Help Print this page 
Title and reference
Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Verordening dierlijke bijproducten) {SEC(2008)1994} {SEC(2008)1995}

/* COM/2008/0345 def. - COD 2008/0110 */
Multilingual display
Text

52008PC0345

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Verordening dierlijke bijproducten) {SEC(2008)1994} {SEC(2008)1995} /* COM/2008/0345 def. - COD 2008/0110 */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 10.6.2008

COM(2008) 345 definitief

2008/0110 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Verordening dierlijke bijproducten)

(door de Commissie ingediend) {SEC(2008)1994}{SEC(2008)1995}

TOELICHTING

1. ACHTERGROND

Naar aanleiding van verscheidene crises in verband met producten van dierlijke oorsprong (TSE, dioxine, mond-en-klauwzeer) die een gevaar voor de volksgezondheid en de diergezondheid vormden, heeft de Gemeenschap een uitgebreid wetgevingskader ingevoerd om in de hele productie- en distributieketen, "van boer tot bord", voor een hoog veiligheidsniveau te zorgen. Een van deze wetteksten is Verordening (EG) nr. 1774/2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten[1] (hierna "de verordening" genoemd). Bij deze verordening werden de verschillende bestaande voorschriften inzake dierlijke bijproducten geconsolideerd en herschikt. Voorts werden strengere voorschriften ingevoerd inzake de erkenning van bedrijven die dierlijke bijproducten hanteren, de kanalisatie en traceerbaarheid van bepaalde producten, en de toepassing van verwerkingsnormen die ervoor zorgen dat producten op basis van dierlijke bijproducten die voor vervoedering of voor technische doeleinden bestemd zijn, veilig zijn. De verordening is sinds 1 mei 2003 van kracht.

2. VERSLAG VAN DE COMMISSIE

Overeenkomstig artikel 35 van de verordening moeten de lidstaten de Commissie in kennis stellen van de maatregelen die zij hebben genomen om aan de verordening te voldoen. Op basis van de informatie die zij heeft ontvangen, heeft de Commissie op 24 oktober 2005 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitgebracht over de ervaring die de 25 lidstaten hebben opgedaan met de uitvoering van de verordening[2].

Voorts heeft het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) van de Commissie in 2004 en 2005 een reeks inspecties in alle 25 lidstaten verricht om na te gaan in welke mate de lidstaten de verordening naleefden.

Op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie en de bevindingen van het VVB wordt in het verslag van de Commissie geconcludeerd dat het voor alle lidstaten en bedrijven een uitdaging is geweest om aan de bepalingen van de verordening te voldoen. Toch is de naleving van de verordening in de lidstaten over het algemeen bevredigend. De officiële controles op het meeste categorie 1- en categorie 2-materiaal waren grotendeels bevredigend. Wel zijn meer inspanningen nodig om de nodige traceerbaarheid van de stroom materiaal op basis van dierlijke bijproducten in de verschillende productieketens te garanderen. In het verslag wordt een aantal maatregelen aanbevolen om de uniforme toepassing van de wetgeving en de doeltreffendheid van de officiële controles te verbeteren. Het verslag vormde ook het uitgangspunt voor een bredere discussie met de lidstaten en met de vele stakeholders die met de voorschriften inzake dierlijke bijproducten te maken krijgen.

3. PROBLEEMSTELLING

Uit de raadplegingen over het verslag kwamen de volgende kwesties naar voren die voor herziening vatbaar zijn:

► het basiskader van vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot dierlijke bijproducten moet behouden blijven;

► het toepassingsgebied van de voorschriften inzake dierlijke bijproducten moet worden aangepast;

► de wisselwerking tussen de voorschriften inzake dierlijke bijproducten en andere communautaire wetgeving moet worden verduidelijkt;

► voor de indeling van dierlijke bijproducten in categorieën en voor de controles moet een meer op risico's gebaseerde aanpak worden ingevoerd.

Deze kwestie moeten op dergelijke wijze worden aangepakt dat het niveau van bescherming tegen risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid in de Gemeenschap niet in het gedrang komt. Het blijft aan bedrijven en de bevoegde autoriteiten om erop toe te zien dat dierlijke bijproducten alleen worden verzonden naar wettelijk toegelaten afnemers. De voorschriften kunnen slechts worden aangepast als de wetenschappelijke en technologische vooruitgang dat mogelijk maakt.

4. RAADPLEGING EN EFFECTBEOORDELING

4.1. Raadpleging van belanghebbende partijen

4.1.1. Wijze van raadpleging en geraadpleegde sectoren

Toen het verslag eind 2005 aan de Raad gepresenteerd werd, was er onder de lidstaten een ruime consensus over welke onderdelen moesten worden herzien. Bij de besprekingen werd de Commissie op verdere technische kwesties gewezen, die hier aan bod komen.

Bij de opstelling van dit voorstel zijn verscheidene belanghebbende partijen (stakeholders, technische deskundigen en bevoegde autoriteiten van de lidstaten en internationale handelspartners) geraadpleegd. Meer dan 36 Europese verenigingen met belangen in de voedselketen, de diergezondheid en de volksgezondheid (producenten van dierlijke bijproducten, handelaren, gebruikers en consumentenorganisaties) kregen meermaals de gelegenheid om hun standpunt uiteen te zetten op bilaterale vergaderingen of via een open raadpleging.

Gezien de wisselwerking tussen de voorschriften inzake dierlijke bijproducten en andere communautaire wetgeving heeft de Commissie een interdepartementale stuurgroep opgericht, die tussen februari en september 2006 tweemaal is bijeengekomen.

Tussen juli en december 2006 zijn zes werkgroepen met deskundigen van de lidstaten georganiseerd om de voornaamste kwesties in verband met de herziening te bespreken.

De raadplegingen zijn in twee fasen gehouden:

- eerst is een algemene raadpleging gehouden over de aangevoerde kwesties en de mogelijke oplossingen;

- nadat de mogelijke oplossingen in kaart waren gebracht, is de stakeholders gevraagd informatie te verschaffen over de te verwachten effecten van de verschillende beleidsopties.

4.1.2. Reacties en follow-up

Over het algemeen zijn de belanghebbende partijen het erover eens dat de bij de raadplegingen aan de orde gebrachte kwesties overeenkomen met de voornaamste gebieden die voor herziening in aanmerking komen. Met name onderschrijft de meerderheid van de deelnemers aan de open raadpleging de conclusie dat de verordening moet worden gewijzigd om de nodige aanpassingen aan de voorschriften aan te brengen.

4.2. Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

4.2.1. Wetenschappelijke adviezen

Sinds de inwerkingtreding van de verordening heeft het communautaire wetenschappelijke adviesorgaan (de Wetenschappelijke Stuurgroep, die sinds 2002 is vervangen door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid) een aantal adviezen over dierlijke bijproducten uitgebracht. Deze wetenschappelijke adviezen betroffen de mate waarin risico's kunnen worden beheerst door behandelingsnormen. In het algemeen werd geadviseerd om vast te houden aan het grondbeginsel van de verordening, namelijk dat dierlijke bijproducten van dieren die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, buiten de voederketen moeten worden gehouden.

Voorts werd geconcludeerd dat sommige onveilige bijproducten onder strikte gezondheidsvoorwaarden kunnen worden gerecupereerd en gebruikt voor de productie van bijvoorbeeld technische en industriële producten.

4.2.2. Gebruikte methode

Er werden twee methoden gebruikt:

1) analyse van de gegevens in de verslagen van de bevoegde autoriteiten van de 25 lidstaten; en

2) analyse van de gegevens die het VVB in 2004 en 2005 heeft verzameld.

De ontvangen en benutte gegevens zijn te uitgebreid en te uiteenlopend om hier te kunnen worden samengevat.

De verslagen van de Commissie kunnen worden geraadpleegd op:

http://ec.europa.eu/food/food/biosafety/animalbyproducts/index_en.htm

http://ec.europa.eu/food/fvo/index_en.htm

4.3. Effectbeoordeling

De Commissie heeft een interne effectbeoordeling verricht, zoals vermeld in haar werkprogramma voor 2006. Het beoordelingsverslag ([SANCO/2006/10496]) kan worden geraadpleegd op:

[ http://ec.europa.eu/food/food/biosafety/animalbyproducts/index_en.htm ]

In de effectbeoordeling worden drie opties overwogen:

a) geen maatregelen;

b) zelfregulering, richtsnoeren of coregulering;

c) herziening van de wetgeving.

In de effectbeoordeling wordt geconcludeerd dat "geen maatregelen" nemen waarschijnlijk zal leiden tot handelsverstoringen en negatieve sociaaleconomische gevolgen voor het bedrijfsleven. Zelfregulering, richtsnoeren of coregulering zullen de lasten van onevenredige bepalingen in de juridisch bindende tekst niet verlichten.

Volgens de bevindingen van de effectbeoordeling is optie c), namelijk een herziening van de wetgeving, de meest geschikte oplossing voor de bestaande problemen.

5. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

5.1. Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en)

In het voorstel wordt rekening gehouden met de resultaten van de herziening van de verordening en worden de herziene bepalingen alsook het resterende deel van het dispositief opnieuw vastgesteld in één tekst. De bepalingen van de bijlagen bij de verordening en de bepalingen van afzonderlijke communautaire besluiten tot uitvoering of afwijking van de verordening, zoals de Verordeningen (EG) nr. 811/2003, (EG) nr. 79/2005, (EG) nr. 92/2005 en (EG) nr. 181/2006, zullen volgens de comitéprocedure opnieuw worden vastgesteld in een uitvoeringsverordening. Die zal parallel met dit voorstel worden opgesteld, zodat zij tegelijkertijd van toepassing kan worden.

5.2. Rechtsgrondslag

Hoofddoel van deze verordening is de bescherming van de diergezondheid en de volksgezondheid. Net als de bestaande verordening is dus ook het voorstel gebaseerd op artikel 152, lid 4, onder b), van het Verdrag.

5.3. Subsidiariteitsbeginsel

Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing aangezien het voorstel niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt.

De doelstellingen van het voorstel kunnen niet voldoende door maatregelen van de lidstaten worden verwezenlijkt.

Risico's van dierlijke bijproducten kunnen een ernstig gevaar vormen voor de veiligheid van de voedsel- en voederketen en voor de gezondheid van het vee in de hele Gemeenschap. De laatste jaren is uit de ervaring met gekkekoeienziekte (BSE), mond-en-klauwzeer, klassieke varkenspest en dioxine gebleken dat een reactie op nationaal niveau alleen niet volstaat om belangrijke gezondheidsbedreigingen in te dammen, niet het minst doordat de economische sectoren in de interne markt sterk met elkaar verweven zijn.

Bovendien worden er dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten uit derde landen in de Gemeenschap ingevoerd. Er moet voor worden gezorgd dat ingevoerde zendingen voldoen aan gezondheidsnormen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de normen die in de Gemeenschap gelden.

De doelstellingen van het voorstel kunnen beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt.

Dierlijke bijproducten zijn opgenomen in de lijst van producten in bijlage I bij het Verdrag. Het in de handel brengen van deze producten vormt een belangrijke bron van inkomsten voor een deel van de landbouwsector en voor industriële bedrijven die bepaalde dierlijke bijproducten verwerken. Met het oog op een rationele ontwikkeling in deze sector en om de productiviteit te verhogen en het concurrentievermogen te stimuleren, is er behoefte aan communautaire veterinairrechtelijke voorschriften en gezondheidsvoorschriften voor de betrokken producten.

5.4. Evenredigheid en vereenvoudiging

Het voorstel helpt de wetgeving verder vereenvoudigen en vermindert de administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten (EU, lidstaten en derde landen) en voor het bedrijfsleven, terwijl tegelijk een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid behouden blijft.

Het voorstel maakt het mogelijk alle uitvoeringsmaatregelen en afwijkingen die sinds de inwerkingtreding van de verordening zijn vastgesteld (tot nog toe in totaal veertien besluiten) in één tekst samen te voegen.

De wisselwerking tussen de voorschriften voor dierlijke bijproducten en de communautaire wetgeving inzake andere sectoren (levensmiddelen, diervoeder, afvalstoffen, cosmetische producten, farmaceutische producten en medische hulpmiddelen) zal worden verduidelijkt. Voor zover het noodzakelijke beschermingsniveau niet in het gedrang komt, moet overlapping van de erkennings- en kanalisatievereisten worden voorkomen.

De vaststelling van het voorstel heeft de intrekking van de huidige verordening tot gevolg.

6. DRAAGWIJDTE VAN HET VOORSTEL

In het licht van de praktische en wetenschappelijke ervaring die is opgedaan en van de resultaten van de raadpleging, beoogt het voorstel een hoog niveau van voedsel- en voederveiligheid en consumentenbescherming te behouden en tegelijk te zorgen voor:

i. Verduidelijking

Er wordt een eindpunt in de levenscyclus van dierlijke bijproducten ingevoerd om duidelijk te maken vanaf welk punt in de productieketen de voorschriften van de verordening niet langer op een dierlijk bijproduct van toepassing zijn. Dit punt kan zich in diverse fasen bevinden, afhankelijk van de aard van de gebruikte dierlijke bijproducten, de kenmerken van het behandelingsproces of het beoogde gebruik van het van de dierlijke bijproducten afgeleide product.

Wat rechtsonzekerheid over het toepassingsgebied van de voorschriften inzake dierlijke bijproducten van vrij wild betreft, worden eventuele lacunes op gezondheidsgebied opgevuld met bepalingen die parallel lopen met de wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne.

Wat de wisselwerking met andere communautaire wetgeving , de erkenning van bedrijven en de uitvoering van officiële controles betreft, wordt overlapping van voorschriften voorkomen voor zover kan worden geacht dat de doelstellingen van het ene wetgevingskader voldoende door een ander wetgevingskader worden beschermd.

ii. Een meer op risico's gebaseerde aanpak

Overeenkomstig de benadering van de communautaire wetgeving inzake levensmiddelen- en voederhygiëne wordt er nog meer de nadruk op gelegd dat de exploitanten in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de naleving van de voorschriften van de verordening. Zo kunnen de bevoegde autoriteiten hun middelen in de eerste plaats wijden aan het controleren van de naleving van de voorschriften door de bedrijven.

Met name inzake producten op basis van dierlijke bijproducten die niet rechtstreeks van belang zijn voor de veiligheid van de (voedsel- en) voederketen (met uitzondering van voeder voor landbouwhuisdieren en biologische meststoffen) krijgen de exploitanten een grotere verantwoordelijkheid voor het in de handel brengen van veilige producten. Mits veilige grondstoffen worden gebruikt, mits veilige productieprocessen worden ontwikkeld of mits dierlijke bijproducten worden gebruikt voor eindtoepassingen die, alles in aanmerking genomen, veilig zijn, mogen alle categorieën dierlijke bijproducten worden gebruikt. Voor deze mogelijkheid kunnen nadere regels worden vastgesteld in uitvoeringsbepalingen.

In de indeling van dierlijke bijproducten moeten nieuwe producten worden ingevoerd waarvan gebleken is dat zij slechts beperkte risico's inhouden. Tegelijk moet de bepaling dat dierlijke bijproducten die niet uitdrukkelijk zijn ingedeeld, onder categorie 2 vallen en niet in voeder voor landbouwhuisdieren mogen worden gebruikt, uit voorzorg behouden blijven.

De bestaande afwijkingen voor uitzonderlijke begraving en verbranding ter plaatse in geval van uitbraken van ziekten moeten worden verduidelijkt en worden uitgebreid tot situaties waarin het in de praktijk zeer moeilijk is om de dierlijke bijproducten te verzamelen, bijvoorbeeld bij natuurrampen.

7. OVERIGE INFORMATIE

7.1. Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie

Het voorstel sluit aan bij andere communautaire beleidsgebieden, met name het beleid ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid wat het gebruik van dierlijke bijproducten in voeder, cosmetica, geneesmiddelen en medische hulpmiddelen betreft.

7.2. Gevolgen voor de begroting

Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de begroting van de Europese Gemeenschappen.

7.3. Overige

Het voorstel strookt met de verbintenis die de Commissie in het kader van de Lissabonstrategie heeft aangegaan om het acquis communautaire te verbeteren, mogelijke gezondheidsrisico's adequaat aan te pakken en het concurrentievermogen te versterken. Het sluit ook aan bij het programma voor betere regelgeving[3] van de Commissie.

2008/0110 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Verordening dierlijke bijproducten)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie[4],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[5],

Gezien het advies van het Comité van de Regio's[6],

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten zijn een potentiële bron van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid. Bij eerdere crises in verband met uitbraken van mond-en-klauwzeer, de verspreiding van overdraagbare spongiforme encefalopathieën zoals boviene spongiforme encefalopathie (BSE) en de aanwezigheid van dioxinen in levensmiddelen is gebleken welke gevolgen een verkeerd gebruik van dierlijke bijproducten kan hebben voor de volksgezondheid, de diergezondheid, de veiligheid van de voedsel- en voederketen en het vertrouwen van de consument. Bovendien kunnen dergelijke crises bredere nadelige gevolgen voor de hele maatschappij hebben, namelijk door het effect op de sociaaleconomische situatie van landbouwers en de betrokken industriesectoren en op het vertrouwen van de consument in de veiligheid van producten van dierlijke oorsprong. Uitbraken van ziekten kunnen ook negatieve gevolgen hebben voor het milieu, niet alleen door de problemen met de verwijdering, maar ook wat de biodiversiteit betreft.

