Help Print this page 
Title and reference
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele eigendomsrechten te waarborgen

/* COM/2003/0046 def. - COD 2003/0024 */
Languages and formats available
Multilingual display
Text

52003PC0046

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele eigendomsrechten te waarborgen /* COM/2003/0046 def. - COD 2003/0024 */


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Inleiding

A. Doel van het initiatief van de Gemeenschap

B. Grondslag van het initiatief: de raadpleging door de Commissie

Deel 1: Verwezenlijken van de interne markt op het gebied van intellectuele eigendom

A. De handhaving van het materiële recht inzake de intellectuele eigendom waarborgen

B. Vergemakkelijken van het vrije verkeer en waarborgen van een eerlijke en gelijkwaardige concurrentie in de interne markt

C. Aanvulling van de maatregelen aan de buitengrens en ten opzichte van derde landen

Deel 2: Voorzien in de behoeften van een moderne economie en beschermen van de maatschappij

A. Bevorderen van innovatie en het concurrentievermogen van ondernemingen

B. Bevorderen van het behoud en de ontwikkeling van de culturele sector

C. Behoud van werkgelegenheid in Europa

D. Voorkomen van belastingderving en destabilisering van markten

E. Toezien op de bescherming van de consument

F. Waarborgen van de handhaving van de openbare orde

Deel 3: Wijze van uitvoering en kenmerken van de voorgestelde maatregelen

A. De grenzen van de TRIPS-overeenkomst

B. Het communautaire acquis betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

C. De juridische situatie in de lidstaten

D. De behoefte aan harmonisatie van de nationale wetgevingen

E. Rechtsgrondslag

Deel 4: Analyse van de bepalingen

Inleiding

A. Doel van het initiatief van de Gemeenschap

Namaak en piraterij en meer in het algemeen inbreuken op de intellectuele eigendom zijn een voortdurend toenemend verschijnsel dat inmiddels een internationale omvang heeft aangenomen en een ernstige bedreiging voor de nationale economieën en de landen vormt. Binnen de Europese interne markt wordt hierbij vooral gebruik gemaakt van nationale verschillen op het gebied van de middelen om handhaving van intellectuele-eigendomsrechten af te dwingen. Deze verschillen hebben gevolgen voor de plaats waar namaak en piraterij binnen de Gemeenschap plaatsvinden: de betrokken producten worden doorgaans vooral verkocht en vervaardigd in de landen die namaak en piraterij het minst doeltreffend bestraffen. Zij hebben dan ook hun weerslag op de handel tussen de lidstaten en directe gevolgen voor de concurrentievoorwaarden in de interne markt. Deze situatie leidt tot omleggingen van het handelsverkeer, vervalst de concurrentie en veroorzaakt marktverstoringen.

De verschillen in de nationale sanctieregelingen zijn niet alleen schadelijk voor de goede werking van de interne markt, maar bemoeilijken bovendien een doeltreffende bestrijding van namaak en piraterij. Hierdoor verliest het bedrijfsleven zijn vertrouwen in de interne markt, wat tot lagere investeringen leidt. Afgezien van de economische en sociale gevolgen die namaak en piraterij met zich brengen, veroorzaken zij ook problemen op het gebied van consumentenbescherming, met name wanneer de volksgezondheid en de openbare veiligheid in het geding zijn. De ontwikkeling van het gebruik van internet maakt het mogelijk piraatproducten onmiddellijk en wereldwijd te verspreiden. Ten slotte lijkt het verschijnsel meer en meer in verband te staan met de georganiseerde criminaliteit. De bestrijding van dit verschijnsel is daarom voor de Gemeenschap van essentieel belang, vooral wanneer deze illegale activiteiten met commerciële bedoelingen worden uitgevoerd of voor de rechthebbende aanzienlijke schade veroorzaken.

Deze richtlijn is bedoeld als antwoord op deze situatie en beoogt de nationale wetgevingen inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te harmoniseren.

B. Grondslag van het initiatief: de raadpleging door de Commissie

Op 15 oktober 1998 heeft de Commissie een Groenboek over de bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt [1] gepubliceerd om met alle betrokken kringen een debat over dit thema aan te gaan. In het Groenboek wordt voorgesteld met name actie te ondernemen op het gebied van maatregelen van de privé-sector, de doeltreffendheid van technische middelen om goederen te beschermen en te identificeren, straffen en andere middelen om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen en de administratieve samenwerking tussen de bevoegde instanties.

[1] COM(98) 569 def.

De Commissie heeft veel reacties gekregen waarover zij een samenvattend verslag heeft gepubliceerd [2]. Zij heeft op 2 en 3 maart 1999, samen met het Duitse voorzitterschap van de Raad, in München een hoorzitting voor alle betrokkenen [3] georganiseerd en op 3 november 1999 een vergadering van deskundigen met de lidstaten. Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 24 februari 1999 advies over het Groenboek uitgebracht [4]. Het Europees Parlement heeft op 4 mei 2000 een resolutie ter zake goedgekeurd [5].

[2] http://europa.eu.int/comm/internal_market/ en/indprop/piracy/piracyen.pdf.

[3] http://europa.eu.int/comm/internal_market/ en/indprop/piracy/munchen.htm.

[4] PB C 116 van 28.4.1999, blz. 35.

[5] PB C 41 van 7.2.2001, blz. 56.

Deze raadpleging heeft met name bevestigd dat de verschillen tussen de nationale sanctieregelingen op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten schadelijke effecten voor de goede werking van de interne markt hebben. De betrokken kringen willen dat deze kwestie energiek wordt aangepakt en dat op het niveau van de Europese Unie ambitieuze initiatieven worden genomen.

Als vervolg op deze raadpleging heeft de Commissie op 30 november 2000 een mededeling met de follow-up van het Groenboek gepubliceerd die een ambitieus actieplan bevat om de bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt te verbeteren en te intensiveren [6]. Als een van de geplande initiatieven van dit actieplan kondigde de Commissie aan dat zij een voorstel voor een richtlijn zou indienen die ten doel heeft de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te harmoniseren en te waarborgen dat de beschikbare intellectuele-eigendomsrechten overal in de interne markt een gelijkwaardige bescherming genieten. Dat is het doel van dit voorstel.

[6] COM(2000) 789 definitief.

De mededeling van de Commissie, met name de aankondiging van een voorstel voor een richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, is in de betrokken kringen goed ontvangen. In zijn aanvullend advies van 30 mei 2001 [7] heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité zijn goedkeuring gehecht aan het voornemen van de Europese Commissie om snel met een ontwerp-richtlijn over dit onderwerp te komen.

[7] PB C 221 van 7.8.2001, blz. 20.

Deel 1:

Verwezenlijken van de interne markt op het gebied van de intellectuele eigendom

A. De handhaving van het materiële recht inzake de intellectuele eigendom waarborgen

Tot op heden hebben de maatregelen van de Gemeenschap op het gebied van de intellectuele eigendom voornamelijk betrekking gehad op de harmonisatie van het nationale materiële recht of de totstandbrenging van een uniform recht op het niveau van de Gemeenschap. Zo zijn bepaalde nationale intellectuele-eigendomsrechten geharmoniseerd, zoals merken [8], tekeningen en modellen [9], octrooien voor biotechnologische uitvindingen [10], en bepaalde aspecten van het auteursrecht en naburige rechten [11]. De recente goedkeuring van de richtlijn betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk [12], alsmede van de richtlijn betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij [13] vormt in dit opzicht een belangrijke mijlpaal in het harmonisatieproces van het auteursrecht en de naburige rechten. Deze laatste richtlijn maakt het mogelijk de bescherming van rechthebbenden aan de technische ontwikkelingen aan te passen, met name op digitaal gebied. De Gemeenschap heeft er tevens voor gezorgd dat de duur van de octrooibescherming voor geneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen [14] is verlengd en dat er gemeenschappelijke regels op het gebied van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen [15] zijn vastgesteld. De Commissie heeft eveneens harmonisatievoorstellen gedaan om de juridische situatie betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen [16] helder te maken.

