Help Print this page 
Title and reference
Ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

OJ C 169, 18.7.2003, p. 1–150 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, GA, IT, NL, PT, FI, SV)
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

52003XX0718(01)

Ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Publicatieblad Nr. C 169 van 18/07/2003 blz. 0001 - 0105


Ontwerp-

VERDRAG

TOT VASTSTELLING VAN EEN

GRONDWET VOOR EUROPA

Bij consensus aangenomen door de Europese Conventie op 13 juni en 10 juli 2003

VOORGELEGD AAN DE VOORZITTER VAN DE EUROPESE RAAD TE ROME

- 18 juli 2003 -

(2003/C 169/01)

INHOUD

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

VOORWOORD

bij de delen I en II van het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, voorgelegd aan de Europese Raad, op 20 juni 2003 te Thessaloniki bijeen

De Europese Raad heeft in zijn bijeenkomst op 14 en 15 december 2001 te Laken, in België, geconstateerd dat de Europese Unie voor een beslissend moment in haar bestaan stond, en de Europese Conventie over de toekomst van Europa bijeengeroepen.

Deze Conventie werd opgedragen voorstellen te formuleren over drie thema's: de burgers dichter bij het Europese project en de Europese instellingen brengen; structuur geven aan het politieke leven en de Europese politieke ruimte in een uitgebreide Unie; de Unie tot een stabiliserende factor en een lichtbaken in de nieuwe wereldorde maken.

De Conventie heeft antwoorden geformuleerd op de vragen die in de Verklaring van Laken zijn gesteld:

- zij stelt een betere verdeling van de bevoegdheden van de Unie en haar lidstaten voor;

- zij beveelt samenvoeging van de Verdragen en toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de Unie aan;

- zij geeft aan op welke wijze de instrumenten voor het optreden van de Unie kunnen worden vereenvoudigd;

- zij stelt maatregelen voor om de democratie, de transparantie en de doeltreffendheid van de Europese Unie te vergroten door de bijdrage van de nationale parlementen tot de legitimiteit van het Europese project te ontwikkelen, door het besluitvormingsproces te vereenvoudigen en door de werking van de Europese instellingen transparanter en inzichtelijker te maken;

- zij geeft aan welke maatregelen nodig zijn om de structuur te verbeteren en de rol te versterken van elk van de drie instellingen van de Unie, onder inachtneming van, met name, de gevolgen van de uitbreiding.

In de Verklaring van Laken is de vraag opgeworpen of de vereenvoudiging en de herschikking van de Verdragen niet moeten leiden tot de aanneming van een constitutionele tekst. De besprekingen van de Conventie zijn inderdaad uitgemond in de opstelling van een ontwerp-verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa waarover tijdens de plenaire zitting van 13 juni 2003 een brede consensus werd bereikt.

Die tekst leggen we heden, op 20 juni 2003, te Thessaloniki namens de Europese Conventie aan de Europese Raad voor, daarbij de wens uitsprekend dat hij als grondslag dient voor een toekomstig verdrag tot vaststelling van de Europese grondwet.

>PIC FILE= "C_2003169NL.000701.TIF">

Valéry Giscard d'Estaing

Voorzitter

>PIC FILE= "C_2003169NL.000702.TIF">

Giuliano Amato

Vice-voorzitter

>PIC FILE= "C_2003169NL.000703.TIF">

Jean-Luc Dehaene

Vice-voorzitter

Ontwerp-

VERDRAG TOT VASTSTELLING VAN EEN GRONDWET VOOR EUROPA

PREAMBULE

>PIC FILE= "C_2003169NL.000802.TIF">

[Onze constitutie ... wordt democratisch genoemd, omdat de macht niet in handen is van een minderheid, maar van de grootst mogelijke meerderheid.]

Thucydides II, 37

In het besef dat Europa als werelddeel een bakermat van de beschaving is; dat zijn inwoners, die zich hier sedert mensenheugenis golfsgewijs gevestigd hebben, geleidelijk de waarden hebben ontwikkeld die ten grondslag liggen aan het humanisme: gelijkheid van alle mensen, vrijheid en eerbied voor de rede,

Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, waarvan de waarden, die immer deel hebben uitgemaakt van zijn erfgoed, de centrale rol van de mens en zijn onschendbare en onvervreemdbare rechten, alsmede de eerbiediging van het recht, in de samenleving hebben verankerd,

In de overtuiging dat het voortaan verenigde Europa op de ingeslagen weg van beschaving, vooruitgang en welvaart wil voortgaan, ten profijte van al zijn bewoners, ook van de meest kwetsbaren en de meest behoeftigen; dat Europa een werelddeel wil blijven dat openstaat voor cultuur, kennis en maatschappelijke vooruitgang; en dat Europa het democratische en transparante karakter van zijn openbare leven wil verdiepen en zich wil beijveren voor vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de wereld,

In het vertrouwen dat de volkeren van Europa, ook al zijn zij trots op hun identiteit en hun nationale geschiedenis, vastbesloten zijn hun oude tegenstellingen te overwinnen, en, steeds hechter verenigd, vorm te geven aan hun gemeenschappelijke lotsbestemming,

Er vast van overtuigd dat Europa, verenigd in zijn verscheidenheid, hun de beste kansen biedt om, onder eerbiediging van eenieders rechten en in het besef van de verantwoordelijkheden jegens de toekomstige generaties en de aarde, voort te gaan met de grootse onderneming van Europa bij uitstek een ruimte maakt waar de mensen gestalte kunnen geven aan hun aspiraties,

Erkentelijk jegens de leden van de Europese Conventie, omdat zij namens de burgers en de staten van Europa deze Grondwet hebben opgesteld,

[die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, als volgt zijn overeengekomen:]

DEEL I

TITEL I

DEFINITIE EN DOELSTELLINGEN VAN DE UNIE

Artikel 1

Instelling van de Unie

1. Bij deze Grondwet, die geïnspireerd wordt door de wil van de burgers en de staten van Europa om hun gemeenschappelijke toekomst op te bouwen, wordt een Unie ingesteld waaraan de lidstaten bevoegdheden verlenen om hun gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken. De Unie coördineert het beleid van de lidstaten dat gericht is op het bereiken van die doelstellingen en oefent op communautaire wijze de bevoegdheden uit die de lidstaten aan haar overdragen.

2. De Unie staat open voor alle Europese staten die haar waarden eerbiedigen en zich ertoe verbinden deze gezamenlijk te bevorderen.

Artikel 2

De waarden van de Unie

De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en door het verbod van discriminatie.

Artikel 3

De doelstellingen van de Unie

1. De Unie stelt zich ten doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen.

2. De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zonder binnengrenzen, en een interne markt waar de mededinging vrij en onvervalst is.

3. De Unie zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei, van een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie bevordert wetenschappelijke en technische vooruitgang.

De Unie bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie, en bevordert sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind.

De Unie bevordert de economische, sociale en territoriale samenhang, en de solidariteit tussen de lidstaten.

De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europees cultureel erfgoed.

4. In haar betrekkingen met de wereld buiten haar grenzen handhaaft en bevordert de Unie haar waarden en belangen. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van kinderen, alsook tot de strikte nakoming en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.

5. Deze doelstellingen worden nagestreefd met passende middelen, afhankelijk van de bevoegdheden die daartoe in de Grondwet aan de Unie zijn toegewezen.

Artikel 4

Fundamentele vrijheden en het verbod van discriminatie

1. De Unie verzekert overeenkomstig de bepalingen van de Grondwet binnen haar grenzen het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, en de vrijheid van vestiging.

2. Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet is, onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel 5

De betrekkingen tussen de Unie en de lidstaten

1. De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun fundamentele politieke en grondwettelijke structuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met inbegrip van de verdediging van de territoriale integriteit, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

2. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Grondwet voortvloeien.

De lidstaten dragen ertoe bij dat de Unie haar taak kan vervullen en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de in de Grondwet genoemde doelstellingen in gevaar kunnen brengen.

Artikel 6

Rechtspersoonlijkheid

De Unie bezit rechtspersoonlijkheid.

TITEL II

DE GRONDRECHTEN EN HET BURGERSCHAP VAN DE UNIE

Artikel 7

De grondrechten

1. De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Unie, dat Deel II van de Grondwet vormt.

2. De Unie streeft naar toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Toetreding laat de bevoegdheden van de Unie, zoals in de Grondwet omschreven, onveranderd.

3. De grondrechten, die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en die voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie.

Artikel 8

Het burgerschap van de Unie

1. Eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, is burger van de Unie. Het burgerschap van de Unie staat naast het nationale burgerschap en treedt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die in de Grondwet zijn neergelegd. Zij hebben:

- het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

- het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;

- het recht om op het grondgebied van een derde land waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat te genieten onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;

- het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook de instellingen en de adviesorganen van de Unie in een van de officiële talen van de Grondwet aan te schrijven en in die taal antwoord te krijgen.

3. Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Grondwet en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

TITEL III

DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE

Artikel 9

Grondbeginselen

1. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

2. Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.

3. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het aan de Grondwet gehechte Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen zien erop toe dat het beginsel volgens de in dat protocol vastgelegde procedure wordt geëerbiedigd

4. Krachtens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.

De instellingen passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het in lid 3 bedoelde protocol.

Artikel 10

Het recht van de Unie

1. De Grondwet en het recht dat de instellingen van de Unie krachtens de haar toegedeelde bevoegdheden vaststellen, hebben voorrang boven het recht van de lidstaten.

2. De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Grondwet of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

Artikel 11

De categorieën van bevoegdheden

1. In de gevallen waarin in de Grondwet op een bepaald gebied een exclusieve bevoegdheid aan de Unie wordt toegedeeld, kan uitsluitend de Unie wetgevend optreden en juridisch bindende handelingen vaststellen, en kunnen de lidstaten zulks uitsluitend zelf doen op grond van een machtiging van de Unie of ter uitvoering van door de Unie vastgestelde handelingen.

2. In de gevallen waarin in de Grondwet op een bepaald gebied een bevoegdheid aan de Unie wordt toegedeeld die zij met de lidstaten deelt, zijn de Unie en de lidstaten beide bevoegd, op dat gebied wetgevend op te treden en juridisch bindende handelingen vast te stellen. De lidstaten oefenen hun bevoegdheid uit voorzover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend of besloten heeft deze niet langer uit te oefenen.

3. De Unie is bevoegd om te zorgen voor de bevordering en de coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.

4. De Unie is bevoegd om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en te voeren, en in het kader daarvan geleidelijk een gemeenschappelijk defensiebeleid vast te stellen.

5. Op bepaalde gebieden en onder de in de Grondwet gestelde voorwaarden is de Unie bevoegd om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op die gebieden.

6. De omvang en de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie worden bepaald door de specifieke bepalingen voor ieder gebied in Deel III.

Artikel 12

De exclusieve bevoegdheden

1. De Unie is exclusief bevoegd om de voor de werking van de interne markt noodzakelijke mededingingsregels vast te stellen, en is voorts bevoegd op de volgende gebieden:

- het monetair beleid voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd,

- het gemeenschappelijk handelsbeleid,

- de douane-unie,

- de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

2. De Unie is exclusief bevoegd, een internationale overeenkomst te sluiten indien een wetgevingshandeling van de Unie in die sluiting voorziet, indien zulks noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen en indien zulks van invloed is op een interne handeling van de Unie.

Artikel 13

De gedeelde-bevoegdheidsgebieden

1. De Unie heeft een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid in de gevallen waarin in de Grondwet haar een bevoegdheid wordt toegedeeld die buiten de in de artikelen 12 en 16 bedoelde gebieden valt.

2. De gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten betreffen de volgende hoofdgebieden:

- de interne markt,

- de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,

- landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee,

- vervoer en trans-Europese netwerken,

- energie,

- het sociaal beleid, voor in Deel III omschreven aspecten,

- de economische, sociale en territoriale samenhang,

- het milieu,

- consumentenbescherming,

- gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid.

3. Op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimteonderzoek is de Unie bevoegd op te treden, met name programma's vast te stellen en uit te voeren, zonder dat door de uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten verhinderd wordt hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.

4. Op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp is de Unie bevoegd op te treden en een gemeenschappelijk beleid te voeren, zonder dat door de uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten wordt verhinderd hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.

Artikel 14

De coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid

1. De Unie stelt maatregelen vast om te zorgen voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, met name door de globale richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen. De lidstaten coördineren hun economisch beleid binnen de Unie.

2. Voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd, gelden specifieke bepalingen.

3. De Unie stelt maatregelen vast om te zorgen voor de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, met name door de richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen.

4. De Unie kan initiatieven nemen om te zorgen voor de coördinatie van het sociaal beleid van de lidstaten.

Artikel 15

Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

1. De bevoegdheid van de Unie met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt alle gebieden van het buitenlands beleid en alle vraagstukken die verband houden met de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie.

2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie en eerbiedigen de handelingen die de Unie op dat gebied vaststelt. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid ervan.

Artikel 16

De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden

1. De Unie kan ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden.

2. De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden zijn, wat hun Europese dimensie betreft:

- industrie,

- bescherming en verbetering van de volksgezondheid,

- onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport,

- cultuur,

- civiele bescherming.

3. De door de Unie op grond van de specifieke bepalingen betreffende deze gebieden in Deel III vastgestelde juridisch bindende handelingen kunnen generlei harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden.

Artikel 17

Flexibiliteit

1. Indien een optreden van de Unie in het kader van de in Deel III omschreven beleidsgebieden nodig blijkt om een van de in de Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezenlijken zonder dat de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad van Ministers, op voorstel van de Europese Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen de passende maatregelen.

2. In het kader van de in artikel 9, lid 3, bedoelde procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel vestigt de Europese Commissie de aandacht van de nationale parlementen van de lidstaten op de voorstellen die op het onderhavige artikel gebaseerd zijn.

3. De op grond van het onderhavige artikel vastgestelde bepalingen mogen geen harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden in gevallen waarin de Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.

TITEL IV

DE INSTELLINGEN VAN DE UNIE

Hoofdstuk I

HET INSTITUTIONEEL KADER

Artikel 18

De instellingen van de Unie

1. De Unie beschikt over één enkel institutioneel kader, dat ertoe strekt:

- de doelstellingen van de Unie na te streven,

- de waarden van de Unie te bevorderen,

- de belangen van de Unie, van haar burgers en van haar lidstaten te dienen,

en de samenhang, de doeltreffendheid en de continuïteit van het beleid en van het optreden van de Unie, dat gericht is op het verwezenlijken van haar doelstellingen, te verzekeren.

2. Dit institutioneel kader omvat:

het Europees Parlement,

de Europese Raad,

de Raad van Ministers,

de Europese Commissie,

het Hof van Justitie.

3. Elke instelling handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de Grondwet zijn toegekend, volgens de procedures en de voorwaarden die daarin zijn omschreven. De instellingen werken onderling loyaal samen.

Artikel 19

Het Europees Parlement

1. Het Europees Parlement oefent samen met de Raad van Ministers onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden de wetgevings- en de begrotingstaak uit, alsmede de politieke controle- en raadgevingstaken. Het Parlement kiest de voorzitter van de Europese Commissie.

2. Het Europees Parlement wordt door de Europese burgers voor een periode van vijf jaar gekozen door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen. Het aantal leden bedraagt niet meer dan zevenhonderdzesendertig. De Europese burgers zijn degressief evenredig vertegenwoordigd, met een minimum van vier leden van het Europees Parlement per lidstaat.

Lang genoeg voor de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 en vervolgens voor volgende verkiezingen naar gelang van de behoefte stelt de Europese Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van en na goedkeuring door het Europees Parlement een besluit vast inzake de samenstelling van het Europees Parlement, met inachtneming van de hiervoor vermelde beginselen.

3. Het Europees Parlement kiest uit zijn leden de voorzitter en het bureau.

Artikel 20

De Europese Raad

1. De Europese Raad geeft aan de Unie de voor haar ontwikkeling nodige impulsen en stelt haar algemene politieke richtsnoeren en prioriteiten vast. Hij oefent geen wetgevingstaken uit.

2. De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden of regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter en de voorzitter van de Europese Commissie. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie neemt deel aan de besprekingen.

3. De Europese Raad komt elk kwartaal na een convocatie door zijn voorzitter bijeen. Indien de agenda zulks vereist, kunnen de leden van de Europese Raad besluiten zich te laten bijstaan door een minister en, wat de voorzitter van de Europese Commissie betreft, door een Europese Commissaris. Indien de situatie zulks vereist, roept de voorzitter een buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad bijeen.

4. Voorzover in de Grondwet niet anders bepaald, spreekt de Europese Raad zich bij consensus uit.

Artikel 21

De voorzitter van de Europese Raad

1. De Europese Raad kiest met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zijn voorzitter voor een periode van tweeëneenhalf jaar. De voorzitter is eenmaal herkiesbaar. Indien de voorzitter verhinderd is of ernstig tekortschiet, kan de Europese Raad volgens dezelfde procedure een einde maken aan zijn mandaat.

2. De voorzitter van de Europese Raad:

- leidt en stimuleert de besprekingen van de Europese Raad;

- zorgt, in samenwerking met de voorzitter van de Europese Commissie en op basis van de besprekingen van de Raad Algemene Zaken, voor de voorbereiding en de continuïteit van de besprekingen van de Europese Raad;

- streeft ernaar, de samenhang en de consensus binnen de Europese Raad te bevorderen;

- legt na afloop van iedere bijeenkomst van de Europese Raad een verslag voor aan het Europees Parlement.

De voorzitter van de Europese Raad zorgt op zijn niveau en in die hoedanigheid voor de externe vertegenwoordiging van de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, onverminderd de verantwoordelijkheden van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.

3. De voorzitter van de Europese Raad kan geen nationaal mandaat uitoefenen.

Artikel 22

De Raad van Ministers

1. De Raad van Ministers oefent samen met het Europees Parlement onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit, alsmede beleidsbepalende en coördinerende taken.

2. De Raad van Ministers bestaat voor iedere Raadsformatie uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat welke hij vertegenwoordigt, te binden en het stemrecht uit te oefenen.

3. Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel 23

De formaties van de Raad van Ministers

1. De Raad Wetgeving en Algemene Zaken zorgt voor de samenhang van de besprekingen van de Raad van Ministers.

Wanneer de Raad van Ministers in zijn hoedanigheid van Raad Algemene Zaken handelt, verzorgt hij samen met de Europese Commissie de voorbereiding en de voortgangsbewaking van de bijeenkomsten van de Europese Raad.

Wanneer de Raad van Ministers in zijn hoedanigheid van wetgever handelt, beraadslaagt hij en vaardigt hij samen met het Europees Parlement, conform de bepalingen van de Grondwet, de Europese wetten en de Europese kaderwetten uit. Wanneer hij in deze hoedanigheid handelt, wordt iedere lidstaat vertegenwoordigd door één of twee andere vertegenwoordigers op ministerieel niveau die voor de agenda terzake bevoegd zijn.

2. De Raad Buitenlandse Zaken werkt het extern beleid van de Unie uit volgens de door de Europese Raad bepaalde strategische lijnen en zorgt voor de samenhang in het optreden van de Unie. Hij wordt voorgezeten door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.

3. De Europese Raad stelt een Europees besluit vast over de andere formaties waarin de Raad van Ministers bijeen kan komen.

4. Het voorzitterschap van de andere formaties van de Raad van Ministers dan de formatie Buitenlandse Zaken wordt volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid gedurende perioden van ten minste één jaar uitgeoefend door de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad van Ministers. De Europese Raad stelt een Europees besluit betreffende de regels voor dit toerbeurtsysteem vast, rekening houdend met het Europese politieke en geografische evenwicht en de verscheidenheid van de lidstaten.

Artikel 24

De gekwalificeerde meerderheid van stemmen

1. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en in de Raad van Ministers wordt verstaan, de meerderheid van de lidstaten welke tevens ten minste drievijfde van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt.

2. Indien de Grondwet niet vereist dat de Europese Raad of de Raad van Ministers op basis van een voorstel van de Europese Commissie besluit, of indien de Europese Raad of de Raad van Ministers niet besluit op initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, bestaat de vereiste gekwalificeerde meerderheid uit tweederde van de lidstaten, welke ten minste drievijfde van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt.

3. De bepalingen van de leden 1 en 2 worden op 1 november 2009 van kracht, nadat overeenkomstig artikel 19 de verkiezingen voor het Europees Parlement hebben plaatsgevonden.

4. Met betrekking tot de gevallen waarin volgens Deel III Europese wetten en Europese kaderwetten door de Raad van Ministers volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden vastgesteld, kan de Europese Raad op eigen initiatief, en met eenparigheid van stemmen, na een termijn van behandeling van ten minste zes maanden bij Europees besluit bepalen dat de Europese wetten of kaderwetten volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden vastgesteld. De Europese Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en na informatie van de nationale parlementen te hebben verkregen.

Met betrekking tot de gebieden waarop volgens Deel III de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen besluit, kan de Europese Raad op eigen initiatief, en met eenparigheid van stemmen, bij Europees besluit bepalen dat de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid kan besluiten. Ieder initiatief van de Europese Raad op grond van deze alinea wordt ten minste vier maanden voordat een beslissing wordt genomen, aan de nationale parlementen toegezonden.

5. In de Europese Raad nemen de voorzitter en de voorzitter van de Europese Commissie niet deel aan de stemming.

Artikel 25

De Europese Commissie

1. De Europese Commissie bevordert het Europese algemeen belang en neemt daartoe passende initiatieven. Zij ziet toe op de toepassing van zowel de bepalingen van de Grondwet als de bepalingen die de instellingen krachtens de Grondwet vaststellen. Onder de controle van het Hof van Justitie ziet zij toe op de toepassing van het recht van de Unie. Zij voert de begroting uit en beheert programma's. Zij oefent onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden tevens coördinatie-, uitvoerings- en beheerstaken uit. Zij draagt zorg voor de externe vertegenwoordiging van de Unie, behalve wat betreft het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en in andere in de Grondwet genoemde gevallen. Zij neemt de initiatieven tot de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie met het oog op de totstandbrenging van interinstitutionele akkoorden.

2. Tenzij in de Grondwet anders bepaald, kunnen wetgevingshandelingen van de Unie alleen op voorstel van de Europese Commissie worden vastgesteld. Andere handelingen worden op voorstel van de Commissie vastgesteld in de gevallen waarin de Grondwet daarin voorziet.

3. De Europese Commissie is een college dat bestaat uit een voorzitter, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie/vice-voorzitter en dertien Europese Commissarissen die volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid tussen de lidstaten worden gekozen. Dit systeem wordt door de Europese Raad bij Europees besluit vastgesteld op basis van de volgende beginselen:

a) de lidstaten worden volstrekt gelijk behandeld wat betreft de bepaling van de volgorde en de ambtstermijn van hun onderdanen als leden van het college; derhalve kan het verschil tussen het totale aantal ambtstermijnen van onderdanen van twee willekeurige lidstaten nooit meer dan één bedragen;

b) onverminderd punt a) weerspiegelt de samenstelling van het college te allen tijde in voldoende mate de demografische en geografische verscheidenheid van alle lidstaten van de Unie.

De voorzitter van de Europese Commissie benoemt Commissarissen zonder stemrecht, die volgens dezelfde criteria worden gekozen als de gewone leden van het college en die afkomstig zijn uit alle andere lidstaten.

Deze regeling wordt op 1 november 2009 van kracht.

4. De Europese Commissie oefent haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de Europese Commissarissen en de Commissarissen instructies van enige regering of enig ander lichaam.

5. De Europese Commissie legt als college verantwoording af aan het Europees Parlement. De voorzitter van de Commissie legt verantwoording af aan het Europees Parlement over de activiteiten van de Commissarissen. Het Europees Parlement kan volgens de procedure van artikel III-243 een motie van afkeuring betreffende de Commissie aannemen. Indien de motie wordt aangenomen, moeten de Europese Commissarissen en de Commissarissen gezamenlijk aftreden. De Commissie blijft de lopende zaken behartigen totdat een nieuw college is benoemd.

Artikel 26

De voorzitter van de Europese Commissie

1. Rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadplegingen draagt, de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij het Europees Parlement een kandidaat voor het ambt van voorzitter van de Europese Commissie voor. Deze kandidaat wordt door het Europees Parlement bij meerderheid van stemmen van zijn leden gekozen. Indien de kandidaat geen meerderheid behaalt, draagt de Europese Raad binnen een maand volgens dezelfde procedure een nieuwe kandidaat bij het Europees Parlement voor.

2. Iedere lidstaat die volgens het toerbeurtsysteem is aangewezen, stelt een lijst van drie personen op die hij geschikt acht voor het ambt van Europees Commissaris; in de lijst moeten beide geslachten vertegenwoordigd zijn. Door uit elk van deze lijsten een persoon te kiezen, wijst de verkozen voorzitter de dertien Europese Commissarissen aan, op grond van hun bekwaamheid, Europese inzet en waarborgen voor onafhankelijkheid. De voorzitter en de als leden van het college aangewezen personen, met inbegrip van de toekomstige minister van Buitenlandse zaken van de Unie, alsmede de als commissarissen zonder stemrecht aangewezen personen, worden collectief ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement. De ambtstermijn van de Commissie bedraagt vijf jaar.

3. De voorzitter van de Europese Commissie:

- stelt de richtsnoeren vast met inachtneming waarvan de Commissie haar opdracht vervult;

- beslist over de interne organisatie van de Commissie, teneinde de samenhang, de doeltreffendheid en het collegiale karakter van haar optreden te waarborgen;

- benoemt uit de leden van het college de vice-voorzitters.

Een Europees Commissaris of een Commissaris dient zijn ontslag in indien de voorzitter hem daarom verzoekt.

Artikel 27

De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie

1. Met instemming van de voorzitter van de Europese Commissie benoemt de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. Deze voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. De Europese Raad kan zijn mandaat volgens dezelfde procedure beëindigen.

2. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie draagt met zijn voorstellen bij tot de uitwerking van het gemeenschappelijk buitenlands beleid, dat hij als mandataris van de Raad van Ministers uitvoert. Hij handelt op dezelfde wijze ten aanzien van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

3. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie is een van de vice-voorzitters van de Europese Commissie. Hij is belast met de externe betrekkingen en de coördinatie van de overige aspecten van het externe optreden van de Unie. Bij de uitoefening van zijn verantwoordelijkheden in de Commissie en alleen binnen het bestek daarvan, is de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie onderworpen aan de procedures tot regeling van de werking van de Commissie.

Artikel 28

Het Hof van Justitie

1. Het Hof van Justitie omvat het Europees Hof van Justitie, het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie en gespecialiseerde rechtbanken. Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Grondwet.

De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op het gebied van het recht van de Unie te waarborgen.

2. Het Europees Hof van Justitie telt één rechter per lidstaat en wordt bijgestaan door advocaten-generaal.

Het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie telt ten minste één rechter per lidstaat. Het aantal rechters wordt in het Statuut van het Hof van Justitie bepaald.

De rechters en de advocaten-generaal van het Europees Hof van Justitie en de rechters van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie, die worden gekozen uit personen welke alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van de artikelen III-260 en III-261, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar.

3. Het Hof van Justitie:

- doet uitspraak inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep overeenkomstig het bepaalde in Deel III;

- geeft, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, prejudiciële beslissingen over de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;

- doet uitspraak inzake andere in de Grondwet bepaalde gevallen.

Hoofdstuk II

OVERIGE INSTELLINGEN EN ORGANEN

Artikel 29

De Europese Centrale Bank

1. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken vormen het Europees Stelsel van Centrale Banken. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten die de munt van de Unie, de euro, hebben aangenomen, voeren het monetair beleid van de Unie.

2. Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt geleid door de besluitvormingsorganen van de Europese Centrale Bank. Het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit, ondersteunt het het algemene economische beleid in de Unie om zodoende bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Het voert alle andere taken van een centrale bank uit, in overeenstemming met Deel III en de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

3. De Europese Centrale Bank is een instelling met rechtspersoonlijkheid. Zij heeft het alleenrecht machtiging te geven tot uitgifte van de euro. Zij is onafhankelijk, zowel bij de uitvoering van haar bevoegdheden als met betrekking tot haar financieel beleid. De instellingen en organen van de Unie en de regeringen van de lidstaten verbinden zich ertoe de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank te eerbiedigen.

4. De Europese Centrale Bank neemt alle maatregelen die nodig zijn om haar taken te vervullen in overeenstemming met de artikelen III-77 tot en met III-83 en artikel III-90 en onder de voorwaarden van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank. Overeenkomstig diezelfde bepalingen behouden niet tot de eurozone behorende landen en hun centrale banken hun bevoegdheden op monetair gebied.

5. Op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, wordt de Europese Centrale Bank geraadpleegd over elk voorstel voor een handeling van de Unie, alsmede over elk ontwerp van regelgeving op nationaal niveau, en kan zij advies uitbrengen.

6. De besluitvormingsorganen van de Europese Centrale Bank, hun samenstelling en werkwijze functioneren worden omschreven in de artikelen III-84 tot en met III-87, alsmede in de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

Artikel 30

De Rekenkamer

1. De Rekenkamer is de instelling die de controle van de rekeningen verricht.

2. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie en gaat na of een goed financieel beheer is gevoerd.

3. In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit.

Artikel 31

De adviesorganen van de Unie

1. Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie worden bijgestaan door een Comité van de Regio's en een Economisch en Sociaal Comité, die een adviestaak hebben.

2. Het Comité van de Regio's bestaat uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd zijn aan een gekozen vergadering.

3. Het Economisch en Sociaal Comité bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers, werknemers en andere representanten van het maatschappelijk middenveld, met name sociaal-economische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties.

4. De leden van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Unie.

5. De regels betreffende de samenstelling van deze Comités, de benoeming van hun leden, de bevoegdheden en de werking ervan worden vastgesteld in de artikelen III-292 tot en met III-298. De regels betreffende de samenstelling worden door de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie op gezette tijden opnieuw bezien, opdat zij in overeenstemming blijven met de economische, sociale en demografische ontwikkeling van de Unie.

TITEL V

DE UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE

Hoofdstuk I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 32

De rechtshandelingen van de Unie

1. De rechtshandelingen waarvan de Unie overeenkomstig de bepalingen van Deel III gebruikmaakt bij de uitoefening van de haar in de Grondwet toegewezen bevoegdheden, zijn de Europese wet, de Europese kaderwet, de Europese verordening, het Europees besluit, aanbevelingen en adviezen.

De Europese wet is een wetgevingshandeling van algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in iedere lidstaat.

De Europese kaderwet is een wetgevingshandeling die iedere lidstaat waartoe zij is gericht, bindt ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar die de bevoegdheid omtrent de keuze van vorm en middelen aan de nationale instanties overlaat.

De Europese verordening is een handeling van algemene strekking, niet zijnde een wetgevingshandeling, ter uitvoering van een wetgevingshandeling of van bijzondere bepalingen van de Grondwet. Zij is ofwel verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in iedere lidstaat, ofwel bindend voor iedere lidstaat waartoe zij is gericht ten aanzien van het te bereiken resultaat, met dien verstande dat de bevoegdheid omtrent de keuze van vorm en middelen aan de nationale instanties wordt overgelaten.

Het Europees besluit is een handeling, niet zijnde een wetgevingshandeling, die verbindend is in al haar onderdelen. Het besluit is in voorkomend geval alleen verbindend voor degene tot wie het is gericht.

De aanbevelingen en adviezen van de instellingen hebben geen bindende kracht.

2. Indien bij het Europees Parlement en de Raad van Ministers een voorstel voor een wetgevingshandeling is ingediend, onthouden zij zich van het vaststellen van handelingen op het betrokken gebied waarin dit artikel niet voorziet.

Artikel 33

De wetgevingshandelingen

1. De Europese wetten en kaderwetten worden op voorstel van de Europese Commissie door het Europees Parlement en de Raad van Ministers gezamenlijk vastgesteld volgens de in artikel III-302 vastgelegde gewone wetgevingsprocedure. Indien deze twee instellingen geen overeenstemming bereiken, is de wetgevingshandeling niet vastgesteld.

In de in artikel III-165 bepaalde specifieke gevallen kunnen de Europese wetten en kaderwetten op initiatief van een groep lidstaten worden vastgesteld volgens artikel III-302.

2. In bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen worden de Europese wetten en kaderwetten volgens bijzondere wetgevingsprocedures vastgesteld door het Europees Parlement met deelname van de Raad van Ministers, dan wel door de Raad van Ministers met deelname van het Europees Parlement.

Artikel 34

Handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen

1. De Raad van Ministers en de Europese Commissie stellen Europese verordeningen en Europese besluiten vast in de gevallen bedoeld in de artikelen 35 en 36, alsmede in de bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen. De Europese Raad stelt Europese besluiten vast in de bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen. De Europese Centrale Bank stelt Europese verordeningen en Europese besluiten vast in de gevallen waarin de Grondwet dit toestaat.

2. De Raad van Ministers en de Europese Commissie, alsook de Europese Centrale Bank in de gevallen waarin de Grondwet haar daartoe de mogelijkheid biedt, stellen aanbevelingen vast.

Artikel 35

Gedelegeerde verordeningen

1. Bij Europese wet of kaderwet kan aan de Europese Commissie de bevoegdheid worden overgedragen gedelegeerde verordeningen uit te vaardigen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-wezenlijke onderdelen van de Europese wet of kaderwet.

De Europese wet of kaderwet omschrijft uitdrukkelijk de doelstellingen, de inhoud, de strekking en de duur van de delegatie. Essentiële beleidsonderdelen kunnen niet het voorwerp zijn van delegatie. Deze worden uitsluitend bij Europese wet of kaderwet geregeld.

2. De Europese wet of kaderwet bepaalt uitdrukkelijk onder welke voorwaarden de delegatie wordt toegepast. Deze voorwaarden kunnen in de volgende mogelijkheden bestaan:

- het Europees Parlement of de Raad van Ministers kan besluiten tot intrekking van de delegatie;

- de gedelegeerde verordening treedt niet in werking dan nadat het Europees Parlement of de Raad van Ministers geen bezwaar heeft aangetekend binnen de bij de Europese wet of kaderwet gestelde termijn.

Voor de toepassing van de eerste alinea besluit het Europees Parlement met meerderheid van de stemmen van zijn leden en besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel 36

De uitvoeringshandelingen

1. De lidstaten nemen alle maatregelen van intern recht die nodig zijn ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie.

2. Indien het nodig is dat bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd, kunnen bij die handelingen aan de Europese Commissie, of in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij artikel 39 bepaalde gevallen aan de Raad van Ministers, uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.

3. Bij Europese wet worden vooraf de voorschriften en algemene beginselen vastgelegd voor de wijze waarop de lidstaten toezicht uitoefenen op de uitvoeringshandelingen van de Unie.

4. De uitvoeringshandelingen van de Unie hebben de vorm van een Europese uitvoeringsverordening of een Europees uitvoeringsbesluit.

Artikel 37

Gemeenschappelijke beginselen betreffende de rechtshandelingen van de Unie

1. Tenzij de Grondwet in een specifieke handeling voorziet, besluiten de instellingen, met inachtneming van de toepasselijke procedures, welk soort van handeling in elk afzonderlijk geval overeenkomstig het in artikel 9 neergelegde evenredigheidsbeginsel moet worden vastgesteld.

2. De Europese wetten, de Europese kaderwetten, de Europese verordeningen en de Europese besluiten worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of de adviezen waarin de Grondwet voorziet.

Artikel 38

Bekendmaking en inwerkingtreding

1. Europese wetten en kaderwetten die volgens de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, worden door de voorzitter van het Europees Parlement en door de voorzitter van de Raad van Ministers ondertekend. In de overige gevallen worden zij door de voorzitter van het Europees Parlement of door de voorzitter van de Raad van Ministers ondertekend. De Europese wetten en kaderwetten worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt en treden in werking op de daarin bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.

2. Europese verordeningen en Europese besluiten die geen adressaat vermelden of die tot alle lidstaten zijn gericht, worden ondertekend door de voorzitter van de instelling waardoor zij worden vastgesteld en in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Zij treden in werking op de daarin bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.

3. Van de overige besluiten wordt kennisgegeven aan degenen tot wie zij zijn gericht. Zij worden door deze kennisgeving van kracht.

Hoofdstuk II

BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 39

Bijzondere bepalingen inzake de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

1. De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat berust op de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de vaststelling van aangelegenheden die van algemeen belang zijn en de totstandbrenging van een steeds toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten.

2. De Europese Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad van Ministers gaat bij het opstellen van dit beleid te werk in het kader van de door de Europese Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en volgens het bepaalde in Deel III.

3. De Europese Raad en de Raad van Ministers stellen de nodige Europese besluiten vast.

4. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.

5. De lidstaten overleggen in de Europese Raad en in de Raad van Ministers over iedere aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid met het oog op het vaststellen van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de Raad van Ministers alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen schaden. De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden voor dat de Unie haar belangen en waarden op het internationale toneel kan doen gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.

6. Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.

7. Europese besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden door de Europese Raad en door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld, behalve in de in Deel III bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op voorstel van een lidstaat, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of van deze minister met steun van de Europese Commissie. Europese wetten en kaderwetten zijn uitgesloten.

8. De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad van Ministers ook in andere dan de in Deel III bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid besluit.

Artikel 40

Bijzondere bepalingen inzake de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

1. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid is een integrerend deel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het voorziet de Unie van een operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt. De Unie kan deze gebruiken in het kader van buiten het grondgebied van de Unie uit te voeren missies met het oog op handhaving van de vrede, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Bij de uitvoering van deze taken wordt gebruik gemaakt van de door de lidstaten beschikbaar te stellen vermogens.

2. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid omvat de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie. Dit zal tot een gemeenschappelijke defensie leiden zodra de Europese Raad met eenparigheid van stemmen daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, en is verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

3. De lidstaten stellen civiele en militaire vermogens ter beschikking van de Unie voor de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, om zodoende bij te dragen tot het bereiken van de door de Raad van Ministers bepaalde doelstellingen. De lidstaten die onderling multinationale strijdkrachten vormen, kunnen deze strijdkrachten tevens ter beschikking van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid stellen.

De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren. Er wordt een Europees Bureau voor bewapening, onderzoek en militaire vermogens opgericht, dat de operationele behoeften bepaalt, maatregelen bevordert om in die behoeften te voorzien, bijdraagt tot de vaststelling en, in voorkomend geval, tot de uitvoering van alle nuttige maatregelen om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken, deelneemt aan het bepalen van een Europees beleid inzake vermogens en bewapening, en de Raad van Ministers helpt de verbetering van de militaire vermogens te evalueren.

4. Europese besluiten betreffende de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, waaronder begrepen het opzetten van een missie als bedoeld in dit artikel, worden op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of op voorstel van een lidstaat door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie kan, in voorkomend geval samen met de Europese Commissie, voorstellen, gebruik te maken van nationale middelen en van instrumenten van de Unie.

5. De Raad van Ministers kan de uitvoering van een taak in het kader van de Unie opdragen aan een groep lidstaten, teneinde de waarden van de Unie te beschermen en haar belangen te dienen. Voor de uitvoering van een dergelijke taak geldt het bepaalde in artikel III-211.

6. De lidstaten waarvan de militaire vermogens voldoen aan hogere militaire criteria en die op dit gebied onderling verdergaande verbintenissen zijn aangegaan met het oog op de uitvoering van de meest veeleisende taken, stellen in het kader van de Unie een gestructureerde samenwerking in. Voor deze samenwerking geldt het bepaalde in artikel III-213.

7. Zolang de Europese Raad het besluit overeenkomstig lid 2 niet genomen heeft, wordt in het kader van de Unie een nauwere samenwerking op het gebied van de wederzijdse defensie ingesteld. Krachtens deze samenwerking verlenen, indien het grondgebied van een aan deze samenwerking deelnemende lidstaat gewapenderhand wordt aangevallen, de overige deelnemende staten deze lidstaat met alle militaire en andere middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand overeenkomstig het bepaalde in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties. Bij de totstandbrenging van een hechtere samenwerking op het gebied van wederzijdse defensie werken de deelnemende lidstaten nauw samen met de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. De nadere bepalingen voor de deelneming en de werking, alsook de besluitvormingsprocedures, met betrekking tot deze samenwerking zijn in artikel III-214 opgenomen.

8. Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.

Artikel 41

Bijzondere bepalingen inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

1. De Unie vormt een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid:

- door de vaststelling van Europese wetten en kaderwetten waarmee, zonodig, de nationale wetgevingen op de in Deel III opgesomde gebieden onderling worden aangepast;

- door het onderlinge vertrouwen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te bevorderen, met name op basis van de wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen;

- door operationele samenwerking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde diensten op het gebied van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten.

2. In deze ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid kunnen de nationale parlementen deelnemen aan de evaluatiemechanismen van artikel III-161 en worden zij betrokken bij de politieke controle van Europol en bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust, overeenkomstig de artikelen III-177 en III-174.

3. Op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken beschikken de lidstaten over een recht van initiatief overeenkomstig artikel III-165.

Artikel 42

De solidariteitsclausule

1. De Unie en de lidstaten treden solidair tezamen op indien een lidstaat slachtoffer is van een terreuraanslag, van een natuurramp of van een ramp veroorzaakt door menselijk optreden. De Unie maakt van alle tot haar beschikking staande instrumenten, waaronder de door de lidstaten ter beschikking gestelde militaire middelen, gebruik om:

a) - de dreiging van het terrorisme op het grondgebied van de lidstaten te keren;

- de democratische instellingen en de burgerbevolking tegen een eventuele terroristische aanval te beschermen;

- op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied bijstand te verlenen in geval van een terroristische aanval;

b) - op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied bijstand te verlenen in geval van een ramp.

