Help Print this page 
Title and reference
Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen {SEC(2005) 1683} {SEC(2005) 1684}

/* COM/2005/0670 def. */
Multilingual display
Text

52005DC0670

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen {SEC(2005) 1683} {SEC(2005) 1684} /* COM/2005/0670 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 21.12.2005

COM(2005) 670 definitief

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE EN HET COMITE VAN DE REGIO’S

Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen

{SEC(2005) 1683}{SEC(2005) 1684}

INHOUDSOPGAVE

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE EN HET COMITE VAN DE REGIO’S

Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen 4

1. Inleiding 4

2. Europees milieubeleid en hulpbronnengebruik – problemen en beleidsrespons 5

3. De EU neemt de handschoen op – doel van de strategie 7

4. Voortbouwen op het bestaande beleidskader: toepassing van de levenscyclusbenadering in het bestaande beleid 8

5. Nieuwe initiatieven – een basis voor de komende 25 jaar 9

5.1. Opbouw van de kennisbasis - een datacentrum ten behoeve van de beleidsmakers om de kennisbasis inzake hulpbronnengebruik en de milieueffecten daarvan te verbreden en te verfijnen 10

5.2. Meting van de vooruitgang – ontwikkeling van indicatoren 11

5.3. De interne dimensie – de lidstaten en het Forum op hoog niveau 11

5.4. De mondiale dimensie – een internationaal panel voor duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen 12

6. Verwachte effecten en resultaten 13

7. Toetsing 14

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE EN HET COMITE VAN DE REGIO’S

Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen

1. INLEIDING

De Europese economie is afhankelijk van natuurlijke hulpbronnen, waaronder grondstoffen zoals mineralen, biomassa en biologische hulpbronnen; milieumedia zoals lucht, water en bodem; “dynamische” hulpbronnen zoals wind, aardwarmte, getijdenenergie en zonne-energie; en ruimte (bruikbare oppervlakte). Of die hulpbronnen nu direct worden aangewend voor de fabricage van producten, dan wel fungeren als “putten” waarin wij bepaalde emissies kwijt kunnen (bodem, lucht en water), zij zijn in elk geval van essentieel belang voor een goed functionerende economie en voor het handhaven van onze levenskwaliteit. De wijze waarop zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare hulpbronnen worden gebruikt en het tempo waarin hernieuwbare hulpbronnen worden geëxploiteerd, leiden tot een snelle aantasting van het regeneratievermogen van onze planeet. Daardoor dreigt de beschikbaarheid van de hulpbronnen en ecosysteemdiensten waarop onze welvaart en economische groei zijn gebaseerd, in het gedrang te komen. Zoals in het recente VN-rapport “Millennium Ecosystem Assessment”[1] wordt gesteld, heeft de mensheid de voorbije 50 jaar - hoofdzakelijk om te voorzien in de snelgroeiende vraag naar voedsel, drinkbaar water, hout, vezelproducten en brandstoffen - de ecosystemen sneller en ingrijpender veranderd dan ooit voorheen in een vergelijkbaar historisch tijdvak het geval is geweest.

Indien het huidige patroon van hulpbronnengebruik in Europa gehandhaafd blijft, zijn milieubederf en uitputting van de natuurlijke hulpbronnen onvermijdelijk. Deze kwestie heeft overigens ook een mondiale dimensie. De EU is in hoge mate afhankelijk van hulpbronnen die van buiten Europa worden aangevoerd, en de milieueffecten van het hulpbronnengebruik door de EU en andere belangrijke economieën zijn wereldwijd waarneembaar. Terzelfder tijd slorpen de groeiende economieën van ontwikkelingslanden zoals China, India en Brazilië in steeds hoger tempo natuurlijke rijkdommen op. Indien de hele wereld het consumptiepatroon dat wij gewend zijn zou overnemen, zou het mondiale hulpbronnengebruik op 20 jaar tijd ongeveer verviervoudigen. Het negatieve milieueffect daarvan zou aanzienlijk zijn. Een gecoördineerde benadering die anticipeert op de noodzaak om over te schakelen op een duurzamer consumptiepatroon dat voor Europa en de hele wereld economische en milieuvoordelen kan opleveren, biedt wellicht een alternatief.

De beleidsmakers zien zich voor de uitdaging geplaatst om economische groei te bevorderen en te stimuleren maar er tegelijk voor te zorgen dat de toestand van het milieu niet verslechtert. Deze twee doelstellingen zijn niet met elkaar in strijd. Efficiënte aanwending van de hulpmiddelen draagt bij tot economische groei. Inefficiënt grondstoffengebruik en overexploitatie van de hernieuwbare rijkdommen remmen die groei op lange termijn af.

Bijgevolg is duurzaam gebruik van de natuurlijke rijkdommen, hetgeen zowel duurzame productie als dito consumptie behelst, een essentiële voorwaarde voor welvaart op lange termijn in de EU en in de hele wereld. In de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid[2], die op de voorjaarstop van 2005 is bekrachtigd, wordt aan duurzamer gebruik van de natuurlijke hulpbronnen dan ook een hoge prioriteit toegekend. In dit document wordt de EU voorts opgeroepen om in de context van de wereldeconomie het voortouw te nemen op het stuk van duurzamere consumptie en productie. Europa heeft dus behoefte aan een langetermijnstrategie die de milieueffecten van de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de externe dimensie daarvan (d.w.z. de effecten die zich voordoen buiten de EU, ook in ontwikkelingslanden), in de beleidsvorming integreert. Deze thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen (hierna “de strategie” genoemd) wil hierop een antwoord bieden. Zij moet worden gezien in samenhang met de onlangs herziene strategie voor duurzame ontwikkeling[3], waartoe zij trouwens ook bijdraagt.

