaren gepaard gaan met zonne-installaties;

ii) het vermogen om systemen te identificeren en onderdelen die specifiek zijn voor actieve en passieve systemen, met inbegrip van het mechanische ontwerp, en om de locatie, het systeemontwerp en de configuratie van de onderdelen te bepalen;

iii) het vermogen om de juiste plaats, oriëntatie en hoek voor de installatie van warmwaterketels op fotovoltaïsche en thermische zonne-energie te bepalen, rekening houdende met schaduwwerking, toegankelijkheid voor zonlicht, structurele integriteit, geschiktheid van de installatie voor het gebouw of het klimaat, geschiktheid van verschillende installatiemethoden voor verschillende daktypen en het evenwicht van de voor de installatie benodigde systeemapparatuur; en

iv) met name voor fotovoltaïsche systemen: het vermogen om het ontwerp van de elektriciteitsinstallatie aan te passen, inclusief het vaststellen van ontwerpspanningen, het selecteren van de geschikte spanning en oppervlaktegeleiding van elk elektrisch circuit, het bepalen van de juiste grootte en de locatie van alle randapparatuur en subsystemen en het selecteren van een geschikt aansluitpunt.

e) Het installateurscertificaat moet beperkt zijn in de tijd; om de certificering te behouden, moet een opfriscursus of -seminar worden gevolgd.

ê 2009/28/EC (aangepast)

ð nieuw

BIJLAGE V

Regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie

A. Typische en standaardwaarden voor biobrandstoffen die geproduceerd zijn zonder netto koolstofemissies door veranderingen in het landgebruik

Keten voor de productie van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissiereducties

Standaard-broeikasgasemissiereducties

Suikerbietethanol  ð (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) ï 

61 % ð 67% ï 

52 ð 59 ï %

 ð Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) ï 

ð 77 % ï 

ð 73 % ï 

 ð Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale*) ï 

ð 73 % ï 

ð 68 % ï

 ð Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale*) ï 

ð 79 % ï 

ð 76 % ï 

 ð Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale*) ï 

ð 58 % ï 

ð 46 % ï 

 ð Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale*) ï 

ð 71 % ï 

ð 64 % ï 

Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd)

32 %

16 %

Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie)

32 %

16 %

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

45 %

34 %

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)

53 %

47 %

Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie)

69 %

69 %

ð Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) ï 

ð 48 % ï 

ð 40 % ï 

Maïisethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie ð * ï)

56 ð 55 ï %

49 ð 48 % ï

ð Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï 

ð 40 % ï 

ð 28 % ï 

ð Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï 

ð 69 % ï 

ð 68 % ï 

ð Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) ï 

ð 47 % ï 

ð 38 % ï 

ð Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï 

ð 53 % ï 

ð 46 % ï 

ð Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï 

ð 37 % ï 

ð 24 % ï 

ð Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï 

ð 67 % ï 

ð 67 % ï 

Suikerrietethanol

ð 70 % ï

ð 70 % ï

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ethyl-tertiair-butylether (ETBE)

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van amyl-tertiair-ethylether (TAEE)

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

45 ð 52 ï %

38 ð 47 ï %

Biodiesel uit zonnebloemen

58 ð 57 ï %

51 ð 52 ï %

Biodiesel uit sojabonen

40 ð 55 ï %

31 ð 50 ï %

Biodiesel uit palmolie ( ð open effluentvijver ï proces niet gespecificeerd)

36 ð 38 ï %

19 ð 25 ï %

Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

62 ð 57 ï %

56 ð 51 ï %

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie(*) ð afgewerkte bak- en braadolie ï

88 ð 83 ï %

83 ð 77 ï %

ð Biodiesel van dierlijk vet ï

ð 79 % ï

ð 72 % ï 

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

51 %

47 %

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

ð 58 ï 65 %

ð 54 ï 62 %

ð Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen ï

ð 55 % ï 

ð 51 % ï 

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie ( ð open effluentvijver ï proces niet gespecificeerd)

40 %

ð 28 ï 26 %

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

ð 59 ï 68 %

ð 55 ï 65 %

ð Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie ï

ð 90 % ï 

ð 87 % ï 

ð Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet ï

ð 87 % ï 

ð 83 % ï 

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad 

ð 59 % ï 58%

57 %

ð Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen ï

ð 65 % ï 

ð 64 % ï 

ð Zuivere plantaardige olie uit sojabonen ï

ð 62 % ï 

ð 61 % ï 

ð Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver) ï 

ð 46 % ï 

ð 36 % ï 

ð Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek) ï 

ð 65 % ï 

ð 63 % ï 

ð Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie ï

ð 98 % ï 

ð 98 % ï 

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

80 %

73 %

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

84 %

81 %

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

86 %

82 %

(*) Niet inbegrepen dierlijke olie vervaardigd van dierlijke bijproducten die zijn ingedeeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (1) 2

ò nieuw

(*)    Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als ALLE proceswarmte van WKK afkomstig is.

