Help Print this page 
Title and reference
Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenadditieven {SEC(2006) 1040} {SEC(2006) 1041}

/* COM/2006/0428 def. - COD 2006/0145 */
Multilingual display
Text

52006PC0428

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenadditieven {SEC(2006) 1040} {SEC(2006) 1041} /* COM/2006/0428 def. - COD 2006/0145 */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 28.7.2006

COM(2006) 428 definitief

2006/0145 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake levensmiddelenadditieven

(door de Commissie ingediend) {SEC(2006) 1040} {SEC(2006) 1041}

TOELICHTING

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

( Motivering en doel van het voorstel

In het Witboek over voedselveiligheid (COM(1999) 719 def.) kondigde de Commissie aan dat zij de bestaande communautaire wetgeving inzake levensmiddelenadditieven wilde actualiseren en vereenvoudigen (actie 11 van het witboek). Doel van dit voorstel is:

- de wetgeving inzake levensmiddelenadditieven te vereenvoudigen door de beginselen, procedures en goedkeuringen in één instrument samen te brengen;

- de Commissie de nodige uitvoeringsbevoegdheden te verlenen om de communautaire lijst van toegelaten levensmiddelenadditieven bij te werken;

- de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) te raadplegen bij de veiligheidsbeoordeling van levensmiddelenadditieven;

- een programma voor de herbeoordeling van bestaande levensmiddelenadditieven op te zetten;

- te vereisen dat additieven die geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan of daarmee zijn geproduceerd, worden toegelaten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

( Algemene context

De toelating en het gebruik van levensmiddelenadditieven in levensmiddelen is in de Europese Unie geharmoniseerd sinds 1995, toen de laatste van de bijzondere richtlijnen inzake levensmiddelenadditieven (95/2/EG) is vastgesteld. De huidige wetgeving bestaat uit vier medebeslissingsrichtlijnen (een kaderrichtlijn en drie bijzondere richtlijnen) en drie richtlijnen van de Commissie (specificaties).

De wetgeving inzake levensmiddelenadditieven is het enige technische gebied waarop stoffen volgens de medebeslissingsprocedure moeten worden goedgekeurd. Dit maakt het beheer van de goedkeuringen omslachtig en traag.

Tegelijk worden twee hiermee samenhangende voorstellen ingediend:

1. voorstel voor Verordening (EG) nr. […] tot vaststelling van een uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s;

2. voorstel voor een verordening inzake voedingsenzymen.

( Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Richtlijn 89/107/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt.

Deze richtlijn is aangevuld met de volgende richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad: Richtlijn 94/35/EG inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt, Richtlijn 94/36/EG inzake kleurstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt en Richtlijn 95/2/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 februari 1995 betreffende levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen. Deze drie richtlijnen stellen de lijst van toegelaten levensmiddelenadditieven en de gebruiksvoorwaarden vast, met uitsluiting van alle andere additieven.

Daarnaast hebben het Europees Parlement en de Raad Beschikking 292/97/EG vastgesteld betreffende de handhaving van nationale wetgeving die het gebruik van bepaalde additieven bij de vervaardiging van bepaalde specifieke levensmiddelen verbiedt.

In dit voorstel worden alle bovengenoemde bepalingen samengevoegd.

( Samenhang met andere beleidsgebieden en doelen van de EU

Niet van toepassing.

2. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

( Raadpleging van belanghebbende partijen

Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

Via overleg binnen diverse werkgroepen en door middel van gedachtewisselingen met belanghebbende partijen is sinds 2000 het advies van de lidstaten en de belanghebbende partijen ingewonnen. De geraadpleegde belanghebbende partijen waren onder andere:

BEUC (de Europese consumentenorganisatie)

CIAA (Confederatie van de landbouw- en voedingsmiddelenindustrieën van de EU)

ISA (International Sweeteners Association)

CEFIC (Europese Raad van de verenigingen van de chemische industrie)

AMFEP (Association of Manufacturers and Formulations of Enzyme products)

ELC (Federation of European Food Additives and Food Enzymes Industries)

FEDIMA (Federation of the Intermediate products Industries for the Bakery and Confectionery trades in the EEA)

CAOBISCO (Association of the Chocolate, Biscuit and Confectionery Industries of the EU)

Voorts werd op 22 februari 2005 een vragenlijst over de gevolgen van het voorstel aan de diverse betrokken partijen gestuurd; hierop waren aan het eind van de raadplegingsprocedure 70 reacties ontvangen.

Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehouden

Na iedere raadpleging werden de teksten in het licht van de reacties aangepast. De volgende punten werden met name aan de orde gesteld en met de op- en aanmerkingen werd als volgt rekening gehouden:

1. Harmonisatie en toepassingsgebied van de wetgeving:

Bij de opstelling van dit voorstel werd overwogen of de definitie van technische hulpstof kon worden herzien om de interpretatieproblemen te verminderen. De levensmiddelenindustrie was echter van mening dat een dergelijke wijziging een grote impact zou hebben. Daarom is besloten deze wijziging vooralsnog niet door te voeren, maar een andere aanpak te overwegen, bijvoorbeeld het opstellen van overeengekomen richtsnoeren voor interpretatie op basis van de huidige definitie.

2. Toelating voor een bepaalde termijn:

Vanuit de sector werd er nadrukkelijk op gewezen dat aan een bepaalde termijn gebonden toelatingen een obstakel voor innovatie konden vormen en onzekerheid op de markt voor levensmiddelenadditieven zouden scheppen. De lidstaten en de consumentenorganisaties waren daarentegen van oordeel dat toelatingen van additieven van tijd tot tijd opnieuw moesten worden beoordeeld om de verordening up-to-date te houden. Daarom is een compromisoplossing voorgesteld waarbij de producenten of gebruikers van additieven de Commissie op verzoek informatie over de feitelijke toepassingen dienen te verstrekken.

3. Overgangsperiodes:

In het kader van de harmonisatie en de ontwikkeling van het toepassingsgebied van de verordening wordt voorgesteld om ook het gebruik van additieven in additieven en enzymen te regelen, zoals reeds het geval is voor additieven die in aroma’s worden gebruikt. Hoewel dit enig effect op de levensmiddelenindustrie zal hebben, staan alle belanghebbende partijen over het algemeen positief tegenover deze aanvulling. Wel stelde de levensmiddelenindustrie voor om een passende overgangsperiode voor deze verandering in te bouwen. Om het effect van deze maatregel te verzachten, is dit voorstel daarom in een overgangsperiode van vijf jaar voorzien.

( Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Er hoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigen.

( Effectbeoordeling

Milieu-effect

De verschillende bestudeerde beleidsopties zullen naar verwachting geen gevolgen voor het milieu hebben, aangezien de sector in kwestie betrokken is bij de secundaire of tertiaire verwerking van levensmiddelenproducten. Levensmiddelenadditieven zijn reeds op grote schaal beschikbaar en worden reeds op grote schaal gebruikt.

Status quo ante

Economisch effect

Voor het wijzigen van toelatingen voor additieven zou nog steeds de omslachtige medebeslissingsprocedure moeten worden gevolgd en de tenuitvoerlegging van de toelatingen zou de lidstaten veel tijd kosten. Voor het bedrijfsleven zou dit een obstakel voor innovatie blijven vormen; technologische ontwikkelingen zouden dus niet worden gestimuleerd.

Maatschappelijk effect

De EFSA zou alle reeds goedgekeurde additieven niet opnieuw hoeven te beoordelen, maar de consument zou geen profijt trekken van extra controles op het gebruik van additieven in levensmiddelenadditieven en enzymen.

Niet-regulering

Economisch effect

Voor het wijzigen van toelatingen voor additieven zou nog steeds de omslachtige medebeslissingsprocedure moeten worden gevolgd en de tenuitvoerlegging van de toelatingen zou de lidstaten veel tijd kosten. Voor het bedrijfsleven zou dit een obstakel voor innovatie blijven vormen; technologische ontwikkelingen zouden dus niet worden gestimuleerd. De lidstaten en de belanghebbende partijen zouden een gedragcode voor het gebruik van additieven in additieven en enzymen moeten opstellen en overeenkomen.

Maatschappelijk effect

De consument zou geen profijt trekken van meer garanties inzake voedselveiligheid.

Wetgevingsoptie

De wetgeving inzake additieven is reeds in de hele Europese Gemeenschap geharmoniseerd. Veel onderdelen van dit wetgevingsvoorstel zullen dan ook slechts een beperkt effect hebben. Deze maatregel zal wel op alle fabrikanten van levensmiddelenadditieven betrekking hebben en een aantal belangrijke gevolgen voor de levensmiddelenindustrie hebben.

Economisch effect

De invoering van de comitéprocedure voor de goedkeuring van additieven zal een positief effect op het bedrijfsleven hebben, aangezien de toelatingsprocedures voor nieuwe additieven zullen worden versneld. Minder oponthoud kan investeringen in de ontwikkeling van nieuwe additieven stimuleren, doordat nieuwe ontwikkelingen sneller zullen kunnen renderen. De uitbreiding van het toepassingsgebied tot additieven in additieven en enzymen zal enig economische effect hebben in zoverre dat voor sommige nieuwe stoffen een toelating nodig zal zijn; het zou echter slechts een klein aantal stoffen betreffen. Ook de actualisering van de technische gegevensbladen en kleine wijzigingen in de etikettering ten gevolge van de verwijdering van enzymen uit het toepassingsgebied zullen enig effect hebben. Het gaat echter om eenmalige kosten en het effect van de aanpassing wordt door de overgangsperiode in de tijd gespreid. Deze veranderingen zullen waarschijnlijk geen effect hebben op de prijs die de consument wordt aangerekend.

Maatschappelijk effect

De consumenten krijgen meer garanties met betrekking tot de samenstelling en de veiligheid van de levensmiddelen die zij kopen. Consumentenorganisaties zijn echter ongerust dat de invoering van de comitéprocedure de algemene transparantie van het proces zou kunnen verminderen, aangezien de toelatingen niet langer uitvoerig door het Europees Parlement onderzocht en besproken zullen worden. Aangezien levensmiddelenadditieven een van de weinige gebieden van de levensmiddelenwetgeving vormen waar technische wijzigingen volgens de medebeslissingsprocedure moeten worden goedgekeurd, is de comitéprocedure echter aangewezen. Wanneer de vertegenwoordigers van de lidstaten technische wijzigingen bespreken volgens de comitéprocedure, zullen zij blijven uitgaan van belangrijke parameters zoals de behoeften van de consument en technologische voordelen. Naast de formele comitéprocedure en de gebruikelijke publicatie van de agenda van de vergaderingen van het Permanent Comité op internet zal ook verder gebruik worden gemaakt van andere vormen van raadpleging, zoals de bespreking van wetswijzigingen in deskundigenwerkgroepen of andere fora waarin ook consumentenorganisaties en andere belanghebbende partijen vertegenwoordigd zijn.