[8] Eerste Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, PB L 40 van 11.2.1989, blz. 1.

[9] Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen, PB L 289 van 28.10.1998, blz. 28.

[10] Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen, PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.

[11] Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's, PB L 122 van 17.5.1991, blz. 42; Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, PB L 346 van 27.11.1992, blz. 61; Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel, PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15; Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten, PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9; Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20.

[12] Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk, PB L 272 van 13.10.2001, blz. 32.

[13] Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.

[14] Verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, PB L 182 van 2.7.1992, blz. 1; Verordening (EG) nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen, PB L 198 van 8.8.1996, blz. 30.

[15] Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1068/97, PB L 156 van 13.6.1997, blz. 10.

[16] Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen, COM(2002) 92 definitief van 20.2.2002.

Bovendien heeft de Gemeenschap zich beziggehouden met de totstandbrenging van uniforme rechten op het niveau van de Gemeenschap die direct rechtsgeldig zijn op het gehele grondgebied van de EG, zoals het Gemeenschapsmerk [17], het communautaire kwekersrecht [18] en, recenter, Gemeenschapsmodellen [19]. Voorts zijn er momenteel op het niveau van de Raad van de EU nog wetgevingsvoorstellen voor de invoering van een Gemeenschapsoctrooi [20] in beraad.

[17] Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk, PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1.

[18] Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

[19] Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen, PB L 3 van 5.1.2002, blz. 1.

[20] Voorstel voor een Verordening van de Raad betreffende het Gemeenschapsoctrooi, PB C 337 E van 28.11.2000, blz. 278.

Nu wordt de bevoegdheid van de Gemeenschap op het gebied van het materiële recht inzake intellectuele eigendom, dat meer en meer een prioritair aandachtsgebied voor de Gemeenschap lijkt te worden om het succes van de interne markt te waarborgen, volledig erkend [21]. Hieruit volgt logischerwijs dat de Gemeenschap belangstelling heeft voor de doeltreffende handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten die zij op communautair niveau heeft geharmoniseerd of in het leven heeft geroepen. Wat de beginselen betreft, kan het feit dat de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, die tegenwoordig voornamelijk door het Gemeenschapsrecht worden geregeld, van lidstaat tot lidstaat soms op zeer uiteenlopende wijze wordt gewaarborgd, moeilijk verenigbaar lijken met de doelstelling om rechthebbenden binnen de interne markt een gelijk beschermingsniveau te garanderen.

[21] Er was een arrest van het HvJ van 1995 nodig, dat is uitgesproken over Verordening (EEG) nr. 1768/92 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, voordat volledig werd erkend dat octrooien geen gebied zijn dat aan de lidstaten is voorbehouden en dat de Gemeenschap op dit gebied harmonisatiemaatregelen kan goedkeuren (arrest van 13 juli 1997 in zaak C-350/92, Spanje/Raad, Jurispr. 1995, blz. I-1985).

B. Vergemakkelijken van het vrije verkeer en waarborgen van een eerlijke en gelijkwaardige concurrentie in de interne markt

Artikel 3, lid 1, onder c), van het EG-Verdrag bepaalt dat het optreden van de Gemeenschap een interne markt, gekenmerkt door de afschaffing tussen de lidstaten van hinderpalen met name voor het vrije verkeer van goederen en diensten, omvat. Bovendien is in artikel 14, lid 2, van het EG-Verdrag vastgelegd dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin in het bijzonder het vrije verkeer van goederen en diensten is gewaarborgd.

Ook al heeft de geleidelijke harmonisatie van het materiële recht inzake de intellectuele eigendom het mogelijk gemaakt het vrije verkeer tussen de lidstaten te vergemakkelijken en de toepasselijke regels transparanter te maken, de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zijn tot op heden nog niet geharmoniseerd. Bovendien gebeurt het soms dat, zelfs als de nationale wetgeving de rechthebbenden doeltreffende middelen tot handhaving van hun rechten ter beschikking stelt, deze middelen in de praktijk niet volledig worden gebruikt. Zoals de betrokken kringen in het kader van de raadpleging over het Groenboek naar voren hebben gebracht, zijn deze lacunes zeker uitgebuit door inbreukmakers en piraten die van de nationale verschillen gebruik hebben weten te maken om hun producten af te zetten, wat aldus tot marktverstoringen en verleggingen van het handelsverkeer heeft geleid. De harmonisatie van de nationale bepalingen inzake de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zal het mogelijk maken een gezonder verkeer binnen de interne markt, een grotere transparantie van de sanctieregelingen en een betere toepassing van de middelen die aan rechthebbenden ter beschikking worden gesteld, te waarborgen.

Bovendien is het scheppen van eerlijke en gelijkwaardige concurrentievoorwaarden op het gebied van de intellectuele eigendom voor alle marktdeelnemers noodzakelijk om hen in staat te stellen op doeltreffende wijze gebruik te maken van de fundamentele vrijheden van het EG-Verdrag. Eerlijke en gelijkwaardige concurrentievoorwaarden worden afgezwakt of verkeerd gebruikt door de uiteenlopende nationale regels op het gebied van de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. In bepaalde omstandigheden leidt dit tot concurrentieverstoringen die het vrije verkeer van goederen en diensten in de interne markt in gevaar brengen.

Concurrentieverstoringen in de interne markt kunnen zowel het gevolg zijn van verschillen in het toepassingsgebied en de reikwijdte van intellectuele-eigendomsrechten uit hoofde van het nationale recht, als van verschillen in de sanctieregelingen die deze rechten tegen namaak en piraterij beschermen. Namakers en piraten kunnen bij de kosten van de fabricage van illegale producten de strengheid van de lokale sanctieregeling in aanmerking nemen. Deze kosten zijn afhankelijk van de sancties die in geval van rechtsvervolging worden toegepast (inbeslagneming van illegale goederen, betaling van boetes, noodzaak om werknemers hogere lonen te betalen om het risico van tegenmaatregelen tegen te gaan).

Het gevolg hiervan is dat zolang wetgeving om sanctieregelingen op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt te harmoniseren ontbreekt, de situatie betreffende de risico's en derhalve betreffende de kosten voor de handelaars in namaak- en piraatproducten uiteen zal blijven lopen. Aangezien nagemaakte of door piraterij verkregen goederen in economische zin per definitie een substituut zijn voor de legaal verkochte goederen waarvan zij een imitatie zijn, volgt hieruit dat de verschillen in de kostengrondslag in de interne markt voor de illegale marktdeelnemers tevens aanleiding zullen geven tot verschillen in de concurrentievoorwaarden voor legale marktdeelnemers. Men kan ervan uitgaan dat in delen van de interne markt waar de sanctieregeling verhoudingsgewijs weinig doeltreffend is, het marktaandeel van namaak- en piraatartikelen wellicht hoger kan zijn en de prijzen van zowel de illegale als de legale goederen wellicht lager zijn dan in de landen die strengere sancties op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten kennen.

Hieruit vloeit dus voort dat de verschillen in sanctieregelingen wellicht kunnen leiden tot verstoringen in de concurrentievoorwaarden en tot omlegging van de natuurlijke handelsstromen van legale goederen die zouden optreden bij een voor de gehele interne markt geharmoniseerde sanctie op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten.

Namaak en piraterij zijn een zich uitbreidend verschijnsel dat speculeert op verschillen tussen de nationale wetgevingen. Daarnaast moeten ondernemingen in de landen waar dit verschijnsel zich ontwikkelt, het hoofd bieden aan de concurrentie van namaak- en piraatproducten op de markten waarop zij zich bewegen, wat tot verlies van marktaandeel en ontwrichting van hun distributienetten leidt. Wanneer de markt wordt overspoeld met imitaties of piraatproducten die makkelijker worden verkocht dan de echte producten, aarzelen detailhandelaren soms om echte producten te bestellen. Zij kunnen zelfs in de verleiding worden gebracht om ook kopieën te verkopen, eventueel naast de echte producten. Dit is geen goede situatie om de transparantie en gelijke concurrentievoorwaarden in de interne markt te waarborgen. Alleen de harmonisatie van de nationale wetgevingen zal de door dit verschijnsel veroorzaakte concurrentieverstoringen uit de weg kunnen ruimen.