(2) Dierlijke bijproducten ontstaan voornamelijk bij het slachten van dieren voor menselijke consumptie, bij de verwijdering van dode dieren en bij ziektebestrijdingsmaatregelen. Ongeacht waar zij vandaan komen, vormen dierlijke bijproducten een risico voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu. Dit risico moet adequaat worden beheerst, hetzij door deze producten naar een veilige wijze van verwijdering te kanaliseren, hetzij door ze voor andere doeleinden te gebruiken onder strenge voorwaarden die de betrokken risico's tot een minimum beperken.

(3) Alle dierlijke bijproducten verwijderen is geen realistische optie, aangezien dit tot al te hoge kosten en milieurisico's zou leiden. Anderzijds hebben alle burgers er belang bij dat tal van dierlijke bijproducten op veilige en duurzame wijze voor diverse toepassingen worden gebruikt, mits de gezondheidsrisico's tot een minimum worden beperkt. Tal van dierlijke bijproducten worden namelijk algemeen gebruikt in belangrijke productiesectoren zoals de farmaceutische industrie, de voederindustrie en de lederindustrie.

(4) Dankzij nieuwe technologieën zijn er ook nieuwe gebruiksmogelijkheden voor dierlijke bijproducten in een groot aantal productiesectoren. Het gebruik van deze nieuwe technologieën kan echter gezondheidsrisico's inhouden, die dan ook tot een minimum moeten worden beperkt.

(5) De communautaire gezondheidsvoorschriften voor dierlijke bijproducten moeten worden vastgesteld in een coherent en allesomvattend kader voor het verzamelen, hanteren, verwerken, verwijderen en gebruiken van deze producten.

(6) Deze algemene voorschriften moeten in verhouding staan tot het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid dat de hantering van dierlijke bijproducten met zich brengt tijdens de verschillende fasen van de keten van verzameling tot gebruik of verwijdering. In deze voorschriften moet ook rekening worden gehouden met de milieurisico's die deze activiteiten met zich brengen. Waar nodig moet het communautaire kader gezondheidsvoorschriften voor het in de handel brengen, het intracommunautaire verkeer en de invoer van dierlijke bijproducten omvatten.

(7) Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten[7] stelt communautaire voorschriften voor dierlijke bijproducten vast. Op basis van wetenschappelijke adviezen is bij die verordening een reeks voorschriften ter bescherming van de veiligheid van de voedsel- en voederketen vastgesteld, in aanvulling op de communautaire levensmiddelen- en diervoederwetgeving. Dankzij die voorschriften is de bescherming tegen de risico's van dierlijke bijproducten in de Gemeenschap aanzienlijk verbeterd.

(8) Bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn dierlijke bijproducten volgens het risiconiveau in drie categorieën ingedeeld. Exploitanten moeten dierlijke bijproducten van verschillende categorieën van elkaar gescheiden houden als zij gebruik willen maken van dierlijke bijproducten die geen significant risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid vormen, met name indien deze producten afgeleid zijn van materiaal dat geschikt is voor menselijke consumptie. Bij die verordening is ook het beginsel ingevoerd dat hoogrisicomateriaal niet aan landbouwhuisdieren mag worden vervoederd en dat materiaal afkomstig van dieren van een bepaalde soort niet aan dieren van dezelfde soort mag worden vervoederd. Overeenkomstig die verordening mogen alleen dieren die door een dierenarts geïnspecteerd zijn, in de voederketen terechtkomen. Voorts stelt die verordening verwerkingsvoorschriften ter beperking van de risico's vast.

(9) Overeenkomstig artikel 35, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement verslag uitbrengen over de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om aan die verordening te voldoen. Dit verslag moet in voorkomend geval van wetgevingsvoorstellen vergezeld gaan. Het verslag is in oktober 2005 ingediend[8] en benadrukt dat de beginselen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 behouden moeten blijven. Voorts wordt in het verslag gewezen op gebieden waar wijzigingen in de verordening nodig worden geacht, met name verduidelijkingen met betrekking tot de toepasselijkheid van de voorschriften op eindproducten, het verband met andere communautaire wetgeving en de indeling van bepaalde soorten materiaal. Deze conclusies worden ondersteund door de bevindingen van een reeks onderzoeksopdrachten die het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) van de Commissie in 2004 en 2005 in de lidstaten heeft uitgevoerd. Volgens het VVB moeten de traceerbaarheid van de stroom dierlijke bijproducten en de doeltreffendheid en de harmonisatie van de officiële controles worden verbeterd.

(10) De Wetenschappelijke Stuurgroep, die in 2002 is opgevolgd door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), heeft een aantal adviezen over dierlijke bijproducten uitgebracht. Uit deze adviezen blijkt dat de voornaamste beginselen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 behouden moeten blijven; met name mogen dierlijke bijproducten afkomstig van dieren die na een gezondheidsinspectie niet geschikt voor menselijke consumptie zijn bevonden, niet in de voederketen terechtkomen. Wel mogen dergelijke dierlijke bijproducten onder gespecificeerde gezondheidsvoorwaarden worden gerecupereerd en voor de productie van technische of industriële producten worden gebruikt.

(11) In de conclusies van het voorzitterschap van de Raad over het verslag van de Commissie, die in december 2005 werden goedgekeurd, en tijdens de raadplegingen die de Commissie vervolgens heeft gehouden, werd benadrukt dat de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1774/2002 moesten worden verbeterd. De hoofddoelstellingen van de voorschriften voor dierlijke bijproducten, namelijk de beheersing van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid en de bescherming van de veiligheid van de voedsel- en voederketen, moeten duidelijk worden vastgesteld. De bepalingen van deze verordening moeten het mogelijk maken die doelstellingen te verwezenlijken.

(12) De in deze verordening vastgestelde voorschriften voor dierlijke bijproducten moeten van toepassing zijn op producten die overeenkomstig de communautaire wetgeving niet voor menselijke consumptie mogen worden gebruikt, met name indien zij niet aan de wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne voldoen (dierlijke bijproducten "de jure"). Deze voorschriften moeten echter ook van toepassing zijn op producten die aan bepaalde voorschriften voor een mogelijk gebruik voor menselijke consumptie voldoen, maar uiteindelijk voor andere doeleinden bestemd worden ("zelfgekozen" dierlijke bijproducten).

(13) Om risico's van wilde dieren te voorkomen, moeten de in deze verordening vastgestelde voorschriften ook van toepassing zijn op kadavers of delen van kadavers van wilde dieren waarvan wordt vermoed dat zij met een overdraagbare ziekte besmet zijn. Dit mag geen verplichting inhouden om kadavers van wilde dieren die in hun natuurlijke habitat zijn gestorven of worden bejaagd, te verzamelen en te verwijderen. Indien goede jachtpraktijken worden toegepast, mogen ingewanden en andere delen van vrij wild op veilige wijze ter plaatse worden verwijderd. De bepalingen van deze verordening hoeven slechts op dierlijke bijproducten van gejaagd wild van toepassing te zijn voor zover de wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne van toepassing is op het in de handel brengen van gejaagd wild en activiteiten van wildbewerkingsinrichtingen.

(14) De in deze verordening vastgestelde voorschriften moeten van toepassing zijn op dierlijke bijproducten afkomstig van waterdieren, met uitzondering van materiaal afkomstig van vaartuigen die overeenkomstig de communautaire levensmiddelenhygiënewetgeving werken, tenzij dit materiaal duidelijk een ziekterisico inhoudt.

(15) In deze verordening moet worden verduidelijkt welke dieren als gezelschapdieren moeten worden ingedeeld, zodat dierlijke bijproducten afkomstig van gezelschapsdieren niet worden gebruikt in veevoeder. Met name de diersoorten in de lijst in bijlage I Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad[9] moeten als gezelschapsdieren worden beschouwd.

(16) Voor de samenhang van de communautaire wetgeving moeten in deze verordening de definities van Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën[10] worden gebruikt. De verwijzing naar Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt[11] moet worden verduidelijkt.

(17) Voor de samenhang van de communautaire wetgeving moet in deze verordening de definitie van artikel 3, lid 1, onder e), van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren[12] worden gebruikt.

(18) Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen[13] vermeldt onder welke voorwaarden een vergunning voor een stortplaats wordt verleend. In deze verordening moet worden bepaald dat dierlijke bijproducten moeten worden verwijderd op een stortplaats waarvoor een dergelijke vergunning is verleend.

(19) De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van activiteiten overeenkomstig deze verordening moet in eerste instantie bij de exploitanten blijven liggen. Tegelijk vereist het algemene belang van de voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid dat er een verzamelings- en verwijderingssysteem is zodat dierlijke bijproducten die niet mogen worden gebruikt of om economische redenen niet worden gebruikt, veilig worden verwijderd. De lidstaten moeten voldoende middelen uittrekken voor de daartoe benodigde infrastructuur en moeten ervoor zorgen dat het systeem goed werkt. Hoe omvangrijk het verzamelings- en verwijderingssysteem is, hangt af van de reële hoeveelheid dierlijke bijproducten die in de lidstaat in kwestie ontstaat. Uit voorzorg moet ook rekening worden gehouden met de behoefte aan extra verwijderingscapaciteit in geval van grote uitbraken van overdraagbare zieken of technische problemen in een bestaande verwijderingsinrichting. Het moet de lidstaten toegestaan zijn om onderling en met derde landen samen te werken, mits de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt.

(20) Om voor een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid te zorgen, moeten de lidstaten alle nodige maatregelen blijven nemen om te voorkomen dat dierlijke bijproducten worden verzonden vanuit gebieden of bedrijven waarvoor beperkingen gelden, met name bij een uitbraak van een ziekte zoals vermeld in Richtlijn 92/119/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van vesiculaire varkensziekte[14].

(21) Activiteiten met dierlijke bijproducten die een aanzienlijk risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhouden, mogen alleen worden uitgevoerd in inrichtingen die daartoe vooraf door de bevoegde autoriteit erkend zijn. Deze voorwaarde moet met name gelden voor destructiebedrijven en andere bedrijven die onbehandelde dierlijke bijproducten hanteren en verwerken. Het moet toegestaan zijn om dierlijke bijproducten van meer dan een categorie in dezelfde inrichting te hanteren, mits versleping wordt voorkomen. Voorts moet het toegestaan zijn om deze voorwaarden te wijzigen indien de hoeveelheid materiaal die moet worden verwijderd en verwerkt, toeneemt door een grote ziekte-uitbraak, mits ervoor wordt gezorgd dat het tijdelijke gebruik onder deze gewijzigde voorwaarden niet tot de verspreiding van ziekterisico's leidt.

(22) Voorts hoeft een dergelijke erkenning niet vereist te zijn voor bedrijven en inrichtingen die bepaalde veilige soorten materiaal hanteren of verwerken, zoals producten die zodanig verwerkt zijn dat zij geen risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid meer vormen. Dergelijke bedrijven en inrichtingen moeten worden geregistreerd zodat de materiaalstroom officieel kan worden gecontroleerd en getraceerd. Met name hoeven bedrijven die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne[15] erkend of geregistreerd zijn, overeenkomstig deze verordening slechts te worden geregistreerd.

(23) Om erkend te worden, moeten bedrijven en inrichtingen bij de bevoegde autoriteiten informatie indienen waaruit blijkt dat zij aan de eisen van deze verordening met betrekking tot de infrastructuur en de exploitatie van het bedrijf of de inrichting zullen voldoen zodat eventuele risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid die het proces met zich brengt, op adequate wijze worden beheerst. De bevoegde autoriteit moet controles verrichten om na te gaan of aan deze eisen wordt voldaan.

(24) Bedrijven en inrichtingen waarvan de activiteiten reeds overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelen- en voederhygiëne zijn erkend, hoeven niet overeenkomstig deze verordening te worden erkend omdat bij de erkenning overeenkomstig die communautaire wetgeving reeds met de doelstellingen van deze verordening rekening wordt gehouden.

(25) Dierlijke bijproducten moeten op basis van risicobeoordelingen in drie categorieën worden ingedeeld volgens het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid dat zij inhouden. Terwijl hoogrisicomateriaal alleen voor doeleinden buiten de voederketen mag worden gebruikt, moet het gebruik van laagrisicomateriaal onder veilige omstandigheden worden toegestaan.

(26) De wetenschappelijke en technische vooruitgang kan leiden tot de ontwikkeling van procedés die de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid elimineren of tot een minimum beperken. Om met deze vooruitgang rekening te houden, moet het mogelijk zijn om de lijst van soorten materiaal in deze verordening te wijzigen. Alvorens dergelijke wijzigingen worden aangebracht, en overeenkomstig de algemene beginselen van de communautaire wetgeving met het oog op een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid, moet een risicobeoordeling worden verricht door de bevoegde wetenschappelijke instantie, bijvoorbeeld de EFSA, het Europees Geneesmiddelenbureau of het Wetenschappelijk Comité voor consumentenproducten, al naar gelang het type materiaal waarvan de risico's moeten worden beoordeeld. Het moet echter duidelijk zijn dat mengsels van materiaal van verschillende categorieën moeten worden gehanteerd volgens de normen voor het deel van het mengsel dat tot de hoogste risicocategorie behoort.

(27) Gezien het grote risico voor de volksgezondheid mag met name materiaal dat een risico van verspreiding van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) inhoudt, niet voor diervoeder worden gebruikt. Deze beperking moet van toepassing zijn op wilde dieren via welke een overdraagbare ziekte kan worden overgedragen. De beperking op de vervoedering van materiaal dat een TSE-risico inhoudt, moet onverminderd de vervoederingsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 999/2001 gelden.

(28) Het gebruik van bepaalde stoffen en producten is verboden bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong[16] en Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van β-agonisten[17]. Voorts stelt Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan[18] verdere voorschriften vast voor de controle op bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en dierlijke producten. Richtlijn 96/23/EG bevat ook voorschriften die van toepassing zijn wanneer de aanwezigheid van residuen van toegelaten stoffen of van contaminanten boven bepaalde toegelaten niveaus wordt vastgesteld. Met het oog op de samenhang van de communautaire wetgeving moeten producten van dierlijke oorsprong waarin stoffen worden aangetroffen die een inbreuk vormen op Verordening (EEG) nr. 2377/90 en de Richtlijnen 96/22/EG en 96/23/EG, worden naar gelang van het risico voor de voeder- en voedselketen ingedeeld als categorie 1- of categorie 2-materiaal.

(29) Mest en de inhoud van het maag-darmkanaal hoeven niet te worden verwijderd mits door een passende behandeling wordt voorkomen dat er bij het uitrijden ziekten worden verspreid. Bijproducten van dieren die op het landbouwbedrijf sterven en dieren die met het oog op de uitroeiing van ziekten, met uitzondering van TSE's, worden gedood, mogen niet in de voederketen worden gebruikt. Deze beperking moet ook gelden voor ingevoerde dierlijke bijproducten die in de Gemeenschap worden toegelaten hoewel zij bij een inspectie aan de grenspost niet aan de communautaire wetgeving blijken te voldoen, en voor producten die bij controles in de Gemeenschap niet aan de toepasselijke voorschriften blijken te voldoen.

(30) Sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1774/2002 worden de gebruiksmogelijkheden van bepaalde dierlijke bijproducten ernstig beperkt doordat zij standaard als categorie 2-materiaal worden ingedeeld, hoewel deze beperking niet noodzakelijk in verhouding staat tot de desbetreffende risico's. Daarom moeten deze dierlijke bijproducten worden heringedeeld als categorie 3-materiaal zodat zij voor bepaalde vervoederingsdoeleinden kunnen worden gebruikt. Voor andere dierlijke bijproducten die niet onder een van de drie categorieën zijn vermeld, moet de standaardindeling als categorie 2-materiaal uit voorzorg behouden blijven, met name om de algemene uitsluiting van dergelijk materiaal uit de veevoederketen te versterken.

(31) In andere wetgeving die sinds de vaststelling van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden[19] in werking is getreden, namelijk Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne[20] en Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong[21], waarop Verordening (EG) nr. 1774/2002 een aanvulling vormt, wordt de verantwoordelijkheid voor de naleving van de communautaire wetgeving ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid in eerste instantie bij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven gelegd. In overeenstemming met die wetgeving moeten exploitanten die activiteiten uitvoeren die onder deze verordening vallen, eveneens in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de naleving van deze verordening. De dienovereenkomstige basisverplichting van deze exploitanten om voor de naleving van deze verordening te zorgen, moet verder worden verduidelijkt en gespecificeerd wat betreft de wijze waarop voor de traceerbaarheid wordt gezorgd, bijvoorbeeld door het afzonderlijk verzamelen en kanaliseren van dierlijke bijproducten.

