Help Print this page 
Title and reference
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Zevende mededeling over de toepassing van de artikelen 4 en 5 van richtlijn 89/552/EEG ("Televisie zonder grenzen"), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG, gedurende de periode 2003-2004 {SEC(2006) 1073}

/* COM/2006/0459 def. */
Multilingual display
Text

52006DC0459

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Zevende mededeling over de toepassing van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG ("Televisie zonder grenzen"), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, gedurende de periode 2003-2004 {SEC(2006) 1073} /* COM/2006/0459 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 14.8.2006

COM(2006) 459 definitief

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Zevende mededeling over de toepassing van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG ("Televisie zonder grenzen"), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, gedurende de periode 2003-2004 {SEC(2006) 1073}

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Zevende mededeling over de toepassing van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG ("Televisie zonder grenzen"), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, gedurende de periode 2003-2004 (Voor de EER relevante tekst)

1. INLEIDING

Deze mededeling is opgesteld uit hoofde van artikel 4, lid 3, van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad[1] van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (de richtlijn "Televisie zonder grenzen")[2]. Zij bevat het verslag van de Commissie over de toepassing van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn[3] gedurende de periode 2003-2004 (het zevende verslag) met in het eerste deel het oordeel van de Commissie over de statistische overzichten van de lidstaten van de mate waarin het in de artikelen 4 en 5 bedoelde percentage voor elk van de televisieprogramma’s die onder hun bevoegdheid vallen, wordt gehaald. Artikel 4, lid 3, van de richtlijn bepaalt dat de Commissie in haar oordeel met name rekening mag houden met de in vergelijking met voorgaande jaren geboekte vooruitgang, het aantal voor het eerst uitgezonden programma’s binnen het programma-aanbod, de bijzondere omstandigheden voor nieuwe omroeporganisaties en de specifieke situatie van landen met een geringe audiovisuele productiecapaciteit of een beperkt taalgebied[4]. Het tweede deel van dit document bevat de belangrijkste conclusies die uit de verslagen van de lidstaten kunnen worden getrokken.

Het doel van deze tweejaarlijkse rapportage is tweeledig: in de eerste plaats kunnen de statistische overzichten van de lidstaten zo ter kennis worden gebracht van de andere lidstaten, het Europees Parlement en de Raad en ten tweede kan zo worden gecontroleerd of de maatregelen ter bevordering van Europese en onafhankelijke producties in de lidstaten correct worden toegepast. De tien lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, zijn voor de periode na de toetreding van 1 mei tot en met 31 december 2004 voor het eerst in dit verslag opgenomen. De Commissie heeft er nauwlettend op toegezien dat deze lidstaten aan deze gecompliceerde procedure kunnen deelnemen en – overeenkomstig het beginsel van geleidelijke verbetering – aan de doelstellingen van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" voldoen, met name ten aanzien van de in de artikelen 4 en 5 bedoelde percentages.

Voor aanvullende achtergrondinformatie wordt verwezen naar een werkdocument van de diensten van de Commissie[5].

2. OORDEEL VAN DE COMMISSIE OVER DE TOEPASSING VAN DE ARTIKELEN 4 EN 5

2.1. Algemene opmerkingen

2.1.1. De artikelen 4 en 5 in de context van een dynamisch Europees audiovisueel landschap

De eerste algemene opmerking betreft de gestage toename van het aantal televisiekanalen in Europa. Uit de evaluatie van de verslagen van de lidstaten blijkt dat het totale aantal gerapporteerde kanalen dat onder de artikelen 4 en 5 valt[6], is toegenomen van 584 in 2003 tot 767 in 2004. In de vorige referentieperiode was dit aantal gerapporteerde kanalen gestegen van 472 in 2001 tot 503 in 2002. Dit betekent een stijging van 61% over vier jaar (2001-2004), die vooral wordt veroorzaakt door de meest recente uitbreiding van de Europese Unie in 2004. Zelfs wanneer we kijken naar de EU-15, was er echter toch een significante stijging (39%) van 2001 tot 2004 en een stijging van 12% van 2003 tot 2004[7]. Deze groei vormt een weerspiegeling van de voortdurende stijging van het programma-aanbod en de permanente dynamiek van het Europese audiovisuele aanbod[8].