Natuurlijk mag in sectoren waar de concurrentie buitengewoon hevig is, zoals bijvoorbeeld de sector van de auto-onderdelen, de bestrijding van namaak en piraterij niet worden gebruikt om te proberen lastige concurrenten uit de markt te stoten of om rechtmatige concurrentie te belemmeren. Een dergelijke praktijk zou waarschijnlijk niet alleen de betrokken ondernemingen ernstige schade berokkenen, maar ook en vooral niet ten goede komen aan het nagestreefde doel om te verhinderen dat producten op de markt worden gebracht die inbreuk maken op de intellectuele eigendom en in veel gevallen risico's voor de gezondheid of veiligheid van de consument opleveren [22].

[22] Verordening (EG) nr. 1400/2002, PB L 203 van 1.8.2002, blz. 30.

C. Aanvulling van de maatregelen aan de buitengrens en ten opzichte van derde landen

Dit voorstel voor een richtlijn is ook bedoeld ter aanvulling van de maatregelen die al op basis van de gewijzigde Verordening (EG) nr. 3295/94 [23] zijn getroffen voor de controle op namaak- en piraatartikelen aan de buitengrens van de EU, om aan de behoeften van de interne markt te voldoen. Deze regelgeving is slechts van toepassing op de bewegingen van goederen waarvan wordt vermoed dat zij namaak- en piraatartikelen zijn, tussen derde landen en de Gemeenschap. Hiermee kunnen de bewegingen binnen de Gemeenschap niet worden aangepakt. Aangezien alle lidstaten hun grenscontroles op basis van een selectieve aanpak uitvoeren om het juiste evenwicht tussen de vlotte doorstroming van het internationale handelsverkeer en de fraudebestrijding te handhaven, kan bovendien niet worden uitgesloten dat er mogelijk namaak- of piraatartikelen illegaal het grondgebied van de Gemeenschap binnenkomen om hier vervolgens te worden verkocht. Een voorziening ter bestrijding van namaak en piraterij, speciaal om aan de behoeften van de interne markt te voldoen, is dan ook noodzakelijk. Met deze richtlijn kan een aantal maatregelen en procedures aan rechthebbenden ter beschikking worden gesteld om hun rechten ten opzichte van alle litigieuze goederen te doen gelden, met inbegrip van de goederen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 3295/94 als gewijzigd door de douane zijn onderschept.

[23] Verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (PB L 341 van 30.12.1994, blz. 8), zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 241/1999 van de Raad van 25 januari 1999, PB L 27 van 2.2.1999, blz. 1.

Het voorstel voor een richtlijn is ook bedoeld als aanvulling op de initiatieven ter bestrijding van namaak en piraterij in het kader van de betrekkingen die de Gemeenschap met derde landen onderhoudt, en van de multilaterale overeenkomsten die zij heeft ondertekend. Dit geldt met name voor de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS-overeenkomst) die in het kader van de Wereldhandelorganisatie is gesloten [24], waarbij alle lidstaten van de Europese Unie partij zijn, alsmede de Gemeenschap voor wat betreft onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden [25] en waarin minimumbepalingen inzake de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zijn vastgelegd.

[24] Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten, PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1.

[25] In zijn advies 1/94 van 15 november 1994 heeft het Hof van Justitie immers verklaard dat de bevoegdheid tot sluiting van de TRIPS-overeenkomst bij de Gemeenschap en de lidstaten tezamen berust, Jurispr. 1994, blz. I-5267.

Deel 2:

Voorzien in de behoeften van een moderne economie en beschermen van de maatschappij

Al is het hoofddoel van dit initiatief het verwezenlijken van de interne markt op het gebied van de intellectuele eigendom en ervoor zorgen dat het communautaire acquis van het materiële recht inzake de intellectuele eigendom in de Europese Unie juist wordt toegepast, andere belangrijke doelstellingen verdienen ook de aandacht.

A. Bevorderen van innovatie en het concurrentievermogen van ondernemingen

Innovatie is een van de belangrijkste dragers van duurzame groei voor ondernemingen en van economische voorspoed voor gehele maatschappij geworden. Ondernemingen moeten hun producten voortdurend verbeteren of vernieuwen als zij marktaandeel willen behouden of veroveren. Voortdurende inventieve en innoverende activiteiten die tot de ontwikkeling van nieuwe producten of diensten leiden, brengen ondernemingen technologisch gezien in een gunstige positie en zijn van groot belang voor hun concurrentievermogen.

Er moet voor worden gezorgd dat makers, onderzoekers en uitvinders in de Gemeenschap van een gunstig klimaat voor de ontwikkeling van hun activiteiten kunnen profiteren, ook in het kader van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, zodat ondernemingen, universiteiten, onderzoeksinstellingen [26] en de culturele sector [27] onder goede voorwaarden kunnen innoveren en creëren. In dit opzicht moet ook het vrije verkeer van informatie worden gewaarborgd en mag de toegang tot internet niet moeilijker en duurder worden gemaakt door bijvoorbeeld aan tussenpersonen op internet te zware verplichtingen op te leggen.

[26] In titel XVIII van het EG-Verdrag wordt het belang van onderzoek en technologische ontwikkeling benadrukt.

[27] Het belang van de culturele sector is expliciet vermeld in het EG-Verdrag in artikel 151, lid 4.

Ondernemingen, die vaak aanzienlijke bedragen in onderzoek en ontwikkeling, marketing en reclame investeren, moeten in staat zijn om hun investeringen rendabel te maken. Een passende en doeltreffende bescherming van de intellectuele eigendom draagt ertoe bij het vertrouwen van ondernemingen, uitvinders en makers in de interne markt te bestendigen en vormt een krachtige stimulans voor investeringen en dus voor economische vooruitgang.

Het verschijnsel namaak en piraterij komt voor ondernemingen tot uiting in een daling van de omzet en verlies van marktaandeel (verlies van rechtstreekse verkopen) dat zij vaak met moeite hebben verworven, om nog maar te zwijgen van de immateriële verliezen en de morele schade die zij lijden door het verlies aan reputatie in hun klantenkring (verlies van toekomstige verkopen). De verspreiding van namaakartikelen en piraatproducten leidt immers tot een schadelijke banalisering van de bekendheid en de originaliteit van de oorspronkelijke producten, met name wanneer ondernemingen hun reclame richten op de kwaliteit en de zeldzaamheid van hun producten. Dit verschijnsel brengt ook extra kosten voor ondernemingen met zich (kosten van bescherming, onderzoek, expertise en geschillen) en kan in sommige gevallen zelfs tot een vordering wegens onrechtmatige daad tegen de rechthebbende leiden vanwege door de namaker of piraat verhandelde producten wanneer het bewijs van zijn goede trouw niet kan worden aangevoerd.

In het licht van de antwoorden die de Commissie op haar Groenboek over de bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt heeft ontvangen, blijkt dat binnen de Europese Unie namaak- en piraatproducten 5 tot 10% van de verkopen van onderdelen van voertuigen uitmaken, 10% van de verkopen van cd's en cassettes, 16% van de verkopen van films (video en dvd) en 22% van de verkopen van kleding en schoeisel [28].

[28] http://europa.eu.int/comm/internal_market/ en/indprop/piracy/piracyen.pdf, blz. 14-15.

