Help Print this page 

Document 52012IP0324

Title and reference
Onlineverspreiding van audiovisuele werken in de EU Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over de online verspreiding van audiovisuele werken binnen de EU (2011/2313(INI))
  • In force
OJ C 353E , 3.12.2013, p. 64–74 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Text

3.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 353/64


Dinsdag 11 september 2012
Onlineverspreiding van audiovisuele werken in de EU

P7_TA(2012)0324

Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2012 over de online verspreiding van audiovisuele werken binnen de EU (2011/2313(INI))

2013/C 353 E/08

Het Europees Parlement,

gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 20 oktober 2005,

gezien artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in overeenstemming waarmee de culturele en creatieve sectoren een aanzienlijke bijdrage leveren in de strijd tegen elke vorm van discriminatie, waaronder racisme en xenofobie,

gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (1),

gezien artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat stelt dat de bescherming van persoonsgegevens moet worden gewaarborgd,

gezien Besluit nr. 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007) (2),

gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 over cinematografisch erfgoed en het concurrentievermogen van verwante industriële activiteiten (3),

gezien de aanbeveling van de Commissie van 24 augustus 2006 betreffende de digitalisering en oneline-toegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met de titel "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 met de titel "Een digitale agenda voor Europa" (COM(2010)0245),

gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 met de titel "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken" (5),

gezien artikel 48 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie juridische zaken (A7-0262/2012),

A.

overwegende dat het digitale tijdperk in wezen ruime mogelijkheden biedt voor de creatie en de verspreiding van audiovisuele werken, maar ook immense uitdagingen inhoudt;

B.

overwegende dat de marktontwikkelingen op verschillende manieren hebben gezorgd voor de nodige groei en culturele inhoud, in overeenstemming met de doelstellingen van de interne markt;

C.

overwegende dat er tegenwoordig meer inhoud beschikbaar is voor consumenten dan ooit tevoren;

D.

overwegende dat het concurrentievermogen van de Europese audiovisuele sector moet worden vergroot door middel van de ondersteuning van onlinediensten en de bevordering van de Europese beschaving, de taalkundige en culturele verscheidenheid en het pluralisme van de media;

E.

overwegende dat auteursrecht een essentieel rechtsinstrument is dat rechthebbenden bepaalde exclusieve rechten verleent en deze rechten beschermt, waardoor de culturele en creatieve sectoren kunnen groeien en financieel bloeien, terwijl het ook banen helpt veiligstellen;

F.

overwegende dat een aanpassing van het rechtskader ter vereenvoudiging van de procedure voor het verwerven van rechten bevorderlijk zou zijn voor het vrije verkeer van werken in de Unie, alsook voor de Europese audiovisuele sector;

G.

overwegende dat de Europese omroepmaatschappijen een essentiële rol vervullen in de bevordering van de Europese creatieve sector en de bescherming van de culturele verscheidenheid, en dat omroepmaatschappijen ruim 80 % van de oorspronkelijke audiovisuele productie in Europa financieren;

H.

overwegende dat filmvertoning in de bioscoop nog steeds goed is voor een groot aandeel van de filminkomsten en een aanzienlijke impact heeft op het succes van films op platformen voor video op aanvraag;

I.

overwegende dat artikel 13, lid 1, van de richtlijn audiovisuele mediadiensten de grondslag vormt voor de invoering van financierings- en promotieverplichtingen voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag, aangezien ook zij een cruciale rol spelen in de bevordering en bescherming van culturele diversiteit;

J.

overwegende dat de Europese omroepmaatschappijen die in een digitale, convergente, multimediale platformomgeving werkzaam zijn behoefte hebben aan flexibele, toekomstgerichte en doeltreffende stelsels voor de vereffening van auteursrechten, waaronder een eenloketsysteem; overwegende dat dergelijke flexibele stelsels voor de vereffening van auteursrechten al tientallen jaren bestaan in Noord-Europa;

K.

overwegende dat het uiterst belangrijk is om een aantrekkelijk, legaal en gevarieerd onlineaanbod te ontwikkelen en om de vlotte distributie van zulk aanbod verder te bevorderen en te waarborgen, dit door de belemmeringen op het gebied van licentieverlening, waaronder grensoverschrijdende licentieverlening, tot een absoluut minimum te beperken; onderstreept ook dat het belangrijk is dit aanbod gebruiksvriendelijker te maken voor de consument, met name wat de betalingsprocedure betreft;

L.

overwegende dat de consument toegang eist tot een alsmaar breder onlineaanbod aan films, zonder rekening te houden met de vestigingsplaats van de platformen;

M.