2.1.2. Wijze van uitvoering en controle door de lidstaten

De tweede algemene opmerking heeft betrekking op de manier waarop de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van de artikelen 4 en 5 nakomen en aan hun rapportageverplichting krachtens de richtlijn voldoen.

Er zijn vaak grote verschillen tussen de lidstaten wat de aard en intensiteit van de controle betreft: dagelijkse controle van het programma-aanbod, statistische verslagen, enquêtes, steekproeven of in enkele gevallen niet meer dan ramingen. De controle kan zijn uitgevoerd door een onafhankelijke regelgevende instantie, het bevoegde ministerie of een private onderzoekinstelling. In sommige lidstaten gaat de overheid af op de percentages die door de omroepen worden gerapporteerd.

De meeste lidstaten hebben de Commissie volledige en uitgebreide informatie verstrekt. Dit is een duidelijke verbetering in vergelijking met de vorige rapportageperiode, toen sommige lidstaten relevante gegevens voor een aanzienlijk aantal kanalen uit hun verslag hadden weggelaten. Er zijn slechts enkele lidstaten die hun rapportage nog moeten verbeteren, vooral waar het gaat om de in artikel 5 bedoelde percentages [9]. Eén lidstaat bleef een groot aantal satellietkanalen "vrijstellen" van de rapportageverplichting uit hoofde van artikel 5[10]. De Commissie wijst erop dat de rapportageverplichting uit hoofde van artikel 4, lid 3, van de richtlijn geldt voor elk televisiekanaal dat onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat valt, ongeacht de wijze van uitzending of de kijkdichtheid[11]. Elke lidstaat dient een volledige lijst te verstrekken van alle kanalen die onder de artikelen 4 en 5 van de richtlijn vallen met volledige gegevens over elk kanaal. De lidstaten zijn niet bevoegd om algemene "vrijstellingen" van de verplichtingen uit hoofde van de richtlijn te verlenen, behalve wanneer het gaat om gevallen die in de richtlijn worden genoemd en wanneer er specifieke redenen worden vermeld.

Tevens moeten de verschillen qua toepassing en interpretatie van de richtlijn in elke lidstaat worden vermeld. Zo wordt in artikel 5 bijvoorbeeld bepaald dat de verplichting om minimaal 10% van de omroeptijd te reserveren (minimaal percentage) mag worden gebaseerd op de zendtijd van de omroep of het programmabudget; deze keus wordt bij de omzetting van de richtlijn door de lidstaat gemaakt[12]. Een ander voorbeeld is dat bepaalde lidstaten een positieve definitie hebben geformuleerd van programma's die onder de artikelen 4 en 5 vallen, waardoor het moeilijker wordt om de vereiste percentages te halen. Andere lidstaten hebben de negatieve definitie van zendtijd die in aanmerking komt in de artikelen 4 en 5, waarbij informatie, sport, spel, reclame, teletekst en telewinkelen worden uitgesloten, rechtstreeks in hun nationale recht overgenomen. Deze en andere verschillen maken het moeilijker om vergelijkbare en betrouwbare gegevens te krijgen die aangeven hoe Europese televisiekanalen de artikelen 4 en 5 toepassen. Ondanks deze variaties helpen onderstaande resultaten bij het signaleren van de belangrijkste tendensen op dit gebied en bij het trekken van conclusies over de effectiviteit van de door de lidstaten vastgestelde uitvoeringsmaatregelen[13].