Volgens een enquête die in 1998 in Frankrijk door KPMG, Sofres en de Union des Fabricants is uitgevoerd [29], wordt het gemiddelde verlies voor de ondernemingen die aan de enquête hebben deelgenomen en een schatting van het omzetverlies als gevolg van namaak hebben kunnen geven, geschat op 6,4% van de omzet. Uit een studie die in juni 2000 in opdracht van de Global Anti-Counterfeiting Group (GACG) door het Centre for Economics and Business Research (CEBR) is uitgevoerd [30], blijkt dat de gemiddelde jaarlijkse daling van de winsten in de onderzochte sectoren aanzienlijk is: 1 266 miljoen euro in de sector kleding en schoenen; 555 miljoen euro in de sector parfum en cosmetica; 627 miljoen euro in de sector speelgoed en sportartikelen; 292 miljoen euro in de sector van de farmaceutische producten. Op het gebied van software heeft een studie van de International Planning and Research Corporation (IPR), in opdracht van de Business Software Alliance (BSA) [31], aangetoond dat de verliezen als gevolg van piraterij in West-Europa (EU + Noorwegen + Zwitserland) in 2000 meer dan 3 miljard dollar bedroegen.

[29] "Votre entreprise et la contrefaçon", KPMG, Sofres, Union des Fabricants, 1998.

[30] "Economic Impact of Counterfeiting in Europe", Global Anti-Counterfeiting Group, juni 2000.

[31] Sixth Annual BSA Global Software.

Als namaak en piraterij niet doeltreffend worden bestraft, leiden zij tot een verlies van vertrouwen van de marktdeelnemers in de interne markt als ruimte voor de ontwikkeling van hun activiteiten en voor de bescherming van hun rechten. Als gevolg hiervan worden makers en uitvinders ontmoedigd en worden innovatieve en creatieve activiteiten in de Gemeenschap in gevaar gebracht.

B. Bevorderen van het behoud en de ontwikkeling van de culturele sector

Intellectuele-eigendomsrechten zijn buitengewoon relevant voor de culturele sector en met name voor de audiovisuele media. Het ontbreken van voldoende bescherming zou niet alleen ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling van een belangrijke economische sector, maar zou vooral ons erfgoed en onze culturele verscheidenheid bedreigen.

Deze sector onderscheidt zich van andere door het feit dat hij een zeer essentieel onderdeel van onze maatschappij is waarvan niet alleen het behoud, maar met name de ontwikkeling derhalve van het grootste belang is; de sector wordt echter ernstig bedreigd door piraterij. De culturele sector (met inbegrip van de muziekuitgeverij en uitgeverij van audiovisuele werken) becijfert zijn verliezen als gevolg van namaak en piraterij op meer dan 4,5 miljard euro per jaar. In de audiovisuele sector bijvoorbeeld berooft het illegaal kopiëren van werken die een zeker succes behalen, de auteurs niet slechts van hun rechten, maar maakt deze praktijk het behoud van pluraliteit onmogelijk. Dit geldt met name voor werken die in een beperkte oplage worden gepubliceerd, vaak afkomstig uit de cultuur van kleinere lidstaten waar schaalvergroting ontbreekt. Deze tendens blijkt trouwens nog duidelijker door de vervanging van analoge door digitale informatiedragers.

C. Behoud van werkgelegenheid in Europa

Op sociaal gebied heeft de schade die ondernemingen als gevolg van namaak en piraterij lijden, uiteindelijk zijn terugslag op het aantal banen dat zij aanbieden. De gevolgen van namaak en piraterij op de werkgelegenheid in de industrie zijn echter moeilijk nauwkeurig te meten.

Volgens de studie die het CEBR in juni 2000 in opdracht van de GACG heeft uitgevoerd [32], zijn er in de Europese Unie meer dan 17 000 banen per jaar verloren gegaan door activiteiten op het gebied van namaak en piraterij. Volgens de enquête die KPMG, Sofres en de Union des Fabricants in 1998 in Frankrijk hebben uitgevoerd [33], bedraagt het aantal banen dat in Frankrijk als gevolg van namaak verloren is gegaan ongeveer 38 000. Volgens een studie die het CEBR in 1999 in het Verenigd Koninkrijk heeft uitgevoerd in opdracht van de Anti-Counterfeiting Group (ACG), een Britse organisatie voor de bestrijding van namaak, is het aantal banen dat in dit land jaarlijks verloren gaat, groter dan 4 000 [34]. Tot slot zou volgens een studie die PricewaterhouseCoopers in 1998 in opdracht van de BSA heeft uitgevoerd [35], een vermindering van 10% van de piraterij op softwaregebied, d.w.z. tot het niveau in de Verenigde Staten, tot in 2001 in Europa meer dan 250 000 banen scheppen.

[32] Zie voetnoot 30.

[33] Zie voetnoot 29.

[34] "The economic impact of counterfeiting", Anti-Counterfeiting Group, juni 1999.

[35] "The contribution of the packaged software industry to the western european economies", Business Software Alliance, mei 1998.

D. Voorkomen van belastingderving en destabilisering van markten

Voor de nationale economieën, met name die van de geïndustrialiseerde landen, hebben namaak en piraterij ook omvangrijke schadelijke gevolgen. Dit verschijnsel brengt tevens inkomstenderving voor de staat of voor de Europese Gemeenschap (douanerechten, BTW) met zich en kan aanleiding geven tot allerlei overtredingen met name van de arbeidswetgeving, wanneer namaak- en piraatartikelen in illegale werkplaatsen met zwartwerkers worden vervaardigd of op straat door illegale werknemers worden verkocht.

De belastingderving als gevolg van namaak en piraterij is aanzienlijk. In de platensector bedragen de gederfde BTW-inkomsten voor de regeringen van de EU als gevolg van namaak en piraterij waarschijnlijk 100 miljoen euro [36]. De studie die het CEBR in juni 2000 in opdracht van de GACG heeft uitgevoerd [37], laat zien dat in de EU namaak in de onderzochte sectoren tot een aanzienlijke gemiddelde belastingderving leidt: 7 581 miljoen euro in de sector kleding en schoenen; 3 017 miljoen euro in de sector parfum en cosmetica; 3 731 miljoen euro in de sector speelgoed en sportartikelen; 1 554 miljoen euro in de sector van de farmaceutische producten. Volgens de enquête die het CEBR in 1999 in opdracht van de organisatie ACG heeft uitgevoerd [38], zou namaak tot een verlaging van het BNP met 143 miljoen pond per jaar en een verhoging van de overheidsschuld van 77 miljoen pond leiden.

[36] http://europa.eu.int/comm/internal_market/ en/indprop/piracy/piracyen.pdf, blz. 16, punt 7.2.1.

[37] Zie voetnoot 30.

[38] Zie voetnoot 34.

Dit verschijnsel vormt een ware bedreiging voor het economische evenwicht in de maatschappij, aangezien het ook kan leiden tot een destabilisering van soms erg kwetsbare markten zoals bijvoorbeeld die van de textielproducten [39], die hierdoor worden aangevallen. In de sector van de multimediaproducten blijven namaak en piraterij via internet voortdurend groeien en zorgen zij nu al, en dat ondanks de verhoudingsgewijs recente ontwikkeling van dit net, voor aanzienlijke verliezen.

[39] In het kader van de WTO-overeenkomst inzake textiel- en kledingproducten (OTK) is een proces van geleidelijke liberalisering begonnen dat voor 1 januari 2005 tot de afschaffing van kwantitatieve beperkingen tussen de leden van de WTO moet leiden.

E. Toezien op de bescherming van de consument

Consumentenbescherming is een belangrijk punt van zorg in Europa. Het streven naar een hoog niveau van consumentenbescherming, met name wat gezondheid en veiligheid betreft, is een essentieel onderdeel van het beleid van de Gemeenschap. Namaak en piraterij, en meer in het algemeen inbreuken op de intellectuele eigendom, hebben vaak schadelijke gevolgen voor de consument.

