Help Print this page 
Title and reference
Verslag van de Commissie - Jaarlijks verslag van het Cohesiefonds (2003) (SEC(2004) 1470)

/* COM/2004/0766 def. */
Languages and formats available
Multilingual display
Text

52004DC0766

Verslag van de Commissie - Jaarlijks verslag van het Cohesiefonds (2003) (SEC(2004) 1470) /* COM/2004/0766 def. */


Brussel, 15.12.2004

COM(2004) 766 definitief

.

VERSLAG VAN DE COMMISSIE

JAARLIJKS VERSLAG VAN HET COHESIEFONDS (2003) (SEC(2004) 1470)

INHOUDSOPGAVE

1. Uitvoering van de begroting 3

2. Economische situatie en koppeling aan voorwaarden 5

3. Voorbereiding van de kandidaatlanden op de tenuitvoerlegging vanhet Cohesiefonds 5

4. Coördinatie met de Structuurfondsen: strategische referentiekaders 7

5. Controlebezoeken en conclusies 8

6. Onregelmatigheden en opschorting van de bijstand 9

7. Evaluatie 10

8. Voorlichting en publiciteit 10

De in dit verslag opgenomen informatie wordt uitvoeriger gepresenteerd in het werkdokument van de diensten van de Commissie (SEC(2004)1470).

JAARLIJKS VERSLAG VAN HET COHESIEFONDS (2003)

Dit verslag wordt gepresenteerd overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1164/1994 tot oprichting van een Cohesiefonds. Het heeft betrekking op de activiteiten van het Cohesiefonds in 2003.

1. UITVOERING VAN DE BEGROTING

Na indexering is het definitieve bedrag van de middelen waarover het Cohesiefonds voor het jaar 2003 beschikt 2.839 miljoen euro, met inbegrip van ongeveer 1 miljoen voor technische bijstand.

In begrotingsjaar 2003 zijn de vastleggingskredieten voor 99,8 % uitgevoerd. Slechts 3,37 miljoen euro is naar 2004 overgedragen en geen enkel vastleggingskrediet is geannuleerd.

Samenvatting van de uitvoering van de vastleggingskredieten in 2003 (in euro)

+++++ TABLE +++++

Van de betalingskredieten is 104,8 miljoen euro overgedragen van het Cohesiefonds naar het Solidariteitsfonds en is 350 miljoen euro overgedragen naar doelstelling 1 om te kunnen voldoen aan de betalingsverzoeken van de lidstaten. Rekening houdend met deze overdrachten zijn alle betalingskredieten uitgevoerd.

Samenvatting van de uitvoering van de betalingskredieten in 2003 (in euro)

+++++ TABLE +++++

In de loop van het begrotingsjaar heeft Spanje meer kredieten vastgelegd dan aan het land waren toegewezen, waarmee het feit dat in Griekenland minder kredieten werden besteed dan er waren toegewezen, wordt gecompenseerd.

Uitvoering van de begroting 2003 per lidstaat

Vastleggingskredieten 2003

+++++ TABLE +++++

Betalingskredieten 2003

+++++ TABLE +++++

Nadat in 2001 de milieuprojecten overheersten, blijkt dat in 2003, voor het tweede achtereenvolgende jaar, het accent ligt op de vervoersprojecten (53,8% van de vastleggingskredieten en 52,6 % van de betalingskredieten).

De grote inspanningen die sinds 2000 worden gedaan om de nog betaalbaar te stellen kredieten (“RAL”, “restant à liquider”) van de projecten van de vorige periode af te wikkelen, zijn in 2003 gestaag voortgezet, en ongeveer 26 % van de aan het begin van het jaar nog betaalbaar te stellen kredieten is in de loop van het jaar betaald of geannuleerd. Zo bedragen de RAL eind 2003 slechts 39 % van de jaarlijkse begroting van het Cohesiefonds (tegenover ruim 50 % aan het einde van 2002). In totaal zijn in het jaar 2003 67 projecten afgesloten. De inspanningen om de RAL af te wikkelen worden in 2004 uiteraard voortgezet.