In de strategie wordt beklemtoond hoe belangrijk het is, de zorg voor het milieu te integreren in andere takken van het beleid die medebepalend zijn voor de milieueffecten van het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen. Het is echter niet de bedoeling om specifieke initiatieven ten uitvoer te leggen op gebieden die reeds het voorwerp uitmaken van een goed doortimmerd beleid. De strategie omschrijft een analytisch kader dat het mogelijk maakt om in de beleidsontwikkeling door overheidsinstanties stelselmatig rekening te houden met het milieueffect van hulpbronnengebruik. Als deze aanpak wordt toegepast, zal dit ertoe bijdragen een toestand te benaderen waarin de Europese economie haar groeidoelstellingen realiseert door efficiënter gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, zonder verdere afbrokkeling van de voor de toekomst beschikbare reserves.

2. EUROPEES MILIEUBELEID EN HULPBRONNENGEBRUIK – PROBLEMEN EN BELEIDSRESPONS

Hulpbronnengebruik vormt al dertig jaar een onderwerp van discussie in het Europese milieubeleid. In de jaren zeventig, in de nasleep van de eerste oliecrisissen, vormden de schaarste van natuurlijke hulpbronnen en de grenzen van de groei een belangrijk punt van zorg. Zoals de Commissie echter reeds in haar mededeling “Naar een thematische strategie voor het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen”[4] heeft aangegeven, heeft die schaarste niet tot de destijds voorspelde milieuproblemen geleid. Op wereldschaal is er geen sprake van uitputting van de fossiele-brandstoffenreserves en de markt heeft zich via het prijsmechanisme aan de schaarste aangepast. Het gebruik van diverse metalen en delfstoffen is afgenomen, niet zozeer omdat de reserves uitgeput raken maar omdat de technologie evolueert. Een en ander neemt niet weg dat een snelle toename van de vraag alsook bottlenecks bij de toelevering kunnen leiden tot acute economische en ecologische problemen, zoals door de recente prijsstijgingen van een hele reeks grondstoffen wordt geïllustreerd.

De aantasting van de natuurlijke reserves is en blijft dus een heikel punt. Aanvankelijk was het milieubeleid toegespitst op de “zichtbare” problemen die door emissies en afval worden veroorzaakt: er werd in eerste instantie werk gemaakt van de bestrijding van verontreiniging door puntbronnen zoals fabrieken en krachtcentrales. Dat heeft resultaten opgeleverd. Lucht- en waterkwaliteit zijn verbeterd. Een groter aandeel van het geproduceerde afval wordt gerecycleerd en er wordt minder afval gestort. Voorts blijkt uit een analyse van de materiaal- en afvalstromen in de EU, inclusief de in- en uitvoerstromen, dat de “consumptie” per inwoner van de EU de voorbije twintig jaar zo goed als ongewijzigd is gebleven op een niveau van 16 ton per jaar. Toch is de economie over dezelfde periode met 50 % gegroeid. Dit betekent dat de materiaalefficiëntie in Europa aanzienlijk is toegenomen. Ondanks deze verbetering hebben stijgende productievolumes in vele gevallen de eventuele milieuverbetering of efficiëntietoename tenietgedaan, en is het huidige beleid ontoereikend gebleken om bepaalde fundamenteel onduurzame trends op Europees of wereldniveau om te buigen.

Willen wij meer succes boeken bij de omkering van deze onduurzame trends, de beheersing van de aantasting van het milieu en de instandhouding van de essentiële diensten die door de natuurlijke hulpbronnen worden geleverd, dan moet in het milieubeleid de aandacht worden verlegd naar andere aspecten dan de beheersing van emissies en afvalproductie. Er moeten manieren worden ontwikkeld om de negatieve milieueffecten van materiaal- en energiegebruik gedurende de hele levenscyclus van een product in kaart te brengen (“ van-wieg-tot-graf ”-benadering) en het relatieve belang van die effecten te bepalen. Een dergelijk inzicht in de causale achtergronden van wereldwijde en cumulatieve milieueffecten is noodzakelijk om gericht de beleidsmaatregelen te kunnen nemen die voor het milieu het meeste effect sorteren en voor de overheidsinstanties en de deelnemers aan de markt het kostenefficiëntst zijn.

Ook kan het onderzoek van de levenscyclus van producten niet worden beperkt tot een min of meer kunstmatig afgebakend geografisch gebied. In een tijdperk van mondialisering, en in de context van een wereldeconomie waarin Europa een actieve rol speelt, veronderstelt deugdelijke beleidsvorming ook kennis van het traject van de hulpbronnen door de mondiale economie, de drijvende krachten daarachter en de gevolgen die zich voordoen op de plaatsen waar de hulpbronnen worden ontgonnen en gebruikt.

Dit wordt erkend in het zesde Milieuactieprogramma (6e MAP)[5], waarin wordt opgeroepen tot de ontwikkeling van “ een thematische strategie voor het duurzame gebruik en beheer van hulpbronnen … ”. Deze strategie is gebaseerd op een analyse van het hulpbronnengebruik in de EU en van de bestaande analytische en beleidsraamwerken. Zij werd opgesteld in nauw overleg met de belanghebbende partijen.[6]

De strategie bouwt voort op een benadering die het beste rendement oplevert voor investeringen in milieubescherming. Eén element daarvan is dat de eindige middelen waarover de overheidsinstanties en de economische subjecten beschikken, op de belangrijkste milieuproblemen worden geconcentreerd.

3. DE EU NEEMT DE HANDSCHOEN OP – DOEL VAN DE STRATEGIE

De strategische benadering die op een duurzamere benutting van de natuurlijke hulpbronnen is gericht, moet gaandeweg resulteren in een grotere grondstoffenefficiëntie, gepaard aan vermindering van de negatieve milieueffecten van het hulpbronnengebruik, waardoor een globale verbetering van het milieu hand in hand kan gaan met economische groei. De algemene doelstelling bestaat er dan ook in dat de negatieve milieueffecten waarmee de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in een groeiende economie gepaard gaat, worden verminderd – een verschijnsel dat "ontkoppeling" wordt genoemd.[7] In de praktijk komt dit erop neer dat de milieueffecten van hulpbronnengebruik naar omlaag moeten, terwijl terzelfder tijd de globale productiviteit van de hulpbronnen over het geheel van de EU-economie wordt verbeterd. Voor hernieuwbare hulpbronnen betekent dit ook dat de drempel van overexploitatie niet wordt overschreden.