Deregulering van de additievenwetgeving

Economisch effect

Deregulering zou ertoe kunnen leiden dat de lidstaten uiteenlopende risicobeoordelingen maken. Ook zouden de lidstaten uiteenlopende toelatingsprocedures kunnen vaststellen. Dit zou dus extra administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten met zich brengen. Ook voor levensmiddelenproducenten zou dit aanzienlijke administratieve lasten inhouden, aangezien zij in elke lidstaat waar zij een additief willen gebruiken, een afzonderlijke toelating zouden moeten aanvragen. Ook voor de levensmiddelenindustrie en de internationale handel zou dit gevolgen hebben.

Maatschappelijk effect

Hoewel de algemene beginselen van de levensmiddelenwetgeving van kracht zouden blijven, zou een deregulering van de additievenwetgeving nadelig zijn voor de consumentenbescherming inzake levensmiddelenadditieven. Deregulering kan namelijk leiden tot uiteenlopende risicobeoordelingen en eventueel uiteenlopende interpretaties van deze beoordelingen naar gelang van de lidstaat. De daaruit voortvloeiende verschillen in toelatingen voor additieven zouden het ook moeilijk maken om de inname van toegelaten levensmiddelenadditieven in de Europese Unie en in de verschillende lidstaten te schatten en te vergelijken.

De Commissie heeft een effectbeoordeling uitgevoerd zoals opgenomen in het werkprogramma, waarvan het verslag beschikbaar is op [ http://ec.europa.eu/food/food/chemicalsafety/additives/index_en.htm ].

3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

( Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en)

Vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenadditieven, met de beginselen voor het gebruik van levensmiddelenadditieven en een positieve lijst van stoffen die als levensmiddelenadditieven mogen worden gebruikt.

Intrekking van Richtlijn 89/107/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt, Richtlijn 94/35/EG van het Europees Parlement en van de Raad inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt, Richtlijn 94/36/EG van het Europees Parlement en van de Raad inzake kleurstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt, Richtlijn 95/2/EG van het Europees Parlement en van de Raad betreffende levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen en Beschikking 292/97/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van nationale wetgeving die het gebruik van bepaalde additieven bij de vervaardiging van bepaalde specifieke levensmiddelen verbiedt.

( Rechtsgrondslag

Artikel 95

( Subsidiariteitsbeginsel

Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing voorzover het voorstel geen gebieden bestrijkt die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen.

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende reden(en) niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt.

Maatregelen van de lidstaten zouden verwarrend zijn voor de consumenten en verschillende niveaus van bescherming en een verlies aan vertrouwen in bepaalde lidstaten en in de interne markt tot gevolg kunnen hebben.

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende reden(en) beter door een optreden van de Gemeenschap worden verwezenlijkt.

Er moet een positieve lijst van ongeveer 300 levensmiddelenadditieven worden opgesteld. Dit vereist een geharmoniseerde en gecentraliseerde aanpak.

Met het oog op de efficiëntie van de toelatingsprocedure en de effectieve werking van de interne markt lijkt een optreden van de Europese Unie de meest aangewezen weg om de doelstellingen te verwezenlijken.

Een gecentraliseerde toelatingsprocedure is de beste manier om een soepele werking van de interne markt voor op en in levensmiddelen gebruikte levensmiddelenadditieven en tegelijkertijd de bescherming van de gezondheid en de belangen van de consument te verwezenlijken.

Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

( Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel is om de volgende reden(en) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

De voorgestelde maatregel vereenvoudigt de wetgeving door vier medebeslissingsrichtlijnen en een beschikking samen te voegen, en geeft de Commissie de nodige uitvoeringsbevoegdheden om communautaire lijsten van levensmiddelenadditieven op te stellen en te actualiseren. Om de inwerkingtreding van de goedkeuringen te bespoedigen en een verkeerde interpretatie van de bepalingen te voorkomen, is de voorgestelde maatregel een verordening.

Aangezien de verordening rechtstreeks van toepassing is, zijn de administratieve lasten minimaal. Aangezien de huidige bepalingen reeds bestaan en slechts worden vereenvoudigd, zijn ook de financiële lasten minimaal.

( Keuze van instrumenten

Voorgestelde instrumenten: verordening.

Andere instrumenten zouden om de volgende reden(en) ongeschikt zijn.

Levensmiddelenadditieven zijn in de EU volledig geharmoniseerd. Een veilig gebruik van levensmiddelenadditieven hangt af van de veiligheidsbeoordelingen en de gebruiksvoorwaarden voor deze stoffen. aanbevelingen of zelfregulering zouden dan ook geen afdoende bescherming van de gezondheid van de consument garanderen. Om het gebruik van levensmiddelenadditieven in de EU te vergemakkelijken, worden de huidige kaderrichtlijn en bijzondere richtlijnen in dit voorstel in één instrument samengevoegd.

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De Gemeenschap kan de invoering van een geharmoniseerd beleid en systeem op het gebied van levensmiddelenadditieven financieren, met inbegrip van:

- de ontwikkeling van een geschikte databank om alle informatie over de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenadditieven te verzamelen en op te slaan;

- de uitvoering van de nodige onderzoeken ter voorbereiding en verdere ontwikkeling van de wetgeving inzake levensmiddelenadditieven;

- de uitvoering van de nodige onderzoeken ten behoeve van de harmonisatie van de procedures, besluitvormingscriteria en gegevensvereisten, om de taakverdeling tussen de lidstaten te vergemakkelijken en richtsnoeren op deze terreinen vast te stellen.

5. AANVULLENDE INFORMATIE

( Simulatie, testfase en overgangsperiode

Er is of zal worden voorzien in een overgangsperiode voor het voorstel.

( Vereenvoudiging

Het voorstel voorziet in een vereenvoudiging van de wetgeving.

In plaats van de vier bestaande richtlijnen komt er één medebeslissingsverordening. De positieve lijst kan volgens de comitéprocedure worden opgesteld en geactualiseerd. Aangezien het om een verordening gaat, zal de goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven bovendien aanzienlijk sneller verlopen.

Dit voorstel is opgenomen in het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie, onder referentie 2005/SANCO/034.

( Intrekking van bestaande wetgeving

De goedkeuring van het voorstel heeft de intrekking van de bestaande wetgeving tot gevolg.

( Europese Economische Ruimte

De voorgestelde maatregel betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom ook gelden voor de Europese Economische Ruimte.

( Nadere uitleg over het voorstel

Hoofdstuk I – Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Levensmiddelenadditieven die in levensmiddelen, in levensmiddelenadditieven en in enzymen worden gebruikt, moeten aan een veiligheidsbeoordeling worden onderworpen en via positieve communautaire lijsten worden goedgekeurd.

Hoofdstuk II – Communautaire lijst van goedgekeurde levensmiddelenadditieven

Alle levensmiddelenadditieven en het gebruik ervan worden beoordeeld op grond van de volgende criteria: veiligheid, technologische noodzaak, voordeel voor de consument en geen misleiding van de consument.

In overeenstemming met het besluit om risicomanagement en risicobeoordeling van elkaar te scheiden, worden alle aanvragen voor de goedkeuring van levensmiddelenadditieven voorgelegd aan de EFSA, die de veiligheidsbeoordelingen uitvoert. Op basis van het advies van de EFSA besluit de Commissie of een levensmiddelenadditief in de communautaire lijst wordt opgenomen. Alvorens een levensmiddelenadditief in de positieve communautaire lijst kan worden opgenomen, moeten naast de veiligheid van de stof ook de overige algemene criteria (technologische noodzaak, consumentenaspecten) worden onderzocht. Dit is een taak voor het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

De uiteindelijke opneming in de positieve lijst wordt verricht door de Commissie, die het levensmiddelenadditief en de desbetreffende gebruiksvoorwaarden opneemt in de bijlagen II en III bij de verordening.

Een levensmiddelenadditief dat uit genetisch gemodificeerde organismen bestaat, deze bevat of ermee is vervaardigd, moet, wat de genetische modificatie betreft, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders worden toegelaten alvorens het overeenkomstig onderhavige verordening in de positieve lijst kan worden opgenomen.

Voor elk in de positieve lijst opgenomen levensmiddelenadditief moet een specificatie worden vastgesteld. Deze omvat de zuiverheidscriteria en een omschrijving van de oorsprong van het levensmiddelenadditief.

Hoofdstuk III – Gebruik van levensmiddelenadditieven in levensmiddelen

Er worden algemene voorschriften vastgesteld voor het in de handel brengen van levensmiddelen die levensmiddelenadditieven bevatten.

Hoofdstuk IV – Etikettering

De etikettering van levensmiddelenadditieven die aan producenten of rechtstreeks aan de consument worden verkocht, is geregeld bij Richtlijn 89/107/EG. In dit voorstel worden deze regels geactualiseerd.

Hoofdstuk V – Procedurele bepalingen en uitvoering

Ook nadat levensmiddelenadditieven zijn toegelaten, moeten ze een punt van voortdurende aandacht blijven en telkens opnieuw worden beoordeeld. Daartoe moeten producenten en gebruikers de Commissie in kennis stellen van alle nieuwe informatie die van invloed kan zijn op de veiligheidsevaluatie van het levensmiddelenadditief. Zij moeten ook gegevens over het gebruik van levensmiddelenadditieven verstrekken, zodat de dagelijkse inname kan worden beoordeeld.

De uitvoering van de in de verordening voorgestelde maatregelen zal door de Commissie worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure van Besluit 1999/468/EG van de Raad. Het gaat om de opneming van het levensmiddelenadditief en de vaststelling van de gebruiksvoorwaarden in de positieve lijst, alsook de vaststelling van de specificaties, waaronder de oorsprongs- en zuiverheidscriteria, en de controle van deze criteria. Aangezien deze taken zeer technisch zijn en op grond van gezamenlijk overeengekomen beginselen worden uitgevoerd, is het efficiënter en eenvoudiger om ze aan de Commissie toe te vertrouwen.