Hoewel dit verschijnsel soms tot ontwikkeling komt met medeplichtigheid van de consument, ontwikkelt het zich meestal tegen zijn zin en in ieder geval altijd in zijn nadeel. Namaak en piraterij gaan meestal gepaard met bewuste misleiding van de consument omtrent de kwaliteit die hij terecht verwacht van een product dat bijvoorbeeld voorzien is van een bekend merk. Namaak- en piraatproducten worden immers buiten de controles van de bevoegde instanties om gemaakt en nemen niet de minimumkwaliteitsnormen in acht. Wanneer de consument buiten de legitieme handel namaak- of piraatproducten koopt, profiteert hij in beginsel niet van garantie of service en heeft hij geen verhaal in geval van schade. Afgezien van deze nadelen kan dit verschijnsel een reëel gevaar voor de consument inhouden dat schade voor zijn gezondheid (namaak van geneesmiddelen, geknoei met alcoholische dranken) of voor zijn veiligheid (namaak van speelgoed of van auto- of vliegtuigonderdelen) kan veroorzaken [40].

[40] Tijdens de raadplegingsprocedure zijn er nog andere voorbeelden genoemd: gebrekkig medisch materiaal, wasmiddel met bijtende bestanddelen, antibiotica waarmee is geknoeid, kankerverwekkende stoffen in kleding, motorolie van slechte kwaliteit, giftige alcoholische dranken, gebrekkige elektrische huishoudelijke apparaten, niet werkzame antirabiësvaccins, gebrekkige filters voor dieselmotoren enz.

De harmonisatie van de nationale wetgevingen tot handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten zal een bijdrage leveren aan de consumentenbescherming en een nuttige aanvulling zijn op de in de Gemeenschap bestaande wet- en regelgeving op dit gebied, met name de Europese richtlijnen inzake wettelijke aansprakelijkheid voor producten [41] en inzake algemene productveiligheid [42].

[41] Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29.

[42] Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid, PB L 228 van 11.8.1992, blz. 24, die momenteel wordt herzien (COM(2000) 139 def.).

F. Waarborgen van de handhaving van de openbare orde

Namaak en piraterij vormen een ware bedreiging van de openbare orde. Het verschijnsel heeft niet alleen economische en sociale gevolgen, maar maakt ook inbreuk op de arbeidswetgeving (illegale arbeid), de belastingwetgeving (inkomstenderving voor de staat), de wetgeving op het gebied van de volksgezondheid en de wetgeving inzake productveiligheid. Bovendien staat inmiddels vast dat namaak en piraterij activiteiten zijn die in zekere mate tot het domein van de georganiseerde criminaliteit behoren die hierin een weinig riskant middel ziet om geld dat van andere vormen van illegale handel (wapens, drugs) afkomstig is, wit te wassen en opnieuw in omloop te brengen. Namaak en piraterij, vroeger ambachtelijk, zijn bijna industriële activiteiten geworden. Ze bieden immers voor de inbreukmakers vooruitzichten op aanzienlijk economisch voordeel zonder extreem risico. Wat internet betreft, zijn de risico's voor inbreukmakers nog geringer door de snelheid van de illegale handelingen en de moeilijkheid om deze te traceren. Namaak en piraterij zouden tegenwoordig zelfs aantrekkelijker zijn dan illegale drugshandel, omdat potentieel hoge winsten te behalen zouden zijn zonder het risico van aanzienlijke wettelijke sancties. Namaak en piraterij op commerciële schaal lijken zo een middel en steun van de criminaliteit, en het terrorisme, te zijn. De raadpleging van de betrokken kringen die met het Groenboek van 1998 is begonnen, heeft trouwens, ondersteund door voorbeelden uit met name de muziek- en softwarebranche, bevestigd dat er banden bestaan tussen namaak en piraterij en de georganiseerde criminaliteit.

De harmonisatie op het niveau van de Gemeenschap van de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zal het dan ook mogelijk maken de lidstaten te helpen om de openbare orde te bewaren.

De versterking en verbetering van de bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt zijn complementair aan de horizontale initiatieven die op het gebied van justitie en binnenlandse zaken zijn genomen, met name de strategie van de Europese Unie ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, overeenkomstig het Verdrag van Amsterdam, de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 [43], de richtsnoeren die de Commissie in haar mededeling over de bestrijding van criminaliteit heeft voorgesteld en de werkzaamheden van het Europees Forum voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de economische criminaliteit [44]. Ten slotte hangt dit initiatief samen met de strategische aanpak van de Commissie inzake fraudebestrijding [45] en de maatregelen ter bescherming van communautaire belangen.

[43] PB C 124 van 3.5.2000, blz. 1.

[44] Het Europees Forum voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de economische criminaliteit is een initiatief van de Commissie voor de structurering van de werkzaamheden ter voorkoming van de misdaad op Europees niveau. Het gaat om een kader voor de vorming van netwerken van deskundigen en de lancering van initiatieven.

[45] Punt 1.4.2 van de Mededeling van de Commissie "Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen - Fraudebestrijding - Naar een algemene strategische aanpak", COM(2000) 358 definitief.

Deel 3:

Wijze van uitvoering en kenmerken van de voorgestelde maatregelen

A. De grenzen van de TRIPS-overeenkomst

De maatregelen en procedures voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zijn in feite met de inwerkingtreding van de TRIPS-overeenkomst geharmoniseerd. Hierin zijn minimumbepalingen over de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten op het gebied van de handel vastgelegd. Deze middelen omvatten:

- de algemene verplichting om doeltreffende maatregelen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in te voeren, met inbegrip van voorlopige beschermingsmaatregelen en corrigerende maatregelen die afschrikken;

- fundamentele aspecten op het gebied van civiele en administratieve procedures: eerlijke en billijke procedures, regels voor de indiening van bewijzen;

- de terbeschikkingstelling van bepaalde civiele (of administratieve) corrigerende maatregelen, bijvoorbeeld rechterlijke bevelen, schadevergoeding, beslaglegging en verwijdering van litigieuze goederen en, facultatief, recht op informatie;

- minimumvoorwaarden waaraan voorlopige maatregelen ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten moeten voldoen;

- in bepaalde gevallen de toepassing van strafprocedures en straffen.

In bepaalde middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (bijvoorbeeld het, op kosten van de namaker, uit de markt nemen van namaakartikelen) voorziet de TRIPS-overeenkomst echter niet , andere zijn slechts facultatief (bijvoorbeeld het recht op informatie). Ten slotte kunnen de uitvoeringsbepalingen van de in de TRIPS-overeenkomst vastgelegde maatregelen en procedures van land tot land aanzienlijk uiteenlopen. Dit geldt in de Gemeenschap met name voor de uitvoeringsbepalingen van de voorlopige maatregelen om het bewijsmateriaal te beschermen, voor de schadeberekening of ook voor de uitvoeringsbepalingen van de procedures om namaak of piraterij te doen beëindigen.

B. Het communautaire acquis betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

Op het niveau van de Gemeenschap hebben de initiatieven inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten vooral betrekking gehad op de buitengrens van de Gemeenschap [46]. Wat de interne markt betreft, zijn er enkele sectorale instrumenten die specifieke bepalingen inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten bevatten [47]. Er is echter op het niveau van de Gemeenschap tot op heden geen enkel gedetailleerd instrument van horizontaal belang vastgesteld.

[46] Zie voetnoot 19.

[47] Bijvoorbeeld op het gebied van het auteursrecht: artikel 7 (bijzondere beschermingsmaatregelen) van Richtlijn 91/250/EEG betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (vgl. voetnoot 11); artikel 12 (sancties) van Richtlijn 96/9/EG betreffende de rechtsbescherming van databanken (vgl. voetnoot 11) ; de artikelen 6 (bijzondere voorzieningen), 7 (informatie over het beheer van rechten) ent 8 (sancties en rechtsmiddelen) van Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (vgl. voetnoot 13). Op het gebied van de industriële eigendom: artikel 98 (sancties) en 99 (voorlopige en beschermende maatregelen) van Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk; artikel 89 (sancties terzake van inbreuken) en 90 (voorlopige, inclusief beschermende, maatregelen) van Verordening (EG) nr. 6/2002 betreffende Gemeenschapsmodellen.

