Help Print this page 
Title and reference
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Verslag over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de EU {SEC(2005) 333}

/* COM/2005/0084 def. */
Multilingual display
Text

52005DC0084

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Verslag over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de EU {SEC(2005) 333} /* COM/2005/0084 def. */


Brussel, 10.3.2005

COM(2005) 84 definitief

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT

Verslag over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de EU

{SEC(2005) 333}

1. INLEIDING

MET DEZE MEDEDELING WORDT GEVOLG GEGEVEN AAN HET VERZOEK VAN DE EUROPESE RAAD AAN DE COMMISSIE OM EEN VERSLAG OVER DE UITVOERING VAN DE BOSBOUWSTRATEGIE VAN DE EU OP TE STELLEN. TER VOORBEREIDING VAN DIT VERSLAG HEEFT DE COMMISSIE UITVOERIG OVERLEG GEPLEEGD MET DE LIDSTATEN EN DE BELANGHEBBENDE PARTIJEN IN HET PERMANENT COMITÉ VOOR DE bosbouw en de Raadgevende Groep bosbouw inclusief kurkproductie, waarbij onder meer een internetondersteunde raadpleging van de belanghebbenden heeft plaatsgevonden.

Deze mededeling bevat de belangrijkste conclusies van de analyse en biedt een overzicht van de nieuwe problemen die zich thans met betrekking tot bossen en bosbouw voordoen; ook worden de mogelijkheden voor toekomstige actie geschetst. Het werkdocument van de diensten van de Commissie, dat bij deze mededeling is gevoegd, bevat een gedetailleerde beschrijving van de acties en activiteiten die in de periode 1999–2004 in samenhang met de EU-bosbouwstrategie ten uitvoer zijn gelegd.

2. DE EU-BOSBOUWSECTOR

DE BOSBOUWSECTOR IN DE EU WORDT GEKENMERKT DOOR EEN GROTE VERSCHEIDENHEID op het stuk van bostypes, bedekkingsgraad, eigendomsstructuur en sociaal-economische omstandigheden. In het totaal bedekken bossen en andere boomrijke vegetaties 35 % van het landoppervlak van de EU, d.w.z. ongeveer 160 miljoen ha. Bovendien neemt het bosareaal in de EU tengevolge van bebossingsprogramma’s en natuurlijke ecologische successie momenteel toe.

De bossen van de EU worden aangetroffen in zeer uiteenlopende milieuomstandigheden, van het hoge noorden tot aan de Middellandse Zee en van de Alpen tot de laagvlakten. Van alle Europese biotopen herbergen bossen het grootste aantal soorten; zij vervullen ook belangrijke ecologische functies zoals de instandhouding van de biodiversiteit en de bescherming van water en bodem. Ongeveer 12 % van het bosareaal heeft de status van beschermd bosgebied. Bossen leveren een bijdrage aan de landschappelijke en culturele rijkdom en vormen de basis voor activiteiten zoals recreatie, jacht en toerisme.

Ongeveer 60 % van de bossen in de EU zijn in particulier bezit − de Unie telt circa 15 miljoen particuliere boseigenaren. De gemiddelde grootte van particuliere boseigendommen bedraagt 13 ha, maar de meeste bossen in privé-bezit zijn minder dan 3 ha groot.

De EU is een van de grootste producenten, afnemers/verkopers en consumenten van bosproducten ter wereld. De bosbouw biedt samen met de aanverwante houtverwerkende en van bossen afhankelijke bedrijfstakken werkgelegenheid aan ongeveer 3,4 miljoen mensen; de jaarlijkse productiewaarde van deze activiteiten bedraagt circa 356 miljard euro (2001). De gemiddelde jaarlijkse houtproductie in de EU beloopt bijna 400 miljoen m3, en hiervoor wordt nauwelijks meer dan 60 % van de jaarlijkse aangroei in de bossen geoogst. De economische en sociale betekenis van de bosbouw voor plattelandsgebieden wordt vaak onderschat omdat de werkgelegenheid in de bosbouw vaak betrekking heeft op zelfstandigen of kleine bedrijven die hun bosbouwactiviteit combineren met activiteiten in andere economische sectoren. Afgezien van hout en kurk leveren bossen ook andere producten zoals hars, geneeskrachtige planten, paddestoelen en bessen.