ê 2009/28/EC (aangepast)

ð nieuw

B. Geraamde typische en standaardwaarden voor toekomstige biobrandstoffen die in januari 2008 Ö 2016 Õ niet of alleen in verwaarloosbare hoeveelheden op de markt waren, voor zover ze zijn geproduceerd zonder netto koolstofemissies door veranderingen in landgebruik

Keten voor de productie van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissiereducties

Standaard-broeikasgasemissiereducties

Ethanol uit graanstro

87 % ð 85 % ï

85 % ð 83 % ï

Ethanol uit afvalhout

80 %

74 %

Ethanol uit geteeld hout

76 %

70 %

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout ð in vrijstaande installatie ï 

95 %ð 85% ï

95 %ð 85% ï

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout ð in vrijstaande installatie ï 

93 %ð 78 % ï

93 %ð 78 % ï

ð Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout in vrijstaande installatie ï

 ð 85 % ï

 ð 85 % ï

ð Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie ï 

ð 78 % ï

ð 78 % ï

dimethylether (DME) uit afvalhout ð in vrijstaande installatie ï 

ð 86% ï 95%

ð 86% ï 95%

DME uit geteeld hout ð in vrijstaande installatie ï

ð 79 % ï 92 %

ð 79 % ï 92 %

Methanol uit afvalhout ð in vrijstaande installatie ï

94 %ð 86 % ï

94 %ð 86 % ï

Methanol uit geteeld hout ð in vrijstaande installatie ï

91 %ð 79 % ï

91 %ð 79 % ï

ð Fischer – Tropsch diesel uit vergassing van black liquor, geïntegreerd in cellulosefabriek ï

ð 89 % ï 

ð 89 % ï

ð Fischer – Tropsch benzine uit vergassing van black liquor, geïntegreerd in cellulosefabriek ï

ð 89 % ï

ð 89 % ï

ð DME uit vergassing van black liquor, geïntegreerd in cellulosefabriek ï

ð 89 % ï

ð 89 % ï

ð DME uit vergassing van black liquor, geïntegreerd in cellulosefabriek ï 

ð 89 % ï

ð 89 % ï

Het gedeelte methyl-tertiair-butylether (MTBE) uit hernieuwbare bronnen

Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

C. Methode

1. Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van brandstoffen, biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor vervoer worden als volgt berekend:

ò nieuw

a) Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van biobrandstoffen worden als volgt berekend:

ê 2009/28/EC (aangepast)

E = eec + el + ep + etd + euescaeccseccr eee,

waarbij

E

=

de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de brandstof;

eec

=

emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van grondstoffen;

el

=

de op jaarbasis berekende emissies van wijzigingen in koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik;

ep

=

emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;

etd

=

emissies ten gevolge van vervoer en distributie;

eu

=

emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;

esca

=

emissiereductie door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter landbouwbeheer;

eccs

=

emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof; Ö en Õ

eccr

=

emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof; en

eee

=

emissiereductie door extra elektriciteit door warmtekrachtkoppeling.

Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen rekening gehouden.

ò nieuw

b)     Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van vloeibare biomassa worden op dezelfde manier berekend als die door biobrandstoffen (E), maar met de nodige uitbreiding die nodig is voor de omzetting van energie in de geproduceerde elektriciteit en/of warmte en koeling, nl. als volgt:

i) Voor energie-installaties die alleen warmte leveren:

ii) Voor energie-installaties die alleen elektriciteit leveren:

waarbij

EC h,el = Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.

E = Totaal aan broeikasgasemissies van de vloeibare biomassa vóór de eindomzetting.

ηel = Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse input van vloeibare biomassa, op basis van de energie-inhoud daarvan.