Afwikkeling in 2003 van de vastleggingen van de periode 1993-1999

+++++ TABLE +++++

2. ECONOMISCHE SITUATIE EN KOPPELING AAN VOORWAARDEN

Op grond van de Verordening van de Raad betreffende het Cohesiefonds[1] moet de financiering door het Fonds aan bepaalde voorwaarden worden gekoppeld. In het bijzonder kunnen geen nieuwe projecten en, in het geval van omvangrijke projecten, geen nieuwe projectstadia worden gefinancierd indien de Raad, bij gekwalificeerde meerderheid en op aanbeveling van de Commissie, vaststelt dat de betrokken lidstaat zijn stabiliteits- of convergentieprogramma niet zodanig heeft uitgevoerd dat een buitensporig overheidstekort wordt voorkomen.

In Portugal bedroeg het overheidstekort 4,4% van het BBP in 2001 en het overschreed daarmee de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het BBP[2]. Op 16 oktober 2002 heeft de Commissie een advies uitgebracht waarin werd gesteld dat er in Portugal een buitensporig tekort bestond. Op 5 november 2002 heeft de Raad een besluit in die zin vastgesteld, overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag, alsmede een aanbeveling tot Portugal gericht om het buitensporige overheidstekort te verhelpen. Aangezien de Portugese autoriteiten naar aanleiding van deze aanbeveling actie hebben ondernomen, heeft de Commissie niet aanbevolen de bijstandsverlening uit het Cohesiefonds in Portugal te schorsen. Het Portugese overheidstekort voor 2002 en 2003 wordt geraamd op respectievelijk 2,7% en 2,8% van het BBP. Op 11 mei 2004 heeft de Raad dan ook, op basis van een aanbeveling van de Commissie, besloten het besluit inzake het bestaan van een buitensporig tekort in Portugal in te trekken.

Op 19 mei 2004 heeft de Commissie de BTP tegen Griekenland ingeleid op basis van gegevens waaruit bleek dat het tekort in 2003 3,2% van het BBP had bedragen. Op 5 juli 2004 heeft de Raad (Ecofin) (op grond van artikel 104, lid 6) een beschikking betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Griekenland vastgesteld en (op grond van artikel 104, lid 7) een aanbeveling tot Griekenland gericht om het buitensporige tekort te verhelpen. De Raad heeft de Griekse autoriteiten aanbevolen om zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2005 een einde te maken aan de bestaande buitensporigtekortsituatie. De Raad heeft 5 november 2004 vastgesteld als uiterste datum voor de Griekse regering om de daartoe vereiste maatregelen te nemen. De Griekse autoriteiten werd tevens aanbevolen de schuldquote in een bevredigend tempo te reduceren en af te rekenen met de ernstige tekortkomingen die in de loop van het validatieproces van de BTP-kennisgeving aan het licht waren gekomen.

Vervolgens hebben in september 2004 aanzienlijke opwaartse herzieningen van de tekortcijfers plaatsgevonden, welke voor 2003 een werkelijk geboekt tekort van 4,6% van het BBP en een feitelijke schuld van 109,9% van het BBP opleverden. Volgens de najaarsprognoses 2004 van de Commissie zou het overheidstekort in 2004 5,5% van het BBP belopen en de schuldquote 112,1% van het BBP, terwijl het overheidstekort in 2005 op 3,6% van het BBP zou uitkomen. In het volgende stadium van de procedure dient de Commissie na te gaan of Griekenland al dan niet effectief gevolg aan de aanbeveling van de Raad heeft gegeven.

3. VOORBEREIDING VAN DE KANDIDAATLANDEN OP DE TENUITVOERLEGGING VAN HET COHESIEFONDS

Voor de periode 2004-2006 is een bedrag van 24 miljard euro (lopende prijzen) bestemd voor structurele acties in de 10 toetredende landen, een bedrag waarvan ruim een derde (8,5 miljard euro) afkomstig is uit het Cohesiefonds.

Tabel: Toewijzingen voor de toetredende landen

+++++ TABLE +++++

Na de toetreding op 1 mei 2004 vallen acht van de tien door het ISPA begunstigde landen niet langer onder ISPA maar komen zij, samen met Cyprus en Malta, in aanmerking voor bijstand in het kader van het Cohesiefonds. Om deze landen voor te bereiden op een vlotte en tijdige overstap naar het Cohesiefonds heeft de Commissie in 2003 de volgende maatregelen getroffen:

- Er zijn besprekingen tussen de autoriteiten van de nieuwe lidstaten en de Commissie gestart om consistente strategische referentiekaders van het Cohesiefonds vast te stellen voor de periode 2004-2006. De bedoeling van deze referentiekaders is de belangrijkste gebieden voor prioritaire activiteiten met specifieke financiële gegevens vast te stellen alsmede de rol van de verschillende nationale autoriteiten bij het beheer van het Fonds te bepalen.