2.1.3. Analyse- en beoordelingsinstrumenten

Krachtens artikel 4, lid 3, van de richtlijn moet de Commissie toezien op de toepassing van de artikelen 4 en 5 overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag. Om de lidstaten te helpen bij hun toezichthoudende taak zijn er richtsnoeren[14] opgesteld voor het toezicht op de uitvoering van de artikelen 4 en 5. Deze richtsnoeren zijn bedoeld als hulpmiddel voor de lidstaten bij hun rapportageverplichting krachtens artikel 4, lid 3, doordat zij bepaalde termen definiëren en sleutelbegrippen verduidelijken om zo verschillen in interpretatie te voorkomen.

Daarnaast is een reeks nieuwe indicatoren[15] ontwikkeld om een objectief analyseschema te krijgen om de door de lidstaten ingediende statistische overzichten beter te kunnen beoordelen[16]. Aangezien de lidstaten gedetailleerdere of strengere voorschriften kunnen vaststellen op de gebieden die onder de richtlijn vallen[17], helpen deze indicatoren bij de beoordeling van de voortgang bij de toepassing van de artikelen 4 en 5 op zowel communautair als nationaal niveau.

Het in dit document opgenomen oordeel van de Commissie moet tegen deze algemene achtergrond worden gezien. Het signaleert de algemene tendensen bij de toepassing van de maatregelen ter bevordering van de productie en distributie van Europese televisieprogramma’s op communautair niveau [18].

2.2. Toepassing van artikel 4

In dit deel wordt nagegaan in hoeverre het in artikel 4[19] van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" vermelde "grootste gedeelte" voor Europese producties op Europees niveau wordt gehaald.

Het EU-gemiddelde van de zendtijd die alle onder de richtlijn vallende kanalen[20] in alle lidstaten voor Europese producties hebben gereserveerd, bedroeg 65,18% in 2003 en 63,32% in 2004 , hetgeen neerkomt op een daling van 1,86 procentpunt in de referentieperiode. In de vorige rapportageperiode was het gemiddelde percentage voor Europese producties in de EU-15 66,95% in 2001 en 66,10% in 2002. Dit komt neer op een daling van 3,63 procentpunt over vier opeenvolgende jaren (2001-2004). Wanneer we naar zes jaar kijken (1999-2004), is er sprake van een algehele stijging van 2,64 procentpunt bij de programmering van Europese producties. Dit betekent een algehele stijgende tendens op middellange termijn . Bovenstaande resultaten moeten in het licht van twee belangrijke factoren worden bezien. In de eerste plaats gelden de gegevens tot en met 2003 voor de EU-15, terwijl in de gegevens voor 2004 al de tien lidstaten zijn opgenomen die op 1 mei 2004 tot de EU zijn toegetreden. Voor de periode na de toetreding (van 1 mei tot en met 31 december 2004) hadden zij voor Europese producties een gecombineerd gemiddeld uitzendpercentage van 61,77%. Aangezien de omroepen en regelgevers in de toetredende lidstaten geen ervaring hadden met de uitvoering en toepassing van de maatregelen ter bevordering van Europese producties en met de rapportage over de toepassing daarvan, kan een gemiddelde dat minder dan 3 procentpunt lager is dan het gemiddelde in de EU-15 als een goed resultaat worden beschouwd en wijst dit op een algehele correcte toepassing van artikel 4 in de hele EU . In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat de gemiddelde percentages Europese producties voor de vorige rapportageperioden uitsluitend op de gegevens over de kanalen met de hoogste kijkcijfers waren gebaseerd. Voor de rapportageperiode 2003-2004 heeft de Commissie gegevens over alle betrokken kanalen (zowel hoofd- als nevenzenders) opgenomen, ongeacht de kijkdichtheid van deze kanalen[21].

Op lidstaat-niveau varieerde de gemiddelde zendtijd in 2003 tussen 52,75% (Ierland) en 86,2% (Denemarken) en in 2004 tussen 49,12% (Tsjechië) en 86,33% (Denemarken). Voor de gemiddelde zendtijd voor Europese producties in de referentieperiode (2003-2004) was er in zeven lidstaten een stijgende en in acht lidstaten een dalende tendens.