ηh = Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse input van vloeibare biomassa, op basis van de energie-inhoud daarvan.

iii) Voor de elektriciteit of de mechanische energie van energie-installaties die tegelijk nuttige warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren;

iv) Voor de nuttige warmte van energie-installaties die tegelijk warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren;

waarbij

EC h,el = Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.

E = Totaal aan broeikasgasemissies van de vloeibare biomassa vóór de eindomzetting.

ηel = Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.

ηh = Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.

Cel = De exergiefractie in de elektriciteit, en/of de mechanische energie, vastgesteld op 100 % (Cel = 1).

Ch = Het Carnotrendement (exergiefractie in de nuttige warmte).

Het Carnotrendement, Ch , voor nuttige warmte bij verschillende temperaturen wordt gedefinieerd als:

waarbij

Th = Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.

T0 = Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273 kelvin (gelijk aan 0 °C)

Voor Th , < 150 °C (423.15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:

Ch = Het Carnotrendement voor warmte op 150 °C (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546

Voor deze berekening gelden de volgende definities:

a)    “warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

b)    “nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;

c)    “economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan.

ê 2009/28/EC

ð nieuw

2. Broeikasgasemissies ten gevolge van ð biobrandstoffen en vloeibare biomassa worden als volgt berekend: ï brandstoffen (E) worden uitgedrukt in gram CO2 -equivalent per MJ brandstof (gCO2eq /MJ).

ò nieuw

a) broeikasgasemissies ten gevolge van biobrandstoffen (E) worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof (gCO2eq/MJ).

b) broeikasgasemissies ten gevolge van vloeibare biomassa (EC) in grammen CO2-equivalent per MJ eindenergie (warmte of elektriciteit), gCO2eq /MJ.

Wanneer verwarming en koeling tegelijk met elektriciteit worden geproduceerd, worden de emissies toegewezen aan warmte en elektriciteit (zoals onder punt 1, onder b)), ongeacht of de warmte feitelijk voor verwarming dan wel voor koeling wordt gebruikt 3 .

Wanneer de broeikasgasemissies die het gevolg zijn van de winning of de teelt van grondstoffen eec worden uitgedrukt in eenheden gCO2eq/droge ton grondstof, wordt het aantal gram CO2-equivalent per MJ brandstof, gCO2eq/MJ, als volgt berekend:

waarbij

De emissies per droge ton grondstof worden als volgt berekend:

 

ê 2009/28/EG

3. In afwijking van punt 2 mogen voor transportbrandstoffen de waarden die berekend worden in termen van gCO2eq /MJ worden aangepast om rekening te houden met de verschillen tussen brandstoffen op het vlak van nuttig verricht werk, uitgedrukt in km/MJ. Dergelijke aanpassingen worden alleen gedaan wanneer de verschillen in nuttig verricht werk worden aangetoond.

4. 3. Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa worden als volgt berekend:

ò nieuw

a) Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen:

ê 2009/28/EG

ð nieuw

SAVINGREDUCTIE = ð (E F(t) – E B /E F(t)ï , (EFEB)/EF,

waarbij

EB

=

de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de biobrandstof; en

EF(t)

=

de totale emissies ten gevolge van het gebruik van het fossiele alternatief ð voor vervoer ï.

ò nieuw

b) Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van vloeibare biomassa voor verwarming, koeling en elektriciteitsproductie:

REDUCTIE = (ECF(h&c,el,) – ECB(h&c,el)/ECF (h&c,el), 

waarbij

ECB(h&c,el) = de totale emissies ten gevolge van verwarming en koeling; en

ECF(h&c,el) = de totale emissies ten gevolge van het gebruik van het fossiele alternatief voor nuttige warmte of elektriciteit.

ê 2009/28/EC

ð nieuw

 5  4 % Met het oog op de toepassing van punt 1, worden de broeikasgassen CO2, N2O en CH4 in aanmerking genomen. Met het oog op de berekening van de CO2-equivalentie worden de volgende waarden toegekend aan deze gassen:

CO2

:

1

N2O

:

296 ð 298 ï %

CH4

:

23 ð 25 ï %

 6  5 % Emissies door de teelt of het ontginnen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij door het proces van ontginnen of teelt zelf, door het verzamelenð, drogen en opslaanï van de grondstoffen, door afval en lekken en door de productie van chemische stoffen of producten die worden gebruikt voor het ontginnen of de teelt. Met het afvangen van CO2 bij de teelt van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Gecertificeerde broeikasgasbesparingen door het affakkelen in olieproductie-installaties overal ter wereld worden afgetrokken. Ramingen van de emissies ten gevolge van de teelt ð van landbouwbiomassa ï kunnen worden afgeleid uit het gebruik van ð regionale ï gemiddelden ð voor de emissies ten gevolge van de teelt die zijn opgenomen in de in artikel 28, lid 4, bedoelde verslagen en de informatie over de gedesaggregeerde standaardwaarden die in de bijlage zijn opgenomen als alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden. Bij gebrek aan relevante informatie in de bovengenoemde verslagen is het toegestaan gemiddelden te berekenen op basis van plaatselijke landbouwpraktijken die bijvoorbeeld op de gegevens van een groep landbouwbedrijven zijn gebaseerd ï dan die welke gebruikt worden bij de berekening van de standaardwaarden, als een alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.

ò nieuw

6.    Voor de doeleinden van de in punt 3 bedoelde berekening wordt alleen rekening gehouden met de emissiereducties ten gevolge van verbeterd landbouwbeheer, zoals overschakelen op weinig of geen grondbewerking, verbeterde vruchtwisseling, het gebruik van groenbemesting, met inbegrip van het beheer van residuen van landbouwgewassen, en het gebruik van biologische bodemverbeteraars (bv. compost, mestfermentatiedigestaat), als er sterk en verifieerbaar bewijs wordt geleverd dat de bodemkoolstof is toegenomen of dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat het in de periode waarin de betrokken grondstoffen werden geteeld, is toegenomen, rekening houdend met de emissies wanneer dergelijke praktijken leiden tot toegenomen gebruik van kunstmest en herbicide.

ê 2015/1513 artikel 2, punt 13, en bijlage II, punt 1

7. Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door twintig jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast:

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P – eB, 4

waarinbij:

el

=

op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen of vloeibare biomassa (megajoule)). “Akkerland” 5 en “land voor vaste gewassen” 6 worden beschouwd als één landgebruik;

CSR

=

de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: in januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

CSA

=

de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;

P

=

de productiviteit van het gewas (meten als energie van de biobrandstof of vloeibare biomassa per landeenheid per jaar), en

eB

=

bonus van 29 gCO2eq/MJ biobrandstof of vloeibare biomassa indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.

ê 2009/28/EC (aangepast)

ð nieuw

8. De bonus van 29 gCO2eq/MJ wordt toegekend indien wordt bewezen dat het land:

a) in januari 2008 niet voor landbouwdoeleinden of andere doeleinden werd gebruikt; en

b) tot een van de volgende categorieën behoort:

i)  hetzijernstig is aangetast, ook als het gaat om land dat voorheen voor landbouwdoeleinden werd gebruikt.;

ii) hetzij ernstig vervuild is.

De bonus van 29 gCO2eq/MJ geldt voor een periode van tien ð twintig ï jaar, vanaf de datum dat het land naar landbouwgebruik wordt omgeschakeld, mits ten aanzien van het onder punt ib) bedoelde land gezorgd wordt voor een gestage groei van de koolstofvoorraad en een aanzienlijke vermindering van de erosieverschijnselen en dat voor het onder punt ii) bedoelde land de bodemvervuiling wordt teruggedrongen.

9. De in punt 8, onder b), bedoelde categorieën worden als volgt gedefinieerd:

a) onderOnder “ernstig aangetast land” wordt verstaan, gronden die gedurende een lange tijdspanne significant verzilt zijn of die een significant laag gehalte aan organische stoffen bevatten en die aan ernstige erosie lijden;.

b) onder „ernstig vervuild land” wordt verstaan, gronden die wegens hun vervuiling niet geschikt zijn voor de teelt van levensmiddelen of diervoeders.

Deze gronden omvatten ook land waarover de Commissie een besluit heeft genomen overeenkomstig de vierde alinea van artikel 18, lid 4.

10. De Commissie stelt Ö herziet Õ  uiterlijk op 31 december 2009 ð 2020 ï de richtsnoeren op voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond 7 op basis van de IPCC- richtsnoeren van 2006 inzake nationale inventarislijsten van broeikasgassen — deel 4 ð en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 525/2013 8 en Verordening (NUMMER NA VASTSTELLING INVULLEN 9 ï . Deze richtsnoeren dienen als basis voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond voor de toepassing van deze richtlijn.

11. Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep, omvatten de emissies van de verwerking zelf, van afval en lekken en van de productie van chemische stoffen of producten die bij de verwerking worden gebruikt.

Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de brandstofproductie-installatie is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van de productie en distributie van die elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in een bepaald gebied. In afwijking van deze regel mogen producenten een gemiddelde waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.

ò nieuw

Emissies ten gevolge van de verwerking omvatten, in voorkomend geval, emissies ten gevolge van het drogen van tussenproducten en -materialen. 

ê 2009/28/EC (aangepast)

ð nieuw

12. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, etd, omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer en de opslag van grondstoffen en halfafgewerkte materialen en van de opslag en distributie van afgewerkte materialen. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie waarmee uit hoofde van punt 6 5 rekening moet worden gehouden, vallen niet onder dit punt.

13. De emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, eu, worden geacht nul te zijn voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa.

ð Emissies van andere broeikasgassen dan CO2 (N2O and CH4) van de gebruikte brandstof zullen worden opgenomen in de eu-factor voor vloeibare biomassa. ï

14. Met betrekking tot de emissiereducties door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof, eccs, die nog niet zijnis meegerekend in ep, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang en opslag van uitgestoten CO2 die het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van brandstof ð indien opgeslagen overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG betreffende de geologische opslag van kooldioxide ï.

15. Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccrð , die rechtstreeks verband houdt met de productie van biobrandstoffen of vloeibare biomassa waaraan deze wordt toegeschreven ï, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt ð in de sectoren energie en vervoer ï om de in commerciële producten en diensten gebruikte CO2 uit fossiele brandstoffen te vervangen.

ò nieuw

16. Wanneer een warmtekrachtkoppelingsinstallatie - die warmte en/of elektriciteit levert aan een brandstofproductieproces waarvoor emissies worden berekend - een overschot aan elektriciteit en/of nuttige warmte produceert, worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de elektriciteit en de nuttige warmte, afhankelijk van de temperatuur van de warmte (die een functie is van het nut van de warmte). De allocatiefactor, Carnotrendement, Ch, genoemd, wordt als volgt berekend voor nuttige warmte bij verschillende temperaturen:

waarbij

Th = Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.

T0 = Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273 kelvin (gelijk aan 0 °C)

Voor Th , < 150 °C (423.15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:

Ch = Het Carnotrendement voor warmte op 150 °C (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546

Voor de doeleinden van deze berekening wordt de werkelijke efficiëntie gebruikt, gedefinieerd als de jaarlijks geproduceerde hoeveelheid mechanische energie, elektriciteit en warmte, respectievelijk gedeeld door de jaarlijkse energie-input.

Voor deze berekening gelden de volgende definities:

   a) “warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

   b) “nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;

   c) “economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan.

ê 2009/28/EC (aangepast)

ð nieuw

16. Met betrekking tot de emissiereductie door extra elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling, eee, wordt rekening gehouden met de extra elektriciteit van brandstofproductie-installaties die gebruikmaken van warmtekrachtkoppeling, behalve als de voor de warmtekrachtkoppeling gebruikte brandstoffen andere bijproducten zijn dan residuen van landbouwgewassen. Bij het berekenen van de extra elektriciteit wordt de omvang van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie geacht te volstaan om minstens de warmte te leveren die nodig is om de brandstof te produceren. De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van deze extra elektriciteit wordt geacht gelijk te zijn aan de hoeveelheid broeikasgas die zou worden uitgestoten als een gelijke hoeveelheid elektriciteit werd opgewekt in een centrale die gebruik maakt van dezelfde brandstof als de warmtekrachtkoppelingsinstallatie.

17. Als een proces voor de productie van brandstof niet alleen de brandstof waarvoor de emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten („bijproducten”), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het tussenproduct ervan en de bijproducten in verhouding tot hun energie-inhoud (de calorische onderwaarde in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit ð en warmte ï ). ð De broeikasgasintensiteit van een overschot aan nuttige warmte of een overschot aan elektriciteit is dezelfde als de broeikasgasintensiteit van warmte of elektriciteit die aan het brandstofproductieproces wordt geleverd en wordt bepaald uit de berekening van de broeikasgasintensiteit van alle inputs en emissies, met inbegrip van de grondstoffen en CH4- en N2O-emissies, naar en van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie, boiler of ander apparaat dat warmte of elektriciteit levert voor het brandstofproductieproces. In het geval van warmtekrachtkoppeling wordt de berekening overeenkomstig punt 16 uitgevoerd. ï

18. Met het oog op de in punt 17 vermelde berekening zijn de te verdelen emissies eec + el, + fracties van ep, etd en eee  ð eec + e l + esca + fracties van e p, e td , eccs, en eccr ï die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden in een eerdere stap van het proces van de cyclus, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.