2. De nadere bijzonderheden betreffende de uitvoering van deze bepaling zijn opgenomen in artikel III-231.

Hoofdstuk III

NAUWERE SAMENWERKING

Artikel 43

Nauwere samenwerking

1. De lidstaten die onderling nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie, kunnen gebruik maken van de instellingen van de Unie en die bevoegdheden uitoefenen op grond van de terzake geldende bepalingen van de Grondwet, binnen de grenzen van en in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel en in de artikelen III-322 tot en met III-329.

Met nauwere samenwerking wordt beoogd de doelstellingen van de Unie te bevorderen, haar belangen te beschermen en haar integratieproces te versterken. Nauwere samenwerking staat open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan, en op ieder ander tijdstip, overeenkomstig artikel III-324.

2. De machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan wordt in laatste instantie verleend door de Raad van Ministers, wanneer in de Raad van Ministers is vastgesteld dat de door de nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt en mits door ten minste eenderde van de lidstaten aan de nauwere samenwerking wordt deelgenomen. De Raad van Ministers besluit volgens de procedure van artikel III-325.

3. Alleen leden van de Raad van Ministers die aan een nauwere samenwerking deelnemende staten vertegenwoordigen, nemen deel aan de vaststelling van handelingen. Alle lidstaten kunnen evenwel deelnemen aan de beraadslagingen van de Raad van Ministers.

Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de deelnemende staten gevormd. Een gekwalificeerde meerderheid wordt gevormd door de meerderheid van de vertegenwoordigers van de deelnemende staten die ten minste drievijfde van de bevolking van die staten vertegenwoordigt. Indien de Grondwet niet voorschrijft dat de Raad van Ministers op basis van een voorstel van de Europese Commissie of op initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie handelt, wordt de vereiste gekwalificeerde meerderheid gevormd door tweederde van de deelnemende staten, die ten minste drievijfde van de bevolking van die staten vertegenwoordigt.

4. De in het kader van een nauwere samenwerking vastgestelde handelingen zijn alleen bindend voor de deelnemende staten. Zij worden niet beschouwd als een acquis dat door de kandidaat-lidstaten van de Unie moet worden aanvaard.

TITEL VI

HET DEMOCRATISCH BESTEL VAN DE UNIE

Artikel 44

Het beginsel van democratische gelijkheid

In al haar activiteiten eerbiedigt de Unie het beginsel van gelijkheid van haar burgers. De burgers genieten gelijke aandacht van de instellingen van de Unie.

Artikel 45

Het beginsel van de representatieve democratie

1. De werking van de Unie is gegrond op het beginsel van de representatieve democratie.

2. De burgers worden op het niveau van de Unie rechtstreeks vertegenwoordigd in het Europees Parlement. De lidstaten worden in de Europese Raad en in de Raad van Ministers vertegenwoordigd door hun regeringen, die zelf verantwoording verschuldigd zijn aan de door hun burgers verkozen nationale parlementen.

3. Iedere burger heeft het recht aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen. De besluitvorming vindt plaats op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk is.

4. De politieke partijen op Europees niveau dragen bij tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie.

Artikel 46

Het beginsel van de participerende democratie

1. De instellingen van de Unie stellen de burgers en de representatieve organisaties de nodige middelen ten dienste om hun mening over alle gebieden van het optreden van de Unie kenbaar te kunnen maken en daarover in het openbaar in discussie te kunnen treden.

2. De instellingen van de Unie voeren een open, transparante en regelmatige dialoog met de representatieve organisaties en het maatschappelijk middenveld.

3. Ter wille van de samenhang en de transparantie van het optreden van de Unie pleegt de Europese Commissie op ruime schaal overleg met de betrokken partijen.

4. Op initiatief van ten minste één miljoen burgers, afkomstig uit een aanzienlijk aantal lidstaten, kan de Europese Commissie worden verzocht een passend voorstel in te dienen inzake een aangelegenheid waarvan de burgers menen dat een rechtshandeling van de Unie nodig is ter uitvoering van de Grondwet. De voorschriften inzake de specifieke procedures en voorwaarden voor een dergelijk initiatief van de burgers worden bij Europese wet vastgesteld.

Artikel 47

De sociale partners en de autonome sociale dialoog

De Europese Unie erkent en bevordert de rol van de sociale partners op het niveau van de Unie, en houdt daarbij rekening met de verschillen tussen de nationale stelsels; zij bevordert hun onderlinge dialoog, met inachtneming van hun autonomie.

Artikel 48

De Europese ombudsman

Een door het Europees Parlement benoemde Europese ombudsman neemt kennis van, doet onderzoek naar en brengt verslag uit over klachten betreffende gevallen van wanbeheer in de instellingen, organen en bureaus van de Unie. De Europese ombudsman verricht zijn werkzaamheden in volledige onafhankelijkheid.

Artikel 49

Transparantie van de werkzaamheden van de instellingen van de Unie

1. Om goed bestuur te bevorderen en de deelneming van het maatschappelijk middenveld te waarborgen, werken de instellingen, organen en bureaus van de Unie in een zo groot mogelijke openheid.

2. Het Europees Parlement, alsook de Raad van Ministers indien hij een wetgevingsvoorstel bespreekt en aanneemt, vergaderen in het openbaar.

3. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft onder de in Deel III genoemde voorwaarden het recht van inzage in de documenten, welke vorm deze ook hebben, van de instellingen, organen en bureaus van de Unie.

4. Bij Europese wet worden de algemene beginselen en de beperkingen vastgesteld die om redenen van openbaar of particulier belang aan de uitoefening van het recht van inzage in deze documenten verbonden zijn.

5. De in lid 3 bedoelde instellingen, organen en bureaus stellen overeenkomstig de in lid 4 bedoelde Europese wet in hun reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de inzage van hun documenten vast.

Artikel 50

De bescherming van persoonsgegevens

1. Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.

2. Bij Europese wet worden de voorschriften vastgesteld betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, de organen en de bureaus van de Unie, alsook door de lidstaten, bij de uitoefening van activiteiten die onder de werkingssfeer van het recht van de Unie vallen, alsmede de voorschriften betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Op de naleving van deze voorschriften wordt toezicht uitgeoefend door een onafhankelijke autoriteit.

Artikel 51

De status van kerken en van niet-confessionele organisaties

1. De Unie eerbiedigt de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben, en doet daaraan geen afbreuk.

2. De Unie eerbiedigt tevens de status van levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties.

3. De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken en organisaties, onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage.

TITEL VII

DE FINANCIËN VAN DE UNIE

Artikel 52

De budgettaire en financiële beginselen

1. Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie moeten overeenkomstig de bepalingen van Deel III voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting.

2. De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.

3. De op de begroting opgevoerde uitgaven worden toegestaan voor de duur van het begrotingsjaar, in overeenstemming met de in artikel III-318 bedoelde Europese wet.

4. De uitvoering van de op de begroting opgevoerde uitgaven vereist de voorafgaande vaststelling van een bindende rechtshandeling die een rechtsgrond geeft aan het optreden van de Unie en aan de uitvoering van de uitgave, in overeenstemming met de in artikel III-318 bedoelde Europese wet. Deze handeling moet de vorm hebben van een Europese wet, een Europese kaderwet, een Europese verordening of een Europees besluit.

5. Teneinde de begrotingsdiscipline te zeker te stellen, stelt de Unie geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en van het in artikel 54 bedoelde meerjarig financieel kader.

6. De begroting van de Unie wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten en de Unie dragen er samen zorg voor dat de op de begroting opgevoerde kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.

7. De Unie en de lidstaten bestrijden overeenkomstig de bepalingen van artikel III-321 fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

Artikel 53

De middelen van de Unie

1. De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te leggen.

2. De begroting van de Unie wordt, onverminderd andere ontvangsten, volledig uit eigen middelen gefinancierd.

3. Bij Europese wet van de Raad van Ministers worden de grenzen van de middelen van de Unie bepaald en kunnen nieuwe categorieën van middelen worden vastgesteld, dan wel bestaande categorieën worden ingetrokken. De wet treedt pas in werking na door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen te zijn goedgekeurd. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

4. Bij Europese wet van de Raad van Ministers worden de modaliteiten betreffende de middelen van de Unie vastgesteld. De Raad besluit na goedkeuring door het Europees Parlement.

Artikel 54

Het meerjarig financieel kader

1. Het meerjarig financieel kader beoogt een geordende ontwikkeling van de uitgaven van de Unie te waarborgen binnen de grenzen van de eigen middelen. In het kader worden overeenkomstig de bepalingen van artikel III-308 de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor vastleggingen per uitgavencategorie vastgesteld.

2. Het meerjarig financieel kader wordt vastgesteld bij Europese wet van de Raad van Ministers. De Raad besluit na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van stemmen van zijn leden.

3. In de jaarlijkse begroting van de Unie wordt het meerjarig financieel kader in acht genomen.

4. Het eerste meerjarig financieel kader na de inwerkingtreding van de Grondwet wordt door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld.

Artikel 55

De begroting van de Unie

Op voorstel van de Europese Commissie stellen het Europees Parlement en de Raad van Ministers overeenkomstig de in artikel III-310 bepaalde regels de Europese wet houdende de jaarlijkse begroting van de Unie vast.

TITEL VIII

DE UNIE EN HAAR NAASTE OMGEVING

Artikel 56

De Unie en haar naaste omgeving

1. De Unie ontwikkelt met de naburige staten bijzondere betrekkingen, die erop gericht zijn een ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen welke stoelt op de waarden van de Unie en welke gekenmerkt wordt door nauwe en vreedzame betrekkingen die gebaseerd zijn op onderlinge samenwerking.

2. Te dien einde kan de Unie overeenkomstig het bepaalde in artikel III-227 met de betrokken staten specifieke overeenkomsten sluiten en uitvoeren. De overeenkomsten kunnen wederkerige rechten en verplichtingen omvatten en tevens voorzien in de mogelijkheid gemeenschappelijk op te treden. Over de uitvoering ervan wordt op gezette tijden overleg gepleegd.

TITEL IX

HET LIDMAATSCHAP VAN DE UNIE

Artikel 57

De criteria om in aanmerking te komen en de procedure voor toetreding tot de Unie

1. De Unie staat open voor alle Europese staten die de in artikel 2 bedoelde waarden eerbiedigen en zich ertoe verbinden deze gezamenlijk te bevorderen.

2. Iedere Europese staat die lid wenst te worden van de Unie, richt daartoe een verzoek tot de Raad van Ministers. Het Europees Parlement en de nationale parlementen van de lidstaten worden van dit verzoek in kennis gesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na de Europese Commissie te hebben geraadpleegd en na goedkeuring door het Europees Parlement. De voorwaarden en nadere regels voor de toelating vormen het voorwerp van een akkoord tussen de lidstaten en de kandidaat-lidstaat. Dit akkoord wordt door alle overeenkomstsluitende staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aan bekrachtiging onderworpen.

Artikel 58

Schorsing van de lidmaatschapsrechten van de Unie

1. De Raad van Ministers kan met een meerderheid van viervijfde van zijn leden, op een met redenen omkleed voorstel van eenderde van de lidstaten, van het Europees Parlement of van de Europese Commissie, en na goedkeuring door het Europees Parlement, bij Europees besluit constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige inbreuk door een lidstaat op de in artikel 2 genoemde waarden. Alvorens die constatering te doen, hoort de Raad van Ministers de betrokken lidstaat en kan hij die lidstaat volgens dezelfde procedure aanbevelingen doen.

De Raad van Ministers gaat regelmatig na of de redenen die tot zijn constatering hebben geleid, nog gegrond zijn.

2. De Europese Raad kan bij Europees besluit met eenparigheid van stemmen, op voorstel van eenderde van de lidstaten of van de Europese Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, een ernstige en voortdurende inbreuk door een lidstaat op de in artikel 2 genoemde waarden constateren, na die lidstaat om opmerkingen te hebben verzocht.

3. Wanneer de in lid 2 bedoelde constatering is gedaan, kan de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een Europees besluit vaststellen tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van de Grondwet op de lidstaat in kwestie voortvloeien, met inbegrip van de stemrechten van die lidstaat in de Raad van Ministers. De Raad van Ministers houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

Deze lidstaat blijft in ieder geval gebonden door de verplichtingen die uit hoofde van de Grondwet op hem rusten.

4. De Raad van Ministers kan naderhand bij Europees besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de krachtens lid 3 genomen maatregelen wijzigen of intrekken naar aanleiding van wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

5. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad van Ministers zonder rekening te houden met de stemmen van de lidstaat in kwestie. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van de in lid 2 bedoelde besluiten.

Dit lid is eveneens van toepassing indien stemrechten worden geschorst op grond van lid 3.

6. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 besluit het Europees Parlement met een meerderheid van tweederde der uitgebrachte stemmen welke tevens de meerderheid van zijn leden vertegenwoordigt.

Artikel 59

Vrijwillige terugtrekking uit de Unie

1. Iedere lidstaat kan overeenkomstig zijn grondwettelijke regels besluiten zich uit de Europese Unie terug te trekken.

2. De lidstaat die besluit zich terug te trekken, geeft kennis van zijn voornemen aan de Europese Raad, die deze kennisgeving in behandeling neemt. In het licht van de richtsnoeren van de Europese Raad sluit de Unie via onderhandelingen met deze staat een overeenkomst over de voorwaarden voor zijn terugtrekking, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie. Deze overeenkomst wordt namens de Unie door de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen gesloten, na goedkeuring door het Europees Parlement.

De vertegenwoordiger van de lidstaat die zich terugtrekt, neemt niet deel aan de beraadslagingen of de besluitvorming van de Europese Raad en van de Raad van Ministers die hem betreffen.

3. De Grondwet is niet meer op de betrokken staat van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de terugtrekkingsovereenkomst of, bij gebreke daarvan, twee jaar na de in lid 2 bedoelde kennisgeving, tenzij de Europese Raad met instemming van de betrokken lidstaat tot verlenging van deze termijn besluit.

4. Indien een lidstaat die zich uit de Unie heeft teruggetrokken, opnieuw om het lidmaatschap verzoekt, is op zijn verzoek de procedure van artikel 57 van toepassing.

DEEL II

HET HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE EUROPESE UNIE

PREAMBULE

De volkeren van Europa zijn vastbesloten een op gemeenschappelijke waarden gegrondveste vreedzame toekomst te delen door onderling een steeds hechter verbond tot stand te brengen.

De Europese Unie, zich bewust van haar geestelijke en morele erfgoed, is gegrondvest op de ondeelbare en universele waarden van menselijke waardigheid en van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Zij berust op het beginsel van de democratie en het beginsel van de rechtsstaat. De Unie stelt de mens centraal in haar optreden, door het burgerschap van de Unie in te stellen en een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen.

De Europese Unie draagt bij tot de instandhouding en de ontwikkeling van deze gemeenschappelijke waarden, met inachtneming van de verscheidenheid van cultuur en traditie van de volkeren van Europa, alsmede van de nationale identiteit van de lidstaten en van hun staatsinrichting op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Zij streeft ernaar een evenwichtige en duurzame ontwikkeling te bevorderen en draagt zorg voor het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, alsook de vrijheid van vestiging.

Te dien einde moet in het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij, de sociale vooruitgang en de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen de bescherming van de grondrechten worden versterkt door deze rechten beter zichtbaar te maken in een handvest.

Dit Handvest bevestigt, onder inachtneming van de bevoegdheden en taken van de Europese Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, de rechten die voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities en uit de internationale verplichtingen van de lidstaten, uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de Unie en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de rechten van de mens. In dit verband zullen de rechtscolleges van de Europese Unie en van de lidstaten bij de uitlegging van het Handvest naar behoren rekening houden met de toelichtingen die onder de verantwoordelijkheid van het Praesidium van de Conventie die het Handvest heeft opgesteld, zijn opgesteld.

Het genot van deze rechten brengt verantwoordelijkheden en plichten mede jegens de medemens, jegens de mensengemeenschap en jegens de toekomstige generaties.

Derhalve erkent de Europese Unie de hieronder genoemde rechten, vrijheden en beginselen.

TITEL I

WAARDIGHEID

Artikel II-1

De menselijke waardigheid

De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.

Artikel II-2

Het recht op leven

1. Eenieder heeft recht op leven.

2. Niemand wordt tot de doodstraf veroordeeld of terechtgesteld.

Artikel II-3

Het recht op menselijke integriteit

1. Eenieder heeft recht op lichamelijke en geestelijke integriteit.

2. In het kader van de geneeskunde en de biologie moeten met name worden nageleefd:

a) de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene, volgens de bij de wet bepaalde regels,

b) het verbod van eugenetische praktijken, met name die welke selectie van personen tot doel hebben,

c) het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden,

d) het verbod van het reproductief klonen van mensen.

Artikel II-4

Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel II-5

Het verbod van slavernij en dwangarbeid

1. Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.

2. Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.

3. Mensenhandel is verboden.

TITEL II

VRIJHEDEN

Artikel II-6

Het recht op vrijheid en veiligheid

Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

Artikel II-7

De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven

Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

Artikel II-8

De bescherming van persoonsgegevens

1. Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.

2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.

3. Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd.

Artikel II-9

Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten

Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.

Artikel II-10

De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst

1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid, van godsdienst en overtuiging te veranderen, en de vrijheid, hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of zijn overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2. Het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen.

Artikel II-11

De vrijheid van meningsuiting en van informatie

1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid informatie te ontvangen en te verstrekken, en kennis te nemen van ideeën en deze te uiten, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

2. De vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd.

Artikel II-12

De vrijheid van vergadering en vereniging

1. Eenieder heeft op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied, het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, hetgeen mede omvat eenieders recht, ter bescherming van zijn belangen samen met anderen vakverenigingen op te richten of zich daarbij aan te sluiten.

2. Politieke partijen op het niveau van de Europese Unie dragen bij tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.

Artikel II-13

De vrijheid van kunsten en wetenschappen

De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.

Artikel II-14

Het recht op onderwijs

1. Eenieder heeft recht op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing.

2. Dit recht houdt de mogelijkheid in, verplicht onderwijs kosteloos te volgen.

3. De vrijheid om instellingen voor onderwijs op te richten met inachtneming van de democratische beginselen en het recht van de ouders om zich voor hun kinderen te verzekeren van het onderwijs en de opvoeding die overeenstemmen met hun godsdienstige, levensbeschouwelijke en opvoedkundige overtuigingen, worden geëerbiedigd volgens de nationale wetten die de uitoefening ervan beheersen.

Artikel II-15

De vrijheid van beroep en het recht te werken

1. Eenieder heeft het recht te werken en een vrijelijk gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen.

2. Iedere burger van de Unie is vrij, in iedere lidstaat werk te zoeken, te werken, zich te vestigen of diensten te verrichten.

3. Onderdanen van derde landen die op het grondgebied van de lidstaten mogen werken, hebben recht op arbeidsvoorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke de burgers van de Unie genieten.

Artikel II-16

De vrijheid van ondernemerschap

De vrijheid van ondernemerschap wordt overeenkomstig het recht van de Europese Unie en van de nationale wetgevingen en praktijken erkend.

Artikel II-17

Het recht op eigendom

1. Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Aan niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voorzover het algemeen belang dit vereist.

2. Intellectuele eigendom is beschermd.

Artikel II-18

Het recht op asiel

Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig de Grondwet.

Artikel II-19

Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering

1. Collectieve uitzetting is verboden.

2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waarin een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.

TITEL III

GELIJKHEID

Artikel II-20

Gelijkheid voor de wet

Eenieder is gelijk voor de wet.

Artikel II-21

Non-discriminatie

1. Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.

2. Binnen de werkingssfeer van de Grondwet en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel II-22

Verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal

De Europese Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal.

Artikel II-23

De gelijkheid van mannen en vrouwen

De gelijkheid van mannen en vrouwen moet op alle gebieden worden gewaarborgd, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning.

Het beginsel van gelijkheid belet niet dat maatregelen gehandhaafd of genomen worden waarbij specifieke voordelen worden ingesteld ten voordele van het ondervertegenwoordigde geslacht.

Artikel II-24

De rechten van het kind

1. Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in hen betreffende aangelegenheden wordt in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang gehecht.

2. Bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

3. Ieder kind heeft er recht op, regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.

Artikel II-25

De rechten van ouderen

De Europese Unie erkent en eerbiedigt het recht van ouderen, een waardig en zelfstandig leven te leiden en aan het maatschappelijk en cultureel leven deel te nemen.

Artikel II-26

De integratie van personen met een handicap

De Europese Unie erkent en eerbiedigt het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen.

TITEL IV

SOLIDARITEIT

Artikel II-27

Het recht op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de onderneming

Werknemers en hun vertegenwoordigers moeten in de gevallen en onder de voorwaarden waarin het recht van de Europese Unie en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien, de zekerheid hebben, dat zij op passende niveaus tijdig worden geïnformeerd en geraadpleegd.

Artikel II-28

Het recht op collectieve onderhandelingen en op collectieve actie

Werkgevers en werknemers en hun respectieve organisaties hebben overeenkomstig het recht van de Europese Unie en de nationale wetgevingen en praktijken het recht, op passende niveaus collectief te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, alsmede, in geval van belangenconflicten, collectieve actie te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking.

Artikel II-29

Het recht op toegang tot arbeidsbemiddeling

Eenieder heeft recht op toegang tot kosteloze arbeidsbemiddeling.

Artikel II-30

Bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag

Iedere werknemer heeft overeenkomstig het recht van de Europese Unie en de nationale wetgevingen en praktijken recht op bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag.

Artikel II-31

Rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden

1. Iedere werknemer heeft recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden.

2. Iedere werknemer heeft recht op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon.

Artikel II-32

Het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op het werk

Kinderarbeid is verboden. De minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces mag niet lager zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht ophoudt, onverminderd voor jongeren gunstiger regels en behoudens beperkte afwijkingen.

Werkende jongeren moeten arbeidsvoorwaarden krijgen die aangepast zijn aan hun leeftijd en zij moeten worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen iedere arbeid die hun veiligheid, hun gezondheid of hun lichamelijke, geestelijke, morele of maatschappelijke ontwikkeling kan schaden, dan wel hun opvoeding in gevaar kan brengen.

Artikel II-33

Het gezins- en beroepsleven

1. Het gezin geniet bescherming op juridisch, economisch en sociaal vlak.

2. Teneinde beroep en gezin te kunnen combineren, heeft eenieder recht op bescherming tegen ontslag om een reden die verband houdt met moederschap, alsmede recht op betaald moederschapsverlof en recht op ouderschapsverlof na de geboorte of de adoptie van een kind.

Artikel II-34

Sociale zekerheid en sociale bijstand

1. De Europese Unie erkent en eerbiedigt onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming bieden in gevallen zoals moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, afhankelijkheid of ouderdom, alsmede bij verlies van arbeid.

2. Eenieder die legaal in de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, heeft recht op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

3. Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting, teneinde eenieder die niet over voldoende middelen beschikt, onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden een waardig bestaan te verzekeren.

Artikel II-35

De gezondheidszorg

Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden. Bij de vaststelling en uitvoering van het beleid en de maatregelen van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid gewaarborgd.

Artikel II-36

De toegang tot diensten van algemeen economisch belang

De Europese Unie erkent en eerbiedigt overeenkomstig de Grondwet de toegang tot diensten van algemeen economisch belang die in de nationale wetgevingen en praktijken is geregeld, teneinde de sociale en territoriale samenhang van de Unie te bevorderen.

Artikel II-37

Milieubescherming

Een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten in het beleid van de Europese Unie worden geïntegreerd en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.

Artikel II-38

Consumentenbescherming

In het beleid van de Unie wordt zorggedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming.

TITEL V

BURGERSCHAP

Artikel II-39

Actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement

1. Iedere burger van de Unie heeft het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

2. De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen.

Artikel II-40

Actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen

Iedere burger van de Unie heeft het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

Artikel II-41

Recht op behoorlijk bestuur

1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en bureaus van de Unie worden behandeld.

2. Dit recht behelst met name:

a) het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen,

b) het recht van eenieder om inzage te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim,

c) de plicht van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden.

3. Eenieder heeft recht op vergoeding door de Unie van de schade die door haar instellingen of haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben.

4. Eenieder kan zich in een van de talen van de Grondwet tot de instellingen van de Unie wenden en moet ook in die taal antwoord krijgen.

Artikel II-42

Recht van inzage in documenten

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht van inzage in documenten van de instellingen, organen en bureaus van de Unie, ongeacht de vorm waarin deze worden geproduceerd.

Artikel II-43

Europees Ombudsman

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht zich tot de Europese Ombudsman te wenden over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of bureaus van de Unie, met uitzondering van het Europees Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie bij de uitoefening van hun gerechtelijke taak.

Artikel II-44

Recht van petitie

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten.

Artikel II-45

Vrijheid van verkeer en van verblijf

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

2. De vrijheid van verkeer en van verblijf kan overeenkomstig de Grondwet worden toegekend aan onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven.

Artikel II-46

Diplomatieke en consulaire bescherming

Iedere burger van de Unie geniet op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat.

TITEL VI

RECHTSPLEGING

Artikel II-47

Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Artikel II-48

Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging

1. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

2. Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.

Artikel II-49

Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen

1. Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, dan is die van toepassing.

2. Dit artikel staat niet de berechting en bestraffing in de weg van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was volgens de door de volkerengemeenschap erkende algemene beginselen.

3. De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit.

Artikel II-50

Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft

Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.

TITEL VII

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR DE INTERPRETATIE EN DE TOEPASSING VAN HET HANDVEST

Artikel II-51

Werkingssfeer

1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en bureaus van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de beperkingen van de bevoegdheden zoals deze in de andere delen van de Grondwet aan de Unie worden verleend.

2. Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken en schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie en wijzigt de in de andere delen van de Grondwet neergelegde bevoegdheden en taken niet.

Artikel II-52

Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen

1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.

2. De door dit Handvest erkende rechten die worden beschreven in andere delen van de Grondwet, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke door de desbetreffende delen zijn gesteld.

3. Voorzover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.

4. Voorzover dit Handvest grondrechten erkent zoals die voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, worden die rechten in overeenstemming met die tradities uitgelegd.

5. Aan bepalingen van dit Handvest die beginselen bevatten, mag uitvoering worden gegeven bij wetgevings- en uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld door instellingen en organen van de Unie, en bij handelingen van de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheid. De rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van die bepalingen blijft beperkt tot de uitlegging van genoemde handelingen en de toetsing van de rechtsgeldigheid ervan.

6. Er wordt rekening gehouden met de nationale wetgevingen en praktijken zoals bedoeld in dit Handvest.

Artikel II-53

Beschermingsniveau

Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve werkingssferen worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten.

Artikel II-54

Verbod van misbruik van recht

Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Handvest zijn erkend, teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door dit Handvest is toegestaan.

DEEL III

BELEID EN WERKING VAN DE UNIE

TITEL I

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-1

De Unie waakt over de samenhang van de verscheidene beleidsvormen en maatregelen bedoeld in dit deel van de Grondwet, in het licht van het geheel van de doelstellingen van de Unie en in overeenstemming met het beginsel van bevoegdheidstoedeling.

Artikel III-2

Bij alle in dit deel bedoelde maatregelen streeft de Unie ernaar de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.

Artikel III-3

Bij de bepaling en de uitvoering van het in dit deel van de Grondwet bedoelde beleid en de in dit deel van de Grondwet bedoelde maatregelen streeft de Unie ernaar, iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden.

Artikel III-4

De eisen inzake milieubescherming moeten worden opgenomen in de bepaling en uitvoering van het in dit deel bedoelde beleid en de in dit deel bedoelde maatregelen van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.

Artikel III-5

Met de eisen terzake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij de bepaling en uitvoering van het beleid en de maatregelen van de Unie op andere gebieden.

Artikel III-6

Onverminderd de artikelen III-55, III-56 en III-136 en gezien de plaats die de diensten van algemeen economisch belang innemen als diensten waaraan eenieder in de Unie waarde hecht, alsook de rol die zij vervullen bij het bevorderen van sociale en territoriale samenhang van de Unie en de lidstaten, dragen de Unie en de lidstaten er overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden en binnen het toepassingsgebied van de Grondwet zorg voor, dat deze diensten functioneren op basis van beginselen en onder de voorwaarden, met name economische en financiële, die hen in staat stellen hun taken te vervullen. Deze beginselen en voorwaarden worden bij Europese wet bepaald.

TITEL II

NON-DISCRIMINATIE EN BURGERSCHAP

Artikel III-7

Het in artikel I-4 bedoelde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit kan bij Europese wet of kaderwet worden geregeld.

Artikel III-8

1. Onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet, en binnen de grenzen van de in de Grondwet aan de Unie verleende bevoegdheden, kunnen bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers de nodige maatregelen worden vastgesteld om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

2. Bij Europese wet of kaderwet kunnen de grondbeginselen betreffende de stimuleringsmaatregelen van de Unie, alsmede die maatregelen zelf worden vastgesteld, ter ondersteuning van de regelingen die de lidstaten treffen, met uitzondering van enige harmonisatie van hun wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen.

Artikel III-9

1. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om de uitoefening van het in artikel I-8 bedoelde recht van vrij verkeer en vrij verblijf voor iedere burger van de Unie te bevorderen en de Grondwet niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen daartoe worden vastgesteld.

2. Met hetzelfde doel en tenzij de Grondwet in de hiertoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers maatregelen worden vastgesteld inzake paspoorten, identiteitskaarten, verblijfstitels en andere daarmee gelijkgestelde documenten, alsmede maatregelen inzake sociale zekerheid of sociale bescherming. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-10

Bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers worden voor iedere burger van de Unie in de lidstaat waar hij verblijft en waarvan hij geen onderdaan is, nadere bepalingen vastgesteld betreffende de uitoefening van het in artikel I-8 bedoelde actieve en passieve kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. Deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen, indien zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een lidstaat.

Het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement wordt uitgeoefend onverminderd artikel III-232, lid 2, en de maatregelen ter toepassing van het kiesrecht.

Artikel III-11

De lidstaten stellen regels vast voor de in artikel I-8 bedoelde diplomatieke en consulaire bescherming van de burgers van de Unie in derde landen.

De Raad van Ministers kan bij Europese wet maatregelen ter bevordering van deze bescherming vaststellen. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-12

De talen waarin iedere burger van de Unie krachtens artikel I-8 het recht heeft de instellingen en de adviesorganen aan te schrijven en antwoord te krijgen, worden genoemd in artikel IV-10. De in dit artikel bedoelde instellingen en adviesorganen worden genoemd in artikel I-18, lid 2, artikel I-30 en artikel I-31; ook de Europese Ombudsman behoort hiertoe.

Artikel III-10 (voorheen artikel 22)

De Europese Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, aan de Raad van Ministers en aan het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van de bepalingen van artikel I-8 en van deze titel. In dit verslag wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de Unie.

Op basis van dit verslag en onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet, kunnen bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers maatregelen ter aanvulling van de in artikel I-8 vastgelegde rechten worden vastgesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring van het Europees Parlement. Deze wet of kaderwet treedt slechts in werking nadat hij door de lidstaten overeenkomstig hun respectieve grondwettelijke bepalingen is aangenomen.

TITEL III

INTERN BELEID EN OPTREDEN

Hoofdstuk I

DE INTERNE MARKT

AFDELING I

De totstandbrenging van de interne markt

Artikel III-14

1. De Unie stelt, overeenkomstig het onderhavige artikel, artikel III-15, artikel III-26, lid 1, alsmede de artikelen III-29, III-39, III-62, III-65, en III-143 en onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet, maatregelen vast om de interne markt tot stand te brengen.

2. De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin volgens de bepalingen van de Grondwet het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd.

3. Op voorstel van de Europese Commissie stelt de Raad van Ministers bij Europese verordening of besluit de richtsnoeren en voorwaarden ter waarborging van een evenwichtige vooruitgang in het geheel der betrokken sectoren vast.

Artikel III-15

Bij het formuleren van voorstellen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-14 houdt de Europese Commissie rekening met de inspanning die van economieën met een afwijkende ontwikkeling wordt gevergd voor de totstandbrenging van de interne markt, en kan zij passende maatregelen voorstellen.

Indien deze maatregelen de vorm van afwijkingen aannemen, dienen zij van tijdelijke aard te zijn en de werking van de interne markt zo weinig mogelijk te verstoren.

Artikel III-16

De lidstaten plegen onderling overleg teneinde gezamenlijk het nodige te doen om te voorkomen dat de werking van de interne markt ongunstig wordt beïnvloed door regelingen waartoe een lidstaat zich genoopt kan voelen in geval van ernstige binnenlandse onlusten waardoor de openbare orde wordt verstoord, in geval van oorlog of van ernstige internationale spanning welke een oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die hij met het oog op het behoud van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.

Artikel III-17

Indien voorschriften, vastgesteld in de in de artikelen III-6 en III-34 genoemde gevallen, tot gevolg hebben dat de mededingingsverhoudingen in de interne markt worden verstoord, gaat de Europese Commissie samen met de betrokken lidstaat na onder welke voorwaarden deze voorschriften kunnen worden aangepast aan de in de Grondwet vastgestelde regels.

In afwijking van de procedure bepaald in de artikelen III-265 en III-266, kan de Europese Commissie of een lidstaat zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden, op grond dat een andere lidstaat misbruik maakt van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen III-6 en III-34. Het Hof van Justitie beslist achter gesloten deuren.

AFDELING 2

Het vrije verkeer van personen en diensten

Onderafdeling 1

Werknemers

Artikel III-18

1. Werknemers hebben het recht om zich vrij te verplaatsen binnen de Unie.

2. Iedere discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat betreft werkgelegenheid, beloning en overige arbeidsvoorwaarden, is verboden.

3. Werknemers hebben behoudens uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht:

a) in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling,

b) zich te dien einde vrij te verplaatsen op het grondgebied van de lidstaten,

c) in een van de lidstaten te verblijven om daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden,

d) op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een arbeidsbetrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die worden opgenomen in door de Europese Commissie vast te stellen Europese verordeningen.

4. Dit artikel is niet van toepassing op betrekkingen in overheidsdienst.

Artikel III-19

Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld om tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in artikel III-18 is omschreven. Deze wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

De Europese wetten en kaderwetten beogen met name het volgende:

a) het bewerkstelligen van nauwe samenwerking tussen de nationale bestuursinstellingen op het gebied van de arbeid,

b) het afschaffen van de administratieve procedures en handelwijzen, alsmede van de wachttijden voor het aanvaarden van aangeboden arbeidsbetrekkingen, die voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijmaking van het verkeer van werknemers,

c) het afschaffen van alle wachttijden en andere beperkingen die in de nationale wetgeving of in voordien tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten zijn gesteld en die aan werknemers uit de overige lidstaten andere voorwaarden opleggen voor de vrije keuze van een arbeidsbetrekking dan aan werknemers van het eigen land,

d) het instellen van organisatorische voorzieningen waardoor de aanbiedingen van en de aanvragen om werk met elkaar in aanraking kunnen worden gebracht en waardoor het evenwicht daarvan kan worden bevorderd onder voorwaarden welke ernstige gevaren voor de levensstandaard en de werkgelegenheid in de verschillende regio's en industrieën uitsluiten.

Artikel III-20

De lidstaten begunstigen in het kader van een gemeenschappelijk programma de uitwisseling van jeugdige werknemers.

Artikel III-21

Op het gebied van de sociale zekerheid worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld om het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen, met name door een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor al dan niet in loondienst werkzame migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen:

a) dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen, alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen,

b) dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, zullen worden betaald.

Onderafdeling 2

De vrijheid van vestiging

Artikel III-22

In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft tevens betrekking op beperkingen van de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door onderdanen van een lidstaat die zich op het grondgebied van een lidstaat hebben gevestigd.

De onderdanen van een lidstaat hebben, behoudens de bepalingen van de afdeling betreffende het kapitaal, op het grondgebied van een andere lidstaat het recht van toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan, alsmede het recht ondernemingen, met name vennootschappen in de zin van artikel III-27, tweede alinea), op te richten en te beheren, overeenkomstig de bepalingen die door de wetgeving van de lidstaat van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.

Artikel III-23

1. Bij Europese kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken. De kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

2. Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, te weten:

a) door in het algemeen bij voorrang die werkzaamheden te behandelen, waarvoor de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer,

b) door het verzekeren van nauwe samenwerking tussen de bevoegde nationale bestuursinstellingen, teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen,

c) door het afschaffen van die bestuursrechtelijke procedures en handelwijzen welke voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging,

d) door erop toe te zien dat de werknemers van een van de lidstaten die op het grondgebied van een andere lidstaat te werk zijn gesteld, op dit grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij op het tijdstip waarop zij genoemde bezigheid willen opvatten, eerst in die staat zouden zijn aangekomen,

e) door de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de beginselen van artikel III-123, lid 2, niet worden aangetast,

f) door de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging in iedere in behandeling genomen tak van werkzaamheid toe te passen, enerzijds op de oprichtingsvoorwaarden op het grondgebied van een lidstaat van agentschappen, filialen of dochterondernemingen, en anderzijds op de toelatingsvoorwaarden voor het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, filialen of dochterondernemingen,

g) door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel III-27, tweede alinea, om de belangen te beschermen zowel van de vennoten als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken,

h) door ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.

Artikel III-24

Deze onderafdeling is, wat de betrokken lidstaat betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in deze staat, ook niet indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid worden verricht.

Bij Europese wet of kaderwet kunnen bepaalde werkzaamheden worden uitgezonderd van de toepassing van deze onderafdeling.

Artikel III-25

1. Deze onderafdeling en de op grond daarvan vastgestelde maatregelen doen niet af aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen, welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.

2. De in lid 1 bedoelde nationale bepalingen worden bij Europese kaderwet op elkaar afgestemd.

Artikel III-26

1. Bij Europese kaderwet worden de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst, alsmede de uitoefening daarvan vergemakkelijkt inzake:

a) de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels;

b) de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan.

2. Wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, is de geleidelijke opheffing van de beperkingen afhankelijk van de coördinatie van de voorwaarden waaronder zij in de verschillende lidstaten worden uitgeoefend.

Artikel III-27

Vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, worden voor de toepassing van deze onderafdeling gelijkgesteld met de natuurlijke personen die onderdaan zijn van de lidstaten.

Onder vennootschappen worden verstaan vennootschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen die geen winst beogen.

Artikel III-28

Onverminderd de toepassing van de overige bepalingen van de Grondwet, passen de lidstaten nationale behandeling toe wat betreft financiële deelneming door onderdanen van de andere lidstaten in het kapitaal van vennootschappen in de zin van artikel III-27.

Onderafdeling 3

De vrijheid van dienstverrichting

Artikel III-29

In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van onderdanen van de lidstaten die zich in een andere lidstaat hebben gevestigd dan die waarin degene gevestigd is voor wie de dienst wordt verricht.

Bij Europese wet of kaderwet kan het genot van deze onderafdeling worden uitgebreid tot onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en zich binnen de Unie hebben gevestigd.

Artikel III-30

Als diensten in de zin van de Grondwet worden beschouwd dienstverrichtingen die gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voorzover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.

Deze diensten omvatten werkzaamheden:

a) van industriële aard,

b) van commerciële aard,

c) van ambachtelijke aard,

d) van de vrije beroepen.

Onverminderd de onderafdeling betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke die staat aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel III-31

1. Het vrij verkeer van diensten op het gebied van vervoer wordt geregeld in de afdeling betreffende vervoer.

2. De vrijmaking van de door banken en verzekeringsmaatschappijen verrichte diensten waarmee kapitaalbewegingen gepaard gaan, moet worden verwezenlijkt in overeenstemming met de vrijmaking van het kapitaalverkeer.

Artikel III-32

1. Bij Europese kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst te verwezenlijken. Deze kaderwet wordt na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

2. De Europese kaderwet in de zin van lid 1 heeft in het algemeen bij voorrang betrekking op de diensten welke rechtstreeks van invloed zijn op de productiekosten of waarvan de vrijmaking bijdraagt tot het vergemakkelijken van het goederenverkeer.

Artikel III-33

De lidstaten verklaren zich bereid, bij de vrijmaking van diensten verder te gaan dan waartoe zij op grond van de krachtens artikel III-29, lid 1, vastgestelde Europese kaderwet verplicht zijn, indien hun algemene economische toestand en de toestand in de betrokken sector dit toelaten.

De Europese Commissie doet de betrokken lidstaten daartoe aanbevelingen.

Artikel III-34

Zolang de beperkingen op het vrij verrichten van diensten niet zijn opgeheven, passen de lidstaten deze zonder onderscheid naar nationaliteit of naar verblijfplaats toe op al degenen die diensten verrichten als bedoeld in artikel III-29, eerste alinea.

Artikel III-35

De artikelen III-24 tot en met III-27 zijn van toepassing op het onderwerp dat in deze onderafdeling is geregeld.

AFDELING 3

Het vrije verkeer van goederen

Onderafdeling 1

De douane-unie

Artikel III-36

1. De Unie omvat mede een douane-unie, die zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en die zowel het verbod meebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor de betrekkingen van de lidstaten met derde landen.

2. Artikel III-38 en onderafdeling 3 van deze afdeling zijn van toepassing op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten, alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden.

Artikel III-37

Als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd producten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend.

Artikel III-38

In- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking zijn verboden tussen de lidstaten. Dit geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard.

Artikel III-39

De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie bij Europese verordening of besluit de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief vast.