Wanneer we naar het totale aantal kanalen kijken dat het in artikel 4 vermelde "grootste gedeelte" heeft gehaald of overschreden, zien we voor alle kanalen in alle lidstaten een gemiddeld nalevingspercentage van 68,20% in 2003 en 72,80% in 2004 , hetgeen neerkomt op een stijging van 4,60 procentpunt over de referentieperiode . In vergelijking met de vorige referentieperiode (69,93% in 2001 en 74,53% in 2002) is er sprake van een stijging van 2,87 procentpunt over een periode van vier jaar (2001-2004). Gelet op de stijging van het aantal kanalen, vooral themakanalen, in dezelfde periode is dit een opmerkelijk resultaat. Het gemiddelde nalevingspercentage voor alle onder de richtlijn vallende kanalen per lidstaat varieerde in 2003 van 50% (België en Ierland) tot 100% (Finland) en in 2004 van 45% (Verenigd Koninkrijk) tot 100% (Estland, Letland, Malta en Slowakije). In de loop van de referentieperiode is het nalevingspercentage in tien lidstaten gestegen, in twee lidstaten gelijk gebleven en in drie lidstaten gedaald.

Bovenstaande resultaten wijzen erop dat de doelstellingen van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" wat de programmering van Europese producties betreft op communautair niveau ruimschoots worden gehaald . Met name als we bedenken dat in deze cijfers de tien lidstaten zijn opgenomen die in 2004 tot de EU zijn toegetreden, is dit een bemoedigende indicatie dat artikel 4 in de hele Europese Unie effectief wordt toegepast.

2.3. Toepassing van artikel 5

In dit deel wordt nagegaan in hoeverre de in artikel 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" bedoelde percentages op Europees niveau worden gehaald[22].

Het EU-gemiddelde van het percentage zendtijd dat door alle onder de richtlijn vallende kanalen in alle lidstaten was gereserveerd voor de uitzending van Europese producties van onafhankelijke[23] producenten ("onafhankelijke producties") was 31,39% in 2003 en 31,50% in 2004 , hetgeen neerkomt op een stijging van 0,11 procentpunt over de referentieperiode. In vergelijking met de vorige referentieperioden (37,51% in 1999, 40,47% in 2000, 37,75% in 2001 en 34,03% in 2002) was er sprake van een aanzienlijke daling van 6,25 procentpunt over vier jaar (2001-2004) en een even grote daling (6,01 procentpunt) over zes opeenvolgende jaren (1999-2004). Derhalve kan worden gesteld dat er op middellange termijn een algehele dalende tendens is. Opmerkelijk genoeg was er vrijwel geen verschil tussen de resultaten van de kanalen in de EU-15 en in de tien lidstaten die in 2004 tot de EU zijn toegetreden, waarvan de kanalen een gemiddeld resultaat van 31,55% haalden, wat zelfs nog hoger is dan het gemiddelde van de EU-15 (31,47%).

Op lidstaat-niveau varieerden de gemiddelde percentages in 2003 van 15,81% (Denemarken[24]) tot 44,95% (Oostenrijk) en in 2004 van 16,24% (Slovenië) tot 46,38% (Oostenrijk). In de loop van de referentieperiode is het gemiddelde percentage onafhankelijke producties in acht lidstaten gestegen en in zeven lidstaten gedaald. In de meeste lidstaten was er derhalve een stijgende tendens.