overwegende dat audiovisuele werken in Europa al over de grenzen heen worden verdeeld dankzij pan-Europese licenties op vrijwillige basis, en overwegende dat de verdere ontwikkeling hiervan het overwegen waard is, op voorwaarde dat er een economische vraag naar bestaat; overwegende dat niet mag worden vergeten dat bedrijven ook rekening moeten houden met de verschillende taalkundige en culturele voorkeuren van de Europese consumenten, die een beeld geven van de uiteenlopende audiovisuele consumptiepatronen van de EU-burgers in de interne markt;

N.

overwegende dat de onlinedistributie van audiovisuele producten uitstekende mogelijkheden biedt om de kennis van Europese talen te bevorderen en overwegende dat deze doelstelling kan worden bereikt aan de hand van oorspronkelijke versies van audiovisuele producten en de mogelijkheid om deze in een groot aantal talen te laten vertalen;

O.

overwegende dat het essentieel is om zowel rechthebbenden als consumenten rechtszekerheid te bieden met betrekking tot de toepassing van auteursrechten en aanverwante rechten in de Europese digitale ruimte, en dat het dus nodig is de juridische bepalingen in de lidstaten beter op elkaar af te stemmen;

P.

overwegende dat het versterken van het rechtskader voor de audiovisuele sector in Europa bijdraagt tot de verdere bescherming van de vrijheid van meningsuiting en van gedachte, waardoor de democratische waarden en beginselen van de EU worden bevorderd;

Q.

overwegende dat er specifieke maatregelen nodig zijn om het Europees cinematografisch en audiovisueel erfgoed te beschermen, en dat er met name moet worden ingezet op de digitalisering van inhoud en op de vereenvoudiging van de toegang tot dit erfgoed voor burgers en gebruikers;

R.

overwegende dat een regeling voor het identificeren en merken van werken zou bijdragen aan de bescherming van rechthebbenden te beschermen en aan de strijd tegen ongeoorloofd gebruik;

S.

overwegende dat het van cruciaal belang is dat de netneutraliteit in informatie- en communicatienetwerken behouden blijft en dat het technologieneutrale ontwerp van mediaplatformen en -actoren wordt gewaarborgd, teneinde de beschikbaarheid van audiovisuele diensten te garanderen, en overwegende dat het ook essentieel is om de vrijheid van meningsuiting en het pluralisme van de media in de Europese Unie te bevorderen en om rekening te houden met technologische convergentie;

T.

overwegende dat duurzame creatie en culturele verscheidenheid niet mogelijk zijn zonder auteursrechten die de makers van audiovisuele werken beschermen en vergoeden of zonder juridische garanties met betrekking tot de toegang van gebruikers tot cultureel erfgoed; overwegende dat nieuwe bedrijfsmodellen moeten inzetten op doeltreffende licentiesystemen, op permanente investeringen in de digitalisering van creatieve inhoud en op een vlotte toegang voor de consument;

U.

overwegende dat een groot aantal inbreuken op auteursrechten of aanverwante intellectuele-eigendomsrechten voortkomen uit de begrijpelijke behoefte van een potentieel publiek aan nieuwe audiovisuele inhoud tegen eenvoudige, betaalbare voorwaarden, en overwegende dat aan deze vraag nog niet voldoende is tegemoetgekomen;

V.

overwegende dat aanpassingen aan de realiteit van het digitale tijdperk moeten worden aangemoedigd, met name die welke ten doel hebben te voorkomen dat ondernemingen worden verplaatst naar landen waar de wetgeving slechts minimale bescherming biedt;

W.

overwegende dat de eerlijkheid gebiedt dat alle overeenkomsten voorzien in een billijke vergoeding voor auteurs, dit voor alle vormen van exploitatie van hun werk, waaronder onlinegebruik);

X.

overwegende dat de Commissie dringend een voorstel moet formuleren voor een richtlijn inzake collectief rechtenbeheer en organisaties voor collectief rechtenbeheer, teneinde het vertrouwen in deze organisaties te vergroten door middel van maatregelen die erop gericht zijn hun efficiëntie en transparantie aanzienlijk te vergroten alsook goed bestuur en doeltreffende geschillenbeslechting te bevorderen;

Y.

overwegende dat collectief rechtenbeheer een essentieel instrument is voor omroepen, die dagelijks een groot aantal rechten moeten vereffenen, en dat het daarom moet dienen als basis voor efficiënte licentieregelingen voor het onlinegebruik van audiovisuele inhoud op aanvraag;

Z.

overwegende dat de belastingheffing op culturele goederen en diensten aan het digitale tijdperk moet worden aangepast;

AA.

overwegende dat het beginsel van chronologie van de media voor een algemeen evenwicht in de audiovisuele sector zorgt, en dat dit een efficiënt prefinancieringssysteem voor deze werken mogelijk maakt;