Artikel III-40

Bij de uitvoering van de taken die haar krachtens de bepalingen van deze onderafdeling zijn gegeven, laat de Europese Commissie zich leiden door:

a) de noodzaak het handelsverkeer tussen de lidstaten en derde landen te bevorderen,

b) de ontwikkeling van de mededingingsvoorwaarden binnen de Unie, in de mate waarin deze ontwikkeling het concurrentievermogen van ondernemingen zal doen toenemen,

c) de behoeften van de Unie aan grondstoffen en halffabrikaten, waarbij zij erop toeziet dat de mededingingsvoorwaarden met betrekking tot eindproducten tussen de lidstaten niet worden vervalst,

d) de noodzaak om ernstige verstoringen van het economisch leven van de lidstaten te vermijden en een rationele ontwikkeling van de productie en een vergroting van het verbruik in de Unie te waarborgen.

Onderafdeling 2

Douanesamenwerking

Artikel III-41

Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld ter versterking van de douanesamenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Europese Commissie.

Onderafdeling 3

Het verbod op kwantitatieve beperkingen

Artikel III-42

Kwantitatieve invoer- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn verboden tussen de lidstaten.

Artikel III-43

Artikel III-42 vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren en planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

Artikel III-44

1. De lidstaten passen hun nationale monopolies van commerciële aard in dier voege aan, dat iedere discriminatie tussen de onderdanen van de lidstaten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten.

Dit artikel is van toepassing op ieder lichaam waardoor een lidstaat de invoer of de uitvoer tussen de lidstaten in rechte of in feite rechtstreeks of zijdelings beheerst, leidt of aanmerkelijk beïnvloedt. Het artikel is tevens van toepassing op door een staat gedelegeerde monopolies.

2. De lidstaten onthouden zich ervan, enige nieuwe maatregel te treffen die tegen de in lid 1 genoemde beginselen indruist of die de draagwijdte van de artikelen inzake het verbod op douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten beperkt.

3. Wanneer er een monopolie van commerciële aard bestaat dat een regeling ter bevordering van de afzet of van de valorisatie van landbouwproducten omvat, dienen bij de toepassing van dit artikel gelijkwaardige waarborgen te worden gegeven voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten.

AFDELING 4

Kapitaal en betalingen

Artikel III-45

In het kader van deze afdeling zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer en van betalingen tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.

Artikel III-46

1. Artikel III-45 laat onverlet de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestonden uit hoofde van nationaal of Unierecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe beleggingen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen - vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.

2. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe beleggingen - met inbegrip van beleggingen in onroerende goederen - vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.

Het Europees Parlement en de Raad van Ministers trachten de doelstelling van een niet aan beperkingen onderworpen vrij kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen in de mate van het mogelijke en onverminderd andere bepalingen van de Grondwet te verwezenlijken.

3. In afwijking van lid 2, kunnen maatregelen die in het recht van de Unie een achteruitgang op het gebied van de vrijmaking van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen vormen, alleen worden vastgesteld bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-47

1. Artikel III-45 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten:

a) de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;

b) alle nodige regelingen te treffen om overtredingen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen aan de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.

2. Deze afdeling laat de mogelijkheid onverlet om beperkingen op het recht van vestiging toe te passen voorzover deze verenigbaar zijn met de Grondwet.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer of het betalingsverkeer als omschreven in artikel III-45.

Artikel III-48

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden het kapitaalverkeer naar of uit derde landen ernstige moeilijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de werking van de economische en monetaire unie, kan de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie Europese verordeningen of besluiten vaststellen houdende vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van derde landen voor een periode van ten hoogste zes maanden, indien deze maatregelen strikt noodzakelijk zijn. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-49

Indien zulks noodzakelijk is om de doelstellingen van artikel III-158 te verwezenlijken, met name wat betreft de preventie en de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, terrorisme en mensensmokkel, kan bij Europese wet een kader worden vastgesteld voor maatregelen met betrekking tot het kapitaal- en betalingsverkeer, zoals het bevriezen van tegoeden, financiële activa of economische baten waarvan de bezitter, de eigenaar of de houder een natuurlijke of rechtspersoon, een groepering of een niet-statelijke entiteit is.

De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie Europese verordeningen of besluiten vast ter uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde wet.

AFDELING 5

Regels betreffende de mededinging

Onderafdeling 1

Regels voor ondernemingen

Artikel III-50

1. Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en met name die welke bestaan in:

a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden,

b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen,

c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen,

d) het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging,

e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.

3. Lid 1 kan echter buiten toepassing worden verklaard

- voor iedere overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,

- voor ieder besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen,

- voor iedere onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen

waarmee wordt bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder evenwel aan de betrokken ondernemingen

a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn,

b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.

Artikel III-51

Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voorzover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.

Dit misbruik kan met name bestaan in:

a) het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden,

b) het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van verbruikers,

c) het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging,

d) het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Artikel III-52

1. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie de Europese verordeningen vast voor de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen III-50 en III-51. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

2. De in lid 1 bedoelde Europese verordeningen hebben met name ten doel:

a) nakoming van de in artikel III-50, lid 1, en in artikel III-51 bedoelde verbodsbepalingen te bewerkstelligen door de instelling van geldboeten en dwangsommen;

b) de regels voor de toepassing van artikel III-50, lid 3, vast te stellen met inachtneming van de noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren en anderzijds de administratieve controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen;

c) in voorkomende gevallen de werkingssfeer van de bepalingen van de artikelen III-50 en III-51 voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen;

d) de taak van de Europese Commissie, respectievelijk van het Hof van Justitie bij de toepassing van de in dit lid bedoelde bepalingen vast te stellen;

e) de verhouding vast te stellen tussen de nationale wetgevingen enerzijds en deze afdeling, alsmede de Europese verordeningen die ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld, anderzijds.

Artikel III-53

Tot de inwerkingtreding van de Europese verordeningen die op grond van artikel III-52 worden vastgesteld, beslissen de autoriteiten van de lidstaten in overeenstemming met hun interne recht, alsook met artikel III-50, met name lid 3, en artikel III-51 over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen en over het misbruik maken van een machtspositie op de interne markt.

Artikel III-54

1. Onverminderd het in artikel III-53 bepaalde, waakt de Europese Commissie over de toepassing van de in de artikelen III-50 en III-51 neergelegde beginselen. Op verzoek van een lidstaat of ambtshalve, en in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, welke haar daarbij behulpzaam zijn, stelt de Commissie een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke inbreuk op de bovengenoemde beginselen. Indien haar blijkt dat inbreuk is gepleegd, stelt zij middelen voor om daaraan een eind te maken.

2. Wordt aan deze inbreuken geen eind gemaakt, dan stelt de Europese Commissie een met redenen omkleed Europees besluit vast waarbij de inbreuk op de beginselen wordt geconstateerd. Zij kan haar besluit bekendmaken en de lidstaten machtigen regelingen - waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt - te treffen om de toestand te verhelpen.

3. De Europese Commissie kan Europese verordeningen vaststellen betreffende de groepen overeenkomsten ten aanzien waarvan de Raad van Ministers overeenkomstig artikel III-52, lid 2, onder b), een besluit heeft genomen.

Artikel III-55

1. De lidstaten nemen of handhaven met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel welke in strijd is met de bepalingen van de Grondwet, met name die bedoeld in artikel I-4, lid 2, en de artikelen III-55 tot en met III-58.

2. Ondernemingen die zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de bepalingen van de Grondwet, met name onder de mededingingsregels, voorzover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie.

3. De Europese Commissie waakt over de toepassing van dit artikel en stelt, voorzover nodig, passende Europese verordeningen of Europese besluiten vast.

Onderafdeling 2

Steunmaatregelen van de lidstaten

Artikel III-56

1. Behoudens de afwijkingen waarin de Grondwet voorziet, zijn steunmaatregelen van de lidstaten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

2. Met de interne markt zijn verenigbaar:

a) steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de producten,

b) steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen,

c) steunmaatregelen ten belope van de economie van bepaalde regio's van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voorzover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren.

3. Als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd:

a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van regio's waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst,

b) steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen,

c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad,

d) steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, wanneer door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Unie niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad,

e) andere soorten van steunmaatregelen die de Raad van Ministers bij Europese verordening of besluit op voorstel van de Europese Commissie aanwijst.

Artikel III-57

1. De Europese Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de maatregelen voor welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de interne markt vereist.

2. Indien de Europese Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een lidstaat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel III-56 niet verenigbaar is met de interne markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, stelt zij een Europees besluit vast, houdende dat de betrokken staat die steunmaatregel opheft of wijzigt binnen de door haar vast te stellen termijn.

Indien deze staat niet binnen de gestelde termijn gevolg geeft aan het Europees besluit, kan de Europese Commissie of iedere andere belanghebbende lidstaat zich in afwijking van de artikelen III-265 en III-266 rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden.

Op verzoek van een lidstaat kan de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vaststellen op grond waarvan een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van artikel III-56 of van de in artikel III-58 bedoelde Europese verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de interne markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijk besluit rechtvaardigen. Indien de Europese Commissie met betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea vermelde procedure heeft ingeleid, wordt deze door het verzoek van de betrokken staat aan de Raad van Ministers geschorst, totdat de Raad zijn standpunt heeft bepaald.

Indien evenwel de Raad van Ministers binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf het verzoek geen standpunt heeft bepaald, beslist de Europese Commissie.

3. De Europese Commissie wordt door de lidstaten van ieder voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, zodat zij opmerkingen kan maken. Indien zij meent dat het voornemen volgens artikel III-56 onverenigbaar is met de interne markt, leidt zij onverwijld de in lid 2 bedoelde procedure in. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een definitief besluit heeft geleid.

4. De Europese Commissie kan Europese verordeningen vaststellen betreffende de soorten van staatssteun waarvan de Raad overeenkomstig artikel III-55 heeft bepaald dat zij van de in lid 3 bedoelde procedure kunnen worden vrijgesteld.

Artikel III-58

De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie Europese verordeningen vaststellen voor de toepassing van de artikelen III-56 en III-57, en met name om de voorwaarden voor de toepassing van artikel III-57, lid 3, te bepalen, alsmede de van die procedure vrijgestelde soorten van steunmaatregelen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 6

Bepalingen betreffende belastingen

Artikel III-59

De lidstaten heffen, al dan niet rechtstreeks, op producten van de overige lidstaten geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

Bovendien heffen de lidstaten op producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.

Artikel III-60

Bij de uitvoer van producten van een lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat mag de teruggave van binnenlandse belastingen niet het bedrag overschrijden dat daarop al dan niet rechtstreeks geheven is.

Artikel III-61

Met betrekking tot andere belastingen dan de omzetbelasting, de accijnzen en de overige indirecte belastingen mogen vrijstellingen en teruggaven bij uitvoer naar de andere lidstaten slechts worden verleend en compenserende belastingen bij invoer uit de lidstaten slechts worden geheven, voorzover de bedoelde regelingen van tevoren voor een beperkte periode bij een door de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie aangenomen Europees besluit zijn goedgekeurd.

Artikel III-62

1. De Raad van Ministers stelt bij Europese wet of kaderwet maatregelen vast aangaande de harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting, de accijnzen en andere indirecte belastingen, voorzover deze harmonisatie geboden is om de werking van de interne markt zeker te stellen en concurrentieverstoringen te voorkomen. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité.

2. Wanneer de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen en op voorstel van de Europese Commissie besluit dat de in lid 1 bedoelde maatregelen de administratieve samenwerking of de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking betreffen, wordt de Europese wet of kaderwet houdende vaststelling van deze maatregelen in afwijking van lid 1 met gekwalificeerde meerderheid van stemmen aangenomen.

Artikel III-63

Wanneer de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen en op voorstel van de Europese Commissie besluit dat maatregelen inzake de vennootschapsbelasting betrekking hebben op administratieve samenwerking of de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking, stelt hij deze maatregelen bij Europese wet of kaderwet met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vast, voorzover zij nodig zijn om de werking van de interne markt zeker te stellen en concurrentieverstoringen te voorkomen.

De wet of kaderwet wordt na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité aangenomen.

AFDELING 7

De onderlinge aanpassing van de wetgevingen

Artikel III-64

Onverminderd artikel III-62, stelt de Raad van Ministers bij Europese kaderwet maatregelen vast voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-65

1. Tenzij dit in de Grondwet anders wordt bepaald, is dit artikel van toepassing voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-14. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. De wet of kaderwet wordt na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

2. Lid 1 is niet van toepassing op fiscale voorschriften, op voorschriften inzake het vrije verkeer van personen en op voorschriften inzake de rechten en belangen van werknemers.

3. De Europese Commissie zal bij haar op grond van lid 1 ingediende voorstellen op het gebied van de volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming uitgaan van een hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd. Ook het Europees Parlement en de Raad van Ministers zullen binnen hun respectieve bevoegdheden deze doelstelling trachten te verwezenlijken.

4. Wanneer een lidstaat, nadat bij Europese wet of kaderwet of bij Europese verordening van de Europese Commissie een harmonisatiemaatregel is vastgesteld, het noodzakelijk acht nationale regelingen te handhaven die hun rechtvaardiging vinden in gewichtige eisen als bedoeld in artikel III-43 of verband houdend met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu, geeft hij zowel van die regelingen als van de redenen voor het handhaven ervan, kennis aan de Europese Commissie.

5. Wanneer een lidstaat, nadat bij Europese wet of kaderwet dan wel bij verordening van de Europese Commissie een harmonisatiemaatregel is vastgesteld, het noodzakelijk acht nationale regelingen te treffen, gebaseerd op nieuwe wetenschappelijke gegevens welke verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu, vanwege een specifiek probleem dat zich in die lidstaat heeft aangediend nadat de harmonisatiemaatregel is vastgesteld, stelt hij de Commissie voorts, onverminderd lid 4, in kennis van de voorgenomen regelingen en de motivering daarvan.

6. Binnen zes maanden na de in de leden 4 en 5 bedoelde kennisgevingen stelt de Europese Commissie een Europees besluit vast waarbij de betrokken nationale regelingen worden goedgekeurd of afgewezen, nadat zij heeft nagegaan of zij al dan niet een middel tot willekeurige discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten, of een hinderpaal voor de werking van de interne markt vormen.

Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit vaststelt, worden de in lid 4 en lid 5 bedoelde nationale bepalingen geacht te zijn goedgekeurd.

Indien het complexe karakter van de aangelegenheid zulks rechtvaardigt en er geen gevaar bestaat voor de gezondheid van de mens, kan de Commissie de betrokken lidstaat ervan in kennis stellen, dat de in dit lid bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd.

7. Indien een lidstaat krachtens lid 6 gemachtigd is om nationale regelingen te handhaven of te treffen die afwijken van een harmonisatiemaatregel, onderzoekt de Commissie onverwijld of er een aanpassing van die maatregel moet worden voorgesteld.

8. Indien een lidstaat een specifiek probleem in verband met volksgezondheid aan de orde stelt op een gebied waarop eerder harmonisatiemaatregelen zijn genomen, brengt hij dit ter kennis van de Commissie, die onverwijld onderzoekt of zij passende maatregelen moet voorstellen.

9. In afwijking van de procedure van de artikelen III-265 en III-266 kunnen de Commissie en de lidstaten zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden, indien zij menen dat een andere lidstaat misbruik maakt van de in dit artikel bedoelde bevoegdheden.

10. De in dit artikel bedoelde harmonisatiemaatregelen omvatten, in passende gevallen, een vrijwaringsclausule die de lidstaten machtigt om, op grond van een of meer van de in artikel III-43 bedoelde niet-economische redenen, voorlopige regelingen te treffen die aan een toetsingsprocedure door de Unie worden onderworpen.

Artikel III-66

Ingeval de Europese Commissie vaststelt dat een verschil tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt vervalst en een distorsie veroorzaakt welke moet worden opgeheven, raadpleegt zij de betrokken lidstaten.

Indien deze raadpleging niet tot overeenstemming leidt, wordt bij Europese kaderwet de betrokken distorsie opgeheven. Alle andere dienstige maatregelen waarin de Grondwet voorziet, kunnen worden vastgesteld.

Artikel III-67

1. Indien er aanleiding bestaat te vrezen dat de vaststelling of de wijziging van een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regeling een distorsie in de zin van artikel III-66 veroorzaakt, raadpleegt de lidstaat die daartoe wil overgaan, de Europese Commissie. Na de lidstaten te hebben geraadpleegd, doet de Commissie de betrokken staten een aanbeveling betreffende de passende maatregelen om deze distorsie te voorkomen.

2. Indien de lidstaat die nationale regelingen wil vaststellen of wijzigen, niet handelt overeenkomstig de aanbeveling welke de Europese Commissie hem heeft gedaan, kan bij toepassing van artikel III-66 van de andere lidstaten niet worden verlangd dat zij hun nationale regelingen wijzigen om deze distorsie op te heffen. Indien de lidstaat die aan de aanbeveling van de Commissie geen gevolg heeft gegeven, een distorsie veroorzaakt waarvan alleen hijzelf nadeel ondervindt, is artikel III-63 niet van toepassing.

Artikel III-68

In het kader van de totstandbrenging van de interne markt worden bij Europese wet of kaderwet de maatregelen vastgesteld voor de instelling van Europese titels om een eenvormige bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten in de hele Unie te bieden, en op het niveau van de Unie gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen in te stellen.

Het taalgebruik met betrekking tot de titels wordt geregeld bij Europese wet van de Raad van Ministers. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Hoofdstuk II

HET ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID

Artikel III-69

1. Met het oog op de in artikel I-3 genoemde doelstellingen behelst het optreden van de lidstaten en de Unie, onder de voorwaarden waarin de Grondwet voorziet, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op nauwe coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, op de interne markt en op de bepaling van gemeenschappelijke doelstellingen, en dat wordt gevoerd met eerbieding van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.

2. Gelijktijdig daarmee omvat dit optreden, onder de voorwaarden en volgens de procedures waarin de Grondwet voorziet, één munt, de euro, alsmede het bepalen en voeren van één monetair en wisselkoersbeleid, beide met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit en, onverminderd deze doelstelling, het ondersteunen van het algemene economische beleid in de Unie, met eerbiediging van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.

3. Dit optreden van de lidstaten en van de Unie impliceert de eerbiediging van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities en een stabiele betalingsbalans.

AFDELING 1

Het economisch beleid

Artikel III-70

De lidstaten voeren hun economisch beleid om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie, als omschreven in artikel I-3, en in het kader van de in artikel III-71, lid 2, bedoelde globale richtsnoeren. De lidstaten en de Unie handelen in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel III-69.

Artikel III-71

1. De lidstaten beschouwen hun economisch beleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en coördineren dit beleid overeenkomstig het bepaalde in artikel III-70 in het kader van de Raad van Ministers.

2. De Raad van Ministers stelt op aanbeveling van de Europese Commissie een ontwerp op voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie, en brengt daarover verslag uit aan de Europese Raad.

Aan de hand van dit verslag van de Raad van Ministers bespreekt de Europese Raad een conclusie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie. De Raad van Ministers stelt, uitgaande van deze conclusie, een aanbeveling vast waarin deze globale richtsnoeren zijn vastgelegd. De Raad stelt het Europees Parlement daarvan in kennis.

3. Teneinde een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te bereiken, ziet de Raad van Ministers aan de hand van door de Europese Commissie ingediende rapporten, toe op de economische ontwikkelingen in iedere lidstaat en in de Unie, alsmede op de overeenstemming van het economisch beleid met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren, en verricht hij regelmatig een algehele evaluatie.

Met het oog op dit multilaterale toezicht verstrekken de lidstaten de Europese Commissie informatie over de belangrijke bepalingen die zij in het kader van hun economisch beleid hebben vastgesteld, en alle andere informatie die zij nodig achten.

4. Wanneer in het kader van de procedure van lid 3 blijkt dat het economisch beleid van een lidstaat niet overeenkomt met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren of dat dit beleid de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar dreigt te brengen, kan de Europese Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat richten. De Raad van Ministers kan op aanbeveling van de Commissie de nodige aanbevelingen tot de lidstaat richten. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Commissie besluiten zijn aanbevelingen openbaar te maken.

In het kader van dit lid besluit de Raad van Ministers zonder rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de betrokken lidstaat, en wordt onder gekwalificeerde meerderheid verstaan de meerderheid van de stemmen van de andere lidstaten welke ten minste drievijfde van de bevolking van deze lidstaten vertegenwoordigt.

5. De voorzitter van de Raad van Ministers en de Europese Commissie brengen aan het Europees Parlement verslag uit over de resultaten van het multilaterale toezicht. De voorzitter van de Raad kan worden verzocht om voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement te verschijnen, indien de Raad zijn aanbevelingen openbaar heeft gemaakt.

6. Bij Europese wet kan de in de leden 3 en 4 bedoelde multilaterale toezichtprocedure nader worden geregeld.

Artikel III-72

1. Onverminderd de overige procedures waarin de Grondwet voorziet, kan de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie bij Europees besluit de voor de economische situatie passende maatregelen vaststellen, met name indien zich bij de voorziening met bepaalde producten ernstige moeilijkheden voordoen.

2. In geval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden in een lidstaat, die worden veroorzaakt door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen die deze lidstaat niet kan beheersen, kan de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie een Europees besluit vaststellen waarbij onder bepaalde voorwaarden financiële bijstand van de Unie aan de betrokken lidstaat wordt verleend. De voorzitter van de Raad van Ministers stelt het Europees Parlement daarvan in kennis.

Artikel III-73

1. Het is de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de lidstaten (hierna "nationale centrale banken" te noemen) verboden voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten te verlenen aan instellingen, organen of bureaus van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten, of rechtstreeks van hen schuldbewijzen te kopen.

2. Lid 1 is niet van toepassing op kredietinstellingen die in handen van de overheid zijn en waaraan in het kader van de liquiditeitsvoorziening door centrale banken dezelfde behandeling door de nationale centrale banken en de Europese Centrale Bank wordt gegeven als aan particuliere kredietinstellingen.

Artikel III-74

1. Niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen en bepalingen waardoor instellingen, organen of bureaus van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten een bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen krijgen, zijn verboden.

2. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie een Europese verordening of een Europees besluit vaststellen houdende de definities voor de toepassing van het in lid 1 bedoelde verbod. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-75

1. De Unie is niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten en neemt deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van specifieke projecten. De lidstaten zijn niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van een andere lidstaat en nemen deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van specifieke projecten.

2. De Raad van Ministers kan, op voorstel van de Europese Commissie, bij Europese verordening of Europees besluit de definities voor de toepassing van de in artikel III-73 en in dit artikel bedoelde verbodsbepalingen vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-76

1. De lidstaten vermijden buitensporige overheidstekorten.

2. De Europese Commissie houdt toezicht op de ontwikkeling van de begrotingssituatie en de omvang van de overheidsschuld in de lidstaten, teneinde eventuele aanzienlijke tekortkomingen vast te stellen. Met name gaat de Commissie op basis van de volgende twee criteria na of de hand wordt gehouden aan de begrotingsdiscipline:

a) of de verhouding tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het bruto binnenlands product een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij:

i) hetzij de verhouding in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de referentiewaarde benadert;

ii) hetzij de overschrijding van de referentiewaarde slechts van uitzonderlijke en tijdelijke aard is en de verhouding dicht bij de referentiewaarde blijft;

b) of de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product een bepaalde referentiewaarde overschrijdt, tenzij de verhouding in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert.

De referentiewaarden worden nader omschreven in het protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten.

3. Indien een lidstaat niet voldoet aan een of meer van deze criteria, stelt de Europese Commissie een verslag op. In het verslag van de Commissie wordt tevens rekening gehouden met de vraag, of het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid, en worden alle andere relevante factoren in aanmerking genomen, met inbegrip van de economische en budgettaire situatie van de lidstaat op middellange termijn.

Voorts kan de Commissie een verslag opstellen indien zij - ook al is aan de criteria voldaan - van mening is dat er gevaar voor een buitensporig tekort in een lidstaat aanwezig is.

4. Het Economisch en Financieel Comité brengt advies uit over het verslag van de Commissie.

5. Indien de Commissie van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan, richt zij een advies tot de betrokken lidstaat.

6. Op voorstel van de Europese Commissie besluit de Raad van Ministers, rekening houdend met de eventuele opmerkingen van de betrokken lidstaat en na een algehele evaluatie, of er een buitensporig tekort bestaat. Als dat het geval is, stelt de Raad volgens dezelfde procedures de aanbevelingen vast die hij tot de betrokken lidstaat richt opdat deze binnen een bepaalde termijn een eind maakt aan het tekort. Behoudens lid 8, worden deze aanbevelingen niet openbaar gemaakt.

In het kader van dit lid besluit de Raad van Ministers zonder rekening te houden met de stem van de betrokken lidstaat, en wordt onder gekwalificeerde meerderheid verstaan de meerderheid van de andere lidstaten welke tenminste drievijfde van de bevolking van deze lidstaten vertegenwoordigt.

7. De in de leden 8 tot en met 11 bedoelde Europese besluiten en aanbevelingen worden door de Raad van Ministers op aanbeveling van de Commissie vastgesteld. De Raad van Ministers besluit zonder rekening te houden met de stem van de betrokken lidstaat, en onder gekwalificeerde meerderheid wordt verstaan de meerderheid van de andere lidstaten welke ten minste drievijfde van de bevolking van deze lidstaten vertegenwoordigt.

8. Indien de Raad van Ministers vaststelt dat binnen de voorgeschreven termijn geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven, kan hij zijn aanbevelingen openbaar maken.

9. Indien een lidstaat blijft verzuimen uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Raad van Ministers, kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin de betrokken lidstaat wordt aangemaand binnen een voorgeschreven termijn op te treden om het tekort te verminderen in de mate die de Raad nodig acht om de situatie te verhelpen.

In dat geval kan de Raad van Ministers de betrokken lidstaat verzoeken volgens een nauwkeurig tijdschema verslag uit te brengen, teneinde te kunnen nagaan welke aanpassingsmaatregelen die lidstaat heeft getroffen.

10. Zolang een lidstaat zich niet voegt naar een overeenkomstig lid 9 vastgesteld Europees besluit, kan de Raad van Ministers een of meer van de volgende maatregelen toepassen of in voorkomend geval aanscherpen:

a) eisen dat de betrokken lidstaat door de Raad van Ministers te bepalen aanvullende informatie openbaar maakt voordat hij obligaties en andere waardepapieren uitgeeft;

b) de Europese Investeringsbank verzoeken haar beleid inzake kredietverstrekking ten aanzien van de betrokken lidstaat opnieuw te bezien;

c) eisen dat de betrokken lidstaat bij de Unie een niet-rentedragend bedrag van een passende omvang deponeert, totdat de Raad van Ministers van oordeel is dat het buitensporige tekort is gecorrigeerd;

d) boeten van een passende omvang opleggen.

De voorzitter van de Raad van Ministers stelt het Europees Parlement in kennis van de vastgestelde maatregelen.

11. De Raad van Ministers trekt de in de leden 6 en 8 tot en met 10 bedoelde maatregelen of sommige daarvan in, voorzover hij van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd. Indien de Raad voordien aanbevelingen openbaar heeft gemaakt, legt hij, zodra het in lid 9 bedoelde besluit is ingetrokken, in het openbaar een verklaring af dat er niet langer een buitensporig tekort in de betrokken lidstaat bestaat.

12. Het in de artikelen III-265 en III-266 bedoelde recht om een klacht in te dienen kan niet worden uitgeoefend in het kader van de toepassing van de leden 1 tot en met 6, 8 en 9 van dit artikel.

13. Verdere bepalingen betreffende de toepassing van de in dit artikel omschreven procedure zijn opgenomen in het protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten.

De Raad van Ministers stelt bij Europese wet maatregelen vast ter vervanging van voornoemd protocol. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Centrale Bank.

Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit lid, stelt de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie bij Europese verordening of besluit de nadere bepalingen en definities voor de toepassing van dit protocol vast. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 2

Het monetair beleid

Artikel III-77

1. Het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd dat doel, ondersteunt het Europees Stelsel van Centrale Banken het algemene economische beleid in de Unie om zodoende bij te dragen tot de verwezenlijking van haar in artikel I-3 omschreven doelstellingen. Het Europees Stelsel van Centrale Banken handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel III-69.

2. De door het Europees Stelsel van Centrale Banken uit te voeren fundamentele taken zijn:

a) het bepalen en uitvoeren van het monetair beleid van de Unie;

b) het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met artikel III-228;

c) het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten;

d) het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer.

3. Lid 2, onder c), laat het aanhouden en beheren van werksaldi in buitenlandse valuta's door de regeringen van de lidstaten onverlet.

4. De Europese Centrale Bank wordt geraadpleegd:

a) over elk voorstel voor een handeling van de Unie op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen;

b) door de nationale autoriteiten over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad van Ministers volgens de procedure van artikel III-79, lid 6, vaststelt.

De Europese Centrale Bank kan over aangelegenheden op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, advies uitbrengen aan de instellingen, organen en bureaus van de Unie en aan nationale autoriteiten.

5. Het Europese Stelsel van Centrale Banken draagt bij tot een goede beleidsvoering door de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

6. Bij Europese wet kunnen aan de Europese Centrale Bank specifieke taken betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietlijnstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen, worden opgedragen. De Europese wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-78

1. De Europese Centrale Bank heeft het alleenrecht, machtiging te geven tot de uitgifte van bankbiljetten in euro binnen de Unie. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken mogen deze bankbiljetten uitgeven. De door de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Unie de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben.

2. De lidstaten kunnen munten in euro uitgeven, mits de omvang van de uitgifte door de Europese Centrale Bank wordt goedgekeurd. De Raad van Ministers kan bij Europese verordening op voorstel van de Europese Commissie maatregelen vaststellen om de nominale waarden en technische specificaties van alle voor circulatie bestemde munten te harmoniseren, voorzover dit nodig is voor een goede circulatie van munten binnen de Unie. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-79

1. Het Europees Stelsel van Centrale Banken bestaat uit de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken.

2. De Europese Centrale Bank bezit rechtspersoonlijkheid.

3. Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank, te weten de Raad van bestuur en de directie.

4. De statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken zijn opgenomen in het protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

5. De artikelen 5.1, 5.2, 5.3, 17, 18, 19.1, 22, 23, 24, 26, 32.2, 32.3, 32.4, 32.6, 33.1 a en 36 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank kunnen bij Europese wet worden gewijzigd:

a) hetzij op voorstel van de Europese Commissie na raadpleging van de Europese Centrale Bank;

b) hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank na raadpleging van de Europese Commissie.

6. De in de artikelen 4, 5.4, 19.2, 20, 28.1, 29.2, 30.4 en 34.3 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank bedoelde maatregelen worden door de Raad van Ministers bij Europese verordening of besluit vastgesteld. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement:

a) hetzij op voorstel van de Europese Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank;

b) hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van de Europese Commissie.

Artikel III-80

Bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij de Grondwet en de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank aan hen zijn opgedragen, is het noch de Europese Centrale Bank, noch een nationale centrale bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan, instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen, organen of bureaus van de Unie, van regeringen van lidstaten of van enig ander orgaan. De instellingen, organen en bureaus van de Unie en de regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden.

Artikel III-81

Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Grondwet en met de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-82

1. Ter uitvoering van de aan het Europees Stelsel van Centrale Banken opgedragen taken worden door de Europese Centrale Bank, overeenkomstig het bepaalde in de Grondwet en onder de voorwaarden van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank:

a) Europese verordeningen vastgesteld voorzover nodig voor de uitvoering van de taken omschreven in artikel 3.1, eerste streepje, artikel 19.1, artikel 22 en artikel 25.2 van de statuten van het Europese Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, alsmede in de gevallen die worden bepaald in de in artikel III-79, lid 6, bedoelde Europese verordeningen en besluiten;

b) de Europese besluiten vastgesteld die nodig zijn voor de uitvoering van de door de Grondwet en de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken aan het Europees stelsel van Centrale Banken opgedragen taken;

c) aanbevelingen en adviezen vastgesteld.

2. De Europese Centrale Bank kan besluiten haar Europese besluiten, aanbevelingen en adviezen openbaar te maken.

3. De Raad van Ministers stelt volgens de procedure van artikel III-79, lid 6, de Europese verordeningen vast ter bepaling van de grenzen en voorwaarden waarbinnen de Europese Centrale Bank gerechtigd is om ondernemingen boeten of dwangsommen op te leggen bij niet-naleving van haar Europese verordeningen en besluiten.

Artikel III-83

Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Centrale Bank, worden bij Europese wet of kaderwet de maatregelen vastgesteld die nodig zijn voor het gebruik van de euro als enige munteenheid van de lidstaten. De Europese wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

AFDELING 3

Institutionele bepalingen

Artikel III-84

1. De Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank bestaat uit de leden van de directie van de Europese Centrale Bank en de presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die niet onder een derogatie in de zin van artikel III-91 vallen.

2. a) De directie bestaat uit de president, de vice-president en vier andere leden.

b) De president, de vice-president en de overige leden van de directie worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en een beroepservaring op monetair of bancair gebied. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders benoemd op aanbeveling van de Raad van Ministers, die het Europees Parlement en de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank heeft geraadpleegd.

Zij worden voor een periode van acht jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar.

Alleen zij die de nationaliteit van een van de lidstaten bezitten, kunnen lid van de directie zijn.

Artikel III-85

1. De voorzitter van de Raad van Ministers en een lid van de Europese Commissie mogen zonder stemrecht aan de vergaderingen van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank deelnemen.

De voorzitter van de Raad van Ministers kan aan de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank ter bespreking een motie voorleggen.

2. De president van de Europese Centrale Bank wordt uitgenodigd om aan de vergaderingen van de Raad van Ministers deel te nemen wanneer deze aangelegenheden bespreekt met betrekking tot de doelstellingen en de taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken.

3. De Europese Centrale Bank stelt ten behoeve van het Europees Parlement, van de Raad van Ministers en van de Europese Commissie, alsmede van de Europese Raad, een jaarverslag op over de werkzaamheden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en over het monetair beleid in het afgelopen jaar en het lopende jaar. De president van de Europese Centrale Bank legt dit verslag voor aan de Raad van Ministers en aan het Europees Parlement, dat op die basis een algemeen debat kan houden.

De president van de Europese Centrale Bank en de overige leden van de directie kunnen op verzoek van het Europees Parlement of op eigen initiatief worden gehoord door de bevoegde commissies van het Parlement.

Artikel III-86

1. Teneinde de coördinatie van het beleid van de lidstaten te bevorderen in de volle omvang die nodig is voor de werking van de interne markt, wordt een Economisch en Financieel Comité ingesteld.

2. Dit Comité heeft tot taak:

a) hetzij op verzoek van de Raad van Ministers of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, adviezen aan deze instellingen uit te brengen;

b) de economische en financiële toestand van de lidstaten en van de Unie te volgen en terzake regelmatig aan de Raad van Ministers en aan de Commissie verslag uit te brengen, inzonderheid wat betreft de financiële betrekkingen met derde landen en internationale instellingen;

c) onverminderd artikel III-247, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad van Ministers, bedoeld in artikel III-48, artikel III-71, leden 2, 3, 4 en 6, en de artikelen III-72, III-74, III-75 en III-76, artikel III-77, lid 6, artikel III-78, lid 2, artikel III-79, leden 5 en 6, de artikelen III-83, III-90, artikel III-92, leden 2 en 3, artikel III-95, artikel III-96, leden 2 en 3, en de artikelen III-224 en III-228, en andere advies- en voorbereidingstaken die de Raad van Ministers aan het Comité heeft opgedragen, uit te voeren;

d) ten minste eenmaal per jaar de toestand te onderzoeken met betrekking tot het kapitaalverkeer en de vrijheid van het betalingsverkeer, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van de Grondwet en de handelingen van de Unie; dit onderzoek heeft betrekking op alle maatregelen betreffende kapitaalverkeer en betalingsverkeer; het Comité brengt de Commissie en de Raad van Ministers verslag uit over de resultaten van dit onderzoek.

De lidstaten, de Commissie en de Europese Centrale Bank benoemen ieder ten hoogste twee leden van het Comité.

3. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Commissie een Europees besluit vast houdende nadere bepalingen betreffende de samenstelling van het Economisch en Financieel Comité. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank en dit Comité. De voorzitter van de Raad van Ministers stelt het Europees Parlement in kennis van het desbetreffende besluit.

4. Naast de vervulling van de in lid 2 genoemde taken volgt het Comité, indien en zolang er lidstaten zijn die vallen onder een derogatie in de zin van artikel III-91, de monetaire en financiële toestand en de algemene regeling van het betalingsverkeer van die lidstaten en brengt het terzake regelmatig verslag uit aan de Raad van Ministers en aan de Commissie.

Artikel III-87

De Raad van Ministers of een lidstaat kan de Commissie verzoeken een aanbeveling of een voorstel te doen betreffende aangelegenheden die onder artikel III-71, lid 4, artikel III-76, met uitzondering van lid 13, de artikelen III-83, III-90, III-91, artikel III-92, lid 3, en artikel III-228, vallen. De Commissie onderzoekt dit verzoek en legt haar conclusies onverwijld aan de Raad van Ministers voor.

AFDELING 3 BIS

Specifieke bepalingen voor de lidstaten die tot de eurozone behoren

Artikel III-88

1. Om bij te dragen tot de goede werking van de economische en monetaire unie, en overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Grondwet, worden voor de lidstaten die deel uitmaken van de eurozone maatregelen vastgesteld:

a) ter versterking van de coördinatie en ter bewaking van hun begrotingsdiscipline;

b) houdende bepaling van de richtsnoeren voor hun economisch beleid, met dien verstande dat deze verenigbaar moeten zijn met de richtsnoeren welke voor de gehele Unie zijn vastgesteld, en om te zorgen voor de bewaking ervan.

2. Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde maatregelen hebben alleen leden van de Raad van Ministers die de lidstaten vertegenwoordigen welke deel uitmaken van de eurozone, stemrecht. Als gekwalificeerde meerderheid geldt de meerderheid van de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten die deel uitmaken van de eurozone, welke ten minste drievijfde van hun bevolking vertegenwoordigt. Eenparigheid van stemmen van de leden van de Raad van Ministers is vereist voor iedere handeling waarvoor eenparigheid van stemmen vereist is.

Artikel III-89

De regelingen voor vergaderingen van de ministers van de lidstaten die deel uitmaken van de eurozone, worden vastgesteld in het protocol betreffende de Eurogroep.

Artikel III-90

1. Teneinde de positie van de euro in het internationale stelsel veilig te stellen, stelt de Raad van Ministers op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank een Europees besluit vast houdende de gemeenschappelijke standpunten in de bevoegde internationale financiële instellingen en conferenties over kwesties die voor de Economische en Monetaire Unie van bijzonder belang zijn.

2. Voor de in dit artikel bedoelde maatregelen hebben alleen de leden van de Raad van Ministers die lidstaten vertegenwoordigen welke deel uitmaken van de eurozone, stemrecht. Als gekwalificeerde meerderheid geldt de meerderheid van de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten die deel uitmaken van de eurozone, welke ten minste drievijfde van hun bevolking vertegenwoordigt. Eenparigheid van stemmen van deze leden van de Raad van Ministers is vereist voor iedere handeling waarvoor eenparigheid van stemmen vereist is.

3. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Commissie passende maatregelen vaststellen met het oog op een gezamenlijke vertegenwoordiging in de internationale financiële instellingen en conferenties. De procedurebepalingen van de leden 1 en 2 zijn van toepassing.

AFDELING 4

Overgangsbepalingen

Artikel III-91

1. De lidstaten ten aanzien waarvan de Raad van Ministers niet heeft besloten dat zij voldoen aan de nodige voorwaarden voor de invoering van de euro, worden hierna "lidstaten die vallen onder een derogatie" genoemd.

2. De onderstaande bepalingen van de Grondwet zijn niet van toepassing op de lidstaten die onder een derogatie vallen:

a) de aanneming van de onderdelen van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die in algemene zin betrekking hebben op de eurozone (artikel III-71, lid 2)

b) verbindende maatregelen om buitensporige tekorten te verminderen (artikel III-76, leden 9 en 10)

c) doelstellingen en taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken (artikel III-77, leden 1, 2, 3 en 5)

d) uitgifte van de euro (artikel III-78)

e) rechtshandelingen van de Europese Centrale Bank (artikel III-82)

f) maatregelen met betrekking tot het gebruik van de euro (artikel III-83)

g) monetaire overeenkomsten (artikel III-228)

h) aanwijzing van de leden van de directie van de Europese Centrale Bank (artikel III-84, lid 2, onder b)).

Derhalve wordt in de hierboven genoemde artikelen "lidstaten" gelezen als "de lidstaten die niet onder een derogatie vallen".

3. De lidstaten die onder een derogatie vallen, alsmede hun nationale centrale banken, zijn uitgesloten van de rechten en plichten in het kader van het Europees Stelsel van Centrale Banken, overeenkomstig hoofdstuk IX van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

4. De stemrechten van de leden van de Raad van Ministers die de lidstaten vertegenwoordigen welke onder een derogatie vallen, worden geschorst tijdens de aanneming door de Raad van Ministers van de maatregelen bedoeld in de in lid 2 opgesomde artikelen. Als gekwalificeerde meerderheid geldt de meerderheid van de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten die niet vallen onder een derogatie, welke ten minste drievijfde van hun bevolking vertegenwoordigt. Eenparigheid van stemmen van die lidstaten is vereist voor iedere handeling waarvoor eenparigheid van stemmen vereist is.