Met het oog op deze doelstelling zijn in de strategie acties opgenomen ter:

- verbetering van ons inzicht in en onze kennis van het hulpbronnengebruik in Europa, de negatieve milieueffecten daarvan alsook het belang ervan op EU- en wereldschaal;

- ontwikkeling van instrumenten voor de bewaking en de rapportage van de in de EU, de lidstaten en de afzonderlijke economische sectoren geboekte resultaten;

- bevordering van de toepassing van strategische benaderingen en processen in de lidstaten en in de afzonderlijke sectoren, waarbij deze worden aangemoedigd om op dit gebied plannen en programma’s uit te werken; en

- intensivering van de bewustmaking van belanghebbende partijen en burgers ten aanzien van het aanzienlijke negatieve milieueffect dat aan hulpbronnengebruik is verbonden.

De strategie zal het makkelijker maken om snel gegevens te vergaren over het hulpbronnengebruik in de economie. Daarbij zal aandacht worden besteed aan, en in voorkomend geval worden voortgebouwd op, andere initiatieven zoals INSPIRE[8]. Dit zal het mogelijk maken om de ernstigste milieuproblemen die met hulpbronnengebruik samenhangen, in kaart te brengen en maatregelen te treffen om deze te verlichten.

Vaak zullen inspanningen moeten worden geleverd op andere beleidsgebieden dan het milieu. De hier voorgestane benadering zal de beleidsvorming op alle niveaus (EU, nationaal, regionaal en lokaal) versterken. Een beter inzicht in de milieueffecten van het hulpbronnengebruik gedurende de hele levenscyclus van producten zal de beleidsmakers in staat stellen om duidelijker prioriteit te verlenen aan en zich te concentreren op gebieden waar hun beleid werkelijk het verschil kan maken.

Dit is een proces van lange adem – daarom wordt een tijdshorizon van 25 jaar voorgesteld. Het is nodig om acties te combineren die op diverse governance-niveaus en door diverse actoren worden ondernomen. Voorts moet ervoor worden gezorgd dat het huidige beleid meer resultaten oplevert, onder andere door waar nodig de “hulpbronnengebruik”-dimensie van de beleidsmaatregelen te versterken en een reeks nieuwe initiatieven te ontwikkelen die ervoor zorgen dat het onderzoek van de effecten van het hulpbronnengebruik gedurende de hele levenscyclus van producten een integrerend onderdeel wordt van de totstandkoming van het beleid.

In deze eerste fase worden in de strategie geen kwantitatieve streefcijfers inzake “efficiënt gebruik van de hulpbronnen en de beperking van het gebruik ervan” vastgesteld (zoals voorgeschreven door het 6e MAP) omdat dit gezien de huidige stand van de kennis en het ontwikkelingsstadium van de indicatoren vooralsnog niet mogelijk is. Momenteel zijn noch de onderbouwende gegevens, noch de beschikbare indicatoren toereikend om streefcijfers vast te stellen die een reëel effect kunnen sorteren wat betreft vermindering van de milieueffecten in een groeiende economie. Wel brengt deze strategie een proces op gang waarbij zulks in de loop van de komende vijf tot tien jaar tot de mogelijkheden gaat behoren.

4. VOORTBOUWEN OP HET BESTAANDE BELEIDSKADER: TOEPASSING VAN DE LEVENSCYCLUSBENADERING IN HET BESTAANDE BELEID

De hier uiteengezette benadering zal zowel via bestaand als via nieuw milieubeleid in de praktijk worden gebracht (zie bijlage 2). Met de negatieve milieueffecten van hulpbronnengebruik is reeds in vele onderdelen van dat beleid rekening gehouden, en dit zal ook in de toekomst systematisch het geval zijn. In het milieubeleid wordt steeds meer de klemtoon gelegd op geïntegreerde benaderingen, op de koppelingen tussen milieumedia (lucht, water en bodem) en op de ontwikkeling van beleid ten aanzien van transversale milieuthema’s (bijvoorbeeld klimaatverandering, biodiversiteit, enz.) waarin voor duurzaam hulpbronnengebruik een grotere rol is weggelegd. Deze levenscyclusbenadering komt met name tot uiting in de thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling.

Bepaalde niet-wetgevende benaderingen zoals geïntegreerd productbeleid (IPP)[9] zijn specifiek ontwikkeld om de negatieve milieueffecten van producten gedurende hun hele levenscyclus, met inbegrip van de productie-, de gebruiks- en de verwijderingsfase, te verminderen. In het actieplan inzake milieutechnologieën (ETAP)[10] wordt de aandacht gevestigd op de vele manieren waarop milieutechnologieën de negatieve milieueffecten van productie en consumptie kunnen helpen temperen.

De levenscyclusbenadering kan met goed gevolg op een breed scala van beleidsgebieden worden toegepast. Al deze beleidstakken hebben gevolgen voor het hulpbronnengebruik en vereisen dan ook een verder doorgezette en gecoördineerde integratie van de problematiek van het hulpbronnengebruik en de negatieve effecten daarvan. Op transportgebied bijvoorbeeld noemt het Witboek over het Europese vervoersbeleid[11] als doelstelling de bevordering van een groter marktaandeel van milieuvriendelijke vervoersmodaliteiten. Op energiegebied zijn in de belangrijkste energieverbruikende sectoren (met name gebouwen en vervoer) maatregelen getroffen waarvan de implementatie tot een aanzienlijke vermindering van de negatieve milieueffecten zal leiden. Bij recente hervormingen op bepaalde beleidsgebieden, met name visserij en landbouw, is reeds in ruime mate rekening gehouden met de milieueffecten van hulpbronnengebruik. De aanneming van een strategie voor duurzame ontwikkeling was zelfs het directe gevolg van de behoefte aan consequente, geïntegreerde beleidsvorming die alle sectoren van de economie, het maatschappelijk leven en het milieu bestrijkt.