De bescherming van de bossen vormt voor de EU een voortdurende zorg. Biotische factoren en begrazing zijn de belangrijkste oorzaken van schade aan de bossen; andere belangrijke schadefactoren zijn luchtverontreiniging, stormen en bosbranden. Dankzij EU-wetgeving is de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd, maar de atmosferische depositie van verontreinigende stoffen blijft aanleiding geven tot bezorgdheid. Zware stormen hebben de jongste jaren grote schade toegebracht in uitgestrekte delen van het bosareaal. Jaarlijks gaat ongeveer 0,5 miljoen ha bos en andere boomrijke vegetaties in vlammen op, hoofdzakelijk in de landen van het Middellandse-Zeegebied.

De recente uitbreiding van de EU tot 25 lidstaten heeft geleid tot een aanzienlijke toename van de EU-bosbouwsector, zowel wat de beboste oppervlakte ( 20 %) als wat het ecologisch en productiepotentieel betreft. In veel nieuwe lidstaten zijn particuliere eigendomsrechten teruggegeven en/of zijn bossen en daarmee samenhangende activa geprivatiseerd, met inbegrip van bepaalde activiteiten inzake bosbeheer die voorheen door de overheid werden uitgevoerd. Toch blijft het aandeel van bossen in overheidsbezit in de tien nieuwe lidstaten hoger dan in de landen van de voormalige EU-15.

3. DE EU-BOSBOUWSTRATEGIE

BIJ DE RESOLUTIE VAN DE RAAD VAN 15 DECEMBER 1998 OVER EEN BOSBOUWSTRATEGIE VOOR DE EU [1] is een raamwerk voor bosgerichte acties opgezet ter ondersteuning van duurzaam bosbeheer (DBB) op basis van coördinatie van het bosbeleid van de lidstaten en de communautaire beleidsmaatregelen en -initiatieven die voor de bossen en de bosbouw relevant zijn. In de resolutie wordt rekening gehouden met de verbintenissen die de EU en haar lidstaten zijn aangegaan in het kader van internationale processen, met name de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) van 1992 en de vervolgconferenties daarvan, alsook de ministerconferenties over de bescherming van de bossen in Europa (MCPFE)[2].

In de strategie wordt het belang van de multifunctionele rol van de bossen en van DBB voor de ontwikkeling van de samenleving benadrukt en wordt de aandacht gevestigd op een reeks belangrijke elementen die de basis vormen voor de uitvoering ervan. Gesteld wordt dat het beleid ten aanzien van de bossen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, maar dat de EU het in de praktijk brengen van DBB kan stimuleren door middel van gemeenschappelijke beleidsacties, gebaseerd op het subsidiariteitsbeginsel en het principe van gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ook wordt veel belang gehecht aan de uitvoering van internationale verbintenissen, beginselen en aanbevelingen door middel van nationale of subnationale bosprogramma’s of soortgelijke instrumenten, alsook aan actieve participatie in alle voor de bossen relevante internationale processen, en wordt de nadruk gelegd op de noodzaak van verbeterde coördinatie, communicatie en samenwerking op alle beleidsterreinen die voor de bosbouwsector van belang zijn.

4. TENUITVOERLEGGING VAN DE STRATEGIE: EEN STAND VAN ZAKEN

De context van het bosbeleid in de EU heeft sedert 1998 aanzienlijke veranderingen ondergaan, zowel ten gevolge van besluiten die rechtstreeks betrekking hadden op de bosbouwsector als ten gevolge van veranderingen in het ruimere beleidskader.

De Wereldtop over duurzame ontwikkeling (WSSD) die in 2002 te Johannesburg heeft plaatsgevonden, heeft de problematiek van de bossen resoluut in de context van duurzame ontwikkeling geplaatst. Ten aanzien van het Europese continent als geheel hebben de verklaringen en resoluties van de vierde ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa (Wenen, 2003) geresulteerd in een gemeenschappelijk begrippenapparaat en een coherent maatregelenpakket voor de bescherming en het duurzame beheer van de bossen.