ò nieuw

In het geval van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, wordt met alle bijproducten die niet onder de werkingssfeer van punt 17 vallen, rekening gehouden voor de doeleinden van die berekening. Er worden geen emissies toegerekend aan afval en residuen. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud nul te hebben.

Afval en residuen, waaronder boomtoppen en takken, stro, vliezen, kolven en notendoppen, en residuen van verwerking, met inbegrip van ruwe glycerine (niet-geraffineerde glycerine) en bagasse, worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld, of zij nu tot tussenproducten worden verwerkt vóórdat zij tot eindproducten worden verwerkt, of niet.

In het geval van brandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, andere dan de combinatie van verwerkingsbedrijven met boilers of warmtekrachtinstallaties die warmte en/of elektriciteit leveren aan het verwerkingsbedrijf, is de raffinaderij de analyse-eenheid voor de doeleinden van de in punt 17 bedoelde berekening.

ê 2009/28/EC (aangepast)

ð nieuw

In het geval van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt met het oog op deze berekening rekening gehouden met alle bijproducten, inclusief elektriciteit, die niet onder punt 16 vallen, behalve residuen van landbouwproducten zoals stro, bagasse, vliezen, kolven en notendoppen. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud nul te hebben.

Afval, residuen van landbouwproducten, zoals stro, bagasse, vliezen, kolven en notendoppen, en residuen van verwerking, met inbegrip van ruwe glycerine (niet-geraffineerde glycerine), worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld.

In het geval van brandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, is de raffinaderij de analyse-eenheid met het oog op de in punt 17 vermelde berekening.

19. Met het oog op de in punt 43 vermelde berekening wordt voor biobrandstoffen de laatste beschikbare gemiddelde werkelijke emissie van het fossiele deel van in de Gemeenschap verbruikte benzine en diesel, zoals gerapporteerd krachtens Richtlijn 98/70/EG. Als deze gegevens niet beschikbaar zijn, wordt de waarde 83,8, ð 94 ï gCO2eq/MJ gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof (EF ð E F(t) ï ). 

Met het oog op de in punt 43 vermelde berekening wordt voor vloeibare biomassa voor elektriciteitsproductie de waarde 91ð 183 ï gCO2eq/MJ gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof (EF).

Met het oog op de in punt 43 vermelde berekening wordt voor vloeibare biomassa voor  ðde productie van nuttige ïwarmteopwekking ð , alsmede voor de productie van verwarming en/of koeling ï  de waarde 77 ð  80 ï gCO2eq/MJ gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof ð (EF(h&c)ï.

Met het oog op de in punt 4 vermelde berekening wordt voor vloeibare biomassa voor warmtekrachtkoppeling de waarde 85 gCO2eq/MJ gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof.

D. Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt: ‘eec’ zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage Ö met inbegrip van N2O-bodememissies Õ  

ò nieuw

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol

9,6

9,6

Maisethanol

25,5

25,5

Ethanol van andere granen dan mais

27,0

27,0

Suikerrietethanol

17,1

17,1

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

32,0

32,0

Biodiesel uit zonnebloemen

26,1

26,1

Biodiesel uit sojabonen

21,4

21,4

Biodiesel uit palmolie

20,7

20,7

Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie

0

0

Biodiesel van dierlijk vet

0

0

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

33,4

33,4

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

26,9

26,9

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen

22,2

22,2

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie

21,7

21,7

Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie

0

0

Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet

0

0

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

33,4

33,4

Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen

27,2

27,2

Zuivere plantaardige olie uit sojabonen

22,3

22,3

Zuivere plantaardige olie uit palmolie

21,6

21,6

Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie

0

0

ê 2009/28/EC (aangepast)

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol

12

12

Graanethanol

23

23

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap

20

20

Suikerrietethanol

14

14

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

29

29

Biodiesel uit zonnebloemen

18

18

Biodiesel uit sojabonen

19

19

Biodiesel uit palmolie

14

14

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke(*) afvalolie

0

0

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

30

30

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

18

18

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie

15

15

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

30

30

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

0

0

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

0

0

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

0

0

(*) Niet inbegrepen dierlijke olie vervaardigd van dierlijke bijproducten die zijn ingedeeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.