Het EU-gemiddelde van het nalevingspercentage voor kanalen in alle lidstaten was 78,40% in 2003 en 81,92% in 2004 , hetgeen neerkomt op een stijging van 3,52 procentpunt . In vergelijking met de vorige referentieperioden (85,02% in 1999, 84,81% in 2000, 90,67% in 2001 en 89,13% in 2002) is het nalevingspercentage over vier jaar (2001-2004) gedaald met 8,75 procentpunt en over zes jaar (1999-2004) met 3,10 procentpunt, hetgeen neerkomt op een lichte daling op middellange termijn bij de naleving van de minimale eis voor het uitzenden van onafhankelijke producties. Het gemiddelde nalevingspercentage voor kanalen per lidstaat varieerde in 2003 van 44% (Italië[25]) tot 100% (Griekenland, Ierland en Finland) en in 2004 van 27% (Italië[26]) tot 100% in negen lidstaten (Cyprus, Estland, Griekenland, Ierland, Letland, Litouwen, Malta, Slowakije en Finland). Het gemiddelde nalevingspercentage is in zeven lidstaten gestegen, in vier lidstaten gelijk gebleven (in twee gevallen op 100%) en in vier lidstaten gedaald. De algehele ontwikkeling is derhalve positief.

Het EU-gemiddelde van het aandeel voor recente Europese producties van onafhankelijke producenten ("recente producties"[27]) was 71,66% in 2003 en 69,09% in 2004 , hetgeen neerkomt op een daling van 2,57 procentpunt in de referentieperiode. (Deze percentages hebben betrekking op alle (al dan niet recente) Europese producties van onafhankelijke producenten. In vergelijking met de vorige referentieperioden (53,80% in 1999, 55,71% in 2000, 61,78% in 2001 en 61,96% in 2002) was er over vier jaar (2001-2004) een stijging van 7,31 procentpunt en over zes jaar een nog grotere stijging van 15,29 procentpunt, hetgeen neerkomt op een stijging van bijna 30% van 1999 tot 2004. Dit betekent dat er op middellange termijn aanzienlijke vorderingen bij de ontwikkeling van recente producties zijn geboekt .

Op lidstaat-niveau varieerde het gemiddelde aandeel in 2003 van 31,87% (Griekenland) tot 97,50% (Ierland) en in 2004 van 22,2% (Cyprus) tot 100% (Slowakije). Eén lidstaat heeft geen gegevens over recente producties gerapporteerd. In zeven lidstaten was er sprake van een groei van het gemiddelde aandeel van recente producties, in één lidstaat was het stabiel en in zeven lidstaten was er een afname. Ook in deze rapportageperiode bleef het aandeel van recente producties boven 20% van de totale in aanmerking komende zendtijd, waarbij echter wel een lichte daling van 1,55 procentpunt over vier jaar moet worden gesignaleerd[28].

3. CONCLUSIES

Uit de gerapporteerde gegevens blijkt dat er in deze referentieperiode op communautair niveau voor het eerst een lichte daling bij de programmering van Europese producties (artikel 4) valt te constateren. De tendens op middellange termijn (1999-2004) is echter positief. Bij de beoordeling van de vorderingen in het kader van artikel 4 moeten twee factoren worden meegewogen. In de eerste plaats zijn in de cijfers voor 2004 de tien lidstaten opgenomen die in 2004 tot de EU zijn toegetreden. Daarnaast is ook de berekeningsmethode gewijzigd: ook nevenzenders met een kijkdichtheid van minder dan 3% tellen nu mee voor de gemiddelde percentages Europese producties. Rekening houdend met deze factoren is de daling betrekkelijk klein geweest. Bovendien is het gemiddelde EU-nalevingspercentage in deze referentieperiode met meer dan 4 procentpunt gestegen. Uit deze resultaten blijkt dat er op korte termijn weliswaar sprake is van een licht dalende tendens, maar dat de programmering van Europese producties zich in de EU gestabiliseerd heeft op een niveau dat duidelijk hoger ligt dan 60% van de totale in aanmerking komende zendtijd . Vooral voor de tien lidstaten die voor het eerst aan deze rapportageprocedure hebben deelgenomen, is dit een bemoedigende ontwikkeling. Globaal bezien is de toepassing van artikel 4 van de richtlijn op Europees niveau derhalve bevredigend geweest.