Artikel III-92

1. Ten minste om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat die valt onder een derogatie, brengen de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank verslag uit aan de Raad van Ministers over de vooruitgang die door de onder een derogatie vallende lidstaten is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de economische en monetaire unie. Deze verslagen bevatten met name een onderzoek naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving van ieder van deze lidstaten, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, met de artikelen III-80 en III-81 en met de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank. In deze verslagen wordt ook nagegaan of een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elk van deze lidstaten aan de volgende criteria voldoet:

a) een hoge mate van prijsstabiliteit, die blijkt uit een inflatiepercentage dat dicht ligt bij dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabiliteit het best presteren;

b) het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinanciën; dit blijkt uit een begrotingssituatie van de overheid zonder een buitensporig tekort als bedoeld in artikel III-76, lid 6;

c) de inachtneming van de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme, gedurende ten minste twee jaar, zonder devaluatie van de munt ten opzichte van de euro;

d) de duurzaamheid van de convergentie die is bereikt door de lidstaat die onder een derogatie valt, en van zijn deelneming aan het wisselkoersmechanisme, hetgeen tot uitdrukking komt in de niveaus van de rentevoeten voor de lange termijn.

De vier in dit lid genoemde criteria en de perioden tijdens welke daaraan moet worden voldaan, worden nader bepaald in het protocol betreffende de convergentiecriteria van de Europese Centrale Bank. In de verslagen van de Europese Commissie en van de Europese Centrale Bank wordt ook rekening gehouden met de resultaten van de integratie van de markten, de situatie en de ontwikkeling van de lopende rekeningen van de betalingsbalansen, en een onderzoek naar de ontwikkeling van de loonkosten per eenheid product en andere prijsindicatoren.

2. Na raadpleging van het Europees Parlement en na bespreking in de Europese Raad, stelt de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie bij Europees besluit vast, welke onder een derogatie vallende lidstaten aan de noodzakelijke voorwaarden volgens de criteria van lid 1 voldoen, en trekt hij de derogaties van de betrokken lidstaten in.

3. Indien volgens de procedure van lid 2 wordt besloten een derogatie te beëindigen, stelt de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie met eenparigheid van stemmen van de leden die de lidstaten zonder derogatie en de betrokken lidstaat vertegenwoordigen, bij Europese verordening of Europees besluit onherroepelijk de koers vast waartegen de munteenheid van de betrokken lidstaat wordt vervangen door de euro, en neemt hij de overige maatregelen die nodig zijn voor de invoering van de euro als enige munteenheid in die lidstaat. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-93

1. Indien en zolang er onder een derogatie vallende lidstaten zijn, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel III-79, lid 3, de in artikel 45 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese centrale bank bedoelde Algemene Raad van de Europese Centrale Bank als derde besluitvormend orgaan van de Europese Centrale Bank gevormd.

2. Indien en zolang er onder een derogatie vallende lidstaten zijn, heeft de Europese Centrale Bank ten aanzien van die lidstaten de taak:

a) de samenwerking tussen de nationale centrale banken van de lidstaten te versterken;

b) de coördinatie van het monetair beleid van de lidstaten te versterken teneinde prijsstabiliteit te verzekeren;

c) zorg te dragen voor de werking van het wisselkoersmechanisme;

d) overleg te plegen over aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de nationale centrale banken vallen en die van invloed zijn op de stabiliteit van de financiële instellingen en markten;

e) de vroegere taken uit te oefenen van het Europees Fonds voor monetaire samenwerking, die eerder waren overgenomen door het Europees Monetair Instituut.

Artikel III-94

Iedere lidstaat die onder een derogatie valt, behandelt zijn wisselkoersbeleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. Daarbij houdt hij rekening met de ervaring die is opgedaan bij de samenwerking in het kader van het wisselkoersmechanisme.

Artikel III-95

1. In geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans van een onder een derogatie vallende lidstaat, die voortvloeien hetzij uit het ontbreken van het globaal evenwicht van zijn balans hetzij uit de aard van zijn beschikbare deviezen, en die met name de werking van de interne markt of de verwezenlijking van de gemeenschappelijke handelspolitiek in gevaar kunnen brengen, onderwerpt de Europese Commissie de toestand in die staat en de maatregelen welke hij overeenkomstig de Grondwet met gebruikmaking van alle hem ten dienste staande middelen heeft genomen of kan nemen, onverwijld aan een onderzoek. De Europese Commissie geeft aan welke maatregelen zij de betrokken lidstaat aanbeveelt.

Indien de actie die wordt ondernomen door de onder een derogatie vallende lidstaat en de door de Europese Commissie in overweging gegeven maatregelen niet voldoende blijken te zijn om de ondervonden of dreigende moeilijkheden uit de weg te ruimen, doet de Commissie, na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité, aan de Raad van Ministers aanbevelingen tot onderlinge bijstand en betreffende passende maatregelen.

De Europese Commissie houdt de Raad van Ministers regelmatig op de hoogte van de toestand en de ontwikkeling daarvan.

2. De Raad van Ministers kent de wederzijdse bijstand toe; hij stelt de Europese verordeningen of Europese besluiten vast die de voorwaarden en de wijze van toepassing daarvan bepalen. De wederzijdse bijstand kan met name de vorm aannemen van:

a) een gezamenlijk optreden bij andere internationale organisaties waarop de lidstaten die onder een derogatie vallen, een beroep kunnen doen;

b) maatregelen die nodig zijn om verlegging van het handelsverkeer te vermijden, wanneer de lidstaat die onder een derogatie valt, in moeilijkheden verkeert, kwantitatieve beperkingen ten aanzien van derde landen handhaaft of deze wederinvoert;

c) de verlening van beperkte kredieten door andere lidstaten, onder voorbehoud van hun toestemming.

3. Indien de door de Europese Commissie aanbevolen onderlinge bijstand door de Raad van Ministers niet wordt goedgekeurd of indien de goedgekeurde wederzijdse bijstand en de getroffen maatregelen ontoereikend zijn, machtigt de Commissie de in moeilijkheden verkerende lidstaat die onder een derogatie valt, vrijwaringsmaatregelen te nemen waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt.

De Raad van Ministers kan deze machtiging intrekken en deze voorwaarden en de wijze van toepassing wijzigen.

Artikel III-96

1. In geval van een plotselinge crisis in de betalingsbalans en indien een handeling in de zin van artikel III-90, lid 2, niet onmiddellijk wordt vastgesteld, kan een lidstaat die onder een derogatie valt, te zijner bescherming vrijwaringsmaatregelen treffen. Die maatregelen moeten zo weinig mogelijk verstoringen in de werking van de interne markt teweegbrengen en mogen niet verder reiken dan strikt onvermijdelijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden te overwinnen.

2. De Europese Commissie en de andere lidstaten moeten van die vrijwaringsmaatregelen uiterlijk op het tijdstip van hun inwerkingtreding op de hoogte worden gebracht. De Commissie kan de Raad van Ministers wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel III-95 aanbevelen.

3. De Raad van Ministers kan op advies van de Europese Commissie en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité bij Europees besluit vaststellen dat de betrokken lidstaat bovenbedoelde vrijwaringsmaatregelen moet wijzigen, schorsen of intrekken.

Hoofdstuk III

HET BELEID OP ANDERE SPECIFIEKE GEBIEDEN

AFDELING 1

Werkgelegenheid

Artikel III-97

De lidstaten en de Unie streven overeenkomstig deze afdeling naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor de werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, de opleiding en het aanpassingsvermogen van de werknemers en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen teneinde de doelstellingen van artikel I-3 te bereiken.

Artikel III-98

1. De lidstaten dragen door middel van hun werkgelegenheidsbeleid bij tot het bereiken van de in artikel III-97 bedoelde doelstellingen op een wijze die verenigbaar is met de overeenkomstig artikel III-71, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie.

2. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden van de sociale partners, beschouwen de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en coördineren zij hun maatregelen op dit gebied binnen de Raad van Ministers, overeenkomstig artikel III-100.

Artikel III-99

1. De Unie draagt bij tot een hoog werkgelegenheidsniveau door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun optreden te steunen en, indien nodig, aan te vullen. De bevoegdheden van de lidstaten worden daarbij geëerbiedigd.

2. Bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Unie wordt rekening gehouden met de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau.

Artikel III-100

1. De Europese Raad beziet jaarlijks de werkgelegenheidssituatie in de Unie en neemt ter zake conclusies aan, aan de hand van een gezamenlijk jaarverslag van de Raad van Ministers en de Europese Commissie.

2. Op basis van de conclusies van de Europese Raad neemt de Raad van Ministers jaarlijks op voorstel van de Europese Commissie richtsnoeren aan, waarmee de lidstaten rekening houden in hun werkgelegenheidsbeleid. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement, het Comité van de Regio's, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité voor de werkgelegenheid.

Deze richtsnoeren moeten verenigbaar zijn met de overeenkomstig artikel III-71, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren.

3. Iedere lidstaat legt jaarlijks aan de Raad van Ministers en aan de Europese Commissie een verslag voor over de belangrijkste bepalingen welke genomen zijn om zijn werkgelegenheidsbeleid ten uitvoer te leggen in het licht van de in lid 2 bedoelde richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

4. Op basis van de in lid 3 bedoelde verslagen en na ontvangst van de adviezen van het Comité voor de werkgelegenheid verricht de Raad van Ministers jaarlijks in het licht van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. De Raad kan op aanbeveling van de Europese Commissie aanbevelingen voor de lidstaten aannemen.

5. Op basis van de resultaten van dit onderzoek brengen de Raad van Ministers en de Europese Commissie jaarlijks gezamenlijk verslag uit aan de Europese Raad over de werkgelegenheidssituatie in de Unie en over de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

Artikel III-101

Bij Europese wet of kaderwet kunnen stimuleringsmaatregelen worden vastgesteld die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun werkgelegenheidsbeleid te ondersteunen door middel van initiatieven ter ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, verstrekking van vergelijkende analyses en advies, alsmede bevordering van een innovatieve aanpak en evaluatie van ervaringen, in het bijzonder door gebruik te maken van proefprojecten. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

De Europese wet of kaderwet houdt generlei harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten in.

Artikel III-102

De Raad van Ministers stelt bij gewone meerderheid een Europees besluit vast tot instelling van een raadgevend comité voor de werkgelegenheid, teneinde de coördinatie van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van de lidstaten te bevorderen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Dit comité heeft tot taak:

a) toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaten en in de Unie;

b) onverminderd artikel III-247, adviezen uit te brengen, hetzij op verzoek van de Raad van Ministers of van de Europese Commissie, hetzij op eigen initiatief, en bij te dragen tot de voorbereiding van de in artikel III-100 bedoelde werkzaamheden van de Raad van Ministers.

Het comité raadpleegt voor de vervulling van zijn opdracht de sociale partners.

Iedere lidstaat en de Europese Commissie benoemen elk twee leden van het comité.

AFDELING 2

Het sociaal beleid

Artikel III-103

De Unie en de lidstaten stellen zich, indachtig de sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en van de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Te dien einde houden de Unie en de lidstaten in hun handelen rekening met de verscheidenheid van de nationale gebruiken, met name op het gebied van contractuele betrekkingen, alsmede met de noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Unie te handhaven.

De Unie en de lidstaten zijn van oordeel dat de bovengeschetste ontwikkeling zowel uit de werking van de interne markt - waardoor de harmonisatie der sociale stelsels zal worden bevorderd - als uit de in de Grondwet bepaalde procedures en het nader tot elkaar brengen van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zal voortvloeien.

Artikel III-104

1. Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-103 wordt het optreden van de lidstaten op de volgende gebieden door de Unie ondersteund en aangevuld:

a) de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers, in het bijzonder door verbetering van de arbeidsomstandigheden;

b) de arbeidsvoorwaarden;

c) de sociale zekerheid en de sociale bescherming van werknemers;

d) de bescherming van werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

e) de informatieverstrekking aan en de raadpleging van werknemers;

f) de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid 6;

g) de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die op wettige wijze op het grondgebied van de Unie verblijven;

h) de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, onverminderd artikel III-183;

i) de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft;

j) de bestrijding van sociale uitsluiting;

k) de modernisering van de stelsels voor sociale bescherming, onverminderd punt c).

2. Te dien einde:

a) kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen worden vastgesteld die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen door middel van initiatieven ter verbetering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, bevordering van een innovatieve aanpak en evaluatie van ervaringen, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten;

b) kunnen op de in lid 1, onder a) tot en met i), bedoelde gebieden bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften. In deze Europese kaderwet wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen, dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.

In alle gevallen wordt de Europese wet of kaderwet vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité.

3. In afwijking van lid 2 wordt op de in lid 1, onder c), d), f) en g), bedoelde gebieden de Europese wet of kaderwet door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld, na raadpleging van het Europees Parlement, het Comité van de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité.

Op voorstel van de Europese Commissie kan de Raad van Ministers een Europees besluit vaststellen waarbij de gewone wetgevingsprocedure van toepassing wordt verklaard op lid 1, onder d), f) en g). De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

4. Een lidstaat kan de sociale partners, indien zij daar gezamenlijk om verzoeken, belasten met de uitvoering van de krachtens lid 2 vastgestelde Europese kaderwetten.

In dat geval verzekert de lidstaat zich ervan dat de sociale partners uiterlijk op de datum waarop een Europese kaderwet moet zijn omgezet de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd. De betrokken lidstaat moet zelf alle maatregelen treffen om te allen tijde te waarborgen dat de in de genoemde kaderwet voorgeschreven resultaten worden bereikt.

5. De krachtens dit artikel vastgestelde Europese wetten en kaderwetten:

a) laten het recht van de lidstaten, de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen, onverlet en mogen geen aanmerkelijke gevolgen hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel;

b) beletten niet dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert welke met de Grondwet verenigbaar zijn.

6. Dit artikel is niet van toepassing op de beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht of het recht tot uitsluiting.

Artikel III-105

1. De Europese Commissie heeft tot taak de raadpleging van de sociale partners op het niveau van de Unie te bevorderen en stelt alle maatregelen vast die ertoe kunnen dienen, door middel van een evenwichtige ondersteuning van de partijen, de dialoog tussen de partners te vergemakkelijken.

2. Daartoe raadpleegt de Europese Commissie, alvorens voorstellen op het gebied van het sociaal beleid in te dienen, de sociale partners over de mogelijke richting van een optreden van de Unie.

3. Indien de Europese Commissie na deze raadpleging van mening is dat een optreden van de Unie wenselijk is, raadpleegt zij de sociale partners over de inhoud van het voorgenomen voorstel. De sociale partners doen de Commissie een advies of, in voorkomend geval, een aanbeveling toekomen.

4. Ter gelegenheid van deze raadpleging kunnen de sociale partners de Europese Commissie in kennis stellen van hun wens het in artikel III-106 bedoelde proces in te leiden. De procedure neemt ten hoogste negen maanden in beslag, tenzij de betrokken sociale partners en de Commissie gezamenlijk besluiten tot verlenging.

Artikel III-106

1. De dialoog tussen de sociale partners op het niveau van de Unie kan, indien de sociale partners zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten.

2. De uitvoering van de op het niveau van de Unie gesloten overeenkomsten geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, voor zaken die onder artikel III-104 vallen, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, bij Europese verordeningen of besluiten, vastgesteld door de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie. Het Europees Parlement wordt hiervan in kennis gesteld.

Indien de betrokken overeenkomst een of meer bepalingen bevat die betrekking hebben op een van de gebieden waarvoor krachtens artikel III-104, lid 3, eenparigheid van stemmen vereist is, besluit de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen.

Artikel III-107

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-103 en onverminderd de andere bepalingen van de Grondwet, bevordert de Europese Commissie de samenwerking tussen de lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie van hun optreden op alle door deze afdeling bestreken gebieden van het sociaal beleid, met name op het terrein van:

a) de werkgelegenheid,

b) het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden,

c) de beroepsopleiding en de bijscholing,

d) de sociale zekerheid,

e) de voorkoming van arbeidsongevallen en beroepsziekten,

f) de arbeidshygiëne,

g) het recht zich te organiseren in vakverenigingen en van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

Te dien einde werkt de Europese Commissie nauw samen met de lidstaten bij het verrichten van studies, het uitbrengen van adviezen en het organiseren van overleg, zowel omtrent vraagstukken op nationaal niveau als omtrent vraagstukken die de internationale organisaties aangaan, met name door middel van initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld.

Alvorens de in dit artikel bedoelde adviezen uit te brengen, raadpleegt de Europese Commissie het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-108

1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.

2. Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

a) dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van eenzelfde maatstaf;

b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.

3. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid. De Europese wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

4. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

Artikel III-109

De lidstaten streven ernaar de bestaande gelijkwaardigheid van de bepalingen omtrent betaalde vakantie te handhaven.

Artikel III-110

De Europese Commissie stelt ieder jaar een voortgangsverslag op over de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel III-98 en over de demografische situatie in de Unie. Zij zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement, aan de Raad van Ministers en aan het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-111

De Raad van Ministers stelt bij gewone meerderheid een Europees besluit vast tot instelling van een comité voor sociale bescherming met een adviestaak, teneinde de samenwerking tussen de lidstaten onderling en met de Europese Commissie op het gebied van de sociale bescherming te bevorderen. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Het comité heeft tot taak:

a) toe te zien op de sociale situatie en de ontwikkeling van het beleid inzake sociale bescherming in de lidstaten en de Unie;

b) de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten onderling en met de Europese Commissie te vergemakkelijken;

c) onverminderd artikel III-247, verslagen op te stellen, adviezen uit te brengen of andere activiteiten te ontplooien op gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen, hetzij op verzoek van de Raad van Ministers of van de Europese Commissie, hetzij op eigen initiatief.

Voor de vervulling van zijn opdracht legt het comité de nodige contacten met de sociale partners.

Iedere lidstaat en de Europese Commissie benoemen twee leden van het comité.

Artikel III-112

De Europese Commissie wijdt in haar jaarverslag aan het Europees Parlement een afzonderlijk hoofdstuk aan de ontwikkeling van de sociale toestand in de Unie.

Het Europees Parlement kan de Europese Commissie verzoeken verslagen op te stellen over bijzondere vraagstukken betreffende de sociale toestand.

Onderafdeling 1

Het Europees Sociaal Fonds

Artikel III-113

Teneinde de werkgelegenheid voor de werknemers in de interne markt te verbeteren en zodoende bij te dragen tot verhoging van de levensstandaard, wordt een Europees Sociaal Fonds opgericht. Dit Fonds heeft ten doel binnen de Unie de tewerkstelling te vergemakkelijken en de geografische en beroepsmobiliteit van de werknemers te bevorderen, alsmede de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven en in productiestelsels gemakkelijker te maken, met name door beroepsopleiding en omscholing.

Artikel III-114

De Europese Commissie beheert het Fonds.

Zij wordt in deze taak bijgestaan door een comité dat onder het voorzitterschap staat van een lid van de Europese Commissie en samengesteld is uit vertegenwoordigers van de lidstaten en van de vakverenigingen van werknemers en van werkgevers.

Artikel III-115

De uitvoeringsmaatregelen betreffende het Europees Sociaal Fonds worden bij Europese wet vastgesteld. Deze wordt na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

AFDELING 3

De economische, sociale en territoriale samenhang

Artikel III-116

Teneinde de harmonische ontwikkeling van de Unie in haar geheel te bevorderen, ontwikkelt en vervolgt de Unie haar optreden ter versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang.

De Unie stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen.

Artikel III-117

De lidstaten voeren hun economisch beleid en coördineren dit mede met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel III-116. Bij de vaststelling en de tenuitvoerlegging van het beleid en van de maatregelen van de Unie en bij de totstandbrenging van de interne markt wordt rekening gehouden met deze doelstellingen en wordt ernaar gestreefd dat deze bijdragen tot de verwezenlijking daarvan. De Unie ondersteunt deze verwezenlijking tevens door haar optreden via de structuurfondsen (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Oriëntatie, Europees Sociaal Fonds, Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling), de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten.

De Europese Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, aan de Raad van Ministers, aan het Comité van de Regio's en aan het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de economische, sociale en territoriale samenhang, alsmede over de wijze waarop de diverse in dit artikel bedoelde middelen daartoe hebben bijgedragen. Dit verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen.

Specifieke maatregelen kunnen bij Europese wet of kaderwet buiten de fondsen om worden vastgesteld, onverminderd de maatregelen die in het kader van ander beleid van de Unie worden vastgesteld. De Europese wet of kaderwet wordt na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

Artikel III-118

Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie, door deel te nemen aan de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand en aan de omschakeling van industriegebieden met teruglopende economische activiteit.

Artikel III-119

Onverminderd artikel III-120, worden bij Europese wet de taken, de prioritaire doelstellingen en de organisatie van de structuurfondsen vastgesteld - hetgeen ook samenvoeging van de fondsen kan omvatten - en de algemene regels die voor deze fondsen gelden, alsmede de bepalingen die nodig zijn voor de doeltreffende werking van de fondsen en de coördinatie tussen de fondsen onderling en met de andere bestaande financieringsinstrumenten.

Een bij Europese wet opgericht cohesiefonds levert een financiële bijdrage aan projecten op het gebied van milieu en trans-Europese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur.

De Europese wet wordt in alle gevallen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld. De Raad van Ministers besluit tot 1 januari 2007 met eenparigheid van stemmen.

Artikel III-120

De toepassingsmaatregelen met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling worden bij Europese wet vastgesteld. De wet wordt na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

Ten aanzien van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Oriëntatie, en het Europees Sociaal Fonds zijn onderscheidenlijk de artikelen III-127 en III-115 van toepassing.

AFDELING 4

Landbouw en visserij

Artikel III-121

De Unie stelt een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid vast en voert dit uit.

Onder landbouwproducten worden verstaan de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij, alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden. Verwijzingen naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid of naar de landbouw gelden tevens als verwijzing naar de visserij, gezien de bijzondere kenmerken van de visserijsector.

Artikel III-122

1. De interne markt omvat mede de landbouw en de handel in landbouwproducten.

2. Voorzover in de artikelen III-123 tot en met III-128 niet anders is bepaald, zijn de regels voor de instelling van de interne markt van toepassing op landbouwproducten.

3. De in bijlage I(1) vermelde producten vallen onder de artikelen III-123 tot en met III-128.

4. De werking en de ontwikkeling van de interne markt voor de landbouwproducten dienen gepaard te gaan met de totstandkoming van een gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Artikel III-123

1. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft ten doel:

a) de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te bewerkstelligen,

b) aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn,

c) de markten te stabiliseren,

d) de voorziening veilig te stellen,

e) redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.

2. Bij de totstandbrenging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de daarvoor te treffen bijzondere voorzieningen zal rekening gehouden worden met:

a) de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden,

b) de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen,

c) het feit, dat de landbouwsector in de lidstaten nauw verweven is met de gehele economie.

Artikel III-124

1. Om de in artikel III-123 genoemde doelstellingen te verwezenlijken wordt een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand gebracht.

Naar gelang van de producten neemt deze ordening een van de volgende vormen aan:

a) gemeenschappelijke regels inzake mededinging,

b) verplichte coördinatie van de verschillende nationale marktorganisaties,

c) een Europese marktorganisatie.

2. De gemeenschappelijke ordening in een der in lid 1 vermelde vormen kan alle maatregelen medebrengen welke noodzakelijk zijn om de in artikel III-123 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, met name prijsregelingen, subsidies zowel voor de productie als voor het in de handel brengen der verschillende producten, systemen van voorraadvorming en opslag en gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie van de in- of uitvoer.

De gemeenschappelijke ordening moet zich beperken tot het nastreven van de in artikel III-123 genoemde doelstellingen en iedere discriminatie tussen producenten of verbruikers in de Unie uitsluiten.

Een eventueel gemeenschappelijk prijsbeleid moet op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen berusten.

3. Om de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke ordening aan haar doel te laten beantwoorden, kunnen een of meer oriëntatie- en garantiefondsen voor de landbouw in het leven worden geroepen.

Artikel III-125

Ter verwezenlijking van de in artikel III-123 genoemde doeleinden kunnen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid met name maatregelen worden getroffen met betrekking tot:

a) een doeltreffende coördinatie van hetgeen ondernomen wordt op het gebied van beroepsopleiding, landbouwkundig onderzoek en landbouwkundige voorlichting, welke coördinatie gemeenschappelijk gefinancierde projecten of instellingen kan omvatten,

b) gemeenschappelijke acties voor de ontwikkeling van het verbruik van bepaalde producten.

Artikel III-126

1. De afdeling over regels betreffende de mededinging is op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten slechts in zoverre van toepassing, als bij Europese wet of kaderwet met inachtneming van de in artikel III-127, lid 2, vermelde doelstellingen en overeenkomstig artikel III-123 wordt bepaald.

2. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie een Europese verordening of een Europees besluit vaststellen waarbij machtiging wordt gegeven tot het verlenen van steun:

a) ter bescherming van door structurele of natuurlijke omstandigheden benadeelde bedrijven,

b) in het kader van economische ontwikkelingsplannen.

Artikel III-127

1. De Europese Commissie doet voorstellen voor de totstandbrenging en de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waaronder begrepen de vervanging van nationale organisaties door een van de in artikel III-124, lid 1, genoemde vormen van gemeenschappelijke ordening en de uitvoering van de in deze afdeling vermelde maatregelen.

Deze voorstellen houden rekening met de samenhang van de in deze afdeling genoemde landbouwaspecten.

2. Bij Europese wet of kaderwet wordt de in artikel III-124, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkt ingesteld en worden de overige bepalingen vastgesteld die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na te streven. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

3. De Raad van Ministers regelt op voorstel van de Europese Commissie bij Europese verordening of bij Europees besluit de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

4. De in artikel III-124, lid 1, genoemde gemeenschappelijke ordening kan overeenkomstig lid 2 in de plaats worden gesteld van nationale marktorganisaties:

a) indien de gemeenschappelijke ordening aan lidstaten die tegen deze maatregelen gekant zijn en die zelf over een nationale organisatie voor de betrokken productie beschikken, gelijkwaardige waarborgen biedt inzake de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten, met inachtneming van de snelheid van de mogelijke aanpassingen en van de noodzakelijke specialisatie, en

b) indien deze ordening het handelsverkeer binnen de Unie soortgelijke voorwaarden biedt als die welke op de nationale markt bestaan.

5. Indien voor bepaalde grondstoffen een gemeenschappelijke ordening in het leven wordt geroepen voordat er een gemeenschappelijke ordening voor de overeenkomstige verwerkte producten bestaat, mogen de betrokken grondstoffen die gebruikt worden voor de producten welke voor uitvoer naar derde landen zijn bestemd, van buiten de Unie worden ingevoerd.

Artikel III-128

Indien in een lidstaat een product onder een nationale marktorganisatie valt of onder een binnenlandse regeling van gelijke werking welke een gelijksoortige productie in een andere lidstaat bij de mededinging nadelig beïnvloedt, leggen de lidstaten een compenserende heffing op de invoer van dat product uit de lidstaat waar de organisatie of de regeling bestaat, tenzij deze staat een compenserende heffing op de uitvoer toepast.

De Europese Commissie regelt bij Europese verordening of Europees besluit de hoogte van deze heffingen zodanig als nodig is om het evenwicht te herstellen. Zij kan eveneens machtiging verlenen tot het nemen van andere maatregelen waarvan zij de voorwaarden en wijze van toepassing vaststelt.

AFDELING 5

Het milieu

Artikel III-129

1. Het beleid van de Unie op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen:

a) behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

b) bescherming van de gezondheid van de mens;

c) behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

d) bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen.

2. De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Unie. Het beleid van de Unie berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel, dat de vervuiler betaalt.

In dit verband bevatten de harmonisatiemaatregelen die voldoen aan de eisen inzake milieubescherming, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige regelingen kunnen treffen welke aan een controleprocedure van de Unie onderworpen zijn.

3. Bij het bepalen van het beleid op milieugebied houdt de Unie rekening met:

a) de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;

b) de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio's van de Unie;

c) de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden;

d) de economische en sociale ontwikkeling van de Unie als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van de regio's.

4. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met derde landen en de op milieugebied bevoegde internationale organisaties. De regels voor deze samenwerking kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel III-272.

De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

Artikel III-130

1. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om de doelstellingen van artikel III-129 te verwezenlijken. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

2. In afwijking van lid 1 en onverminderd artikel III-65, stelt de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen Europese wetten of kaderwetten vast met betrekking tot:

a) maatregelen van in hoofdzaak fiscale aard;

b) maatregelen die van invloed zijn op:

i) de ruimtelijke ordening;

ii) het kwantitatieve waterbeheer, of die rechtstreeks dan wel zijdelings betrekking hebben op de beschikbaarheid van de watervoorraden;

iii) de bodembestemming, met uitzondering van het afvalstoffenbeheer;

c) maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening.

De Raad van Ministers kan bij Europese wet met eenparigheid van stemmen bepalen dat de gewone wetgevingsprocedure van toepassing wordt op de in de eerste alinea bedoelde aangelegenheden.

De Raad van Ministers besluit in alle gevallen na raadpleging van het Europees Parlement, van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

3. Bij Europese wet worden algemene actieprogramma's vastgesteld waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

De voor de uitvoering van die programma's nodige maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig lid 1, respectievelijk lid 2.

4. Onverminderd bepaalde door de Unie vastgestelde maatregelen, dragen de lidstaten zorg voor de financiering en de uitvoering van het milieubeleid.

5. Onverminderd het beginsel, dat de vervuiler betaalt, behelst een op grond van lid 1 vastgestelde maatregel die voor de overheid van een lidstaat onevenredig hoge kosten met zich meebrengt:

a) ontheffingen van tijdelijke aard en/of

b) financiële steun uit het Cohesiefonds.

Artikel III-131

De beschermende bepalingen die worden vastgesteld uit hoofde van artikel III-130, beletten niet dat een lidstaat verdergaande beschermende bepalingen vaststelt. Zulke bepalingen moeten verenigbaar zijn met de Grondwet. Zij worden ter kennis gebracht van de Europese Commissie.

AFDELING 6

Consumentenbescherming

Artikel III-132

1. Om de belangen van consumenten te bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, draagt de Unie bij tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van consumenten, alsmede tot de bevordering van hun recht op voorlichting en vorming, en hun recht van vereniging om hun belangen te behartigen.

2. De Unie draagt bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen door middel van:

a) maatregelen die op grond van artikel III-65 in het kader van de totstandbrenging van de interne markt worden vastgesteld;

b) maatregelen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen, aan te vullen en te controleren.

3. De in lid 2, onder b), bedoelde maatregelen worden bij Europese wet of kaderwet vastgesteld. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

4. De uit hoofde van lid 3 vastgestelde handelingen beletten niet dat een lidstaat regelingen voor een hogere graad van bescherming handhaaft of treft. Deze bepalingen moeten verenigbaar zijn met de Grondwet. Zij worden ter kennis gebracht van de Europese Commissie.

AFDELING 7

Vervoer

Artikel III-133

De doelstellingen van de Grondwet worden wat het in deze titel geregelde onderwerp betreft nagestreefd in het kader van een gemeenschappelijk vervoerbeleid.

Artikel III-134

Bij Europese wet of kaderwet wordt artikel III-133 uitgevoerd, met inachtneming van de bijzondere aspecten van het vervoer. De wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

De Europese wet of kaderwet behelst:

a) gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer vanuit of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten,

b) de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot nationaal vervoer in een lidstaat waarin zij niet woonachtig zijn,

c) maatregelen ter verbetering van de veiligheid van het vervoer,

d) alle overige dienstige maatregelen.

Artikel III-135

Totdat de in artikel III-134, eerste alinea, bedoelde Europese wet of kaderwet is vastgesteld, en behoudens vaststelling met eenparigheid van stemmen van een Europees besluit van de Raad van Ministers waarbij een afwijking wordt toegestaan, mag geen enkele lidstaat de onderscheidende bepalingen, die terzake gelden vanaf 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vanaf de datum van hun toetreding, zodanig veranderen, dat zij daardoor in hun rechtstreekse of zijdelingse uitwerking minder gunstig worden voor vervoerondernemers uit overige lidstaten dan voor de nationale vervoerondernemers.

Artikel III-136

Met deze Grondwet zijn verenigbaar steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip "openbare dienst" verbonden, verplichte dienstverrichtingen.

Artikel III-137

Bij iedere in het kader van deze Grondwet vastgestelde maatregel op het gebied van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden dient de economische toestand van de vervoerondernemers in aanmerking te worden genomen.

Artikel III-138

1. In het verkeer binnen de Unie is iedere discriminatie verboden die erin bestaat dat een vervoerondernemer voor dezelfde verbindingen verschillende vrachtprijzen en vervoervoorwaarden voor gelijke goederen hanteert naar gelang van de lidstaat van herkomst of van bestemming van de vervoerde waren.

2. Lid 1 sluit niet uit dat krachtens artikel III-134, eerste alinea, andere Europese wetten of kaderwetten kunnen worden vastgesteld.

3. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie Europese verordeningen of besluiten vast die erop zijn gericht de uitvoering van lid 1 te waarborgen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.

De Raad van Ministers kan met name bij Europese verordening of bij Europees besluit het nodige regelen om de instellingen in staat te stellen te waken over de naleving van het in lid 1 genoemde voorschrift en om te bewerkstelligen dat de gebruikers volledig voordeel hebben van dit voorschrift.

4. De Europese Commissie onderzoekt eigener beweging of op verzoek van een lidstaat de in lid 1 bedoelde gevallen van discriminatie en stelt na raadpleging van iedere belanghebbende lidstaat in het kader van de in lid 3 bedoelde Europese verordeningen of besluiten de nodige Europese besluiten vast.

Artikel III-139

1. Behoudens machtiging op grond van een Europees besluit van de Europese Commissie, is het een lidstaat verboden voor vervoer binnen de Unie prijzen en voorwaarden op te leggen die enig element van steun of bescherming in het belang van een of meer ondernemingen of bepaalde industrieën inhouden.

2. De Europese Commissie onderwerpt eigener beweging of op verzoek van een lidstaat de in lid 1 bedoelde prijzen en voorwaarden aan een onderzoek en houdt daarbij rekening met, enerzijds, de vereisten van een passend regionaal economisch beleid, de behoeften van minder ontwikkelde gebieden en de moeilijkheden die zich in door politieke omstandigheden ernstig benadeelde streken voordoen, en, anderzijds, de gevolgen van die prijzen en voorwaarden voor de mededinging tussen de verschillende takken van vervoer.

De Europese Commissie stelt na raadpleging van iedere betrokken lidstaat de nodige Europese besluiten vast.

3. Het in lid 1 bedoelde verbod is niet van toepassing op mededingingstarieven.

Artikel III-140

De heffingen of andere rechten welke naast de vervoerprijs door een vervoerondernemer in verband met grensoverschrijding in rekening worden gebracht, mogen een redelijk peil niet te boven gaan, gelet op de werkelijke kosten die door de grensoverschrijding feitelijk zijn veroorzaakt.

De lidstaten streven naar een verlaging van deze kosten.

De Europese Commissie kan de lidstaten aanbevelingen doen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel III-141

De bepalingen van deze afdeling staan in de Bondsrepubliek Duitsland genomen maatregelen niet in de weg, voorzover deze noodzakelijk zijn om de economische nadelen welke door de deling van Duitsland zijn berokkend aan de economie van de door de deling getroffen streken in de Bondsrepubliek te compenseren.

Artikel III-142

Een comité van raadgevende aard, bestaande uit door de regeringen van de lidstaten aangewezen deskundigen, wordt aan de Europese Commissie toegevoegd. De Commissie raadpleegt het comité over vervoeraangelegenheden zo dikwijls zij dat nodig acht.

Artikel III-143

1. Deze afdeling is van toepassing op het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.

2. Bij Europese wet of kaderwet kunnen passende maatregelen worden vastgesteld voor de zeevaart en de luchtvaart. Deze wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

AFDELING 8

Trans-Europese netwerken

Artikel III-144

1. Teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen III-14 en III-116 bedoelde doelstellingen en om de burgers van de Unie, de economische subjecten, alsmede de regionale en lokale gemeenschappen in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de voordelen die uit de totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen voortvloeien, draagt de Unie bij tot de totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur.

2. In het kader van een stelsel van open en concurrerende markten is het optreden van de Unie gericht op de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit van nationale netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken. Daarbij wordt de noodzaak in aanmerking genomen om verbindingen tot stand te brengen tussen insulaire, niet aan zee grenzende en perifere regio's en de centrale regio's van de Unie.

Artikel III-145

1. Voor de verwezenlijking van de in artikel III-144 genoemde doelstellingen:

a) stelt de Unie een geheel van richtsnoeren op betreffende de doelstellingen, de prioriteiten en de grote lijnen van de op het gebied van trans-Europese netwerken voorgenomen maatregelen; in deze richtsnoeren worden projecten van gemeenschappelijk belang aangegeven;

b) treft de Unie alle maatregelen die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit van de netwerken te bewerkstelligen, met name op het gebied van de harmonisatie van technische normen;

c) kan de Unie steun verlenen aan door de lidstaten gesteunde projecten van gemeenschappelijk belang, die als zodanig zijn aangegeven in het kader van de onder a) bedoelde richtsnoeren, met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen of rentesubsidies; de Unie kan ook uit het Cohesiefonds bijdragen aan de financiering van projecten in de lidstaten op het terrein van de vervoersinfrastructuur.

Bij het optreden van de Unie wordt rekening gehouden met de economische levensvatbaarheid van de projecten.

2. Bij Europese wet of kaderwet worden de in lid 1 bedoelde richtsnoeren en andere maatregelen vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

Voor richtsnoeren en projecten van gemeenschappelijk belang die betrekking hebben op het grondgebied van een lidstaat, is de goedkeuring van de betrokken lidstaat vereist.

3. De lidstaten coördineren in samenspraak met de Europese Commissie het nationaal beleid voorzover dat van grote invloed kan zijn op de verwezenlijking van de in artikel III-144 bedoelde doelstellingen. De Commissie kan in nauwe samenwerking met de lidstaten alle dienstige initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen.

4. De Unie kan met derde landen samenwerken om projecten van gemeenschappelijk belang te bevorderen en de interoperabiliteit van de netwerken te bewerkstelligen.

AFDELING 9

Onderzoek en technologische ontwikkeling

Artikel III-146

1. De Unie streeft ernaar de wetenschappelijke en technologische grondslagen van de industrie van de Unie te versterken en de ontwikkeling van de internationale concurrentiepositie van de Unie te begunstigen, alsmede de onderzoekactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van andere hoofdstukken van de Grondwet nodig worden geacht.

2. Te dien einde stimuleert zij in de gehele Unie ondernemingen, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten bij hun inspanningen op het gebied van hoogwaardig onderzoek en hoogwaardige technologische ontwikkeling. De Unie ondersteunt hun streven naar onderlinge samenwerking, waarbij het beleid er vooral op gericht is onderzoekers in staat te stellen vrijelijk samen te werken over de grenzen heen, en ondernemingen in staat te stellen de mogelijkheden van de interne markt te benutten, in het bijzonder door openstelling van de nationale overheidsopdrachten, vaststelling van gemeenschappelijke normen en opheffing van de wettelijke en fiscale belemmeringen welke die samenwerking in de weg staan.

3. Alle activiteiten van de Unie uit hoofde van de Grondwet, met inbegrip van demonstratieprojecten, op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling worden vastgesteld en uitgevoerd overeenkomstig deze afdeling.

Artikel III-147

Voor de verwezenlijking van de in artikel III-141 genoemde doelstellingen onderneemt de Unie de volgende activiteiten, die de activiteiten van de lidstaten aanvullen:

a) uitvoering van programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, waarbij de samenwerking met en tussen ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten wordt bevorderd;

b) bevordering van de samenwerking van de Unie met derde landen en internationale organisaties inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;

c) verspreiding en exploitatie van de resultaten van de activiteiten van de Unie inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;

d) stimulering van de opleiding en de mobiliteit van onderzoekers in de Unie.

Artikel III-148

1. De Unie en de lidstaten coördineren hun activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling om zodoende de onderlinge samenhang van het beleid van de lidstaten en het beleid van de Unie te verzekeren.

2. De Europese Commissie kan in nauwe samenwerking met de lidstaten initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde coördinatie te bevorderen, met name initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld.

Artikel III-149

1. Bij Europese wet wordt het meerjarenkaderprogramma vastgesteld waarin alle activiteiten van de Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling zijn opgenomen. Deze wet wordt aangenomen na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

In het kaderprogramma:

a) worden de wetenschappelijke en technologische doelstellingen die met de in artikel III-147 bedoelde activiteiten moeten worden verwezenlijkt, alsmede de daarmee samenhangende prioriteiten, vastgesteld;

b) worden de grote lijnen van deze activiteiten aangegeven;

c) worden het totale maximumbedrag van en regels voor de financiële deelneming van de Unie aan het kaderprogramma, alsmede de onderscheiden deelbedragen voor elk van de voorgenomen activiteiten, vastgelegd.

2. Het kaderprogramma wordt naar gelang van de ontwikkeling van de situatie aangepast of aangevuld.

3. Het kaderprogramma wordt uitgevoerd door middel van specifieke programma's die binnen iedere activiteit worden ontwikkeld. In ieder specifiek programma worden de bepalingen voor de uitvoering ervan, de looptijd en de nodig geachte middelen vastgelegd. Het totaal van de in de specifieke programma's vastgelegde bedragen mag niet meer belopen dan het voor het kaderprogramma en voor iedere activiteit vastgelegde totale maximumbedrag.

4. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie de Europese verordeningen of besluiten houdende de specifieke programma's vast. Hij besluit na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-150

Voor de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma worden bij Europese wet of kaderwet de volgende regels vastgesteld:

a) de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten;

b) de regels voor de verspreiding van de onderzoeksresultaten.