ò nieuw

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt: ‘eec’ - alleen voor N2O bodememissies (deze zijn reeds opgenomen in de gedesaggregeerde waarden voor teeltemissies in de ‘eec’-tabel)

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol

4,9

4,9

Maisethanol

13,7

13,7

Ethanol van andere granen dan mais

14,1

14,1

Suikerrietethanol

2,1

2,1

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

17,6

17,6

Biodiesel uit zonnebloemen

12,2

12,2

Biodiesel uit sojabonen

13,4

13,4

Biodiesel uit palmolie

16,5

16,5

Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie

0

0

Biodiesel van dierlijk vet

0

0

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

18,0

18,0

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

12,5

12,5

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen

13,7

13,7

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie

16,9

16,9

Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie

0

0

Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet

0

0

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

17.6

17,6

Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen

12,2

12,2

Zuivere plantaardige olie uit sojabonen

13,4

13,4

Zuivere plantaardige olie uit palmolie

16,5

16,5

Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie

0

0

ê 2009/28/EC (aangepast)

ð nieuw

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking (inclusief extra elektriciteit): “ep – eee”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol ð (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) ï

19 ð 18,8 ï

26 ð 26,3 ï

ð Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) ï

ð 9,7 ï

ð 13,6 ï

ð Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale*) ï 

ð 13,2 ï

ð 18,5 ï

ð Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale*) ï 

ð 7,6 ï

ð 10,6 ï

ð Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale*) ï 

ð 27,4 ï

ð 38,3 ï

ðSuikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale*)ï 

ð 15,7 ï

ð 22,0 ï

Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd)

32 

45 

Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie)

32 

45 

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

21 

30 

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)

14

19

Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie)

1

1

ð Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) ï

ð 20,8 ï 

ð 29,1 ï

Maisethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie*)

15 ð 14,8 ï

21 ð 20,8 ï

ð Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï

ð 28,6 ï

ð 40,1 ï

ð Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï

ð 1,8 ï

ð 2,6 ï

ð Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) ï

ð 21,0 ï

ð 29,3 ï

ð Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï

ð 15,1 ï

ð 21,1 ï

ð Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï

ð 30,3 ï

ð 42,5 ï

ð Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie*) ï 

ð 1,5 ï

ð 2,2 ï

Suikerrietethanol

1 ð 1,3 ï

1 ð 1,8 ï

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

16 ð 11,7 ï

22 ð 16,3 ï

Biodiesel uit zonnebloemen

16 ð 11,8 ï

22 ð 16,5 ï

Biodiesel uit sojabonen

18 ð 12,1 ï

26 ð 16,9 ï

Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd ð open effluentvijver ï)

35 ð 30,4 ï

49 ð 42,6 ï

Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

13 ð 13,2 ï

18 ð 18,5 ï

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie ð afgewerkte bak- en braadolie ï 

9 ð 14,1 ï

13 ð 19,7 ï

ð Biodiesel van dierlijk vet ï

ð 17,8 ï

ð 25,0 ï

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

10 ð 10,7 ï

13 ð 15,0 ï

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

10 ð 10,5 ï

13 ð 14,7 ï

ð Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen ï

ð 10,9 ï 

ð 15,2 ï

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerdð open effluentvijver ï)

30 ð 27,8 ï

42 ð 38,9 ï

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie  (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

7 ð 9,7 ï

9 ð 13,6 ï

ð Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie ï

ð 7,6 ï

ð 10,6 ï

ð Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet ï

ð 10,4 ï

ð 14,5 ï

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

4 ð 3,7 ï

5 ð 5,2 ï

ð Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen ï

ð 3,8 ï

ð 5,4 ï

ð Zuivere plantaardige olie uit sojabonen ï

ð 4,2 ï

ð 5,9 ï

ð Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver) ï

ð 22,6 ï

ð 31,7 ï

ð Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek) ï

ð 4,7 ï

ð 6,5 ï

ð Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie ï

ð 0,6 ï

ð 0,8 ï

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

14

20

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

8

11

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

8

11

ò nieuw

Gedesaggregeerde standaardwaarden uitsluitend voor olie-extractie (deze zijn reeds opgenomen in de gedesaggregeerde waarden voor de verwerkingsemissies in de “ep”-tabel)