De Commissie is voornemens sectorale initiatieven voor specifieke takken van de economie te ontwikkelen, onder meer in de context van de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid, naast de initiatieven die werden aangekondigd in haar recente mededeling over het industrieel beleid[12]. Een en ander zal niet alleen bijdragen tot een versterking van de concurrentiekracht en de prestaties in het algemeen, maar ook tot de vermindering van negatieve milieueffecten. Het streven naar verhoogde eco-efficiëntie kan ook een prikkel vormen voor innovatie en verhoogde productiviteit en dus ook voor concurrentiekracht en groei (zie bijlage 4).

De geïntegreerde effectbeoordelingen van de Commissie, waarbij de economische, maatschappelijke en milieueffecten van diverse beleidsalternatieven met betrekking tot belangrijke beleidsvoorstellen worden onderzocht, zullen een belangrijk instrument voor de toepassing van de levenscyclusbenadering vormen[13]. Op nationaal niveau kunnen de lidstaten gebruik maken van de resultaten van “klassieke”[14] en “strategische” milieueffectbeoordelingen[15] om de negatieve milieueffecten van hulpbronnengebruik in het kader van individuele plannen of projecten, programma’s en beleidsoriëntaties te verminderen.

5. NIEUWE INITIATIEVEN – EEN BASIS VOOR DE KOMENDE 25 JAAR

Willen wij deze strategie met succes ten uitvoer leggen, dan zijn op alle governance-niveaus – de EU, de lidstaten en de internationale fora - nieuwe initiatieven vereist.

Op EU-niveau houdt dit in dat op een gecoördineerde manier werk wordt gemaakt van de totstandbrenging van een kennisbasis en de ontwikkeling van indicatoren die bruikbaar zijn in het kader van beleidsdiscussies, en dat met de marktactoren wordt samengewerkt om initiatieven op sectoraal niveau het licht te doen zien. Gezien de uitgesproken mondiale dimensie van het EU-hulpbronnengebruik - een aspect waarmee door de EU-beleidsmakers terdege rekening dient te worden gehouden - zal een internationaal forum van deskundigen worden opgericht om de mondiale aspecten van het hulpbronnengebruik en de negatieve milieueffecten daarvan te onderzoeken.

5.1. Opbouw van de kennisbasis - een datacentrum ten behoeve van de beleidsmakers om de kennisbasis inzake hulpbronnengebruik en de milieueffecten daarvan te verbreden en te verfijnen

In bepaalde gevallen bestaat er een tekort aan informatie over diffuse verontreiniging en hulpbronnengebruik als elementen van een complex netwerk van causale relaties. Dergelijke informatie in bruikbare vorm is voor beleidsmakers niet vlot beschikbaar. Een breed spectrum van gegevens- en informatieleveranciers – het DG Eurostat, het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (DG JRC) en het directoraat-generaal Onderzoek (DG RTD) van de Commissie, en voorts het Europees Milieuagentschap (EMA), het Intelligent Energy Executive Agency, nationale onderzoekinstellingen, universiteiten en commerciële informatieleveranciers – houdt zich bezig met onderzoek van hulpbronnengebruik, maar de informatie-uitwisseling is niet altijd optimaal.

Het bestaan van lacunes en overlappingen toont aan dat er behoefte is aan een datacentrum voor natuurlijke hulpbronnen, d.w.z. een gangmakende of centraliserende instantie die als informatieknooppunt fungeert, alle beschikbare relevante informatie bijeenbrengt, monitort en analyseert en de besluitvormers beleidsrelevante informatie toelevert. Door de bestaande basisgegevens, kennis, wetenschappelijke knowhow en netwerkmogelijkheden van bovengenoemde informatieleveranciers te bundelen, geeft de Commissie gehoor aan de wens van de Raad (Milieu) om “de kwaliteit van de informatie [op dit gebied] te verbeteren door middel van een strategische Europese capaciteit voor het verzamelen en bundelen van kennis aangaande het gebruik van hulpbronnen, de mogelijke effecten ervan en de beoordeling van het beleid op dit gebied, teneinde te kunnen besluiten welke effecten aangepakt moeten worden, en wegen te vinden om deze effecten bij een groeiende economie te beperken.”[16]

Ook met betrekking tot andere onderdelen van de strategie is voor de informatieleveranciers een rol weggelegd: ontwikkeling en consolidatie van geschikte indicatoren voor het meten van de vooruitgang met betrekking tot de strategie, hulp aan de lidstaten bij de ontwikkeling van de concrete actieplannen die nodig zijn om de doelstellingen van de strategie te realiseren, ondersteuning van het internationaal panel bij het vervullen van zijn taken en ten slotte het opstellen – voor de eerste keer in 2010 en vervolgens om de vijf jaar – van een situatierapport met betrekking tot de uitvoering van de strategie, waarvan de Commissie gebruik zal maken bij het toetsingsproces.

Onderzoek en ontwikkeling op alle niveaus (internationaal, Europees, nationaal en in het kader van industriële programma’s en projecten) kan op velerlei manieren een rol spelen bij de ontwikkeling en uitvoering van de strategie. In het zevende OTO-kaderprogramma[17] zal meer nadruk komen te liggen op de ontwikkeling van een instrumentarium voor de beoordeling van ecologische, economische en maatschappelijke effecten.

5.2. Meting van de vooruitgang – ontwikkeling van indicatoren

Om het doel van de strategie dichterbij te brengen, is het van essentieel belang dat de geboekte vooruitgang correct kan worden gemeten en dat de informatie terzake ter beschikking van de beleidsmakers en de burgers wordt gesteld. Er moet werk worden gemaakt van de verdere ontwikkeling van een reeks indicatoren, steunend op de reeds aanzienlijke methodologische verworvenheden inzake milieuboekhouding, materiaalstroombalansen en levenscyclusinventarissen. Tegen 2008 zal de Commissie komen met:

- indicatoren ter bepaling van de efficiëntie- en productiviteitstoename bij de aanwending van natuurlijke hulpbronnen, inclusief energie;

- hulpbronspecifieke indicatoren die weergeven in hoeverre de negatieve milieueffecten zijn losgekoppeld van het hulpbronnengebruik; en

- een globale indicator die aangeeft in welke mate de door hulpbronnengebruik in de EU veroorzaakte ecologische stress afneemt (eco-efficiëntie-indicator).