Hoofdstuk VI – Overgangs- en slotbepalingen

De levensmiddelenadditieven die momenteel zijn opgenomen in de Richtlijnen 94/35/EG, 94/36/EG en 95/2/EG, worden na controle door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid in bijlage II bij de verordening opgenomen. Het Permanent Comité controleert of de bestaande toelatingen voor levensmiddelenadditieven en de desbetreffende gebruiksvoorwaarden voldoen aan de algemene criteria in de verordening, rekening houdend met de recentste adviezen over de veiligheid van de levensmiddelenadditieven in kwestie. Totdat het Permanent Comité de controle van de bestaande toelatingen heeft afgerond, blijven de bestaande richtlijnen van toepassing.

De Autoriteit verricht een risicobeoordeling van alle levensmiddelenadditieven die op het ogenblik goedgekeurd zijn. In overleg met de Autoriteit moet de Commissie een beoordelingsprogramma opzetten waarin de behoeften en prioriteiten voor de risicobeoordeling worden omschreven. De termijnen voor de beoordeling moeten in het programma worden vastgesteld.

De bepalingen betreffende additieven in levensmiddelenadditieven (met uitzondering van draagstoffen) en voedingsenzymen worden pas na een passende termijn van toepassing om voldoende tijd in te bouwen voor de risicobeoordelingen.

2006/0145 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake levensmiddelenadditieven

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie[1],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[2],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

1. Het vrije verkeer van veilig en gezond voedsel is een wezenlijk aspect van de interne markt, dat een aanzienlijke bijdrage levert tot de gezondheid en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen.

2. Bij de uitvoering van het beleid van de Gemeenschap dient een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens te worden gewaarborgd.

3. Deze verordening vervangt de bestaande richtlijnen en beschikkingen inzake levensmiddelenadditieven die in levensmiddelen mogen worden gebruikt, om de doeltreffende werking van de interne markt en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en van de belangen van de consument te waarborgen door allesomvattende en gestroomlijnde procedures.

4. Deze verordening harmoniseert het gebruik van levensmiddelenadditieven in levensmiddelen in de Gemeenschap. Dit omvat het gebruik van levensmiddelenadditieven in levensmiddelen overeenkomstig Richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen[3] en het gebruik van bepaalde levensmiddelenkleurstoffen voor het aanbrengen van het keurmerk op vlees en voor het versieren of stempelen van eieren. Voorts harmoniseert deze verordening het gebruik van levensmiddelenadditieven in levensmiddelenadditieven en voedingsenzymen om de veiligheid en kwaliteit ervan te waarborgen en de opslag en het gebruik ervan te vergemakkelijken. Voor deze laatste categorie bestond nog geen regelgeving op communautair niveau.

5. Levensmiddelenadditieven zijn stoffen die op zichzelf gewoonlijk niet als levensmiddelen worden geconsumeerd, maar opzettelijk aan levensmiddelen worden toegevoegd voor technologische doeleinden, zoals de conservering van levensmiddelen. Wanneer stoffen worden gebruikt om aroma en/of smaak te geven, dienen zij echter niet als levensmiddelenadditieven te worden beschouwd. Als levensmiddel beschouwde stoffen die voor technologische doeleinden kunnen worden gebruikt, zoals natriumchloride en als kleurstof gebruikte saffraan, en voedingsenzymen dienen evenmin binnen het toepassingsgebied van deze verordening te vallen. Voedingsenzymen vallen onder Verordening (EG) nr. … [inzake voedingsenzymen] [4], waarbij deze verordening dus niet van toepassing is.

6. Stoffen die op zichzelf niet als levensmiddel worden geconsumeerd maar opzettelijk bij de verwerking van levensmiddelen worden gebruikt, die slechts als residu in het eindproduct achterblijven en geen technologisch effect op het eindproduct hebben (technische hulpstoffen), dienen niet onder deze verordening te vallen.

7. Levensmiddelenadditieven mogen slechts worden goedgekeurd en gebruikt indien zij aan de criteria van deze verordening voldoen. Het gebruik van levensmiddelenadditieven moet veilig zijn, moet om technologische redenen noodzakelijk zijn, mag de consument niet misleiden en moet een voordeel hebben voor de consument.

8. Levensmiddelenadditieven moeten te allen tijde aan de goedgekeurde specificaties voldoen. De specificaties omvatten de nodige informatie om het levensmiddelenadditief en de oorsprong ervan adequaat te identificeren, alsook een omschrijving van de aanvaardbare zuiverheidscriteria. De specificaties die eerder zijn vastgesteld bij Richtlijn 95/31/EG van de Commissie van 5 juli 1995 tot vaststelling van specifieke zuiverheidseisen voor zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt[5], Richtlijn 95/45/EG van de Commissie van 26 juli 1995 houdende vaststelling van bijzondere zuiverheidseisen voor kleurstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt[6] en Richtlijn 96/77/EG van de Commissie van 2 december 1996 tot vaststelling van specifieke zuiverheidseisen voor levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen[7] moeten worden gehandhaafd totdat de desbetreffende additieven in de bijlagen bij deze verordening zijn opgenomen. Dan moeten de specificaties voor die additieven in een verordening worden vastgesteld. Die specificaties moeten rechtstreeks betrekking hebben op de additieven die in de communautaire lijsten in de bijlagen bij deze verordening zijn opgenomen. Gezien de complexiteit van die specificaties mogen zij echter niet als dusdanig in die communautaire lijsten worden opgenomen, maar moeten zij duidelijkheidshalve in een of meer afzonderlijke verordeningen worden vastgesteld.

9. Sommige levensmiddelenadditieven mogen specifiek voor bepaalde toegestane oenologische procédés en behandelingen worden gebruikt. Deze levensmiddelenadditieven moeten overeenkomstig deze verordening en de specifieke bepalingen van de desbetreffende communautaire wetgeving worden gebruikt.

10. Met het oog op uniformiteit moeten de risicobeoordeling en de goedkeuring van levensmiddelenadditieven plaatsvinden volgens de procedure van Verordening (EG) nr. […] tot vaststelling van een uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s[8].

11. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden[9] moet de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna “de Autoriteit” genoemd) worden geraadpleegd over aangelegenheden die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid.

12. Een levensmiddelenadditief dat binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders[10] valt, moet overeenkomstig die verordening worden toegelaten alvorens het overeenkomstig deze verordening kan worden goedgekeurd.

13. Een levensmiddelenadditief dat reeds overeenkomstig deze verordening is goedgekeurd en dat wordt bereid volgens productiemethoden of met uitgangsmaterialen die sterk verschillen van die welke in het kader van de risicobeoordeling van de Autoriteit zijn beoordeeld of verschillen van die welke onder de vastgestelde specificaties vallen, moet aan een beoordeling door de Autoriteit worden onderworpen, waarbij de nadruk op de specificaties ligt. Sterk verschillende productiemethoden of uitgangsmaterialen kunnen inhouden dat van een productiemethode waarbij het product uit planten wordt verkregen, is overgestapt op productie door gisting met behulp van een micro-organisme of door genetische modificatie van het oorspronkelijke micro-organisme.

14. Levensmiddelenadditieven moeten een punt van voortdurende aandacht zijn en moeten opnieuw worden beoordeeld telkens wanneer wijzigingen in de gebruiksomstandigheden en nieuwe wetenschappelijke gegevens daartoe aanleiding geven.

15. Lidstaten die een verbod handhaven op het gebruik van bepaalde additieven in bepaalde levensmiddelen die als traditionele producten worden beschouwd en die op hun grondgebied worden vervaardigd, moeten dat verbod kunnen blijven handhaven. Wat betreft producten zoals feta of “salame cacciatore” is deze verordening van toepassing onverminderd strengere voorschriften met betrekking tot het gebruik van bepaalde benamingen overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen[11] en Verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen[12].

16. Voor levensmiddelenadditieven blijven de algemene etiketteringsvoorschriften gelden overeenkomstig Richtlijn 2000/13/EG en, in voorkomend geval, Verordening (EG) nr. 1829/2003 en Verordening (EG) nr. 1830/2003. Voorts moeten in deze verordening specifieke etiketteringsvoorschriften worden vastgesteld voor levensmiddelenadditieven die als zodanig aan de producent of aan de eindverbruiker worden verkocht.

17. De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[13].

18. Om de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenadditieven op evenredige en doeltreffende wijze te ontwikkelen en aan te passen, is het noodzakelijk om gegevens te verzamelen, informatie uit te wisselen en de werkzaamheden tussen de lidstaten te coördineren. Daartoe kan het nuttig zijn onderzoeken uit te voeren naar specifieke kwesties om zo het besluitvormingsproces te vergemakkelijken. De Gemeenschap dient deze onderzoeken in het kader van haar begrotingsprocedure te kunnen financieren. De financiering van dit soort maatregelen valt onder Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn[14]; Verordening (EG) nr. 882/2004 vormt bijgevolg de rechtsgrondslag voor bovengenoemde maatregelen.

19. De lidstaten moeten officiële controles uitvoeren om deze verordening te handhaven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004.

20. Aangezien de doelstelling van de te nemen maatregel, namelijk de vaststelling van een communautaire regeling inzake levensmiddelenadditieven, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de eenheid van de markt en een hoog niveau van consumentenbescherming beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

21. Na de vaststelling van deze verordening moet de Commissie, bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, alle bestaande goedkeuringen controleren op andere criteria dan veiligheid, zoals inname, technologische noodzaak en mogelijke misleiding van de consument. Alle levensmiddelenadditieven die in de Gemeenschap toegelaten moeten blijven, moeten worden overgeheveld naar de communautaire lijsten in de bijlagen II en III bij deze verordening. Bijlage III bij deze verordening moet worden aangevuld met de overige levensmiddelenadditieven die in levensmiddelenadditieven en in enzymen worden gebruikt en met de gebruiksvoorwaarden, overeenkomstig Verordening (EG) nr. […] tot vaststelling van een uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s. Om in een passende overgangsperiode te voorzien, mogen de bepalingen van bijlage III, met uitzondering van de bepalingen betreffende draagstoffen voor levensmiddelenadditieven, niet vóór [1.1.2011] van toepassing zijn.