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Biodiesel uit koolzaad

3,0

4,2

Biodiesel uit zonnebloemen

2,9

4,0

Biodiesel uit sojabonen

3,2

4,4

Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)

20,9

29,2

Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

3,7

5,1

Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie

 0

Biodiesel van dierlijk vet

4,3

6,0

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

3,1

4,4

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

3,0

4,1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen

3,3

4,6

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)

21,9

30,7

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

3,8

5,4

Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie

 0

Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet

4,6

6,4

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

3,1

4,4

Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen

3,0

4,2

Zuivere plantaardige olie uit sojabonen

3,4

4,7

Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)

21,8

30,5

Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

3,8

5,3

Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie

 0

 0

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie: “etd”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

2,4

2,4

Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

2,4

2,4

Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale*)

2,4

2,4

Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale*)

2,4

2,4

Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale*)

2,4

2,4

Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale*)

2,4

2,4

Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie*)

2,2

2,2

Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

2,2

2,2

Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie*)

2,2

2,2

Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie*)

2,2

2,2

Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

2,2

2,2

Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie*)

2,2

2,2

Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie*)

2,2

2,2

Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie*)

2,2

2,2

Suikerrietethanol

9,7

9,7

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

1,8

1,8

Biodiesel uit zonnebloemen

2,1

2,1

Biodiesel uit sojabonen

8,9

8,9

Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)

6,9

6,9

Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

6,9

6,9

Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie

1,9

1,9

Biodiesel van dierlijk vet

1,7

1,7

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

1,7

1,7

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

2,0

2,0

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen

9,1

9,1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)

7,0

7,0

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

7,0

7,0

Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie

1,8

1,8

Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet

1,5

1,5

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

1,4

1,4

Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen

1,7

1,7

Zuivere plantaardige olie uit sojabonen

8,8

8,8

Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)

6,7

6,7

Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

6,7

6,7

Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie

1.4

1,4

ê 2009/28/EC

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol

2

2

Graanethanol

2

2

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap

2

2

Suikerrietethanol

9

9

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

1

1

Biodiesel uit zonnebloemen

1

1

Biodiesel uit sojabonen

13

13

Biodiesel uit palmolie

5

5

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie

1

1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

1

1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

1

1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie

5

5

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

1

1

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

3

3

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

5

5

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

4

4

ò nieuw

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie van alleen de uiteindelijke brandstof: Deze zijn reeds opgenomen in de tabel “emissies ten gevolge van vervoer en distributie etd”, zoals vastgesteld in deel C van deze bijlage, maar de volgende waarden zijn nuttig als een marktpartij alleen de werkelijke vervoersemissies voor het vervoer van gewassen of olie wil aangeven.

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

1,6

1,6

Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

1,6

1,6

Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale*)

1,6

1,6

Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale*)

1,6

1,6

Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale*)

1,6

1,6

Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale*)

1,6

1,6

Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

1,6

1,6

Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie*)

1,6

1,6

Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie*)

1,6

1,6

Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie*)

1,6

1,6

Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

1,6

1,6

Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie*)

1,6

1,6

Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie*)

1,6

1,6

Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie*)

1,6

1,6

Suikerrietethanol

6,0

6,0

Het gedeelte ethyl-tertiair-butylether (ETBE) uit hernieuwbare bronnen

Wordt gelijk geacht aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Het gedeelte amyl-tertiair-ethylether (TAEE) uit hernieuwbare bronnen

Wordt gelijk geacht aan de gebruikte keten voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

1,3

1,3

Biodiesel uit zonnebloemen

1,3

1,3

Biodiesel uit sojabonen

1,3

1,3

Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)

1,3

1,3

Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

1,3

1,3

Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie

1,3

1,3

Biodiesel van dierlijk vet

1,3

1,3

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

1,2

1,2

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

1,2

1,2

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen

1,2

1,2

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)

1,2

1,2

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

1,2

1,2

Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie

1,2

1,2

Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet

1,2

1,2

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

0,8

0,8

Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen

0,8

0,8

Zuivere plantaardige olie uit sojabonen

0,8

0,8

Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)

0,8

0,8