(32) Om ervoor te zorgen dat in een bedrijf of inrichting aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan, is een systeem van eigen controles nodig. De correcte uitvoering van eigen controles is ook van indicatief belang voor de controles door de bevoegde autoriteit. In bedrijven die dierlijke bijproducten verwerken, bijvoorbeeld destructiebedrijven, bedrijven die dierlijke bijproducten in biogas of compost omzetten en bedrijven die meer dan een categorie dierlijke bijproducten hanteren, bijvoorbeeld bedrijven die twee categorieën grondstoffen opslaan, moeten de eigen controles worden uitgevoerd volgens een systeem op basis van de beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP). Bemonstering van producten om de naleving van communautaire normen zoals microbiologische criteria te controleren, hoeft niet verplicht te zijn voor producten die bestemd zijn voor verbranding, meeverbranding of verwijdering ter plaatse, aangezien de eventuele risico's worden geëlimineerd en het product niet in de handel wordt gebracht.

(33) Dierlijke bijproducten mogen slechts worden gebruikt als de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid tot een minimum worden beperkt bij de verwerking van de dierlijke bijproducten en het in de handel brengen van producten die op basis van dierlijke bijproducten vervaardigd zijn. Indien deze optie niet beschikbaar is, moeten de dierlijke bijproducten onder veilige omstandigheden worden verwijderd. De beschikbare opties voor het gebruik van dierlijke bijproducten van de verschillende categorieën moeten in samenhang met andere communautaire wetgeving worden verduidelijkt.

(34) Dierlijke bijproducten en afgeleide producten moeten worden verwijderd overeenkomstig de milieuwetgeving inzake stortplaatsen en afvalverbranding. Met het oog op de samenhang moet verbranding plaatsvinden overeenkomstig Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval[22]. Voor meeverbranding, hetzij als recuperatie, hetzij als verwijdering, gelden dezelfde erkennings- en exploitatievoorwaarden als voor afvalverbranding, met name wat betreft grenswaarden voor uitstoot in de lucht en uitstoot van afvalwater en residuen, controle, monitoring en metingen. Daarom moet de rechtstreekse meeverbranding, zonder voorafgaande verwerking, van alle drie de categorieën materiaal worden toegestaan.

(35) Het gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als stookbrandstof moet worden toegestaan en wordt niet als afvalverwijdering beschouwd. Wel moet dit soort gebruik plaatsvinden onder voorwaarden ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid en volgens passende milieunormen.

(36) Met het oog op de samenhang van de communautaire wetgeving moet materiaal dat een zuiveringsprocedé overeenkomstig Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding[23] heeft ondergaan, ook voor vervoederingsdoeleinden kunnen worden gebruikt.

(37) Deze verordening moet in de mogelijkheid voorzien om tijd-, temperatuur- en drukparameters voor methoden voor de verwerking van dierlijke bijproducten vast te stellen, met name voor de methoden die momenteel in Verordening (EG) nr. 1774/2002 als methoden 2 tot en met 7 worden vermeld.

(38) Schelpen van schelpdieren en schalen van schaaldieren waaruit de weke delen of het vlees verwijderd zijn, moeten van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten. Gezien de verschillende wijzen waarop de weke delen of het vlees in de Gemeenschap uit schelpen worden verwijderd, moet het mogelijk zijn om schelpen te gebruiken waaruit de weke delen of het vlees niet volledig zijn verwijderd, mits dit geen risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhoudt. Communautaire en nationale gidsen voor goede praktijken kunnen in dat verband kennis helpen verspreiden over de voorwaarden waaronder een dergelijk gebruik mogelijk is.

(39) Aangezien biodynamische preparaten op basis van categorie 2- en categorie 3-materiaal, als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen[24], weinig risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhouden, moet de bevoegde autoriteit kunnen toestaan dat dergelijke producten worden gemaakt en uitgereden.

(40) Nieuwe technologieën die nog in ontwikkeling zijn, bieden voordelige mogelijkheden om energie op te wekken uit dierlijke bijproducten of om dierlijke bijproducten veilig te verwijderen. Om rekening te houden met de wetenschappelijke en technische vooruitgang ter zake moeten dergelijke technologieën in de hele Gemeenschap worden toegelaten als alternatieve methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten. Indien een technologisch procedé door een particulier is ontwikkeld, mag deze toelating slechts worden verleend nadat de EFSA een door de bevoegde autoriteit gecontroleerde aanvraag heeft onderzocht om te waarborgen dat er een beoordeling van het risicoverminderingspotentieel van het procedé wordt verricht.

(41) De voorschriften voor het in de handel brengen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor vervoederingsdoeleinden en van biologische meststoffen en bodemverbeteraars moeten worden verduidelijkt om de voedsel- en voederketen te beschermen. Alleen categorie 3-materiaal mag voor vervoederingsdoeleinden worden gebruikt. Meststoffen op basis van dierlijke bijproducten kunnen de veiligheid van de voeder- en voedselketen in het gedrang brengen. Indien zij met eiwithoudend materiaal zijn vervaardigd, moet er een stof, bijvoorbeeld een anorganische of onverteerbare stof, aan worden toegevoegd zodat zij niet rechtstreeks voor vervoederingsdoeleinden kunnen worden gebruikt.

(42) Verordening (EG) nr. 1523/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 houdende een verbod op het in de handel brengen, de invoer naar en de uitvoer uit de Gemeenschap van katten- en hondenbont en van producten die dergelijk bont bevatten[25] stelt een algemeen verbod vast op het in de handel brengen, de invoer en de uitvoer van katten- en hondenbont en van producten die dergelijk bont bevatten. Dit verbod mag echter geen afbreuk doen aan de verplichting overeenkomstig deze verordening om dierlijke bijproducten van katten en honden, waaronder bont, te verwijderen.

(43) Voor de bevordering van wetenschap en onderzoek is het gebruik van dierlijke bijproducten van alle categorieën nodig, soms in kleinere hoeveelheden dan in het handelsverkeer gebruikelijk is. Om de invoer en het gebruik van dit materiaal moet de bevoegde autoriteiten per geval kunnen bepalen onder welke voorwaarden dergelijke activiteiten toegelaten zijn. Indien maatregelen op communautair niveau nodig zijn, moeten geharmoniseerde voorwaarden worden vastgesteld.

(44) Verordening (EG) nr. 1774/2002 bevat gedetailleerde bepalingen die bij wijze van uitzondering toelaten om categorie 2- en categorie 3-materiaal aan bepaalde dieren, zoals dierentuindieren, te vervoederen. In deze verordening moeten dezelfde bepalingen worden vastgesteld en moeten deze worden aangevuld met de mogelijkheid om gedetailleerde voorschriften ter beheersing van eventuele risico's voor de volksgezondheid of de diergezondheid vast te stellen.

(45) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 mag categorie 1-materiaal worden vervoederd aan met uitsterven bedreigde aasetende vogelsoorten die in hun natuurlijke habitat leven. Om deze soorten in stand te helpen houden, moet deze verordening deze voederpraktijk blijven toestaan onder bepaalde voorwaarden om de verspreiding van ziekten te voorkomen.

(46) Het begraven en verbranden van onverwerkte dierlijke bijproducten, en met name van dode dieren, kan in bepaalde situaties gerechtvaardigd zijn, vooral in afgelegen gebieden of bij ziektebestrijding, wanneer noodverwijdering van de gedode dieren noodzakelijk is om een uitbraak van een ernstige overdraagbare ziekte te beheersen. Anders zou de beschikbare destructie- of verbrandingscapaciteit in een regio of lidstaat een beperkende factor zijn bij de bestrijding van een ziekte.

(47) De bestaande afwijking voor het begraven en verbranden van onverwerkte dierlijke bijproducten moet worden uitgebreid tot gebieden die vrijwel ontoegankelijk zijn of waar er een risico is voor de gezondheid en veiligheid van het personeel dat het materiaal verzamelt. Uit de ervaring die is opgedaan met de toepassing van Verordening (EG) nr. 1774/2002 blijkt dat begraving of verbranding ter plaatse in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn om de dieren snel te verwijderen en de verspreiding van overdraagbare ziekten te voorkomen. De totale oppervlakte van de afgelegen gebieden in de lidstaten moeten beperkt blijven, zodat wordt voldaan aan de algemene verplichting dat er een passend verwijderingssysteem moet zijn overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.

(48) Inrichtingen die slechts kleine hoeveelheden dierlijke bijproducten hanteren die geen risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid vormen, moeten deze bijproducten onder officieel toezicht kunnen verwijderen op een andere wijze dan overeenkomstig deze verordening.

(49) Met het oog op de rechtszekerheid moet worden vermeld welke stappen de bevoegde autoriteit kan ondernemen bij het uitvoeren van officiële controles, met name wat de opschorting of definitieve stopzetting van activiteiten betreft.

(50) Dat de lidstaten over voldoende verwijderingsinfrastructuur moeten beschikken, houdt financiële en andere verplichtingen in. Om ervoor te zorgen dat de lidstaten controle hebben over de hoeveelheid materiaal die voor verwijdering op hun grondgebied mag worden binnengebracht, moet de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor de verzending van materiaal naar zijn grondgebied.

(51) Om eventuele risico's te beheersen, mogen sterilisatie onder druk en aanvullende transportvoorwaarden worden opgelegd. Met het oog op traceerbaarheid en samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die de materiaalstroom controleren, moet via het bij Beschikking 2004/292/EG betreffende de toepassing van het Traces-systeem[26] ingevoerde Traces-systeem informatie worden verstrekt over alle zendingen van categorie 1- en categorie 2-materiaal en afgeleide producten afkomstig van destructie en verwerkte dierlijke eiwitten van categorie 3.

(52) Om het vervoer van zendingen via derde landen die aan meer dan een lidstaat grenzen, te vergemakkelijken, moet een bijzondere regeling worden ingevoerd voor de verzendingen van de ene lidstaat naar de andere via een derde land, met name opdat zendingen die opnieuw in de Gemeenschap worden binnengebracht, worden onderworpen aan veterinaire controles overeenkomstig Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt[27].

(53) Met het oog op de samenhang van de communautaire wetgeving moet het verband tussen de voorschriften van deze verordening en de communautaire afvalstoffenwetgeving worden verduidelijkt. Met name moet worden gezorgd voor samenhang met het verbod op de uitvoer van afvalstoffen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen[28]. Om eventuele negatieve milieueffecten te voorkomen, moet de uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd zijn om te worden verbrand of gestort, worden verboden. Voorts moet worden voorkomen dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie worden uitgevoerd naar derde landen die geen lid van de OESO zijn, om eventuele negatieve milieueffecten en risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid te voorkomen. Bij de toepassing van de afwijkingen van het uitvoerverbod in artikel 37 moet de Commissie in haar beschikkingen ten volle rekening houden met het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan en de wijzigingen daarvan in Besluit III/1 van de Conferentie der partijen, door de Europese Gemeenschap geratificeerd bij Besluit 93/98/EEG[29], respectievelijk Besluit 97/640/EG[30] van de Raad en ten uitvoer gelegd door Verordening (EG) nr. 1013/2006.

(54) Bovendien moet ervoor worden gezorgd dat dierlijke bijproducten die zijn gemengd of verontreinigd met gevaarlijke afvalstoffen als vermeld in Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen[31] slechts overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 worden ingevoerd, uitgevoerd of tussen lidstaten worden verzonden. Er moeten ook voorschriften worden vastgesteld voor de verzending van dergelijk materiaal binnen een lidstaat.

(55) De Commissie moet controles in de lidstaten kunnen verrichten. De communautaire controles in derde landen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn[32].

(56) De invoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten in de Gemeenschap en de doorvoer van dit materiaal moet plaatsvinden volgens voorschriften die ten minste even streng zijn als de voorschriften die in de Gemeenschap gelden. Een andere mogelijkheid is dat de voorschriften voor dierlijke bijproducten en afgeleide producten die in derde landen gelden, als gelijkwaardig met de voorschriften van de communautaire wetgeving worden erkend. Gezien het potentiële risico van producten bestemd voor gebruik buiten de voederketen, moet voor deze producten een vereenvoudigde reeks invoervoorschriften gelden.

(57) De communautaire wetgeving inzake de vervaardiging van afgeleide producten die bestemd zijn om als cosmetische producten, geneesmiddelen en medische hulpmiddelen te worden gebruikt, vormt een volledig kader voor het in de handel brengen van deze producten: Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten[33], Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot instelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik[34], Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik[35], Richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen[36], Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen[37] en Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek[38] (de "bijzondere richtlijnen"). De bijzondere richtlijnen betreffende cosmetische producten en medische hulpmiddelen voorzien echter niet in bescherming tegen risico's voor de diergezondheid. In dergelijke gevallen moet deze verordening op die risico's van toepassing zijn en moeten beschermingsmaatregelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 178/2002 kunnen worden genomen.

(58) Voor zover de bijzondere richtlijnen voorschriften ter beheersing van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid vaststellen, moeten zij ook van toepassing zijn op dierlijke bijproducten en afgeleide producten die worden geleverd als grondstoffen of ingrediënten voor de vervaardiging van afgeleide producten. Die bijzondere richtlijnen regelen reeds grondstoffen van dierlijke oorsprong die mogen worden gebruikt voor de vervaardiging van de bedoelde afgeleide producten en leggen bepaalde voorwaarden ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid op. Overeenkomstig Richtlijn 76/768/EEG is het gebruik van categorie 1- en categorie 2-materiaal in cosmetische producten verboden en moeten de fabrikanten goede fabricagepraktijken in acht nemen. Richtlijn 2003/32/EG van de Commissie van 23 april 2003[39] stelt nadere specificaties vast voor medische hulpmiddelen die met weefsel van dierlijke oorsprong zijn vervaardigd.

(59) Indien die voorwaarden nog niet in de bijzondere richtlijnen zijn vastgesteld of indien zij niet van toepassing zijn op bepaalde risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid, moet echter deze verordening van toepassing zijn.

(60) Met het oog op de traceerbaarheid moeten de exploitanten activiteiten met dergelijke grondstoffen van dierlijke oorsprong aan de bevoegde autoriteit melden zodat de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid kunnen ingrijpen indien niet aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.

(61) Bepaalde afgeleide producten komen niet in de voederketen terecht en worden niet uitgereden op weiland waarop landbouwhuisdieren grazen of dat voor vervoederingsdoeleinden wordt gemaaid. Het gaat onder meer om producten voor technisch gebruik, zoals behandelde huiden voor de lederindustrie, verwerkte wol voor de textielindustrie, producten uit beenderen voor de productie van lijm en verwerkt materiaal voor voeder voor gezelschapsdieren. Het moet exploitanten toegestaan zijn dergelijke producten in de handel te brengen, mits zij zijn afgeleid van grondstoffen die geen behandeling behoeven of mits het risico voldoende wordt beheerst door de behandeling of het eindgebruik van het behandelde materiaal.

(62) Voorts hoeven de communautaire voorschriften geen eisen voor het in de handel brengen van dergelijke producten op te leggen als er geen risico is, met name als een eindpunt in de productieketen kan worden bepaald waarna het resulterende materiaal geen significant risico meer inhoudt.

(63) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 hoeven bepaalde producten, met name guano, bepaalde huiden die een bepaalde behandeling zoals looien hebben ondergaan en bepaalde jachttrofeeën, niet aan de voorschriften van die verordening te voldoen. In uitvoeringsmaatregelen moet in soortgelijke vrijstellingen worden voorzien, bijvoorbeeld voor oleochemische producten. Om een adequaat niveau van bescherming van de voederketen te behouden, moet erkenning wel verplicht blijven voor exploitanten die categorie 1- en categorie 2-materiaal voor de vervaardiging van voeder voor gezelschapdieren hanteren.

(64) De verspreiding en het gebruik van communautaire en nationale gidsen voor goede praktijken door de economische sectoren waarop deze verordening van toepassing is, kan nuttig zijn om de kennis over de toepassing van deze verordening te verbeteren en geschikte praktische instrumenten te helpen ontwikkelen.

(65) In een aantal lidstaten zijn gebreken bij de naleving van de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1774/2002 vastgesteld. Daarom is niet alleen een strikte handhaving van deze voorschriften nodig, maar ook strafrechtelijke en andere sancties tegen exploitanten die deze voorschriften niet naleven. Bijgevolg moeten de lidstaten regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening.

(66) Daar de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(67) Voor meer rechtszekerheid en met het oog op de algemene doelstelling van de Commissie om de communautaire wetgeving te vereenvoudigen, moet bij deze verordening een coherent kader van voorschriften worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1774/2002 en met de opgedane ervaring en de geboekte vooruitgang sinds de inwerkingtreding van die verordening. Daarom moet Verordening (EG) nr. 1774/2002 worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen.

(68) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[40]. Om de communautaire wetgeving coherenter en duidelijker te maken, moeten de technische voorschriften voor specifieke activiteiten met dierlijke bijproducten, die momenteel in de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn vastgesteld, alsook de op basis van die verordening vastgestelde uitvoeringsmaatregelen[41], in afzonderlijke besluiten worden vastgesteld. De consumenten en de sociaaleconomische kringen die bij de kwesties in verband met deze verordening betrokken zijn, moeten worden geraadpleegd en geïnformeerd overeenkomstig Besluit 2004/613/EG van de Commissie van 6 augustus 2004 tot oprichting van de adviesgroep voor de voedselketen en de gezondheid van dieren en planten[42].