AB.

overwegende dat het beginsel van chronologie van de media steeds meer onder druk komt te staan door de toenemende beschikbaarheid van digitale werken en de mogelijkheden voor onmiddellijke verspreiding die onze geavanceerde informatiemaatschappij biedt;

AC.

overwegende dat de Unie werk moet maken van een samenhangende aanpak ten aanzien van technologische kwesties, met name door in te zetten op de interoperabiliteit van de in het digitale tijdperk gebruikte systemen;

AD.

overwegende dat het juridische en fiscale kader ondernemingen moet begunstigen die de onlinedistributie van audiovisuele producten met een economische waarde promoten;

AE.

overwegende dat de toegang tot de media van gehandicapten bijzonder belangrijk is en moet worden bevorderd, met name door programma's aan te bieden die op deze doelgroep zijn afgestemd;

AF.

overwegende dat het essentieel is om meer in te zetten op onderzoek en ontwikkeling met het oog op de ontwikkeling van technieken voor een geautomatiseerd beheer van diensten voor gehandicapten, met name door middel van hybride uitzendingen;

1.

onderkent de versplintering van de onlinemarkt, die onder andere wordt gekenmerkt door technologische belemmeringen, ingewikkelde licentieprocedures, verschillen in betalingsmethoden, gebrek aan interoperabiliteit bij belangrijke zaken zoals de e-handtekening, en variaties in bepaalde belastingen, waaronder de btw, op goederen en diensten; is daarom van mening dat er momenteel behoefte is aan een transparante, flexibele en geharmoniseerde aanpak op Europees niveau om verdere stappen te kunnen zetten in de richting van een digitale interne markt; benadrukt dat alle voorgestelde maatregelen gericht moeten zijn op een verlaging van de administratieve lasten en de transactiekosten bij de toewijzing van licenties voor inhoud;

Legaal aanbod, toegankelijkheid en collectief rechtenbeheer

2.

benadrukt het belang van een aantrekkelijker legaal aanbod, zowel op kwantitatief als op kwalitatief vlak, en een betere onlinebeschikbaarheid van oorspronkelijke en ondertitelde versies van audiovisuele werken in alle officiële talen van de EU;

3.

onderstreept dat het belang is inhoud aan te bieden met ondertiteling in zoveel mogelijk talen, met name bij diensten voor video op aanvraag;

4.

benadrukt dat er een toenemende behoefte bestaat om een aantrekkelijk, legaal onlineaanbod van audiovisuele inhoud te bevorderen en innovatie te stimuleren, en dat de flexibiliteit van nieuwe distributiemethoden dus essentieel is om nieuwe bedrijfsmodellen in het leven te roepen en digitale goederen toegankelijk te maken voor alle EU-burgers, ongeacht de lidstaat waar zij verblijven, en met inachtneming van het beginsel van webneutraliteit;

5.

benadrukt dat digitale diensten, zoals videostreaming, beschikbaar moeten worden gesteld voor alle EU-burgers, ongeacht de lidstaat waar zij verblijven; verzoekt de Commissie Europese digitale bedrijven te vragen geografische controlemiddelen (zoals het blokkeren van IP-adressen) in de hele Unie te verwijderen en de aankoop van digitale diensten van buiten de lidstaat van herkomst van de consument toe te staan; vraagt de Commissie een onderzoek in te stellen naar de toepassing van de kabel- en satellietrichtlijn (6) op digitale distributie;

6.

is van mening dat er meer aandacht moet worden geschonken aan het verbeteren van de veiligheid van onlinedistributieplatformen, met inbegrip van onlinebetalingssystemen;

7.

benadrukt dat er moet worden ingezet op de ontwikkeling van alternatieve en vernieuwende microbetalingssystemen voor legale platformen die onlinediensten aanbieden, zoals betalen per sms of via bepaalde applicaties, teneinde het gebruik ervan door de consument te vergemakkelijken;

8.

benadrukt dat problemen op het gebied van onlinebetalingssystemen, zoals het gebrek aan interoperabiliteit en de hoge kosten van microbetalingen voor de consument, moeten worden aangepakt met het oog op de ontwikkeling van eenvoudige, innovatieve en kosteneffectieve oplossingen voor zowel consumenten als digitale platformen;

9.

pleit voor nieuwe oplossingen op het gebied van gebruiksvriendelijke betalingssystemen, zoals microbetalingen, en voor de ontwikkeling van systemen die het mogelijk maken creatieve actoren rechtstreeks te vergoeden, wat in het voordeel is van zowel de consument als de auteurs;

10.

