Help Print this page 

Document 52013XC1115(01)

Title and reference
Mededeling van de Commissie betreffende staatssteun voor films en andere audiovisuele werken Voor de EER relevante tekst

OJ C 332, 15.11.2013, p. 1–11 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Text

15.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 332/1


Mededeling van de Commissie betreffende staatssteun voor films en andere audiovisuele werken

(Voor de EER relevante tekst)

2013/C 332/01

1.   INLEIDING

1.

Audiovisuele werken, en met name films, spelen een belangrijke rol bij de identiteitsvorming in Europa. Zij weerspiegelen de culturele verscheidenheid van de landen en regio's in de Europese Unie, met elk hun eigen traditie en geschiedenis. Audiovisuele werken zijn zowel economische goederen (die aanzienlijke mogelijkheden voor het creëren van welvaart en banen bieden) als culturele goederen (die een afspiegeling zijn van en een bepalende invloed hebben op onze samenlevingen).

2.

Onder de audiovisuele werken nemen films nog steeds een prominente plaats in, door hun productiekosten en hun cultureel belang. De productiebudgetten voor films liggen aanzienlijk hoger dan die voor andere audiovisuele content, zij worden vaker als internationale coproducties uitgevoerd en hun economische levensduur is langer. Met name films hebben te maken met sterke concurrentie van buiten Europa. Daartegenover staat dat Europese audiovisuele werken weinig buiten hun land van oorsprong circuleren.

3.

Dat deze audiovisuele werken zo weinig circuleren, heeft te maken met de compartimentering van de Europese audiovisuele sector in nationale of zelfs regionale markten. Ook al houdt een en ander verband met de taalkundige en culturele diversiteit in Europa, toch is de factor nabijheid ook ingebouwd in de overheidssteun voor Europese audiovisuele werken, waarbij via nationale, regionale en lokale financieringsregelingen subsidies gaan naar vele kleine productiemaatschappijen.

4.

Algemeen wordt erkend dat steun belangrijk is voor de instandhouding van een Europese audiovisuele productie. Filmproducenten hebben het moeilijk om vooraf voldoende commerciële steun te krijgen om een financieel pakket rond te krijgen waarmee de productie van projecten van start kan gaan. Door de hoge risico's die verbonden zijn aan hun activiteiten en projecten, maar ook door het vermeende gebrek aan winstgevendheid van de sector, zijn zij afhankelijk van staatssteun. Wanneer het alleen aan de markt zou worden overgelaten, zouden veel van deze films niet zijn gemaakt, door het gecombineerde effect van de vereiste hoge investeringen en het beperkte publiek voor Europese audiovisuele werken. Onder deze omstandigheden is stimulering van de audiovisuele productie door de Commissie en de lidstaten belangrijk om ervoor te zorgen dat uiting kan worden gegeven aan hun cultuur en creatief vermogen — en zo de verscheidenheid en rijkdom van de Europese cultuur tot uiting te brengen.

5.

Het MEDIA-programma van de Europese Unie voor steun aan de sectoren film, televisie en nieuwe media biedt uiteenlopende financieringsregelingen aan, die bestemd zijn voor telkens andere onderdelen van de audiovisuele sector, zoals regelingen bestemd voor producenten, distributeurs, sales-agents, organisatoren van opleidingsinitiatieven, bedrijven actief in nieuwe digitale technologieën, beheerders van platforms voor video-on-demand, filmvertoners en organisatoren van festivals, markten en promotieactiviteiten. Het MEDIA-programma stimuleert de circulatie en promotie van Europese films, met een bijzondere nadruk op transnationale Europese films. Deze initiatieven zullen worden voortgezet in het MEDIA-subprogramma binnen Creatief Europa, het nieuwe Europese ondersteuningsprogramma voor de creatieve en culturele sectoren.

2.   WAAROM TOEZICHT OP STAATSSTEUN VOOR FILMS EN ANDERE AUDIOVISUELE WERKEN?

6.

De lidstaten hebben een breed scala aan steunmaatregelen ten uitvoer gelegd ten behoeve van de productie van films, tv-programma's en andere audiovisuele werken. Alles samengenomen verstrekken lidstaten jaarlijks naar raming 3 miljard EUR filmsteun (1). Deze financiering wordt verstrekt via meer dan 600 nationale, regionale en lokale steunregelingen. De beweegredenen achter deze maatregelen zijn zowel cultureel als industrieel. Het hoofddoel van die maatregelen is cultureel: ervoor zorgen dat de nationale en regionale culturen en het creatieve potentieel tot uiting komen in de audiovisuele media van film en televisie. Tegelijk beogen zij, door het opzetten van productieondernemingen met een stevige basis en het uitbouwen van een permanent reservoir aan menselijke vaardigheden en ervaring, de kritieke massa aan activiteiten te genereren die nodig is om de dynamiek tot stand te brengen voor de ontwikkeling en consolidering van de sector.

7.

Dankzij deze steun is de Europese Unie een van de grootste filmproducenten ter wereld geworden. De filmindustrie in de Europese Unie produceerde 1 299 langspeelfilms in 2012 tegenover 817 in de Verenigde Staten (in 2011) of 1 255 in India (2011). In 2012 waren er in Europa 933,3 miljoen bioscoopbezoekers (2). In 2008 werd de Europese audiovisuele markt voor filmed entertainment geraamd op 17 miljard EUR (3). Meer dan 1 miljoen mensen zijn in de Europese Unie werkzaam in de audiovisuele sector (4).

8.

Een en ander maakt van filmproductie en -distributie niet alleen een culturele activiteit, maar ook een belangrijke economische activiteit. Daarnaast zijn filmproducenten internationaal actief en bestaat er internationaal handelsverkeer voor audiovisuele werken. Dit betekent dat dit soort steun in de vorm van subsidies, fiscale prikkels of andere soorten financiële steun, het risico inhoudt dat daarmee het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig wordt beïnvloed. De producenten en audiovisuele werken die dit soort steun krijgen, ontvangen waarschijnlijk een financieel voordeel — en dus een concurrentievoordeel — ten opzichte van producenten en werken die geen steun ontvangen. Bijgevolg kan dit soort steun de mededinging verstoren, zodat deze als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU wordt beschouwd. Overeenkomstig artikel 108 VWEU is de Commissie daarom verplicht de steun voor de audiovisuele sector op zijn verenigbaarheid met de interne markt te beoordelen, net zoals zij dat met staatssteunmaatregelen in andere sectoren doet.