Wat de toepassing van artikel 5 betreft, kan de lichte stijging in deze referentieperiode (+ 0,11 procentpunt) als een positieve ontwikkeling worden beschouwd, wanneer wordt bedacht dat in de gegevens over 2004 de tien lidstaten zijn opgenomen die in 2004 tot de EU zijn toegetreden. Deze stijgende tendens op korte termijn valt echter weg tegen de sterke daling van meer dan 6 procentpunt (een afname met meer dan 16%) die op middellange termijn in vergelijking met de gemiddelden voor 1999 of 2001 wordt geconstateerd. Voor deze dalende tendens op middellange termijn zijn er echter drie tot op zekere hoogte compenserende factoren. Ten eerste is in de rapportageperiode het EU-gemiddelde van het nalevingspercentage gestegen , hetgeen inhoudt dat in 2004 aanzienlijk meer kanalen in de EU het in artikel 5 vastgestelde minimale percentage hebben gehaald dan in 2003. Dit komt ook tot uiting in het aantal gevallen waarin geen gegevens zijn verstrekt, dat in vergelijking met de vorige referentieperioden sterk is gedaald en betrekkelijk gering is. In de tweede plaats was er een betrekkelijk hoog percentage uitzendingen van recente Europese producties van onafhankelijke producenten [29]. Ten opzichte van de onafhankelijke producties is het aantal recente producties in zes jaar tijd met 30% gestegen[30]. Ten derde moet worden bedacht dat de percentages ruim boven het in de richtlijn vastgestelde minimum van 10% zijn gebleven. Globaal bezien kan dan ook worden gesteld dat de toepassing van artikel 5 in het algemeen bevredigend is geweest.

Uit de evaluatie van bovenstaande resultaten en een gedetailleerde analyse van de verslagen van de lidstaten[31] kan uiteindelijk worden geconcludeerd dat de doelstellingen van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" in deze referentieperiode (2003-2004) net als in vorige rapportageperioden zowel op Europees als op lidstaat-niveau, ook voor de tien lidstaten die in 2004 tot de EU zijn toegetreden, ruimschoots zijn gehaald .

[pic]

[1] PB L 298 van 17.10.1989.

[2] PB L 202 van 30.7.1997.

[3] De richtlijn "Televisie zonder grenzen" of "de richtlijn".

[4] Er kunnen ook nog andere criteria worden gehanteerd.

[5] SEC(2006) 1073 – hierna "werkdocument" genoemd.

[6] Zie indicator 1 in achtergronddocument ("document") 1 van het werkdocument.

[7] Deze ontwikkeling wordt bevestigd door gegevens die zijn gepubliceerd door het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector (EAO). In de EU-15 waren er in januari 2004 in totaal ongeveer 881 kanalen tegen 780 in het jaar daarvoor; zie EAO: jaarboeken 2005/2004/2003, Film, Televisie, Video en Multimedia, deel 5, tabellen T.21.1. Hieronder vallen publieke en private nationale kanalen met een omroepvergunning voor analoge ethertelevisie en kanalen voor kabel- en/of satelliet- en/of digitale ethertelevisie. Niet-Europese kanalen die zich richten op lidstaten van de EU, kanalen die zich richten op derde landen en regionale, lokale of territoriale kanalen en regionale of lokale "blokken" van nationale kanalen blijven buiten beschouwing.

[8] Zie grafiek 1 in document 2 van het werkdocument.

[9] Tsjechië heeft voor meer dan 50% van de onder artikel 5 vallende kanalen niet de percentages meegedeeld voor producties van onafhankelijke producenten en recente producties. Frankrijk en Zweden hebben voor meer dan 20% van de onder artikel 5 vallende kanalen onder hun bevoegdheid geen gegevens over artikel 5 meegedeeld. Letland heeft over recente producties helemaal geen gegevens gerapporteerd en Denemarken slechts voor minder dan 2/3 van de onder artikel 5 vallende kanalen.