22. Onverminderd de resultaten van bovengenoemde controle moet de Commissie uiterlijk een jaar na de vaststelling van deze verordening een beoordelingsprogramma opzetten in het kader waarvan de Autoriteit de veiligheid van de reeds door de Gemeenschap goedgekeurde levensmiddelenadditieven opnieuw beoordeelt. In het kader van dat programma moeten worden vastgesteld volgens welke behoeften en prioriteiten de goedgekeurde levensmiddelenadditieven moeten worden onderzocht.

23. Bij deze verordening worden de volgende besluiten ingetrokken en vervangen: Richtlijn 62/2645/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke voorschriften van de lidstaten inzake kleurstoffen die kunnen worden gebruikt in voor menselijke voeding bestemde waren[15], Richtlijn 65/66/EEG van de Raad van 26 januari 1965 houdende vaststelling van bijzondere zuiverheidseisen voor conserveermiddelen die mogen worden gebruikt in voor menselijke voeding bestemde waren[16], Richtlijn 78/663/EEG van de Raad van 25 juli 1978 tot vaststelling van bijzondere zuiverheidseisen voor emulgatoren, stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen waarvan het gebruik in levensmiddelen is toegestaan[17], Richtlijn 78/664/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de vaststelling van de bijzondere zuiverheidseisen voor de oxidatie tegengaande stoffen waarvan het gebruik in levensmiddelen is toegestaan[18], Eerste Richtlijn 81/712/EEG van de Commissie van 28 juli 1981 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de controle van zuiverheidseisen voor bepaalde levensmiddelenadditieven[19], Richtlijn 89/107/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt[20], Richtlijn 94/35/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 juni 1994 inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt[21], Richtlijn 94/36/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 juni 1994 inzake kleurstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt[22], Richtlijn 95/2/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 februari 1995 betreffende levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen[23], Beschikking 292/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende de handhaving van nationale wetgeving die het gebruik van bepaalde additieven bij de vervaardiging van bepaalde specifieke levensmiddelen verbiedt[24] en Beschikking 2002/247/EG van de Commissie van 27 maart 2002 tot opschorting van het in de handel brengen en de invoer van geleiproducten die het levensmiddelenadditief E 425 konjac bevatten[25]. Een aantal bepalingen van bovengenoemde besluiten moet echter gedurende een overgangsperiode van kracht blijven totdat de communautaire lijsten in de bijlagen bij deze verordening zijn vastgesteld,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1Onderwerp

Deze verordening stelt voorschriften voor in levensmiddelen gebruikte levensmiddelenadditieven vast met het oog op de doeltreffende werking van de interne markt en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en de consument.

Hiertoe is in deze verordening het volgende vastgesteld:

a) communautaire lijsten van goedgekeurde levensmiddelenadditieven;

b) de gebruiksvoorwaarden voor levensmiddelenadditieven in levensmiddelen, in levensmiddelenadditieven en in voedingsenzymen;

c) voorschriften voor de etikettering van als zodanig verkochte levensmiddelenadditieven.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1. Deze verordening is van toepassing op levensmiddelenadditieven.

2. Deze verordening is niet van toepassing op de volgende stoffen, tenzij deze als levensmiddelenadditieven worden gebruikt:

a) technische hulpstoffen;

b) stoffen die voor de bescherming van planten en plantaardige producten worden gebruikt overeenkomstig de communautaire fytosanitaire voorschriften;

c) stoffen die als voedingsstoffen aan levensmiddelen worden toegevoegd;

d) stoffen die voor de behandeling van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt en binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 98/83/EG[26] vallen.

3. Deze verordening is niet van toepassing op enzymen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. […/..] [inzake voedingsenzymen] vallen.

4. Deze verordening is van toepassing onverminderd specifieke communautaire bepalingen inzake het gebruik van levensmiddelenadditieven:

a) in specifieke levensmiddelen;

b) voor andere dan de in deze verordening bedoelde doeleinden.

5. Zo nodig kan volgens de procedure van artikel 28, lid 2, worden bepaald of een bepaalde stof al dan niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt.

Artikel 3 Definities

1. Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van de Verordeningen (EG) nr. 178/2002 en nr. 1829/2003.

2. Voorts wordt verstaan onder:

a) “levensmiddelenadditief”: elke stof, met of zonder voedingswaarde, die op zichzelf gewoonlijk niet als voedsel wordt geconsumeerd en gewoonlijk niet als kenmerkend voedselingrediënt wordt gebruikt, en die voor technologische doeleinden bij het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van levensmiddelen bewust aan deze levensmiddelen wordt toegevoegd, met als gevolg of redelijkerwijs te verwachten gevolg dat de stof zelf of bijproducten ervan, direct of indirect, een bestanddeel van die levensmiddelen worden;

worden echter niet als levensmiddelenadditieven beschouwd:

i) levensmiddelen die monosachariden, disachariden of oligosachariden bevatten en die om hun zoetkracht worden gebruikt;

ii) levensmiddelen, gedroogd of in geconcentreerde vorm, waaronder aroma’s, die wegens hun aromatische, smaakgevende of voedingseigenschappen en, in tweede instantie, wegens de kleurende eigenschappen, voor de vervaardiging van samengestelde levensmiddelen worden gebruikt;

iii) stoffen die in bedekkings- of omhullingsmaterialen worden gebruikt maar geen deel uitmaken van levensmiddelen en niet bestemd zijn om samen met deze levensmiddelen te worden geconsumeerd;

iv) producten die pectine bevatten en die door middel van een behandeling met verdund zuur, gevolgd door een gedeeltelijke neutralisatie met natrium- of kaliumzouten, worden verkregen uit gedroogde appelpulp, schillen van citrusvruchten of een mengsel daarvan (“vloeibare pectine”);

v) kauwgombasis;

vi) witte of gele dextrine, geroosterd of gedextrineerd zetmeel, zetmeel dat gemodificeerd is door een behandeling met zuur of base, gebleekt zetmeel, fysisch gemodificeerd zetmeel en zetmeel dat behandeld is met enzymen die zetmeel afbreken;

vii) ammoniumchloride;

viii) bloedplasma, voedingsgelatine, eiwithydrolysaten en zouten daarvan, melkeiwit en gluten;

ix) aminozuren en zouten daarvan die geen technologische functie hebben, met uitzondering van glutaminezuur, glycine, cysteïne en cystine en zouten daarvan;

x) caseïnaten en caseïne;

xi) inuline;

b) “technische hulpstof”: elke stof die:

i) op zichzelf niet als levensmiddel wordt geconsumeerd;

ii) bij de verwerking van grondstoffen, levensmiddelen of voedselingrediënten bewust wordt gebruikt om tijdens de bewerking of verwerking aan een bepaald technologisch doel te beantwoorden; en

iii) kan leiden tot de onbedoelde maar technisch onvermijdelijke aanwezigheid van residuen van deze stof of bijproducten ervan in het eindproduct, mits deze residuen geen gevaar voor de gezondheid vormen en geen technologisch effect op het eindproduct hebben;

c) “functionele klasse”: een van de categorieën in bijlage I, op basis van de technologische functie die een levensmiddelenadditief vervult in het levensmiddel;

d) “onverwerkt levensmiddel”: een levensmiddel dat geen behandeling heeft ondergaan die een ingrijpende wijziging veroorzaakt in de oorspronkelijke staat van het levensmiddel, waarbij de volgende behandelingen worden geacht geen ingrijpende wijziging te veroorzaken: verdelen, breken, hakken, uitbenen, fijnhakken, villen, schillen, pellen, malen, snijden, schoonmaken, opmaken, invriezen, koelen, doppen, verpakken en uitpakken;

e) “levensmiddel zonder toegevoegde suikers”: een levensmiddel zonder:

i) toegevoegde monosachariden, disachariden of oligosachariden; of

ii) levensmiddelen die monosachariden, disachariden of oligosachariden bevatten en die om hun zoetkracht worden gebruikt;

f) “levensmiddel met verminderde verbrandingswaarde”: een levensmiddel waarvan de verbrandingswaarde met ten minste 30% is verminderd ten opzichte van het oorspronkelijke levensmiddel of een soortgelijk product;

g) “tafelzoetstof”: bereiding van toegelaten zoetstoffen die eventueel andere levensmiddelenadditieven en/of voedselingrediënten kan bevatten en die bestemd is om als vervangingsmiddel voor suiker aan de eindverbruiker te worden verkocht.

HOOFDSTUK IICOMMUNAUTAIRE LIJSTEN VAN GOEDGEKEURDE LEVENSMIDDELENADDITIEVEN

Artikel 4Communautaire lijsten van levensmiddelenadditieven

1. Alleen levensmiddelenadditieven die in de communautaire lijst in bijlage II zijn opgenomen, mogen als zodanig in de handel worden gebracht en worden gebruikt in levensmiddelen, met inbegrip van voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 89/398/EEG vallen.

2. Alleen levensmiddelenadditieven die in de communautaire lijst in bijlage III zijn opgenomen, mogen worden gebruikt in levensmiddelenadditieven en voedingsenzymen.

3. De lijst van levensmiddelenadditieven in bijlage II wordt opgesteld op basis van de categorieën levensmiddelen waaraan zij mogen worden toegevoegd.

4. De lijst van levensmiddelenadditieven in bijlage III wordt opgesteld op basis van de levensmiddelenadditieven, enzymen of categorieën daarvan waaraan zij mogen worden toegevoegd.

5. Levensmiddelenadditieven moeten altijd voldoen aan de specificaties als bedoeld in artikel 12.

Artikel 5Algemene voorwaarden voor de opneming in de communautaire lijsten en het gebruik van levensmiddelenadditieven

1. Een levensmiddelenadditief mag slechts in de communautaire lijsten in de bijlagen II en III worden opgenomen indien het aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) volgens de beschikbare wetenschappelijke gegevens levert het bij de voorgestelde hoeveelheden geen gevaar voor de gezondheid van de consument op;

b) er is een aanvaardbare technische behoefte waarin niet met andere economisch en technisch bruikbare methoden kan worden voorzien;

c) de consument wordt er niet mee misleid.