9.

In dat verband is het niet zonder belang te vermelden dat in het Verdrag wordt erkend dat de bevordering van cultuur voor de Europese Unie en de lidstaten van eminent belang is door cultuur specifiek als een van de beleidslijnen van de Unie op te nemen in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Zo is in artikel 167, lid 2, VWEU bepaald:

„Het optreden van de Unie is erop gericht de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op de volgende gebieden te ondersteunen en aan te vullen:

[…]

scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele sector.”

10.

Voorts is in artikel 167, lid 4, VWEU bepaald:

„De Unie houdt bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van de Verdragen rekening met de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen.”

11.

Artikel 107, lid 1, VWEU verbiedt steunmaatregelen van de staten (of die met staatsmiddelen zijn bekostigd) die de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten vervalsen of dreigen te vervalsen. De Commissie kan echter voor bepaalde vormen van staatssteun ontheffing van dit verbod verlenen. Een van deze afwijkingen is vervat in artikel 107, lid 3, onder d), VWEU (betreffende steun ter bevordering van cultuur); daarbij geldt als voorwaarde dat door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden niet zodanig mogen worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

12.

In de Verdragsregels inzake staatssteuntoezicht wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van cultuur en de daarmee verband houdende economische activiteiten. Audiovisuele steun draagt ertoe bij dat de Europese filmsector en audiovisuele sector in alle lidstaten op middellange tot lange termijn houdbaar blijft en verruimt de culturele diversiteit van het aanbod aan werken dat voor Europese kijkers beschikbaar is.

13.

Als partij bij het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen heeft de Europese Unie zich, samen met de EU-lidstaten, eraan gecommitteerd om de culturele dimensie een cruciaal onderdeel van haar beleid te maken.

3.   ONTWIKKELINGEN SINDS 2001

14.

De criteria voor het beoordelen van staatssteun ten behoeve van de productie van films en andere audiovisuele werken zijn voor het eerst vastgelegd in de filmmededeling van 2001 (5). De geldigheidsduur van deze criteria werd verlengd in 2004 (6), 2007 (7) en 2009 (8) en liep af op 31 december 2012. Deze mededeling houdt de krachtlijnen van de filmmededeling van 2001 aan, maar speelt ook in op een aantal trends die zich sinds 2001 heeft afgetekend.

15.

De steunregelingen waarvoor de Commissie goedkeuring heeft gegeven sinds de regels van 2001 van kracht werden, laten zien dat lidstaten gebruikmaken van een breed scala aan steunmechanismen en -voorwaarden. De meeste regelingen volgen het model waarvoor de beoordelingscriteria van de mededeling 2001 werden ontworpen: subsidies voor geselecteerde filmproducties, waarbij het steunplafond wordt bepaald als een percentage van het productiebudget van de begunstigde van de steun. Toch heeft een toenemend aantal lidstaten regelingen ingevoerd die het steunbedrag bepalen als een percentage van de uitgaven voor productieactiviteiten die uitsluitend in de steunverlenende lidstaat plaatsvinden. Deze regelingen hebben vaak de vorm van een belastingvermindering of worden anders zodanig vormgegeven dat de regeling automatisch geldt voor een film die voldoet aan bepaalde criteria om voor steun in aanmerking te komen. Vergeleken met filmfondsen die na een aanvraag afzonderlijk steun verlenen aan individuele films, stellen deze regelingen die automatisch van toepassing zijn, filmproducenten in staat om een voorzienbaar bedrag aan financiering al mee te nemen in de planning- en ontwikkelingsfase van een film.

16.

Wat betreft het soort gesteunde activiteiten, geven sommige lidstaten ook steun voor andere activiteiten dan filmproductie. Daarbij gaat het om steun voor filmdistributie of steun aan bioscopen, ter ondersteuning van bijvoorbeeld plattelandsbioscopen of arthousebioscopen in het algemeen of om hun kosten voor vernieuwing en modernisering (zoals de overschakeling naar digitale projectie) te dekken. Sommige lidstaten steunen audiovisuele projecten die verder gaan dan het traditionele concept van film- en televisieproducties, met name interactieve producten zoals transmedia of games. In die gevallen hanteerde de Commissie, telkens als zij een aanmelding voor dit soort steun ontving, de criteria van de filmmededeling als referentie om de steun te beoordelen op zijn noodzaak, evenredigheid en geschiktheid. De Commissie constateerde ook dat er concurrentie tussen lidstaten speelde waarbij staatssteun werd ingezet om buitenlandse investeringen van grote filmproductiebedrijven uit derde landen aan te trekken. Deze kwesties kwamen niet aan bod in de filmmededeling van 2001.

17.

Reeds in de filmmededeling van 2001 werd aangekondigd dat de Commissie in deze sector zou nagaan wat het maximumniveau aan territoriale bestedingseisen is dat volgens de staatssteunregels toelaatbaar is. Territoriale bestedingseisen in regelingen voor filmfinanciering betekenen dat filmproducenten een bepaald deel van het budget van een gesteunde film in de steunverlenende lidstaat moeten besteden. Bij de verlenging van de filmmededeling in 2004 werden territoriale bestedingseisen in regelingen voor filmfinanciering bestempeld als een kwestie waarvan verder diende te worden onderzocht in hoeverre die met de interne-marktbeginselen van het Verdrag verenigbaar zijn. Ook met rechtspraak van het Hof van Justitie sinds 2001 over het belang van de interne markt ten aanzien van regels over de herkomst van goederen en diensten dient rekening te worden gehouden (9).

18.