De Europese wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-151

Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kunnen bij Europese wet aanvullende programma's worden vastgesteld waaraan alleen wordt deelgenomen door bepaalde lidstaten, die zorg dragen voor de financiering daarvan, onder voorbehoud van eventuele deelneming van de Unie.

Bij deze wet worden de regels voor de aanvullende programma's vastgesteld, met name voor wat betreft de verspreiding van de kennis en de toegang van andere lidstaten. Deze wet wordt aangenomen na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en met de goedkeuring van de betrokken lidstaten.

Artikel III-152

Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kan een Europese wet voorzien in deelneming van de Unie aan door verscheidene lidstaten opgezette onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's, met inbegrip van deelneming aan de voor de uitvoering van die programma's tot stand gebrachte structuren; deze deelneming betreft de goedkeuring van de betrokken lidstaten.

Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-153

Bij de uitvoering van het meerjarenkaderprogramma kan de Unie voorzien in samenwerking van de Unie met derde landen of internationale organisaties op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie.

De regels voor deze samenwerking kunnen worden vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken derde partijen, waarover wordt onderhandeld en die worden gesloten overeenkomstig artikel III-227.

Artikel III-154

De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie bij Europese verordening of Europees besluit vaststellen, dat gemeenschappelijke ondernemingen of andere structuren worden opgericht ten dienste van de goede uitvoering van programma's van de Unie voor onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-155

1. Om de wetenschappelijke en technische vooruitgang, het industriële concurrentievermogen en de uitvoering van haar beleid te bevorderen, stippelt de Unie een Europees ruimtevaartbeleid uit. Daartoe kan zij gemeenschappelijke initiatieven bevorderen, onderzoek en technologische ontwikkeling steunen en de nodige inspanningen coördineren voor de verkenning en het gebruik van de ruimte.

2. Om bij te dragen aan de verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen, worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld, die de vorm kunnen hebben van een speciaal Europees ruimtevaartprogramma.

Artikel III-156

Aan het begin van ieder jaar legt de Europese Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad van Ministers een verslag voor. Dit verslag heeft betrekking op de activiteiten inzake onderzoek en technologische ontwikkeling en op verspreiding van de resultaten in het voorafgaande jaar, alsmede op het werkprogramma van het lopende jaar.

AFDELING 10

Energie

Artikel III-157

1. In het kader van de totstandbrenging van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie erop gericht:

a) de werking van de energiemarkt te waarborgen,

b) de continuïteit van de energielevering in de Unie te waarborgen, en

c) energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren.

2. Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen ter bereiking van de in lid 1 genoemde doelstellingen vastgesteld. De wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

De in lid 2 bedoelde wet of kaderwet is, onverminderd artikel III-130, lid 2, onder c), niet van invloed op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening.

Hoofdstuk IV

DE RUIMTE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID

AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel III-158

1. De Unie is een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, waarin de grondrechten geëerbiedigd worden en rekening wordt gehouden met de verschillende rechtstradities en -systemen van de lidstaten.

2. De Unie zorgt ervoor dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht en zij ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid op het gebied van asiel, immigratie en controle aan de buitengrenzen, dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten en dat billijk is ten aanzien van de onderdanen van derde landen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden staatlozen gelijkgesteld met onderdanen van derde landen.

3. De Unie streeft ernaar een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat, maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in strafzaken en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken en, zo nodig, de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen.

4. De Unie vergemakkelijkt de toegang tot de rechter, met name door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in civiele zaken.

Artikel III-159

De Europese Raad stelt de strategische richtsnoeren van de wetgevende en operationele programmering in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid vast.

Artikel III-160

1. Met betrekking tot de voorstellen en wetgevingsinitiatieven die worden ingediend in het kader van de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk, zien de nationale parlementen van de lidstaten erop toe, dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd, en wel overeenkomstig de bijzondere bepalingen in het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

De parlementen van de lidstaten kunnen deelnemen aan de evaluatiemechanismen van artikel III-161 en aan de politieke controle van Europol en de evaluatie van de activiteiten van Eurojust, overeenkomstig de artikelen III-177 en III-174.

Artikel III-161

Onverminderd de artikelen III-265 tot en met III-267, kan de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie bij Europese verordening of Europees besluit vaststellen, dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie een objectieve en onpartijdige evaluatie van de uitvoering, door de autoriteiten van de lidstaten, van het door dit hoofdstuk bestreken beleid van de Unie kunnen verrichten, met name ter bevordering van de volledige toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Het Europees Parlement en de nationale parlementen van de lidstaten worden op de hoogte gebracht van de inhoud en de resultaten van die evaluatie.

Artikel III-162

Binnen de Raad van Ministers wordt een permanent comité opgericht om ervoor te zorgen dat binnen de Unie de operationele samenwerking op het gebied van de binnenlandse veiligheid wordt bevorderd en versterkt. Onverminderd artikel III-247, bevordert het comité de coördinatie van het optreden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Vertegenwoordigers van de betrokken organen en bureaus van de Unie kunnen bij de werkzaamheden van het comité worden betrokken. Het Europees Parlement en de nationale parlementen van de lidstaten worden over deze werkzaamheden geïnformeerd.

Artikel III-163

Dit hoofdstuk laat de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

Artikel III-164

De Raad van Ministers stelt bij Europese verordening regels vast voor de administratieve samenwerking tussen de diensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door dit hoofdstuk bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Europese Commissie. De Raad besluit op voorstel van de Commissie, onverminderd artikel III-165, en na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-165

De in de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk bedoelde maatregelen worden genomen

a) op voorstel van de Europese Commissie, of

b) op initiatief van een kwart van de lidstaten.

AFDELING 2

Het beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie

Artikel III-166

1. De Unie ontwikkelt een beleid dat tot doel heeft:

a) ervoor te zorgen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen niet worden gecontroleerd;

b) te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen;

c) geleidelijk een geïntegreerd systeem voor het beheer van de buitengrenzen op te zetten.

2. Daartoe worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die betrekking hebben op:

a) het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur;

b) de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen;

c) de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een korte periode vrij in de Unie kunnen reizen;

d) wat nodig is voor de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen;

e) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, gecontroleerd worden bij het overschrijden van de binnengrenzen.

3. Dit artikel laat de bevoegdheid van de lidstaten inzake de geografische afbakening van hun grenzen overeenkomstig nationaal recht onverlet.

Artikel III-167

1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid inzake asiel en tijdelijke bescherming, teneinde iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te garanderen. Dit beleid moet conform het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen en andere toepasselijke verdragen zijn.

2. Te dien einde worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld betreffende een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat het volgende behelst:

a) een uniforme asielstatus voor onderdanen van derde landen die in de hele Unie geldt,

b) een uniforme subsidiaire-beschermingsstatus voor de onderdanen van derde landen die, als zij geen asiel krijgen in de Europese Unie, internationale bescherming behoeven,

c) een gemeenschappelijk stelsel voor tijdelijke bescherming van ontheemden in geval van een massale toestroom,

d) gemeenschappelijke procedures voor toekenning of intrekking van de uniforme status van asiel of van subsidiaire bescherming,

e) criteria en instrumenten voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek of van een verzoek om subsidiaire bescherming,

f) normen betreffende de voorwaarden inzake de opvang van asielzoekers of van aanvragers van subsidiaire bescherming,

g) partnerschap en samenwerking met derde landen om de stromen van asielzoekers of aanvragers van subsidiaire of tijdelijke bescherming te beheersen.

3. Indien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, kan de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie Europese verordeningen of besluiten met voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-168

1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid, dat erop gericht is in alle stadia te zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen, een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en een intensievere preventie en bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel.

2. Te dien einde worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die betrekking hebben op de volgende gebieden:

a) de voorwaarden voor toegang en verblijf, en normen betreffende de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, onder andere met het oog op gezinshereniging;

b) de omschrijving van de rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, alsook de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in andere lidstaten,

c) illegale immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van verwijdering en repatriëring van illegaal verblijvende personen;

d) bestrijding van mensenhandel, met name handel in vrouwen en kinderen.

3. De Unie kan overeenkomstig artikel III-227 overeenkomsten met derde landen sluiten die de overname van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen door hun land van oorsprong of herkomst beogen.

4. Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld om het optreden van de lidstaten ter bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven, aan te moedigen en te ondersteunen, met uitzondering van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.

5. Dit artikel laat het recht van de lidstaten onverlet, zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen, afkomstig uit derde landen, tot hun grondgebied worden toegelaten teneinde daar al dan niet in loondienst arbeid te verrichten.

Artikel III-169

Aan het in deze afdeling bedoelde beleid van de Unie en de uitvoering daarvan liggen de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten, ook op financieel vlak, ten grondslag. De handelingen van de Unie die uit hoofde van deze afdeling worden vastgesteld, bevatten, wanneer dat nodig is, bepalingen voor de toepassing van dit beginsel.

AFDELING 3

Justitiële samenwerking in civiele zaken

Artikel III-170

1. De Unie ontwikkelt justitiële samenwerking in civiele zaken met grensoverschrijdende gevolgen, die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken. Deze samenwerking kan maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten omvatten.

2. Te dien einde worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld die onder meer het volgende beogen:

a) de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken en de tenuitvoerlegging daarvan;

b) de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken;

c) verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen;

d) samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen;

e) een hoge mate van toegang tot de rechter;

f) de goede werking van civielrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake civiele rechtsvordering;

g) de ontwikkeling van alternatieve methoden voor geschillenbeslechting;

h) de ondersteuning van de opleiding van magistraten en justitieel personeel.

3. In afwijking van lid 2, worden maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers vastgesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie bij Europees besluit vaststellen, ten aanzien van welke aspecten van het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen handelingen volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden vastgesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 4

Justitiële samenwerking in strafzaken

Artikel III-171

1. De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel III-172 genoemde gebieden

Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld om:

a) regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden;

b) jurisdictiegeschillen tussen de lidstaten te voorkomen en op te lossen;

c) de opleiding van magistraten en justitieel personeel te bevorderen;

d) in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen.

2. Ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot:

a) de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten;

b) de rechten van personen in de strafvordering;

c) de rechten van slachtoffers van misdrijven;

d) andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad van Ministers vooraf bij Europees besluit worden bepaald. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

De vaststelling van dergelijke minimumvoorschriften belet de lidstaten niet een hoger niveau van bescherming van de rechten van personen in de strafvordering te handhaven of in te voeren.

Artikel III-172

1. Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad van Ministers bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

2. Indien onderlinge aanpassing van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied.

Onverminderd artikel III-165, wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de in de voorgaande alinea bedoelde harmonisatiemaatregelen.

Artikel III-173

Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld ter stimulering en ondersteuning van het optreden van de lidstaten op het gebied van misdaadpreventie. Deze maatregelen kunnen geen aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden.

Artikel III-174

1. De opdracht van Eurojust bestaat in het ondersteunen en versterken van de coördinatie en de samenwerking tussen de nationale autoriteiten die belast zijn met de vervolging van zware criminaliteit welke twee of meer lidstaten schaadt of een vervolging op gemeenschappelijke basis vereist, op basis van de door de autoriteiten van de lidstaten en Europol uitgevoerde operaties en verstrekte informatie.

2. Bij Europese wet worden de structuur, de werking, het werkterrein en de taken van Eurojust vastgesteld. Deze taken kunnen het volgende omvatten:

a) de instelling en de coördinatie van strafvervolgingen die worden ingesteld door de bevoegde nationale autoriteiten, met name die welke verband houden met strafbare feiten welke de financiële belangen van de Unie schaden;

b) de versterking van de justitiële samenwerking, met name door middel van het oplossen van rechtsbevoegdheidsconflicten en van nauwe samenwerking met het Europees justitieel netwerk.

Bij Europese wet wordt tevens bepaald, op welke wijze het Europees Parlement en de nationale parlementen van de lidstaten bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust worden betrokken.

3. In het kader van de in deze bepaling bedoelde vervolgingen en onverminderd artikel III-175, worden de formele besluiten in verband met de rechtsprocedure genomen door de bevoegde nationale functionarissen.

Artikel III-175

1. Ter bestrijding van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, alsmede van strafbare feiten die de belangen van de Unie schaden, kan op de grondslag van Eurojust bij Europese wet van de Raad van Ministers een Europees openbaar ministerie worden ingesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

2. Het Europees openbaar ministerie is, in voorkomend geval in samenwerking met Europol, bevoegd voor het opsporen, vervolgen en voor het gerecht brengen van daders van en medeplichtigen aan zware misdrijven die verscheidene lidstaten schaden, of inbreuken die de financiële belangen van de Unie, zoals omschreven in de in lid 1 bedoelde Europese wet, schaden. Het Europees openbaar ministerie is belast met de rechtsvordering voor de bevoegde rechtbanken van de lidstaten in verband met deze inbreuken.

3. In de in lid 1 bedoelde Europese wet worden het statuut van het Europees openbaar ministerie, de voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies, de voor zijn activiteiten geldende procedurevoorschriften en de voorschriften inzake de toelaatbaarheid van bewijs en de voorschriften voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die het in de uitoefening van zijn ambt verricht, vastgesteld.

AFDELING 5

Politiële samenwerking

Artikel III-176

1. De Unie ontwikkelt een vorm van politiële samenwerking waarbij alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten betrokken zijn, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde wetshandhavingsdiensten die belast zijn met het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten.

2. Te dien einde kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen worden vastgesteld die betrekking hebben op:

a) de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van relevante informatie;

b) steun voor de opleiding van personeel, alsmede samenwerking betreffende de uitwisseling van personeel, apparatuur en onderzoek op het gebied van criminalistiek;

c) gemeenschappelijke onderzoekstechnieken voor het opsporen van ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit.

3. Bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers kunnen maatregelen worden vastgesteld die betrekking hebben op de operationele samenwerking tussen de in dit artikel bedoelde autoriteiten. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-177

1. De opdracht van Europol is het optreden van de politie-instanties en andere wetshandhavingsdiensten van de lidstaten, alsmede hun wederzijdse samenwerking bij de voorkoming en bestrijding van zware criminaliteit waardoor twee of meer lidstaten worden getroffen, van terrorisme en vormen van criminaliteit die een schending inhouden van een gemeenschappelijk belang dat tot het beleid van de Unie behoort, te ondersteunen en te versterken.

2. De structuur, de werkwijze, het werkterrein en de taken van Europol worden bij Europese wet bepaald. Deze taken kunnen het volgende omvatten:

a) de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van informatie die met name door de autoriteiten van de lidstaten of van derde landen of instanties worden verstrekt;

b) de coördinatie, organisatie en uitvoering van onderzoeken en operationele acties, die gezamenlijk met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of in gezamenlijke onderzoeksteams worden uitgevoerd, in voorkomend geval in samenwerking met Eurojust.

Bij Europese wet wordt tevens bepaald op welke wijze de activiteiten van Europol door het Europees Parlement, tezamen met de nationale parlementen van de lidstaten, worden gecontroleerd.

3. Iedere operationele actie van Europol moet worden uitgevoerd in overleg en overeenstemming met de autoriteiten van de lidstaat op welks of de lidstaten op welker grondgebied de actie wordt uitgevoerd. Over het gebruik van dwangmiddelen beslissen alleen de bevoegde nationale autoriteiten.

Artikel III-178

De voorwaarden en de beperkingen waarbinnen de in de artikelen III-171 en III-176 bedoelde bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het grondgebied van een andere lidstaat mogen optreden in overleg en overeenstemming met de autoriteiten van die staat worden bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers vastgesteld. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Hoofdstuk V

DE GEBIEDEN WAAROP DE UNIE KAN BESLUITEN COÖRDINEREND, AANVULLEND OF ONDERSTEUNEND OP TE TREDEN

AFDELING 1

Volksgezondheid

Artikel III-179

1. Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en ieder optreden van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.

Het optreden van de Unie, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens, en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Dit optreden omvat de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs.

De Unie vult het optreden van de lidstaten ter vermindering van de schade aan de gezondheid door drugsgebruik, met inbegrip van voorlichting en preventie, aan.

2. De Unie moedigt samenwerking tussen de lidstaten op de in dit artikel bedoelde gebieden aan en steunt zo nodig hun optreden.

De lidstaten coördineren in samenspraak met de Europese Commissie hun beleid en programma's op de in lid 1 bedoelde gebieden. De Commissie kan, in nauw contact met de lidstaten, initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen, met name initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld.

3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor volksgezondheid bevoegde internationale organisaties.

4. Bij Europese wet of kaderwet wordt het nodige geregeld waardoor wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, en wel door het treffen van de volgende maatregelen om gemeenschappelijke veiligheidskwesties het hoofd te bieden:

a) maatregelen waarbij hoge kwaliteits- en veiligheidseisen worden gesteld aan organen en stoffen van menselijke oorsprong, bloed en bloedderivaten; deze maatregelen beletten niet dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming handhaaft of treft;

b) in afwijking van [artikel III-122 (voorheen artikel 37)], maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid.

De Europese wet of kaderwet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

5. Bij Europese wet of kaderwet kunnen ook stimuleringsmaatregelen worden ingesteld die gericht zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid en de bestrijding van grote grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

6. De Raad van Ministers kan op voorstel van de Europese Commissie ook aanbevelingen aannemen ter verwezenlijking van de in dit artikel genoemde doelstellingen.

7. Bij het optreden van de Unie op het gebied van de volksgezondheid wordt de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging volledig geëerbiedigd. Met name doen de in lid 4, onder a), bedoelde maatregelen geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake donatie en geneeskundig gebruik van organen en bloed.

AFDELING 2

De industrie

Artikel III-180

1. De Unie en de lidstaten dragen er zorg voor dat de omstandigheden die nodig zijn voor het concurrentievermogen van de industrie van de Unie, aanwezig zijn.

Hiertoe is hun optreden, dat past in een bestel van open en concurrerende markten, erop gericht:

a) de aanpassing van de industrie aan structurele veranderingen te bespoedigen;

b) een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van ondernemingen in de gehele Unie, met name van het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen;

c) een gunstig klimaat voor samenwerking tussen ondernemingen te bevorderen;

d) een betere benutting van het industrieel potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren.

2. De lidstaten plegen in samenspraak met de Europese Commissie overleg en coördineren, voorzover nodig, hun optreden. De Commissie kan initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen, met name initiatieven om richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle en evaluatie te verzamelen. Het Europees Parlement wordt ten volle in kennis gesteld.

3. De Unie draagt door het beleid en het optreden uit hoofde van andere bepalingen van de Grondwet bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen. Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld ter ondersteuning van de activiteiten die in de lidstaten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken, met uitzondering van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten. De wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

Deze afdeling verschaft geen grondslag voor invoering door de Unie van maatregelen waardoor de mededinging kan worden vervalst of die belastingbepalingen of bepalingen betreffende de rechten en belangen van werknemers inhouden.

AFDELING 3

Cultuur

Artikel III-181

1. De Unie draagt bij tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten, onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, maar tegelijk ook de nadruk leggend op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed.

2. Het optreden van de Unie is erop gericht de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op de volgende gebieden te ondersteunen en aan te vullen:

a) verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europese volkeren,

b) instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang,

c) culturele uitwisseling op niet-commerciële basis,

d) scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele sector.

3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor cultuur bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa.

4. De Unie houdt bij het optreden uit hoofde van andere bepalingen van de Grondwet rekening met de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen.

5. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel:

a) worden bij Europese wet of kaderwet stimuleringsmaatregelen vastgesteld, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten. Deze wet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's;

b) neemt de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie aanbevelingen aan.

AFDELING 4

Onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport

Artikel III-182

1. De Unie draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen. Zij eerbiedigt ten volle de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun verscheidenheid van cultuur en taal.

De Unie draagt bij tot de bevordering van de Europese inzet op sportgebied, gelet op de sociale en educatieve functie van sport.

2. Het optreden van de Unie is erop gericht:

a) de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen, met name door onderricht in en verspreiding van de talen der lidstaten;

b) de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, mede door de academische erkenning van diploma's en studietijdvakken aan te moedigen;

c) de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen;

d) de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de onderwijsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd;

e) de ontwikkeling van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en jongerenwerkers te bevorderen en de participatie van jongeren aan het democratisch bestel van Europa aan te moedigen;

f) de ontwikkeling van het onderwijs op afstand te stimuleren;

g) de Europese dimensie van de sport te ontwikkelen, door de eerlijkheid in competities en de samenwerking tussen sportorganisaties te bevorderen, en door de fysieke en morele integriteit van sportlieden, met name jonge sporters, te beschermen.

3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor onderwijs bevoegde internationale organisaties, met name met de Raad van Europa.

4. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel:

a) worden bij Europese wet of kaderwet stimuleringsmaatregelen vastgesteld, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten. De wet wordt aangenomen na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité;

b) neemt de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie aanbevelingen aan.

Artikel III-183

1. De Unie voert inzake beroepsopleiding een beleid waardoor het optreden van de lidstaten worden versterkt en aangevuld, onder volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding.

2. Het optreden van de Unie is erop gericht:

a) de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven te vergemakkelijken, met name door beroepsopleiding en omscholing;

b) de intrede en de herintrede op de arbeidsmarkt te bevorderen door verbetering van de initiële beroepsopleiding en van bij- en nascholing;

c) de toegang tot beroepsopleidingen te vergemakkelijken en de mobiliteit van opleiders en leerlingen, met name jongeren, te bevorderen;

d) de samenwerking inzake opleiding tussen onderwijs- of opleidingsinstellingen en ondernemingen te bevorderen;

e) de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de opleidingsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd.

3. De Unie en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de voor beroepsopleiding bevoegde internationale organisaties.

4. Bij Europese wet of kaderwet wordt het nodige bepaald om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijk regelingen van de lidstaten. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité.

AFDELING 5

Civiele bescherming

Artikel III-184

1. De Unie bevordert de samenwerking tussen de lidstaten om zodoende te komen tot een grotere doeltreffendheid van de systemen ter voorkoming van en bescherming tegen natuurrampen of door de mens veroorzaakte calamiteiten binnen de Unie.

Het optreden van de Unie is erop gericht:

a) het optreden van de lidstaten op nationaal, regionaal en lokaal niveau met betrekking tot risicopreventie, het voorbereiden van de instanties op het gebied van civiele bescherming in de lidstaten en het optreden bij natuurrampen of door de mens veroorzaakte calamiteiten te steunen en aan te vullen;

b) snelle operationele en doeltreffende samenwerking tussen de nationale civiele beschermingsdiensten te bevorderen;

c) de samenhang tussen internationale acties op het gebied van civiele bescherming te stimuleren.

2. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.

AFDELING 6

Administratieve samenwerking

Artikel III-185

1. De doeltreffende uitvoering op nationaal niveau van de wetgeving van de Unie door de lidstaten, die van wezenlijk belang is voor de goede werking van de Unie, wordt beschouwd als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang.

2. De Unie kan de inspanningen van de lidstaten ter verbetering van hun administratieve vermogen om de wetgeving van de Unie uit te voeren, steunen. Dergelijke steun kan behalve het vergemakkelijken van de uitwisselingen van informatie en van ambtenaren ook ondersteunende opleidings- en ontwikkelingsregelingen omvatten. Geen enkele lidstaat is verplicht gebruik te maken van dergelijke steun. De daartoe noodzakelijke maatregelen worden bij Europese wet vastgesteld, met uitzondering van enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.

3. Dit artikel laat de verplichting van de lidstaten om de wetgeving van de Unie uit te voeren, alsook de prerogatieven en taken van de Europese Commissie, onverlet. Het laat ook de andere bepalingen van de grondwet die voorzien in administratieve samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Unie, onverlet.

TITEL IV

DE ASSOCIATIE VAN DE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

Artikel III-186

De niet-Europese landen en gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met Denemarken, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, worden met de Unie geassocieerd. Die landen en gebieden, hierna genoemd landen en gebieden, worden opgenomen in bijlage II(2).

Doel van de associatie is het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling van deze landen en gebieden en de totstandbrenging van nauwe economische betrekkingen tussen hen en de Unie in haar geheel.

De associatie schept in de eerste plaats de mogelijkheid, de belangen en de voorspoed van de inwoners van die landen en gebieden te bevorderen, om hen zodoende tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling te brengen welke zij verwachten.

Artikel III-187

Door de associatie worden de volgende doeleinden nagestreefd:

a) De lidstaten passen op hun handelsverkeer met deze landen en gebieden de regeling toe welke zij krachtens de Grondwet met elkaar zijn aangegaan.

b) Ieder land of gebied past op zijn handelsverkeer met de lidstaten en de andere landen en gebieden de regeling toe die het toepast op de Europese staat waarmede het bijzondere betrekkingen onderhoudt.

c) De lidstaten dragen bij in de investeringen welke vereist zijn voor de ontwikkeling van die landen en gebieden.

d) Wat betreft de door de Unie gefinancierde investeringen, staat de deelneming in aanbestedingen en leveranties onder gelijke voorwaarden open voor alle onderdanen en rechtspersonen van de lidstaten en van de landen en gebieden.

e) In de betrekkingen tussen de lidstaten en deze landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures die bepaald zijn in de onderafdeling betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel III-191 vastgestelde bijzondere maatregelen.

Artikel III-188

1. De goederen van oorsprong uit de landen en gebieden profiteren bij hun invoer in de lidstaten van het bij de Grondwet ingestelde verbod op douanerechten tussen de lidstaten.

2. Bij invoer in deze landen en gebieden zijn overeenkomstig artikel III-38 douanerechten op goederen uit de lidstaten en uit de andere landen en gebieden verboden.

3. De landen en gebieden kunnen evenwel douanerechten heffen welke in overeenstemming zijn met de eisen van hun ontwikkeling en de behoeften van hun industrialisatie, of welke van fiscale aard zijn en ten doel hebben in hun begrotingsmiddelen te voorzien.

De in de eerste alinea bedoelde rechten mogen het peil van de invoerrechten welke worden geheven op producten uit de lidstaat waarmede elk land of gebied bijzondere betrekkingen onderhoudt, niet te boven gaan.

4. Lid 2 is niet van toepassing op landen en gebieden die uit hoofde van de bijzondere internationale verplichtingen waaraan zij zijn onderworpen, reeds een non-discriminatoir douanetarief toepassen.

5. De heffing of wijziging van douanerechten op de in de landen en gebieden ingevoerde goederen mag noch in rechte noch in feite aanleiding geven tot een rechtstreekse of zijdelingse discriminatie tussen de importen uit de onderscheidene lidstaten.

Artikel III-189

Indien het peil van de rechten dat toepasselijk is op goederen van herkomst uit een derde land bij invoer in een land of gebied van dien aard is dat, als gevolg van de toepassing van artikel III-188, het handelsverkeer zich ten nadele van een der lidstaten kan verleggen, kan deze staat de Europese Commissie verzoeken, aan de overige lidstaten voor te stellen regelingen te treffen om deze toestand te verhelpen.

Artikel III-190

Behoudens de bepalingen betreffende de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de openbare orde, wordt het vrije verkeer van werknemers uit de landen en gebieden binnen de lidstaten en van werknemers uit de lidstaten binnen de landen en gebieden geregeld door krachtens artikel III-191 aangenomen maatregelen.

Artikel III-191

De Raad van Ministers stelt op basis van de resultaten die in het kader van de associatie van de landen en gebieden met de Unie zijn bereikt, met eenparigheid van stemmen bij Europese verordening en bij Europees besluit de regels en de procedure voor de associatie van de landen en gebieden met de Unie vast.

Artikel III-192

De artikelen III-186 tot en met III-191 zijn op Groenland van toepassing, behoudens de bijzondere bepalingen van het protocol betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland.

TITEL V

HET EXTERN OPTREDEN VAN DE UNIE

Hoofdstuk I

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-193

1. Het internationaal optreden van de Unie berust op en is gericht op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van het internationaal recht overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.

De Unie streeft ernaar betrekkingen te ontwikkelen en partnerschappen aan te gaan met derde landen en met de mondiale, internationale en regionale organisaties die deze waarden delen. Zij bevordert multilaterale oplossingen voor gemeenschappelijke problemen, met name in het kader van de Verenigde Naties.

2. De Unie bepaalt een gemeenschappelijk beleid en een gemeenschappelijk optreden en voert deze uit. Ook streeft zij naar een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen, met de volgende doelstellingen:

a) bescherming van de waarden, de fundamentele belangen, de veiligheid, de onafhankelijkheid en de integriteit van de Unie;

b) consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht;

c) handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties;

d) ondersteuning van de ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en milieugebied, met als voornaamste doel uitbanning van de armoede;

e) stimulering van de integratie van alle landen in de wereldeconomie, onder meer door het geleidelijk wegwerken van belemmeringen voor de internationale handel;

f) het leveren van een bijdrage tot het opstellen van internationale maatregelen ter bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het duurzaam beheer van de mondiale natuurlijke rijkdommen, teneinde duurzame ontwikkeling te waarborgen;

g) het verlenen van hulp aan volkeren, landen en regio's die te kampen hebben met natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen;

h) het bevorderen van een internationaal bestel dat gebaseerd is op intensievere multilaterale samenwerking, en van goed mondiaal bestuur.

3. De Unie eerbiedigt de in de leden 1 en 2 genoemde beginselen en streeft de in deze leden genoemde doelstellingen na bij de uitstippeling en de uitvoering van het externe optreden op de verschillende door deze titel bestreken gebieden, alsmede van het overige beleid van de Unie wat de externe aspecten betreft.

De Unie ziet toe op de samenhang van de diverse onderdelen van haar externe optreden en van het externe optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen. De Raad van Ministers en de Europese Commissie, hierin bijgestaan door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, dragen zorg voor deze samenhang en werken hiertoe samen.

Artikel III-194

1. De Europese Raad stelt op basis van de in artikel III-193 vermelde beginselen en doelstellingen de strategische belangen en doelstellingen van de Unie vast.

De Europese besluiten van de Europese Raad inzake de strategische belangen en doelstellingen van de Unie hebben betrekking op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en op andere onderdelen van het externe optreden van de Unie. Deze besluiten kunnen de betrekkingen van de Unie met een land of een regio betreffen, of een thematische aanpak hebben. In de besluiten worden de geldigheidsduur ervan bepaald, alsmede de middelen die door de Unie en de lidstaten beschikbaar worden gesteld.

De Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de Raad van Ministers, welke aanbeveling door de Raad van Ministers wordt aangenomen volgens het voor elk gebied bepaalde. De besluiten van de Europese Raad worden uitgevoerd volgens de in de Grondwet neergelegde procedures.

2. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Europese Commissie kunnen gezamenlijk voorstellen indienen bij de Raad van Ministers; de voorstellen van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie kunnen het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid gelden, terwijl de voorstellen van de Commissie het overige externe optreden van de Unie kunnen gelden.

Hoofdstuk II

HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel III-195

1. In het kader van de beginselen en doelstellingen van zijn externe optreden, bepaalt en voert de Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt.

2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

De lidstaten werken samen om hun onderlinge politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

De Raad van Ministers en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zien erop toe dat deze beginselen in acht worden genomen.

3. De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door:

a) de algemene richtsnoeren vast te stellen,

b) Europese besluiten vast te stellen met betrekking tot:

i) het optreden van de Unie,

ii) standpunten van de Unie,

iii) de uitvoering van het optreden en de standpunten,

c) de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.

Artikel III-196

1. De Europese Raad stelt de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, onder meer in aangelegenheden met consequenties op defensiegebied.

Indien een internationale ontwikkeling dit vereist, wordt de Europese Raad door zijn voorzitter in buitengewone bijeenkomst bijeengeroepen, teneinde de strategische beleidslijnen van de Unie ten aanzien van deze ontwikkeling vast te stellen.

2. Op basis van de algemene richtsnoeren en strategische beleidslijnen van de Europese Raad, stelt de Raad van Ministers de Europese besluiten voor het bepalen en uitvoeren van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast.

Artikel III-197

1. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken voorzit, draagt door middel van zijn voorstellen bij tot de voorbereiding van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en waarborgt de uitvoering van de Europese besluiten van de Europese Raad en van de Raad van Ministers.

2. In aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, wordt de Unie vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. Hij voert namens de Unie de politieke dialoog en verwoordt in internationale organisaties en op internationale conferenties het standpunt van de Unie.

3. Bij de vervulling van zijn ambt wordt de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie bijgestaan door een Europese dienst voor extern optreden. Deze dienst werkt nauw samen met de diplomatieke diensten van de lidstaten(3).

Artikel III-198

1. Wanneer een internationale situatie een operationeel optreden van de Unie vereist, neemt de Raad van Ministers de nodige Europese besluiten. In die besluiten worden de doelstellingen, de draagwijdte, de middelen welke de Unie ter beschikking dienen te worden gesteld, en de voorwaarden voor de uitvoering van het optreden omschreven, alsmede, zo nodig, de duur ervan.

Indien zich een verandering van omstandigheden voordoet met een duidelijke invloed op een vraagstuk dat het voorwerp is van een dergelijk Europees besluit, beziet de Raad van Ministers de beginselen en de doelstellingen van dat optreden opnieuw en neemt hij de nodige Europese besluiten. Zolang de Raad van Ministers zich niet heeft uitgesproken, blijft het Europees besluit over het optreden van de Unie gehandhaafd.

2. Die Europese besluiten binden de lidstaten bij het innemen van standpunten en bij hun optreden.

3. Telkens wanneer op grond van een Europees besluit in de zin van lid 1 een nationale standpuntbepaling of een nationaal optreden wordt overwogen, wordt daarvan op een zodanig tijdstip kennis gegeven dat zo nodig voorafgaand overleg in de Raad van Ministers mogelijk is. De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt niet voor regelingen die slechts de nationale omzetting van Europese besluiten vormen.

4. In geval van dringende noodzaak voortvloeiend uit veranderingen in de situatie en bij gebreke van een nieuw Europees besluit, kunnen de lidstaten met spoed de nodige regelingen treffen, rekening houdend met de algemene doelstellingen van het desbetreffende Europees besluit. De betrokken lidstaat stelt de Raad van Ministers onverwijld van iedere zodanige regeling in kennis.

5. Indien een lidstaat bij de uitvoering van een in dit artikel bedoeld Europees besluit ernstige moeilijkheden ondervindt, legt hij deze voor aan de Raad van Ministers, die daarover beraadslaagt en passende oplossingen zoekt. Deze mogen niet in strijd zijn met de doelstellingen van het optreden noch afbreuk doen aan de doeltreffendheid ervan.

Artikel III-199

De Raad van Ministers stelt Europese besluiten vast waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard wordt bepaald. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.

Artikel III-200

1. Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of de minister met de steun van de Europese Commissie, kan de Raad van Ministers ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en hem voorstellen doen.

2. In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn de Raad van Ministers in buitengewone zitting bijeen.

Artikel III-201

1. De in dit hoofdstuk bedoelde Europese besluiten worden door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van deze besluiten.

Een lid van de Raad van Ministers dat zich van stemming onthoudt, kan zijn onthouding toelichten in een formele verklaring. In dat geval is het lid niet verplicht het Europees besluit toe te passen, doch aanvaardt het wel dat dit de Unie bindt. In een geest van onderlinge solidariteit onthoudt de betrokken lidstaat zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de andere lidstaten dit standpunt. Indien de leden van de Raad van Ministers die hun onthouding op deze wijze toelichten ten minste een derde van de lidstaten vertegenwoordigen, welke lidstaten ten minste een derde van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, is het besluit niet vastgesteld.

2. In afwijking van lid 1 besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

a) wanneer hij een Europees besluit betreffende acties en standpunten van de Unie vaststelt, op grond van een Europees besluit van de Europese Raad met betrekking tot de strategische belangen en doelstellingen van de Unie in de zin van artikel III-194, lid 1;

b) wanneer hij een besluit betreffende een optreden of standpunt van de Unie vaststelt, op basis van een voorstel dat de minister hem voorlegt naar aanleiding van een specifiek verzoek, door de Europese Raad op eigen initiatief of op initiatief van de minister aan de Raad van Ministers gericht;

c) wanneer hij een Europees besluit ter uitvoering van een optreden of een standpunt van de Unie vaststelt;

d) wanneer hij een Europees besluit houdende benoeming van een speciale vertegenwoordiger overeenkomstig artikel III-203 vaststelt.

Indien een lid van de Raad van Ministers verklaart om essentiële, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de vaststelling van een Europees besluit met de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wordt niet tot stemming overgegaan. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie tracht in nauw overleg met de betrokken lidstaat een aanvaardbare oplossing te bereiken. Indien dit niet tot resultaat leidt, kan de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid wordt voorgelegd aan de Europese Raad, die met eenparigheid van stemmen besluit.

3. De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad van Ministers in andere dan de in lid 2 bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

4. De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op besluiten die consequenties hebben op militair of defensiegebied.

Artikel III-202

1. Wanneer de Unie een gemeenschappelijke aanpak in de zin van artikel I-39, lid 5, heeft omschreven, coördineren de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten hun activiteiten in de Raad van Ministers.

2. De diplomatieke missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie werken samen in derde landen en bij internationale organisaties, en dragen bij tot de formulering en de uitvoering van een gemeenschappelijke aanpak.

Artikel III-203

Telkens wanneer hij het nodig acht, benoemt de Raad van Ministers, op initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, een speciale vertegenwoordiger aan wie hij een mandaat voor specifieke beleidsvraagstukken verleent. De speciale vertegenwoordiger voert zijn mandaat uit onder het gezag van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.

Artikel III-204

De Unie kan, volgens de procedure van artikel III-227, op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk overeenkomsten sluiten met één of meer staten of internationale organisaties.

Artikel III-205

1. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie raadpleegt het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en over de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en ziet erop toe dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen. Het Europees Parlement wordt door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie regelmatig op de hoogte gebracht van de ontwikkeling van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. Bij de informatieverstrekking aan het Europees Parlement kunnen de speciale vertegenwoordigers worden ingeschakeld.

2. Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad van Ministers en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie richten. Het wijdt tweemaal per jaar een debat aan de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

Artikel III-206

1. De lidstaten coördineren hun optreden in internationale organisaties en op internationale conferenties. Zij verdedigen in deze fora de standpunten van de Unie. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie organiseert de coördinatie.

In internationale organisaties en op internationale conferenties waaraan niet alle lidstaten deelnemen, verdedigen de deelnemende lidstaten de standpunten van de Unie.

2. Onverminderd lid 1 en artikel III-198, lid 3, houden de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in internationale organisaties of op internationale conferenties waar niet alle lidstaten vertegenwoordigd zijn, de niet vertegenwoordigde lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie op de hoogte van alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.

De lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen onderling overleg en houden de overige lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie van de Unie ten volle op de hoogte. De lidstaten die lid van de Veiligheidsraad zijn, verdedigen in die functie de standpunten en belangen van de Unie, onverminderd de verantwoordelijkheden die krachtens het Handvest van de Verenigde Naties op hen rusten.

Wanneer de Unie over een thema op de agenda van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een standpunt heeft bepaald, formuleren de lidstaten die daarin zitting hebben, het verzoek dat de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie wordt uitgenodigd om het standpunt van de Unie uiteen te zetten.

Artikel III-207

De diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie in derde landen en op internationale conferenties, alsmede hun vertegenwoordigingen bij internationale organisaties voeren onderling overleg om te verzekeren dat de Europese besluiten van de Raad van Ministers inzake standpunten en optredens van de Unie in acht worden genomen en ten uitvoer worden uitgelegd. Zij intensiveren hun samenwerking door inlichtingen uit te wisselen en gezamenlijke evaluaties te verrichten.

Zij dragen bij tot de uitvoering van het bepaalde in artikel I-8, lid 2, betreffende het recht op bescherming van de Europese burgers op het grondgebied van derde landen, alsmede van de overeenkomstig artikel III-11 vastgestelde maatregelen.

Artikel III-208

Onverminderd artikel III-247 volgt een Politiek en Veiligheidscomité de internationale situatie op de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallende gebieden en draagt het bij tot de beleidsbepaling door op verzoek van de Raad van Ministers, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of eigener beweging adviezen aan de Raad van Ministers uit te brengen. Onverminderd de bevoegdheden van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, ziet het comité er ook op toe dat het overeengekomen beleid wordt uitgevoerd.

In het kader van dit hoofdstuk is het comité onder verantwoordelijkheid van de Raad van Ministers en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie belast met de politieke controle en de strategische leiding van crisisbeheersingsoperaties, zoals die zijn omschreven in artikel III-210.

De Raad van Ministers kan het comité voor het doel en voor de duur van een crisisbeheersingsoperatie, als bepaald door de Raad van Ministers, machtigen passende maatregelen te nemen over de politieke controle en strategische leiding van de operatie.

Artikel III-209

De uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid laat de in de artikelen I-12 tot en met I-14 en I-16 genoemde bevoegdheden onverlet. Evenzo laat de uitvoering van de in deze artikelen genoemde beleidsonderdelen de in artikel I-15 bedoelde bevoegdheid onverlet.

Het Hof van Justitie is bevoegd om erop toe te zien dat dit artikel wordt nageleefd.

AFDELING 1

Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

Artikel III-210

1. De in artikel I-40, lid 1, bedoelde missies, waarbij de Unie civiele en militaire middelen kan inzetten, omvatten gezamenlijke ontwapeningsacties, humanitaire en reddingsmissies, advies en bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving, missies van strijdkrachten met het oog op crisisbeheersing, met inbegrip van vredestichting, alsmede stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten. Al deze taken kunnen tot de strijd tegen het terrorisme bijdragen, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden.