benadrukt dat onlinetoepassingen reële mogelijkheden bieden om de verspreiding en de distributie van Europese werken, met name audiovisuele werken, te verbeteren, op voorwaarde dat het legale aanbod van deze werken zich kan ontwikkelen in een gezond mededingingskader en dat het illegaal ter beschikking stellen van beschermde werken doeltreffend wordt bestreden;

11.

stimuleert de ontwikkeling van een uitgebreid en gevarieerd legaal aanbod aan audiviovisuele inhoud, met name door de ontwikkeling van flexibelere mediavensters; benadrukt dat rechthebbenden vrij moeten kunnen kiezen wanneer zij hun producten op verschillende platformen lanceren;

12.

benadrukt dat erover moet worden gewaakt dat het huidige systeem van mediavensters niet wordt gebruikt om online-exploitatie ontoegankelijk te maken voor kleine producenten en distributeurs;

13.

is verheugd over het besluit van de Commissie om uitvoering te geven aan de door het Parlement goedgekeurde voorbereidende actie ten aanzien van het testen van nieuwe distributiemethoden, gebaseerd op de complementariteit van platformen wat de flexibiliteit van mediavensters betreft;

14.

verzoekt om steun voor strategieën die Europese audiovisuele kmo's in staat stellen digitale rechten doeltreffender te beheren en zo een breder publiek te bereiken;

15.

verzoekt alle lidstaten dringend om artikel 13 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten op normatieve wijze ten uitvoer te leggen en om financierings- en promotieverplichtingen voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag in te voeren; verzoekt de Commissie overeenkomstig artikel 13, lid 3, van deze richtlijn onverwijld een gedetailleerd verslag over de huidige stand van uitvoering in te dienen bij Parlement;

16.

herinnert eraan dat het met het oog op de totstandbrenging van een digitale interne markt in Europa uiterst belangrijk is om pan-Europese regelgeving vast te stellen voor het collectieve beheer van auteursrechten en aanverwante intellectuele-eigendomsrechten, zodat de toenemende verschillen tussen de lidstaten op dit gebied, die een grensoverschrijdende rechtsvrijwaring almaar moeilijker maken, kunnen worden weggewerkt;

17.

ondersteunt de totstandbrenging van een rechtskader voor de bevordering van de digitalisering en de grensoverschrijdende verspreiding van verweesde werken op de digitale interne markt, aangezien dit een van de kernacties is van de digitale agenda voor Europa, die deel uitmaakt van de Europa 2020-strategie;

18.

merkt op dat de ontwikkeling van grensoverschrijdende diensten perfect haalbaar is op voorwaarde dat zakelijke platformen bereid zijn om de rechten op de exploitatie van een of meer territoria contractueel te verwerven, waarbij het van belang is eraan te herinneren dat territoriale stelsels een natuurlijke markt vormen in de audiovisuele sector;

19.

benadrukt dat er rechtszekerheid moet komen over de vraag welk rechtssysteem van toepassing is voor de vereffening van rechten bij grensoverschrijdende distributie, en stelt voor het recht toe te passen van het land waar ondernemingen hun voornaamste werkzaamheid verrichten en het grootste deel van hun inkomsten genereren;

20.

bevestigt de doelstelling om tot een intensievere en doelmatige grensoverschrijdende onlinedistributie van audiovisuele werken tussen de lidstaten te komen;

21.

stelt voor een alomvattende aanpak op EU-niveau uit te werken met het oog op een betere samenwerking tussen rechthebbenden, onlinedistributieplatformen en internetaanbieders, teneinde een gebruiksvriendelijke en concurrerende toegang tot audiovisuele inhoud mogelijk te maken;

22.

benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor flexibiliteit en interoperabiliteit met betrekking tot de distributie van audiovisuele werken door digitale platformen, teneinde het legale aanbod aan audiovisuele werken te kunnen uitbreiden als de markt daarom vraagt en teneinde de grensoverschrijdende toegang tot inhoud uit andere lidstaten te bevorderen, met inachtneming van de auteursrechten;

23.

is ingenomen met het door de Commissie voorgestelde nieuwe programma "Creatief Europa", waarin wordt benadrukt dat onlinedistributie ook verstrekkende en positieve gevolgen heeft voor de verspreiding van audiovisuele werken, met name voor het bereiken van een nieuw publiek in en buiten Europa en voor het versterken van de sociale cohesie;

24.

wijst op het belang van netneutraliteit om de gelijke toegang tot snelle netwerken te garanderen, aangezien die essentieel is voor de kwaliteit van legale audiovisuele onlinediensten;

25.

benadrukt dat de digitale kloof tussen lidstaten of gebieden binnen de EU een grote hinderpaal vormt voor de digitale interne markt; pleit in dit verband voor de uitbreiding van de toegang tot breedbandinternet binnen de EU om de toegang tot onlinediensten en nieuwe technologieën te stimuleren;