C. De juridische situatie in de lidstaten

Ondanks de tenuitvoerlegging van de TRIPS-overeenkomst in de lidstaten laat de juridische situatie in de Gemeenschap grote verschillen zien waardoor de houders van intellectuele-eigendomsrechten niet overal op het grondgebied van de Gemeenschap van een gelijk beschermingsniveau kunnen profiteren. Zo lopen de procedures om namaak of piraterij te doen beëindigen (rechterlijke bevelen), de voorlopige maatregelen om met name het bewijsmateriaal te beschermen, de schadeberekening en het niveau van civiele en strafrechtelijke sancties van lidstaat tot lidstaat flink uiteen. In sommige lidstaten zijn geen maatregelen en procedures zoals het recht op informatie en het op kosten van de inbreukmaker terugroepen van de op de markt gebrachte litigieuze goederen, voorhanden.

Wat de rechterlijke bevelen betreft, verschilt de toepassing ervan, bijvoorbeeld met betrekking tot de wijze waarop rekening wordt gehouden met de belangen van derden, de wijze waarop litigieuze goederen worden geëlimineerd of de voorwaarden waaronder de ontmanteling van de middelen kan worden gelast die voor de productie van de litigieuze goederen zijn gebruikt. In Griekenland houdt de sanctie in beginsel niet noodzakelijkerwijs een overtreding in en kan deze dus gericht zijn tegen een inbreukmaker die te goeder trouw is. In Zweden en Finland is de sanctie niet van toepassing voor iemand die te goeder trouw is, terwijl in Denemarken, Spanje en Italië deze niet van toepassing is voor iemand die de desbetreffende goederen slechts voor privé-gebruik bezit. In Nederland (auteursrecht) wordt niet tot beslaglegging en vernietiging besloten, indien de persoon zelf niet bij de inbreuk betrokken was, zich niet beroepsmatig met de artikelen in kwestie bezighoudt en ze uitsluitend voor persoonlijke doeleinden heeft aangeschaft. In het Verenigd Koninkrijk kunnen de middelen die voor de vervaardiging van illegale kopieën zijn gebruikt slechts worden vernietigd indien de persoon die de middelen bezit, wist of redenen had om te weten dat deze middelen voor dit doel bestemd waren. In Duitsland (auteursrechten) kunnen middelen die (uitsluitend of vrijwel uitsluitend) zijn gebruikt om illegale kopieën te produceren alleen in beslag worden genomen en vernietigd als zij eigendom zijn van de piraat, terwijl er op het gebied van merken geen overeenkomstige beperking bestaat. In Nederland is in de juridische praktijk [48] het beginsel ontwikkeld dat de inbreukmaker kan worden verplicht de litigieuze producten die al op de markt zijn verspreid, terug te halen. De inbreukmaker moet de kosten van deze operatie dragen en moet de koper een vergoeding betalen. Dit soort maatregel bestaat niet in het recht van de andere lidstaten.

[48] HR 23.2.1990, NJ 1990, 664 m. nt. DWFV (Hameco) en volgende arresten.

Wat bewijzen betreft, is de maatregel die in het Verenigd Koninkrijk onder de naam Anton Piller Order [49] bekend is, in de praktijk erg belangrijk, maar sommigen vinden deze te kostbaar en te ingewikkeld. Bij beschikking van de High Court die wordt genomen zonder de wederpartij te horen, is op grond van deze maatregel nauwkeurig onderzoek en algeheel beslag van de bewijzen in de ruimten van de vermoedelijke inbreukmaker mogelijk. De zogenoemde Doorstep Order [50] (een vereenvoudigde Anton Piller Order), uit hoofde waarvan verzoeken om documenten en voorwerpen kunnen worden voorgelegd zonder het recht op toegang tot de ruimten, wordt als doeltreffend beoordeeld. Een andere maatregel die onder de naam freezing injunction [51] (of Mareva injunction [52]) bekend is, wordt gebruikt om bankrekeningen en andere bezittingen van de verweerder te blokkeren in afwachting van het onderzoek ten gronde van de zaak door de rechtbank. In Frankrijk voorziet de wet [53] ook in een zeer doeltreffend middel om bewijzen te verkrijgen. De rechthebbende kan een verzoek tot beslag inzake namaak bij de president van het gerecht van eerste aanleg indienen. De maatregel kan de vorm hebben van een gedetailleerd beschrijvend beslag of een werkelijk beslag op de litigieuze producten. In Italië zijn het beslag en de beschrijving van de litigieuze artikelen ook in de wet vastgelegd. In Duitsland zijn de juridische mogelijkheden voor de bewijsgaring niet erg doeltreffend. Zij beperken zich tot het verkrijgen van bewijs door middel van getuigenverklaringen, getuigenissen van deskundigen of van inspectie, maar strekken zich niet uit tot documenten en het horen van partijen. Anders dan in andere lidstaten zijn onderzoeksopdrachten zonder dat de wederpartij wordt gehoord, in de civiele procedure in Oostenrijk, Denemarken en Zweden niet beschikbaar.

[49] Anton Piller KG vs. Manufacturing Processes Ltd. [1976] 1 Ch. 55, [1976] R.P.C. 719.

[50] Universal City Studios Inc. vs. Mukhtar & Sons [1976] F.S.R. 252.

[51] Art. 25, lid 1, van het Britse wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

[52] Mareva Compania Naviera SA vs. International Bulk Carriers SA [1975] 2 Lloyd's Rep. 509.

[53] Art. L-332-1, L-521-1, L-615-5 en L-716-7 van het wetboek van de intellectuele eigendom.

Aangezien het om voorlopige maatregelen gaat, zijn er aanzienlijke verschillen in de wijze van uitvoering van de procedure en de frequentie waarmee deze rechtswegen worden gebruikt, ook al zijn deze verschillen hoofdzakelijk het gevolg van tradities en benaderingswijzen van de rechtbanken. In Nederland wordt de vereenvoudigde procedure van het kort geding [54] heel vaak gebruikt. Het kort geding wordt in zekere zin zelfs beschouwd als vervanging van de gewone procedures in geval van inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten. In het Verenigd Koninkrijk komen interlocutoire (voorbereidende) rechterlijke bevelen in de praktijk nogal vaak voor, waarbij de beslissende factor bij de beoordeling van het rechterlijk bevel is of de verweerder in staat is voldoende schadeloosstelling te betalen om het verlies van de verzoeker te dekken ingeval de laatste voor de rechtbank wint. In Duitsland is men nogal terughoudend met interlocutoire rechterlijke bevelen en worden ze voornamelijk op het gebied van merken uitgevaardigd voor op heterdaad ontdekte gevallen van namaak. In Frankrijk is een rechterlijk bevel in kort geding mogelijk na aanvang van de bodemprocedure, maar dit gebeurt nogal zelden omdat enerzijds een verzoek om beschrijving of beslag van de vermeende namaakartikelen kan worden ingediend en anderzijds de voorlopige maatregelen het niet toelaten schadevergoeding te eisen.

[54] Art. 289 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Het Hof van Justitie heeft het karakter van voorlopige maatregel, in de zin van artikel 50 van de TRIPS-overeenkomst, van deze procedure bevestigd (Hermès-arrest van 16 juni 1998, zaak C-53/96, Jurispr. 1998, blz. I-3603).