Op EU-niveau zijn de vaststelling van het zesde Milieuactieplan van de Gemeenschap in 2002 en de hervorming van het GLB in 2003, waardoor het plattelandsontwikkelingsbeleid is versterkt, belangrijke ontwikkelingen die ook gevolgen hebben voor het beleid van de lidstaten ten aanzien van de bossen.

Wat betreft de veranderingen die zich in het ruimere beleidskader hebben voorgedaan, moeten vooral de strategieën van Lissabon en Göteborg en de jongste uitbreiding van de EU worden genoemd. Het nieuwe Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, waarvoor de bekrachtigingsprocedures thans lopend zijn, voorziet overigens niet in enige wijziging van de aanpak van het bosbeleid in de EU.

4.1. Het internationale bosbeleid-debat

De WSSD heeft zich gebogen over een aantal vraagstukken die relevant zijn voor de bosbouw. Op die top is bevestigd dat DBB een cruciale rol kan spelen ter bereiking van de bredere doelstellingen, streefcijfers en beginselen die in Johannesburg zijn overeengekomen. Gezien de fundamentele bijdrage van de bossen aan een duurzaam milieu en het grote aantal in armoede levende wereldburgers dat van de bossen afhankelijk is voor zijn levensonderhoud, zullen de bossen onvermijdelijk een belangrijke rol spelen bij het bereiken van de millennium-ontwikkelingsdoelstellingen.

De Europese Gemeenschap en haar lidstaten hebben op actieve wijze deelgenomen aan het Bossenforum van de VN (UNFF) dat in 2000 is ingesteld, en zij hebben zich verbonden tot de uitvoering van andere internationale verdragen, overeenkomsten en protocollen zoals het UNFCCC[3] en het bijbehorende Protocol van Kyoto, het CBD[4], het UNCCD[5], de ITTO[6] en CITES[7]. Ondanks de vooruitgang die op internationaal niveau is geboekt bij de behandeling van vraagstukken zoals certificatie en handhaving van de boswetgeving, gaan de ontbossing en de aantasting van bosecosystemen in vele delen van de wereld echter in hoog tempo door.

Wegens de toenemende bezorgdheid van het maatschappelijk middenveld is de Europese Commissie de uitdaging van de bestrijding van de illegale ontbossing aangegaan, en wel door de aanneming van het Actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT)[8] en – recentelijk – van een voorstel voor een verordening in samenhang met FLEGT.[9]

In pan-Europees verband zijn de ministerconferenties voor de bescherming van de bossen in Europa een vaste waarde geworden. Via dit proces hebben de landen van Europa en de Europese Gemeenschap zeer volledige richtsnoeren inzake bosbeleid uitgewerkt en hebben zij hun onderlinge coördinatie en samenwerking geïntensiveerd.

Bovendien hebben onderzoeksinitiatieven in Europees en internationaal samenwerkingsverband ervoor gezorgd dat de in Europa en zijn partnerlanden aanwezige knowhow optimaal wordt benut ter verkrijging van wetenschappelijk gevalideerde kennis die de uitvoering van de desbetreffende beleidsaanbevelingen moet ondersteunen.

4.2. Duurzaam bosbeheer in de EU

Gedurende de tenuitvoerlegging van de strategie heeft de EU vooruitgang geboekt wat betreft de invoering van nieuwe en betere instrumenten ter bevordering van de bescherming en het duurzaam beheer van de bossen. In deze paragraaf wordt een beeld geschetst van de ontwikkelingen inzake bosbeleid op lidstaatniveau alsook van de voor bossen relevante acties op Gemeenschapsniveau.

4.2.1. Nationale bosprogramma’s

Er is flinke vooruitgang geboekt op het stuk van de opstelling en uitvoering van nationale bosprogramma’s (NBP’s) in de EU. In het kader van de MCPFE is een gemeenschappelijke benadering van de NBP’s uitgewerkt met het oog op de totstandbrenging van een maatschappelijk en politiek kader voor DBB, dat gebaseerd is op participatie en transparante governance en dat is afgestemd op de in internationaal verband aangegane verbintenissen met betrekking tot de bossen.