(69) De Commissie moet met name gemachtigd worden om voorschriften vast te stellen betreffende de locatie en uitrusting van bedrijven en inrichtingen die dierlijke bijproducten hanteren, de hantering en behandeling van dierlijke bijproducten, de indeling van materiaal volgens de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid, maatregelen met het oog op de traceerbaarheid van dierlijke bijproducten, afwijkingen betreffende het gebruik en de verwijdering van dierlijke bijproducten, de voorwaarden voor het in de handel brengen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten, de voorwaarden voor de controle op de verzending van bepaalde dierlijke bijproducten en afgeleide producten tussen de lidstaten en de voorwaarden voor invoer en doorvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door er nieuwe niet-essentiële onderdelen aan toe te voegen, moeten deze maatregelen worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

(70) Met het oog op de efficiëntie moeten de normale termijnen voor de regelgevingsprocedure met toetsing worden verkort voor de vaststelling van maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden voor de verzending van dierlijke bijproducten vanuit landbouwbedrijven, bedrijven of gebieden waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

afdeling 1:onderwerp, toepassingsgebied, definities, infrastructuur

ARTIKEL 1 ONDERWERP

Deze verordening stelt veterinairrechtelijke voorschriften en volksgezondheidsvoorschriften voor dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten vast teneinde:

a) risico's voor de diergezondheid en de volksgezondheid die aan deze producten verbonden zijn, te voorkomen en tot een minimum te beperken; en

b) de veiligheid van de voedsel- en voederketen te beschermen.

Artikel 2Toepassingsgebied

1. Deze verordening is van toepassing op dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten die:

a) overeenkomstig de communautaire wetgeving van menselijke consumptie uitgesloten zijn; of

b) overeenkomstig de communautaire wetgeving voor menselijke consumptie bestemd mogen worden, maar die op beslissing van een exploitant voor andere doeleinden dan menselijke consumptie bestemd worden.

2. Deze verordening is niet van toepassing op de volgende dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten:

a) hele kadavers of delen van wilde dieren:

i) waarvan niet wordt vermoed dat zij met een op mens of dier overdraagbare ziekte zijn besmet, met uitzondering van voor commerciële doeleinden aangevoerde waterdieren;

ii) die, in het geval van wilde landdieren, overeenkomstig goede jachtpraktijken, na het doden niet worden verzameld;

b) dierlijke bijproducten van vrij wild en van vlees van vrij wild als bedoeld in artikel 1, lid 3, onder e), van Verordening (EG) nr. 853/2004;

c) voor fokdoeleinden bestemd(e) oöcyten, embryo's en sperma;

d) vloeibare melk, biest en daarvan afgeleide producten die op het landbouwbedrijf van oorsprong worden verkregen, bewaard, verwijderd of gebruikt;

e) schelpen van schelpdieren en schalen van schaaldieren waaruit de weke delen of het vlees verwijderd zijn;

f) keukenafval en etensresten, tenzij deze:

i) afkomstig zijn van internationaal opererende vervoermiddelen;

ii) bestemd zijn als diervoeder;

iii) bestemd zijn voor gebruik in een biogasinstallatie, voor compostering of voor de vervaardiging van afgeleide producten die bestemd zijn om volgens alternatieve methoden zoals bedoeld in artikel 22, onder a), te worden gebruikt; en

g) onverminderd de communautaire milieuwetgeving, materiaal dat op zee wordt verwijderd en afkomstig is van visserijactiviteiten van vaartuigen die voldoen aan de Verordeningen (EG) nr. 852/2004 en (EG) nr. 853/2004, met uitzondering van materiaal afkomstig van het aan boord ontweien van vis die ziektetekenen, waaronder parasieten, vertoont.

3. Deze verordening is niet van toepassing op de volgende afgeleide producten, behoudens de bijzondere regeling van hoofdstuk VI:

a) cosmetische producten als gedefinieerd in artikel 1, punt 1, van Richtlijn 76/768/EEG;

b) actieve implanteerbare medische hulpmiddelen als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder c), van Richtlijn 90/385/EEG;

c) medische hulpmiddelen als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder a), van Richtlijn 93/42/EEG;

d) medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder b), van Richtlijn 98/79/EG;

e) geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik als gedefinieerd in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/82/EG;

f) geneesmiddelen als gedefinieerd in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/83/EG.

4. Deze verordening laat de communautaire veterinaire wetgeving die de bestrijding en uitroeiing van bepaalde ziekten tot doel heeft, onverlet.

Artikel 3Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1) "dierlijke bijproducten": hele kadavers of delen van dieren of producten van dierlijke oorsprong als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 13, met inbegrip van oöcyten, embryo's en sperma;

2) "dieren": alle gewervelde of ongewervelde dieren (met inbegrip van vissen, reptielen en amfibieën);

3) "landbouwhuisdieren":

a) alle dieren die door de mens worden gehouden, vetgemest of gefokt en die worden gebruikt voor de productie van voedsel, wol, bont, veren, huiden of een ander product van dierlijke oorsprong of voor andere veeteeltdoeleinden;

b) paardachtigen;

4) "wilde dieren": alle niet door de mens gehouden dieren;

5) "gezelschapsdieren": alle dieren van soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden, niet voor veeteelt worden gehouden en vermeld zijn in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 998/2003;

6) "waterdieren": waterdieren als gedefinieerd artikel 3, lid 1, onder e), van Richtlijn 2006/88/EG;

7) "bevoegde autoriteit": de centrale autoriteit van een lidstaat die toeziet op de naleving van deze verordening of een autoriteit waaraan die taak is gedelegeerd; in voorkomend geval valt hieronder ook de overeenkomstige autoriteit van een derde land;

8) "in de handel brengen": een handeling die tot doel heeft dierlijke bijproducten of daarvan afgeleide producten aan een derde in de Gemeenschap te verkopen, of enige andere vorm van levering aan een derde in de Gemeenschap, al dan niet tegen betaling, of van opslag met het oog op levering aan een derde in de Gemeenschap;

9) "doorvoer": een verplaatsing via de Gemeenschap van het grondgebied van een derde land naar het grondgebied van een derde land, die niet over zee of door de lucht plaatsvindt;

10) "uitvoer": een verplaatsing van de Gemeenschap naar een derde land;

11) "producent": een persoon die dierlijke bijproducten of afgeleide producten produceert;

12) "exploitant": een natuurlijke of rechtspersoon die de feitelijke controle heeft over een dierlijke bijproduct of een afgeleid product, waaronder de producent;

13) "overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's)": alle overdraagbare spongiforme encefalopathieën als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 999/2001;

14) "gespecificeerd risicomateriaal": gespecificeerd risicomateriaal als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder g), van Verordening (EG) nr. 999/2001;

15) "afgeleid product": een product dat is verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten;

16) "sterilisatie onder druk": de behandeling van dierlijke bijproducten, na verkleining tot een deeltjesgrootte van niet meer dan 50 mm, tot een kerntemperatuur van meer dan 133 °C gedurende ten minste 20 minuten zonder onderbreking bij een absolute druk van ten minste 3 bar;

17) "producten van dierlijke oorsprong": producten die uit dieren zijn verkregen en daaruit verkregen producten, met inbegrip van levende dieren die daarvoor bestemd zijn;

18) "mest": uitwerpselen en/of urine van landbouwhuisdieren, met of zonder strooisel, en niet-gemineraliseerde guano;

19) "toegelaten stortplaats": een stortplaats waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG;

20) "erkend bedrijf": een bedrijf dat overeenkomstig deze verordening is erkend voor een bepaalde activiteit waarbij dierlijke bijproducten worden gehanteerd, met uitzondering van vissersvaartuigen;

21) "inrichting": een plaats waar afgeleide producten worden vervaardigd die door andere communautaire wetgeving worden geregeld;

22) "biologische meststoffen" en "bodemverbeteraars": materiaal van dierlijke oorsprong dat afzonderlijk of in combinatie wordt gebruikt om de voeding van planten en de fysische en chemische eigenschappen en de biologische activiteit van de bodem op peil te houden of te verbeteren; hieronder kunnen ook mest, inhoud van het maag-darmkanaal, compost en gistingsresiduen vallen;

23) "afgelegen gebied": een gebied waar de dierenpopulatie zo klein is en de voorzieningen zo ver verwijderd zijn dat regelingen voor het verzamelen en vervoeren van dierlijke bijproducten onaanvaardbaar duur zouden zijn in vergelijking met het ter plaatse verwijderen;

24) "levensmiddel": een levensmiddel als gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002;

25) "diervoeder": diervoeder als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Verordening (EG) nr. 178/2002.

Artikel 4Nationale infrastructuur en systemen voor het verzamelen en verwijderen van dierlijke bijproducten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat zij op hun grondgebied beschikken over een passende infrastructuur opdat dierlijke bijproducten:

a) onverwijld worden verzameld, geïdentificeerd en vervoerd;

b) overeenkomstig deze verordening worden verwijderd.

2. De lidstaten:

a) voorzien in een systeem voor het verzamelen en verwijderen van dierlijke bijproducten dat efficiënt werkt en waarop de bevoegde autoriteit voortdurend toezicht houdt;

b) wijzen voldoende middelen toe voor het functioneren van dit systeem.

3. De lidstaten mogen hun verplichtingen uit hoofde van dit artikel in samenwerking met andere lidstaten en derde landen vervullen.

afdeling 2: veterinairrechtelijke beperkende maatregelen

ARTIKEL 5 ALGEMENE VETERINAIRRECHTELIJKE BEPERKENDE MAATREGELEN

1. Onverminderd artikel 2, lid 4, worden dierlijke bijproducten en afgeleide producten niet verzonden vanuit landbouwbedrijven, bedrijven of gebieden waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn:

a) uit hoofde van de communautaire veterinaire wetgeving; of

b) wegens de aanwezigheid van een ernstige overdraagbare ziekte:

i) die is vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/119/EEG; of

ii) die is opgenomen in een door de Commissie vastgestelde lijst.

De in punt b), onder ii), vermelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2. Lid 1 is niet van toepassing indien de dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden verzonden onder door de Commissie vast te stellen voorwaarden om de verspreiding van op mens of dier overdraagbare ziekten te voorkomen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 5, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

afdeling 3: erkenning van bedrijven en inrichtingen

ARTIKEL 6 AAN ERKENNING ONDERWORPEN BEDRIJVEN EN INRICHTINGEN

1. Bedrijven en inrichtingen die dierlijke bijproducten en afgeleide producten hanteren, moeten door de bevoegde autoriteit worden erkend.

Daarbij moet worden vermeld voor welke van de volgende activiteiten de erkenning wordt verleend:

a) de opslag, hantering of verwerking van dierlijke bijproducten en afgeleide producten;

b) de omzetting van dierlijke bijproducten in biogas of compost;

c) de verbranding van dierlijke bijproducten;

d) de verwijdering of nuttige toepassing van dierlijke bijproducten of daarvan afgeleide producten, als afval, in een meeverbrandingsinstallatie;

e) het verstoken van dierlijke bijproducten en afgeleide producten;

f) de hantering of vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren als bedoeld in de derde alinea van artikel 45.

2. Bij de in lid 1 bedoelde erkenning moet worden vermeld of het bedrijf of de inrichting wordt erkend voor activiteiten met dierlijke bijproducten en afgeleide producten van:

a) een bepaalde categorie als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 13; of

b) meer dan een categorie als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 13, waarbij wordt vermeld of deze activiteiten:

i) permanent plaatsvinden onder strikt gescheiden omstandigheden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid; of

ii) tijdelijk plaatsvinden onder voorwaarden ter voorkoming van besmetting, teneinde een gebrek aan capaciteit op te vangen dat het gevolg is van:

- een wijdverbreide uitbraak van een epizoötie; of

- andere buitengewone en onvoorziene omstandigheden.

Artikel 7Uitzonderingen op de erkenningsvereiste

1. In afwijking van artikel 6, lid 1, is geen erkenning vereist voor:

a) activiteiten die vallen onder de erkenning of registratie van bedrijven en inrichtingen die zijn erkend of geregistreerd overeenkomstig:

i) Verordening (EG) nr. 853/2004; of

ii) Verordening (EG) nr. 183/2005;

b) verbrandings- en meeverbrandingsinstallatie die een exploitatievergunning overeenkomstig Richtlijn 2000/76/EG hebben;

c) biogas- en composteerinstallaties waarin dierlijke bijproducten of afgeleide producten worden omgezet volgens overeenkomstig artikel 9, onder c), vastgestelde standaardparameters;

d) onverminderd hoofdstuk VI, inrichtingen die afgeleide producten als bedoeld in artikel 2, lid 3, vervaardigen;

e) onverminderd hoofdstuk VI, exploitanten die, uitsluitend voor de vervaardiging van afgeleide producten als bedoeld in artikel 2, lid 3, dierlijke bijproducten en afgeleide producten invoeren, verzamelen of kanaliseren;

f) bedrijven en inrichtingen die onder afdeling 2 van hoofdstuk VI vallen, met uitzondering van bedrijven als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder f).

2. Bedrijven en inrichtingen die overeenkomstig lid 1, onder a), b) en c), geen erkenning hoeven te krijgen, worden op aanvraag van de exploitant geregistreerd door de bevoegde autoriteit.

De aanvraag moet de volgende informatie bevatten:

a) de categorie dierlijke bijproducten die wordt gebruikt;

b) de aard van de activiteiten waarbij dierlijke bijproducten en afgeleide producten als grondstof worden gebruikt en waarvoor de aanvraag wordt ingediend.

3. De voorschriften voor het aanvragen van de in lid 2 bedoelde registratie kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 48, lid 3.

Artikel 8Erkenning van bedrijven

1. De bevoegde autoriteit erkent een bedrijf op voorwaarde dat de exploitant bij zijn aanvraag het bewijs levert dat:

a) het bedrijf overeenkomstig deze verordening ontworpen en gebouwd is en beschikt over passende controles ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid, die voldoen aan eventuele overeenkomstig lid 3 opgelegde maatregelen met betrekking tot de ligging en uitrusting, met name wat de behandeling van het afvalwater van het bedrijfsterrein door filtering betreft;

b) het bedrijf dierlijke bijproducten en, indien deze verordening of overeenkomstig deze verordening vastgestelde voorschriften dat vereisen, afgeleide producten, hanteert volgens overeenkomstig artikel 9 vastgestelde hygiënevoorschriften;

c) de exploitant, indien overeenkomstig lid 3 vastgestelde maatregelen dat vereisen, het proces dat in het bedrijf zal worden gebruikt, heeft gevalideerd om na te gaan of het risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid kan voorkomen; en

d) de exploitant in het bedrijf een systeem van eigen controles heeft opgezet als bedoeld in artikel 17.

2. Het bedrijf wordt slechts erkend na een inspectiebezoek ter plaatse van de bevoegde autoriteit.

Indien blijkt dat het bedrijf voldoet aan alle vereisten van lid 1, onder a) en b), kan de bevoegde autoriteit een voorlopige erkenning verlenen.

Definitieve erkenning wordt slechts verleend indien bij een nieuwe officiële controle van het bedrijf binnen drie maanden na de voorlopige erkenning blijkt dat het bedrijf aan de overige toepasselijke vereisten voldoet.

Indien er veel vooruitgang is geboekt, maar het bedrijf nog niet aan alle toepasselijke vereisten voldoet, kan de bevoegde autoriteit de voorlopige erkenning verlengen. De totale geldigheidsduur van de voorlopige erkenning mag echter niet meer dan zes maanden bedragen.

3. De maatregelen ter uitvoering van de validering door de exploitant overeenkomstig lid 1, onder c), kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 9Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van deze afdeling vaststellen wat betreft:

a) de voorschriften voor het verbranden, meeverbranden en verstoken van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder c), d) en e);

b) voorwaarden voor het hanteren, verwerken of opslaan van dierlijke bijproducten of afgeleide producten in hetzelfde bedrijf of dezelfde inrichting:

i) indien deze activiteiten afzonderlijk worden uitgevoerd;

ii) indien deze activiteiten tijdelijk worden uitgevoerd;

c) standaardomzettingsparameters voor biogas- en composteerinstallaties als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c);

d) de ligging en uitrusting van bedrijven en inrichtingen die erkend moeten worden op het punt van:

i) de algemene hygiënevoorschriften die in erkende bedrijven en inrichtingen van toepassing zijn;

ii) technische voorschriften voor het hanteren, behandelen, omzetten en verwerken van dierlijke bijproducten en afgeleide producten in erkende bedrijven en inrichtingen;

iii) normen voor de behandeling van afvalwater van het bedrijfsterrein door filtering, waaronder de poriegrootte van de filter en het verplichte gebruik van filters die bepaalde pathogenen effectief uit het afvalwater verwijderen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

afdeling 4: indeling in categorieën

ARTIKEL 10 INDELING VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN EN AFGELEIDE PRODUCTEN IN CATEGORIEËN

1. Dierlijke bijproducten worden overeenkomstig de lijst in artikel 11, 12 of 13 ingedeeld in bepaalde categorieën naargelang van het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid die deze dierlijke bijproducten inhouden.