Idealiter zijn de gebruikte indicatoren stuk voor stuk maximaal geaggregeerd, inzichtelijk en gerelateerd aan bestaande werkzaamheden op lidstaat-, EU- en internationaal niveau (zie bijlage 3). Indien aggregatie (bijvoorbeeld om methodologische of technische redenen) onmogelijk is, zal gebruik worden gemaakt van de afzonderlijke deelindicatoren om de vordering in de richting van duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen te kwantificeren[18]. Met behulp van de indicatoren zullen ook de vormen van hulpbronnengebruik kunnen worden aangewezen die de meeste negatieve milieueffecten veroorzaken. De indicatoren zullen ook goede diensten bewijzen bij de vaststelling van beleidsprioriteiten, met name met het oog op de aanwijzing van de sectoren die in aanmerking komen voor de ontwikkeling van sectorale initiatieven. In een eerste fase zal de Commissie zich baseren op de voorlopige resultaten van bestaande studies.

5.3. De interne dimensie – de lidstaten en het Forum op hoog niveau

Diverse acties die nodig zijn om deze strategie ten uitvoer te leggen, kunnen het beste op nationaal niveau worden ondernomen. Behalve op het gebied van landbouw en visserij vallen de meeste beleidskwesties die de natuurlijke hulpbronnen betreffen, niet onder exclusieve communautaire bevoegdheid. De lidstaten beschikken over bepaalde beleidsinstrumenten, bijvoorbeeld van economische aard, die moeilijk op Gemeenschapsniveau kunnen worden ingezet. Bovendien zijn de lidstaten bevoegd voor de inhoud van de opleidingen en educatie-initiatieven en verkeren zij in een betere positie om een consumentenbeleid te voeren dat op het bijsturen van gedragspatronen is gericht.

De Commissie stelt voor dat elke EU-lidstaat nationale maatregelen en programma’s inzake duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen uitwerkt om de doelstellingen van de strategie te realiseren. Die maatregelen en programma’s moeten worden toegespitst op de vormen van hulpbronnengebruik die de grootste milieueffecten veroorzaken. De lidstaten dienen ook mechanismen in het leven te roepen om de vorderingen te bewaken en, voorzover mogelijk, streefcijfers vast te stellen. In bijlage 5 wordt een reeks maatregelen genoemd die door de lidstaten in overweging kunnen worden genomen.

Om de totstandkoming van deze nationale maatregelen te vergemakkelijken, zal de Commissie een Forum op hoog niveau instellen dat is samengesteld uit hoge ambtenaren die bevoegd zijn voor de ontwikkeling van het beleid ten aanzien van de natuurlijke hulpbronnen in de lidstaten, vertegenwoordigers van de Commissie en, voorzover passend, consumentenorganisaties, milieu-NGO’s, het bedrijfsleven, de universitaire wereld en andere belanghebbende partijen die met betrekking tot de vraagstukken in kwestie specifieke belangen kunnen doen gelden en over specifieke deskundigheid beschikken.

Tegelijk zal de Commissie de door de lidstaten genomen maatregelen inventariseren die in aanmerking komen om in de hele EU te worden toegepast, en zal zij de lidstaten verzoeken de milieuproblemen te signaleren die volgens hen doeltreffend met behulp van marktgerichte instrumenten zouden kunnen worden aangepakt, ware het niet dat een gebrek aan coördinatie op EU-niveau een dergelijke algemene toepassing in de weg staat. Het gebruik van marktgerichte instrumenten bij het beheer van de natuurlijke hulpbronnen zal door de Commissie met name worden onderzocht in het Forum op hoog niveau en bij de toetsing van de strategie (zie punt 7).

5.4. De mondiale dimensie – een internationaal panel voor duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen

Hulpbronnengebruik staat internationaal steeds nadrukkelijker in de belangstelling[19]. De OESO heeft zich met name ten doel gesteld een ontkoppeling tussen economische groei en belasting van het milieu tot stand te brengen[20]. De OESO/DAC heeft ook een door een aantal instanties gezamenlijk opgesteld document[21] gepubliceerd over een milieugerichte hervorming van de fiscaliteit (Environmental Fiscal Reform, EFR). Daarin wordt onderstreept hoe EFR kan bijdragen tot een duurzamer gebruik van de natuurlijke hulpbronnen en wordt een leidraad voor actie terzake verstrekt.

Voorts zal de Commissie in het kader van het DCECI[22] vanaf 2007 een thematisch programma voor het milieu en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen met inbegrip van energie voorstellen.

Op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling van 2002 ten slotte hebben alle landen zich ertoe verbonden hun onduurzame consumptie- en productiepatronen bij te sturen.

Om te profiteren van het bestaande elan en dit een meer permanente uitdrukkingsvorm te geven, wordt er in deze mededeling voor gepleit om in samenwerking met het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en eventueel ook andere internationale partners en initiatieven, bijvoorbeeld UNIDO en het Internationaal Energieagentschap (IEA), een internationaal panel voor duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen in het leven te roepen. Dit zal de informatie over de mondiale aspecten van het hulpbronnengebruik en de milieueffecten daarvan evalueren en verspreiden. Het panel zal (zie bijlage 6):

- de Commissie onafhankelijk advies verstrekken over de milieueffecten van hulpbronnengebruik in de mondiale context, tevens rekening houdend met de economische en sociale gevolgen;

- bijdragen tot het uitbouwen van de kennisbasis en de monitoring van de geboekte vooruitgang;

- duurzaamheidsmaatstaven ontwikkelen voor de winning of onttrekking, het vervoer en de opslag van materialen en producten die afkomstig zijn van buiten de EU. Die maatstaven moeten niet alleen materiaal- maar ook productiekwaliteitsnormen behelzen en rekening houden met de sociale en ecologische aspecten;

- de ontwikkelingslanden adviseren met betrekking tot de versterking van hun beoordelingscapaciteit ten aanzien van de milieueffecten van hun beleid inzake hulpbronnengebruik en hulpbronnenbeheer (dat vervolgens in het kader van samenwerkingsprogramma’s met derde landen ten uitvoer kan worden gelegd);

- advies verstrekken over de milieueffecten van hulpbronnengebruik in de ruimere mondiale context, bijvoorbeeld in het kader van de initiatieven inzake duurzame productie en consumptie die onder auspiciën van UNEP worden ontplooid.