2. De Raad van Ministers regelt bij Europees besluit met eenparigheid van stemmen de in lid 1 bedoelde missies en stelt doel en draagwijdte ervan vast, alsmede de algemene voorschriften voor de uitvoering ervan. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie draagt onder gezag van de Raad van Ministers en in nauw en voortdurend contact met het Politiek en Veiligheidscomité zorg voor de coördinatie van de civiele en militaire aspecten van deze missies.

Artikel III-211

1. In het kader van de Europese besluiten die overeenkomstig artikel III-210 zijn vastgesteld, kan de Raad van Ministers de uitvoering van een missie toevertrouwen aan een groep lidstaten die over de nodige vermogens beschikken en zich met de missie willen belasten. Deze lidstaten regelen in samenspraak met de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie onderling het beheer van de missie.

2. De Raad van Ministers wordt door de deelnemende lidstaten regelmatig op de hoogte gebracht van de stand van de missie. Zij gaan hiertoe onverwijld over indien de uitvoering van de missie nieuwe, zwaarwegende gevolgen met zich meebrengt of een wijziging van de door de Raad van Ministers krachtens artikel III-210 overeengekomen doelstelling, reikwijdte of uitvoeringsbepalingen vereist. In dat geval neemt de Raad van Ministers de nodige Europese besluiten.

Artikel III-212

1. Het Europees Bureau voor bewapening, onderzoek en militaire vermogens, dat onder het gezag van de Raad van Ministers ressorteert, heeft tot taak:

a) mede de na te streven militaire vermogens van de lidstaten te bepalen en de nakoming van de door de lidstaten aangegane verbintenissen inzake vermogens te evalueren;

b) het harmoniseren van de operationele behoeften en het hanteren van doelmatige en onderling verenigbare aankoopmethoden te bevorderen;

c) multilaterale projecten voor te stellen die erop gericht zijn de doelstellingen met betrekking tot militaire vermogens te verwezenlijken, de door de lidstaten uit te voeren programma's te coördineren en samenwerkingsprogramma's te beheren;

d) het onderzoek inzake defensietechnologie te ondersteunen, alsmede gezamenlijk onderzoek naar en studie van technische oplossingen die voldoen aan toekomstige operationele behoeften, te coördineren en te plannen;

e) bij te dragen tot de onderkenning en in voorkomend geval de uitvoering van alle nuttige maatregelen om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken en de efficiëntie van de militaire uitgaven te verbeteren.

2. Het Bureau staat open voor alle lidstaten die daarvan deel wensen uit te maken. De Raad van Ministers stelt met gekwalificeerde meerderheid een Europees besluit vast houdende vastlegging van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Bureau. In dat besluit wordt rekening gehouden met de mate van werkelijke deelname aan de activiteiten van het Bureau. Binnen het Bureau worden specifieke groepen lidstaten gevormd die gezamenlijke projecten uitvoeren. Het Bureau vervult zijn taken voorzover nodig in overleg met de Europese Commissie.

Artikel III-213

1. De in het protocol [titel] genoemde lidstaten die voldoen aan criteria inzake grotere militaire vermogens en die met het oog op de meest veeleisende missies meer bindende verbintenissen terzake willen aangaan, stellen onderling een gestructureerde samenwerking in de zin van artikel I-40, lid 6, in. De door die lidstaten overeengekomen criteria en verbintenissen inzake militaire vermogens worden in het protocol neergelegd.

2. Een lidstaat die in een later stadium aan deze samenwerking wenst deel te nemen door de daaruit voortvloeiende verplichtingen te onderschrijven, stelt de Europese Raad daarvan in kennis. De Raad van Ministers beraadslaagt over het verzoek van de lidstaat. Aan de stemming wordt alleen deelgenomen door de leden van de Raad die de lidstaten vertegenwoordigen welke aan de gestructureerde samenwerking deelnemen.

3. Wanneer de Raad van Ministers Europese besluiten over het voorwerp van de gestructureerde samenwerking vaststelt, wordt aan de beraadslagingen en aan de vaststelling van de besluiten uitsluitend deelgenomen door de leden van de Raad die de lidstaten vertegenwoordigen welke aan de gestructureerde samenwerking deelnemen. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie is bij de beraadslagingen aanwezig. De vertegenwoordigers van de overige lidstaten worden door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie naar behoren en regelmatig van de ontwikkeling van de gestructureerde samenwerking op de hoogte gebracht.

4. De Raad van Ministers kan de lidstaten die aan deze samenwerking deelnemen verzoeken, een in het kader van de Unie uit te voeren missie in de zin van artikel III-210 op zich te nemen.

5. Zonder een belemmering te vormen voor de voorgaande leden, zijn de bepalingen betreffende de nauwere samenwerking van toepassing op de bij dit artikel geregelde gestructureerde samenwerking.

Artikel III-214

1. De nauwere samenwerking op het gebied van onderlinge defensie waarin artikel I-40, lid 7, voorziet, staat open voor alle lidstaten van de Unie. Een lijst van aan de nauwere samenwerking deelnemende staten wordt opgenomen in de verklaring [titel]. Een lidstaat die in een later stadium aan deze samenwerking wenst deel te nemen door de daaraan verbonden verplichtingen te aanvaarden, stelt de Europese Raad daarvan in kennis en onderschrijft de verklaring.

2. Een aan deze samenwerking deelnemende lidstaat waarvan het grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen, brengt de overige deelnemende lidstaten op de hoogte van de situatie en kan hun om hulp en bijstand verzoeken. De deelnemende staten komen op ministerieel niveau bijeen en worden bijgestaan door hun vertegenwoordiger in het Politiek en Veiligheidscomité en het Militair Comité.

3. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties wordt terstond op de hoogte gebracht van iedere gewapende aanval en de naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen.

4. Dit artikel laat, ten aanzien van de betrokken lidstaten, de rechten en verplichtingen op grond van het Noord-Atlantisch Verdrag onverlet.

AFDELING 2

Financiële bepalingen

Artikel III-215

1. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van dit hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie.

2. De beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien, komen eveneens ten laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer zij verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied en met gevallen waarin de Raad van Ministers anders besluit.

Uitgaven die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, vallen ten laste van de lidstaten volgens de verdeelsleutel die gebaseerd is op het bruto nationaal product, tenzij de Raad van Ministers anders besluit. Lidstaten waarvan de vertegenwoordiger in de Raad van Ministers een formele verklaring krachtens artikel III-201, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven welke verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied.

3. De Raad van Ministers stelt bij Europees besluit specifieke procedures vast die waarborgen dat de op de begroting van de Unie opgevoerde kredieten voor de dringende financiering van initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name voor de voorbereiding van de in artikel I-40, lid 1, bedoelde missies, snel beschikbaar komen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

De voorbereiding van de in artikel I-40, lid 1, bedoelde missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, wordt gefinancierd uit een startfonds, gevormd door bijdragen van de lidstaten.

De Raad van Ministers regelt bij Europees besluit, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

a) de instelling en vorming van het startfonds, met name ten aanzien van de in het fonds gestorte middelen en de wijze van terugbetaling;

b) het beheer van het startfonds;

c) de financiële controle.

Wanneer de Raad van Ministers een missie in de zin van artikel I-40, lid 1, overweegt, die niet ten laste van de begroting van de Unie kan worden gebracht, machtigt hij de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie brengt aan de Raad van Ministers verslag uit over de uitvoering van deze opdracht.

Hoofdstuk III

DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

Artikel III-216

Door tussen de lidstaten een douane-unie op te richten beoogt de Unie in het gemeenschappelijk belang een bijdrage te leveren tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, tot de geleidelijke afschaffing van de beperkingen voor het internationale handelsverkeer en voor buitenlandse directe investeringen, en tot de verlaging van de tarief- en andere barrières.

Artikel III-217

1. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen, met name aangaande de tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden betreffende handel in goederen en diensten, en de handelsaspecten van intellectuele eigendom, de directe buitenlandse investeringen, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie.

2. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen ter uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek vastgesteld.

3. Indien over akkoorden met een of meer staten of internationale organisaties wordt onderhandeld en deze worden gesloten, zijn de desbetreffende bepalingen van artikel III-227 van toepassing. De Europese Commissie doet aanbevelingen aan de Raad van Ministers, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Raad en de Commissie zien erop toe dat die akkoorden verenigbaar zijn met het interne beleid en de interne voorschriften van de Unie.

De Europese Commissie voert de onderhandelingen in overleg met een speciaal comité, door de Raad van Ministers aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het raam van de richtsnoeren welke de Raad van Ministers haar kan verstrekken. De Commissie brengt aan het speciaal comité en het Europees Parlement regelmatig verslag uit over de stand van de onderhandelingen.

4. Terzake van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende de handel in diensten waarbij personen zich verplaatsen en betreffende de handelsaspecten van intellectuele eigendom, besluit de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen voorzover deze akkoorden bepalingen bevatten die met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld indien het interne voorschriften zou betreffen.

De Raad besluit ook met eenparigheid van stemmen terzake van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende de handel in culturele en audiovisuele diensten, indien deze akkoorden afbreuk dreigen te doen aan de verscheidenheid aan culturen en talen in de Unie.

Op de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende vervoer blijven de bepalingen van afdeling 7 van hoofdstuk III van titel III, alsmede artikel III-227, van toepassing.

5. De uitoefening van de bij dit artikel verleende bevoegdheden op het gebied van de handelspolitiek laat de afbakening van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten onverlet en leidt niet tot enige harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten voorzover de Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.

Hoofdstuk IV

DE SAMENWERKING MET DERDE LANDEN EN DE HUMANITAIRE HULP

AFDELING 1

Ontwikkelingssamenwerking

Artikel III-218

1. Het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie. Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten versterken elkaar en vullen elkaar aan.

Hoofddoel van het beleid van de Unie op dit gebied is de armoede terug te dringen en ten slotte uit te bannen. De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking.

2. De Unie en de lidstaten houden zich aan de verbintenissen en de doelstellingen die zij in het kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties hebben onderschreven.

Artikel III-219

1. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen ter uitvoering van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid vastgesteld; deze kunnen betrekking hebben op meerjarenprogramma's voor samenwerking met ontwikkelingslanden of op thematische programma's.

2. De Unie kan met derde landen en bevoegde internationale organisaties alle overeenkomsten sluiten die dienstig zijn voor de verwezenlijking van de in artikel III-193 genoemde doelstellingen. De onderhandelingen over en de sluiting van die overeenkomsten vinden plaats overeenkomstig artikel III-227.

De eerste alinea laat onverlet de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

3. De Europese Investeringsbank draagt, onder de in haar statuten vastgestelde voorwaarden, bij tot de uitvoering van de in lid 1 bedoelde maatregelen.

Artikel III-220

1. Om de complementariteit en de doeltreffendheid van hun optreden te bevorderen coördineren de Unie en de lidstaten hun ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en plegen zij overleg over hun hulpprogramma's, ook in internationale organisaties en tijdens internationale conferenties. Zij kunnen gezamenlijk optreden. De lidstaten dragen zo nodig bij tot de uitvoering van de hulpprogramma's van de Unie.

2. De Europese Commissie kan alle dienstige initiatieven nemen om de in lid 1 bedoelde coördinatie te bevorderen.

3. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met derde landen en met de bevoegde internationale organisaties.

AFDELING 2

Economische, financiële en technische samenwerking met derde landen

Artikel III-221

1. Onverminderd de overige bepalingen van dit Verdrag, met name de artikelen III-218 tot en met III-220, onderneemt de Unie activiteiten voor economische, financiële en technische samenwerking, waaronder met name financiële bijstand begrepen, met derde landen die geen ontwikkelingsland zijn. Deze activiteiten zijn coherent met het ontwikkelingsbeleid van de Unie en vinden plaats in het kader van de beginselen en doelstellingen van haar externe optreden. De activiteiten van de Unie en die van de lidstaten zijn wederzijds versterkend en complementair.

2. De maatregelen ter uitvoering van lid 1 worden bij Europese wet of kaderwet vastgesteld.

3. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met derde landen en met de bevoegde internationale organisaties. De samenwerking van de Unie kan nader worden geregeld in overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken derde partijen, waarover onderhandeld wordt en die gesloten worden overeenkomstig artikel III-227. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen over associatieovereenkomsten in de zin van artikel III-226, lid 2, en over de overeenkomsten met de kandidaat-lidstaten van de Unie.

De eerste alinea laat onverlet de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

Artikel III-222

Wanneer de situatie in een derde land dringende financiële hulp van de Unie vereist, stelt de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie de nodige Europese besluiten vast.

AFDELING 3

De humanitaire hulp

Artikel III-223

1. Het optreden van de Unie op het gebied van humanitaire hulp vindt plaats in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie. Dat optreden strekt tot specifieke bijstand, hulpverlening en bescherming ten behoeve van de bevolkingen van derde landen die het slachtoffer zijn van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen, om de uit die situaties voortvloeiende humanitaire noden te lenigen. De activiteiten van de Unie en die van de lidstaten vullen elkaar aan en versterken elkaar.

2. Humanitaire hulp wordt verleend overeenkomstig de beginselen van het internationaal humanitair recht, met name de beginselen van onpartijdigheid en non-discriminatie.

3. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die het kader voor de uitvoering van de humanitaire hulpverlening van de Unie bepalen.

4. De Unie kan met derde landen en de bevoegde internationale organisaties alle internationale overeenkomsten sluiten die de in artikel III-193 genoemde doelstellingen helpen verwezenlijken. De onderhandelingen over en de sluiting van die overeenkomsten vinden plaats overeenkomstig artikel III-227.

De eerste alinea laat onverlet de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

5. Er wordt een Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulp opgericht, als kader voor gemeenschappelijke bijdragen van Europese jongeren aan humanitaire acties van de Unie. Het statuut en de voorschriften voor de werking van het korps worden bij Europese wet vastgesteld.

6. De Europese Commissie kan ieder dienstig initiatief nemen om de coördinatie tussen het optreden van de Unie en het optreden van de lidstaten te bevorderen, teneinde de humanitaire hulpmiddelen van de Unie en van de lidstaten doeltreffender en meer complementair te maken.

7. De Unie ziet erop toe dat haar humanitaire hulpverlening gecoördineerd wordt en coherent is met die van internationale organisaties en instanties, met name die tot het bestel van de Verenigde Naties behoren.

Hoofdstuk V

BEPERKENDE MAATREGELEN

Artikel III-224

1. In de gevallen waarin een Europees besluit betreffende een standpunt of een optreden van de Unie dat volgens de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van hoofdstuk II van deze titel is vastgesteld, voorziet in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, worden de Europese vorderingen en besluiten door de Raad van Ministers op gezamenlijk voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Europese Commissie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld. De Raad van Ministers stelt het Europees Parlement daarvan in kennis.

2. De Raad van Ministers kan op de in lid 1 genoemde gebieden volgens dezelfde procedure beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen, rechtspersonen en niet-statelijke formaties en entiteiten vaststellen.

Hoofdstuk VI

INTERNATIONALE AKKOORDEN

Artikel III-225

1. De Unie kan akkoorden met een of meer derde staten of internationale organisaties sluiten wanneer de Grondwet daarin voorziet of wanneer het sluiten van een akkoord nodig is om, in het kader van het beleid van de Unie, een van de in de Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, wanneer daarin bij een bindende rechtshandeling van de Unie is voorzien of wanneer zulks van invloed is op een intern besluit van de Unie.

2. De door de Unie gesloten akkoorden zijn verbindend voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten.

Artikel III-226

De Unie kan met een of meer derde staten of internationale organisaties associatieovereenkomsten sluiten. Bij deze overeenkomsten wordt een associatie ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijke optredens en bijzondere procedures.

Artikel III-227

1. Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel III-217 wordt bij het onderhandelen over en het sluiten van akkoorden tussen de Unie en derde staten of internationale organisaties de volgende procedure gevolgd.

2. De Raad van Ministers verleent de machtiging voor het openen van de onderhandelingen, stelt onderhandelingsrichtsnoeren vast en sluit de akkoorden.

3. De Europese Commissie of, indien het akkoord uitsluitend dan wel hoofdzakelijk betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie doet aanbevelingen aan de Raad van Ministers, die een Europees besluit vaststelt waarbij machtiging wordt verleend tot het openen van de onderhandelingen.

4. In het kader van het Europees besluit waarbij machtiging wordt verleend voor de onderhandelingen wijst de Raad van Ministers, naar gelang van de inhoud van het toekomstige akkoord, de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie aan.

5. De Raad van Ministers kan de onderhandelaar van de Unie onderhandelingsrichtsnoeren geven en hij kan een bijzonder comité aanwijzen in overleg waarmee de onderhandelingen moeten worden gevoerd.

6. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de onderhandelaar een Europees besluit vast waarbij machtiging wordt verleend voor de ondertekening en, in voorkomend geval, de voorlopige toepassing.

7. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de onderhandelaar een Europees besluit houdende sluiting van het akkoord vast.

Tenzij het akkoord uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, stelt de Raad van Ministers het in lid 1 bedoelde besluit na raadpleging van het Europees Parlement vast. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen de termijn die de Raad van Ministers naar gelang van de urgentie kan vaststellen. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad van Ministers besluiten.

De goedkeuring van het Europees Parlement is vereist met betrekking tot:

a) de associatieovereenkomsten,

b) de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

c) akkoorden die een specifiek institutioneel kader in het leven roepen door het instellen van samenwerkingsprocedures,

d) akkoorden die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting van de Unie en

e) akkoorden die gebieden betreffen waarop de wetgevingsprocedure van toepassing is.

In dringende gevallen kunnen het Europees Parlement en de Raad van Ministers een termijn overeenkomen voor het geven van de goedkeuring.

8. Bij de sluiting van een akkoord kan de Raad van Ministers, in afwijking van de leden 6, 7 en 10, de onderhandelaar machtigen om de wijzigingen die krachtens het akkoord volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij het akkoord opgericht orgaan worden aangenomen, namens de Unie goed te keuren; de Raad van Ministers kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden verbinden.

9. Tijdens de gehele procedure besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Hij besluit met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord een gebied betreft waarop handelingen van de Unie met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld, alsmede ten aanzien van associatieovereenkomsten en de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

10. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of van de Europese Commissie een Europees besluit vast tot opschorting van de toepassing van een akkoord en tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een akkoord opgericht lichaam dat handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.

11. Het Europees Parlement wordt in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle op de hoogte gebracht.

12. Een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie kan het advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een voorgenomen akkoord met de bepalingen van de Grondwet. Indien het Hof van Justitie afwijzend adviseert, kan het voorgenomen akkoord niet in werking treden, behoudens in geval van wijziging daarvan of herziening van de Grondwet volgens de procedure van artikel IV-6.

Artikel III-228

1. In afwijking van artikel III-227 kan de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of van de Europese Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, en na raadpleging van het Europees Parlement, volgens de procedure van lid 3 voor de aldaar omschreven regelingen, formele overeenkomsten sluiten over een stelsel van wisselkoersen van de euro ten opzichte van valuta's die geen wettig betaalmiddel zijn in de Unie.

De Raad van Ministers kan, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, hetzij op aanbeveling van de Europese Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, de euro-spilkoersen binnen het wisselkoersstelsel invoeren, wijzigen of afschaffen. De voorzitter van de Raad van Ministers stelt het Europees Parlement in kennis van de invoering, wijziging of afschaffing van de euro-spilkoers.

2. Indien het wisselkoersstelsel een lacune vertoont ten opzichte van één of meer valuta's die in de Unie geen wettig betaalmiddel zijn, in de zin van lid 1, kan de Raad van Ministers op aanbeveling van de Europese Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, of op aanbeveling van de Europese Centrale Bank, algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van deze valuta's vaststellen. Deze algemene oriëntaties laten het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken, zijnde het handhaven van de prijsstabiliteit, onverlet.

3. In afwijking van artikel III-227 treft de Raad van Ministers, wanneer de Unie onderhandelingen met één of meer staten of internationale organisaties moet voeren over aangelegenheden betreffende het monetaire of wisselkoersstelsel, op aanbeveling van de Europese Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, regelingen voor de onderhandelingen over en de sluiting van dergelijke overeenkomsten. Deze regelingen verzekeren dat de Unie één standpunt inneemt. De Commissie wordt ten volle bij de onderhandelingen betrokken.

4. Onverminderd de bevoegdheden en de overeenkomsten van de Unie op het gebied van de Economische en Monetaire Unie, kunnen de lidstaten in internationale organen onderhandelingen voeren en internationale overeenkomsten sluiten.

Hoofdstuk VII

DE BETREKKINGEN VAN DE UNIE MET INTERNATIONALE ORGANISATIES, MET DERDE LANDEN EN MET DE DELEGATIES VAN DE UNIE

Artikel III-229

1. De Unie brengt iedere dienstige samenwerking tot stand met de Verenigde Naties, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

2. Zij onderhoudt daarnaast de wenselijk geachte betrekkingen met andere internationale organisaties.

3. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de Europese Commissie zijn belast met de uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

Artikel III-230

1. De delegaties van de Unie in derde landen en bij internationale organisaties vertegenwoordigen de Unie.

2. De delegaties van de Unie werken onder het gezag van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en in nauwe samenspraak met de diplomatieke missies van de lidstaten.

Hoofdstuk VIII

TOEPASSING VAN DE SOLIDARITEITSCLAUSULE

Artikel III-231

1. De Raad van Ministers regelt bij Europees besluit op gezamenlijk voorstel van de Europese Commissie en van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie de toepassing van de in artikel I-42 bedoelde solidariteitsclausule. Het Europees Parlement wordt op de hoogte gesteld.

2. Wanneer een lidstaat getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een ramp ten gevolge van menselijk optreden, wordt hem door de andere lidstaten op verzoek van zijn politieke autoriteiten bijstand verleend. Te dien einde coördineren de lidstaten hun optreden in het kader van de Raad van Ministers.

3. In het kader van dit artikel wordt de Raad van Ministers bijgestaan door het Politiek en Veiligheidscomité met ondersteuning van de structuren die zijn ontwikkeld in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en door het Comité artikel III-162 welke comités hem in voorkomend geval gezamenlijke adviezen verstrekken.

4. Met het oog op een doeltreffend optreden van de Unie evalueert de Europese Raad regelmatig de dreigingen waarmee de Unie geconfronteerd wordt.

TITEL VI

DE WERKING VAN DE UNIE

Hoofdstuk I

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

AFDELING I

De instellingen

Onderafdeling 1

Het Europees Parlement

Artikel III-232

1. Bij Europese wet of kaderwet van de Raad van Ministers worden de maatregelen vastgesteld voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen van de leden van het Europees Parlement volgens een in alle lidstaten gelijke procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.

De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen over een ontwerp van het Europees Parlement, en na de goedkeuring te hebben verkregen van het Europees Parlement, dat met meerderheid van stemmen van zijn leden een besluit neemt. Deze wet of kaderwet treedt pas in werking nadat hij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen is goedgekeurd.

2. Bij Europese wet van het Europees Parlement worden de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden vastgesteld. Het Europees Parlement besluit op eigen initiatief, na raadpleging van de Europese Commissie en met goedkeuring van de Raad van Ministers. Alle bepalingen en voorwaarden betreffende de belastingregeling voor leden of voormalige leden worden door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld.

3. Tijdens de gehele zittingsperiode 2004-2009 is het Europees Parlement samengesteld overeenkomstig het Protocol inzake de vertegenwoordiging van de burgers in het Europees Parlement.

Artikel III-233

Bij Europese wet wordt het statuut, en in het bijzonder de regeling inzake de financiering, van de in artikel I-45, lid 4, bedoelde Europese politieke partijen vastgesteld.

Artikel III-234

Het Europees Parlement kan met een meerderheid van de stemmen van zijn leden de Europese Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen betreffende aangelegenheden waarin naar het oordeel van het Parlement voor de uitvoering van de Grondwet een handeling van de Unie vereist is. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvoor aan het Parlement mede.

Artikel III-235

In het kader van de vervulling van zijn taken kan het Europees Parlement op verzoek van een vierde van zijn leden een tijdelijke enquêtecommissie instellen die, onverminderd de in de Grondwet aan andere instellingen of organen verleende bevoegdheden, beweerde inbreuken op het recht van de Unie of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het recht van de Unie onderzoekt, behalve wanneer de beweerde feiten het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke procedure die nog niet is voltooid.

De tijdelijke enquêtecommissie houdt op te bestaan zodra zij haar verslag heeft ingediend.

Het Europees Parlement stelt bij Europese wet de nadere bepalingen betreffende de uitoefening van het enquêterecht vast. Het Europees Parlement besluit op eigen initiatief, na goedkeuring door de Raad van Ministers en door de Europese Commissie.

Artikel III-236

Iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht om individueel of tezamen met andere burgers of personen een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten betreffende een onderwerp dat tot de werkterreinen van de Unie behoort en dat hem rechtstreeks aangaat.

Artikel III-237

1. Het Europees Parlement benoemt de Europese ombudsman. De Europese ombudsman is bevoegd kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie of van natuurlijke of rechtspersonen met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat, over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of bureaus van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak.

In het kader van zijn opdracht stelt de Europese ombudsman, op eigen initiatief dan wel op basis van klachten welke hem rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement zijn voorgelegd, het door hem gerechtvaardigd geachte onderzoek in, behalve wanneer de beweerde feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken of hebben uitgemaakt. Indien de Europese ombudsman een geval van wanbeheer vaststelt, legt hij de zaak voor aan de instelling, het orgaan of het bureau in kwestie, waarvan hem binnen een termijn van drie maanden het standpunt wordt medegedeeld. De Europese ombudsman doet vervolgens een verslag aan het Europees Parlement en aan de instelling, het orgaan of het bureau toekomen. De klager wordt op de hoogte gebracht van het resultaat van het onderzoek.

De Europese ombudsman brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement over het resultaat van zijn onderzoeken.

2. De Europese ombudsman wordt na iedere verkiezing van het Europees Parlement voor de zittingsduur ervan benoemd. Hij is herbenoembaar.

De Europese ombudsman kan op verzoek van het Europees Parlement door het Hof van Justitie uit zijn ambt worden ontzet, indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van het ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten.

3. De Europese ombudsman oefent zijn ambt volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van zijn taken vraagt noch aanvaardt hij instructies van enig lichaam. Gedurende zijn ambtsperiode mag de Europese ombudsman geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten.

4. Het Europees Parlement stelt bij Europese wet het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van Europees ombudsman vast. Het Europees Parlement besluit op eigen initiatief, na advies van de Europese Commissie en na goedkeuring door de Raad van Ministers.

Artikel III-238

Het Europees Parlement houdt jaarlijks een zitting. Het Parlement komt van rechtswege op de tweede dinsdag van maart bijeen.

Het Europees Parlement kan op verzoek van de meerderheid van zijn leden, dan wel op verzoek van de Raad van Ministers of van de Europese Commissie in buitengewone vergaderperiode bijeenkomen.

Artikel III-239

1. De Europese Commissie kan iedere vergadering van het Europees Parlement bijwonen en wordt op haar verzoek gehoord.

De Europese Commissie antwoordt mondeling of schriftelijk op vragen van het Europees Parlement of van zijn leden.

2. De Europese Raad en de Raad van Ministers worden door het Europees Parlement gehoord volgens de procedurevoorschriften van de Europese Raad en volgens het reglement van orde van de Raad van Ministers.

Artikel III-240

Voorzover in de Grondwet niet anders is bepaald, besluit het Europees Parlement bij meerderheid van stemmen. Het quorum wordt in het reglement van orde bepaald.

Artikel III-241

Het Europees Parlement stelt zijn reglement van orde vast met een meerderheid van de stemmen van zijn leden.

De handelingen van het Europees Parlement worden overeenkomstig de bepalingen van de Grondwet en het reglement van orde bekendgemaakt.

Artikel III-242

Het Europees Parlement beraadslaagt in openbare zitting over het door de Europese Commissie voorgelegde algemene jaarverslag.

Artikel III-243

Wanneer aan het Europees Parlement een motie van afkeuring betreffende het beleid van de Europese Commissie wordt voorgelegd, kan het Parlement zich niet eerder dan drie dagen na de indiening ervan en slechts bij openbare stemming over deze motie uitspreken.

Indien de motie van afkeuring is aangenomen met een meerderheid van tweederde van de stemmen en tevens met een meerderheid van de stemmen van de leden, moet de Commissie aftreden. Zij blijft de lopende zaken behartigen tot overeenkomstig de artikelen I-25 en I-26 in haar vervanging is voorzien. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de ter vervanging benoemde Commissie op de datum waarop de ambtstermijn van de tot aftreden gedwongen Commissie zou zijn verstreken.

Onderafdeling 2

De Europese Raad

Artikel III-244

1. Ieder lid van de Europese Raad kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om namens hem te stemmen.

Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen der besluiten van de Europese Raad waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist.

2. De voorzitter van het Europees Parlement kan worden uitgenodigd door de Europese Raad te worden gehoord.

3. De Europese Raad stelt bij gewone meerderheid zelf zijn procedurevoorschriften vast.

De Europese Raad wordt bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad van Ministers.

Onderafdeling 3

De Raad van Ministers

Artikel III-245

1. De Raad van Ministers wordt door zijn voorzitter, op diens initiatief, of op initiatief van een van zijn leden of van de Europese Commissie in vergadering bijeengeroepen.

2. De Europese Raad stelt bij Europees besluit met eenparigheid van stemmen de toerbeurtregeling voor het voorzitterschap van de formaties van de Raad van Ministers vast.

Artikel III-246

1. Ieder lid van de Raad van Ministers kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om namens hem te stemmen.

2. Wanneer in de Raad van Ministers bij gewone meerderheid wordt besloten, besluit de Raad met een meerderheid van de stemmen van zijn leden.

3. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor de vaststelling van besluiten van de Raad van Ministers waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist.

Artikel III-247

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad van Ministers voor te bereiden en de door de Raad van Ministers verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad van Ministers genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

2. De Raad van Ministers wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, die door de Raad van Ministers wordt benoemd.

De Raad van Ministers beslist bij gewone meerderheid van stemmen over de organisatie van het secretariaat-generaal.

3. De Raad van Ministers besluit bij gewone meerderheid van stemmen over procedurekwesties en stelt met gewone meerderheid van stemmen zijn reglement van orde vast.

Artikel III-248

De Raad van Ministers kan bij gewone meerderheid van stemmen de Europese Commissie verzoeken, alle studies die hij wenselijk acht ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen te verrichten en hem alle terzake dienende voorstellen te doen. Indien de Commissie geen voorstellen doet, stelt zij de Raad van Ministers in kennis van de redenen daarvan.

Artikel III-249

De Raad van Ministers stelt bij Europees besluit het statuut van de door de Grondwet ingestelde comités vast. Hij besluit bij gewone meerderheid, na overleg met de Europese Commissie.

Onderafdeling 4

De Europese Commissie

Artikel III-250

De Europese Commissarissen en de Commissarissen zonder stemrecht worden voor een periode van vijf jaar benoemd, behoudens, in voorkomend geval, artikel III-243. Alleen onderdanen van de lidstaten, kunnen Europees Commissaris of Commissaris zijn.

Artikel III-251

De Europese Commissarissen en de Commissarissen onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. Iedere lidstaat verbindt zich ertoe, dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de Europese Commissarissen en de Commissarissen te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak.

De Europese Commissarissen en de Commissarissen mogen gedurende hun ambtstermijn geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig ertoe, gedurende hun ambtstermijn en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, en in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van hun ambtstermijn. Indien deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad van Ministers, bij gewone meerderheid van stemmen, of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, naar gelang van het geval, ontslag ambtshalve volgens artikel III-253 of verval van het recht op pensioen of van andere, daarvoor in de plaats tredende voordelen kan uitspreken.

Artikel III-252

1. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden eindigt de ambtsvervulling van een Europees Commissaris of van een Commissaris door vrijwillig ontslag of ontslag ambtshalve. Een Europees Commissaris of een Commissaris dient zijn ontslag in indien de voorzitter hem daarom verzoekt.

2. In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden, wordt de Europees Commissaris of de Commissaris voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen door een nieuwe Europees Commissaris of Commissaris die door de voorzitter van de Europese Commissie wordt benoemd overeenkomstig de artikelen I-25 en I-26.

3. In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden, wordt de voorzitter voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen overeenkomstig artikel I-26, lid 1.

4. In geval van ontslag van alle Europese Commissarissen en Commissarissen, blijven zij in functie totdat in hun vervanging is voorzien, voor de verdere duur van hun ambtstermijn, overeenkomstig de artikelen I-25 en I-26.

Artikel III-253

Op verzoek van de Raad van Ministers, die besluit bij gewone meerderheid van stemmen, of van de Commissie, kan een Europees Commissaris of Commissaris die niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie uit zijn ambt worden ontzet.

Artikel III-254

De taken van de Europese Commissie worden overeenkomstig artikel I-26, lid 3 door de voorzitter gestructureerd en over de leden van de Commissie verdeeld. De voorzitter kan de taakverdeling tijdens de ambtstermijn wijzigen. De Europese Commissarissen en Commissarissen oefenen de hun door de voorzitter toegewezen taak onder diens gezag uit.

Artikel III-255

De besluiten van de Europese Commissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van het college. Het quorum wordt in het reglement van orde bepaald.

Artikel III-256

De Europese Commissie stelt haar reglement van orde vast, teneinde haar eigen werkzaamheden en die van haar diensten te regelen. Zij draagt er zorg voor dat het reglement wordt bekendgemaakt.

Artikel III-257

De Europese Commissie publiceert jaarlijks, ten minste een maand voordat de zitting van het Europees Parlement wordt geopend, een algemeen verslag over de activiteiten van de Unie.

Onderafdeling 5

Het Hof van Justitie

Artikel III-258

Het Hof van Justitie houdt zitting in kamers, als grote kamer of in voltallige zitting, overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie.

Artikel III-259

Het Europees Hof van Justitie wordt bijgestaan door acht advocaten-generaal. Indien het Europees Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen een besluit houdende verhoging van het aantal advocaten-generaal vaststellen.

De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie vereist is.

Artikel III-260

De rechters en de advocaten-generaal van het Europees Hof van Justitie, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd, na raadpleging van het Comité van artikel III-262.

Om de drie jaar vindt, op de wijze die in het statuut van het Hof van Justitie is bepaald, een gedeeltelijke vervanging van de rechters en de advocaten-generaal plaats.

De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Europees Hof van Justitie. Hij is herbenoembaar.

Het Europees Hof van Justitie stelt zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad van Ministers voorgelegd.

Artikel III-261

Het aantal rechters van het Gerecht van eerste aanleg wordt vastgesteld bij het statuut van het Hof van Justitie. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht wordt bijgestaan door advocaten-generaal.

De leden van het Gerecht worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn hoge rechtelijke ambten te bekleden. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd, na raadpleging van het Comité van artikel III-262.

Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van het Gerecht plaats. De aftredende leden zijn herbenoembaar.

De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Gerecht. Hij is herbenoembaar.

Het Gerecht stelt in overeenstemming met het Europees Hof van Justitie zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad van Ministers voorgelegd.

Tenzij dit in het statuut van het Europees Hof van Justitie anders is bepaald, zijn de bepalingen van de Grondwet betreffende het Europees Hof van Justitie op het Gerecht van toepassing.

Artikel III-262

Er wordt een comité opgericht dat de lidstaten van advies dient over de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van de ambten van rechter en advocaat-generaal van het Europees Hof van Justitie en van het Gerecht, voorafgaand aan het besluit van de regeringen van de lidstaten overeenkomstig de artikelen III-260 en III-261.

Het comité bestaat uit zeven voormalige leden van het Europees Hof van Justitie en van het Gerecht, personen die de hoogste nationale rechterlijke ambten bekleden en personen die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, waarvan er één wordt voorgedragen door het Europees Parlement. De Raad van Ministers stelt een Europees besluit houdende bepaling van de werkwijze van dit comité, alsmede een Europees besluit tot benoeming van de leden. De Raad besluit op initiatief van de president van het Europees Hof van Justitie.

Artikel III-263

1. Het Gerecht is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen III-270, III-272, III-275, III-277 en III-279 bedoelde beroepen, met uitzondering van de beroepen waarvan een gespecialiseerde rechtbank kennisneemt en die waarvan de kennisneming overeenkomstig het statuut aan het Europees Hof van Justitie is voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht bevoegd is kennis te nemen van andere categorieën van beroepen.

Tegen de beslissingen die het Gerecht op grond van dit lid geeft, kan bij het Europees Hof van Justitie een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie worden bepaald.

2. Het Gerecht is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de krachtens artikel III-264 ingestelde gespecialiseerde rechtbanken.

De beslissingen die het Gerecht op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

3. Het Gerecht is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd krachtens artikel III-274 en beperkt blijven tot specifieke, in het statuut van het Hof van Justitie bepaalde aangelegenheden.

Wanneer het Gerecht van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, kan het de zaak naar het Europees Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak.

De beslissingen die het Gerecht over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

Artikel III-264

1. Bij Europese wet kunnen gespecialiseerde rechtbanken worden ingesteld die worden toegevoegd aan het Gerecht, en die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in specifieke aangelegenheden. De Europese wet wordt vastgesteld hetzij op voorstel van de Europese Commissie en na raadpleging van het Hof van Justitie, hetzij op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van de Commissie.

2. In de Europese wet tot instelling van een gespecialiseerde rechtbank worden de regels voor de samenstelling van de rechtbanken vastgesteld en wordt de reikwijdte van de aan deze rechtbanken verleende bevoegdheden bepaald.

3. Tegen de beslissingen van de gespecialiseerde rechtbanken kan bij het Gerecht een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld of, wanneer de Europese wet tot instelling van de gespecialiseerde rechtbank daarin voorziet, een beroep dat ook op feitelijke vragen betrekking heeft.

4. De leden van de gespecialiseerde rechtbanken worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen benoemd.

5. De gespecialiseerde rechtbanken stellen in overeenstemming met het Hof van Justitie hun reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de Raad van Ministers voorgelegd.

6. Tenzij dit in de Europese wet tot instelling van de gespecialiseerde rechtbank anders is bepaald, zijn de bepalingen van de Grondwet betreffende het Hof van Justitie en de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie op de gespecialiseerde rechtbanken van toepassing.

Artikel III-265

Indien de Europese Commissie van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende verplichting niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na de lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.

Indien de betrokken staat het advies niet binnen de door de Europese Commissie gestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie.

Artikel III-266

Een lidstaat die van mening is dat een andere lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende verplichting niet is nagekomen, kan zich tot het Hof van Justitie wenden.

Voordat een lidstaat tegen een andere lidstaat een klacht indient wegens een beweerde schending van diens verplichtingen krachtens de Grondwet, legt hij deze klacht voor aan de Europese Commissie.

De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit, nadat de betrokken staten de gelegenheid is gegeven over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken.

Indien de Commissie binnen drie maanden na indiening van de klacht geen advies heeft uitgebracht, kan de klacht desalniettemin bij het Hof van Justitie worden ingediend.

Artikel III-267

1. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een lidstaat een krachtens de Grondwet op hem rustende verplichting niet is nagekomen, is deze staat gehouden het nodige te doen om gevolg te geven aan het arrest van het Hof van Justitie.

2. Indien de Europese Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het arrest van het Hof van Justitie, kan zij, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, de zaak voor het Hof van Justitie brengen. De Commissie vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.

Indien het Hof van Justitie vaststelt dat de betrokken lidstaat zijn arrest niet is nagekomen, kan het aan deze staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen.

Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel III-266.

3. Wanneer de Europese Commissie bij het Hof van Justitie beroep instelt op grond van artikel III-265 omdat zij van oordeel is dat de betrokken lidstaat zijn verplichting tot mededeling van voorschriften ter omzetting van een Europese kaderwet niet is nagekomen, kan de Commissie, indien zij dit passend acht, het Hof van Justitie in hetzelfde beroepschrift verzoeken de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom op te leggen indien het vaststelt dat een verplichting niet is nagekomen. Indien het Hof van Justitie aan het verzoek van de Commissie voldoet, wordt de betrokken betaling verricht binnen de door het Hof van Justitie in zijn arrest gestelde termijn.

Artikel III-268

De Europese wetten en de Europese verordeningen van de Raad van Ministers kunnen aan het Hof van Justitie volledige rechtsmacht verlenen wat betreft de sancties die erin zijn opgenomen.

Artikel III-269

Onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet kan aan het Hof van Justitie bij Europese wet voorzover daarin bepaald, de bevoegdheid worden verleend uitspraak te doen in geschillen die verband houden met de toepassing van krachtens de Grondwet vastgestelde handelingen waarbij Europese intellectuele-eigendomsrechten worden ingesteld.

Artikel III-270

1. Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de Europese wetten en kaderwetten, van de handelingen van de Raad van Ministers, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben. Het Hof van Justitie gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de organen of bureaus van de Unie die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben.

2. Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen op ieder door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Grondwet of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.

3. Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen op ieder door de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio's ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.

4. Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.

5. De handelingen tot oprichting van organen en bureaus van de Unie kunnen voorzien in specifieke voorwaarden inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of bureaus die beogen rechtsgevolgen te hebben.

6. Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden, naargelang van het geval te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

Artikel III-271

Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie nietig verklaard.

Het Hof van Justitie bepaalt evenwel, zo het dit nodig oordeelt, welke gevolgen van de vernietigde handeling als definitief moeten worden beschouwd.