2. Afgeleide producten zijn onderworpen aan de voorschriften voor de bepaalde categorie dierlijke bijproducten waarvan zij zijn afgeleid, tenzij anders is bepaald in deze verordening of in door de Commissie vastgestelde maatregelen ter uitvoering van deze verordening.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 11Categorie 1-materiaal

Categorie 1-materiaal omvat de volgende dierlijke bijproducten en materiaal dat dergelijke bijproducten bevat:

a) hele kadavers en alle delen, met inbegrip van de huid, van de volgende dieren:

i) dieren die vermoedelijk met een TSE zijn besmet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 999/2001 of waarbij de aanwezigheid van een TSE officieel is bevestigd;

ii) dieren die in het kader van TSE-uitroeiingsmaatregelen zijn gedood;

iii) andere dieren dan landbouwhuisdieren en wilde dieren, met name gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren;

iv) proefdieren als gedefinieerd in artikel 2, onder d), van Richtlijn 86/609/EEG;

v) wilde dieren waarvan wordt vermoed dat zij met op mens of dier overdraagbare ziekten zijn besmet;

b) het volgende materiaal:

i) gespecificeerd risicomateriaal;

ii) hele kadavers of delen van dode dieren die op het moment van de verwijdering gespecificeerd risicomateriaal bevatten;

c) producten van dierlijke oorsprong afkomstig van dieren die een illegale behandeling als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder d), van Richtlijn 96/22/EG en artikel 2, onder b), van Richtlijn 96/23/EG hebben ondergaan;

d) dierlijk materiaal dat wordt opgevangen bij het filtreren van afvalwater zoals vereist bij artikel 8, lid 1, onder a), indien dat water met categorie 1-materiaal in aanraking komt of is gekomen;

e) keukenafval en etensresten afkomstig van internationaal opererende vervoermiddelen;

f) mengsels van categorie 1-materiaal met categorie 2-materiaal en/of met categorie 3-materiaal.

Artikel 12Categorie 2-materiaal

Categorie 2-materiaal omvat de volgende dierlijke bijproducten en materiaal dat dergelijke bijproducten bevat:

a) mest en de inhoud van het maag-darmkanaal;

b) dierlijk materiaal dat wordt verzameld bij het filtreren van afvalwater zoals vereist bij artikel 8, lid 1, onder a), indien dat water met categorie 2-materiaal in aanraking komt of is gekomen;

c) producten van dierlijke oorsprong die residuen van toegelaten stoffen of van contaminanten bevatten die de in artikel 15, lid 3, van Richtlijn 96/23/EG bedoelde toegelaten niveaus overschrijden;

d) producten van dierlijke oorsprong die ongeschikt voor menselijke consumptie zijn verklaard omdat er mogelijk fysische verontreinigingen in aanwezig zijn;

e) andere producten van dierlijke oorsprong dan categorie 1-materiaal die:

i) uit een derde land worden ingevoerd of binnengebracht en niet voldoen aan de communautaire veterinaire wetgeving inzake invoer en binnenbrengen in de Gemeenschap, tenzij de communautaire wetgeving toestaat dat deze producten onder bepaalde voorwaarden worden ingevoerd of binnengebracht of dat zij naar het derde land worden teruggezonden; of

ii) naar een andere lidstaat worden verzonden en niet voldoen aan de door de communautaire wetgeving vastgestelde of toegestane voorschriften, tenzij zij worden teruggezonden met toestemming van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het bedrijf of de inrichting van oorsprong;

f) niet in artikel 11 en 13 genoemde dieren en delen van dieren die niet voor menselijke consumptie zijn geslacht of, in het geval van wild, niet voor menselijke consumptie zijn gedood, maar op een andere manier zijn gestorven, waaronder dieren die ter bestrijding van ziekten zijn gedood, foetussen en embryo's van herkauwers en varkens en in de schaal gestorven kuikens;

g) mengsels van categorie 2-materiaal met categorie 3-materiaal;

h) andere dierlijke bijproducten dan categorie 1-materiaal of categorie 3-materiaal.

Artikel 13Categorie 3-materiaal

Categorie 3-materiaal omvat de volgende dierlijke bijproducten en materiaal dat dergelijke bijproducten bevat:

a) kadavers of delen van geslachte of, in het geval van wild en gekweekte vis, gedode dieren, die overeenkomstig de communautaire wetgeving voor menselijke consumptie geschikt zijn, maar die om commerciële redenen niet voor menselijke consumptie bestemd zijn;

b) de volgende delen van hetzij dieren die in een slachthuis zijn geslacht en na een keuring vóór het slachten geschikt zijn verklaard om voor menselijke consumptie te worden geslacht, hetzij wild dat overeenkomstig de communautaire wetgeving voor menselijke consumptie is gedood:

i) kadavers of delen van dieren die overeenkomstig de communautaire wetgeving voor menselijke consumptie ongeschikt zijn verklaard, maar die geen symptomen van op mens of dier overdraagbare ziekten vertonen;

ii) koppen van pluimvee;

iii) huiden, met inbegrip van afgesneden en gesplitste stukken huid;

iv) poten, met inbegrip van koot-, voetwortel- en middelvoetsbeentjes, van:

- andere diersoorten dan herkauwers;

- herkauwers die niet op TSE's hoeven te worden getest;

- herkauwers die met negatief resultaat zijn getest overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 999/2001;

v) horens;

vi) varkenshaar;

vii) veren;

c) bloed van de volgende dieren, die geen klinische symptomen vertoonden van een via dat bloed op mens of dier overdraagbare ziekte:

i) andere dieren dan herkauwers, en herkauwers die niet op TSE's hoeven te worden getest, die in een slachthuis zijn geslacht en na een keuring vóór het slachten overeenkomstig de communautaire wetgeving geschikt zijn verklaard om voor menselijke consumptie te worden geslacht; of

ii) herkauwers die met negatief resultaat zijn getest overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 999/2001;

d) dierlijke bijproducten verkregen bij de productie van voor menselijke consumptie bestemde producten, waaronder ontvette beenderen en kanen;

e) producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van keukenafval en etensresten, die, nadat zij voor menselijke consumptie of voor vervoedering in de handel zijn gebracht, niet langer voor menselijke consumptie of voor vervoedering bestemd zijn om commerciële redenen of wegens productieproblemen, verpakkingsgebreken of andere problemen die geen risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid inhouden;

f) bloed, placenta, wol, veren, haar, horens, stukjes hoef en melk van levende dieren die niet onmiddellijk voor de slacht bestemd zijn en geen symptomen vertonen van via dat product op mens of dier overdraagbare ziekten;

g) waterdieren en delen van waterdieren, met uitzondering van zeezoogdieren, die geen symptomen vertoonden van op mens of dier overdraagbare ziekten;

h) verse bijproducten van waterdieren afkomstig van bedrijven of inrichtingen die producten voor menselijke consumptie vervaardigen;

i) het volgende materiaal afkomstig van dieren die geen symptomen vertoonden van een via dat materiaal op mens of dier overdraagbare ziekte:

i) schelpen en schalen, met uitzondering van schelpen en schalen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e);

ii) het volgende materiaal afkomstig van landdieren:

- bijproducten van broederijen;

- eieren;

- bijproducten van eieren;

iii) eendagskuikens;

j) terrestrische ongewervelden van soorten die niet pathogeen zijn voor mens of dier;

k) dode dieren en delen van dode dieren van de zoölogische ordes Rodentia en Lagomorpha, met uitzondering van categorie 1- en categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 12, onder a) tot en met g);

l) huiden, hoeven, veren, wol, hoorn, haar en bont afkomstig van andere dode dieren dan de onder c) genoemde dieren, die geen symptomen vertoonden van via dat product op mens of dier overdraagbare ziekten;

m) ander keukenafval en andere etensresten dan bedoeld in artikel 11, onder e).

Artikel 14Wijziging van categorie

De artikelen 11, 12 en 13 kunnen door de Commissie worden gewijzigd om rekening te houden met de wetenschappelijke vooruitgang met betrekking tot de beoordeling van het risiconiveau, mits deze vooruitgang kan worden vastgesteld op grond van een risicobeoordeling door de bevoegde wetenschappelijke instantie. Er mogen echter geen dierlijke bijproducten uit de lijsten in deze artikelen worden geschrapt; het is alleen toegestaan deze producten in een andere categorie in te delen of extra dierlijke bijproducten aan deze lijsten toe te voegen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

HOOFDSTUK II:VERPLICHTINGEN VAN EXPLOITANTEN EN EXPLOITATIE VAN BEDRIJVEN EN INRICHTINGEN

afdeling 1:algemene verplichtingen van exploitanten

ARTIKEL 15 VERZAMELEN, IDENTIFICATIE VAN DE CATEGORIE EN VERVOER

1. Exploitanten verzamelen, identificeren en vervoeren dierlijke bijproducten onverwijld onder voorwaarden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid.

2. Exploitanten zorgen ervoor dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten tijdens het vervoer vergezeld gaan van een handelsdocument en, indien deze verordening of een overeenkomstig lid 5 vastgestelde maatregel dat voorschrijft, een gezondheidscertificaat.

In afwijking van de eerste alinea mag de bevoegde autoriteit toestaan dat mest zonder handelsdocument of gezondheidscertificaat wordt vervoerd tussen twee plaatsen op hetzelfde landbouwbedrijf of tussen landbouwbedrijven en gebruikers die zich in dezelfde lidstaat bevinden.

3. De handelsdocumenten en gezondheidscertificaten waarvan dierlijke bijproducten en afgeleide producten tijdens het vervoer vergezeld gaan, bevatten informatie over de hoeveelheid van deze producten, alsook een beschrijving van de dierlijke bijproducten of afgeleide producten en, indien deze verordening markering voorschrijft, de daarop aangebrachte markering.

4. De volgende maatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure:

a) modellen voor handelsdocumenten en gezondheidscertificaten die dierlijke bijproducten tijdens het vervoer moeten vergezellen;

b) modellen voor gezondheidscertificaten en de voorwaarden waaronder deze dierlijke bijproducten en afgeleide producten tijdens het vervoer moeten vergezellen.

5. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van dit artikel vaststellen wat betreft:

a) gevallen waarin een gezondheidscertificaat vereist is wegens het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid dat bepaalde afgeleide producten inhouden;

b) gevallen waarin, in afwijking van lid 2 en gezien het geringe risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid dat bepaalde afgeleide producten inhouden, afgeleide producten zonder de in dat lid voorgeschreven documenten of certificaten mogen worden vervoerd;

c) voorschriften voor de identificatie, waaronder de etikettering, en het gescheiden houden van dierlijke bijproducten tijdens het vervoer;

d) voorwaarden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid die zich kunnen voordoen bij het verzamelen en het vervoer van dierlijke bijproducten, waaronder voorwaarden voor het veilig vervoeren van deze producten wat recipiënten, voertuigen en verpakkingsmateriaal betreft.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 16Administratie

1. Wie dierlijke bijproducten of afgeleide producten verzendt, vervoert of ontvangt, houdt een administratie van die zendingen alsook de desbetreffende documenten of gezondheidscertificaten bij.

De eerste alinea is echter niet van toepassing indien overeenkomstig artikel 15, lid 2, tweede alinea, toestemming is verleend om mest te vervoeren.

2. Maatregelen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure, met name wat betreft:

a) het formaat waarin de administratie moet worden bijgehouden;

b) hoelang deze administratie moet worden bewaard.

afdeling 2: exploitatie van bedrijven en inrichtingen

ARTIKEL 17 EIGEN CONTROLES VAN BEDRIJVEN EN INRICHTINGEN

1. Exploitanten zorgen voor de invoering, toepassing en handhaving van een permanente procedure van eigen controles om op de naleving van deze verordening toe te zien.

2. Exploitanten zorgen ervoor dat materiaal waarvan bekend is of vermoed wordt dat het niet aan deze verordening voldoet, het bedrijf niet verlaat, tenzij het bestemd is om te worden verwijderd, alvorens het onder toezicht van de bevoegde autoriteit opnieuw is verwerkt en is herbemonsterd overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 882/2004.

3. Bedrijven die dierlijke bijproducten verwerken, bedrijven die dierlijke bijproducten in biogas en compost omzetten en bedrijven die meer dan een categorie dierlijke bijproducten hanteren, stellen de in lid 1 bedoelde procedure op volgens de beginselen van het systeem van risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP).

Exploitanten van dergelijke bedrijven moeten met name:

a) de kritische controlepunten in de inrichtingen bepalen en controleren;

b) methoden voor monitoring en controle van de kritische controlepunten invoeren en toepassen;

c) indien het bij de verwerking ontstane product niet rechtstreeks ter plaatse wordt verwijderd door verbranding, meeverbranding, verstoken of op een andere, overeenkomstig artikel 22, onder a), toegestane wijze, representatieve monsters nemen om te controleren of:

i) iedere verwerkte partij voldoet aan de normen, en met name de normen voor de verwerkingsmethoden en de microbiologische veiligheid van het eindproduct, die zijn vastgesteld bij overeenkomstig lid 6 van dit artikel vastgestelde maatregelen;

ii) de volgens de communautaire wetgeving maximale toegestane niveaus voor fysische en chemische residuen niet zijn overschreden;

d) de resultaten van de onder b) en c) bedoelde controles en tests in voorkomend geval registreren en gedurende ten minste twee jaar bewaren, zodat zij aan de bevoegde autoriteiten kunnen worden overgelegd;

e) een systeem invoeren dat de traceerbaarheid van iedere verzonden partij waarborgt.

4. Indien de resultaten van een test op overeenkomstig lid 3, onder c), genomen monsters niet voldoen aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, moet de exploitant van het bedrijf, naast de in lid 2 vastgestelde vereisten:

a) de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis stellen en alle gegevens meedelen over de aard van het monster en de partij waaruit het is genomen;

b) de oorzaken van de niet-naleving bepalen;

c) de frequentie van de bemonstering en de controles op de productie opvoeren;

d) het bedrijf op de juiste wijze ontsmetten en reinigen.

5. Partijen die bij controles overeenkomstig lid 3, onder c), niet aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften blijken te voldoen, worden opnieuw verwerkt of verwijderd onder toezicht van de bevoegde autoriteit.

6. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van dit artikel vaststellen wat betreft:

a) eigen controles en de instandhouding van het HACCP-systeem;

b) gedetailleerde voorschriften voor de maatregelen die de exploitant overeenkomstig de leden 2 en 3 moet nemen, met name wat de bemonsteringsmethoden en de referentiemethoden voor microbiologische analyses betreft.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

HOOFDSTUK III:VERWIJDERING EN GEBRUIK VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN EN AFGELEIDE PRODUCTEN

afdeling 1:beperkingen van het gebruik

ARTIKEL 18 BEPERKINGEN VAN HET GEBRUIK

1. Het volgende gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten is verboden:

a) landdieren voederen met verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van kadavers of delen van kadavers van dieren van dezelfde diersoort;

b) landbouwhuisdieren, met uitzondering van pelsdieren, voederen met keukenafval en etensresten of voedermiddelen die keukenafval en etensresten bevatten of daarvan afkomstig zijn;

c) landbouwhuisdieren laten grazen op, of voederen met groenvoer afkomstig van, weiland waarop andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest zijn gebruikt;

d) gekweekte vissen voederen met verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van kadavers of delen van kadavers van gekweekte vis van dezelfde soort.

2. De Commissie kan uitvoeringsbepalingen met het oog op de uniforme toepassing van de verbodsbepalingen in lid 1 vaststellen, alsook maatregelen die het mogelijk maken om:

a) landdieren te voederen met verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van kadavers of delen van kadavers van dieren van dezelfde diersoort, in afwijking van lid 1, onder a); en

b) landbouwhuisdieren te voederen met groenvoer afkomstig van weiland waarop biologische meststoffen en bodemverbeteraars zijn gebruikt, mits het grazen of maaien plaatsvindt na een wachttijd die een passende beheersing van de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid garandeert, in afwijking van lid 1, onder c).

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

afdeling 2:verwijdering en gebruik

ARTIKEL 19 VERWIJDERING EN GEBRUIK VAN CATEGORIE 1-MATERIAAL

Categorie 1-materiaal wordt:

a) als afval verwijderd in een erkende of geregistreerde verbrandingsinstallatie:

i) rechtstreeks, zonder voorafgaande verwerking; of

ii) nadat het in een erkend bedrijf is verwerkt, door sterilisatie onder druk indien de bevoegde autoriteit dat voorschrijft, en nadat het resulterende materiaal duurzaam is gemarkeerd;

b) indien het categorie 1-materiaal afval is, verwijderd of nuttig toegepast in een erkende of geregistreerde meeverbrandingsinstallatie:

i) rechtstreeks, zonder voorafgaande verwerking; of

ii) nadat het in een erkend bedrijf is verwerkt, door sterilisatie onder druk indien de bevoegde autoriteit dat voorschrijft, en nadat het resulterende materiaal duurzaam is gemarkeerd;

c) indien het gaat om ander categorie 1-materiaal dan materiaal als bedoeld in artikel 11, punt a), onder i) en ii), verwijderd door het in een erkend bedrijf te verwerken door sterilisatie onder druk, het resulterende materiaal duurzaam te markeren en het op een erkende stortplaats te begraven;

d) indien het gaat om categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 11, onder c), onderworpen aan een overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2002/32/EG vastgesteld zuiveringsprocedé, en gebruikt overeenkomstig artikel 21, onder c), d) en e);

e) indien het gaat om categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 11, onder e), verwijderd door het op een erkende stortplaats te begraven;

f) als brandstof verstookt; of

g) gebruikt voor de vervaardiging van afgeleide producten als bedoeld in hoofdstuk VI en in de handel gebracht overeenkomstig de in dat hoofdstuk vastgestelde bijzondere regeling.