Tegen eind 2003 hadden alle toetredende landen met uitzondering van Tsjechië en Slowakije de Commissie over hun referentiekaders geraadpleegd. Dit betekent dat de uitgaven in het kader van het Cohesiefonds voor die toetredende landen subsidiabel zijn vanaf 1.1.2004.

- Omdat de toetredende landen in het kader van het Cohesiefonds aanzienlijk meer middelen ter beschikking staan, is een aantal maatregelen voor technische bijstand goedgekeurd om de betrokken landen te helpen hoogwaardige vervoer- en milieuprojecten voor te bereiden voor indiening bij het Cohesiefonds.

- De op initiatief van de Commissie verleende technische bijstand blijft erop gericht de autoriteiten van de toetredende landen vertrouwd te maken met de regels op het gebied van overheidsopdrachten, met bijzondere aandacht voor de bepalingen van het nieuwe Financieel Reglement, alsmede op het gebied van publiek/private partnerschappen voor openbare nutsbedrijven.

- Tot slot heeft de Commissie haar controles van de systemen voor financieel beheer en financiële controle van de nieuwe lidstaten voortgezet, waarbij zij aanbevelingen heeft geformuleerd om die systemen te verbeteren. Verder heeft de Commissie de toetredende ISPA-landen aangemoedigd hun inspanningen op weg naar een systeem voor de uitvoering van de uitgebreide decentralisatie (EDIS, “Extended decentralised implementation system”) voort te zetten om een positief certificaat van de externe auditor voor fase 3 (conformiteitsonderzoek) te krijgen. Het resultaat was dat eind 2003 vijf van de acht van deze landen fase 3 voor een of beide bijstandsectoren hadden afgerond en gehele of gedeeltelijke toelating tot EDIS hadden gevraagd (fase 4).

4. COÖRDINATIE MET DE STRUCTUURFONDSEN: STRATEGISCHE REFERENTIEKADERS

4.1. Vervoer

In 2003 nam de vervoerssector 53,8% van de totale vastleggingen van het Cohesiefonds voor zijn rekening. (d.i. 1.526 miljoen euro). De Commissie houdt als voorheen vast aan het standpunt dat de acties van het Cohesiefonds zich op het vervoer per spoor moeten richten. De in 2003 goedgekeurde projecten en acties per lidstaat zijn opgenomen in de bijlage.

Vervoerprojecten van algemeen belang in het kader van de trans-Europese netwerken (TEN) worden gefinancierd uit de TEN-begrotingslijn, terwijl het Cohesiefonds specifiek middelen ter beschikking stelt voor de TEN-vervoersinfrastructuur. Coördinatie tussen de TEN-begroting en het Cohesiefonds is belangrijk, omdat beide communautaire financieringsinstrumenten uitgaan van het feit dat niet aan zee grenzende regio’s, perifere regio’s en eilandregio’s, die structureel nadeel ondervinden van hun ligging, aansluiting moeten krijgen bij de centrale regio’s van de Gemeenschap.

De herziening van de richtsnoeren voor de ontwikkeling van een transeuropees vervoersnet[3] is in 2003 voortgezet. Een Groep op hoog niveau bestaande uit vertegenwoordigers van de huidige en de toekomstige lidstaten en van de EIB heeft de Commissie aanbevelingen gedaan inzake nieuwe prioriteitsprojecten in de uitgebreide EU.

Op basis van de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau en van de resultaten van de openbare raadpleging over het verslag heeft de Commissie op 1 oktober 2003 een nieuw voorstel gepresenteerd[4] dat een aanvulling vormt op het voorstel van 2001. In het nieuwe voorstel worden nog eens negen nieuwe projecten toegevoegd aan de lijst van prioritaire projecten, waarmee het totaal van de projecten met betrekking tot grote vervoerassen op 29 is komen te liggen. De lidstaten dienen bij voorrang voor deze projecten middelen uit de EU- financieringsinstrumenten te vragen.

4.2. Milieu

In 2003 nam de milieusector 46,2% van de totale vastleggingen van het Cohesiefonds voor zijn rekening (d.i. 1.309 miljoen euro). Drinkwatervoorziening, afvalwaterzuivering en afvalverwerking blijven prioriteiten in dit verband. De in 2003 goedgekeurde projecten en acties per lidstaat zijn opgenomen in de bijlage.