In de NBP’s wordt aandacht geschonken aan aspecten zoals de functie van bossen als productiemiddel en de economische haalbaarheid van duurzaam bosbeheer, de bijdrage van bosbouw aan plattelandsontwikkeling, de bescherming en vergroting van de biodiversiteit in bossen, de bestrijding van klimaatverandering, de beschermende functies van bossen alsmede sociale, culturele en recreatieaspecten. Hoewel deze nationale programma’s soortgelijke doelen nastreven, verschillen zij wat betreft de belangrijkste aandachtspunten, in overeenstemming met de sociaal-economische en ecologische verscheidenheid van de Europese bossen.

De NBP’s bieden ook een referentiekader voor de bewaking van de vooruitgang bij de uitvoering van bosgerelateerde communautaire maatregelen en initiatieven en voor de bepaling en beoordeling van de toegevoegde waarde van specifieke communautaire acties op dit gebied.

In hun NBP’s leggen de landen de nadruk op de noodzaak van verbetering van de sectoroverschrijdende samenwerking. Er zijn nog meer inspanningen nodig om te garanderen dat de NBP’s volledig in de nationale duurzame-ontwikkelingsstrategieën worden geïntegreerd, dat in die programma’s alle relevante problemen worden aangepakt en dat zij de steun genieten van alle betrokken partijen.

4.2.2. Communautaire acties ter ondersteuning van duurzaam bosbeheer

De communautaire acties ter ondersteuning van DBB bestrijken meerdere belangrijke activiteitsterreinen: plattelandsontwikkeling, bosbescherming en monitoring, biodiversiteit, klimaatverandering, van bossen afkomstige producten, certificatie van bossen, onderzoek, informatie en communicatie over bossen, teeltmateriaal voor de bosbouw en fytosanitaire aspecten.

Op Gemeenschapsniveau is het beleid inzake plattelandsontwikkeling het belangrijkste instrument voor de uitvoering van de EU-bosbouwstrategie. De financiële steun van de Gemeenschap voor bosbouwmaatregelen in het kader van plattelandsontwikkeling beloopt 4,8 miljard euro voor de periode 2000–2006 (dat is bijna 10 % van het budget voor plattelandsontwikkeling). Het plattelandsontwikkelingsbeleid van de EU is gebaseerd op een geïntegreerde territoriale aanpak waarbij de onderlinge afhankelijkheid van sectoraal en horizontaal beleid wordt erkend, rekening wordt gehouden met regionale en lokale prioriteiten en bijzonderheden en de nadruk wordt gelegd op actieve betrokkenheid en participatie van de plaatselijke gemeenschappen.

Het voorstel van de Commissie om het plattelandsontwikkelingsbeleid van de EU voor de periode 2007–2013[10] te versterken, legt de grondslag voor een verdergaande integratie van bosbouw in plattelandsontwikkeling. Een manier om dit te doen behelst dat de plattelandsontwikkeling en de nationale bosprogramma’s beter op elkaar worden afgestemd, dat informatie en goede praktijken inzake de toepassing van bosbouwmaatregelen worden uitgewisseld en dat die bosbouwmaatregelen stelselmatig worden gemonitord en beoordeeld in het licht van de bredere doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid.

De communautaire maatregelen ter ondersteuning van de bescherming van de bossen tegen bosbranden[11] en luchtverontreiniging[12] hebben geresulteerd in operationele verbeteringen en in een grote hoeveelheid informatie. Bedoelde acties zijn bevorderlijk gebleken voor de samenwerking tussen EU-landen op deze gebieden. Toch blijven luchtverontreiniging en bosbranden nog steeds aanleiding geven tot grote bezorgdheid. De Commissie heeft onlangs een groep van deskundigen in het leven geroepen die zich moet buigen over bosbrandpreventie op communautair niveau en aanbevelingen moet formuleren voor toekomstige acties. De in 2003 vastgestelde "Forest Focus"-verordening[13] biedt de EU bovendien de gelegenheid om een allesomvattend en geïntegreerd bosbewakingssysteem op te zetten waarbinnen ook gegevens worden verzameld over “nieuwe” parameters zoals bodem, biodiversiteit en klimaatverandering. Een dergelijk systeem kan op termijn zelfs worden uitgebreid tot sociaal-economische aspecten van bossen en bosbouw en het kan ervoor zorgen dat de nationale databanken inzake bossen beter in een EU-breed bewakings- en rapportagesysteem worden geïntegreerd. In dit verband moet aandacht worden geschonken aan de DBB-criteria en -indicatoren die in de MCPFE-context zijn ontwikkeld.