6. VERWACHTE EFFECTEN EN RESULTATEN

De uitvoering van deze strategie zal een geschikt klimaat tot stand brengen voor een beter en eco-efficiënter hulpbronnengebruik en prikkels bieden voor een ontwikkeling in de richting van duurzamere productie- en consumptiepatronen. Een en ander zal een positief effect hebben op de economie, met name omdat het bedrijfsleven erdoor zal worden gestimuleerd om te innoveren en zijn concurrentiekracht te vergroten. Het zal de beleidsmakers in staat stellen beter geïnformeerde keuzes te maken tussen alternatieve beleidslijnen en hen de middelen (indicatoren, gegevens) verschaffen om de vooruitgang te meten. De effectbeoordeling die deze mededeling vergezelt, bevat een overzicht van de verschillende opties en een evaluatie van de effecten, zowel met betrekking tot de hierboven vermelde acties als met betrekking tot de acties die in laatste instantie niet dienstig werden bevonden.

7. TOETSING

De Commissie zal in 2010, en vervolgens om de vijf jaar, de vooruitgang evalueren die met betrekking tot de doelstelling van de strategie is geboekt. Deze evaluatie zal worden meegenomen bij de eindbeoordeling van het 6e MAP.

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL

Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen (‘de strategie’)

2. ABM/ABB-KADER

Beleidsgebied: 07 – Milieu

Activiteit: 07 04 – Tenuitvoerlegging van het milieubeleid

3. BEGROTINGSONDERDELEN

3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsonderdelen en bijbehorende onderdelen voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving:

07 01 04 01 – Wetgevings-, bewustmakings- en andere algemene activiteiten in verband met communautaire actieprogramma’s op milieugebied – Uitgaven voor administratief beheer.

07 04 02 – Bewustmakings- en andere algemene activiteiten in verband met communautaire actieprogramma’s op milieugebied.

07 02 01 – Bijdrage aan internationale activiteiten op milieugebied

Met ingang van 2007 zullen de financiële aspecten in samenhang met de doelstellingen “datacentrum” en “indicatoren” in het “LIFE +”-programma worden geïntegreerd. De financiële aspecten die samenhangen met de doelstelling “internationaal panel” zullen worden bestreken door de externe-hulpinstrumenten die vallen onder rubriek 4 van het voorgestelde financieringskader.

3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

De strategie bestrijkt een periode van 25 jaar (2006-2030). De directe acties waarin de mededeling voorziet, zullen het proces op gang brengen. Dit financieel memorandum betreft de financiële aspecten met betrekking tot de eerste zes jaar (2006-2011).

3.3. Begrotingskenmerken:

Begrotingsonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdragen kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzichten |

07 04 02 | Niet-verplicht | GK[23] | nee | nee | nee | nr. 3 |

07 02 01 | Niet-verplicht | GK | nee | nee | nee | nr. 4 |

4. OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

De benodigde personele en administratieve middelen zullen vallen onder de toewijzing die de beherende DG's (DG Milieu en andere) in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure ontvangen.

4.1. Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Soort uitgave | Punt nr. | Jaar 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 e.v. | Totaal |

Beleidsuitgaven[24] - 07 04 02 |

Vastleggingskredieten (VK) | 8.1 | a | 0,200 | 0,580 | 0,980 | 1,780 | 1,630 | 1,600 | 6,7706 |

Betalingskredieten (BK) | b | 0,133 | 0,427 | 0,796 | 1,460 | 1,573 | 2,381 | 6,770 |

Beleidsuitgaven[25] - 07 04 01 |

Vastleggingskredieten (VK) | 8.1 | a | 0,240 | 0,610 | 0,640 | 0,750 | 0,600 | 0,710 | 3,550 |

Betalingskredieten (BK) | b | 0,160 | 0,455 | 0,581 | 0,709 | 0,635 | 1,010 | 3,550 |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag[26] |

Technische & administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4 | c | 0,150 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0,150 |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG |

Vastleggingskredieten | a+c | 0,590 | 1,190 | 1,620 | 2,530 | 2,230 | 2,310 | 10,470 |

Betalingskredieten | b+c | 0,443 | 0,881 | 1,377 | 2,169 | 2,209 | 3,391 | 10,470 |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen[27] |

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5 | d | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 4,698 |

Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6 | e | 0,002 | 0,026 | 0,056 | 0,058 | 0,058 | 0,060 | 0,260 |

Totale indicatieve kosten van de maatregel

TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | a+c+d+e | 1,375 | 1,999 | 2,459 | 3,371 | 3,071 | 3,153 | 15,428 |

TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | b+c+d+e | 1,228 | 1,690 | 2,216 | 3,010 | 3,050 | 4,234 | 15,428 |

Medefinanciering

Indien het voorstel door lidstaten of uit andere bronnen (geef aan welke) wordt medegefinancierd, geef dan een raming daarvan in de onderstaande tabel (voeg extra rijen toe indien de medefinanciering uit meer dan een bron afkomstig is):

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Medefinancieringsbron | Jaar n | n + 1 | n + 2 | n + 3 | n + 4 | n + 5 e.v. | Totaal |

…………………… | f |

TOTAAL VK inclusief medefinanciering | a+c+d+e+f |

Een van de acties waarin de strategie voorziet (zie punt 3 van onderdeel 5.3 van dit financieel memorandum) zal worden ondernomen in samenwerking met het Milieuprogramma van de VN (UNEP) en vereist het opzetten van een secretariaat. De werkzaamheden van het secretariaat zullen worden gefinancierd via een “beheerfonds” waaraan door diverse instanties en organisaties op vrijwillige basis kan worden bijgedragen. In dit stadium valt het niveau van medefinanciering door de lidstaten en/of andere instanties evenwel nog niet te voorspellen.