Ook de toepassing van het „culturele criterium” leverde in de praktijk problemen op. De verenigbaarheid van steun voor filmproductie wordt beoordeeld op grond van artikel 107, lid 3, onder d), VWEU, dat voorziet in de mogelijkheid om steun te verlenen „ter bevordering van cultuur”. Volgens de filmmededeling van 2001 moest de steun bedoeld zijn voor een cultuurproduct. Een nader onderzoek van de Commissie naar culturele criteria in regelingen voor filmsteun bleek echter omstreden bij lidstaten, met name in het licht van het subsidiariteitsbeginsel.

19.

Daarom heeft de Commissie, toen zij in 2009 de criteria voor het beoordelen van staatssteun van de filmmededeling van 2001 verlengde, er op gewezen dat een verdere reflectie over de implicaties van die ontwikkelingen en een herziening van de beoordelingscriteria nodig waren.

4.   SPECIFIEKE WIJZIGINGEN

20.

In deze mededeling wordt ingegaan op de hierboven genoemde kwesties en worden wijzigingen geïntroduceerd aan de filmmededeling van 2001. Met name handelt deze mededeling over staatssteun voor een ruimer aantal activiteiten, beklemtoont zij het subsidiariteitsbeginsel op het gebied van cultuurbeleid en de inachtneming van de beginselen van de interne markt, voert zij een hogere maximale steunintensiteit in voor grensoverschrijdende producties en biedt zij ook ruimte voor de bescherming van en de toegang tot cinematografisch erfgoed. De Commissie denkt dat deze wijzigingen, gezien de ontwikkelingen sinds 2001, noodzakelijk zijn en ertoe zullen bijdragen dat Europese werken in de toekomst concurrerender en pan-Europees worden.

4.1.   Toepassingsbereik van deze mededeling

21.

Wat betreft de activiteiten die onder de toepassing van deze mededeling vallen, de staatssteuncriteria van de filmmededeling van 2001 waren sterk gericht op de productie van films. Zoals gezegd, bieden sommige lidstaten echter ook steun voor andere, verwante activiteiten, zoals het schrijven van scenario's, de ontwikkeling, de filmdistributie of de promotie van films (onder meer op filmfestivals). De doelstelling om de Europese culturele diversiteit via audiovisuele werken te beschermen en te bevorderen, kan alleen worden bereikt indien deze werken ook kijkers aantrekken. Steun beperken tot de productie houdt het risico in dat het aanleveren van audiovisuele content wordt gestimuleerd zonder dat het daaruit ontstane audiovisuele werk goed wordt gedistribueerd en gepromoot. Daarom is het passend dat de steun alle aspecten van filmcreatie bestrijkt — van verhaalconcept tot vertoning aan het publiek.

22.

Wat steun aan bioscopen betreft, de daarmee gemoeide bedragen zijn doorgaans gering, zodat bijvoorbeeld voor plattelands- en arthousebioscopen de steunvolumes die onder de de-minimisverordening (10) vallen, voldoende zouden moeten zijn. Indien een lidstaat echter kan verantwoorden dat meer steun voor bioscopen nodig is, zal de steun op grond van deze mededeling worden beoordeeld als steun ter bevordering van cultuur in de zin van artikel 107, lid 3, onder d), VWEU. Steun voor bioscopen bevordert de cultuur omdat het hoofddoel van bioscopen het vertonen van het cultuurproduct film is.

23.

Sommige lidstaten overwogen steun te verlenen aan audiovisuele projecten die het traditionele concept van film- en televisieproducties doorbreken. Transmedia storytelling (of multi-platform storytelling of cross-media storytelling) is de techniek die erin bestaat om, gebruikmakend van digitale technologieën zoals films en games, op verschillende platforms en in verschillende formats verhalen te vertellen. Belangrijk daarbij is dat er tussen de verschillende content dwarsverbanden worden gebouwd (11). Omdat transmediale projecten onvermijdelijk verband houden met de productie van een film, wordt de component filmproductie beschouwd als een audiovisueel werk dat onder de toepassing van de onderhavige mededeling valt.

24.

Omgekeerd mogen games dan misschien wel de komende jaren een van de snelst groeiende vormen van massamedia zijn, toch kwalificeren niet alle games noodzakelijkerwijs als audiovisuele werken of cultuurproducten. Zij hebben, wat productie, distributie, vermarkting en consumptie betreft, andere kenmerken dan films. Daarom kunnen de regels die voor de filmproductie zijn ontworpen, niet automatisch worden toegepast op games. Bovendien beschikt de Commissie, anders dan voor de film- en televisiesector, niet over een kritische massa aan besluiten over staatssteun voor games. De onderhavige mededeling ziet dus niét op steun ten behoeve van games. Steunmaatregelen ten behoeve van games die niet voldoen aan de voorwaarden van de algemene groepsvrijstellingsverordening (12) of de de-minimisverordening, zullen nog steeds van geval tot geval worden beoordeeld. Wanneer kan worden aangetoond dat een steunregeling noodzakelijk is omdat deze is gericht op games met een cultureel of educatief doel, zal de Commissie de in deze mededeling geformuleerde criteria inzake steunintensiteit per analogiam toepassen.

4.2.   Cultureel criterium

25.

Om met artikel 107, lid 3, onder d), VWEU verenigbaar te zijn, dient voor de audiovisuele sector bestemde steun cultuur te bevorderen. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals dat is vastgelegd in artikel 5 VEU, is de definitie van wat culturele activiteiten zijn, in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de lidstaten. De Commissie erkent dat bij het beoordelen van een audiovisuele steunregeling haar taak beperkt blijft tot het nagaan of een lidstaat ter zake beschikt over een relevant, effectief controlemechanisme dat kennelijke fouten kan voorkomen. Dit kan worden bereikt via een culturele selectieprocedure om te bepalen welke audiovisuele werken steun dienen te krijgen, of via een cultureel profiel waaraan alle audiovisuele werken moeten voldoen, willen zij steun kunnen krijgen. In overeenstemming met het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 2005 (13) merkt de Commissie op dat het feit dat een film commercieel is, niet belet dat deze cultureel is.