26.

herinnert eraan dat, ten behoeve van commerciële exploitatie, rechten worden overgedragen aan de audiovisuele producent, die zich op de centralisatie van de uit hoofde van het auteursrecht verleende exclusieve rechten verlaat om de financiering, de productie en de distributie van audiovisuele werken te organiseren;

27.

herinnert eraan dat de commerciële exploitatie van de exclusieve rechten van "mededeling aan het publiek" en "beschikbaarstelling voor het publiek" bedoeld is om bij een commercieel succes financiële middelen te genereren teneinde daarmee de productie en distributie van toekomstige projecten te financieren en zo bij te dragen aan een gevarieerd en geactualiseerd aanbod aan nieuwe films;

28.

verzoekt de Commissie met een wetgevingsinitiatief te komen voor het collectieve beheer van auteursrechten, waarbij de focus ligt op het verbeteren van de verantwoordingsplicht, de transparantie en de governance van organisaties voor collectief rechtenbeheer, op het tot stand brengen van doeltreffende geschillenbeslechtingsmechanismen en op het verduidelijken en vereenvoudigen van licentiesystemen in de muziekindustrie; benadrukt in dit verband dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de licentieprocedures voor verschillende soorten inhoud, met name tussen audiovisuele/cinematografische werken en muziek; herinnert eraan dat de licentieverlening voor audiovisuele werken geschiedt op basis van individuele contractuele overeenkomsten, in sommige gevallen gecombineerd met een collectief beheer van vergoedingen;

29.

benadrukt dat in het verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 2001/29/EG (7) bij de tenuitvoerlegging in de lidstaten van de artikelen 5, 6 en 8 verschillen zijn vastgesteld die hebben geleid tot uiteenlopende interpretaties en besluiten van de rechtbanken in de lidstaten; wijst erop dat deze verschillen onderdeel zijn geworden van de specifieke jurisprudentie met betrekking tot de audiovisuele sector;

30.

verzoekt de Commissie streng te blijven toezien op de toepassing van Richtlijn 2001/29/EG en periodiek verslag over haar bevindingen te blijven uitbrengen bij het Parlement en de Raad;

31.

verzoekt de Commissie, na raadpleging van alle relevante belanghebbenden, Richtlijn 2001/29/EG zodanig te herzien dat de bepalingen van de artikelen 5, 6 en 8 nauwkeuriger verwoord worden om de harmonisatie van het rechtskader voor auteursrechtelijke bescherming in de informatiemaatschappij op het niveau van de Unie te waarborgen;

32.

ondersteunt de vaststelling van consistente Europese regels inzake goed bestuur en transparantie van organisaties voor collectief rechtenbeheer en inzake doeltreffende geschillenbeslechtingsmechanismen;

33.

benadrukt dat een vereenvoudigde vereffening en samenvoeging, vooral op het gebied van muziekrechten in audiovisuele werken voor onlinedistributie, de interne markt zouden bevorderen, en verzoekt de Commissie met klem hier de nodige aandacht aan te schenken in het aangekondigde wetsbesluit inzake collectief rechtenbeheer;

34.

wijst erop dat de toenemende mediaconvergentie, zowel op het gebied van auteursrecht als op het gebied van mediarecht, noopt tot nieuwe oplossingsgerichte benaderingen; dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken in welke mate de in Richtlijn 2010/13/EU betreffende audiovisuele mediadiensten vastgestelde regels voor lineaire en niet-lineaire diensten nog actueel zijn, gelet op de laatste technologische ontwikkelingen;

35.

vindt de beperkingen op het gebied van reclame tijdens lineaire kinder-, nieuws- en informatieprogramma's redelijk, maar wijst erop dat het onderscheid tussen lineaire en niet-lineaire programma's steeds meer vervaagt; stelt daarom voor na te denken over nieuwe vormen van programma- en platformoverschrijdende verrekeningsstelsels voor reclametijd, met behulp waarvan er kan worden ingezet op hoogwaardige uitzendingen, wat ook de kwaliteit van de lineaire programma's en de diversiteit op het internet bevordert, zonder dat de inkomsten van commerciële zenders onder druk komen te staan;

36.

onderstreept dat de optie voor territoriale productie- en distributieregelingen van toepassing moet blijven op de digitale omgeving, aangezien deze vorm van organisatie van de audiovisuele markt de basis voor de financiering van Europese audiovisuele en cinematografische werken lijkt te vormen;

37.

verzoekt de Commissie te onderzoeken of het beginsel van wederzijdse erkenning op dezelfde wijze toegepast kan worden op digitale goederen als op fysieke goederen;

Identificatie

38.