2. Om in de communautaire lijsten in de bijlagen II en III te worden opgenomen, moet een levensmiddelenadditief voordelen voor de consument hebben en dus aan een of meer van de volgende doeleinden beantwoorden:

a) instandhouding van de voedingskwaliteit van het levensmiddel;

b) levering van de benodigde ingrediënten of bestanddelen van levensmiddelen die voor groepen consumenten met speciale dieetbehoeften worden vervaardigd;

c) verhoging van de houdbaarheid of stabiliteit van een levensmiddel of verbetering van de organoleptische eigenschappen, mits dit de aard, substantie of kwaliteit van het levensmiddel niet zodanig verandert dat de consument daardoor kan worden misleid;

d) vergemakkelijking van het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van levensmiddelen, mits het levensmiddelenadditief niet wordt gebruikt om de gevolgen van het gebruik van ondeugdelijke grondstoffen of van ongewenste (en ook onhygiënische) methoden tijdens een van deze activiteiten te verhullen.

3. In afwijking van lid 2, onder a), mag een levensmiddelenadditief dat de voedingskwaliteit van een levensmiddel vermindert, in de communautaire lijst in bijlage II worden opgenomen mits:

a) het levensmiddel geen wezenlijk onderdeel van een normaal voedingspatroon vormt; of

b) het levensmiddelenadditief nodig is voor de vervaardiging van levensmiddelen voor groepen consumenten met speciale dieetbehoeften.

Artikel 6Specifieke voorwaarden voor zoetstoffen

Een levensmiddelenadditief mag slechts in de communautaire lijst in bijlage II in de functionele klasse “zoetstoffen” worden opgenomen indien het, naast een of meer van de in artikel 5, lid 2, vermelde doeleinden, ook aan een of meer van de volgende doeleinden beantwoordt:

a) vervanging van suikers bij de vervaardiging van levensmiddelen met verminderde verbrandingswaarde, niet-tandbederfveroorzakende levensmiddelen of levensmiddelen zonder toegevoegde suikers;

b) verlenging van de houdbaarheid door vervanging van suikers;

c) vervaardiging van voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen zoals omschreven in artikel 1, lid 2, onder a), van Richtlijn 89/398/EEG.

Artikel 7Specifieke voorwaarden voor kleurstoffen

Een levensmiddelenadditief mag slechts in de communautaire lijst in bijlage II in de functionele klasse “kleurstoffen” worden opgenomen indien het, naast een of meer van de in artikel 5, lid 2, vermelde doeleinden, ook aan een van de volgende doeleinden beantwoordt:

a) een levensmiddel waarvan de kleur door verwerking, opslag, verpakking en distributie is aangetast, waardoor het er minder aanvaardbaar kan uitzien, zijn oorspronkelijke voorkomen teruggeven;

b) levensmiddelen er aantrekkelijker doen uitzien;

c) levensmiddelen die anders kleurloos zouden zijn, kleur geven.

Artikel 8Functionele klassen van levensmiddelenadditieven

1. Levensmiddelenadditieven kunnen in een van de functionele klassen in bijlage I worden ingedeeld op basis van hun voornaamste technologische functie.

Dat een levensmiddelenadditief in een functionele klasse wordt ingedeeld, sluit niet uit dat het voor verscheidene functies kan worden gebruikt.

2. Wanneer de wetenschappelijke vooruitgang of de technologische ontwikkeling het vereist, kunnen in bijlage I zo nodig extra functionele klassen worden toegevoegd volgens de procedure van artikel 28, lid 2.

Artikel 9Inhoud van de communautaire lijsten van levensmiddelenadditieven

1. Een levensmiddelenadditief dat voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 5, 6 en 7 kan volgens de procedure van Verordening (EG) nr. [gemeenschappelijke procedures] worden opgenomen in:

a) de communautaire lijst in bijlage II bij deze verordening; en/of

b) de communautaire lijst in bijlage III bij deze verordening.

2. Bij een in de communautaire lijsten in de bijlagen II en III opgenomen levensmiddelenadditief wordt het volgende vermeld:

a) de naam van het levensmiddelenadditief en, in voorkomend geval, het E-nummer;

b) de levensmiddelen waaraan het levensmiddelenadditief mag worden toegevoegd;

c) de voorwaarden waaronder het levensmiddelenadditief mag worden gebruikt;

d) in voorkomend geval, mogelijke beperkingen op de rechtstreekse verkoop van het levensmiddelenadditief aan de consument.

3. De communautaire lijsten in de bijlagen II en III worden gewijzigd volgens de procedure van Verordening (EG) nr. […] tot vaststelling van een uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s.

Artikel 10Te gebruiken hoeveelheden levensmiddelenadditieven

1. Bij de vaststelling van de gebruiksvoorwaarden als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder c):

a) wordt de te gebruiken hoeveelheid vastgesteld op de kleinste hoeveelheid die nodig is om het gewenste effect te bereiken;

b) wordt de te gebruiken hoeveelheid vastgesteld met inachtneming van:

i) de aanvaardbare dagelijkse inname of een gelijkwaardig gegeven dat voor het levensmiddelenadditief is vastgesteld en de waarschijnlijke dagelijkse inname van het levensmiddelenadditief uit alle voedselbronnen;

ii) indien het levensmiddelenadditief bestemd is om te worden gebruikt in levensmiddelen voor speciale groepen consumenten, de mogelijke dagelijkse inname van het additief door consumenten van die groepen.

2. In voorkomend geval wordt voor een levensmiddelenadditief geen maximumhoeveelheid vastgesteld (“quantum satis”). In dat geval wordt het levensmiddelenadditief gebruikt overeenkomstig goede productiemethoden, in hoeveelheden die niet groter zijn dan voor het beoogde doel nodig is en op voorwaarde dat de consument niet wordt misleid.

3. Tenzij anders is vermeld, zijn de maximaal te gebruiken hoeveelheden levensmiddelenadditieven in bijlage II van toepassing op kant-en-klare levensmiddelen die volgens de gebruiksaanwijzing zijn bereid.

4. Tenzij anders is vermeld, zijn de maximaal te gebruiken hoeveelheden kleurstoffen in bijlage II van toepassing op de hoeveelheden kleurgevende bestanddelen in het kleurstofpreparaat.

Artikel 11Levensmiddelenadditieven die vallen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

Een levensmiddelenadditief dat binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1829/2003 valt, mag slechts in de communautaire lijsten in de bijlagen II en III bij deze verordening worden opgenomen nadat het overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 is toegelaten.

Artikel 12 Specificaties van levensmiddelenadditieven

De specificaties van levensmiddelenadditieven, met wat oorsprong, zuiverheidscriteria en eventuele andere noodzakelijke informatie betreft, worden vastgesteld wanneer het levensmiddelenadditief voor het eerst in de communautaire lijsten in de bijlagen II en III wordt opgenomen, volgens de procedure van Verordening (EG) nr. [… tot vaststelling van een uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s].

HOOFDSTUK IIIGEBRUIK VAN LEVENSMIDDELENADDITIEVEN IN LEVENSMIDDELEN

Artikel 13Gebruik van levensmiddelenadditieven in onverwerkte levensmiddelen

Levensmiddelenadditieven mogen niet worden gebruikt in onverwerkte levensmiddelen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in bijlage II.

Artikel 14Gebruik van kleurstoffen en zoetstoffen in levensmiddelen voor zuigelingen en peuters

Kleurstoffen en zoetstoffen mogen niet worden gebruikt in levensmiddelen voor zuigelingen en peuters als bedoeld in Richtlijn 89/398/EEG, met inbegrip van dieetvoeding voor zuigelingen en peuters voor medisch gebruik, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in bijlage II.

Artikel 15Gebruik van kleurstoffen voor merktekens

Alleen levensmiddelenkleurstoffen die in bijlage II bij deze verordening zijn opgenomen, mogen worden gebruikt voor het aanbrengen van het keurmerk overeenkomstig Richtlijn 91/497/EEG van de Raad[27] en andere verplichte merktekens op vleesproducten, voor het versieren van eierschalen of voor het stempelen van eierschalen overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 1274/91 van de Commissie[28].

Artikel 16 “Carry-over”-beginsel

1. De aanwezigheid van een levensmiddelenadditief is toegestaan:

a) in samengestelde levensmiddelen die niet in bijlage II zijn vermeld, mits het levensmiddelenadditief is toegestaan in een van de ingrediënten van het samengestelde levensmiddel;

b) in een levensmiddel waaraan een aroma is toegevoegd, mits het levensmiddelenadditief:

i) overeenkomstig deze verordening is toegestaan in het aroma;

ii) via het aroma in het levensmiddel is terechtgekomen;

iii) geen technologische functie heeft in het eindproduct;

c) in een levensmiddel dat uitsluitend bestemd is voor gebruik bij de bereiding van een samengesteld levensmiddel, mits het samengestelde levensmiddel aan deze verordening voldoet.

2. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is lid 1 van dit artikel niet van toepassing op volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding, bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding, en dieetvoeding voor zuigelingen en peuters voor medisch gebruik zoals bedoeld in Richtlijn 89/398/EEG.

3. Indien een levensmiddelenadditief in een aroma, levensmiddelenadditief of voedingsenzym wordt toegevoegd aan een levensmiddel en een technologische functie in dat levensmiddel heeft, wordt het beschouwd als een levensmiddelenadditief van dat levensmiddel, en niet als een levensmiddelenadditief van het toegevoegde aroma of het toegevoegde levensmiddelenadditief of voedingsenzym.

4. Onverminderd lid 1 is de aanwezigheid van een intensieve zoetstof toegestaan in samengestelde levensmiddelen zonder toegevoegde suikers, samengestelde levensmiddelen met verminderde verbrandingswaarde, samengestelde dieetvoeding bestemd voor een caloriearm dieet en samengestelde levensmiddelen met een verlengde houdbaarheid, mits de intensieve zoetstof in een van de ingrediënten van deze samengestelde levensmiddelen is toegestaan.

Artikel 17 Interpretatiebesluiten

Zo nodig kan volgens de procedure van artikel 28, lid 2, worden besloten of:

a) een bepaald levensmiddel tot een categorie levensmiddelen in bijlage II behoort; of

b) een in de bijlagen II en III opgenomen en volgens de “quantum satis”-regel toegestaan levensmiddelenadditief wordt gebruikt overeenkomstig de criteria van artikel 10, lid 2.