Een belangrijke verwezenlijking van de EU op het gebied van biodiversiteitsbehoud is de totstandbrenging van het “Natura 2000”-netwerk. Veel lidstaten hebben hun richtsnoeren inzake bosbeheer bijgesteld teneinde daarin meer plaats in te ruimen voor de instandhouding van de biodiversiteit en de bevordering van de aanbieding van “milieudiensten” door middel van bosbeheer. Een ecologisch representatief bosbehoudnetwerk in het kader van Natura 2000 gecombineerd met de bevordering van biodiversiteitsvergroting in commercieel geëxploiteerde bosbestanden is vermoedelijk een doeltreffende manier om de doelstellingen inzake biodiversiteitsbehoud te realiseren. De noodzaak om de biodiversiteit in bossen zowel binnen als buiten de beschermde gebieden in kaart te brengen, te onderzoeken en te bewaken, blijft evenwel bestaan.

Hoewel de belangrijke rol van de bossen bij de bestrijding van klimaatverandering is bevestigd in de uitvoeringsbepalingen van het Protocol van Kyoto welke sedert de vaststelling van de EU-bosbouwstrategie zijn overeengekomen, verloopt de ontplooiing van specifiek op koolstofopslag toegesneden maatregelen, met inbegrip van bebossing en herbebossing, trager dan verwacht. Hout kan niet alleen als milieuvriendelijk materiaal een belangrijke rol spelen, maar ook als bron van energie uit biomassa, waardoor – overeenkomstig de EU-richtlijnen inzake duurzame energiebronnen – de uitstoot ten gevolge van het gebruik van fossiele brandstoffen kan worden teruggedrongen. Het gebruik van biomassa als energiebron kan in de EU zeker nog worden uitgebreid en er moet voor worden gezorgd dat daarbij geen buitensporige concurrentiedistorsie wordt gecreëerd. In de toekomst kan hout ook een belangrijke rol spelen als koolstofreservoir.

Voorts wordt duidelijk dat het noodzakelijk is de effecten van klimaatverandering op de bosecosystemen te analyseren en maatregelen te ontwikkelen om zich daaraan aan te passen. In de toekomst zullen niet alleen bestrijdingsmaatregelen (beperking van de uitstoot van broeikasgassen) maar ook aanpassingsmaatregelen (aanpassing van de bossen aan het veranderend klimaat) in overweging moeten worden genomen.

In samenhang met de mededeling van de Commissie “Een inventarisatie van het concurrentievermogen van de houtverwerkende en aanverwante industrie in de EU”, die in 1999 is aangenomen, is een breed spectrum van acties ter intensivering van de toepassing van hout en ter vergroting van de concurrentiekracht van de houtverwerkende en aanverwante industrie ten uitvoer gelegd. De Commissie heeft onlangs een evaluatie van deze mededeling afgerond. Een van de conclusies luidt dat de Europese consument beter moet worden geïnformeerd over de voordelen van uit duurzaam beheerde bossen afkomstig hout – een hernieuwbare en milieuvriendelijke hulpbron – en dat het nodig is een gunstig klimaat tot stand te brengen waarbinnen de houtverwerkende bedrijven krachtiger kunnen concurreren en de toepassingen van hout kunnen stimuleren.

Certificatie is een van de instrumenten die duurzaam bosbeheer kunnen bevorderen en de consument de mogelijkheid bieden “positieve discriminatie” toe te passen ten aanzien van houtproducten die afkomstig zijn uit duurzaam beheerde bossen. Tot dusver heeft certificatie zich vooral ontwikkeld als een marktgericht instrument van de particuliere sector en heeft regelgeving door de overheid slechts een beperkte rol gespeeld.