Het Cohesiefonds levert een bijdrage aan de meer algemene doelstellingen van het milieubeleid in samenhang met duurzame ontwikkeling en in het bijzonder de verwezenlijking van de doelstellingen op de prioritaire gebieden van het zesde actieprogramma, met name het beheer van natuurlijke hulpbronnen, afvalbeheer en klimaatsverandering.

In 2003 heeft het Cohesiefonds zich verder ingespannen voor de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving door rechtstreekse financiering van voorzieningen voor afvalwaterzuivering, drinkwatervoorziening of afvalverwerking, maar ook door als voorwaarde voor de toekenning van financiering te stellen dat bepaalde richtlijnen correct moeten worden toegepast. Het betreft zowel thematische richtlijnen die vooral op grondgebruik betrekking hebben - zoals de richtlijnen inzake natuurbehoud, afvalbeheer en waterzuivering - als de richtlijn inzake de milieueffectbeoordeling.

5. CONTROLEBEZOEKEN EN CONCLUSIES

In 2003 heeft DG Regionaal beleid in de vier Cohesiefondslanden bij 17 auditbezoeken controles van projecten uitgevoerd en bij 10 auditbezoeken controles van de beheers- en controlesystemen verricht. In de betrokken vier lidstaten zijn problemen aan het licht gekomen.

Bij de projecten hebben de belangrijkste geconstateerde tekortkomingen betrekking op de procedures voor overheidsopdrachten, hoewel de situatie per lidstaat verschilt. De in 2002 geconstateerde verbetering van de situatie, met name wat betreft de inachtneming van Beschikking 96/455 inzake voorlichtings- en publiciteitsacties, heeft zich in 2003 doorgezet.

Voor de geconstateerde onregelmatigheden lopen contradictoire procedures met de vier lidstaten, waarbij wordt nagegaan of eventuele financiële correcties moeten worden toegepast.

Met betrekking tot de door de lidstaten opgezette systemen is een audit in drie fasen uitgevoerd. In de eerse fase werd de beschrijving van de systemen die door de lidstaten aan de Commissie was verstrekt, onderzocht, in de twee andere fasen konden de gegevens over de systemen ter plaatse worden gecontroleerd aan de hand van conformiteitstests. Daarbij is vastgesteld dat de lidstaten hun inspanningen om hun organisatie aan te passen aan de eisen van Verordening (EG) nr. 1386/2002 van de Commissie betreffende de beheers- en controlesystemen en de procedure inzake financiële correcties, hebben voortgezet, maar op welbepaalde gebieden zijn er nog steeds problemen.

Met Spanje en Griekenland is een actieplan opgezet: de bedoeling daarvan is ervoor te zorgen dat in de loop van 2004 de nodige aanpassingen worden aangebracht zodat het directoraat-generaal Regionaal beleid een redelijke zekerheid heeft over het functioneren van de beheers- en controlesystemen.

6. ONREGELMATIGHEDEN EN OPSCHORTING VAN DE BIJSTAND

In 2003 heeft het Europese bureau voor fraudebestrijding (OLAF) de verslagen afgerond met betrekking tot de audits die het Bureau in 2002 samen met DG Regionaal beleid in de vier cohesielanden heeft verricht en waarbij is nagegaan hoe deze begunstigde lidstaten uitvoering geven aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1831/94 van de Commissie over de systemen en procedures voor melding en opvolging van onregelmatigheden op dit gebied. De conclusies van deze audits zijn aan de lidstaten meegedeeld; aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer is een samenvattend verslag voorgelegd.

Op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1831/94 van de Commissie betreffende onregelmatigheden in het kader van de financiering van het Cohesiefonds en terugvordering van in dat kader onverschuldigd betaalde bedragen, alsmede betreffende de inrichting van een informatiesysteem op dit gebied zijn de begunstigde lidstaten verplicht gevallen van onregelmatigheden die in eerste instantie door bestuurlijke of gerechtelijke instanties zijn ontdekt aan de Commissie te melden.