is van oordeel dat nieuwe technologieën aangewend zouden kunnen worden om de vereffening van rechten te vergemakkelijken; is in dit verband ingenomen met het initiatief om aan werken een identificatienummer toe te kennen (ISAN, International Standard Audiovisual Number), wat de identificatie van audiovisuele werken en rechthebbenden vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie na te denken over maatregelen ter bevordering van het gebruik van het ISAN-systeem;

Ongeoorloofd gebruik

39.

verzoekt de Commissie internetgebruikers rechtszekerheid te geven wanneer zij voor streamingdiensten kiezen en met name na te denken over manieren om te voorkomen dat platformen die tegen betaling ongeoorloofde download- en streamingdiensten aanbieden inkomsten genereren, hetzij via betalingssystemen, hetzij via reclame;

40.

roept de lidstaten op om de naleving van auteursrechten en aanverwante rechten te bevorderen en om de illegale verstrekking en distributie, al dan niet via streaming, van audiovisuele werken te bestrijden;

41.

wijst op de opkomst van platformen voor sociaal netwerken die internetgebruikers de kans bieden de productie van een film of documentaire financieel te ondersteunen, wat hen het gevoel geeft een volwaardige bijdrage te leveren aan het wordingsproces ervan, maar benadrukt desalniettemin dat deze financieringsvorm traditionelere financieringsbronnen op korte termijn niet zal verdringen;

42.

erkent dat, hoewel er legale alternatieven bestaan, online-inbreuken op het auteursrecht een probleem blijven, en dat de legale onlinebeschikbaarheid van aan auteursrecht gebonden cultureel materiaal daarom moet worden aangevuld met een slimmere onlinehandhaving van het auteursrecht, zonder hierbij enige afbreuk te doen aan de grondrechten, met name de vrijheid van informatie en meningsuiting, de bescherming van persoonsgegevens en het recht op privacy, noch aan het "mere conduit"-beginsel (waarbij het fungeren als doorgeefluik voor berichten geoorloofd is);

43.

verzoekt de Commissie zich te buigen over een juridisch kader voor een herziening van Richtlijn 2004/48/EG, die destijds werd ontworpen voor de analoge markt en dus moet worden aangepast om ook voor de digitale markt doeltreffende oplossingen te kunnen ontwikkelen;

Vergoeding

44.

herinnert aan de noodzaak om rechthebbenden een behoorlijke vergoeding te garanderen voor de onlineverspreiding van hun audiovisuele werken; stelt vast dat, hoewel dit recht al sinds 2001 op Europees niveau erkend wordt, er nog steeds geen goed vergoedingssysteem bestaat voor de onlineverspreiding van werken;

45.

is van mening dat het doel van deze vergoeding moet zijn om het artistieke proces te vergemakkelijken, het Europese concurrentievermogen te vergroten en rekening te houden met de kenmerken van de sector, de belangen van de diverse belanghebbenden en de behoefte aan aanzienlijk vereenvoudigde licentieprocedures; verzoekt de Commissie in te zetten op bottom-upoplossingen, waarbij wordt samengewerkt met alle belanghebbenden met het oog op de verdere ontwikkeling van specifieke EU-wetgeving;

46.

vindt het essentieel dat auteurs en artiesten een billijke vergoeding krijgen die recht doet aan alle vormen van exploitatie van hun werk, waaronder onlinegebruik, en verzoekt de lidstaten daarom een verbod uit te vaardigen op uitkoopovereenkomsten, die in strijd zijn met dit beginsel;

47.

verzoekt de Commissie met klem een studie voor te leggen over de verschillen tussen de op nationaal niveau gehanteerde vergoedingsmechanismen voor auteurs en artiesten, om aan de hand daarvan een lijst van beste praktijken op te stellen;

48.

dringt aan op meer evenwicht in de onderhandelingspositie tussen enerzijds auteurs en artiesten en anderzijds producenten, en vraagt in dit verband dat aan auteurs en artiesten een onvervreemdbaar recht op vergoeding voor alle vormen van exploitatie van hun werk wordt verleend, waaronder een lopende vergoeding voor zij die hun exclusieve recht op beschikbaarstelling aan een producent hebben overgedragen;

49.

vraagt dat er maatregelen worden genomen om rechthebbenden een billijke vergoeding te waarborgen voor de distributie, de doorgifte en de heruitzending van audiovisuele werken;

50.

stelt dat de beste manier om een gepaste vergoeding voor rechthebbenden te garanderen erin bestaat hun de keuze te bieden tussen cao's (met inbegrip van overeengekomen standaardcontracten), uitgebreide collectieve licenties of organisaties voor collectief rechtenbeheer;

Licentieverlening

51.