In het raam van de kaderprogramma’s voor wetenschappelijk onderzoek van de Gemeenschap en COST[14] zijn grote onderzoeksinspanningen gedaan om DBB te onderbouwen en verder te ontwikkelen en om de concurrentiekracht van de bosbouwsector te vergroten. De bosbouwsector moet de doelstellingen van Lissabon proactief ondersteunen. Dit vereist een sectorbrede strategische benadering die steunt op een breed georiënteerde langetermijnvisie bij de bepaling van de thema’s en prioriteiten van bosbouwkundig onderzoek.

Op basis van de resultaten van een proefproject heeft de Commissie in 2004 een actie opgezet ter voorbereiding van de ontwikkeling van een internetondersteund informatie- en communicatieplatform voor de bossen. Ter aanvulling van die actie moet worden gepeild naar de specifieke behoeften van de gebruikers en moeten de beperkingen van de bestaande nationale gegevensbronnen worden onderzocht.

De fytosanitaire toestand en de kwaliteit van het teeltmateriaal voor de bosbouw zijn van fundamenteel belang voor de productiecapaciteit van de bossen in de EU. De jongste jaren is wetgeving ingevoerd die een beter geharmoniseerde toepassing van een aantal cruciale onderdelen van de EU-wetgeving inzake het in de handel brengen van teeltmateriaal voor de bosbouw moet garanderen.

Zowel aan de invoer van levende planten als aan die van hout uit derde landen is een ernstig risico inzake insleep van plagen en ziekten in de Gemeenschap verbonden. In 2004 zijn nieuwe en strengere bepalingen aan het bestaande acquis toegevoegd om dit risico het hoofd te bieden.

4.3. Coördinatie, communicatie en samenwerking

Gedurende de hele uitvoeringsperiode van de strategie heeft coördinatie met de lidstaten en overleg met de belanghebbende partijen plaatsgevonden via de bestaande administratieve structuren en met name de beheerscomités en raadgevende comités, die de Commissie adviezen verstrekken en zorgen voor de uitwisseling van informatie.

Het Permanent Comité voor de bosbouw (SFC) heeft zijn beheerstaken in het kader van de specifieke verordeningen inzake bescherming en bewaking van de bossen vervuld. Het SFC heeft tevens een belangrijke rol gespeeld als overlegforum ad hoc voor alle kwesties die betrekking hebben op de bossen. Geregelde uitwisseling van informatie, samenwerking en coördinatie met de diverse bij de bosbouw betrokken partijen vonden plaats in de Raadgevende Groep bosbouw inclusief kurkproductie en het Raadgevend Comité voor het communautair beleid inzake de houtsector.

Eind 2001 heeft de Commissie een belangrijke stap genomen door de instelling van een interne overleggroep voor de bosbouw. Die moet ervoor zorgen dat de coördinatie tussen de verschillende diensten van de Commissie die bevoegd zijn voor Gemeenschapsbeleid dat relevant is voor de bossen, wordt versterkt.

Met het oog op hun optreden in internationaal verband coördineren de lidstaten en de Commissie vóór internationale bijeenkomsten over de bossen hun standpunten in de Werkgroep bossen van de Raad. Deze werkgroep houdt zich tevens bezig met aspecten van het Gemeenschapsbeleid die relevant zijn voor de bossen en met wetgevingsinitiatieven met een mondiale dimensie zoals FLEGT.

In weerwil van deze activiteiten blijven lidstaten en betrokken partijen aandringen op een herziening van de primaire coördinatie-, communicatie- en samenwerkingsstructuren om de nieuwe uitdagingen in het kader van een veranderende beleidscontext het hoofd te kunnen bieden.