In 2003 hebben twee lidstaten, Griekenland en Portugal, respectievelijk 36 en 10 onregelmatigheden aan de Commissie gemeld. De gevallen waarvan de Griekse autoriteiten melding hebben gemaakt betroffen Gemeenschapsmiddelen ten bedrage van in totaal 121.005.484 euro, waarvan 120.240.418 euro in mindering werd gebracht op de bij de Commissie ingediende betalingsaanvragen. In de meeste gevallen ging het bij de onregelmatigheid om de niet-naleving van de regels voor aanbestedingen en voor het overige betrof het niet-subsidiabele uitgaven. De gevallen waarvan de Portugese autoriteiten melding hebben gemaakt betroffen Gemeenschapsmiddelen ten bedrage van in totaal 21.043.856 euro. In ruim de helft van de gevallen ging het eveneens om niet-naleving van de regels voor aanbestedingen en voor het overige betrof het niet-subsidiabele uitgaven. Opgemerkt zij dat van de laatstgenoemde gevallen ruim de helft bij communautaire controles is opgespoord. Een bedrag van 897.896 euro is op nationaal niveau teruggevorderd, de rest moet nog worden teruggevorderd.

De overige twee begunstigde lidstaten hebben de Commissie, in het kader van de bovengenoemde verordening, medegedeeld dat zij gedurende het verslagjaar geen onregelmatigheden hebben geconstateerd.

7. EVALUATIE

Overeenkomstig het bepaalde in de herziene Verordening (EG) nr. 1164/94 onderwerpen de Commissie en de begunstigde lidstaten de investeringsprojecten waarvoor medefinanciering uit het Cohesiefonds wordt gevraagd aan een beoordeling vooraf en een evaluatie om toe te zien op de doeltreffendheid van de communautaire bijstand.

Elke aanvraag om bijstand gaat vergezeld van een evaluatie ex-ante van de kosten en de baten van het door de begunstigde lidstaat ingediende project, waarbij moet worden aangetoond dat de aan de projecten verbonden sociaal-economische voordelen op middellange termijn evenredig zijn aan de omvang van de vrijgemaakte middelen. De Commissie onderzoekt deze evaluatie volgens de nieuwe handleiding inzake kosten/baten-analyses, die zowel door de projectleiders als door de Commissie wordt gebruikt om de relevantie van de betrokken medefinancieringen te beoordelen. Op basis van de nieuwe handleiding voor kosten/baten-analyses van de grote projecten hebben de diensten van de Commissie in het jaar 2003 belangrijke inspanningen gedaan om de coherentie van de financiële analyse ex ante van de verschillende projecten te verbeteren.

Verder is in 2003 de evaluatie ex post van een steekproef van 200 projecten die in de periode 1994-2002 door het Cohesiefonds werden medegefinancierd, gestart. De resultaten van dat onderzoek worden voor het einde van 2004 verwacht.

8. VOORLICHTING EN PUBLICITEIT

Op 19 november 2003 zijn in Brussel twee voorlichtingsvergaderingen met de vijftien lidstaten en de kandidaatlanden voor toetreding gehouden.

Tijdens de eerste vergadering heeft de Commissie de ramingen van de vastleggingen en de betalingen voor het jaar gepresenteerd, terwijl de lidstaten verslag hebben uitgebracht over de situatie op nationaal niveau. De Commissie heeft de op basis van Beschikking 96/455/EG inzake de voorlichtings- en publiciteitsacties vastgestelde ontwerp-verordening gepresenteerd. Naar aanleiding van de problemen die waren gerezen bij de toepassing van sommige bepalingen van de beschikking hadden bepaalde lidstaten namelijk de wens uitgesproken de tekst te wijzigen. Om juridische redenen is de beschikking vervangen door een verordening van de Commissie.

Tijdens de voorlichtingsvergadering van november heeft de Commissie het jaarlijks verslag van het Cohesiefonds over 2002 aangeboden, de ramingen van de vastleggingen en de betalingen voor het jaar gepresenteerd, en meegedeeld dat Ierland op grond van de resultaten van de herziening halverwege de looptijd, vanaf 1 januari 2004 niet meer in aanmerking komt voor bijstand uit het Cohesiefonds.

[1] Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1264/99 van de Raad.

[2] Namelijk het geraamde resultaat voor 2001 volgens het verslag van september 2002 betreffende de omvang van het overheidstekort en van de overheidsschuld overeenkomstig Verordening (EG) 3605/93 van de Raad, als gewijzigd bij Verordening (EG) 475/2000 van de Raad.

* Met inbegrip van het Financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV).

[3] Beschikking nr. 1692/96/EG

[4] COM(2003) 564 def.: Voorstel voor een Beschikking van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van het gewijzigde voorstel voor een Beschikking van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Beschikking nr. 1692/96/EG betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet.

Top