wijst erop dat het Europese acquis communautaire inzake het auteursrecht vrijwillige multiterritoriale of pan-Europese mechanismen voor licentieverlening niet noodzakelijk uitsluit, maar dat culturele en taalkundige verschillen tussen de lidstaten en verschillen in nationale voorschriften die al dan niet verband houden met intellectuele eigendom, een flexibele en complementaire benadering op Europees niveau vereisen met het oog op de totstandbrenging van een digitale interne markt;

52.

wijst erop dat multiterritoriale of pan-Europese licentiemechanismen op vrijwillige basis tot stand moeten blijven komen, en dat de taalkundige en culturele verschillen tussen de lidstaten en de verschillen in nationale voorschriften die al dat niet verband houden met auteursrecht eigen specifieke uitdagingen met zich meebrengen; is daarom van mening dat er een flexibele benadering ten aanzien van pan-Europese licentieverlening nodig is, waarbij rechthebbenden worden beschermd en er vooruitgang wordt geboekt op weg naar een digitale interne markt;

53.

is van oordeel dat het aanmoedigen en bevorderen van een duurzame multiterritoriale licentieverlening op de digitale interne markt voor audiovisuele werken een gunstige invloed kan hebben op door de markt aangestuurde initiatieven; onderstreept dat digitale technologieën nieuwe en innovatieve manieren bieden om het aanbod van deze werken in elke markt te verrijken en aan te passen aan de vraag van de consument, waaronder de vraag naar grensoverschrijdende diensten op maat; pleit voor een beter gebruik van digitale technologieën, die moeten bijdragen aan de diversificatie en de uitbreiding van het legaal aanbod aan audiovisuele werken;

54.

is van mening dat er behoefte is aan geactualiseerde informatie over licentievoorwaarden, licentiehouders en repertoires en aan alomvattende studies op Europees niveau om transparantie mogelijk te maken, om vast te stellen waar de problemen zich voordoen en om duidelijke, efficiënte en adequate oplossingsmechanismen uit te werken;

55.

merkt op dat de audiovisuele rechten voor de commerciële exploitatie van werken in het digitale tijdperk gemakkelijker zouden kunnen worden beheerd als de lidstaten zouden kiezen voor een doelmatige en transparante licentieverlening, waaronder een uitgebreide collectieve licentieverlening op vrijwillige basis, voor zover deze er nog niet is;

56.

merkt op dat werknemers in de culturele sector en de lidstaten er baat bij zouden hebben om te onderhandelen over de uitvoering van maatregelen die het mogelijk maken om digitale technologieën voor werken die tot het erfgoed behoren ook toe te passen op openbare archieven, waardoor deze er ten volle van zouden profiteren, in het bijzonder wat de toegang tot geïsoleerde digitale werken van niet-commerciële aard betreft;

57.

is ingenomen met de door de Commissie naar aanleiding van de publicatie van het groenboek geïnitieerde raadpleging, alsmede met het feit dat de Commissie erkent dat de audiovisuele sector met betrekking tot licentiemechanismen over specifieke eigenschappen beschikt die van groot belang zijn voor de verdere ontwikkeling van de sector, met name voor de bevordering van culturele diversiteit en een sterke Europese audiovisuele sector op de digitale interne markt;

Interoperabiliteit

58.

verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het collectief rechtenbeheer gebaseerd is op doeltreffende, functionele en interoperabele systemen;

Btw

59.

benadrukt dat er dringend een discussie moet worden aangegaan over de uiteenlopende btw-tarieven in de lidstaten en verzoekt de Commissie en de lidstaten hun optreden op dit terrein te coördineren;

60.

benadrukt dat er moet worden nagedacht over een verlaagd btw-tarief voor de digitale distributie van culturele goederen en diensten om de tegenstelling tussen online- en offlinediensten weg te werken;

61.

benadrukt dat het noodzakelijk is culturele audiovisuele werken die online verkocht worden aan hetzelfde btw-tarief te onderwerpen als culturele audiovisuele werken die offline verkocht worden; is van mening dat de aantrekkelijkheid van digitale platformen vergroot kan worden door de btw-tarieven voor culturele online-inhoud die door in de EU gevestigde aanbieders verkocht wordt aan in de EU woonachtige consumenten te verlagen; herinnert in dit verband aan zijn resoluties van 17 november 2011 over de modernisering van btw-wetgeving ter versterking van de digitale binnenmarkt (8) en van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw (9);

62.

verzoekt de Commissie een rechtskader in te stellen voor audiovisuele onlinediensten van buiten de EU als deze direct of indirect voor een EU-publiek bedoeld zijn, zodat zij aan dezelfde verplichtingen als EU-diensten moeten voldoen;

Bescherming en promotie van audiovisuele werken

63.