5. DE TOEKOMST TEGEMOET – EEN EU-ACTIEPLAN VOOR DUURZAAM BOSBEHEER

Globaal genomen zijn de basisbeginselen en -elementen die in de EU-bosbouwstrategie van 1998 werden omschreven, nog steeds relevant. DBB en de multifunctionaliteit van bossen blijven de overkoepelende gemeenschappelijke principes; de nationale bosprogramma’s bieden een geschikt kader om deze principes in de praktijk te brengen; en algemeen wordt erkend dat het hoe langer hoe noodzakelijker is, in het beleid ten aanzien van de bossen rekening te houden met mondiale en sectoroverschrijdende aspecten.

Uit de ervaringen die in de loop van de uitvoeringsperiode zijn opgedaan, blijkt dat bossen en bosbouw kunnen bijdragen tot de doelstellingen van Lissabon (duurzame economische groei en toenemende concurrentiekracht) en Göteborg (instandhouding van de hoeveelheid en de kwaliteit van de natuurlijke hulpbronnen). Om die bijdrage in de toekomst te bestendigen en te maximaliseren is het evenwel noodzakelijk dat zowel de strategie als de tenuitvoerlegging daarvan worden geïntegreerd in een geleidelijk veranderende beleidscontext.

Om te beginnen hebben de diverse maatregelen die de voorbije jaren ten uitvoer zijn gelegd weliswaar tot vooruitgang op het stuk van duurzaam bosbeheer geleid, maar de betrokken sector – die in de EU een “multipurpose” benadering hanteert waarbij tegelijk economische, maatschappelijke en milieudoelstellingen worden nagestreefd – is op de open wereldmarkt qua concurrerendheid en economische levensvatbaarheid in toenemende mate onder druk komen te staan. Voor de meeste boseigenaren zijn er weinig mogelijkheden om schaalvoordelen te realiseren. Boseigenaren stellen de samenleving een brede scala van goederen en diensten ter beschikking, maar zij zijn voor hun inkomsten hoofdzakelijk afhankelijk van de verkoop van hout. Om tegemoet te komen aan de toenemende vraag van het publiek naar bosbeheer dat de ecologische en sociale functies van bossen hoog in het vaandel draagt, zijn in veel gevallen wijzigingen van de beheerspraktijken noodzakelijk die de economische levensvatbaarheid van de bosbouw ongunstig beïnvloeden. Wil de “multipurpose” traditie in de EU-bosbouw worden gehandhaafd, dan moet voor dit probleem in de toekomst een oplossing worden gezocht.

Ten tweede: hoewel de EU-bosbouwstrategie gebaseerd is op subsidiariteit en gedeelde verantwoordelijkheid, zijn er ook EU-beleidsmaatregelen en -initiatieven die consequenties hebben voor de bossen en de bosbouw. Het is noodzakelijk de samenhang tussen de diverse takken van het EU-beleid alsook de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten te versterken en doeltreffende mechanismen ter bewaking van de uitvoering van de strategie op te zetten, zodat de diverse functies van bossen en de koppelingen met andere beleidstakken in het beleidsvormingsproces op een samenhangende manier worden benaderd.

Ten derde: alle bij de bossen en de bosbouw betrokken partijen benadrukken het belang van goede governance voor de bescherming en het duurzame beheer van bossen. Een op participatie en samenwerking gebaseerde benadering van beleidsontwikkeling en -uitvoering is een conditio sine qua non voor goede governance. Zowel op Gemeenschaps- als op lidstaatniveau moeten de overlegstructuren inzake bosbouw worden geëvalueerd en versterkt om transparante besluitvorming en een gestructureerde dialoog met alle belanghebbende partijen te vergemakkelijken.

Last but not least wordt in toenemende mate het belang erkend dat de bossen wereldwijd hebben voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van aspecten als klimaatverandering en biodiversiteit. De EU moet de internationale inspanningen die op wereldwijd duurzaam beheer van de bossen zijn gericht, resoluut blijven ondersteunen. In dit verband is het besluit over een toekomstige internationale regeling voor de bossen, die op de 5e vergadering van het UNFF in mei 2005 zal worden genomen, van belang.

De EU-bosbouwstrategie heeft als referentiekader voor bosgerichte beleidsmaatregelen, -initiatieven en -acties een bepalende invloed gehad op de manier waarop de dag van vandaag over de bosproblematiek wordt nagedacht. Toch is wegens de veranderende beleidscontext in de toekomst wellicht een meer gestructureerde en proactieve benadering van het beheer van de bossen van de Unie noodzakelijk.