26.

Taalkundige diversiteit is een essentieel element van de culturele diversiteit; daarom dient de verdediging en het bevorderen van een of meer officiële talen van een lidstaat ook de bevordering van cultuur (14). Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen zowel de bevordering van de taal van een lidstaat (15) als het cultuurbeleid (16) een dwingende reden van algemeen belang zijn die een beperking van de vrijheid van dienstverrichting rechtvaardigt. Daarom mogen lidstaten, als voorwaarde voor steunverlening, onder meer eisen dat de film in een bepaalde taal wordt geproduceerd, wanneer vast staat dat deze voorwaarde noodzakelijk en afdoende is om een culturele doelstelling in de audiovisuele sector na te streven, hetgeen ook ten goede kan komen aan de vrijheid van meningsuiting van de verschillende sociale, religieuze, filosofische of taalkundige componenten die in een bepaalde regio bestaan. Dat een dergelijk criterium in de praktijk kan strekken tot voordeel van filmproducenten die in de door dit criterium bedoelde taal werken, lijkt inherent aan het nagestreefde doel (17).

4.3.   Territoriale bestedingseisen

27.

Verplichtingen die steunverlenende overheden aan filmproducenten opleggen om een bepaald deel van het productiebudget van een film binnen een bepaald grondgebied te besteden (de zogeheten „territoriale bestedingseisen”), hebben bijzondere aandacht genoten sinds de Commissie regelingen voor filmsteun begon te onderzoeken. De filmmededeling van 2001 bood lidstaten de mogelijkheid om te eisen dat tot 80 % van het volledige filmbudget op hun grondgebied moest worden besteed. De regelingen die het steunbedrag bepalen als een percentage van de uitgaven voor productieactiviteiten die uitsluitend in de steunverlenende lidstaat plaatsvinden, proberen nù al door de wijze waarop zij zijn vormgegeven, zoveel mogelijk productieactiviteiten aan te trekken naar de steunverlenende lidstaat en bevatten een inherent element van territorialisering van de bestedingen. De filmmededeling moet rekening houden met deze verschillende soorten steunregelingen zoals die thans bestaan.

28.

Territoriale bestedingseisen vormen een beperking van de interne markt voor audiovisuele producties. Daarom heeft de Commissie een externe studie laten uitvoeren naar territoriale voorwaarden die aan audiovisuele productie worden opgelegd. Deze studie kwam in 2008 gereed (18). Zoals bij de verlenging van de filmmededeling in 2009 werd aangegeven, kon de studie, alles samengenomen, geen uitsluitsel bieden: deze studie kon niet uitwijzen of de positieve effecten van territoriale bestedingsverplichtingen opwegen tegen de negatieve effecten ervan.

29.

Wel kwam deze studie tot de bevinding dat de kosten van filmproductie in landen die territoriale voorwaarden toepassen, hoger lijken te liggen dan in landen waar dat niet gebeurt. Daarnaast stelde de studie vast dat territoriale voorwaarden bepaalde belemmeringen kunnen creëren voor coproducties en deze misschien minder doeltreffend maken. De algemene conclusie van de studie was dat restrictievere territoriale bestedingseisen onvoldoende positieve effecten opleveren om het behoud van het huidige niveau aan beperkingen te kunnen verantwoorden. Evenmin kon de studie het bewijs leveren dat deze voorwaarden noodzakelijk waren in het licht van de nagestreefde doelstellingen.

30.

Een nationale maatregel die door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden beperkt, kan alleen aanvaardbaar zijn indien deze voldoet aan meerdere voorwaarden: de maatregel vindt zijn rechtvaardiging in dwingende redenen van algemeen belang, hij is dienstig ter bereiking van het ermee beoogde doel en gaat niet verder dan met het oog daarop noodzakelijk is (19). De specifieke kenmerken van de filmsector, met name de sterke mobiliteit van producties, en de bevordering van culturele diversiteit en nationale cultuur en talen kunnen dwingende redenen van algemeen belang zijn waarin een beperking van de uitoefening van de fundamentele vrijheden haar rechtvaardiging kan vinden. Daarom blijft de Commissie erkennen dat die voorwaarden, tot op zekere hoogte, noodzakelijk kunnen zijn om een kritische massa aan infrastructuur voor filmproductie in stand te houden in de steunverlenende lidstaat of regio.

31.

Bijna geen enkele lidstaat legt territoriale bestedingseisen op tot het door de filmmededeling van 2001 toegestane plafond van 80 % van het productiebudget. Diverse lidstaten hebben helemaal geen territoriale bestedingseisen in hun regelingen. Vele regionale regelingen zijn gekoppeld aan het steunbedrag en eisen dat 100 % of 150 % van dit bedrag moet of dient te worden besteed in de steunverlenende lidstaat, zonder nader in te gaan op de herkomst van de in onderaanneming verrichte diensten of de herkomst van de bij de productie gebruikte goederen. In sommige regelingen is de steunontvangende producent vrij om ten minste 20 % van het productiebudget buiten die lidstaat te besteden. In bepaalde lidstaten krijgt filmsteun de vorm van een percentage van alleen de lokale bestedingen.

32.

Het bedrag van de bestedingen waarvoor territoriale voorwaarden gelden, dient ten minste in een evenredige verhouding te staan tot het bedrag van de daadwerkelijke financiële toezeggingen van een lidstaat — en niet het totale productiebudget. Dit was niet noodzakelijk het geval bij het territoriale criterium van de filmmededeling van 2001 (20).

33.

In wezen zijn er twee onderscheiden steunmechanismen die lidstaten hanteren om steun voor filmproductie te verlenen:

steun toegekend (bijv. door een selectiepanel) als directe subsidie, bijvoorbeeld gedefinieerd als een percentage van het productiebudget, en

steun toegekend en gedefinieerd als een aandeel van de productie-uitgaven in de steunverlenende lidstaat (bijv. een fiscale prikkel).

34.

In punt 50 wordt voor elk mechanisme vastgesteld binnen welke grenzen de Commissie kan accepteren dat een lidstaat territoriale bestedingsverplichtingen toepast die noodzakelijk kunnen zijn voor en evenredig aan een culturele doelstelling.