Artikel 20Verwijdering en gebruik van categorie 2-materiaal

Categorie 2-materiaal wordt:

a) als afval verwijderd in een erkende of geregistreerde verbrandingsinstallatie:

i) rechtstreeks, zonder voorafgaande verwerking; of

ii) nadat het in een erkend bedrijf is verwerkt, door sterilisatie onder druk indien de bevoegde autoriteit dat voorschrijft, en nadat het resulterende materiaal duurzaam is gemarkeerd;

b) indien het categorie 2-materiaal afval is, verwijderd of nuttig toegepast in een erkende of geregistreerde meeverbrandingsinstallatie:

i) rechtstreeks, zonder voorafgaande verwerking; of

ii) nadat het in een erkend bedrijf is verwerkt, door sterilisatie onder druk indien de bevoegde autoriteit dat voorschrijft, en nadat het resulterende materiaal duurzaam is gemarkeerd;

c) op een erkende stortplaats verwijderd nadat het in een erkend bedrijf is verwerkt door sterilisatie onder druk en nadat het resulterende materiaal duurzaam is gemarkeerd;

d) duurzaam gemarkeerd nadat het in een erkend bedrijf is verwerkt:

i) wat het daaruit resulterende eiwitmateriaal betreft, door sterilisatie onder druk, en vervolgens gebruikt als biologische meststof of bodemverbeteraar; of

ii) wat gesmolten vet betreft, door sterilisatie onder druk indien de bevoegde autoriteit dat voorschrijft, en vervolgens in een erkend bedrijf verder verwerkt tot vetderivaten voor gebruik in biologische meststoffen of bodemverbeteraars;

e) in een erkende of geregistreerde biogas- of composteerinstallatie omgezet:

i) nadat het is verwerkt door sterilisatie onder druk en nadat het resulterende materiaal duurzaam is gemarkeerd; of

ii) al dan niet na verwerking, indien het gaat om mest, de inhoud van het maag-darmkanaal gescheiden van het maag-darmkanaal, melk, producten op basis van melk en biest waarvan de bevoegde autoriteit niet denkt dat zij een ernstige overdraagbare ziekte kunnen verspreiden;

f) zonder verwerking op het land uitgereden, indien het gaat om mest, de inhoud van het maag-darmkanaal gescheiden van het maag-darmkanaal, melk, producten op basis van melk en biest waarvan de bevoegde autoriteit niet denkt dat zij een ernstige overdraagbare ziekte kunnen verspreiden;

g) indien het gaat om materiaal afkomstig van waterdieren, ingekuild of tot compost verwerkt in een erkend of geregistreerd bedrijf;

h) als brandstof verstookt; of

i) gebruikt voor de vervaardiging van afgeleide producten als bedoeld in hoofdstuk VI en in de handel gebracht overeenkomstig de in dat hoofdstuk vastgestelde bijzondere regeling.

Artikel 21Verwijdering en gebruik van categorie 3-materiaal

Categorie 3-materiaal wordt:

a) als afval verwijderd in een erkende of geregistreerde verbrandingsinstallatie, al dan niet na verwerking;

b) indien het categorie 3-materiaal afval is, verwijderd of nuttig toegepast in een erkende of geregistreerde meeverbrandingsinstallatie, al dan niet na verwerking;

c) in een erkend bedrijf verwerkt, tenzij het zodanig door ontbinding, verontreiniging of bederf is aangetast dat het een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid vormt, en vervolgens gebruikt:

i) als voedermiddel voor landbouwhuisdieren of voor vervoedering aan andere landbouwhuisdieren dan pelsdieren, en overeenkomstig artikel 24 in de handel gebracht, tenzij het gaat om materiaal als bedoeld in artikel 13, onder l) en m);

ii) voor vervoedering aan pelsdieren; of

iii) voor de vervaardiging van biologische meststoffen of bodemverbeteraars, die overeenkomstig artikel 25 in de handel worden gebracht;

d) in een erkende of geregistreerde biogas- of composteerinstallatie omgezet;

e) indien het gaat om materiaal afkomstig van waterdieren, ingekuild of tot compost verwerkt in een erkend of geregistreerd bedrijf;

f) indien het gaat om andere schelpen en schalen dan schelpen en schalen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e), gebruikt onder voorwaarden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid;

g) als brandstof verstookt; of

h) gebruikt voor de vervaardiging van afgeleide producten als bedoeld in hoofdstuk VI en in de handel gebracht overeenkomstig de in dat hoofdstuk vastgestelde bijzondere regeling.

Artikel 22Afwijkingen

In afwijking van de artikelen 19, 20 en 21 mogen dierlijke bijproducten:

a) volgens overeenkomstig artikel 29, leden 1 tot en met 9, toegelaten alternatieve methoden worden verwijderd of gebruikt in een erkend bedrijf;

b) overeenkomstig artikel 26 worden gebruikt voor onderzoek en andere specifieke doeleinden;

c) indien het gaat om dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 27, worden gebruikt voor bijzondere vervoederingsdoeleinden overeenkomstig dat artikel;

d) indien het gaat om dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 28, worden verwijderd overeenkomstig dat artikel;

e) indien het gaat om categorie 2- of categorie 3-materiaal en indien de bevoegde autoriteit het toestaat:

i) worden gebruikt voor het maken en uitrijden van biodynamische preparaten als bedoeld in punt 2.3 van deel A van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2092/91;

ii) worden gebruikt voor vervoedering aan gezelschapsdieren;

f) indien het gaat om categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 13, onder f), of andere dierlijke bijproducten die worden verwijderd bij chirurgische ingrepen bij levende dieren, op het landbouwbedrijf worden verwijderd mits de bevoegde autoriteit dat toestaat.

Artikel 23Uitvoeringsmaatregelen

1. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van deze afdeling vaststellen wat betreft:

a) andere methoden voor de verwerking van dierlijke bijproducten dan sterilisatie onder druk, met name wat betreft de tijd-, temperatuur- en drukparameters die bij die verwerkingsmethoden moeten worden gehanteerd;

b) parameters voor de omzetting van dierlijke bijproducten in biogas of compost;

c) het inkuilen van materiaal afkomstig van waterdieren;

d) het duurzaam markeren van dierlijke bijproducten;

e) het uitrijden van bepaalde dierlijke bijproducten, biologische meststoffen en bodemverbeteraars;

f) het gebruik van bepaalde dierlijke bijproducten als voedermiddel voor landbouwhuisdieren of voor vervoedering aan landbouwhuisdieren;

g) het niveau van risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid met betrekking tot bepaald materiaal dat onaanvaardbaar wordt geacht als bedoeld in artikel 21, onder c).

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze afdeling beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2. In afwachting van de vaststelling van voorschriften overeenkomstig lid 1, eerste alinea, onder b) en c), mogen de lidstaten nationale voorschriften voor de omzetting van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 13, onder m), en voor het inkuilen van materiaal afkomstig van waterdieren vaststellen of handhaven.

afdeling 3: in de handel brengen

ARTIKEL 24 IN DE HANDEL BRENGEN VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN VOOR VERVOEDERINGSDOELEINDEN

1. Dierlijke bijproducten die bestemd zijn om aan landbouwhuisdieren te worden vervoederd en afgeleide producten die als voedermiddel voor landbouwhuisdieren worden gebruikt, mogen slechts in de handel worden gebracht indien zij:

a) uitsluitend uit categorie 3-materiaal bestaan of daarvan afgeleid zijn; indien zij echter bestemd zijn om aan andere dieren dan pelsdieren te worden vervoederd, mogen zij uitsluitend bestaan uit of afgeleid zijn van ander categorie 3-materiaal dan bedoeld in artikel 13, onder l) en m;

b) voor zover van toepassing, zijn verzameld, verwerkt of omgezet overeenkomstig de voorwaarden voor sterilisatie onder druk of andere voorwaarden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid overeenkomstig afdeling 2 en eventuele overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde maatregelen;

c) afkomstig zijn van erkende of geregistreerde bedrijven of inrichtingen, voor zover van toepassing op het dierlijke bijproduct of het afgeleide product.

2. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van dit artikel vaststellen wat betreft:

a) volksgezondheids- en diergezondheidsvoorwaarden voor het verzamelen, verwerken en behandelen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als bedoeld in lid 1;

b) voorwaarden met het oog op de traceerbaarheid en ter voorkoming van versleping die van toepassing zijn op materiaal dat geschikt is voor menselijke consumptie, maar voor vervoederingsdoeleinden of voor gebruik als voedermiddel wordt bestemd.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 25In de handel brengen en gebruik van biologische meststoffen en bodemverbeteraars

1. Biologische meststoffen en bodemverbeteraars mogen slechts in de handel worden gebracht indien zij:

a) uitsluitend van categorie 2- of categorie 3-materiaal afgeleid zijn;

b) zijn geproduceerd overeenkomstig de voorwaarden voor sterilisatie onder druk of andere voorwaarden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid overeenkomstig afdeling 2 en eventuele overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde maatregelen;

c) in het geval van biologische meststoffen en bodemverbeteraars die van eiwitmateriaal zijn afgeleid, zijn gemengd met een zodanige stof dat het mengsel niet voor vervoederingsdoeleinden kan worden gebruikt; en

d) afkomstig zijn van erkende of geregistreerde bedrijven of inrichtingen, voor zover van toepassing.

De lidstaten mogen nationale voorschriften vaststellen of handhaven die het gebruik van organische meststoffen en bodemverbeteraars verder beperken, mits die voorschriften gerechtvaardigd zijn met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid.

2. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van dit artikel vaststellen wat betreft:

a) volksgezondheids- en diergezondheidsvoorwaarden voor de productie en het gebruik van organische meststoffen en bodemverbeteraars;

b) stoffen voor het markeren van organische meststoffen en bodemverbeteraars;

c) stoffen die met organische meststoffen en bodemverbeteraars moeten worden gemengd;

d) aanvullende voorwaarden, zoals de stoffen en methoden die bij het markeren moeten worden gebruikt en de minimale verhoudingen die bij de bereiding van het mengsel moeten worden gehanteerd opdat organische meststoffen of bodemverbeteraars niet voor vervoederingsdoeleinden kunnen worden gebruikt.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze afdeling beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

afdeling 4: afwijkingen met betrekking tot het gebruik en de verwijdering van dierlijke bijproducten en verwerkte producten

ARTIKEL 26 AFWIJKINGEN MET BETREKKING TOT HET GEBRUIK VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN VOOR ONDERZOEK EN ANDERE SPECIFIEKE DOELEINDEN

1. In afwijking van de afdelingen 1 en 2 mag de bevoegde autoriteit toestaan dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten, onder voorwaarden ter beheersing van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid, worden gebruikt voor tentoonstellingen en voor diagnose, onderwijs en onderzoek.

Deze voorwaarden omvatten:

a) dat de dierlijke bijproducten of afgeleide producten daarna niet meer voor andere doeleinden mogen worden gebruikt;

b) dat de dierlijke bijproducten of afgeleide producten veilig moeten worden verwijderd of naar de plaats van herkomst moeten worden teruggezonden.

2. Exploitanten van bedrijven en inrichtingen die activiteiten met categorie 1- en categorie 2-materiaal verrichten en gebruikers die dergelijke activiteiten verrichten overeenkomstig lid 1 moeten door de bevoegde autoriteit worden geregistreerd nadat zij de volgende informatie hebben ingediend:

a) de categorie dierlijke bijproducten die wordt gebruikt;

b) de aard van de activiteiten waarbij dierlijke bijproducten en afgeleide producten als grondstof worden gebruikt en waarvoor de registratieaanvraag wordt ingediend.

3. Maatregelen ter uitvoering van dit artikel wat betreft het indienen van informatie, waaronder een standaardformulier, kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure.

4. Bij risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid die maatregelen op het hele grondgebied van de Gemeenschap vereisen, en met name bij nieuwe risico's, kan de Commissie geharmoniseerde voorwaarden voor de invoer en het gebruik van de in lid 1 bedoelde dierlijke bijproducten en afgeleide producten vaststellen. Deze voorwaarden kunnen voorschriften voor opslag, verpakking, identificatie, vervoer en verwijdering omvatten.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 27Afwijkingen met betrekking tot het gebruik van dierlijke bijproducten voor bijzondere vervoederingsdoeleinden

1. In afwijking van de afdelingen 1 en 2 mag de bevoegde autoriteit toestaan dat het volgende materiaal, onder voorwaarden ter beheersing van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid, wordt verzameld en gebruikt:

a) categorie 2-materiaal dat afkomstig is van dieren die niet zijn gedood of gestorven als gevolg van de aanwezigheid of vermoede aanwezigheid van een op mens of dier overdraagbare ziekte;

b) categorie 3-materiaal voor vervoedering aan:

i) dierentuinendieren;

ii) circusdieren;

iii) andere reptielen en roofvogels dan dierentuinendieren of circusdieren;

iv) pelsdieren;

v) wilde dieren waarvan het vlees niet voor menselijke consumptie bestemd is;

vi) honden in erkende kennels of meutes;

vii) maden die als visaas worden gebruikt.

2. In afwijking van de afdelingen 1 en 2, en onder overeenkomstig lid 3 van dit artikel vastgestelde voorwaarden, mag de bevoegde autoriteiten toestaan dat categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 11, punt b), onder ii), wordt vervoederd aan dierentuindieren en aan met uitsterven bedreigde of beschermde aasetende vogelsoorten die in hun natuurlijke habitat leven.

3. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van dit artikel vaststellen wat betreft de voorwaarden waaronder:

a) het verzamelen en het gebruik als bedoeld in lid 1 mag worden toegestaan wat betreft de kanalisatie, de opslag en het gebruik van categorie 2- en categorie 3-materiaal voor vervoedering, onder andere in het geval van nieuwe risico's;

b) het vervoederen van categorie 1-materiaal als bedoeld in lid 2 mag worden toegestaan, waaronder:

i) de soort aasetende vogels in bepaalde lidstaten waaraan dit materiaal mag worden vervoederd;

ii) de nodige maatregelen om te voorkomen dat andere diersoorten toegang hebben tot het vervoederde materiaal.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 28Afwijkingen met betrekking tot de verwijdering van dierlijke bijproducten

1. In afwijking van de afdelingen 1 en 2 mag de bevoegde autoriteit toestaan dat:

a) dode gezelschapsdieren worden verwijderd door begraving;

b) categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 11, punt a), onder v), en punt b), onder ii), categorie 2-materiaal en categorie 3-materiaal in afgelegen gebieden worden verwijderd door verbranding of begraving ter plaatse of op een andere wijze onder officieel toezicht waarbij de overdracht van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid wordt voorkomen;

c) categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 11, punt b), onder ii), categorie 2-materiaal en categorie 3-materiaal in gebieden die vrijwel ontoegankelijk zijn, die slechts toegankelijk zouden zijn onder omstandigheden die, om geografische of klimatologische redenen of ten gevolge van een natuurramp, risico's inhouden voor de gezondheid en veiligheid van het personeel dat het materiaal verzamelt, of die slechts met onevenredige middelen toegankelijk zouden zijn, wordt verwijderd door verbranding of begraving ter plaatse of op een andere wijze onder officieel toezicht waarbij de overdracht van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid wordt voorkomen;

d) categorie 2-materiaal en categorie 3-materiaal die geen risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhouden en die afkomstig zijn van exploitanten die per week niet meer dan een overeenkomstig lid 4, eerste alinea, onder c), vastgesteld volume van dergelijke dierlijke bijproducten hanteren in verhouding tot de verrichte activiteiten en de diersoort waarvan de dierlijke bijproducten afkomstig zijn, wordt verwijderd op een andere wijze dan door verbranding of begraving ter plaatse;

e) andere dierlijke bijproducten dan categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 11, punt a), onder i), bij een uitbraak van een overeenkomstig lid 4, eerste alinea, onder d), in een lijst opgenomen meldingsplichtige ziekte, worden verwijderd door verbranding of begraving ter plaatse indien het vervoer naar de dichtstbijzijnde, voor de verwerking of verwijdering van dierlijke bijproducten erkend bedrijf het gevaar van verspreiding van gezondheidsrisico's zou doen toenemen of, bij een wijdverbreide uitbraak van een epizoötie, in dergelijke bedrijven tot een gebrek aan capaciteit zou leiden.

2. De oppervlakte van de afgelegen gebieden als bedoeld in lid 1, onder b), in een lidstaat mag niet meer bedragen dan een bepaald percentage van de oppervlakte van het landgebied van die lidstaat.

3. De lidstaten stellen de Commissie informatie ter beschikking over:

a) de gebieden die zij voor de toepassing van lid 1, onder b), indelen als afgelegen gebied en de redenen voor die indeling, en geactualiseerde informatie over eventuele wijzigingen van die indeling;

b) het gebruik dat zij maken van de door lid 1, onder c) en d), geboden mogelijkheden met betrekking tot categorie 1- en categorie 2-materiaal.

4. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van dit artikel vaststellen wat betreft:

a) de voorwaarden ter beheersing van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid bij verbranding of begraving ter plaatse;

b) het in lid 2 bedoelde maximale percentage van het grondgebied;

c) het in lid 1, onder d), bedoelde volume dierlijke bijproducten in verhouding tot de aard van de activiteiten en de diersoorten van oorsprong;

d) de in lid 1, onder e), bedoelde lijst van ziekten.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

afdeling 5: alternatieve methoden voor het gebruik en de verwijdering van dierlijke bijproducten en verwerkte producten

ARTIKEL 29 TOELATING VAN ALTERNATIEVE METHODEN VOOR GEBRUIK OF VERWIJDERING

1. De toelatingsprocedure voor een alternatieve methode voor het gebruik of de verwijdering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten kan worden ingeleid door de Commissie of op aanvraag van een lidstaat of van een betrokken partij, die eventueel verscheidene betrokken partijen kan vertegenwoordigen.

2. Betrokken partijen zenden hun aanvraag aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij van de alternatieve methode gebruik wensen te maken.

3. De bevoegde autoriteit evalueert binnen twee maanden na ontvangst van een volledige aanvraag of de aanvraag voldoet aan het standaardformaat voor aanvragen als bedoeld in lid 10.

De bevoegde autoriteit zendt de aanvragen van de lidstaten en de betrokken partijen, met een verslag van haar evaluatie, aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna "de Autoriteit" genoemd) en de Commissie.

4. De Commissie zendt de aanvragen, met een verslag van haar evaluatie, aan de Autoriteit.

5. De Autoriteit beoordeelt binnen zes maanden na ontvangst van een volledige aanvraag of de voorgelegde methode de risico's voor de volksgezondheid of de diergezondheid ten minste evenzeer beperkt als de overeenkomstig artikel 23, lid 1, onder a), vastgestelde verwerkingsmethoden, en brengt een advies over de voorgelegde methode uit.

6. Wanneer de Autoriteit de aanvrager in naar behoren gemotiveerde gevallen om aanvullende informatie vraagt, kan de in lid 5 bedoelde termijn worden opgeschort.

De Autoriteit stelt in overleg met de aanvrager een termijn vast waarbinnen deze informatie kan worden verstrekt en stelt de Commissie in kennis van de nodige extra termijn.

7. Wanneer de aanvrager op eigen initiatief aanvullende informatie verstrekt, zendt hij deze aan de Autoriteit en de Commissie.

In dat geval wordt de in lid 5 bedoelde termijn niet verlengd met een extra termijn.

8. De Autoriteit zendt haar advies aan de Commissie, de aanvrager en de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat.

9. De Commissie stelt de aanvrager binnen drie maanden na ontvangst van het advies van de Autoriteit en rekening houdend met dat advies in kennis van de voorgestelde maatregel, overeenkomstig lid 11.

10. Een standaardformaat voor aanvragen voor alternatieve methoden kan volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld.

11. De Commissie kan de volgende maatregelen vaststellen:

a) maatregelen tot toelating van een alternatieve methode voor het gebruik of de verwijdering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten;

b) maatregelen tot weigering van de toelating van een dergelijke alternatieve methode.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

HOOFDSTUK IV:OFFICIËLE CONTROLES

Artikel 30Officiële controles

1. De bevoegde autoriteit voert regelmatig officiële controles en toezicht uit in erkende of geregistreerde bedrijven en inrichtingen en bij exploitanten die overeenkomstig artikel 40, lid 3, informatie hebben verstrekt.

2. Bij de officiële controles houdt de bevoegde autoriteit rekening met de naleving van communautaire en nationale gidsen voor goede praktijken.

Artikel 31Opschorting, intrekking en verbod van activiteiten

1. Indien bij de officiële controles en het toezicht van de bevoegde autoriteit blijkt dat niet wordt voldaan aan een of meer van de bepalingen van deze verordening, neemt de bevoegde autoriteit passende maatregelen.

Met name:

a) schort de bevoegde autoriteit de erkenning van overeenkomstig deze verordening erkende bedrijven en inrichtingen op indien:

i) niet langer aan de voorwaarden voor de erkenning of de exploitatie van het bedrijf of de inrichting wordt voldaan;

ii) kan worden verwacht dat de exploitant de tekortkomingen binnen een redelijke termijn kan verhelpen;

iii) de potentiële risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid geen maatregelen overeenkomstig punt b) vereisen;

b) trekt de bevoegde autoriteit de erkenning van overeenkomstig deze verordening erkende bedrijven en inrichtingen in indien:

i) niet langer aan de voorwaarden voor de erkenning of de exploitatie van het bedrijf of de inrichting wordt voldaan;

ii) niet kan worden verwacht dat de exploitant de tekortkomingen binnen een redelijke termijn kan verhelpen:

- om redenen in verband met de infrastructuur van het bedrijf;

- om redenen in verband met de persoonlijke capaciteiten van de exploitant of van het personeel dat onder zijn toezicht staat;

- wegens ernstige risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid die zware aanpassingen van de exploitatie van het bedrijf of de inrichting vereisen alvorens de exploitant een nieuwe erkenning kan aanvragen.

2. De bevoegde autoriteit verbiedt een geregistreerd(e) bedrijf, inrichting of gebruiker of een exploitant die overeenkomstig artikel 40, lid 3, informatie heeft verstrekt, zo nodig tijdelijk of definitief activiteiten uit te voeren waarop deze verordening van toepassing is, wanneer zij informatie ontvangt waaruit blijkt dat:

a) niet aan de vereisten van de communautaire wetgeving wordt voldaan; of

b) deze activiteiten potentiële risico's voor de volksgezondheid of de diergezondheid inhouden.

Artikel 32Lijst van erkende of geregistreerde bedrijven, inrichtingen en gebruikers

1. Elke lidstaat stelt een lijst op van de bedrijven, inrichtingen en gebruikers op zijn grondgebied die overeenkomstig deze verordening erkend of geregistreerd zijn en van de exploitanten op zijn grondgebied die overeenkomstig artikel 40, lid 3, informatie hebben verstrekt.

De lidstaat wijst elk(e) erkend(e) of geregistreerd(e) bedrijf, inrichting en gebruiker en elke exploitant die overeenkomstig artikel 40, lid 3, informatie heeft verstrekt een officieel nummer toe dat het bedrijf, de inrichting, de gebruiker of de exploitant identificeert wat de aard van de activiteiten betreft.

In voorkomend geval geven de lidstaten een officieel nummer op dat overeenkomstig andere communautaire wetgeving aan het bedrijf, de inrichting, de gebruiker of de exploitant is toegewezen.

De lidstaten stellen de lijsten van erkende of geregistreerde bedrijven en inrichtingen ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten.

De lidstaten houden de lijsten van erkende of geregistreerde bedrijven en de lijsten van exploitanten over wie informatie is verstrekt, up-to-date en stellen deze ter beschikking van de andere lidstaten en het publiek.

2. Maatregelen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure, met name wat betreft:

a) het formaat van de in lid 1 bedoelde lijsten;

b) de procedure voor het ter beschikking stellen van de in lid 1 bedoelde lijsten.

Artikel 33Controles bij de verzending van dierlijke bijproducten naar andere lidstaten

1. Wanneer een exploitant van plan is categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal of vleesbeendermeel of dierlijke vetten afgeleid van categorie 1-materiaal naar een andere lidstaat te verzenden, besluit de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in reactie op de aanvraag van de exploitant:

a) de ontvangst van de zending te weigeren;

b) de zending onvoorwaardelijk te aanvaarden; of

c) aan de ontvangst van de zending de volgende voorwaarden te verbinden:

i) indien het materiaal of de afgeleide producten niet onder druk zijn gesteriliseerd, moeten zij een dergelijke behandeling ondergaan; of

ii) het materiaal of de afgeleide producten moeten voldoen aan alle voorwaarden voor de verzending van de zending die gerechtvaardigd zijn ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid, opdat het materiaal en de afgeleide producten overeenkomstig deze verordening worden gehanteerd.

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong vooraf in kennis van de geplande verzending van een zending.

2. De bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming via het Traces-systeem als bedoeld in Beschikking 2004/292/EG in kennis van elke naar een andere lidstaat verzonden zending van:

a) materiaal of afgeleide producten als bedoeld in lid 1;

b) vleesbeendermeel en dierlijke vetten afgeleid van categorie 2-materiaal;

c) verwerkte dierlijke eiwitten afgeleid van categorie 3-materiaal.

Wanneer de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming van de verzending in kennis wordt gesteld, stelt zij de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong via het Traces-systeem in kennis van de aankomst van elke zending.

3. Dierlijke bijproducten, vleesbeendermeel en dierlijke vetten als bedoeld in lid 1 van dit artikel worden rechtstreeks vervoerd naar het bedrijf van bestemming, dat overeenkomstig de artikelen 6, 7 en 8 erkend of geregistreerd moet zijn, of, indien het om mest gaat, naar het landbouwbedrijf waar de mest overeenkomstig een door de bevoegde autoriteit verleende vergunning zal worden uitgereden.

4. Indien dierlijke bijproducten of afgeleide producten via het grondgebied van een derde land naar andere lidstaten worden verzonden, moeten de vervoermiddelen in de lidstaat van oorsprong verzegeld zijn en moeten de producten vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat.

Zendingen mogen alleen via een grensinspectiepost en overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 89/662/EEG opnieuw in de Gemeenschap worden binnengebracht.

5. In afwijking van de leden 1 tot en met 4 mogen dierlijke bijproducten en afgeleide producten als bedoeld in die leden die zijn gemengd of verontreinigd met afvalstoffen die in Beschikking 2000/532/EG als gevaarlijke afvalstoffen zijn vermeld, slechts overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1013/2006 naar andere lidstaten worden verzonden.

6. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van dit artikel vaststellen wat betreft:

a) aanvullende voorwaarden voor de verzending van dierlijke bijproducten of afgeleide producten als bedoeld in lid 3;

b) modellen voor de gezondheidscertificaten waarvan zendingen overeenkomstig lid 4 vergezeld moeten gaan.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

7. De Commissie kan afwijkingen van de leden 1 tot en met 4 toestaan wat betreft de verzending van mest die wordt vervoerd tussen twee plaatsen op hetzelfde landbouwbedrijf of tussen landbouwbedrijven in grensgebieden van lidstaten met een gemeenschappelijke grens.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 34Communautaire controles in de lidstaten

1. Deskundigen van de Commissie kunnen, voor zover dat voor een uniforme toepassing van deze verordening noodzakelijk is, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten controles ter plaatse uitvoeren.

De lidstaat op het grondgebied waarvan een controle wordt verricht, verleent de deskundigen alle nodige bijstand bij het uitvoeren van hun taken.

De Commissie stelt de bevoegde autoriteit in kennis van het resultaat van de verrichte controles.

2. Maatregelen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure, met name wat de procedure voor de samenwerking met de nationale autoriteiten betreft.

HOOFDSTUK V:INVOER, DOORVOER EN UITVOER

Artikel 35Invoer en doorvoer van dierlijke bijproducten

1. Dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden in de Gemeenschap ingevoerd of via de Gemeenschap doorgevoerd overeenkomstig:

a) de toepasselijke voorschriften van deze verordening voor het desbetreffende dierlijke bijproduct of afgeleide product, die ten minste even streng zijn als de voorschriften die van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van deze dierlijke bijproducten of afgeleide producten in de Gemeenschap;

b) voorwaarden die de Commissie erkent als gelijkwaardig met de voorschriften die overeenkomstig de communautaire wetgeving van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van deze dierlijke bijproducten of afgeleide producten; of

c) indien het gaat om afgeleide producten als bedoeld in hoofdstuk VI of materiaal voor de vervaardiging daarvan, de in dat hoofdstuk vastgestelde bijzondere regeling.

De onder b) bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2. In afwijking van lid 1 vinden de invoer en doorvoor van:

a) gespecificeerd risicomateriaal slechts plaats overeenkomstig Verordening (EG) nr. 999/2001;

b) dierlijke bijproducten en afgeleide producten die zijn gemengd of verontreinigd met afvalstoffen die in Beschikking 2000/532/EG als gevaarlijke afvalstoffen zijn vermeld, slechts plaats overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1013/2006;

c) categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal en daarvan afgeleide producten, die niet bestemd zijn voor de vervaardiging van afgeleide producten als bedoeld in hoofdstuk VI, slechts plaats mits er voorschriften voor de invoer daarvan zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 36, onder a);

d) dierlijke bijproducten en afgeleide producten bestemd voor de in artikel 26, lid 1, genoemde doeleinden, in afwachting van de vaststelling van de in artikel 26, lid 4, bedoelde geharmoniseerde voorwaarden, plaats overeenkomstig nationale maatregelen ter beheersing van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid.

3. In het geval van invoer en doorvoer van categorie 3-materiaal en daarvan afgeleide producten worden de in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde toepasselijke voorschriften vastgesteld door de Commissie.

Deze voorschriften kunnen inhouden dat de zendingen:

a) afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land dat in een lijst overeenkomstig lid 4 is opgenomen;

b) afkomstig zijn van bedrijven of inrichtingen die door de bevoegde autoriteit van het derde land zijn erkend of geregistreerd en daartoe door die autoriteit in een lijst zijn opgenomen;

c) tijdens het vervoer tot aan het punt van binnenkomst in de Gemeenschap waar de veterinaire controles plaatsvinden, vergezeld gaan van documenten, zoals een handelsdocument, een verklaring of een gezondheidscertificaat, volgens een overeenkomstig artikel 36, onder d), vastgesteld model.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

In afwachting van de vaststelling van de in de tweede alinea, onder a) en c), bedoelde voorschriften door de Commissie, vermelden de lidstaten deze voorschriften in nationale maatregelen.

4. De lijsten van derde landen of delen van derde landen waaruit dierlijke bijproducten of afgeleide producten in de Gemeenschap mogen worden ingevoerd of via de Gemeenschap mogen worden doorgevoerd, worden opgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure, waarbij met name rekening wordt gehouden met:

a) de wetgeving van het derde land;

b) de organisatie van de bevoegde autoriteit en haar inspectiediensten in het derde land, de bevoegdheden van deze diensten, het toezicht op deze diensten en hun mogelijkheden om de toepassing van hun wetgeving doeltreffend te controleren;

c) de gezondheidsvoorschriften voor het produceren, vervaardigen, hanteren, opslaan en verzenden van producten van dierlijke oorsprong die voor de Gemeenschap bestemd zijn;

d) de waarborgen die het derde land kan geven met betrekking tot de naleving van de desbetreffende gezondheidsvoorschriften;

e) de ervaring met het in de handel brengen van het product uit het derde land en de resultaten van invoercontroles;

f) de uitkomst van eventuele communautaire inspecties in het derde land;

g) de gezondheidsstatus van het vee, andere gedomesticeerde dieren en wilde dieren in het derde land, met name op het punt van exotische dierziekten en aspecten van de algemene gezondheidssituatie in het land die een risico kunnen inhouden voor de volksgezondheid en de diergezondheid in de Gemeenschap;

h) de regelmaat en snelheid waarmee het derde land informatie verstrekt over infectieuze of besmettelijke dierziekten op zijn grondgebied, met name ziekten die zijn vermeld in de Terrestrial Animal Health Code en de Aquatic Animal Health Code van de Werelddiergezondheidsorganisatie;

i) de regelgeving in het derde land inzake de voorkoming en de bestrijding van infectieuze of besmettelijke dierziekten, alsmede de uitvoering ervan, met inbegrip van de voorschriften voor invoer uit andere derde landen.

De in lid 3 bedoelde lijst van bedrijven en inrichtingen moet up-to-date worden gehouden, aan de Commissie en de lidstaten worden toegezonden en ter beschikking van het publiek worden gesteld.

Artikel 36Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van artikel 35 vaststellen wat betreft:

a) voorwaarden voor de invoer en doorvoer van categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal en daarvan afgeleide producten;

b) beperkingen met het oog op de volksgezondheid of de diergezondheid die gelden voor ingevoerd categorie 3-materiaal of ingevoerde daarvan afgeleide producten, en die:

i) kunnen worden vastgesteld onder verwijzing naar communautaire lijsten van derde landen of delen van derde landen die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 35, lid 4, of voor andere doeleinden in verband met de volksgezondheid of de diergezondheid;

ii) de invoer of doorvoer van in bepaalde bedrijven vervaardigde dierlijke bijproducten of afgeleide producten kunnen verbieden ter bescherming van de volksgezondheid of de diergezondheid;

c) voorwaarden voor de vervaardiging van dierlijke bijproducten of afgeleide producten in bedrijven of inrichtingen in derde landen; daarbij kunnen gedetailleerde voorschriften voor controles van de betrokken bevoegde autoriteit in deze bedrijven en inrichtingen worden vastgesteld, en kunnen bepaalde bedrijven en inrichtingen die dierlijke bijproducten of afgeleide producten hanteren, worden vrijgesteld van erkenning of registratie als bedoeld in artikel 35, lid 3, onder b);

d) modellen voor de gezondheidscertificaten waarvan de zendingen vergezeld moeten gaan en waarin moet worden vermeld dat de dierlijke bijproducten of afgeleide producten in kwestie overeenkomstig de voorschriften van deze verordening zijn verzameld of vervaardigd.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 37Uitvoer

1. De uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd zijn om te worden verbrand of gestort, is verboden.

2. De uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie naar derde landen die geen lid zijn van de OESO, is verboden.

3. Categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal en daarvan afgeleide producten mogen slechts voor andere doeleinden dan de in de leden 1 en 2 genoemde doeleinden worden uitgevoerd mits de Commissie voorschriften voor de uitvoer daarvan heeft vastgesteld.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4. Artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002 betreffende uit de Gemeenschap uitgevoerde levensmiddelen en diervoeders is van overeenkomstige toepassing op de uitvoer van categorie 3-materiaal of daarvan afgeleide producten overeenkomstig deze verordening.

5. In afwijking van de leden 3 en 4 vindt de uitvoer van:

a) gespecificeerd risicomateriaal slechts plaats overeenkomstig Verordening (EG) nr. 999/2001;

b) dierlijke bijproducten en afgeleide producten die zijn gemengd of verontreinigd met afvalstoffen die in Beschikking 2000/532/EG als gevaarlijke afvalstoffen zijn vermeld, slechts plaats overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1013/2006.

Artikel 38Toepassing van Verordening (EG) nr. 882/2004 op bepaalde controles

1. Artikel 46 van Verordening (EG) nr. 882/2004 is van overeenkomstige toepassing op communautaire controles in derde landen die worden uitgevoerd om op de naleving van deze verordening toe te zien.

2. Artikel 50, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 882/2004 is van overeenkomstige toepassing op de invoering in fasen van de voorschriften van artikel 35, lid 3, van deze verordening.

3. Artikel 52 van Verordening (EG) nr. 882/2004 is van overeenkomstige toepassing op controles door derde landen in lidstaten met betrekking tot activiteiten waarop deze verordening van toepassing is.

HOOFDSTUK VIBIJZONDERE REGELING

afdeling 1: afgeleide producten die door andere communautaire wetgeving worden geregeld

ARTIKEL 39 IN DE HANDEL BRENGEN VAN AFGELEIDE PRODUCTEN DIE DOOR ANDERE COMMUNAUTAIRE WETGEVING WORDEN GEREGELD

1. De hoofdstukken II, III en IV zijn niet van toepassing op het in de handel brengen van afgeleide producten als bedoeld in artikel 2, lid 3.

In het geval van afgeleide producten

a) als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder a) tot en met d), zijn deze hoofdstukken echter wel van toepassing indien de in artikel 2, lid 3, bedoelde communautaire wetgeving niet voorziet in voorwaarden ter beheersing van potentiële risico's voor de diergezondheid overeenkomstig de doelstellingen van deze verordening;

b) als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder e) en f), zijn deze hoofdstukken echter wel van toepassing indien de in artikel 2, lid 3, bedoelde communautaire wetgeving niet voorziet in voorwaarden ter beheersing van potentiële risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid overeenkomstig de doelstellingen van deze verordening.

2. De artikelen 53 en 54 van Verordening (EEG) nr. 178/2002 betreffende noodmaatregelen zijn van overeenkomstige toepassing op:

a) afgeleide producten als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder a) tot en met d), van deze verordening indien er risico's voor de diergezondheid zijn;

b) afgeleide producten als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder e) en f), van deze verordening indien er risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid zijn.

Artikel 40Vervaardiging van afgeleide producten die door andere communautaire wetgeving worden geregeld

1. De invoer, verzameling en kanalisatie van dierlijke bijproducten en afgeleide producten bestemd voor inrichtingen die afgeleide producten als bedoeld in artikel 2, lid 3, vervaardigen, alsook de vervaardiging van deze afgeleide producten, vinden plaats overeenkomstig de in dat lid bedoelde communautaire wetgeving.

Ongebruikt materiaal afkomstig uit dergelijke inrichtingen wordt overeenkomstig die wetgeving verwijderd.

2. Indien de in artikel 2, lid 3, bedoelde communautaire wetgeving niet voorziet in voorwaarden ter beheersing van potentiële risico's voor de volksgezondheid en diergezondheid overeenkomstig de doelstellingen van deze verordening, is echter deze verordening van toepassing.

3. De in artikel 7, lid 1, onder e), bedoelde exploitanten verstrekken de volgende informatie aan de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de officiële controles overeenkomstig deze verordening:

a) de gebruikte categorie dierlijke bijproducten en afgeleide producten;

b) de in de inrichting verrichte activiteiten waarbij dierlijke bijproducten en afgeleide producten als grondstof worden gebruikt.

4. Maatregelen ter uitvoering van dit artikel wat betreft de toezending van de in lid 3 van dit artikel bedoelde informatie kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure.

afdeling 2: in de handel brengen van andere afgeleide producten

ARTIKEL 41 IN DE HANDEL BRENGEN VAN ANDERE AFGELEIDE PRODUCTEN BUITEN DE VOEDERKETEN

1. Exploitanten mogen andere afgeleide producten dan de in artikel 2, lid 3, bedoelde afgeleide producten in de handel brengen mits:

a) deze producten:

i) niet bestemd zijn om als voedermiddel voor landbouwhuisdieren te worden gebruikt of om te worden uitgereden op weiland dat voor de vervoedering van landbouwhuisdieren dient; of

ii) bestemd zijn voor vervoedering aan pelsdieren; en

b) zij de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid beheersen door:

i) veilige bevoorrading overeenkomstig artikel 42;

ii) veilige behandeling overeenkomstig artikel 43, indien veilige bevoorrading niet voor voldoende controle kan zorgen; of

iii) te verifiëren dat de producten alleen voor een veilig eindgebruik overeenkomstig artikel 44 worden gebruikt, indien veilige behandeling niet voor voldoende controle kan zorgen.

2. Exploitanten mogen de in lid 1 bedoelde afgeleide producten ook zonder beperkingen in de handel brengen, mits de Commissie overeenkomstig artikel 46, lid 2, onder a), een eindpunt in de productieketen heeft vastgesteld waarna deze producten geen significant risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid meer inhouden.

Artikel 42Veilige bevoorrading

1. Veilige bevoorrading houdt in dat het gebruikte materiaal:

a) geen onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhoudt;

b) van het verzamelpunt tot het productiebedrijf, is verzameld en gekanaliseerd onder voorwaarden die risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid uitsluiten; of

c) van het punt van eerste binnenkomst tot het productiebedrijf, in de Gemeenschap is ingevoerd en gekanaliseerd onder voorwaarden die risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid uitsluiten.

2. Met het oog op veilige bevoorrading voorzien de exploitanten in documenten betreffende de vereisten van lid 1, waaronder, zo nodig, bewijs van de veiligheid van de bioveiligheidsmaatregelen die zijn genomen om uit te sluiten dat de grondstoffen risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid met zich brengen.

Deze documenten worden de bevoegde autoriteit op verzoek ter beschikking gesteld.

Voorts vervoert de exploitant zendingen van materiaal van het verzamelpunt tot het productiebedrijf of, indien het verzamelpunt zich in een derde land bevindt, tot het punt van eerste binnenkomst in de Gemeenschap.

De zendingen gaan vergezeld van een gezondheidscertificaat volgens een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a), vastgesteld model.

Artikel 43Veilige behandeling

Veilige behandeling houdt in dat het gebruikte materiaal een productieproces ondergaat dat de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid die dit materiaal en andere materialen die bij het productieproces ontstaan, inhouden, tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

Er wordt voor gezorgd dat het afgeleide product geen onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhoudt, met name door het eindproduct te testen.

Artikel 44Veilig eindgebruik

Veilig eindgebruik houdt in dat de afgeleide producten:

a) worden gebruikt onder omstandigheden die geen onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhouden; of

b) die een risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhouden, worden gebruikt voor specifieke doeleinden, mits dit gebruik gerechtvaardigd wordt door in de communautaire wetgeving genoemde doelstellingen, met name ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid.

Artikel 45Registratie van exploitanten

Exploitanten worden door de bevoegde autoriteit geregistreerd indien zij:

a) materiaal hanteren overeenkomstig artikel 41, lid 1, en artikel 42;

b) materiaal behandelen overeenkomstig artikel 41, lid 1, en artikel 43; of

c) afgeleide producten in de handel brengen overeenkomstig artikel 41, lid 1, en artikel 44, onder b).

De registratie vindt plaats wanneer de bevoegde autoriteit de in artikel 7, lid 2, bedoelde informatie ontvangt.

Exploitanten die andere dierlijke bijproducten dan categorie 3-materiaal, of daarvan afgeleide producten voor de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren hanteren, worden echter overeenkomstig de artikelen 6, 7 en 8 erkend.

Artikel 46Uitvoeringsmaatregelen

1. Maatregelen ter uitvoering van de artikelen 42 en 45 kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 3, bedoelde procedure, met name wat betreft:

a) modellen voor de gezondheidscertificaten waarvan zendingen overeenkomstig artikel 42, lid 2, vierde alinea, vergezeld moeten gaan;

b) een geharmoniseerde vorm voor de toezending van informatie met het oog op registratie als bedoeld in artikel 45.

2. De Commissie kan maatregelen ter uitvoering van deze afdeling vaststellen wat betreft:

a) voorwaarden die een eindpunt in de productieketen vaststellen waarna er geen volksgezondheids- of diergezondheidsvoorschriften meer van toepassing zijn op het in de handel brengen;

b) voorwaarden voor veilige bevoorrading en veilige kanalisatie van materiaal dat bestemd is om te worden gebruikt onder voorwaarden die risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid uitsluiten;

c) de in artikel 42, lid 2, tweede alinea, bedoelde documentatie;

d) parameters voor het in artikel 43, eerste alinea, bedoelde productieproces, met name wat de fysische of chemische behandeling van het gebruikte materiaal betreft;

e) voorschriften voor het testen van het eindproduct;

f) voorwaarden voor het veilige gebruik van afgeleide producten die een risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid inhouden.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 48, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

HOOFDSTUK VIIALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 47Nationale wetgeving

De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van alle bepalingen van nationaal recht die zij vaststellen op gebieden die onder hun bevoegdheid vallen en die rechtstreeks betrekking hebben op de correcte tenuitvoerlegging van deze verordening.

Artikel 48Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna "het comité" genoemd).

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

5. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 bis, leden 1 tot en met 4 en lid 5, onder b), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), en lid 4, onder b) en e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden vastgesteld op respectievelijk twee maanden, een maand en twee maanden.

Artikel 49Sancties

De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op […] in kennis van deze regels en stellen haar onverwijld in kennis van latere wijzigingen die daarop van invloed zijn.

Artikel 50Intrekking

Verordening (EG) nr. 1774/2002 wordt ingetrokken met ingang van [de datum waarop deze verordening van toepassing wordt].

Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 1774/2002 gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage.

Artikel 51Overgangsmaatregel

Bedrijven, inrichtingen en gebruikers die vóór [de datum waarop deze verordening van toepassing wordt] zijn erkend of geregistreerd, worden, voor zover van toepassing, geacht overeenkomstig deze verordening te zijn erkend of geregistreerd.

Artikel 52Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is van toepassing vanaf [de eerste dag van de maand, vijftien maanden na de inwerkingtreding].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 1774/2002 | Deze verordening |

Art. 1 | Art. 1, 2 |

Art. 2 | Art. 3 |

Art. 3, lid 1 | ./. |

Art. 3, lid 2 | Art. 35, lid 3, vierde alinea |

Art. 3, lid 3 | Art. 4 |

Art. 4, lid 1 | Art. 11 |

Art. 4, lid 2 | Art. 19, 22, 23 |

Art. 4, lid 3 | Art. 6, lid 1, onder a) |

Art. 4, lid 4 | Art. 35, lid 2, onder c), art. 37, lid 3), art. 37, lid 5, onder a) |

Art. 5, lid 1 | Art. 12 |

Art. 5, lid 2 | Art. 20, 22, 23 |

Art. 5, lid 3 | Art. 6, lid 1, onder a) |

Art. 5, lid 4 | Art. 35, lid 2, onder c), art. 37, lid 3 |

Art. 6, lid 1 | Art. 13 |

Art. 6, lid 2 | Art. 21, 22, 23 |

Art. 6, lid 3 | Art. 6, lid 1, onder a) |

Art. 7 | Art. 15 |

Art. 8 | Art. 33 |

Art. 9 | Art. 16 |

Art. 10, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 18 | Art. 6, 7, 8, 9 |

Art. 16 | Art. 5 |

Art. 19 | Art. 24 |

Art. 20, lid 1 | Art. 41 |

Art. 20, lid 2 | Art. 25 |

Art. 20, lid 3 | Art. 41 |

Art. 21 | ./. |

Art. 22 | Art. 18 |

Art. 23 | Art. 26, 27 |

Art. 24 | Art. 28 |

Art. 25 | Art. 17 |

Art. 26 | Art. 30, 31, 32 |

Art. 27 | Art. 34 |

Art. 28 | Art. 35, lid 1, onder a) en c) |

Art. 29 | Art. 35, 36 |

Art. 30 | Art. 35, lid 1, onder b) |

Art. 31 | Art. 38, lid 1 |

Art. 32 | ./. |

Art. 33 | Art. 48 |

Art. 34 | ./. |

Art. 35 | Art. 47, art. 23, lid 2 |

Art. 36 | ./. |

Art. 37 | Art. 50 |

Art. 38 | Art. 52 |

[1] PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.

[2] COM(2005) 521 definitief.

[3] Zie COM(2006) 689 def.

[4] PB C […] van […], blz. […].

[5] PB C […] van […], blz. […].

[6] PB C […] van […], blz. […].

[7] PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1432/2007 van de Commissie (PB L 320 van 6.12.2007, blz. 13).

[8] COM(2005) 521 definitief.

[9] PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 245/2007 van de Commissie (PB L 73 van 13.3.2007, blz. 9).

[10] PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1275/2007 van de Commissie (PB L 284 van 30.10.2007, blz. 8).

[11] PB L 358 van 18.12.1986, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2003/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 230 van 16.9.2003, blz. 32).

[12] PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14.

[13] PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

[14] PB L 62 van 15.3.1993, blz. 69. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/729/EG van de Commissie (PB L 294 van 13.11.2007, blz. 26).

[15] PB L 35 van 8.2.2005, blz. 1.

[16] PB L 224 van 18.8.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1353/2007 van de Commissie (PB L 303 van 21.11.2007, blz. 6).

[17] PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2003/74/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 262 van 14.10.2003, blz. 17).

[18] PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

[19] PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 van de Commissie (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3).

[20] PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1; rectificatie in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 3.

[21] PB L 139 van 30.4.2004, blz. 26; rectificatie in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1243/2007 van de Commissie (PB L 281 van 25.10.2007, blz. 8).

[22] PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91.

[23] PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/77/EG van de Commissie (PB L 271 van 30.9.2006, blz. 53).

[24] PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1319/2007 van de Commissie (PB L 293 van 10.11.2007, blz. 3).

[25] PB L 343 van 27.12.2007, blz. 1.

[26] PB L 94 van 31.3.2004, blz. 63. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2005/515/EG (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 29).

[27] PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 33); rectificatie in PB L 195 van 2.6.2004, blz. 12).

[28] PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1.

[29] PB L 39 van 16.2.1993, blz. 1. rectificatie in PB L 74 van 17.3.1994, blz. 52.

[30] PB L 272 van 4.10.1997, blz. 45.

[31] PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2001/573/EG van de Raad (PB L 203 van 28.7.2001, blz. 18.).

[32] PB L 165 van 30.4.2004; rectificatie in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

[33] PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/67/EG van de Commissie (PB L 305 van 23.11.2007, blz. 22).

[34] PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1394/2007 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121).

[35] PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/28/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 58).

[36] PB L 189 van 20.7.1990, blz. 17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/47/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 247 van 21.9.2007, blz. 21).

[37] PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/47/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 247 van 21.9.2007, blz. 21).

[38] PB L 331 van 7.12.1998, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

[39] PB L 105 van 26.4.2003, blz. 18.

[40] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

[41] Verordening (EG) nr. 811/2003 betreffende het verbod op hergebruik binnen dezelfde soort (PB L 117 van 13.5.2003, blz. 14), Beschikking 2003/322/EG betreffende het voederen van bepaalde aasetende vogels (PB L 117 van 13.5.2003, blz. 32; beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2005/830/EG, PB L 311 van 26.11.2005, blz. 40), Beschikking 2003/324/EG betreffende het verbod op hergebruik binnen dezelfde soort voor pelsdieren (PB L 117 van 13.5.2003, blz. 37; beschikking gewijzigd bij Beschikking 2004/434/EG, PB L 189 van 27.5.2004, blz. 43), Verordening ([42]9[\klmEG) nr. 92/2005 betreffende alternatieve methoden voor verwijdering en gebruik (PB L 19 van 21.1.2005, blz. 27; verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1576/2007, PB L 340 van 22.12.2007, blz. 89), Verordening (EG) nr. 181/2006 betreffende biologische meststoffen en bodemverbeteraars (PB L 29 van 2.2.2006, blz. 31), Verordening (EG) nr. 1192/2006 betreffende de lijsten van erkende bedrijven (PB L 215 van 5.8.2006, blz. 10) en Verordening (EG) nr. 2007/2006 betreffende tussenproducten die afgeleid zijn van categorie 3-materiaal (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 98).

[43] PB L 275 van 25.8.2004, blz. 17.

Top