Wat de berekening van schadevergoedingen betreft, bestaan er in de lidstaten drie mogelijke situaties: compensatie voor het werkelijk geleden verlies; verzoek om afdracht van de door de inbreukmaker genoten winst; betaling van de vergoedingen die verschuldigd zouden zijn geweest als de inbreukmaker toestemming voor het gebruik van het recht zou hebben gevraagd. In de meeste landen kan de verzoeker kiezen tussen deze drie mogelijkheden (of ten minste tussen de eerste en de derde) zonder cumulatie of vermenging van de verschillende berekeningsmethoden. Bovendien bestaan er in de praktische toepassing voor elk van deze berekeningswijzen van lidstaat tot lidstaat aanzienlijke verschillen. Wat het verzoek om winstafdracht betreft, vormen bijvoorbeeld in Duitsland de bepalingen van het burgerlijk wetboek over de terugbetaling van winst die wederrechtelijke is verkregen door "omlegging van zaken", de basis voor het verzoek [55]. In het Verenigd Koninkrijk wordt winstafdracht niet als schadevergoeding beschouwd, maar als een "billijke corrigerende maatregel". In Portugal (auteursrecht) daarentegen moeten bij de berekening van de schadevergoeding de inkomsten van de inbreukmaker in aanmerking worden genomen. In Oostenrijk (auteursrecht) kan de schadevergoeding worden berekend op basis van de winst van de inbreukmaker onafhankelijk van de ernst van het vergrijp. In Finland (merken) kan een verzoek om de winst van de inbreukmaker zelfs gerechtvaardigd zijn in geval van inbreuk te goeder trouw. In de Beneluxlanden is winstafdracht door de inbreukmaker slechts mogelijk in geval van verzwarende omstandigheden (kwader trouw). In Frankrijk heeft de benadeelde partij in beginsel het recht om niet minder maar ook niet meer aan schadevergoeding te ontvangen dan het werkelijk geleden verlies [56].

[55] In dit verband moet worden gewezen op de recente ontwikkeling van de Duitse jurisprudentie in de richting van de vaststelling van afschrikkender schadevergoedingen. Het Bundesgerichtshof (BGH), dat zich moest uitspreken in een zaak betreffende namaak van tekeningen en modellen, was in een arrest van 2.11.2000 van oordeel dat de bedrijfskosten niet langer mogen worden afgetrokken van de door de namaker behaalde winst, en maakte hiermee aldus een einde aan jurisprudentie uit 1962 (I ZR 246/98).

[56] Art. 1382 van het burgerlijk wetboek.

Het recht op informatie, dat gericht kan zijn tegen iedereen die bij een inbreuk betrokken is, verplicht de verweerder tot verstrekking van informatie over de herkomst van de litigieuze goederen, de distributiekanalen en de identiteit van derden die bij de productie en distributie van de goederen betrokken zijn. Tot dusverre is het recht op informatie slechts in de rechtsorde van enkele lidstaten ingevoerd, te weten in Duitsland in de wetgeving op het gebied van intellectuele eigendom [57] en in de Benelux-merkenwet [58].

[57] Zie met name paragraaf 19 van de Duitse merkenwet.

[58] Art. 13 bis, lid 4, van de Benelux-merkenwet.

Deze verschillen tussen de nationale sanctieregelingen op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten zijn voor de rechthebbenden van grote invloed op met name de doeltreffendheid en de kosten van de procedures, de termijnen en het bedrag van de toegekende schadevergoeding.

Tot slot bestaan er, wat de straffen betreft, niet alleen aanzienlijke verschillen inzake de hoogte van de in de nationale wetgeving vastgelegde straffen, maar ook inzake de methode om de geldboetes te berekenen. Uit hoofde van de TRIPS-overeenkomst (en de nationale juridische traditie) beschikken alle lidstaten over burgerrechtelijke vergoedingen en straffen die zelfs gevangenisstraf kunnen inhouden. De maximumgeldboetes lopen uiteen van enkele duizenden euro's (Italië, Luxemburg) tot bijna 500 000 euro (België) en meer dan 750 000 euro (Frankrijk voor rechtspersonen). In Groot-Brittannië is er geen maximale door de wet voorgeschreven geldboete. In sommige landen is geen maximumboete vastgelegd, omdat het bedrag wordt berekend naargelang van de inkomsten van de inbreukmaker (bijvoorbeeld in de noordse landen, Oostenrijk, Duitsland). De gevangenisstraffen variëren van enkele dagen tot tien jaar (Griekenland, Groot-Brittannië).

Al is deze richtlijn niet bedoeld om de straffen als zodanig te harmoniseren, toch zou een doeltreffende toepassing van werkelijk afschrikkende straffen in alle lidstaten positief bijdragen aan de bestrijding van piraterij en namaak.

D. De behoefte aan harmonisatie van de nationale wetgevingen

Onder de rechthebbenden bestaat de behoefte over middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te beschikken die in alle lidstaten even doeltreffend zijn. Deze behoefte komt bovendien overeen met de beleidsdoelstellingen van de Commissie om de ontwikkeling van innoverende en creatieve activiteiten in Europa te vergemakkelijken door een coherente en doeltreffende bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt. Aan deze behoefte kan niet worden voldaan door alleen op het niveau van elke lidstaat maatregelen te treffen. De nationale wetgeving stelt soms aan rechthebbenden doeltreffende middelen tot handhaving van hun rechten ter beschikking, maar de praktische toepassing ervan is niet volledig gewaarborgd. Zoals de meeste betrokken kringen in het kader van de raadpleging die met het Groenboek is gestart, hebben onderstreept, kunnen alleen maatregelen op het niveau van de Gemeenschap ervoor zorgen dat de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten overal even doeltreffend is.

De invoering van regelgeving op het niveau van de Gemeenschap die rechtstreeks van toepassing is in alle lidstaten, zou de situatie ook niet op bevredigende wijze kunnen verbeteren. Het is immers van belang rekening te houden met de juridische tradities en de specifieke situatie in elke lidstaat. Het gaat erom de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten op gelijkwaardige wijze op het gehele grondgebied van de Gemeenschap te waarborgen, maar binnen het bestaande nationale kader. Daarom lijkt alleen harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten op communautair niveau het aangewezen middel om het beoogde doel te bereiken. Om werkelijk doeltreffend te zijn moet worden gestreefd naar harmonisatie op basis van de nationale bepalingen die het geschiktst lijken om aan de behoeften van de benadeelde partijen tegemoet te komen en tegelijkertijd rekening te houden met de legitieme belangen van de verweerders. Harmonisatie maakt het mogelijk intellectuele-eigendomsrechten op homogene en doeltreffende wijze in de gehele Gemeenschap te handhaven, een grotere transparantie van de sanctieregelingen in te voeren en op de doeltreffende toepassing van de aan de rechthebbenden ter beschikking gestelde middelen toe te zien.

Uit hoofde van het in artikel 5 van het EG-Verdrag vermelde evenredigheidsbeginsel moeten de geplande maatregelen in juiste verhouding staan tot het hoofddoel om de werking van de interne markt te verbeteren en transparanter te maken. De harmonisatie van de nationale wetgevingen mag dan ook niet betrekking hebben op alle aspecten van de nationale wetgevingen inzake de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, maar moet zich beperken tot de onderlinge aanpassing van de fundamentele bepalingen die het meest direct van invloed zijn op de werking van de interne markt.

E. Rechtsgrondslag

Zoals hierboven in deel 1, onder B, aangetoond, kan de instandhouding van verschillende nationale rechtsstelsels voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten die momenteel op communautair niveau grotendeels zijn geharmoniseerd, het vrije verkeer van goederen en diensten schaden, onrust op de interne markt veroorzaken, met name door verstoring van de legale handelsstromen, en zo de concurrentievoorwaarden vervalsen. De onderlinge aanpassing van de fundamentele nationale voorschriften die de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten regelen, maakt het mogelijk de werking van de interne markt te verbeteren en transparanter te maken, de innovatie door en het concurrentievermogen van ondernemingen te stimuleren en de werkgelegenheid en de investeringen in de EG te bevorderen.