[10] Net als in eerdere verslagen worden in het statistisch overzicht van Italië alle satelliet- en kabelkanalen, hetgeen neerkomt op ongeveer 50% van alle onder de richtlijn vallende kanalen die onder de bevoegdheid van Italië vallen, systematisch "vrijgesteld". De Commissie beschouwt deze "vrijgestelde" kanalen als "niet gerapporteerd", hetgeen betekent dat het nalevingspercentage van Italië voor artikel 5 (zie indicator 5 in document 1) door deze omissie negatief wordt beïnvloed. Italië heeft in 2005 nieuwe maatregelen vastgesteld om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met zijn verplichtingen krachtens artikel 5. De Commissie zal op de voet blijven volgen in hoeverre de juridische en feitelijke toepassing van artikel 5 door Italië in overeenstemming is met het communautaire recht. Tevens dient te worden vermeld dat Italië niet voldoet aan de rapportagenormen voor recente producties, die zijn gerapporteerd als percentage van alle Europese producties in plaats van als percentage van Europese producties van onafhankelijke producenten, waardoor het moeilijker wordt het aantal recente producties voor heel Europa te vergelijken of een EU-gemiddelde te berekenen. Deze rapportagemethode dient aan artikel 5 te worden aangepast.

[11] In artikel 4, lid 3, wordt bepaald: "Dit verslag bevat met name een statistisch overzicht van de mate waarin het in het onderhavige artikel en in artikel 5 genoemde gedeelte voor elk van de televisieprogramma's die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen, is bereikt, de redenen waarom dat in bepaalde gevallen niet is gebeurd, alsmede de maatregelen die in verband daarmee genomen zijn of overwogen worden.".

[12] In de praktijk heeft alleen Frankrijk van deze mogelijkheid gebruik gemaakt: voor drie satelliet- of kabelkanalen wordt de berekening op het programmabudget gebaseerd en voor de zes etherkanalen wordt deze op de inkomsten van de kanalen gebaseerd.

[13] In deze context heeft het onafhankelijke onderzoek van David Graham and Associates, dat in mei 2005 is afgerond ("Impact Study of Measures Concerning the Promotion of Distribution and Production of TV Programmes provided for under Article 25(a) of the "Television without Frontiers" Directive"), bijgedragen tot de evaluatie van de economische en culturele effecten van de artikelen 4 en 5 en de uitvoeringsmaatregelen in de EU-15; zie http://europa.eu.int/comm/avpolicy/stat/studi_en.htm.

[14] Zie de voorgestelde richtsnoeren van 11 juni 1999: http://europa.eu.int/comm/avpolicy/regul/twf/art45/controle45_en.pdf.

[15] Zie document 1 van het werkdocument.

[16] Zo worden de nalevingspercentages (indicatoren 3 en 4) negatief beïnvloed door kanalen waarvoor geen gegevens zijn gerapporteerd.

[17] Zie artikel 3, lid 1: In de praktijk hebben de meeste lidstaten van deze mogelijkheid gebruik gemaakt (zo worden bijvoorbeeld in Italië studioproducties niet meegerekend en heeft Duitsland een positieve definitie van in aanmerking komende programma's). In zes lidstaten (E, F, I, NL, SF, UK) zijn de verplichte percentages voor sommige of alle omroepen hoger dan in de richtlijn (zo moet in Frankrijk bijvoorbeeld 60% van de zendtijd voor Europese producties worden gereserveerd en in het Verenigd Koninkrijk en Nederland 25% voor producties van onafhankelijke producenten).

[18] Gedetailleerde gegevens over de toepassing per lidstaat zijn opgenomen in document 4 van het werkdocument.

[19] In artikel 4, lid 1, wordt bepaald: "Voor zover mogelijk zien de lidstaten er met passende middelen op toe dat de omroeporganisaties het grootste gedeelte van hun niet aan informatie, sport, spel, reclame, teletekst en telewinkelen gewijde zendtijd reserveren voor Europese producties in de zin van artikel 6.".