Een dergelijke benadering moet stoelen op een gemeenschappelijke visie op de bosbouwsector in de EU en de uitdagingen waarmee deze op mondiaal, communautair en nationaal niveau geconfronteerd wordt, alsook op een gemeenschappelijke opvatting van wat de bossen en de bosbouw de moderne samenleving te bieden hebben. Zij dient een reeks duidelijke doelstellingen te omvatten die de basis kunnen vormen voor geregelde monitoring en beoordeling van de situatie. Zij moet ook een bundeling van de thematische, horizontale en sectoroverschrijdende beleidsinitiatieven van de Gemeenschap en de lidstaten tot stand brengen binnen een gestructureerd kader dat betere en meer doeltreffende coördinatie en overleg bevordert, en de doorstroming van informatie tussen de diverse betrokken actoren stimuleren.

De Commissie is van mening dat de ontwikkeling van een EU-actieplan voor duurzaam bosbeheer in een dergelijk kader kan voorzien. Een actieplan kan voor het nodige elan zorgen om de EU-bosbouwstrategie om te vormen tot een dynamisch proces dat inspeelt op de nieuwe beleidscontext en resultaten kan opleveren die in de lijn liggen van de strategieën van Lissabon en Göteborg.

Daarom stelt de Commissie, na de uitvoering van de EU-bosbouwstrategie te hebben geëvalueerd, de Europese Raad voor:

1. een EU-actieplan voor duurzaam bosbeheer uit te werken dat een coherent kader biedt voor de uitvoering van acties met betrekking tot de bossen en dat tevens als coördinatie-instrument fungeert voor de acties van de Gemeenschap en het bosbeleid van de lidstaten. Een niet-uitputtende lijst van acties die op Gemeenschaps- en lidstaatniveau moeten worden ontplooid, omvat alvast de volgende thema’s en elementen: sociaal-economische vraagstukken (concurrentievermogen van de bosbouw, waardebepaling van goederen en diensten die de samenleving en het milieu ten goede komen); milieuvraagstukken (klimaatverandering, bosbranden, water, instandhouding van de biodiversiteit); gebruik van hout als energiebron; informatie over hout als een hernieuwbare en milieuvriendelijke hulpbron; governance-vraagstukken; horizontale activiteiten (onderzoek, opleiding, statistische gegevens over de bossen, monitoring); coördinatie, communicatie en samenwerking. Ook aan de internationale dimensie van deze kwesties moet aandacht worden besteed;

2. gezien de toenemende complexiteit van het bosbeleid en het besluitvormingsproces, de bestaande communautaire instrumenten en procedures opnieuw te bezien teneinde de coördinatie, communicatie en samenwerking tussen de verschillende beleidssectoren die van invloed zijn op de bosbouw te vergemakkelijken. Deze evaluatie dient mede betrekking te hebben op Beschikking 89/367/EEG van de Raad van 29 mei 1989 tot instelling van een Permanent Comité voor de bosbouw[15] alsook op de rol die voor deze instantie is weggelegd bij de uitvoering van het actieplan.

De Commissie stelt voor om dit actieplan in 2006 te presenteren.

[1] PB C 56 van 26.2.1999, blz. 1.

[2] Straatsburg 1990, Helsinki 1993, Lissabon 1998 en Wenen 2003.

[3] Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

[4] Verdrag inzake biologische diversiteit.

[5] VN-Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming.

[6] Internationale organisatie voor tropisch hout.

[7] Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wilde levende dier- en plantensoorten.

[8] COM(2003) 251def.

[9] COM(2004) 515 def.

[10] COM(2004) 490 def.

[11] Verordening (EEG) nr. 2158/92 van de Raad.

[12] Verordening (EEG) nr. 3528/86 van de Raad.

[13] Verordening (EG) nr. 2152/2003 van het Europees Parlement en de Raad.

[14] Europese samenwerking op het gebied van het wetenschappelijk en technisch onderzoek.

[15] PB L 165 van 15.6.1989, blz. 14.

Top