35.

In het geval van steun die als subsidie wordt verleend, dient de maximale territoriale bestedingsverplichting beperkt te blijven tot 160 % van het steunbedrag. Dit stemt overeen met de vroegere regel van „80 % van het productiebudget” wanneer de steunintensiteit het in punt 52, onder (2), genoemde algemene plafond bereikt, namelijk 50 % van het productiebudget (21).

36.

In het geval van steun die wordt toegekend als een percentage van de uitgaven voor productieactiviteiten in de steunverlenende lidstaat, is er een prikkel om in die lidstaat meer te besteden en zo meer steun te ontvangen. De in aanmerking komende productieactiviteit beperken tot de activiteiten die plaatsvinden in de steunverlenende lidstaat, is een territoriale beperking. Om een plafond te verkrijgen dat met het subsidieplafond vergelijkbaar is, wordt het uitgaveplafond waarvoor territoriale bestedingsverplichtingen gelden, op 80 % van het productiebudget bepaald.

37.

Daarnaast kan in beide mechanismen een regeling een subsidiabiliteitscriterium bevatten waarbij een minimumpercentage aan productieactiviteit op het grondgebied van de steunverlenende lidstaat wordt geëist. Dit percentage mag niet meer dan 50 % van het totale productiebudget bedragen.

38.

Hoe dan ook is er op grond van het Unierecht geen enkele verplichting voor lidstaten om territoriale bestedingseisen op te leggen.

4.4.   Concurrentie bij het aantrekken van grote buitenlandse filmproducties

39.

Toen de filmmededeling van 2001 werd goedgekeurd, probeerden weinig lidstaten al om met filmsteun grote buitenlandse filmprojecten aan te trekken, zodat deze op hun grondgebied werden geproduceerd. Sindsdien hebben meerdere lidstaten regelingen ingesteld die bedoeld zijn om veelbesproken producties naar Europa te halen, waarbij internationaal wordt geconcurreerd met locaties en faciliteiten elders, zoals in de Verenigde Staten, Canada, Nieuw-Zeeland of Australië. In hun reacties op de publieke consultaties in de aanloop naar deze mededeling waren respondenten het erover eens dat deze producties noodzakelijk zijn om een audiovisuele infrastructuur van hoogstaande kwaliteit in stand te houden, om bij te dragen aan het gebruik van hoogstaande studiofaciliteiten, -uitrusting en -medewerkers en om de overdracht van technologie, knowhow en deskundigheid te bevorderen. Deze faciliteiten voor een deel inzetten bij buitenlandse producties, zou ook helpen om te beschikken over de capaciteit om Europese publiekstrekkers van hoge kwaliteit te realiseren.

40.

Wat betreft de mogelijke gevolgen voor de Europese audiovisuele sector, buitenlandse producties kunnen een blijvend effect hebben omdat deze doorgaans intensief gebruikmaken van deze lokale infrastructuur en van een lokale bezetting. Al met al kan dit dus een positief effect hebben op de nationale audiovisuele sector. Voorts dient te worden opgemerkt dat veel van de films die worden beschouwd als belangrijke projecten uit derde landen, in feite coproducties zijn waarbij ook Europese producenten betrokken zijn. Zodoende zouden deze subsidies ook bijdragen tot het bevorderen van Europese audiovisuele werken en de instandhouding van faciliteiten voor nationale producties.

41.

Daarom is de Commissie van mening dat dit soort steun in beginsel op grond van artikel 107, lid 3, onder d), VWEU verenigbaar kan zijn (als steun om cultuur te bevorderen) op dezelfde voorwaarden als steun voor Europese producties. Omdat de steunbedragen voor grote internationale producties echter zeer hoog kunnen zijn, zal de Commissie de verdere ontwikkeling van dit soort steun monitoren om ervoor te zorgen dat de concurrentie in de eerste plaats speelt op het punt van de kwaliteit en de prijs — en niet de staatssteun.

4.5.   Grensoverschrijdende producties

42.

Weinig Europese films worden gedistribueerd buiten het gebied waar zij worden geproduceerd. De kans dat een Europese film in meerdere lidstaten wordt uitgebracht, is groter in het geval van coproducties waarbij producenten uit meerdere landen betrokken zijn. Gezien het belang van de samenwerking tussen producenten uit verschillende lidstaten bij de productie van Europese werken die in meerdere lidstaten te zien zijn, is de Commissie van mening dat een hogere steunintensiteit gerechtvaardigd is voor coproducties die door meer dan één lidstaat worden gefinancierd en waarbij producenten uit meer dan één lidstaat betrokken zijn.

4.6.   Cinematografisch erfgoed

43.

Films dienen voor culturele en educatieve doeleinden te worden verzameld, geconserveerd en toegankelijk gemaakt voor toekomstige generaties (22). De Raad voor Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport heeft in zijn conclusies van 18 november 2010 over het Europees cinematografisch erfgoed (23) de lidstaten verzocht ervoor zorg te dragen dat films waaraan staatssteun is toegekend, gedeponeerd worden in een instelling voor het behoud van het cinematografische erfgoed, en het in depot geven van al het bijbehorende materiaal aan te moedigen wanneer dat mogelijk is, samen met de passende rechten voor de conservering en het culturele en niet-commerciële gebruik van de gesteunde films en van het bijbehorende materiaal.

44.

Sommige lidstaten hebben de praktijk ingevoerd om de laatste tranche van de steun pas uit te keren nadat de cinematografische erfgoedinstelling heeft bevestigd dat de gesteunde film in depot is gegeven. Dit is een doeltreffend instrument gebleken om de contractuele deponeringsverplichting af te dwingen.

45.

Sommige lidstaten hebben in hun subsidieovereenkomsten ook bepalingen opgenomen waardoor uit overheidsmiddelen gefinancierde films na een overeengekomen periode voor specifieke doelstellingen kunnen worden gebruikt bij de uitvoering van publieke taken van cinematografische erfgoedinstellingen en mits dit niet tegen het normale gebruik van de film indruist.