Artikel III-272

Indien het Europees Parlement, de Raad van Ministers, de Europese Commissie of de Europese Centrale Bank, in strijd met de Grondwet, nalaat te besluiten, kunnen de lidstaten en de overige instellingen van de Unie zich tot het Hof van Justitie wenden om deze schending te doen vaststellen. Deze bepaling is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de organen en de bureaus van de Unie die nalaten een besluit te nemen.

Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de instelling, het orgaan of het bureau in kwestie vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien de instelling, het orgaan of het bureau niet binnen twee maanden, te rekenen vanaf de uitnodiging, een standpunt heeft bepaald, kan het binnen een nieuwe termijn van twee maanden beroep worden ingesteld.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een instelling, orgaan of bureau van de Unie heeft nagelaten tot hem een andere handeling te richten dan een aanbeveling of een advies.

Artikel III-273

De instelling, het orgaan of het bureau waarvan de handeling nietig is verklaard of waarvan de nalatigheid strijdig met de Grondwet is verklaard, is gehouden het nodige te doen om gevolg te geven aan het arrest van het Hof van Justitie.

Deze verplichting geldt onverminderd die welke uit de toepassing van artikel III-337, tweede alinea, kan voortvloeien.

Artikel III-274

Het Hof van Justitie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen

a) over de uitlegging van de Grondwet,

b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Unie,

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden.

Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof van Justitie zo spoedig mogelijk uitspraak.

Artikel III-275

Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van artikel III-337, tweede alinea, bedoelde schade.

Artikel III-276

Op verzoek van de lidstaat ten aanzien waarvan de Europese Raad of de Raad van Ministers een constatering heeft gedaan krachtens artikel I-58, is het Hof van Justitie bevoegd uitspraak te doen over de louter procedurele bepalingen van dat artikel. Het Hof doet een uitspraak binnen een maand na de datum van de constatering.

Artikel III-277

Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut van de ambtenaren van de Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie.

Artikel III-278

Het Hof van Justitie is bevoegd, binnen de hierna aangegeven grenzen, kennis te nemen van de geschillen betreffende:

a) de uitvoering van de verplichtingen der lidstaten voortvloeiende uit de statuten van de Europese Investeringsbank. De Raad van bewind van de Bank beschikt dienaangaande over de bevoegdheden welke bij artikel III-265 aan de Europese Commissie zijn toegekend;

b) de besluiten van de Raad van gouverneurs van de Europese Investeringsbank. iedere lidstaat, de Europese Commissie en de Raad van bewind van de Bank kunnen onder de voorwaarden gesteld in artikel III-270 beroep instellen tegen deze besluiten;

c) de besluiten van de Raad van bewind van de Europese Investeringsbank. Beroep tegen deze besluiten kan onder de voorwaarden van artikel III-270 slechts worden ingesteld door de lidstaten of de Europese Commissie, en alleen in geval van schending van de vormvoorschriften bedoeld in artikel 21, leden 2, 5, 6 en 7, van de statuten van de Bank;

d) de uitvoering van de verplichtingen van de nationale centrale banken voortvloeiende uit deze Grondwet en uit de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank. De Raad van de Europese Centrale Bank beschikt dienaangaande ten aanzien van de nationale centrale banken over de bevoegdheden welke bij artikel III-265 aan de Europese Commissie zijn toegekend ten aanzien van de lidstaten. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een nationale centrale bank een van de krachtens deze Grondwet op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze bank gehouden die voorzieningen te treffen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.

Artikel III-279

Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

Artikel III-280

Het Europees Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten dat met de materie van deze Grondwet verband houdt, indien dit geschil hem krachtens een compromis wordt voorgelegd.

Artikel III-281

Behoudens de bevoegdheden die bij deze Grondwet aan het Hof van Justitie worden verleend, zijn de geschillen waarin de Unie partij is, niet uit dien hoofde onttrokken aan de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

Artikel III-282

Het Hof van Justitie is niet bevoegd ten aanzien van de artikelen I-39 en I-40 en van de bepalingen van hoofdstuk II van titel V van deel III betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Het Hof van Justitie is evenwel niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen die onder de in artikel III-270, lid 4, bedoelde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van artikel III-193 zijn vastgesteld.

Artikel III-283

Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden betreffende de bepalingen in de afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk IV van titel III betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is het Hof van Justitie niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid, indien deze handelingen onder het nationaal recht vallen.

Artikel III-284

De lidstaten verbinden zich een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van de Grondwet niet op andere wijze te doen beslechten dan in deze Grondwet is voorgeschreven.

Artikel III-285

Iedere partij kan, ook al is de in artikel III-270, lid 6, bedoelde termijn verstreken, naar aanleiding van een geschil waarbij een Europese wet, of een Europese verordening van de Raad van Ministers, van de Commissie of van de Europese Centrale Bank in het geding is, de in artikel III-270, lid 2, bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie de niet-toepasselijkheid van deze handeling in te roepen.

Artikel III-286

Een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep heeft geen schorsende werking. Het Hof van Justitie kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten.

Artikel III-287

Het Hof van Justitie kan in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.

Artikel III-288

De arresten van het Hof van Justitie zijn uitvoerbaar overeenkomstig de bepalingen van artikel III-307.

Artikel III-289

Het statuut van het Hof van Justitie wordt vastgesteld bij een protocol.

De bepalingen van het statuut kunnen bij Europese wet worden gewijzigd, met uitzondering van titel I en artikel 64. De wet wordt vastgesteld hetzij op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van de Europese Commissie, hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Hof van Justitie.

Onderafdeling 6

De Rekenkamer

Artikel III-290

1. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie. Zij onderzoekt tevens de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van ieder door de Unie ingesteld orgaan, voorzover de oprichtingshandeling dit onderzoek niet uitsluit.

De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad van Ministers een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. Aan die verklaring kunnen specifieke beoordelingen worden toegevoegd voor ieder belangrijk werkterrein van de Unie.

2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.

De controle van de ontvangsten geschiedt aan de hand van de vaststellingen en van de stortingen van ontvangsten aan de Unie.

De controle van de uitgaven geschiedt aan de hand van betalingsverplichtingen en van betalingen.

Deze controles kunnen plaatsvinden vóór de afsluiting van de rekeningen van het betrokken begrotingsjaar.

3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen, in de gebouwen van alle organen die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

De overige instellingen, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Unie door de Europese Investeringsbank wordt het recht van inzage van de Rekenkamer van informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Europese Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin inzage van de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Unie.

4. De Rekenkamer stelt na afsluiting van elk begrotingsjaar een jaarverslag op. Dit verslag wordt toegezonden aan de overige instellingen en tezamen met de antwoorden van deze instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.

De Rekenkamer kan voorts te allen tijde met betrekking tot bijzondere vraagstukken opmerkingen maken, met name in de vorm van speciale verslagen, en kan op verzoek van een van de overige instellingen adviezen uitbrengen.

De Rekenkamer neemt haar jaarverslagen, speciale verslagen of adviezen aan met meerderheid van stemmen van haar leden. Zij kan echter uit haar midden kamers vormen voor het aannemen van bepaalde soorten van verslagen of adviezen overeenkomstig haar reglement van orde.

De Rekenkamer staat het Europees Parlement en de Raad van Ministers bij bij de controle op de uitvoering van de begroting.

De Rekenkamer neemt haar reglement van orde aan. De Raad van Ministers keurt dit reglement goed.

Artikel III-291

1. De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen land behoren of behoord hebben tot de externe controle-instanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn. Zij moeten alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.

2. De leden van de Rekenkamer worden voor zes jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De Raad van Ministers stelt een Europees besluit houdende de overeenkomstig de voordrachten van de onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden vast. Hij besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

De leden van de Rekenkamer kiezen uit hun midden voor drie jaar hun voorzitter. Hij is herkiesbaar.

3. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Unie.

Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden zij instructies van enige regering of enig lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt.

4. De leden van de Rekenkamer mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.

5. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden, eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Rekenkamer door vrijwillig ontslag of door ontslag ambtshalve ingevolge een uitspraak van het Hof van Justitie overeenkomstig lid 6.

De betrokkene wordt vervangen voor de verdere duur van zijn ambtstermijn.

Behoudens in geval van ontslag ambtshalve, blijven de leden van de Rekenkamer in functie totdat in hun vervanging is voorzien.

6. De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

AFDELING 2

De adviesorganen van de Europese Unie

Onderafdeling 1

Het Comité van de Regio's

Artikel III-292

Het aantal leden van het Comité van de Regio's bedraagt ten hoogste 350. De Raad van Ministers stelt met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vast waarbij de samenstelling van het Comité wordt vastgelegd.

De leden van het Comité en een gelijk aantal plaatsvervangers worden voor vijf jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar.

De Raad van Ministers stelt het Europees besluit houdende de overeenkomstig de voordrachten van de onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden en plaatsvervangers vast.

Bij het verstrijken van het in artikel I-31, lid 2, bedoelde mandaat uit hoofde waarvan zij zijn voorgedragen, eindigt de ambtstermijn van de leden van het Comité van rechtswege en worden zij voor de verdere duur van de ambtstermijn volgens dezelfde procedure vervangen.

Leden van het Comité kunnen niet tegelijkertijd lid zijn van het Europees Parlement.

Artikel III-293

Het Comité van de Regio's kiest, voor een periode van tweeënhalf jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van het Europees Parlement, van de Raad van Ministers of van de Europese Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen.

Artikel III-294

Het Comité van de Regio's wordt door het Europees Parlement, door de Raad van Ministers of door de Europese Commissie geraadpleegd in de door de Grondwet voorgeschreven gevallen en in alle andere gevallen, in het bijzonder die welke grensoverschrijdende samenwerking betreffen, waarin een van deze instellingen zulks wenselijk oordeelt.

Indien het Europees Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie zulks noodzakelijk achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van het advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten.

Wanneer het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel III-298 wordt geraadpleegd, wordt het Comité van de Regio's door het Europees Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie in kennis gesteld van dat verzoek om advies. Het Comité van de Regio's kan, wanneer het van mening is dat er specifieke regionale belangen op het spel staan, hieromtrent advies uitbrengen. Het kan tevens, in de gevallen waarin het zulks dienstig acht, op eigen initiatief een advies uitbrengen.

Het advies van het Comité alsmede een verslag van de besprekingen worden aan het Europees Parlement, aan de Raad van Ministers en aan de Europese Commissie gezonden.

Onderafdeling 2

Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel III-295

Het aantal leden van het Economisch en Sociaal Comité bedraagt ten hoogste 350. De Raad van Ministers stelt met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vast waarbij de samenstelling van het Comité wordt vastgelegd.

Artikel III-296

De leden van het Economisch en Sociaal Comité worden voor vijf jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De Raad van Ministers stelt het Europees besluit houdende de overeenkomstig de voordrachten van de onderscheiden lidstaten opgestelde lijst van leden vast.

De Raad van Ministers besluit na raadpleging van de Europese Commissie. Hij kan de mening vragen van de Europese organisaties die representatief zijn voor de verschillende economische en sociale sectoren welke belang hebben bij de activiteit van de Unie.

Artikel III-297

Het Economisch en Sociaal Comité kiest, voor de periode van tweeënhalf jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van het Europees Parlement, van de Raad van Ministers of van de Europese Commissie. Het kan tevens op eigen initiatief bijeenkomen.

Artikel III-298

Het Comité moet door het Europees Parlement, door de Raad van Ministers of door de Europese Commissie worden geraadpleegd in de gevallen voorzien in de Grondwet. In alle overige gevallen kan het door deze instellingen worden geraadpleegd. Het Comité kan tevens op eigen initiatief advies uitbrengen.

Indien het Europees Parlement de Raad van Ministers of de Europese Commissie zulks nodig achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten.

Het advies van het Comité, alsmede een verslag van de besprekingen, worden aan het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie gezonden.

AFDELING 3

De Europese Investeringsbank

Artikel III-299

De Europese Investeringsbank bezit rechtspersoonlijkheid.

De leden van de Europese Investeringsbank zijn de lidstaten.

De statuten van de Europese Investeringsbank zijn opgenomen in een protocol. Bij Europese wet kunnen op verzoek van de Europese Investeringsbank en na raadpleging van de Europese Commissie, of op voorstel van de Commissie na raadpleging van de Europese Investeringsbank, de artikelen 4, 11 en 12 en artikel 18, lid 5, van de statuten van de Bank worden gewijzigd.

Artikel III-300

De Europese Investeringsbank heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen bij te dragen tot een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie. Te dien einde vergemakkelijkt zij, door zonder winstoogmerk leningen en waarborgen te verstrekken, de financiering van de volgende projecten in alle sectoren van het economisch leven:

a) projecten tot ontwikkeling van minder-ontwikkelde gebieden,

b) projecten tot modernisering of overschakeling van ondernemingen of voor het scheppen van nieuwe bedrijvigheid, voortvloeiende uit de geleidelijke instelling van de interne markt, welke projecten door hun omvang of hun aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn,

c) projecten welke voor verscheidene lidstaten van gemeenschappelijk belang zijn en die door hun omvang of aard niet geheel kunnen worden gefinancierd uit de verschillende middelen welke in ieder van de lidstaten voorhanden zijn.

Bij de vervulling van haar taak vergemakkelijkt de Bank de financiering van investeringsprogramma's in samenhang met bijstandsverlening van de structuurfondsen en van de andere financieringsinstrumenten van de Unie.

AFDELING 4

Bepalingen die de instellingen, organen en bureaus van de Unie gemeen hebben

Artikel III-301

1. Wanneer krachtens de Grondwet een handeling van de Raad van Ministers wordt aangenomen op voorstel van de Europese Commissie, kan de Raad van Ministers een handeling die van dat voorstel afwijkt slechts met eenparigheid van stemmen aannemen, onder voorbehoud van artikel I-54, artikel III-302, leden 10 en 13, en artikel III-310.

2. Zolang de Raad van Ministers niet heeft besloten, kan de Europese Commissie te allen tijde gedurende de procedures die tot aanneming van een handeling van de Unie leiden, haar voorstel wijzigen.

Artikel III-302

1. Wanneer krachtens de Grondwet de Europese wetten of kaderwetten volgens de gewone wetgevingsprocedure worden vastgesteld, zijn de onderstaande bepalingen van toepassing.

2. De Europese Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad van Ministers.

Eerste lezing

3. Het Europees Parlement stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt het mee aan de Raad van Ministers.

4. Indien de Raad van Ministers het standpunt van het Europees Parlement goedkeurt, is de voorgestelde handeling aangenomen.

5. Indien de Raad van Ministers het standpunt van het Europees Parlement niet goedkeurt, stelt hij zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt hij dit mee aan het Europees Parlement.

6. De Raad van Ministers stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn standpunt in eerste lezing. De Europese Commissie stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van haar standpunt.

Tweede lezing

7. Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling:

a) het standpunt van de Raad van Ministers in eerste lezing goedkeurt of zich niet heeft uitgesproken, wordt de betrokken handeling geacht te zijn aangenomen;

b) het standpunt van de Raad van Ministers in eerste lezing met een meerderheid van zijn leden verwerpt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn aangenomen;

c) met een meerderheid van zijn leden amendementen op het standpunt van de Raad van Ministers in eerste lezing voorstelt, wordt de aldus geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad van Ministers en aan de Europese Commissie, die advies over deze amendementen uitbrengt.

8. Indien de Raad van Ministers binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de amendementen van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

a) al deze amendementen goedkeurt, wordt de betrokken handeling geacht te zijn aangenomen;

b) niet alle amendementen goedkeurt, roept de voorzitter van de Raad van Ministers, in overeenstemming met de voorzitter van het Europees Parlement, binnen zes weken het bemiddelingscomité bijeen.

9. De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen over de amendementen waarover de Europese Commissie negatief advies heeft uitgebracht.

Bemiddeling

10. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad van Ministers of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen en heeft tot taak binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad van Ministers of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerptekst op basis van de standpunten van het Parlement en de Raad van Ministers in tweede lezing.

11. De Europese Commissie neemt aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité deel en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad van Ministers nader tot elkaar te brengen.

12. Indien het bemiddelingscomité binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen, geen gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn aangenomen.

Derde lezing

13. Indien het bemiddelingscomité binnen die termijn een gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad van Ministers over een termijn van zes weken na deze datum om de betrokken handeling overeenkomstig de gemeenschappelijke ontwerptekst aan te nemen, waarbij het Europees Parlement besluit met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, en de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Indien zulks niet geschiedt, wordt de handeling geacht niet te zijn aangenomen.

14. De in dit artikel vermelde termijnen van drie maanden en zes weken worden, op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad van Ministers, met ten hoogste één maand, respectievelijk twee weken verlengd.

Bijzondere bepalingen

15. Wanneer een wet of een kaderwet in de specifiek bij de Grondwet bepaalde gevallen op initiatief van een groep lidstaten op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of op verzoek van de Rekenkamer of de Europese Investeringbank aan de gewone wetgevingsprocedure wordt onderworpen, zijn de leden 2, 6, tweede zin, en 9 niet van toepassing.

Het Europees Parlement en de Raad van Ministers zenden de Europese Commissie het ontwerp van de handeling alsmede hun standpunten in eerste en tweede lezing toe.

Het Europees Parlement en de Raad van Ministers kunnen de Europese Commissie te allen tijde gedurende de procedure om advies verzoeken. De Commissie kan ook op eigen initiatief advies uitbrengen. Indien de Commissie dat nodig acht, kan zij onder de in lid 11 genoemde voorwaarden deelnemen aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité.

Artikel III-303

Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken. Daartoe kunnen zij, met inachtneming van de Grondwet, interinstitutionele akkoorden sluiten die een dwingend karakter kunnen hebben.

Artikel III-304

1. Bij de vervulling van hun taken steunen de instellingen, organen en bureaus van de Unie op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat.

2. Onverminderd artikel III-322 worden bij Europese wet de specifieke bepalingen daartoe vastgesteld.

Artikel III-305

1. De instellingen, organen en bureaus van de Unie erkennen het belang van de transparantie van hun werkzaamheden en nemen krachtens artikel I-49 in hun reglementen van orde de specifieke bepalingen over de inzage van het publiek van documenten op. Het Hof van Justitie en de Europese Centrale Bank leven in de uitoefening van hun administratieve functie artikel I-49, lid 3, na.

2. Het Europees Parlement en de Raad van Ministers zorgen voor de openbaarmaking van de stukken betreffende de wetgevingsprocedures.

Artikel III-306

1. De Raad van Ministers stelt Europese verordeningen en besluiten vast houdende:

a) de wedden, vergoedingen en pensioenen van de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Europese Commissie, de minister van Buitenlandse Zaken, van de Europese Commissarissen en Commissarissen, van de president, de leden en de griffier van het Hof van Justitie, en van de leden en de griffier van het Gerecht van de Europese Unie;

b) de werkgelegenheidsvoorwaarden, en in het bijzonder de wedden, vergoedingen en pensioenen van de voorzitter en de leden van de Rekenkamer.

De Raad van Ministers stelt tevens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden.

2. De Raad van Ministers stelt Europese verordeningen en besluiten vast houdende de vergoedingen van de leden van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel III-307

De handelingen van de Raad van Ministers, de Europese Commissie of de Europese Centrale Bank welke voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel.

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van iedere lidstaat daartoe wordt aangewezen. Van de aanwijzing stelt zij de Europese Commissie en het Hof van Justitie in kennis.

Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving.

De tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens een beschikking van het Hof van Justitie. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

Hoofdstuk II

FINANCIËLE BEPALINGEN

AFDELING 1

Het meerjarig financieel kader

Artikel III-308

1. Het meerjarig financieel kader wordt vastgesteld voor een periode van ten minste vijf jaar, overeenkomstig artikel I-54.

2. In het financieel kader worden de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor vastleggingen per uitgavencategorie vastgesteld, alsmede het jaarlijkse maximumbedrag van de kredieten voor betalingen. De uitgavencategorieën, die gering in aantal zijn, corresponderen met de grote beleidsdomeinen van de Unie.

3. Het financieel kader omvat alle andere bepalingen die dienstig zijn voor het goede verloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

4. Indien de Europese wet van de Raad van Ministers houdende een nieuw financieel kader nog niet is vastgesteld wanneer het voorgaand financieel kader verstrijkt, blijven de maximumbedragen en de overige bepalingen betreffende het laatste jaar van het voorgaand financieel kader van toepassing totdat deze wet is vastgesteld.

5. Tijdens de gehele procedure die leidt tot vaststelling van het financieel kader, nemen het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie alle maatregelen die nodig zijn om de procedure tot een goed einde te brengen.

AFDELING 2

De jaarlijkse begroting van de Unie

Artikel III-309

Het begrotingsjaar begint op 1 januari en sluit op 31 december.

Artikel III-310

Bij Europese wet wordt de jaarlijkse begroting van de Unie vastgesteld overeenkomstig de volgende bepalingen:

1. Iedere instelling maakt voor 1 juli een raming op van haar uitgaven. De Europese Commissie voegt die ramingen in een ontwerpbegroting samen. Zij voegt daaraan een advies toe, dat afwijkende ramingen mag inhouden.

Dit ontwerp omvat een raming van de uitgaven en een raming van de ontvangsten.

De Europese Commissie kan de ontwerpbegroting in de loop van de procedure wijzigen totdat het in punt 5 bedoelde bemiddelingscomité bijeen wordt geroepen.

2. De Europese Commissie legt de ontwerpbegroting uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan het Europees Parlement en aan de Raad van Ministers voor.

3. De Raad van Ministers stelt zijn standpunt over de ontwerpbegroting vast en deelt dit standpunt uiterlijk op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan het Europees Parlement mee. De Raad van Ministers stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn standpunt.

4. Indien het Europees Parlement binnen een termijn van 42 dagen na deze mededeling:

a) het standpunt van de Raad van Ministers goedkeurt of zich niet heeft uitgesproken, wordt de begrotingswet geacht te zijn aangenomen;

b) met een meerderheid van zijn leden amendementen op het standpunt van de Raad van Ministers voorstelt, wordt de aldus geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad van Ministers en aan de Europese Commissie. De voorzitter van het Europees Parlement roept in overleg met de voorzitter van de Raad van Ministers onverwijld het bemiddelingscomité bijeen.

Het bemiddelingscomité komt niet bijeen indien de Raad van Ministers binnen een termijn van tien dagen aan het Europees Parlement meedeelt dat hij alle amendementen van het Parlement aanvaardt.

5. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad van Ministers of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen en heeft tot taak om, binnen een termijn van eenentwintig dagen nadat het is bijeengeroepen, op basis van de standpunten van het Europees Parlement en van de Raad van Ministers, met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad van Ministers of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen, overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerp-tekst.

6. De Europese Commissie neemt deel aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité en neemt alle initiatieven die nodig zijn om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad van Ministers nader tot elkaar te brengen.

7. Indien het bemiddelingscomité binnen de in lid 5 bedoelde termijn van eenentwintig dagen een gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad van Ministers na deze datum ieder over een termijn van veertien dagen om de gemeenschappelijke ontwerptekst aan te nemen, waarbij het Europees Parlement besluit met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen wat het Europees Parlement betreft en de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

8. Indien het bemiddelingscomité binnen de in lid 5 bedoelde termijn van eenentwintig dagen geen gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, of indien de Raad van Ministers de gemeenschappelijke ontwerptekst afwijst, kan het Europees Parlement, binnen een termijn van veertien dagen, met een meerderheid van de stemmen van zijn leden en met drievijfde van het aantal uitgebrachte stemmen zijn amendementen bevestigen. Indien het amendement van het Parlement niet wordt bevestigd, wordt het standpunt van de Raad van Ministers voor de begrotingspost waarvoor dat amendement is ingediend, geacht te zijn aangenomen.

Indien het Parlement de gemeenschappelijke ontwerp-tekst met meerderheid van de stemmen van zijn leden en met drievijfde van het aantal uitgebrachte stemmen afwijst, kan het verzoeken dat hem een nieuwe ontwerpbegroting wordt voorgelegd.

9. Wanneer de in dit artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert de voorzitter van het Europees Parlement dat de Europese begrotingswet definitief is vastgesteld.

Artikel III-311

1. Indien bij het begin van een begrotingsjaar geen Europese begrotingswet is vastgesteld, kunnen de uitgaven maandelijks worden verricht per hoofdstuk of per andere afdeling, overeenkomstig de bepalingen van de in artikel III-318 bedoelde Europese wet, zonder dat zij een twaalfde der bij de Europese begrotingswet van het vorige begrotingsjaar opgenomen kredieten mogen overschrijden en zonder dat deze maatregel tot gevolg mag hebben, dat de Europese Commissie meer dan een twaalfde van de kredieten van de voorliggende ontwerp-begroting ter beschikking krijgt.

2. De Raad van Ministers kan, op voorstel van de Europese Commissie en met inachtneming van de overige in lid 1 gestelde voorwaarden, een Europees besluit vaststellen waarbij uitgaven van meer dan een twaalfde worden toegestaan. De Raad van Ministers zendt dit besluit onverwijld aan het Europees Parlement.

Dit Europees besluit voorziet op het gebied van de middelen in de nodige maatregelen voor de toepassing van dit artikel.

Het wordt van kracht op de dertigste dag volgende op die van zijn aanneming indien het Europees Parlement binnen die termijn niet met meerderheid van de stemmen van zijn leden besluit die uitgaven te verminderen.

Artikel III-312

Onder de voorwaarden die worden vastgesteld bij de in artikel III-318 bedoelde Europese wet, kunnen de kredieten welke aan het einde van het begrotingsjaar ongebruikt zijn gebleven, worden overgedragen uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar, voorzover deze kredieten niet betrekking hebben op personeelsuitgaven.

De kredieten worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven worden gegroepeerd naar hun aard en bestemming en onderverdeeld overeenkomstig de in artikel III-318 bedoelde Europese wet.

De uitgaven van het Europees Parlement, van de Raad van Ministers, van de Europese Commissie en van het Hof van Justitie worden als afzonderlijke afdelingen in de begroting opgenomen, onverminderd een speciale regeling voor bepaalde gemeenschappelijke uitgaven.

AFDELING 3

De uitvoering van de begroting en de kwijting

Artikel III-313

De Europese Commissie voert de begroting uit in samenwerking met de lidstaten, overeenkomstig de in artikel III-318 bedoelde Europese wet, onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens datzelfde beginsel worden gebruikt.

Bij de in artikel III-318 bedoelde Europese wet worden de controle- en auditverplichtingen van de lidstaten bij de uitvoering van de begroting en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden vastgesteld.

Bij de in artikel III-318 bedoelde Europese wet worden de verantwoordelijkheden en de nadere bepalingen betreffende de inbreng van iedere instelling bij de uitvoering van haar eigen uitgaven, vastgesteld.

Binnen de begroting kan de Europese Commissie, met inachtneming van de grenzen en de voorwaarden bepaald in de in artikel III-318 bedoelde Europese wet, kredieten overschrijven hetzij van het ene hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderafdeling naar de andere.

Artikel III-314

De Europese Commissie legt elk jaar aan het Europees Parlement en aan de Raad van Ministers de rekeningen over het afgelopen begrotingsjaar voor welke betrekking hebben op de uitvoering van de begroting. Bovendien doet zij hun een financiële balans van de activa en passiva van de Unie toekomen.

De Europese Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad van Ministers ook een evaluatieverslag over de financiën van de Unie in, waarin de bereikte resultaten worden getoetst aan de door het Europees Parlement en de Raad van Ministers krachtens artikel III-315 verstrekte aanwijzingen.

Artikel III-315

1. Op aanbeveling van de Raad van Ministers verleent het Europees Parlement aan de Europese Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad van Ministers, de rekeningen, de financiële balans en het evaluatieverslag genoemd in artikel III-314, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel III-290, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.

2. Alvorens kwijting te verlenen aan de Europese Commissie of voor enig ander doel in verband met de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie inzake de uitvoering van de begroting, kan het Europees Parlement de Commissie verzoeken verantwoording af te leggen ter zake van de uitvoering van de uitgaven of de werking van de financiële controlestelsels. De Commissie verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle nodige inlichtingen.

3. De Europese Commissie stelt alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen in de kwijtingsbesluiten en aan andere opmerkingen van het Europees Parlement over de uitvoering van de uitgaven, alsook aan de opmerkingen waarvan de door de Raad van Ministers aangenomen aanbevelingen tot kwijting vergezeld gaan.

4. Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad van Ministers brengt de Europese Commissie verslag uit over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van deze opmerkingen, met name over de instructies die zijn gegeven aan de diensten die met de uitvoering van de begroting zijn belast. Deze verslagen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.

AFDELING 4

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel III-316

Het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begroting luiden in euro.

Artikel III-317

De Europese Commissie kan, onder voorbehoud dat zij daarvan de bevoegde instanties der betrokken staten in kennis stelt, de saldi, welke zij in de valuta van een der lidstaten in haar bezit heeft, overmaken in de valuta van een andere lidstaat, voorzover zij gebruikt moeten worden voor de doeleinden die in dit Verdrag zijn aangewezen. De Commissie vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk, indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta waaraan zij behoefte heeft.

De Europese Commissie onderhoudt de betrekkingen met iedere van de betrokken lidstaten door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen heeft zij toegang tot de centrale bank van de betrokken lidstaat of tot een andere door deze staat gemachtigde financiële instelling.

Artikel III-318

1. De Europese wet

a) stelt de financiële regels vast waarbij met name de wijze wordt vastgesteld waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd, alsmede de wijze waarop rekening en verantwoording wordt gedaan en de rekeningen worden nagezien;

b) stelt de regels vast en organiseert de controle betreffende de verantwoordelijkheid der financiële controleurs, ordonnateurs en rekenplichtigen.

De Europese wet wordt vastgesteld na raadpleging van de Rekenkamer.

2. De Raad van Ministers stelt op voorstel van de Europese Commissie een Europese verordening vast waarbij de regels en de procedure worden vastgesteld volgens welke de budgettaire ontvangsten waarin het stelsel der eigen middelen van de Unie voorziet, ter beschikking van de Commissie worden gesteld, alsmede de maatregelen welke moeten worden toegepast om, in voorkomend geval, te voorzien in de behoefte aan kasmiddelen. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement en de Rekenkamer.

3. De Raad van Ministers besluit in alle in dit artikel bedoelde gevallen tot 1 januari 2007 met eenparigheid van stemmen.

Artikel III-319

Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie zien erop toe dat de financiële middelen waarmee de Unie haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen, beschikbaar zijn.

Artikel III-320

In het kader van de in dit hoofdstuk bedoelde begrotingsprocedures roept de Europese Commissie regelmatig de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie bijeen. De voorzitters nemen alle maatregelen die nodig zijn om het overleg te bevorderen en de standpunten van de instellingen dichter bij elkaar te brengen om de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk te vergemakkelijken.

AFDELING 5

Fraudebestrijding

Artikel III-321

1. De Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel vast te stellen maatregelen. Deze maatregelen moeten afschrikkend werken en in de lidstaten een doeltreffende bescherming bieden.

2. De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.

3. Onverminderd de andere bepalingen van de Grondwet coördineren de lidstaten hun optreden om de financiële belangen van de Unie tegen fraude te beschermen. Zij organiseren daartoe samen met de Europese Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten.

4. Bij de Europese wet of kaderwet worden de nodige maatregelen vastgesteld op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, om in de lidstaten een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden. De wet wordt vastgesteld na raadpleging van de Rekenkamer.

5. De Europese Commissie brengt in samenwerking met de lidstaten jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad van Ministers verslag uit over de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde maatregelen en bepalingen.

Hoofdstuk III

NAUWERE SAMENWERKING

Artikel III-322

Bij de voorgenomen nauwere samenwerking worden de Grondwet en het recht van de Unie in acht genomen.

De voorgenomen nauwere samenwerking mag geen afbreuk doen aan de interne markt, noch aan de economische, sociale en territoriale samenhang. Zij mag geen belemmering of discriminatie in de handel tussen de lidstaten vormen, en zij mag de mededinging tussen de lidstaten niet verstoren.

Artikel III-323

De voorgenomen nauwere samenwerking eerbiedigt de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van de lidstaten die er niet aan deelnemen. De niet-deelnemende lidstaten belemmeren niet de uitvoering ervan door de deelnemende lidstaten.

Artikel III-324

1. Nauwere samenwerking staat open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan, mits de deelnemingsvoorwaarden worden nageleefd die bij het Europese machtigingsbesluit eventueel zijn vastgesteld. Deelneming is ook op ieder ander tijdstip mogelijk, mits, afgezien van de bovengenoemde eventuele voorwaarden, de in dit kader reeds vastgestelde handelingen worden nageleefd.

De Europese Commissie en de lidstaten die aan een nauwere samenwerking deelnemen, zien erop toe dat de deelname van zo veel mogelijk lidstaten wordt vergemakkelijkt.

2. De Europese Commissie en in voorkomend geval de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie houden alle leden van de Raad van Ministers, alsmede het Europees Parlement op de hoogte van de ontwikkeling van de nauwere samenwerking.

Artikel III-325

1. De lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan op een van de gebieden die onder de Grondwet vallen, met uitzondering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, richten een verzoek tot de Europese Commissie, met opgave van de werkingssfeer en de met de voorgenomen nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen. De Commissie kan bij de Raad van Ministers een voorstel in die zin kan indienen. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvan mee aan de betrokken lidstaten.

De machtiging om een nauwere samenwerking aan te gaan, wordt verleend bij een Europees besluit van de Raad van Ministers, die op voorstel van de Europese Commissie en na goedkeuring van het Europees Parlement handelt.

2. In het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid richten de lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan, een verzoek tot de Raad van Ministers. Het verzoek wordt doorgezonden naar de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie die advies uitbrengt over de samenhang van de nauwere samenwerking met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, alsmede naar de Europese Commissie die advies uitbrengt over met name de samenhang van de voorgenomen nauwere samenwerking met het beleid van de Unie op andere gebieden. Het verzoek wordt ter informatie ook toegezonden aan het Europees Parlement.

De machtiging tot nauwere samenwerking wordt verleend bij een Europees besluit van de Raad van Ministers.

Artikel III-326

1. Een lidstaat die op een van de in artikel III-325, lid 1, genoemde gebieden aan nauwere samenwerking wil deelnemen, stelt de Raad van Ministers en de Europese Commissie van dit voornemen op de hoogte.

Binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving bevestigt de Europese Commissie de deelname van de betrokken lidstaat. Zij stelt, in voorkomend geval, vast dat aan de voorwaarden tot deelname is voldaan en stelt de door haar nodig geachte overgangsmaatregelen vast voor de toepassing van de reeds in het kader van de nauwere samenwerking vastgestelde handelingen.

Is de Europese Commissie evenwel van mening dat aan de eventuele voorwaarden voor deelname niet is voldaan is, dan geeft zij aanwijzingen omtrent de te nemen maatregelen opdat aan deze voorwaarden wel kan worden voldaan, en stelt zij een termijn vast waarbinnen zij de aanvraag tot deelname opnieuw in overweging zal nemen. Zij neemt de aanvraag opnieuw in overweging overeenkomstig de in de voorgaande alinea omschreven procedure. Indien de Commissie van oordeel is dat aan de eventuele voorwaarden voor deelname nog steeds niet is voldaan, kan de betrokken lidstaat de kwestie voorleggen aan de Raad van Ministers die, overeenkomstig artikel I-43, lid 3, besluit. De Raad kan ook, op voorstel van de Commissie, de in de tweede alinea bedoelde overgangsmaatregelen vaststellen.

2. Iedere lidstaat die aan een nauwere samenwerking wil deelnemen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, stelt de Raad van Ministers, de minister van Buitenlandse Zaken en de Europese Commissie van dit voornemen op de hoogte.

De Raad van Ministers bevestigt de deelname van de betrokken lidstaat, na de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie te hebben geraadpleegd. Hij constateert, in voorkomend geval, dat aan de voorwaarden tot deelname voldaan is. De Raad van Ministers kan ook op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie de overgangsbepalingen vaststellen die hij dienstig acht voor de toepassing van de besluiten die al zijn vastgesteld in het kader van de nauwere samenwerking. Is de Raad van Ministers evenwel van mening dat aan de eventuele voorwaarden voor deelname niet voldaan is, dan geeft hij aanwijzingen omtrent de te nemen maatregelen opdat aan deze voorwaarden wel kan worden voldaan, en stelt hij een termijn vast waarbinnen hij de aanvraag tot deelname opnieuw in overweging zal nemen.

Voor de toepassing van dit lid besluit de Raad van Ministers overeenkomstig artikel I-43, lid 3.

Artikel III-327

De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van een nauwere samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste van de deelnemende lidstaten, tenzij de Raad van Ministers, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen van al zijn leden anders besluit.

Artikel III-328

Indien krachtens een bepaling van de Grondwet die in het kader van nauwere samenwerking kan worden toegepast, de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen besluit, kan de Raad met eenparigheid van stemmen overeenkomstig het bepaalde in artikel I-43, lid 3, eigener beweging besluiten dat hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zal besluiten.

Indien krachtens een bepaling van de Grondwet die in het kader van nauwere samenwerking kan worden toegepast, de Raad van Ministers Europese wetten of kaderwetten volgens een bijzondere wetgevingsprocedure vaststelt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen overeenkomstig het bepaalde in artikel I-43, lid 3, eigener beweging besluiten dat hij volgens de gewone wetgevingsprocedure zal besluiten. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-329

De Raad van Ministers en de Europese Commissie zorgen ervoor dat de in het kader van een nauwere samenwerking genomen maatregelen coherent zijn, zowel onderling als met het beleid van de Unie, en werken daartoe samen.

TITEL VII

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel III-330

Gezien de structurele economische en sociale situatie van de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van enkele producten, welke factoren door hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, stelt de Raad van Ministers, op voorstel van de Europese Commissie, Europese verordeningen en besluiten vast die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van de Grondwet, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen. De Raad van Ministers besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

De in de eerste alinea bedoelde maatregelen hebben met name betrekking op het douane- en handelsbeleid, het fiscaal beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen en tot horizontale programma's van de Unie.

De Raad van Ministers neemt de in de eerste alinea bedoelde maatregelen aan, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden en zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de rechtsorde van de Unie, met inbegrip van de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.

Artikel III-331

De Grondwet laat de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet.

Artikel III-332

In elk der lidstaten heeft de Unie de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Europese Commissie vertegenwoordigd. Voor aangelegenheden die verband houden met de werking van de respectieve instellingen wordt de Unie evenwel door iedere instelling vertegenwoordigd, uit hoofde van hun administratieve zelfstandigheid.

Artikel III-333

Het statuut van de ambtenaren van de Unie, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, worden bij Europese wet vastgesteld. De wet wordt vastgesteld na raadpleging van de betrokken instellingen.

Artikel III-334

Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Europese Commissie, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die bij een door de Raad van Ministers aangenomen Europese verordening of Europees besluit zijn vastgesteld, alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten.

Artikel III-335

1. Onverminderd artikel 5 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank worden de maatregelen voor de opstelling van statistieken, wanneer zulks voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap Unie nodig is, vastgesteld bij een Europese wet of kaderwet.

2. De productie van communautaire statistieken geschiedt op basis van onpartijdigheid, betrouwbaarheid, objectiviteit, wetenschappelijke onafhankelijkheid, kosteneffectiviteit en statistische geheimhouding; het mag geen buitensporige lasten voor de economische actoren met zich brengen.

Artikel III-336

De leden van de instellingen en organen van de Unie, de leden van de comités, alsmede de ambtenaren en personeelsleden van de Unie zijn gehouden, zelfs na afloop van hun functie, de inlichtingen die naar hun aard vallen onder de geheimhoudingsplicht en met name de inlichtingen betreffende de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen van hun kostprijzen, niet openbaar te maken.

Artikel III-337

De contractuele aansprakelijkheid van de Unie wordt beheerst door het recht dat op het betrokken contract van toepassing is.

Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Unie overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

De tweede alinea is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de schade die door de Europese Centrale Bank of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

De persoonlijke aansprakelijkheid der personeelsleden jegens de Unie wordt geregeld bij de bepalingen welke hun statuut of de op hen toepasselijke regeling vaststellen.

Artikel III-338

De zetel van de instellingen van de Unie wordt in onderlinge overeenstemming door de regeringen der lidstaten vastgesteld.

Artikel III-339

De Raad van Ministers stelt met eenparigheid van stemmen een Europese verordening vast houdende regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Unie, onverminderd het statuut van het Hof van Justitie.

Artikel III-340

De Unie geniet, overeenkomstig de bepalingen van het aan dit Verdrag gehechte Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak. Dit zelfde geldt voor de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank.

Artikel III-341

De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, worden door de bepalingen van deze Grondwet niet aangetast.

Voorzover deze overeenkomsten niet verenigbaar zijn met de Grondwet maken de betrokken lidstaat of lidstaten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde onverenigbaarheid op te heffen. Indien nodig verlenen de lidstaten elkaar bijstand teneinde dat doel te bereiken en volgen in voorkomende gevallen een gemeenschappelijke gedragslijn.

Bij de toepassing van de overeenkomsten, bedoeld in de eerste alinea, houden de lidstaten rekening met het feit dat de voordelen door iedere lidstaat in de Grondwet toegestaan, een wezenlijk bestanddeel uitmaken van de Unie en dientengevolge onverbrekelijk verbonden zijn met de oprichting van gemeenschappelijke instellingen, met het toekennen van bevoegdheden aan die instellingen en met het verlenen van dezelfde voordelen door de overige lidstaten.

Artikel III-342

1. De Grondwet vormt geen beletsel voor de volgende regels:

a) geen enkele lidstaat is gehouden inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid;

b) elke lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden.

2. De Raad van Ministers kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Europese Commissie een Europees besluit vaststellen tot wijziging van de lijst van de producten waarop de bepalingen van lid 1, onder b), van toepassing zijn, die hij op 15 april 1958 heeft vastgesteld.