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

X Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

( Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten.

( Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord[28] (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten).

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

X Geen enkele financiële implicatie

( Het voorstel heeft de volgende financiële gevolgen voor de ontvangsten:

in miljoen euro (tot op één decimaal nauwkeurig)

Vóór de actie [Jaar n-1] | Situatie na de actie |

Totale personele middelen | 7,25 | 7,25 | 7,25 | 7,25 | 7,25 | 7,25 |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Om een antwoord te bieden op de bezorgdheid die is ontstaan over de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen (bijv. grondstoffen en ruimte) zullen middels de strategie acties worden opgezet om het gebruik van natuurlijke hulpbronnen gedurende de hele levenscyclus van de toepassingen ervan – “van wieg tot graf” – in kaart te brengen en te bewaken, en zullen de acties worden ondernomen die nodig zijn om de milieueffecten van dat gebruik te verminderen. De strategie is er in hoofdzaak op gericht om – binnen een tijdsbestek van 25 jaar – de ernstigste met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen samenhangende milieueffecten te inventariseren, door middel van kennisvergroting oplossingen en herstelmaatregelen te bevorderen en de toegankelijkheid van de kennis terzake te vergroten.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden en samenhang en mogelijke synergie van het voorstel met andere financiële instrumenten

Aangezien economische groei in Europa de drijvende kracht achter het hulpbronnengebruik is, en deze economische groei nu juist een belangrijke beleidsdoelstelling van de EU vormt, kan een vermindering van de (negatieve) milieueffecten alleen tot stand worden gebracht door op Europees niveau het hulpbronnengebruik en de milieueffecten daarvan los te koppelen van de economische groei. De handel in hulpbronnen is beduidend (en valt onder EU-bevoegdheid); het gebruik van producten en diensten is een gedeelde bevoegdheid; bijgevolg is een communautaire inbreng op dit gebied zonder meer gerechtvaardigd.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

De strategie beoogt de omschrijving van een reeks acties die, als ze correct ten uitvoer worden gelegd, op langere termijn zullen leiden tot een ontkoppeling van economische groei en milieueffecten.

Daartoe wordt gedacht aan een aantal concrete maatregelen:

1) instelling van een datacentrum voor kennisondersteuning;

2) ontwikkeling van voor de strategie relevante indicatoren;

3) oprichting van een internationaal panel voor het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

Voor nadere bijzonderheden over de te verwachten resultaten en de effecten daarvan wordt verwezen naar de mededeling, respectievelijk de daaraan gehechte effectbeoordeling.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

X Gecentraliseerd beheer

X rechtstreeks door de Commissie

X gedelegeerd aan:

( uitvoerende agentschappen

X door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement

( nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak

( Gedeeld of gedecentraliseerd beheer

( met lidstaten

( met derde landen

X Gezamenlijk beheer met internationale organisaties

Opmerkingen: De meeste maatregelen die uit hoofde van de strategie worden gepland, zullen rechtstreeks door de Commissie worden uitgevoerd (initiëring van studies, organisatie van vergaderingen, beheer van dienstverleningscontracten, enz.).

Eén van de geplande acties (het internationaal panel – zie punt 3 van onderdeel 5.3 van dit financieel memorandum) zal evenwel tezamen met UNEP ten uitvoer worden gelegd. Het is de bedoeling dat de Commissie UNEP in eerste instantie een toelage verleent voor het opstarten van het secretariaat van het panel, aangezien UNEP in het verleden reeds ervaring en knowhow heeft opgedaan met het runnen van internationale secretariaten (bijv. het IPCC-secretariaat in Genève). In een tweede fase kan het voor het functioneren van het secretariaat noodzakelijk zijn de middelen van een aantal donoren te bundelen, waarbij het ongetwijfeld niet mogelijk of wenselijk is, het aandeel van elke donor in elk type uitgaven van tevoren vast te stellen.

Een andere geplande actie (het datacentrum – zie punt 1 van onderdeel 5.3 van dit financieel memorandum) zal worden uitgevoerd in samenwerking met het EMA, gezien de knowhow en deskundigheid van deze instelling inzake natuurlijke hulpbronnen en het opzetten van netwerken van deskundigen.

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

De Commissie stelt voor de effectiviteit van de strategie na publicatie van de mededeling iedere vijf jaar opnieuw te bezien. Te dien einde zal de Commissie een verslag opstellen dat zal worden gepubliceerd en aan de instellingen overgelegd.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

Met betrekking tot de strategie is een effectbeoordeling uitgevoerd, die zal worden bekendgemaakt wanneer de mededeling wordt aangenomen.

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

De aanpak waarbij ten behoeve van de beleidsvorming het instrument van de thematische strategie wordt gebruikt, is een noviteit van het 6e MAP.[30] De maatregelen in het kader van deze specifieke strategie betreffen echter uitsluitend activiteiten die behoren tot de courante administratieve praktijk (initiëring van studies, organisatie van vergaderingen van deskundigen, dienstverleningscontracten waarmee relatief kleine bedragen gemoeid zijn) en waarvoor in passende financiële waarborgprocedures is voorzien.

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

De Commissie stelt voor de effectiviteit van de strategie na publicatie van de mededeling iedere vijf jaar opnieuw te bezien. Te dien einde zal de Commissie een verslag opstellen dat zal worden gepubliceerd en aan de instellingen overgelegd.

7. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

De voorgestelde activiteiten omvatten slechts uitgaven voor personeel, bijeenkomsten van deskundigen en studiecontracten. Deze laatste zijn onderworpen aan de gebruikelijke controlemechanismen van de Commissie en aanvullende maatregelen ter bestrijding van fraude zijn dan ook niet nodig.