46.

Daarom dienen lidstaten hun producenten aan te moedigen — en hen daarbij ondersteuning te bieden — om bij de door de financieringsinstantie aangewezen cinematografische erfgoedinstelling een kopie van de gesteunde film te deponeren met het oog op bewaring (24), alsmede met het oog op specifiek niet-commercieel gebruik dat is overeengekomen met de rechthebbende(n), in overeenstemming met de intellectuele-eigendomsrechten en zonder afbreuk te doen aan een billijke vergoeding voor de rechthebbenden, na een in de subsidieovereenkomst overeengekomen termijn, mits dit niet tegen het normale gebruik van de film indruist.

5.   DE STEUN OP ZIJN VERENIGBAARHEID BEOORDELEN

47.

Bij de beoordeling van steun aan films en andere audiovisuele werken gaat de Commissie, op grond van de bovenstaande overwegingen, na:

ten eerste of de steunregeling het beginsel van „rechtmatigheid in algemene zin” in acht neemt, d.w.z. dat de Commissie moet nagaan of de regeling geen clausules bevat die in strijd zijn met bepalingen van het VWEU op andere gebieden dan staatssteun, en

ten tweede of de regeling voldoet aan de specifieke criteria voor de verenigbaarheid van steun zoals die hier verder worden uiteengezet.

5.1.   Rechtmatigheid in algemene zin

48.

De Commissie vergewist zich in de eerste plaats ervan dat met de steun het beginsel van de „rechtmatigheid in algemene zin” in acht wordt genomen en dat de verenigbaarheidsvoorwaarden en toekenningscriteria geen bepalingen bevatten die op andere gebieden dan staatssteun strijdig zijn met het VWEU. Dit betekent dat onder meer wordt geborgd dat de VWEU-beginselen van non-discriminatie op grond van nationaliteit, van vrij verkeer van goederen, vrij verkeer van werknemers, vrijheid van vestiging, vrijheid van dienstverrichting en vrij verkeer van kapitaal in acht worden genomen (de artikelen 18, 34, 36, 45, 49, 54, 56 en 63 VWEU). Indien de bepalingen die inbreuk maken op deze beginselen, niet van het functioneren van de regeling te scheiden zijn, dwingt de Commissie de inachtneming van deze beginselen af in het kader van de toepassing van de mededingingsregels.

49.

Overeenkomstig de hier genoemde beginselen mogen steunregelingen bijvoorbeeld niet: steun uitsluitend voorbehouden aan eigen staatsburgers; van begunstigden eisen dat zij de status hebben van een nationale onderneming die volgens de nationale handelswetgeving is opgericht (ondernemingen die in een lidstaat gevestigd zijn en via een vaste inrichting of filiaal in een andere lidstaat actief zijn, moeten voor steun in aanmerking kunnen komen; verder dient de eis over een filiaal te beschikken alleen te worden opgelegd bij de betaling van de steun), of buitenlandse ondernemingen die diensten verlenen voor het maken van films, verplichten om de voorwaarden van Richtlijn 96/71/EG (25) te omzeilen met betrekking tot hun gedetacheerde werknemers.

50.

Gezien de specifieke situatie van de Europese filmsector kunnen steunregelingen voor filmproductie:

ofwel eisen dat tot 160 % van het steunbedrag dat voor de productie van een bepaald audiovisueel werk wordt toegekend, wordt besteed op het grondgebied waar de steun wordt verleend;

ofwel het bedrag van de steun ten behoeve van een bepaald audiovisueel werk berekenen als een percentage van de bestedingen voor filmproductieactiviteiten in de steunverlenende lidstaat, doorgaans in het geval van steunregelingen in de vorm van fiscale prikkels.

In beide gevallen kunnen lidstaten eisen dat een minimumpercentage aan productieactiviteiten op hun grondgebied plaatsvindt, willen projecten voor steun in aanmerking komen. Dit percentage mag echter niet meer dan 50 % van het totale productiebudget bedragen. Bovendien mag de territoriale koppeling in geen geval meer dan 80 % van het totale productiebudget bedragen.

5.2.   Specifieke criteria voor toetsing aan artikel 107, lid 3, d), VWEU

51.

Steun voor de productie van Europese audiovisuele werken en de instandhouding van de infrastructuur die nodig is voor de productie en vertoning ervan, heeft tot doel de Europese culturele identiteiten te bepalen en de culturele diversiteit te bevorderen. Daarom is de doelstelling van de steun het bevorderen van cultuur. Dit soort steun kan met het Verdrag verenigbaar zijn op grond van artikel 107, lid 3, onder d), VWEU. Ondernemingen in de filmsector en de productie van televisieprogramma's kunnen misschien ook aanspraak maken op andere soorten steun op grond van artikel 107, lid 3, onder a) en c), VWEU (bijv. regionale steun, mkb-steun, steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling, opleidings- of werkgelegenheidssteun), zolang bij cumulering de maximumsteunintensiteiten in acht worden genomen.

52.

In het geval van regelingen ter ondersteuning van het schrijven van scenario's, de ontwikkeling, productie, distributie en promotie van audiovisuele werken die onder deze mededeling vallen, zal de Commissie voor het audiovisuele werk dat de steun zal genieten, de volgende criteria onderzoeken om te beoordelen of de regeling, op grond van artikel 107, lid 3, onder d), VWEU, met het Verdrag verenigbaar is:

1.

De steun is bedoeld voor een cultuurproduct. Iedere lidstaat zorgt ervoor dat de gesteunde productie een culturele inhoud heeft volgens zijn eigen nationale criteria, via een effectieve controleprocedure die een kennelijke fout moet voorkomen: hetzij via de selectie van filmvoorstellen door bijvoorbeeld een panel of een met de selectie belast persoon of, bij gebreke van dit soort selectieprocedure, door een lijst van culturele criteria op te stellen die voor ieder audiovisueel werk zullen worden getoetst.

2.