DEEL IV

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel IV-1

De symbolen van de Unie(4)

De vlag van de Unie stelt een cirkel van twaalf gouden sterren op een blauw veld voor.

De hymne van de Unie is ontleend aan de "Ode aan de Vreugde" uit de negende symfonie van Ludwig van Beethoven.

Het devies van de Unie luidt: Eenheid in verscheidenheid.

De munt van de Unie is de euro.

De negende mei wordt in de gehele Unie als de "Dag van Europa" gevierd.

Artikel IV-2

Intrekking van de vorige verdragen

Op de datum van inwerkingtreding van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet worden ingetrokken, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsmede de Akten en Verdragen waarbij deze zijn gewijzigd of aangevuld en die zijn opgenomen in het aan het verdrag tot vaststelling van de Grondwet gehechte Protocol.

Artikel IV-3

Juridische continuïteit ten aanzien van de Europese Gemeenschap en de Europese Unie

De Europese Unie treedt in de plaats van de Europese Gemeenschap en de Unie voor alle rechten en verplichtingen daarvan, hetzij intern hetzij uit internationale overeenkomsten voortvloeiende, die vóór de inwerkingtreding van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet ontstaan zijn krachtens eerdere verdragen, protocollen en akten, met inbegrip van alle activa en passiva van de Gemeenschap en de Unie, alsmede hun archieven.

De bepalingen van de krachtens de in de eerste alinea genoemde verdragen en akten vastgestelde handelingen van de vaststellingen van de Unie blijven van kracht volgens de voorwaarden van het aan het verdrag tot vaststelling van de Grondwet gehechte protocol. De jurisprudentie van het Hof van Justitie blijft gelden als bron voor de uitlegging van het recht van de Unie.

Artikel IV-4

Territoriaal toepassingsgebied

1. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet is van toepassing op het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en ...

2. Krachtens artikel III-329 van Deel III is het verdrag tot vaststelling van de Grondwet van toepassing op de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

3. De landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage II aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, vormen het onderwerp van de bijzondere associatieregeling omschreven in titel IV van het derde deel van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet.

Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet is niet van toepassing op de landen en gebieden overzee die met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bijzondere betrekkingen onderhouden, die niet op bovengenoemde lijst voorkomen.

4. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet is van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd.

5. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet is van toepassing op de Åland-eilanden, overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

6. In afwijking van de voorgaande leden:

a) is het verdrag tot vaststelling van de Grondwet niet van toepassing op de Faeröer;

b) is het verdrag tot vaststelling van de Grondwet niet van toepassing op de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen;

c) zijn de bepalingen van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voorzover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel IV-5

Regionale unies

Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet vormt geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voorzover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door toepassing van genoemd verdrag.

Artikel IV-6

Protocollen

De aan onderhavig verdrag gehechte protocollen maken een integrerend deel daarvan uit.

Artikel IV-7

Procedure voor de herziening van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet

1. De regering van iedere lidstaat, het Europees Parlement en de Europese Commissie kunnen aan de Raad van Ministers ontwerpen voorleggen tot herziening van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet. Deze ontwerpen worden ter kennis gebracht van de nationale parlementen van de lidstaten.

2. Indien de Europese Raad, na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Commissie, bij gewone meerderheid ermee instemt dat de voorgestelde wijzigingen worden besproken, roept de voorzitter van de Europese Raad een Conventie bijeen die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de lidstaten, de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie. Ook de Europese Centrale Bank wordt geraadpleegd in geval van institutionele wijzigingen op monetair gebied. De Europese Raad kan bij gewone meerderheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement, besluiten de Conventie niet bijeen te roepen indien de reikwijdte van de wijzigingen bijeenroeping niet rechtvaardigt. In dit laatste geval stelt de Europese Raad het mandaat van de Conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten vast.

De Conventie buigt zich over de ontwerpen tot herziening en neemt bij consensus een aanbeveling aan de in lid 3 genoemde Conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten aan.

3. De Conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten wordt door de voorzitter van de Raad van Ministers bijeengeroepen, teneinde in onderlinge overeenstemming de in het verdrag tot vaststelling van de Grondwet aan te brengen wijzigingen vast te stellen.

De wijzigingen treden in werking nadat zij door alle lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn bekrachtigd.

4. Indien vier vijfden van de lidstaten het verdrag houdende wijziging van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet twee jaar na de ondertekening ervan hebben bekrachtigd en een of meer lidstaten moeilijkheden bij de bekrachtiging hebben ondervonden, behandelt de Europese Raad de zaak.

Artikel IV-8

Aanneming, bekrachtiging en inwerkingtreding van het verdrag tot vaststelling van de Grondwet

1. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Italiaanse Republiek.

2. Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet treedt in werking op ..., mits alle akten van bekrachtiging zijn nedergelegd, of bij gebreke daarvan op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende staat die als laatste deze handeling verricht.

Artikel IV-9

Duur

Het verdrag tot vaststelling van de Grondwet wordt voor onbeperkte tijd gesloten.

Artikel IV-10

Talen(5)

Dit verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, [de Tsjechische, de Estische, de Letse, de Litouwse, de Hongaarse, de Maltese, de Poolse, de Slowaakse en de Sloveense taal] zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten.

(1) Deze bijlage, die overeenkomt met bijlage I van het EG-Verdrag, wordt nog opgesteld.

(2) Deze bijlage, die overeenkomt met bijlage II van het EG-Verdrag, wordt nog opgesteld.

(3) Verklaring inzake de oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden.

(4) De Conventie is van oordeel dat dit artikel eigenlijk thuishoort in Deel I.

(5) Dit artikel zal overeenkomstig de Toetredingsakte moeten worden aangepast.

PROTOCOL BETREFFENDE DE ROL VAN DE NATIONALE PARLEMENTEN IN DE EUROPESE UNIE

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

ERAAN HERINNEREND dat de wijze waarop de afzonderlijke nationale parlementen de controle uitoefenen op hun eigen regering met betrekking tot de activiteiten van de Unie, valt onder de eigen constitutionele inrichting en praktijk van de lidstaten,

GELEID DOOR DE WENS om evenwel een grotere betrokkenheid van de nationale parlementen bij de activiteiten van de Europese Unie te stimuleren en hun betere mogelijkheden te bieden om hun zienswijze te uiten over de wetgevingsvoorstellen en over andere aangelegenheden die voor hen van bijzonder belang kunnen zijn,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan de Grondwet worden gehecht:

I. Informatie voor de nationale parlementen van de lidstaten

1. Alle discussiedocumenten van de Europese Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) worden bij hun publicatie rechtstreeks door de Commissie aan de nationale parlementen van de lidstaten toegezonden. Tevens zendt de Commissie het jaarlijkse wetgevingsprogramma en alle andere wetgevingsvoorstellen en teksten met betrekking tot beleidsstrategie die zij eventueel indient bij het Europees Parlement en de Raad van Ministers, tegelijkertijd toe aan de nationale parlementen van de lidstaten.

2. Alle tot het Europees Parlement en de Raad van Ministers gerichte wetgevingsvoorstellen worden tegelijkertijd aan de nationale parlementen van de lidstaten toegezonden.

3. De nationale parlementen van de lidstaten kunnen de voorzitter van het Europees Parlement, van de Raad van Ministers en van de Europese Commissie een met redenen omkleed advies toezenden betreffende de overeenstemming van een wetgevingsvoorstel met het subsidiariteitsbeginsel, volgens de procedure van het protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.

4. Er dient een periode van zes weken te verstrijken tussen het ogenblik waarop een wetgevingsvoorstel door de Europese Commissie aan het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de nationale parlementen van de lidstaten in de officiële talen van de Europese Unie beschikbaar wordt gesteld, en de datum waarop het met het oog op de vaststelling ervan of op de vaststelling van een standpunt in het kader van een wetgevingsprocedure op de agenda van de Raad van Ministers wordt geplaatst, behoudens uitzonderingen vanwege de urgentie van de zaak, waarvoor de redenen in de handeling of het standpunt van de Raad van Ministers moeten worden aangegeven. Behalve in naar behoren gemotiveerde dringende gevallen kan tijdens deze zes weken niet worden vastgesteld dat er over een wetgevingsvoorstel een akkoord bestaat. Tussen de plaatsing van een voorstel op de agenda van de Raad van Ministers en de vaststelling van diens standpunt moeten tien dagen verstrijken.

5. De agenda's en de resultaten van de Raadszittingen, waaronder begrepen de notulen van de Raadszittingen waarin over wetgevingsvoorstellen is beraadslaagd, worden rechtstreeks meegedeeld aan de nationale parlementen van de lidstaten, tegelijkertijd met de toezending aan de regeringen van de lidstaten.

6. Indien de Europese Raad artikel I-24, lid 4, eerste alinea, van de Grondwet wil toepassen, worden de nationale parlementen op de hoogte gebracht voordat een beslissing wordt genomen.

Indien de Europese Raad artikel I-24, lid 4, eerste alinea, wil toepassen, worden de nationale parlementen ten minste vier maanden voordat een beslissing wordt genomen, op de hoogte gebracht.

7. De Rekenkamer zendt haar jaarverslag ter informatie toe aan de nationale parlementen van de lidstaten, tegelijkertijd met de toezending ervan aan het Europees Parlement en de Raad van Ministers.

8. Betreft het nationale parlementen met een tweekamerstelsel, dan gelden deze bepalingen voor beide kamers.

II. Samenwerking tussen parlementen

9. Het Europees Parlement en de nationale parlementen onderzoeken samen hoe binnen de Europese Unie de samenwerking tussen de verschillende parlementen op efficiënte en regelmatige wijze georganiseerd en gestimuleerd kan worden.

10. De Conferentie van commissies voor Europese aangelegenheden kan iedere door haar passend geachte bijdrage ter attentie van het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie leveren. Deze Conferentie bevordert voorts de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de parlementen van de lidstaten en het Europees Parlement, alsook tussen hun respectieve gespecialiseerde commissies. De Conferentie kan ook interparlementaire conferenties over specifieke onderwerpen organiseren, met name om vraagstukken op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te bespreken. De bijdragen van de Conferentie binden de nationale parlementen niet en laten hun standpunt onverlet.

PROTOCOL BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE BEGINSELEN VAN SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

GELEID DOOR DE WENS ervoor te zorgen dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers van de Unie worden genomen;

VASTBESLOTEN de voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van artikel I-9 van de Grondwet en een systeem in te stellen voor toezicht op de toepassing van deze beginselen door de instellingen;

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan de Grondwet worden gehecht:

1. Elke instelling draagt er voortdurend zorg voor dat het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel van artikel I-9 van de Grondwet in acht worden genomen.

2. Alvorens een wetgevingshandeling voor te stellen, gaat de Europese Commissie over tot brede raadplegingen. Dit overleg moet, waar nodig, rekening houden met de regionale en lokale dimensie van het beoogde optreden. In buitengewoon dringende gevallen gaat de Commissie niet over tot raadpleging. Zij motiveert haar beslissing in haar voorstel.

3. De Europese Commissie zendt de wetgevingsvoorstellen en gewijzigde voorstellen gelijktijdig toe aan de nationale parlementen van de lidstaten en aan de wetgever van de Unie. De wetgevingsresoluties van het Europees Parlement en de standpunten van de Raad van Ministers worden, zodra zij zijn aangenomen of vastgesteld, door de betrokken instelling aan de nationale parlementen van de lidstaten toegezonden.

4. De Europese Commissie motiveert haar voorstel in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Aan elk wetgevingsvoorstel wordt een subsidiariteits- en evenredigheidsmemorandum gehecht, met een uitgebreide toelichting van de elementen op basis waarvan de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid kan worden beoordeeld. Dat memorandum moet elementen bevatten waarmee de financiële gevolgen van het voorstel kunnen worden beoordeeld, alsook - in het geval van een kaderwet - het effect ervan op de door de lidstaten vast te stellen regelgeving, inclusief - waar toepasselijk - de regionale regelgeving. De redenen voor de conclusie dat een doelstelling van de Unie beter bereikt kan worden door de Unie moeten met kwalitatieve of, zo mogelijk, kwantitatieve indicatoren worden gestaafd. De Commissie houdt er rekening mee dat alle, financiële of administratieve, lasten voor de Unie, de nationale regeringen, de regionale of lokale overheden, het bedrijfsleven en de burgers tot een minimum moeten worden beperkt en in verhouding moeten staan tot het te bereiken doel.

5. De nationale parlementen van de lidstaten of afzonderlijke kamers van een nationaal parlement kunnen binnen een termijn van zes weken vanaf de datum van toezending van het wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie, aan de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Commissie een gemotiveerd advies toezenden over de redenen waarom zij menen dat het betrokken voorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. De nationale parlementen of afzonderlijke kamers van een nationaal parlement raadplegen, waar van toepassing, de regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid.

6. Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie houden rekening met de gemotiveerde adviezen die de nationale parlementen van de lidstaten of een kamer van die parlementen tot hen richten.

De nationale parlementen van de lidstaten met een parlementair éénkamerstelsel beschikken over twee stemmen, en de afzonderlijke kamers in een parlementair tweekamerstelsel over één stem.

Indien gemotiveerde adviezen waarin wordt gesteld dat een Commissievoorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, ten minste eenderde van alle stemmen van de nationale parlementen van de lidstaten en van de afzonderlijke kamers van de nationale parlementen vertegenwoordigen, moet de Commissie haar voorstel opnieuw bezien. Deze drempel bedraagt ten minste eenvierde van alle stemmen indien het een voorstel van de Commissie betreft of een initiatief van een groep lidstaten in het kader van artikel III-165 van de Grondwet, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

Op grond van die heroverweging kan de Commissie besluiten haar voorstel te handhaven, te wijzigen of in te trekken. De Commissie motiveert haar besluit.

7. Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van elk beroep wegens schending door een wetgevingshandeling van het subsidiariteitsbeginsel, dat op de wijze als aangegeven in artikel III-270 van de Grondwet wordt ingesteld door de lidstaten, of door de lidstaten in overeenstemming met de nationale rechtsorde wordt toegezonden namens hun nationaal parlement of een kamer van dat parlement.

Uit hoofde van ditzelfde artikel van de Grondwet kan ook het Comité van de Regio's een dergelijk beroep instellen ten aanzien van wetgevingshandelingen voor de vaststelling waarvan het krachtens de Grondwet moet worden geraadpleegd.

8. De Europese Commissie brengt jaarlijks aan de Europese Raad, aan het Europees Parlement, aan de Raad van Ministers en aan de nationale parlementen van de lidstaten verslag uit over de toepassing van artikel I-9 van de Grondwet. Dit jaarverslag wordt ook aan het Comité van de Regio's en aan het Economisch en Sociaal Comité toegezonden.

PROTOCOL INZAKE DE VERTEGENWOORDIGING VAN DE BURGERS IN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE STEMMENWEGING IN DE EUROPESE RAAD EN IN DE RAAD VAN MINISTERS

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

HEBBEN de volgende bepalingen VASTGESTELD, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Bepalingen betreffende het Europees Parlement

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Artikel 2

Bepalingen betreffende de weging van de stemmen in de Europese Raad en in de Raad van Ministers

1. De volgende bepalingen zijn van kracht tot 1 november 2009, onverminderd artikel I-24 van de Grondwet.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De besluiten komen tot stand, wanneer zij ten minste 232 stemmen hebben verkregen en de meerderheid van de leden voorstemt, indien zij krachtens de Grondwet moeten worden genomen op voorstel van de Commissie. In de overige gevallen komen de besluiten tot stand wanneer zij ten minste 232 stemmen hebben verkregen en ten minste tweederde van de leden voorstemmen.

Een lid van de Europese Raad of van de Raad van Ministers kan verlangen dat, in de gevallen waarin de Europese Raad of de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid besluit, wordt nagegaan of de lidstaten welke die gekwalificeerde meerderheid vormen ten minste 62 % van de totale bevolking van de Unie vertegenwoordigen. Indien blijkt dat niet aan deze voorwaarde is voldaan, is het besluit niet vastgesteld.

2. Voor latere toetredingen wordt de in het vorige lid bedoelde drempel zo berekend, dat de drempel van de in stemmen uitgedrukte gekwalificeerde meerderheid niet hoger ligt dan die welke volgt uit de tabel in de verklaring betreffende de uitbreiding van de Europese Unie, die opgenomen is in de slotakte van de Conferentie die het Verdrag van Nice heeft vastgesteld.

PROTOCOL BETREFFENDE DE EUROGROEP

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

VERLANGEND de voorwaarden voor een sterkere economische groei in Europa te bevorderen en daartoe een steeds nauwere coördinatie van het economisch beleid in de eurozone te ontwikkelen,

ZICH ERVAN BEWUST dat er bijzondere bepalingen voor een versterkte dialoog tussen de staten die de euro hebben aangenomen, moeten worden vastgesteld, in afwachting dat alle lidstaten van de Unie tot de eurozone toetreden,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT over de onderstaande bepalingen, die aan de Grondwet worden gehecht:

Artikel 1

De ministers van de lidstaten die de euro hebben aangenomen, vergaderen in informeel verband. De vergaderingen worden, voorzover nodig, gehouden om van gedachten te wisselen over aangelegenheden die verband houden met de specifieke bevoegdheden van de ministers inzake de ene munt. Op deze vergaderingen, die worden voorbereid door de vertegenwoordigers van de ministers van Financiën van de lidstaten die de euro hebben aangenomen, worden de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank uitgenodigd.

Artikel 2

Door de ministers van de lidstaten die de euro hebben aangenomen, wordt met een meerderheid van die lidstaten een voorzitter gekozen voor de duur van tweeëneenhalf jaar.

PROTOCOL HOUDENDE WIJZIGING VAN HET EURATOM-VERDRAG

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

ERAAN HERINNEREND hoe belangrijk het is dat de rechtsgevolgen van de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ten volle bewaard blijven,

VERLANGEND evenwel om dat verdrag aan te passen aan de nieuwe bepalingen van het verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, met name op institutioneel en financieel gebied,

HEBBEN onderstaande bepalingen VASTGESTELD, die worden gehecht aan het verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en die het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie als volgt wijzigen:

Artikel 1

Artikel 3 wordt ingetrokken.

Artikel 2

Het opschrift van titel III "Institutionele bepalingen" wordt vervangen door het opschrift "Institutionele en financiële bepalingen".

Artikel 3

1. Artikel 107 wordt vervangen door de volgende tekst:

"Artikel 107

Onverminderd de specifieke bepalingen van de artikelen 134, 135, 144, 145, 157, 171, 172, 174 en 176, zijn de institutionele en financiële bepalingen (artikelen I-18 tot en met I-38, artikelen I-52 tot en met I-55 en artikelen III-227 tot en met III-316) en artikel I-58 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa van toepassing in het kader van het onderhavige verdrag."

2. De artikelen 107A tot en met 133, 136 tot en met 143, 146 tot en met 156, 158 tot en met 170, 173, 173 bis, 175, 177 tot en met 183 bis worden ingetrokken.

Artikel 4

Het opschrift van titel IV "Financiële bepalingen" wordt vervangen door het opschrift:

"Bijzondere financiële bepalingen".

Artikel 5

In de artikelen 38, derde alinea, en 82, derde alinea, worden de verwijzingen naar de artikelen 141 en 142 vervangen door respectievelijk de artikelen III-265 en III-266 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

In de artikelen 171, lid 2, 175, eerste alinea, en 176, lid 3, wordt artikel 183 vervangen door artikel III-318 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

In artikel 172, lid 4, wordt artikel 177, lid 5, vervangen door artikel III-310 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

In de artikelen 18, laatste alinea, en 83, lid 2, wordt artikel 164 vervangen door artikel III-307 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

In de artikelen 38 en 82 wordt het woord "richtlijn" vervangen door "Europees besluit".

In het Verdrag wordt het woord "besluit" vervangen door "Europees besluit".

Artikel 6

Artikel 190 wordt vervangen door de volgende tekst:"De regeling van het taalgebruik door de vaststellingen wordt, onverminderd de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie, door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld."

Artikel 7

Artikel 198 wordt als volgt gewijzigd:

"a) is dit Verdrag niet van toepassing op de Faeröer;"

Artikel 8

Artikel 201 wordt als volgt gewijzigd:"De Gemeenschap brengt met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling een nauwe samenwerking tot stand welke zal plaatsvinden op de wijze die in onderlinge overeenstemming wordt vastgesteld."

Artikel 9

Artikel 206 wordt als volgt gewijzigd:"De Gemeenschap kan met een of meer staten of internationale organisaties akkoorden sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.

Die akkoorden worden gesloten door de Raad van Ministers krachtens een na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen genomen besluit.

Wanneer die akkoorden tot wijzigingen van dit Verdrag nopen, moeten die wijzigingen vooraf volgens de procedure van artikel IV-7 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden aangenomen."

Verklaring gehecht aan het Protocol inzake de vertegenwoordiging van de burgers in het Europees Parlement en de stemmenweging in de Europese Raad en in de Raad van Ministers

Het gemeenschappelijk standpunt dat de lidstaten van de Europese Unie tijdens de conferenties betreffende de toetreding van Roemenië en/of Bulgarije tot de Europese Unie zullen innemen over de verdeling van de zetels in het Europees Parlement en de weging van de stemmen in de Europese Raad en in de Raad van Ministers luidt als volgt. In geval van toetreding van Roemenië en/of Bulgarije tot de Europese Unie vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Europese Raad als bedoeld in artikel I-19, lid 2, zal het aantal van hun verkozen vertegenwoordigers in het Europees Parlement worden berekend op basis van de respectieve getallen 33 en 17, gecorrigeerd volgens dezelfde formule als die waardoor het aantal vertegenwoordigers in het Europees Parlement van iedere lidstaat is bepaald, zoals vermeld in het Protocol inzake de vertegenwoordiging van de burgers in het Europees Parlement en de stemmenweging in de Raad van Ministers.

Het verdrag betreffende de toetreding tot de Europese Unie kan bepalen dat het aantal leden van het Europees Parlement in afwijking van artikel I-19, lid 2, van de Grondwet tijdelijk voor de resterende duur van de zittingsperiode 2004-2009 meer dan 736 kan bedragen.

Onverminderd artikel I-24, lid 2, van de Grondwet, is de weging van de stemmen van Roemenië en Bulgarije in de Europese Raad en in de Raad van Ministers tot 1 november 2009 respectievelijk 14 en 10. Bij iedere toetreding besluit de Raad van Ministers over de drempel als bedoeld in het Protocol inzake de vertegenwoordiging van de burgers in het Europees Parlement en de stemmenweging in de Europese Raad en in de Raad van Ministers.

Verklaring inzake de oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden

Om de bij artikel I-27 van de Grondwet genoemde toekomstige minister van Buitenlandse Zaken van de Unie bij de uitoefening van zijn taken bij te staan, erkent de Conventie dat de Raad van Ministers en de Europese Commissie moeten overeenkomen om, onverminderd de rechten van het Europees Parlement, onder het gezag van de minister één gezamenlijke dienst moet worden opgericht (Europese Dienst voor extern optreden) die samengesteld is uit ambtenaren uit de bevoegde diensten van het secretariaat-generaal van de Raad van Ministers en van de Commissie en door de nationale diplomatieke diensten gedetacheerde personeelsleden.

Het personeel van de delegaties van de Unie, zoals omschreven in artikel III-230, is uit deze gezamenlijke dienst afkomstig.

De Conventie is van oordeel dat de voor de oprichting van de gezamenlijke dienst noodzakelijke regelingen in het eerste jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa moeten worden getroffen.

Verklaring bij de slotakte van het verdrag tot vaststelling van de grondwet

Indien viervijfde van de lidstaten het verdrag tot vaststelling van de Grondwet twee jaar na de ondertekening ervan hebben bekrachtigd en een of meer lidstaten moeilijkheden bij de bekrachtiging hebben ondervonden, behandelt de Europese Raad de zaak.

DE EUROPESE CONVENTIE

LEDENLIJST

VOORZITTERSCHAP

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

OVERIGE LEDEN VAN HET PRAESIDIUM

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

LEDEN VAN DE CONVENTIE

VERTEGENWOORDIGERS VAN HET EUROPEES PARLEMENT

de heer Jens-Peter BONDE (DK)

de heer Elmar BROK (D)

de heer Andrew Nicholas DUFF (UK)

de heer Olivier DUHAMEL (F)

de heer Klaus HÄNSCH (D)

mevrouw Sylvia-Yvonne KAUFMANN (D)

de heer Timothy KIRKHOPE (UK)

de heer Alain LAMASSOURE (F)

mevrouw Linda McAVAN (UK)

mevrouw Hanja MAIJ-WEGGEN (NL)

de heer Luís MARINHO (P)

de heer Íñigo MÉNDEZ DE VIGO Y MONTOJO (E)

mevrouw Cristiana MUSCARDINI (I)

de heer Antonio TAJANI (I)

mevrouw Anne VAN LANCKER (B)

de heer Johannes VOGGENHUBER (A)

VERTEGENWOORDIGERS VAN DE COMMISSIE

de heer Michel BARNIER

de heer António VITORINO

VERTEGENWOORDIGERS VAN DE LIDSTATEN

BELGIË/BELGIQUE

Regering

de heer Louis MICHEL

Nationaal parlement

de heer Karel DE GUCHT

de heer Elio DI RUPO

DANMARK

Regering

de heer Henning CHRISTOPHERSEN

Nationaal parlement

de heer Peter SKAARUP

de heer Henrik DAM KRISTENSEN

DEUTSCHLAND

Regering

de heer Joschka FISCHER (heeft in november 2002 de heer Peter GLOTZ vervangen)

Nationaal parlement

de heer Jürgen MEYER

de heer Erwin TEUFEL

ELLAS

Regering

de heer Giorgos PAPANDREOU (heeft in februari 2003 de heer Giorgos KATIFORIS vervangen)

Nationaal parlement

de heer Paraskevas AVGERINOS

mevrouw Marietta GIANNAKOU

ESPAÑA

Regering

de heer Alfonso DASTIS (heeft in september 2002 de heer Carlos BASTARRECHE als plaatsvervanger, en vervolgens in maart 2003 mevrouw A. Palacio als gewoon lid vervangen)

Nationaal parlement

de heer Josep BORRELL FONTELLES

de heer Gabriel CISNEROS LABORDA

FRANCE

Regering

de heer Dominique de VILLEPIN (heeft in november 2002 de heer Pierre MOSCOVICI vervangen)

Nationaal parlement

de heer Pierre LEQUILLER (heeft in juli 2002 de heer Alain BARRAU vervangen)

de heer Hubert HAENEL

IRELAND

Regering

de heer Dick ROCHE (heeft in juli 2002 de heer Ray MacSHARRY vervangen)

Nationaal parlement

de heer John BRUTON

de heer Proinsias DE ROSSA

ITALIA

Regering

de heer Gianfranco FINI

Nationaal parlement

de heer Marco FOLLINI

de heer Lamberto DINI

LUXEMBOURG

Regering

de heer Jacques SANTER

Nationaal parlement

de heer Paul HELMINGER

de heer Ben FAYOT

NEDERLAND

Regering

de heer Gijs de VRIES (heeft in oktober 2002 de heer Hans van MIERLO vervangen)

Nationaal parlement

de heer René van der LINDEN

de heer Frans TIMMERMANS

ÖSTERREICH

Regering

de heer Hannes FARNLEITNER

Nationaal parlement

de heer Caspar EINEM

de heer Reinhard Eugen BÖSCH

PORTUGAL

Regering

de heer Ernâni LOPES (heeft in mei 2002 de heer João de VALLERA vervangen)

Nationaal parlement

de heer Alberto COSTA

mevrouw Eduarda AZEVEDO

SUOMI/FINLAND

Regering

mevrouw Teija TIILIKAINEN

Nationaal parlement

de heer Kimmo KILJUNEN

de heer Jari VILÉN (heeft in mei 2003 de heer Matti VANHANEN vervangen)

SVERIGE

Regering

mevrouw Lena HJELM-WALLÉN

Nationaal parlement

de heer Sören LEKBERG

de heer Göran LENNMARKER

UNITED KINGDOM

Regering

de heer Peter HAIN

Nationaal parlement

mevrouw Gisela STUART

de heer David HEATHCOAT-AMORY

VERTEGENWOORDIGERS VAN DE KANDIDAAT-LIDSTATEN

K ύπρ o ς/ CYPRUS

Regering

de heer Michael ATTALIDES

Nationaal parlement

mevrouw Eleni MAVROU

de heer Panayiotis DEMETRIOU

MALTA

Regering

de heer Peter SERRACINO-INGLOTT

Nationaal parlement

de heer Michael FRENDO

de heer Alfred SANT

MAGYARORSZÀG/HONGARIJE

Regering

de heer Péter BALÁZS (heeft in juni 2002 de heer János MARTONYI vervangen)

Nationaal parlement

de heer József SZÁJER

de heer Pál VASTAGH

POLSKA/POLEN

Regering

mevrouw Danuta HÜBNER

Nationaal parlement

de heer Jozef OLEKSY

de heer Edmund WITTBRODT

ROMÂNIA/ROEMENIË

Regering

mevrouw Hildegard Carola PUWAK

Nationaal parlement

de heer Alexandru ATHANASIU (heeft in februari 2003 de heer Liviu MAIOR vervangen)

de heer Puiu HASOTTI

SLOVENSKO/SLOWAKIJE

Regering

de heer Ivan KORCOK (heeft in november 2002 de heer Ján FIGEL vervangen)

Nationaal parlement

de heer Jan FIGEL (heeft in oktober 2002 de heer Pavol HAMZIK vervangen)

mevrouw Irena BELOHORSKÁ

LATVIJA/LETLAND

Regering

mevrouw Sandra KALNIETE (heeft in januari 2003 de heer Roberts ZILE vervangen)

Nationaal parlement

de heer Rihards PIKS

mevrouw Liene LIEPINA (heeft in januari 2003 de heer Edvins INKENS vervangen)

EESTI/ESTLAND

Regering

de heer Lennart MERI

Nationaal parlement

de heer Tunne KELAM

de heer Rein LANG (heeft in april 2003 de heer Peeter REITZBERG vervangen)

LIETUVA/LITOUWEN

Regering

de heer Rytis MARTIKONIS

Nationaal parlement

de heer Vytenis ANDRIUKAITIS

de heer Algirdas GRICIUS (heeft in december 2002 de heer Alvydas MEDALINSKAS vervangen, die zelf mevrouw Dalia KUTRAITE-GIEDRAITIENE heeft vervangen als plaatsvervanger)

>ISO_5> ±êÛÓ ap >ISO_5> Øï/ BULGARIJE

Regering

mevrouw Meglena KUNEVA

Nationaal parlement

de heer Daniel VALCHEV

de heer Nikolai MLADENOV

CESKÁ REPUBLIKA/TSJECHIË

Regering

de heer Jan KOHOUT (heeft in september 2002 de heer Jan KAVAN vervangen)

Nationaal parlement

de heer Jan ZAHRADIL

de heer Josef ZIELENIEC

SLOVENIJA/SLOVENIË

Regering

de heer Dimitrij RUPEL (heeft in januari 2003 de heer Matjaz NAHTIGAL vervangen)

Nationaal parlement

de heer Jelko KACIN (heeft in januari 2003 de heer Slavko GABER vervangen

de heer Alojz PETERLE

TÜRQÍYE/TURKIJE

Regering

de heer Abdullah GÜL (heeft in maart 2003 de heer Yasar YAKIS vervangen, die zelf in december 2002 de heer Mesut YILMAZ heeft vervangen)

Nationaal parlement

de heer Zekeriya AKCAM (heeft in december 2002 de heer Ali TEKIN vervangen)

de heer Kemal DERVIS (heeft in december 2002 mevrouw Ayfer YILMAZ vervangen)

PLAATSVERVANGERS

VERTEGENWOORDIGERS VAN HET EUROPEES PARLEMENT

de heer William ABITBOL (F)

mevrouw ALMEIDA GARRETT (P)

mevrouw John CUSHNAHAN (IRL)

mevrouw Lone DYBKJAER (DK)

mevrouw Pervenche BERÈS (F)

Merouw Maria BERGER (ÖS)

de heer Carlos CARNERO GONZÁLEZ (ES)

de heer Neil MacCORMICK (UK)

mevrouw Piia-Noora KAUPPI (FI)

mevrouw Elena PACIOTTI (IT)

de heer Luís QUEIRÓ (P)

de heer Reinhard RACK (ÖS)

de heer Esko SEPPÄNEN (FI)

The Earl of STOCKTON (UK)

mevrouw Helle THORNING-SCHMIDT (DK)

de heer Joachim WUERMELING (D)

VERTEGENWOORDIGERS VAN DE COMMISSIE

de heer David O'SULLIVAN

de heer Paolo PONZANO

VERTEGENWOORDIGERS VAN DE LIDSTATEN

BELGIË/BELGIQUE

Regering

de heer Pierre CHEVALIER

Nationaal parlement

de heer Danny PIETERS

mevrouw Marie NAGY

DANMARK

Regering

de heer Poul SCHLÜTER

Nationaal parlement

de heer Per DALGAARD

de heer Niels HELVEG PETERSEN

DEUTSCHLAND

Regering

de heer Hans Martin BURY (heeft in november 2002 de heer Gunter PLEUGER vervangen)

Nationaal parlement

de heer Peter ALTMAIER

de heer Wolfgang GERHARDS (heeft in maart 2003 de heer Wolfgang SENFF vervangen)

ELLAS

Regering

de heer Giorgos KATIFORIS (heeft in februari 2003 de heer Panayiotis IOAKIMIDIS vervangen)

Nationaal parlement

de heer Nikolaos CONSTANTOPOULOS

de heer Evripidis STILINIADIS

ESPAÑA

Regering

mevrouw Ana PALACIO (heeft in maart 2003 de heer Alfonso DASTIS vervangen)

Nationaal parlement

de heer Diego LÓPEZ GARRIDO

de heer Alejandro MUÑOZ LONSO

FRANCE

Regering

mevrouw Pascale ANDREANI (heeft in augustus 2002 de heer Pierre VIMONT vervangen)

Nationaal parlement

de heer Jacques FLOCH (heeft in juli 2002 mevrouw Anne-Marie IDRAC vervangen)

de heer Robert BADINTER

IRELAND

Regering

de heer Bobby McDONAGH

Nationaal parlement

de heer Pat CAREY (heeft in juli 2002 de heer Martin CULLEN vervangen)

de heer John GORMLEY

ITALIA

Regering

de heer Francesco E. SPERONI

Nationaal parlement

de heer Valdo SPINI

de heer Filadelfio Guido BASILE

LUXEMBOURG

Regering

de heer Nicolas SCHMIT

Nationaal parlement

de heer Gaston GIBERYEN

mevrouw Renée WAGENER

NEDERLAND

Regering

de heer Thom de BRUIJN

Nationaal parlement

de heer Wim van EEKELEN

de heer Jan Jacob van DIJK (heeft in oktober 2002 de heer Hans van BAALEN vervangen)

ÖSTERREICH

Regering

de heer Gerhard TUSEK

Nationaal parlement

mevrouw Evelin LICHTENBERGER

de heer Eduard MAINONI (heeft in maart 2003 de heer Gerhard KURZMANN vervangen)

PORTUGAL

Regering

de heer Manuel LOBO ANTUNES

Nationaal parlement

de heer Guilherme d'OLIVEIRA MARTINS (heeft in juni 2002 de heer Osvaldo de CASTRO vervangen)

de heer António NAZARÉ PEREIRA

SUOMI/FINLAND

Regering

de heer Antti PELTOMÄKI

Nationaal parlement

de heer Hannu TAKKULA (heeft in mei 2003 mevrouw Riitta KORHONEN vervangen)

de heer Esko HELLE

SVERIGE

Regering

de heer Sven-Olof PETERSSON (heeft in december 2002 mevrouw Lena HALLENGREN vervangen)

Nationaal parlement

de heer Kenneth KVIST

de heer Ingvar SVENSSON

UNITED KINGDOM

Regering

Baroness SCOTLAND OF ASTHAL

Nationaal parlement

Lord TOMLINSON

Lord MACLENNAN OF ROGART

VERTEGENWOORDIGERS VAN DE KANDIDAAT-LIDSTATEN

K ύπρ o ς/ CYPRUS

Regering

de heer Theophilos V. THEOPHILOU

Nationaal parlement

de heer Marios MATSAKIS

mevrouw Androula VASSILIOU

MALTA

Regering

de heer John INGUANEZ

Nationaal parlement

mevrouw Dolores CRISTINA

de heer George VELLA

MAGYARORSZÀG/HONGARIJE

Regering

de heer Péter GOTTFRIED

Nationaal parlement

de heer András KELEMEN

de heer István SZENT-IVÁNYI

POLSKA/POLEN

Regering

de heer Janusz TRZCINSKI

Nationaal parlement

mevrouw Marta FOGLER

mevrouw Genowefa GRABOWSKA

ROMÂNIA/ROEMENIË

Regering

de heer Constantin ENE (heeft in december 2002 de heer Ion JINGA vervangen)

Nationaal parlement

de heer Péter ECKSTEIN-KOVACS

de heer Adrian SEVERIN

SLOVENSKO/SLOWAKIJE

Regering

de heer Juraj MIGAS

Nationaal parlement

mevrouw Zuzana MARTINAKOVA (heeft in november 2002 de heer Frantisek SEBEJ vervangen)

de heer Boris ZALA (heeft in november 2002 mevrouw Olga KELTOSOVA vervangen)

LATVIJA/LETLAND

Regering

de heer Roberts ZILE (heeft in januari 2003 de heer Guntars KRASTS vervangen)

Nationaal parlement

de heer Guntars KRASTS (heeft in januari 2003 de heer Maris SPRINDZUKS vervangen)

de heer Arturs Krisjanis KARINS (heeft in januari 2003 mevrouw Inese BIRZNIECE vervangen)

EESTI/ESTLAND

Regering

de heer Henrik HOLOLEI

Nationaal parlement

mevrouw Liina TÕNISSON (heeft in april 2003 mevrouw Liia HÄNNI vervangen)

de heer Urmas REINSALU heeft in april 2003 de heer Ülo TÄRNO vervangen)

LIETUVA/LITOUWEN

Regering

de heer Oskaras JUSYS

Nationaal parlement

de heer Gintautas SIVICKAS (heeft in februari 2003 de heer Gediminas DALINKEVICIUS vervangen, die zelf in december 2002 de heer Rolandas PAVILIONIS heeft vervangen)

de heer Eugenijus MALDEIKIS (heeft in februari 2003 de heer Alvydas MEDALINSKAS vervangen)

>ISO_5> ±êÛÓ ap >ISO_5> Øï/ BULGARIJE

Regering

mevrouw Neli KUTSKOVA

Nationaal parlement

de heer Alexander ARABADJIEV

de heer Nesrin UZUN

CESKÁ REPUBLIKA/TSJECHIË

Regering

mevrouw Lenka Anna ROVNA (heeft in september 2002 de heer Jan KOHOUT vervangen)

Nationaal parlement

de heer Petr NECAS

de heer Frantisek KROUPA

SLOVENIJA/SLOVENIË

Regering

de heer Janez LENARCIC

Nationaal parlement

de heer Franc HORVAT (heeft in januari 2003 mevrouw Danica SIMSIC vervangen)

de heer Mihael BREJC

TÜRQÍYE/TURKIJE

Regering

de heer Oguz DEMIRALP (heeft in augustus 2002 de heer Nihat AKYOL vervangen)

Nationaal parlement

de heer Ibrahim ÖZAL (heeft in december 2002 de heer Kürsat ESER vervangen)

de heer Necdet BUDAK (heeft in december 2002 de heer A. Emre KOCAOGLOU vervangen)

WAARNEMERS

de heer Roger BRIESCH

Economisch en Sociaal Comité

de heer Josef CHABERT

Comité van de Regio's

de heer João CRAVINHO

Europese sociale partners

de heer Manfred DAMMEYER

Comité van de Regio's

de heer Patrick DEWAEL

Comité van de Regio's

de heer Nikiforos DIAMANDOUROS

Europese ombudsman

(heeft in maart 2003 de heer Jacob SÖDERMAN vervangen)

mevrouw Claude DU GRANRUT

Comité van de Regio's

de heer Göke Daniel FRERICHS

Economisch en Sociaal Comité

de heer Emilio GABAGLIO

Europese sociale partners

de heer Georges JACOBS

Europese sociale partners

de heer Claudio MARTINI

Comité van de Regio's

mevrouw Anne-Maria SIGMUND

Economisch en Sociaal Comité

de heer Ramón Luis VALCÁRCEL SISO

Comité van de Regio's

(heeft in februari 2003 de heer Eduardo ZAPLANA vervangen, na de vervanging van mevrouw Eva-Riitta SIITONEN in oktober 2002)

SECRETARIAAT

Sir John KERR

secretaris-generaal

mevrouw Annalisa GIANNELLA

adjunct secretaris-generaal

mevrouw Marta ARPIO SANTACRUZ

mevrouw Agnieszka BARTOL

de heer Hervé BRIBOSIA

mevrouw Nicole BUCHET

mevrouw Elisabeth GATEAU

de heer Clemens LADENBURGER

mevrouw Maria José MARTÍNEZ IGLESIAS

de heer Nikolaus MEYER LANDRUT

de heer Guy MILTON

de heer Ricardo PASSOS

mevrouw Kristin de PEYRON

de heer Alain PILETTE

de heer Alain PIOTROWSKI

de heer Etienne de PONCINS

mevrouw Alessandra SCHIAVO

mevrouw Walpurga SPECKBACHER

mevrouw Maryem van den HEUVEL

Top