Met name dienen potentiële begunstigden en contractanten de bepalingen van het Financieel Reglement na te leven en het bewijs te leveren van hun juridische en financiële soliditeit. In het geval van subsidiëring wordt van hen verlangd dat zij een voorlopige staat overleggen van de inkomsten en de uitgaven in verband met het project/de activiteit waarvoor zij financiering aanvragen. De betalingen worden verricht overeenkomstig de in de subsidiëringsovereenkomst vastgestelde bepalingen en voorwaarden en op basis van door de begunstigden naar behoren gewaarmerkte inkomsten- en uitgavenstaten die door de betrokken dienst van de Commissie zijn gecontroleerd. Voorts zijn ook controles ter plaatse mogelijk en moeten de begunstigden alle gegevens en bewijsstukken gedurende vijf jaar na de voltooiing van het project bewaren.

8. MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

Vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Jaar 2006 | Jaar 2007 | Jaar 2008 | Jaar 2009 | Jaar 2010 | Jaar 2011 |

Ambtenaren of tijdelijk personeel[32] (XX 01 01) | A*/AD | 5,25 | 5,25 | 5,25 | 5,25 | 5,25 | 5,25 |

B*, C*/AST | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel[33] |

Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander personeel[34] |

TOTAAL | 7,25 | 7,25 | 7,25 | 7,25 | 7,25 | 7,25 |

Deze tabel geeft het totaal weer van de personele middelen die in de diverse diensten van de Commissie (bijv. DG ENV, GCO, Eurostat) noodzakelijk zijn om de strategie ten uitvoer te leggen.[35]

8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

De uit te voeren taken behoren tot de courante administratieve praktijk en omvatten de initiëring van studies, de organisatie van vergaderingen van deskundigen, het beheer van dienstverleningscontracten en dergelijke.

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

X Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma

( Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor het jaar n

( Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd

( Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling)

( Posten die voor het jaar n nodig zijn, hoewel zij in het kader van de JBS/VOB-procedure voor dat jaar niet zijn toegewezen

8.2.4. Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag (XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Begrotingsonderdeel (nummer en omschrijving) | Jaar 2006 | Jaar 2007 | Jaar 2008 | Jaar 2009 | Jaar 2010 | Jaar 2011 e.v. | TOTAAL |

Andere technische en administratieve bijstand |

- intern |

- extern | 0,150 | 0,150 |

Totaal technische en administratieve bijstand | 0,150 | 0,150 |

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Soort personeel | Jaar 2006 | Jaar 2007 | Jaar 2008 | Jaar 2009 | Jaar 2010 | Jaar 2011 e.v. |

Ambtenaren en tijdelijk personeel (XX 01 01) | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.) |

Totaal personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 | 0,783 |

Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen

Elk VTE wordt begroot op 108 000 euro per jaar.

Berekening – Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel

8.2.6 Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig) |

Jaar 2006 | Jaar 2007 | Jaar 2008 | Jaar 2009 | Jaar 2010 | Jaar 2011 e.v. | TOTAAL |

XX 01 02 11 01 – Dienstreizen | 0,002 | 0,006 | 0,006 | 0,008 | 0,008 | 0,010 | 0,040 |

XX 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen | 0,020 | 0,050 | 0,050 | 0,050 | 0,050 | 0,220 |

XX 01 02 11 03 – Comités[37] |

XX 01 02 11 04 – Studies en adviezen |

XX 01 02 11 05 - Informatiesystemen |

2 Totaal andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) | 0,002 | 0,026 | 0,056 | 0,058 | 0,058 | 0,060 | 0,260 |

3 Andere uitgaven van administratieve aard |

Totaal andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0,002 | 0,026 | 0,056 | 0,058 | 0,058 | 0,060 | 0,260 |

Berekening - Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

Er wordt van uitgegaan dat een gemiddelde dienstreis 1 000 euro kost.

[1] Millennium Ecosystem Assessment, Ecosystems and Human Well-being: Synthesis, Island Press, Washington, DC, 2005, blz. 1-6 (http://www.millenniumassessment.org/en/index.aspx).

[2] COM(2005) 141.

[3] COM(2001) 264 en COM(2005) 658.

[4] COM(2003) 572.

[5] Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1).

[6] http://www.europa.eu.int/comm/environment/natres/index.htm

[7] Voor een illustratief voorbeeld van ontkoppeling op het stuk van productiviteit van de hulpbronnen, zie bijlage 1.

[8] SEC(2004) 980 ; http://www.ec-gis.org/inspire/

[9] COM(2003) 302.

[10] COM(2004) 38.

[11] COM(2001) 370.

[12] COM(2005) 474.

[13] COM(2002) 276.

[14] Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (als gewijzigd).

[15] Richtlijn 2001/42/EG van de het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's.

[16] Conclusies van de Raad (Milieu), vergadering van 28 juni 2004 (document 10988/04 van 1.7.2004).

[17] COM(2005) 119.

[18] Voorbeelden van dergelijke deelindicatoren zijn de uitstootcijfers voor CO2, NOx en SO2 , de uitbreiding van de gebouwde omgeving, waterverontreiniging, overschrijding van de kritische belasting inzake verontreinigende stoffen, enz.

[19] Voor Japan, zie http://www.env.go.jp/en/pol/wemj/outline.pdf; voor China, zie http://eng.cciced.org/cn/ company/Tmxxb143/card143.asp?lmid=5209&siteid=1&tmid=320&flbh=143.

[20] “Environmental Strategy for the First Decade of the 21st Century”, OESO, 16 mei 2001.

[21] Dit document bevat bijdragen van de Wereldbank, het DFID, de Commissie en een aantal andere organisaties.

[22] Instrument voor ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking.

[23] Gesplitste kredieten.

[24] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[25] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[26] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx.

[27] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 en xx 01 05.

[28] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[29] Voeg zo nodig extra kolommen toe (wanneer de duur van de actie langer is dan 6 jaar)

[30] Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1).

[31] Zoals beschreven in punt 5.3.

[32] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[33] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[34] Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt.

[35] Het quotum voor DG ENV is 2,25 voor A*/AD en 1 voor B*/AST.

[36] Verwijs naar het specifieke financieel memorandum voor de betrokken uitvoerende agentschappen.

[37] Vermeld het soort comité en de groep waartoe het behoort.

Top