De steunintensiteit moet in beginsel beperkt blijven tot 50 % van het productiebudget, zodat normale commerciële initiatieven worden gestimuleerd. De steunintensiteit van grensoverschrijdende producties die door meer dan één lidstaat worden gefinancierd en waarbij producenten uit meer dan één lidstaat betrokken zijn, mag tot 60 % van het productiebudget bedragen. Voor moeilijke audiovisuele werken (26) en coproducties waarbij landen uit de DAC-landenlijst van de OESO (27) betrokken zijn, gelden deze beperkingen niet. Films waarvan de originele versie alleen bestaat in een officiële taal van een lidstaat met een beperkt grondgebied, laag bevolkingsaantal of klein taalgebied, kunnen in dit verband als moeilijke audiovisuele werken worden beschouwd.

3.

In beginsel is er geen beperking ten aanzien van steun voor het schrijven van scenario's of voor ontwikkeling. Indien van het daaruit ontstane scenario of project uiteindelijk echter een film wordt gemaakt, dienen de kosten voor het schrijven van het scenario en voor de ontwikkeling nadien wel te worden meegerekend in het productiebudget en mee in rekening te worden genomen bij het berekenen van de maximumsteunintensiteit voor het audiovisuele werk zoals hier uiteengezet onder (2).

4.

Voor de kosten van de distributie en promotie van audiovisuele werken die voor productiesteun in aanmerking komen, mag de steun dezelfde intensiteit hebben als het geval was (of had kunnen zijn) bij de productie ervan.

5.

Afgezien van steun voor het schrijven van scenario's, de ontwikkeling, distributie of promotie, is geen steun voor specifieke productieactiviteiten toegestaan. Bijgevolg mag de steun niet worden gereserveerd voor afzonderlijke delen van de waardeketen van een productie. Steun voor de productie van een specifiek audiovisueel werk dient bij te dragen in het algemene budget ervan. De producent dient vrij te kunnen kiezen welke onderdelen van het budget in andere lidstaten zullen worden besteed. Dit moet ervoor zorgen dat de steun een neutraal stimulerend effect heeft. Het toewijzen van steun aan specifieke uitgavenposten van een filmbudget kan leiden tot een nationale voorkeur voor de sectoren die deze specifiek gesteunde diensten verlenen, hetgeen met het Verdrag onverenigbaar zou zijn.

6.

De lidstaten dienen hun producenten aan te moedigen — en hen daarbij ondersteuning te bieden — om bij de door de financieringsinstantie aangewezen cinematografische erfgoedinstelling een kopie van de gesteunde film te deponeren met het oog op bewaring, alsmede met het oog op specifiek niet-commercieel gebruik dat is overeengekomen met de rechthebbende(n), in overeenstemming met de intellectuele-eigendomsrechten en zonder afbreuk te doen aan een billijke vergoeding voor de rechthebbenden, na een in de subsidieovereenkomst overeengekomen termijn, mits dit niet tegen het normale gebruik van de film indruist.

7.

De steun wordt transparant toegekend. De lidstaten moeten ten minste de volgende gegevens bekendmaken op een aparte, op zich staande website of op een aparte website die gegevens ophaalt bij meerdere websites: de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen ervan, de naam van de begunstigde van de steun, de benaming en aard van de gesteunde activiteit of het gesteunde project, het steunbedrag en de steunintensiteit als percentage van het totale budget van de gesteunde activiteit of het gesteunde project. Die gegevens moeten online worden bekendgemaakt nadat het steunverleningsbesluit is vastgesteld, moeten voor ten minste 10 jaar worden bijgehouden en moeten zonder beperkingen beschikbaar zijn voor het brede publiek (28).

53.

De modernisering van bioscopen, daaronder begrepen de digitalisering ervan, kan worden gesteund wanneer de lidstaten kunnen rechtvaardigen dat dit soort steun noodzakelijk, evenredig en geschikt is. Op die grondslag zou de Commissie nagaan of de regeling met het Verdrag verenigbaar is op grond van artikel 107, lid 3, onder d), VWEU.

54.

Om te bepalen of de maximumsteunintensiteit in acht wordt genomen, wordt het volledige bedrag van de overheidssteun van lidstaten ten behoeve van de gesteunde activiteit of het gesteunde project in aanmerking genomen, ongeacht of de steun wordt gefinancierd uit lokale, regionale, nationale of EU-bronnen. Middelen echter die rechtstreeks afkomstig zijn van EU-programma's zoals het MEDIA-programma, zonder dat lidstaten betrokken zijn bij het toewijzingsbesluit, zijn geen staatsmiddelen. Derhalve wordt dit soort steun niet meegerekend wanneer wordt nagegaan of de steunplafonds in acht worden genomen.

6.   DIENSTIGE MAATREGELEN

55.

Als dienstige maatregelen in de zin van artikel 108, lid 1, VWEU stelt de Commissie voor dat de lidstaten hun bestaande regelingen betreffende filmfinanciering met deze mededeling in overeenstemming brengen binnen twee jaar na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. De lidstaten dienen de Commissie binnen één maand na de bekendmaking van deze mededeling in het Publicatieblad te bevestigen dat zij met de voorgestelde dienstige maatregelen instemmen. Bij gebreke van antwoord neemt de Commissie aan dat de betrokken lidstaat niet instemt.

7.   TOEPASSING

56.

Deze mededeling zal worden toegepast vanaf de eerste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

57.

De Commissie zal de bepalingen van deze mededeling toepassen op alle aangemelde steunmaatregelen waarover zij zich na de bekendmaking van deze mededeling in het Publicatieblad moet uitspreken, zelfs wanneer die steunmaatregelen vóór die datum zijn aangemeld.

58.

Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (29) zal de Commissie in het geval van niet-aangemelde steun toepassen:

a)

deze mededeling indien de steun is verleend nadat deze mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt;

b)

de filmmededeling van 2001 in alle overige gevallen.