Artikel 18Traditionele levensmiddelen

De in bijlage IV vermelde lidstaten mogen het gebruik van bepaalde categorieën levensmiddelenadditieven in op hun grondgebied vervaardigde en in die bijlage opgenomen traditionele levensmiddelen blijven verbieden.

HOOFDSTUK IV ETIKETTERING

Afdeling 1Etikettering van levensmiddelenadditieven die niet bestemd zijn voor verkoop aan de eindverbruiker

ARTIKEL 19 ETIKETTERING VAN LEVENSMIDDELENADDITIEVEN DIE NIET BESTEMD ZIJN VOOR VERKOOP AAN DE EINDVERBRUIKER

Niet voor verkoop aan de eindverbruiker bestemde levensmiddelenadditieven die afzonderlijk of gemengd met elkaar en/of met ingrediënten als omschreven in artikel 6, lid 4, van Richtlijn 2000/13/EG worden verkocht, mogen slechts in de handel worden gebracht indien de verpakking of recipiënten ervan voorzien zijn van de in artikel 20 tot en met 23 van deze verordening voorgeschreven informatie, die op een duidelijk zichtbare plaats en in duidelijk leesbare en onuitwisbare letters is aangebracht.

Artikel 20Informatievoorschriften inzake de identificatie van levensmiddelenadditieven

1. Indien niet voor verkoop aan de eindverbruiker bestemde levensmiddelenadditieven afzonderlijk of gemengd met elkaar worden verkocht, wordt op de verpakking of de recipiënten ervan de volgende informatie over ieder levensmiddelenadditief vermeld:

a) de naam en/of het E-nummer als vastgesteld bij deze verordening; of

b) bij het ontbreken van een naam of E-nummer als bedoeld onder a), een beschrijving van het levensmiddelenadditief die voldoende nauwkeurig is om het te onderscheiden van andere producten waarmee het verward zou kunnen worden.

2. Indien levensmiddelenadditieven met elkaar gemengd worden verkocht, wordt de in lid 1 genoemde informatie voor ieder levensmiddelenadditief in dalende volgorde van het aandeel ervan in het totaalgewicht vermeld.

Artikel 21 Informatievoorschriften voor het geval andere stoffen, materialen of voedselingrediënten in levensmiddelenadditieven worden verwerkt

Indien andere stoffen, materialen of voedselingrediënten dan levensmiddelenadditieven worden verwerkt in niet voor verkoop aan de eindverbruiker bestemde levensmiddelenadditieven om het opslaan, verkopen, standaardiseren, verdunnen of oplossen ervan te vergemakkelijken, wordt op de verpakking, de recipiënten of de begeleidende documenten van de levensmiddelenadditieven de in artikel 20 voorgeschreven informatie vermeld en wordt ieder bestanddeel in dalende volgorde van het aandeel ervan in het totaalgewicht vermeld.

Artikel 22 Informatievoorschriften voor het geval levensmiddelenadditieven met andere voedselingrediënten worden gemengd

Indien niet voor verkoop aan de eindverbruiker bestemde levensmiddelenadditieven met andere voedselingrediënten worden gemengd, wordt op de verpakking of de recipiënten van de levensmiddelenadditieven een lijst van alle bestanddelen in dalende volgorde van het aandeel ervan in het totaalgewicht vermeld.

Artikel 23Algemene informatievoorschriften inzake levensmiddelenadditieven

1. Op de verpakking of de recipiënten van niet voor verkoop aan de eindverbruiker bestemde levensmiddelenadditieven wordt de volgende informatie vermeld:

a) de vermelding “voor gebruik in levensmiddelen” of “voor levensmiddelen, beperkt gebruik” of een meer specifieke aanduiding inzake het beoogde gebruik ervan in levensmiddelen;

b) zo nodig de bijzondere voorwaarden voor opslag en gebruik;

c) een gebruiksaanwijzing indien een behoorlijk gebruik van het levensmiddelenadditief zonder gebruiksaanwijzing onmogelijk is;

d) een vermelding aan de hand waarvan de partij kan worden geïdentificeerd;

e) de naam of de firmanaam en het adres van de fabrikant, van de verpakker of van de verkoper;

f) indien een maximumgehalte aan een bestanddeel van het levensmiddelenadditief in het levensmiddel is vastgesteld, een vermelding van het aandeel van dat bestanddeel in het levensmiddelenadditief of voldoende informatie over de samenstelling van het levensmiddelenadditief om de koper in staat te stellen om naleving van het maximumgehalte in het levensmiddel te waarborgen; indien dezelfde kwantitatieve beperking geldt voor een groep bestanddelen die afzonderlijk of in combinatie worden gebruikt, mag het gecombineerde percentage met één getal worden aangegeven; de kwantitatieve beperking wordt hetzij in getallen uitgedrukt, hetzij door het “quantum satis”-beginsel;

g) de nettohoeveelheid;

h) in voorkomend geval, informatie over een levensmiddelenadditief of andere stoffen overeenkomstig de artikelen 20, 21 en 22 van deze verordening en zoals vermeld in bijlage III bis bij Richtlijn 2000/13/EG wat betreft de vermelding van de ingrediënten van levensmiddelen.

2. In afwijking van lid 1 hoeft de in lid 1, onder c) tot en met f), en onder h), genoemde informatie alleen in de vóór of bij levering te verstrekken documenten betreffende de partij te worden vermeld, mits de aanduiding “bestemd voor de vervaardiging van levensmiddelen, niet voor de verkoop in de detailhandel” op een goed zichtbare plaats van de verpakking of de recipiënt van het desbetreffende product voorkomt.

Afdeling 2Etikettering van levensmiddelenadditieven die bestemd zijn voor verkoop aan de eindverbruiker

ARTIKEL 24 ETIKETTERING VAN LEVENSMIDDELENADDITIEVEN DIE BESTEMD ZIJN VOOR VERKOOP AAN DE EINDVERBRUIKER

1. Onverminderd Richtlijn 2000/13/EG mogen voor verkoop aan de eindverbruiker bestemde levensmiddelenadditieven slechts in de handel worden gebracht indien de verpakking ervan voorzien is van de volgende informatie, die op een duidelijk zichtbare plaats en in duidelijk leesbare en onuitwisbare letters is aangebracht:

a) de naam waaronder het levensmiddelenadditief wordt verkocht; die naam bestaat uit de naam die is vastgelegd bij de communautaire bepalingen die voor het desbetreffende levensmiddelenadditief gelden en het E-nummer;

b) de overeenkomstig de artikelen 20, 21 en 22 en artikel 23, lid 1, onder a) tot en met e), g) en h), vereiste informatie.

2. De verkoopbenaming van tafelzoetstoffen bevat de vermelding “tafelzoetstof op basis van …”, gevolgd door de naam van de zoetstof(fen) die voor de samenstelling ervan is (zijn) gebruikt.

3. Op de etikettering van tafelzoetstoffen die polyolen en/of aspartaam en/of aspartaam-acesulfaamzout bevatten, worden de volgende waarschuwingen vermeld:

a) polyolen: “Een overmatig gebruik kan een laxerend effect hebben”;

b) aspartaam-acesulfaamzout: “Bevat een bron van fenylalanine”.

Afdeling 3Overige etiketteringsvoorschriften

ARTIKEL 25 OVERIGE ETIKETTERINGSVOORSCHRIFTEN

1. De artikelen 19 tot en met 24 gelden onverminderd meer gedetailleerde of uitgebreidere wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake metrologie of inzake de presentatie, indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen en preparaten of het vervoer ervan.

2. De in de artikelen 19 tot en met 24 genoemde informatie wordt in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal gesteld.

Op zijn eigen grondgebied mag de lidstaat waar het product in de handel wordt gebracht, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag voorschrijven dat die informatie in een of meer door die lidstaat vast te stellen officiële talen wordt vermeld. De eerste twee alinea’s van dit lid vormen geen beletsel om deze informatie in verscheidene talen te vermelden.

HOOFDSTUK VPROCEDURELE BEPALINGEN EN UITVOERING

Artikel 26Informatieverplichting

1. Producenten en gebruikers van een levensmiddelenadditief stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van alle nieuwe wetenschappelijke of technische informatie die van invloed zou kunnen zijn op de beoordeling van de veiligheid van het levensmiddelenadditief.

2. Producenten en gebruikers van een levensmiddelenadditief stellen de Commissie op haar verzoek in kennis van het feitelijk gebruik van het levensmiddelenadditief.

Artikel 27 Monitoring van de inname van levensmiddelenadditieven

1. De lidstaten zorgen voor systemen om het verbruik en gebruik van levensmiddelenadditieven te monitoren, en rapporteren hun bevindingen jaarlijks aan de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna “de Autoriteit” genoemd).

2. Na raadpleging van de Autoriteit kan volgens de procedure van artikel 28, lid 2, een gemeenschappelijke methode voor de verzameling van informatie door de lidstaten over de inname van levensmiddelenadditieven via de voeding in de Gemeenschap worden vastgesteld.

Artikel 28Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna “het comité” genoemd).

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 29Communautaire financiering van geharmoniseerd beleid

1. De rechtsgrondslag voor de financiering van de maatregelen die uit deze verordening voortvloeien is artikel 66, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 882/2004.

HOOFDSTUK VIOVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 30Opstelling van communautaire lijsten van levensmiddelenadditieven

1. Levensmiddelenadditieven die vóór de inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig de Richtlijnen 94/35/EG, 94/36/EG en 95/2/EG in levensmiddelen mochten worden gebruikt, alsook de desbetreffende gebruiksvoorwaarden worden opgenomen in bijlage II bij deze verordening nadat volgens de procedure van artikel 28, lid 2, is gecontroleerd of zij in overeenstemming zijn met de artikelen 5, 6 en 7 van deze verordening. Deze controle omvat geen nieuwe risicobeoordeling door de Autoriteit. De controle wordt uiterlijk op […] afgerond.

2. Levensmiddelenadditieven die als toegestane draagstoffen in bijlage V bij Richtlijn 95/2/EG in levensmiddelenadditieven mogen worden gebruikt, alsook de desbetreffende gebruiksvoorwaarden worden opgenomen in deel 1 van bijlage III bij deze verordening nadat volgens de procedure van artikel 28, lid 2, is gecontroleerd of zij in overeenstemming zijn met artikel 5 van deze verordening. Deze controle omvat geen nieuwe risicobeoordeling door de Autoriteit. De controle wordt uiterlijk op […] afgerond.