[20] Zie punt 2.1.1 (indicator 1 in document 1 van het werkdocument).

[21] De tot op heden gevolgde aanpak waarbij kanalen met een kijkdichtheid van minder dan 3% in het kader van artikel 4 werden uitgesloten (het "de-minimis-criterium"), had wellicht het voordeel dat deze meer "gewogen" resultaten opleverde, maar er is in de richtlijn "Televisie zonder grenzen" geen motivering voor deze aanpak te vinden. Tevens blijkt uit bijlage 7 van het werkdocument dat er feitelijk maar een heel klein verschil is tussen het EU-gemiddelde van de zendtijd voor Europese producties bij de hoofdzenders ( 64,45% in 2003 en 63,87% in 2004 ) en het gemiddelde voor alle kanalen. Daarom wordt in dit verslag, dat ook voor het eerst de situatie in de EU-25 weergeeft, een andere methodologie gevolgd en bevat dit de gemiddelde percentages Europese producties voor alle kanalen die onder artikel 4 vallen. In bijlage 7 van het werkdocument worden de kanalen met een kijkdichtheid van meer dan 3% vermeld met de respectieve percentages zendtijd die daar voor Europese producties gereserveerd zijn.

[22] In artikel 5 wordt bepaald: "Telkens wanneer dat mogelijk is, zien de lidstaten er met passende middelen op toe dat de omroeporganisaties ten minste 10% van hun niet aan informatie, sport, spel, reclame, teletekst en telewinkelen gewijde zendtijd of, bij wijze van alternatief, naar keuze van de lidstaat, ten minste 10% van hun programmabudget, reserveren voor Europese producties die door van de televisie-omroeporganisaties onafhankelijke producenten zijn vervaardigd.".

[23] In de zin van overweging 31 van Richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997, waarin wordt bepaald dat (niet-volledige criteria): "… de lidstaten bij de definitie van het begrip "onafhankelijke producent" naar behoren rekening dienen te houden met criteria als de eigendom van de productiemaatschappij, de hoeveelheid programma’s die aan dezelfde omroeporganisatie worden geleverd en de eigendom van de secundaire rechten".

[24] Het is opmerkelijk dat de Deense kanalen in zowel 2003 als 2004 de hoogste gemiddelde percentages Europese producties hadden (zie punt 2.2) maar ook heel lage percentages onafhankelijke producties, hetgeen erop wijst dat het percentage interne omroepproducties in Denemarken erg hoog is.

[25] Zoals reeds is vermeld, beschouwt de Commissie 39 van de 57 in 2003 "vrijgestelde" satellietkanalen als "niet gerapporteerd", hetgeen negatieve gevolgen heeft voor het nalevingspercentage (indicator 5).

[26] De Commissie beschouwt 43 van de 60 in 2004 "vrijgestelde" satellietkanalen als "niet gerapporteerd".

[27] D.w.z. producties die binnen vijf jaar nadat ze gemaakt zijn, worden uitgezonden.

[28] Zie overzicht grafiek 2 in document 2 van het werkdocument.

[29] Over een periode van zes jaar was steeds meer dan een vijfde van de totale in aanmerking komende zendtijd gewijd aan recente Europese producties, die goed waren voor ongeveer twee derde van het totale aantal producties van onafhankelijke producenten. In 2003 lag deze verhouding nog hoger en viel meer dan 71% van alle onafhankelijke producties in de categorie recente producties.

[30] In absolute cijfers (ten opzichte van de totale in aanmerking komende zendtijd) wordt deze positieve ontwikkeling echter tenietgedaan door de gelijktijdige daling van het aantal onafhankelijke producties.

[31] Zie document 3 van het werkdocument.

Ontwikkeling van de belangrijkste indicatoren (2001 - 2004)

(voor de hele Gemeenschap)

Percentage van totale in aanmerking komende zendtijd

Top