(1)  Jaarlijks wordt 2,1 miljard EUR steun verleend door Europese filmfondsen; zie http://www.obs.coe.int/about/oea/pr/fundingreport2011.html Volgens de studie naar de economische en culturele impact van territoriale voorwaarden in filmsteunregelingen, geven lidstaten jaarlijks naar raming nog 1 miljard EUR steun via fiscale stimuleringsregelingen; zie http://ec.europa.eu/avpolicy/info_centre/library/studies/index_en.htm#territorialisation

(2)  Bron: Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector, Focus 2012 — World film market trends, mei 2012.

(3)  PWC, Global Entertainment and Media Outlook 2009-2013, juni 2009, blz. 193.

(4)  Studie van KEA European Affairs, Multi-Territory Licensing of Audiovisual Works in the European Union, Final Report prepared for the European Commission, DG Information Society and Media, oktober 2010, blz. 21, beschikbaar onder: http://www.keanet.eu/docs/mtl%20-%20full%20report%20en.pdf

(5)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's over bepaalde juridische aspecten in verband met cinematografische en andere audiovisuele werken (PB C 43 van 16.2.2002, blz. 6).

(6)  PB C 123 van 30.4.2004, blz. 1.

(7)  PB C 134 van 16.6.2007, blz. 5.

(8)  PB C 31 van 7.2.2009, blz. 1.

(9)  Met name het arrest van 10 maart 2005, zaak C-39/04, Laboratoires Fournier SA/Direction des vérifications nationales et internationales, Jurispr. 2005, blz. I-2057.

(10)  Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5).

(11)  Niet te verwarren met traditionele platformoverschrijdende mediafranchises, sequels of bewerkingen.

(12)  Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”) (PB L 214 van 9.8.2008, blz. 3).

(13)  Volgens artikel 4, lid 4, van dat Verdrag wordt „[o]nder „culturele activiteiten, goederen en diensten” […] verstaan: activiteiten, goederen en diensten die […] vorm geven aan cultuuruitingen of deze overbrengen, ongeacht hun eventuele commerciële waarde. Culturele activiteiten kunnen een doel op zich zijn, maar kunnen ook bijdragen tot de productie van culturele goederen en diensten.”.

(14)  Arrest van 5 maart 2009, zaak C-222/07, Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA)/Administración General del Estado, Jurispr. 2009, blz. I-1407, punten 27 t/m 33.

(15)  Arrest van 13 december 2007, zaak C-250/06, United Pan-Europe Communications Belgium SA e.a./Belgische Staat, Jurispr. 2007, blz. I-11135, punt 43.

(16)  Arrest van 28 oktober 1999, zaak C-6/98, Arbeitsgemeinschaft Deutscher Rundfunkanstalten (ARD)/PRO Sieben Media AG, Jurispr. 1999, blz. I-7599, punt 50.

(17)  Arrest-UTECA, reeds aangehaald, punten 34, 36.

(18)  Study on the Economic and Cultural Impact, notably on Co-productions, of Territorialisation Clauses of state aid Schemes for Films and Audiovisual Productions (2008), beschikbaar onder: http://ec.europa.eu/avpolicy/docs/library/studies/territ/final_rep.pdf

(19)  Arrest-UTECA, reeds aangehaald, punt 25.

(20)  Een voorbeeld: een producent die een film maakt met een budget van 10 miljoen EUR, dient een aanvraag in voor steun in het kader van een regeling waarbij maximaal 1 miljoen EUR per film wordt toegekend. In dat geval is het onevenredig om de film van de regeling uit te sluiten omdat de producent niet ten minste 8 miljoen EUR van het productiebudget verwacht te besteden op het grondgebied waar de steun wordt verleend.

(21)  Een voorbeeld: een producent die een film maakt met een budget van 10 miljoen EUR, dient een aanvraag in voor steun in het kader van een regeling waarbij maximaal 1 miljoen EUR per film wordt toegekend. Van de producent kan alleen worden verwacht dat hij 1,6 miljoen EUR van het productiebudget besteedt op het grondgebied waar de steun wordt verleend. Indien het filmbudget echter 2 miljoen EUR zou bedragen en de film het maximale steunbedrag had gekregen, zou de producent worden geconfronteerd met een territoriale bestedingsverplichting die overeenstemt met 80 % van het productiebudget.

(22)  Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 over cinematografisch erfgoed en het concurrentievermogen van verwante industriële activiteiten (PB L 323 van 9.12.2005, blz. 57).

(23)  PB C 324 van 1.12.2010, blz. 1.

(24)  De cinematografische erfgoedinstellingen worden door lidstaten aangewezen om cinematografisch erfgoed voor culturele en educatieve doeleinden te verzamelen, te conserveren en beschikbaar te stellen. Op grond van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 over cinematografisch erfgoed hebben de lidstaten een lijst opgesteld van hun cinematografische erfgoedinstellingen. De actuele lijst is beschikbaar onder: http://ec.europa.eu/avpolicy/docs/reg/cinema/institutions.pdf

(25)  Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).

(26)  Zoals kortfilms, debuutfilms of tweede films van jonge regisseurs, documentaires, lowbudgetfilms of commercieel anderszins moeilijke werken. Op grond van het subsidiariteitsbeginsel staat het aan elke lidstaat om, aan de hand van nationale parameters, een definitie vast te stellen van wat een „moeilijke film” is.

(27)  De DAC-landenlijst omvat alle landen en gebieden die in aanmerking komen voor het ontvangen van officiële ontwikkelingshulp. Het gaat hierbij om alle landen met een laag en middeninkomen, uitgedrukt als bruto nationaal inkomen (bni) per hoofd van de bevolking, zoals dat door de Wereldbank wordt gepubliceerd; niet opgenomen zijn leden van de G-8, EU-lidstaten en landen waarvan de datum van toetreding tot de EU vast staat. Deze lijst bevat ook alle minst ontwikkelde landen volgens de definitie van de Verenigde Naties; zie http://www.oecd.org/document/45/0,3746,en_2649_34447_2093101_1_1_1_1,00.html

(28)  Deze informatie dient regelmatig te worden bijgewerkt (bijv. om de zes maanden) en dient in open standaarden beschikbaar te worden gesteld.

(29)  PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.


Top