3. De specificaties van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde levensmiddelenadditieven worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. [… tot vaststelling van een uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s] vastgesteld wanneer deze levensmiddelenadditieven overeenkomstig die leden in de bijlagen worden opgenomen.

4. Volgens de procedure van artikel 28, lid 2, kunnen de nodige overgangsmaatregelen worden genomen.

Artikel 31Herbeoordeling van goedgekeurde levensmiddelenadditieven

1. Levensmiddelenadditieven die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening toegestaan waren, worden onderworpen aan een nieuwe risicobeoordeling, die door de Autoriteit wordt verricht.

2. Na raadpleging van de Autoriteit wordt binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening een beoordelingsprogramma voor deze additieven vastgesteld volgens de procedure van artikel 28, lid 2. Dit beoordelingsprogramma wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Artikel 32Intrekking

1. De volgende besluiten worden ingetrokken:

a) Richtlijn 62/2645/EEG;

b) Richtlijn 65/66/EEG;

c) Richtlijn 78/663/EEG;

d) Richtlijn 78/664/EEG;

e) Richtlijn 81/712/EEG;

f) Richtlijn 89/107/EEG;

g) Richtlijn 94/35/EG;

h) Richtlijn 94/36/EG;

i) Richtlijn 95/2/EG;

j) Beschikking 292/97/EG;

k) Beschikking 2002/247/EG.

2. Verwijzingen naar de ingetrokken besluiten gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 33Overgangsbepalingen

In afwijking van artikel 32 blijven de volgende bepalingen van toepassing tot en met [...]:

a) Artikel 2, leden 1, 2 en 4, van Richtlijn 94/35/EG en de bijlage bij die richtlijn;

b) Artikel 2, leden 1 tot en met 6, 8, 9 en 10 van Richtlijn 94/36/EG en de bijlagen I tot en met V bij die richtlijn;

c) de artikelen 2 en 4 van Richtlijn 95/2/EG en de bijlagen I tot en met VI bij die richtlijn.

In afwijking van punt c) wordt de toelating voor E 1103 invertase en E 1105 lysozym overeenkomstig Richtlijn 95/2/EG ingetrokken met ingang van de datum van toepassing van de communautaire lijst van voedingsenzymen overeenkomstig artikel 18 van [de verordening inzake voedselenzymen].

Artikel 34 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Zij is van toepassing met ingang van [een jaar na de datum van bekendmaking van deze verordening].

Artikel 4, lid 2, is echter met ingang van [1 januari 2011] van toepassing op de delen 2 en 3 van bijlage III.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE I

Functionele klassen van levensmiddelenadditieven in levensmiddelen en van levensmiddelenadditieven in levensmiddelenadditieven en voedselenzymen

1. “zoetstoffen”: stoffen (extensieve en intensieve zoetstoffen) die worden gebruikt om levensmiddelen een zoete smaak te geven of in tafelzoetstoffen.

2. “kleurstoffen”: stoffen die aan een levensmiddel kleur geven of teruggeven en die natuurlijke bestanddelen van levensmiddelen en andere natuurlijke bronnen bevatten die gewoonlijk noch op zich als levensmiddelen worden geconsumeerd, noch als kenmerkende voedselingrediënten worden gebruikt.Preparaten die uit levensmiddelen en ander natuurlijk uitgangsmateriaal zijn verkregen door een fysische en/of chemische behandeling die resulteert in een selectieve extractie van de kleurstof (en niet van de aromatische of voedingsbestanddelen) zijn kleurstoffen in de zin van deze verordening.

3. “conserveermiddelen”: stoffen die de houdbaarheid van levensmiddelen verlengen door ze te beschermen tegen bederf door micro-organismen;

4. “antioxidanten”: stoffen die de houdbaarheid van levensmiddelen verlengen door ze te beschermen tegen bederf door oxidatie, zoals het ranzig worden van vet en kleurveranderingen;

5. “draagstoffen”: stoffen die worden gebruikt om een levensmiddelenadditief, een aroma of een voedingsenzym op te lossen, te verdunnen, te dispergeren of op een andere wijze fysisch te wijzigen zonder de technologische functie ervan te veranderen (en zonder zelf een technologisch effect uit te oefenen), om de verwerking, de toepassing of het gebruik van de stof te vergemakkelijken;

6. “voedingszuren”: stoffen die de zuurgraad van levensmiddelen verhogen en/of levensmiddelen een zure smaak geven;

7. “zuurteregelaars”: stoffen die de zuurgraad of alkaliteit van levensmiddelen wijzigen of regelen;

8. “antiklontermiddelen”: stoffen die de neiging van afzonderlijke levensmiddelendeeltjes om aan elkaar te kleven, verkleinen;

9. “antischuimmiddelen”: stoffen die schuimvorming verhinderen of verminderen;

10. “vulstoffen”: stoffen die het volume van een levensmiddel vergroten zonder noemenswaardig tot de beschikbare energiewaarde ervan bij te dragen;

11. “emulgatoren”: stoffen die een homogene menging van twee of meer onmengbare fasen, zoals olie en water, in een levensmiddel mogelijk maken of in stand houden;

12. “smeltzouten”: stoffen die kaaseiwitten in gedispergeerde vorm omzetten om een homogene verdeling van vet en andere bestanddelen te bewerkstelligen;

13. “verstevigingsmiddelen”: stoffen die fruit of groente stevig of knapperig maken of houden, of met geleermiddelen reageren om een gel te vormen of te verstevigen;

14. “smaakversterkers”: stoffen die de bestaande smaak en/of geur van een levensmiddel versterken;

15. “schuimmiddelen”: stoffen die het mogelijk maken een homogene dispersie van een gasvormige fase in een vloeibaar of vast levensmiddel te vormen;

16. “geleermiddelen”: stoffen die een levensmiddel vorm geven door een gel te vormen;

17. “glansmiddelen” (met inbegrip van glijmiddelen): stoffen die op het oppervlak van een levensmiddel worden aangebracht om het een glanzend uiterlijk te geven of om een beschermende deklaag te vormen;

18. “bevochtigingsmiddelen”: stoffen die uitdroging van levensmiddelen beletten door de gevolgen van een lage luchtvochtigheid tegen te gaan, of een poeder makkelijker oplosbaar maken in een waterig medium;

19. “gemodificeerde zetmelen”: stoffen die door een of meer chemische behandelingen uit eetbare zetmelen worden verkregen, eventueel een fysische behandeling of een behandeling met enzymen hebben ondergaan en eventueel met zuur of loog verdund of gebleekt zijn;

20. “verpakkingsgasssen”: gassen, met uitzondering van lucht, die vóór, tijdens of na het verpakken van een levensmiddel in de verpakking worden gebracht;

21. “drijfgassen”: gassen, met uitzondering van lucht, die een levensmiddel uit een recipiënt drukken;

22. “rijsmiddelen”: stoffen of combinaties van stoffen die gas vrijmaken en daardoor het volume van deeg of beslag vergroten;

23. “complexvormers”: stoffen die chemische complexen vormen met metaalionen;

24. “stabilisatoren”: stoffen die het mogelijk maken de fysisch-chemische toestand van een levensmiddel te handhaven; stabilisatoren omvatten stoffen die het mogelijk maken een homogene dispersie van twee of meer onmengbare stoffen in een levensmiddel te handhaven, stoffen die een bestaande kleur van een levensmiddel stabiliseren, fixeren of intensifiëren en stoffen die het bindend vermogen van het levensmiddel vergroten, onder meer door de vorming van crosslinks tussen eiwitten waardoor afzonderlijke deeltjes tot een gereconstitueerd levensmiddel worden gebonden;

25. “verdikkingsmiddelen”: stoffen die de viscositeit van een levensmiddel vergroten;

26. “meelverbeteraars”: stoffen, met uitzondering van emulgatoren, die aan meel of deeg worden toegevoegd om de bakeigenschappen ervan te verbeteren.

BIJLAGE II

Communautaire lijst van voor gebruik in levensmiddelen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en gebruiksvoorwaarden

BIJLAGE III

Communautaire lijst van voor gebruik in levensmiddelenadditieven en voedingsenzymen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en gebruiksvoorwaarden

Deel 1 Draagstoffen in levensmiddelenadditieven

Deel 2 Andere additieven dan draagstoffen in levensmiddelenadditieven

Deel 3 Additieven in voedingsenzymen

BIJLAGE IV

Traditionele levensmiddelen waarin de lidstaten het gebruik van bepaalde categorieën levensmiddelenadditieven mogen blijven verbieden

Lidstaat | Levensmiddel | Categorieën additieven die verboden mogen blijven |

Duitsland | Traditioneel Duits bier (“Bier nach deutschem Reinheitsgebot gebraut”) | Alle, behalve drijfgassen |

Frankrijk | Traditioneel Frans brood | Alle |

Frankrijk | Traditionele Franse geconserveerde truffels | Alle |

Frankrijk | Traditionele Franse geconserveerde slakken | Alle |

Frankrijk | Traditionele Franse ganzen- en eendenvleesconserven (“confit”) | Alle |

Oostenrijk | Traditionele Oostenrijkse “Bergkäse” | Alle, behalve conserveermiddelen |

Finland | Traditionele Finse “mämmi” | Alle, behalve conserveermiddelen |

Zweden Finland | Traditionele Zweedse en Finse vruchtensiroop | Kleurstoffen |

Denemarken | Traditionele Deense “kødboller” | Conserveermiddelen en kleurstoffen |

Denemarken | Traditionele Deense “leverpostej” | Conserveermiddelen (behalve sorbinezuur) en kleurstoffen |

Spanje | Traditionele Spaanse “lomo embuchado” | Alle, behalve conserveermiddelen en antioxidanten |

Italië | Traditionele Italiaanse mortadella | Alle, behalve conserveermiddelen, antioxidanten, zuurteregelaars, smaakversterkers, stabilisatoren en verpakkingsgassen |

Italië | Traditionele Italiaanse “cotechino e zampone” | Alle, behalve conserveermiddelen, antioxidanten, zuurteregelaars, smaakversterkers, stabilisatoren en verpakkingsgassen |

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenadditieven

2. ABM/ABB-KADER

Betrokken beleidsterrein(en): gezondheid en consumentenbescherming

Activiteit(en): voedselveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn en gezondheid van planten

3. BEGROTINGSONDERDELEN

3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving:

17.01.04.05: Voeder- en voedselveiligheid en hiermee verband houdende werkzaamheden – Uitgaven voor administratief beheer

3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

Onbepaalde duur

3.3. Begrotingskenmerken (voeg zo nodig rijen toe):

Begrotingsonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdragen kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzichten |

17.01.04.05 | Verplicht | GK[29] | NEE | NEE | NEE | nr. 1a |

Om de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenadditieven op evenredige en doeltreffende wijze te ontwikkelen en aan te passen, kan het nuttig zijn, onderzoeken uit te voeren om gegevens te verzamelen, informatie uit te wisselen en de werkzaamheden tussen de lidstaten te coördineren. Dit soort ondersteuningsuitgaven, zoals vermeld in de punten 4.1 en 8.1, valt onder Verordening (EG) nr. 882/2004 inzake officiële controles op diervoeders en levensmiddelen, binnen de bedragen die voor de uitvoering van die verordening in de periode 2007-2013 gepland zijn.

4. OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

4.1. Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort uitgave | Punt nr. | Jaar n | n + 1 | n + 2 | n + 3 | n + 4 | n + 5 e.v. | Totaal |

Beleidsuitgaven[30] |

VK | 8.1 | a | 0,1 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,35 |

BK | b | 0,1 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,35 |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag[31] |

Technische & administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4. | c | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG |

VK | a+c | 0,1 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,35 |

BK | b+c | 0,1 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,35 |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen[32] |

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5. | d |

Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6. | e |

Totale indicatieve kosten van de maatregel |

TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | a+c+d+e | 0,1 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,35 |

TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | b+c+d+e | 0,1 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,35 |

Medefinanciering

Indien het voorstel door lidstaten of uit andere bronnen (geef aan welke) wordt medegefinancierd, geef dan een raming daarvan in de onderstaande tabel (voeg extra rijen toe indien de medefinanciering uit meer dan een bron afkomstig is):

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Medefinancieringsbron | Jaar n | n + 1 | n + 2 | n + 3 | n + 4 | n + 5 e.v. | Totaal |

…………………… | f |

TOTAAL VK inclusief medefinanciering | a+c+d+e+f |

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

( Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

( Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten.

( Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord[33] (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten).

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

( Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

( Het voorstel heeft de volgende financiële gevolgen voor de ontvangsten:

NB: Alle gegevens en opmerkingen over de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten moeten in een aparte bijlage worden vermeld.

in miljoen euro (tot op een decimaal)

Vóór de actie [Jaar n-1] | Situatie na de actie |

Totale personele middelen in VTE | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0.4 |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

Gegevens over de context van het voorstel moeten in de toelichting worden verstrekt. Geef in dit deel van het financieel memorandum de volgende aanvullende informatie:

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

De wetgeving inzake levensmiddelenadditieven is in de EU geharmoniseerd. Momenteel zijn er ongeveer 330 levensmiddelenadditieven overeenkomstig deze wetgeving toegelaten. Er worden voortdurend aanvragen voor de toelating van nieuwe additieven of nieuwe toepassingen van additieven ingediend. Voor de beoordeling van nieuwe additieven en nieuwe toepassingen, en met name voor beslissingen inzake risicomanagement, zijn gegevens over het gebruik nodig.

Met het oog op de evenredigheid van de uitvoeringsmaatregelen die in het kader van de voorgestelde verordening zullen worden genomen, en met het oog op de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 882/2004 inzake officiële controles van diervoeders en levensmiddelen, is het volgende nodig:

• een geschikte databank om alle informatie over de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenadditieven te verzamelen en op te slaan;

• de nodige onderzoeken ter voorbereiding en verdere ontwikkeling van de wetgeving inzake levensmiddelenadditieven;

• de nodige onderzoeken ten behoeve van de harmonisatie van de procedures, besluitvormingscriteria en gegevensvereisten, om de taakverdeling tussen de lidstaten te vergemakkelijken en richtsnoeren op deze terreinen vast te stellen.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

De verkregen gegevens en informatie zullen bijdragen tot een optimale bescherming van de gezondheid van de consument, terwijl het bedrijfsleven levensmiddelenadditieven kan blijven gebruiken en ontwikkelen.

Op de geharmoniseerde markt is dit slechts mogelijk door een gecoördineerde aanpak die de uitwisseling van vergelijkbare gegevens tussen de lidstaten mogelijk maakt.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

Doelstelling 1: Opzetten en beheren van een databank en uitvoeren van onderzoeken in samenwerking met externe organisaties, die via passende procedures zullen worden geselecteerd;

Doelstelling 2: Erop toezien dat het gebruik van levensmiddelenadditieven geen onaanvaardbare risico’s voor de consument met zich brengt, zonder het bedrijfsleven onnodige lasten op te leggen;

Doelstelling 3: Risicomanagementbeslissingen nemen op basis van schattingen van de inname aan de hand van een gecentraliseerde databank met geactualiseerde informatie over de samenstelling en het gebruik van levensmiddelenadditieven.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

Voor de uitvoering van de actie gekozen methode(n) [35].

X Gecentraliseerd beheer

X rechtstreeks door de Commissie

( gedelegeerd aan:

( uitvoerende agentschappen

( door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement

( nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak

( Gedeeld of gedecentraliseerd beheer

( met lidstaten

( met derde landen

( Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke)

Opmerkingen:

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

Het nut van de inhoud van de databank en de conclusies die uit de resultaten van de onderzoeken worden getrokken, kan worden gemonitord op grond van de bruikbaarheid voor het voorstellen van goede uitvoeringsmaatregelen. Het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid zal een basisinstrument vormen.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

De verwachte uitgaven zijn laag; momenteel zijn dan ook geen gegevens voor een evaluatie vooraf beschikbaar.

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

Doorlopend, naargelang er uitvoeringsmaatregelen moeten worden voorgesteld.

7. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

8. MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

Vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 |

Ambtenaren of tijdelijk personeel[39] (17 01 01) | A*/AD | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 |

B*, C*/AST | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel[40] |

Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander personeel[41] |

TOTAAL | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 |

8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

Onderzoek van technische en financiële verslagen, voorbereiding van betalingsverplichtingen en betalingsopdrachten.

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

Wanneer meer dan een bron wordt vermeld, geef dan het aantal posten per bron.

X Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma

( Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor jaar n

( Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd

( Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling)

( Posten die voor jaar n nodig zijn maar die in het kader van de JBS/VOB-procedure voor dat jaar nog niet zijn toegewezen

8.2.4. Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag (XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel (nummer en omschrijving) | Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. | TOTAAL |

Andere technische en administratieve bijstand |

intern |

extern |

Totaal Technische en administratieve bijstand |

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort personeel | Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. |

Ambtenaren en tijdelijk personeel (XX 01 01) |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.) (vermeld begrotingsonderdeel) |

Totaal Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen) |

Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen |

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1. |

Berekening – Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1. |

8.2.6. Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen in miljoen euro (tot op 3 decimalen) |

Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. | TOTAAL |

XX 01 02 11 01 – Dienstreizen |

XX 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen |

XX 01 02 11 03 – Comités[43] |

XX 01 02 11 04 – Studies en adviezen |

XX 01 02 11 05 – Informatiesystemen |

2. Totaal Andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) |

3. Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het begrotingsonderdeel) |

Totale andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen |

Berekening – Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen |

[pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic]

[1] PB C [x] van [x], blz. [x].

[2] PB C [x] van [x], blz. [x].

[3] PB L 186 van 30.6.1989. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

[4] PB L [& ] van dd/mm/jjjj, blz. [& ].

[5] PB L 178 van 28.7.1995, blz. 1. Richtl3[pic]n laatstel3[pic]k rordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

[6] PB L […] van dd/mm/jjjj, blz. […].

[7] PB L 178 van 28.7.1995, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/46/EG (PB L 114 van 21.4.2004, blz. 15).

[8] PB L 226 van 22.9.1995, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/47/EG (PB L 113 van 20.4.2004, blz. 24).

[9] PB L 339 van 30.12.1996, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/45/EG (PB L 113 van 20.4.2004, blz. 19).

[10] PB L [x] van [x], blz. [x].

[11] PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

[12] PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

[13] PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

[14] PB L 208 van 24.7.1992, blz. 9. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

[15] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[16] PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1. Rectificatie in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1.

[17] PB 115 van 11.11.1962, blz. 2645/62. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/45/EG (PB L 226 van 22.9.1995, blz. 1).

[18] PB 22 van 9.2.1965, blz. 373. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/77/EG van de Commissie (PB L 339 van 30.12.1996, blz. 1).

[19] PB L 223 van 14.8.1978, blz. 7. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 92/4/EEG van de Commissie (PB L 55 van 29.2.1992, blz. 96).

[20] PB L 223 van 14.8.1978, blz. 30. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/77/EG van de Commissie.

[21] PB L 257 van 10.9.1981, blz. 1.

[22] PB L 40 van 11.2.1989, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad.

[23] PB L 237 van 10.9.1994, blz. 3. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

[24] PB L 237 van 10.9.1994, blz. 13. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

[25] PB L 61 van 18.3.1995, blz. 3. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

[26] PB L 48 van 19.2.1997, blz. 13.

[27] PB L 84 van 28.3.2002, blz. 69.

[28] PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.

[29] PB L 268 van 24.9.1991, blz. 69.

[30] PB L 121 van 16.5.1991, blz. 11.

[31] Gesplitste kredieten.

[32] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[33] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx.

[34] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 en xx 01 05.

[35] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[36] Voeg zo nodig extra kolommen toe (wanneer de duur van de actie langer is dan 6 jaar).

[37] Verstrek, indien meer dan een methode wordt aangekruist, extra informatie onder Opmerkingen.

[38] Zoals beschreven in punt 5.3.

[39] Opzetten van de databank.

[40] Actualiseren en beheren van de databank en organiseren van desbetreffende onderzoeken.

[41] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[42] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[43] Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt.

[44] Verwijs naar het specifieke financieel memorandum voor de betrokken uitvoerende agentschappen.

[45] Vermeld het soort comité en de groep waartoe het behoort.

Top