wijst erop dat het digitale tijdperk noopt tot een specifieke reflectie over de manier waarop de opdracht om audiovisuele werken te restaureren, te bewaren en beschikbaar te stellen voor culturele en educatieve doeleinden moet worden uitgevoerd;

64.

spoort de lidstaten aan de richtlijn audiovisuele mediadiensten ten uitvoer te leggen en beveelt aan dat zij erop toezien hoe Europese werken, in het bijzonder films en documentaires, daadwerkelijk worden aangeboden en gepromoot via de verschillende mediadiensten die toegankelijk zijn voor het publiek, en benadrukt dat er behoefte is aan meer samenwerking tussen regelgevende instanties en filmproducenten;

65.

verzoekt de Commissie mechanismen uit te werken ter bevordering van de toegang tot audiovisueel materiaal dat is opgeslagen in de instellingen voor cinematografisch erfgoed in Europa; merkt op dat een aanzienlijk deel van het Europees audiovisueel materiaal niet commercieel beschikbaar is om redenen die vaak verband houden met de tanende belangstelling van consumenten en de beperkte houdbaarheid;

66.

verzoekt de lidstaten en de Commissie oplossingen te stimuleren om de digitalisering, de bewaring en de beschikbaarheid voor educatieve doeleinden van deze werken te ondersteunen, ook over de grenzen heen;

67.

wijst op het belang van de onlinebibliotheek Europeana en is van mening dat de lidstaten en de culturele instellingen meer aandacht moeten schenken aan de toegankelijkheid en de zichtbaarheid ervan;

68.

is van mening dat de digitalisering en bewaring van en een betere toegang tot culturele rijkdommen geweldige economische en sociale kansen bieden en belangrijke voorwaarden zijn voor de toekomstige ontwikkeling van het culturele en creatieve potentieel van Europa en voor een sterke aanwezigheid van het Europese bedrijfsleven op dit gebied; steunt daarom de aanbeveling van de Commissie van 27 oktober 2011 over digitalisering en online-toegankelijkheid van culturele werken en digitale bewaring (10), evenals het voorstel om met het oog daarop een geactualiseerd pakket maatregelen samen te stellen;

Onderwijs

69.

wijst erop dat het belangrijk is om digitale vaardigheden en mediageletterdheid bij alle burgers van de EU te bevorderen, onder meer bij ouderen en personen met een beperking zoals slechthorenden, en om de digitale kloof in de maatschappij te dichten, aangezien dit cruciale voorwaarden zijn voor maatschappelijke participatie en democratisch burgerschap; herinnert in dit verband aan de belangrijke rol van de openbare media, die op dit gebied een opdracht te vervullen hebben;

70.

herinnert eraan dat de integratie van nieuwe technologieën in nationale onderwijsprogramma's essentieel is, en dat er in het bijzonder moet voor worden gezorgd dat alle EU-burgers, ongeacht hun leeftijd, leren omgaan met de media en de digitale wereld, zodat zij hun vaardigheden op deze gebieden kunnen ontwikkelen en er hun profijt mee kunnen doen;

71.

benadrukt de behoefte aan Europese en nationale onderwijscampagnes om burgers te wijzen op het belang van intellectuele-eigendomsrechten en op de beschikbare legale kanalen voor de onlinedistributie van audiovisuele werken; wijst erop dat consumenten goed geïnformeerd moeten worden over kwesties inzake intellectuele eigendom die van belang kunnen zijn bij het delen van bestanden in het kader van "cloud computing";

72.

wijst erop dat het publiek duidelijker moet worden geïnformeerd over het belang van de bescherming van het auteursrecht en over het feit dat hier een billijke vergoeding bij hoort;

73.

benadrukt dat er moet worden overwogen een bijzondere status toe te kennen aan instellingen met een educatief doel ten aanzien van de onlinetoegang tot audiovisuele werken;

MEDIA 2014-2020

74.

wijst erop dat het MEDIA-programma is uitgegroeid tot een zelfstandig merk en dat het essentieel is dat ook in de periode 2014-2020 een ambitieus MEDIA-programma wordt uitgevoerd, in de geest van het huidige programma;

75.

benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is dat dit programma blijft bestaan als een specifiek programma dat geheel aan de audiovisuele sector is gewijd;

*

* *

76.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.

(2)  PB L 327 van 24.11.2006, blz. 12.

(3)  PB L 323 van 9.12.2005, blz. 57.

(4)  PB L 236 van 31.8.2006, blz. 28.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0240.

(6)  Richtlijn 93/83/EEG, PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15.

(7)  PB L 167 van 22.06.2001, blz. 10.

(8)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0513.

(9)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0436.

(10)  PB L 283 van 29.10.11, blz. 39.


Top