Het Europese Hof van Justitie [59] is van mening dat een handelwijze die een gevaar van merkbare beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten in zich bergt, schadelijk kan zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de gemeenschappelijke markt als omschreven in artikel 95, lid 1, van het EG-Verdrag. Een lidstaat die van plan is minder dwingende maatregelen vast te stellen en uit te voeren dan de andere lidstaten zou verstoring van de handelsstromen veroorzaken. De legale handelskringen zouden deze lidstaat kunnen gaan mijden wegens het marktaandeel van piraat- of namaakproducten of de problemen om in een dusdanig verstoorde markt te concurreren.

[59] Arrest van 28 april 1998 in zaak C-306/96, Javico/Yves Saint Laurent, Jurispr. 1998, blz. I-1983, punt 25.

Dientengevolge en daar het doel van de maatregel de voltooiing van de interne markt is door middel van de harmonisatie van de wettelijke en bestuurrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, stelt de Commissie voor artikel 95 van het EG-Verdrag als rechtsgrondslag voor de harmonisatie aan te nemen. Deze rechtsgrondslag is ook voor andere richtlijnen inzake de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen op het gebied van intellectuele eigendom [60] gekozen. Bovendien is de gegrondheid van deze rechtsgrondslag herhaaldelijk door het Hof van Justitie bevestigd [61] en met name wat betreft Richtlijn 98/44/EG, in een recent arrest van het Hof waarin de gekozen rechtsgrondslag aandachtig is onderzocht [62].

[60] Zie de richtlijnen die in de voetnoten 8 t/m 12 zijn vermeld.

[61] Advies 1/94 van 15.11.1994, Bevoegdheid van de Gemeenschap om internationale akkoorden op het gebied van diensten en bescherming van de intellectuele eigendom te sluiten, Jurispr. 1994, blz. I-5267, en het arrest van 13 juli 1995 in zaak C-350/92, Koninkrijk Spanje/Raad, Jurispr. 1995, blz. I-1985.

[62] Arrest van 9 oktober 2001 in zaak C-377/98, Nederland/Parlement en Raad, Jurispr. 2001, blz. I-7079. Het Hof heeft geconcludeerd:

Dezelfde rechtsgrondslag (artikel 95) heeft al de harmonisatie van een groot deel van het recht inzake de intellectuele eigendom binnen de interne markt mogelijk gemaakt. De doeltreffendheid van deze maatregelen betreffende de harmonisatie van intellectuele-eigendomsrechten wordt waarschijnlijk niet gewaarborgd, indien de concrete uitoefening van deze rechten niet ook wordt gewaarborgd. De in deze richtlijn voorgestelde maatregelen en procedures zullen de correcte toepassing van het communautaire acquis betreffende het materiële recht inzake intellectuele eigendom kunnen waarborgen; het is derhalve legitiem dat artikel 95 ook de rechtsgrondslag vormt van een richtlijn voor de harmonisatie van de handhaving van deze rechten, waardoor het communautaire acquis op dit gebied effect kan sorteren.

In die zin is deze richtlijn bedoeld om de lidstaten ertoe te verplichten effectieve, evenredige en afschrikkende sancties vast te stellen [63], in daartoe aangewezen gevallen met inbegrip van strafrechtelijke maatregelen [64], teneinde de goede werking van de interne markt en het volledige effect van het communautaire acquis inzake intellectuele eigendom te waarborgen. Dit komt tevens overeen met de verplichtingen die zowel de Gemeenschap als elke lidstaat in het kader van de TRIPS-overeenkomst, en met name artikel 61 ervan, zijn aangegaan. De richtlijn heeft ook ten doel te waarborgen dat alle hoofdrolspelers bij de inbreuk volgens het interne recht van de lidstaten aansprakelijk worden gesteld.

[63] Zie met name de arresten van het Hof van Justitie in de zaken C-186/98 tegen Nunes en de Matos van 8 juli 1999 (Jurispr. 1999, blz. I-4883), C-326/88 tegen Hansen van 10 juli 1990 (Jurispr. 1990, blz. I-2911) en 68/88, Commissie/Griekenland van 21 september 1989 (Jurispr. 1989, blz. 2965).

[64] Zie met name het Unilever-arrest van het Hof van 28 januari 1999 in zaak C-77/97 (Jurispr. 1999, blz. I-431) waarin het Hof met betrekking tot Richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten, als gewijzigd, heeft verklaard dat "in de bepalingen die de lidstaten overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Richtlijn 76/768 vaststellen om elke vorm van reclame te vermijden waarbij aan cosmetische producten kenmerken worden toegeschreven die deze niet bezitten, [moet] worden voorgeschreven, dat een dergelijke vorm van reclame een - in het bijzonder strafrechtelijke - overtreding is waarop sancties met een afschrikkende werking staan."

Ten slotte is deze richtlijn niet bedoeld om de geldende regels betreffende justitiële samenwerking, rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken te harmoniseren, noch om de geldende wetgeving te behandelen. Communautaire instrumenten regelen deze onderwerpen in het algemeen en zijn dus ook van toepassing op de intellectuele eigendom [65].

[65] Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, PB L 160 van 30.6.2000, blz. 37; Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1; Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1; Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.

Deel 4:

Analyse van de bepalingen

De bepalingen van dit voorstel zijn het resultaat van een uitgebreide raadpleging van de betrokken kringen, de lidstaten en de andere instellingen van de Europese Unie. Er is dan ook in de hierna volgende bepalingen zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokken kringen en de lidstaten geuite zorgen. Er is tevens rekening gehouden met de door het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité geformuleerde suggesties. In sommige gevallen vormden de in een of meer lidstaten geldende bepalingen, die bovendien hun doeltreffendheid hebben bewezen, een nuttige inspiratiebron voor de opstelling van dit voorstel.

Artikel 1

Doel

In dit artikel wordt het doel van deze richtlijn omschreven en aangegeven dat deze de noodzakelijke maatregelen om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen betreft.

Artikel 2

Toepassingsgebied

In artikel 2, lid 1, wordt het toepassingsgebied van de richtlijn omschreven: de middelen tot handhaving van de onder de richtlijn vallende rechten zijn van toepassing op elke inbreuk op de rechten die voortvloeien uit communautaire en Europese bepalingen inzake de bescherming van de intellectuele eigendom, zoals opgenomen in de bijlage van de richtlijn, en uit de bepalingen die de lidstaten hebben goedgekeurd om zich naar deze bepalingen te voegen, wanneer een dergelijke inbreuk met commerciële bedoelingen wordt gepleegd of wanneer de inbreuk de rechthebbende aanzienlijke schade berokkent. De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde instanties andere maatregelen kunnen gelasten die aan de omstandigheden zijn aangepast en geschikt zijn om de inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht te doen staken of nieuwe inbreuken te voorkomen, alsmede alle andere passende maatregelen. In lid 2 van dit artikel wordt benadrukt dat de bepalingen van deze richtlijn de specifieke bepalingen die voor de handhaving van de rechten op het gebied van het auteursrecht zijn vastgelegd, en met name artikel 8 van Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, onverlet laten. In lid 3, onder a), van dit artikel wordt benadrukt dat deze richtlijn de communautaire bepalingen betreffende het materiële recht inzake de intellectuele eigendom, Richtlijn 2000/31/EG inzake elektronische handel, Richtlijn 1999/93/EG betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen, alsmede Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, onverlet laat en hieraan geen afbreuk doet. Het gaat er met andere woorden om te verduidelijken dat de richtlijn niet de inhoud betreft, maar slechts de handhaving van de rechten en dat de toepassing ervan door de lidstaten niet tot conflicten met de hierboven genoemde richtlijnen mag leiden. In lid 3, onder b), van dit artikel wordt benadrukt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de verplichtingen die voor de lidstaten uit internationale verdragen, en met name de TRIPS-overeenkomst, voortvloeien.

Artikel 3

Algemene verplichting

In dit artikel wordt de lidstaten de algemene verplichting opgelegd de noodzakelijke en evenredige maatregelen en procedures vast te stellen om de intellectuele-eigendomsrechten te handhaven. Er wordt benadrukt dat deze maatregelen en procedures van dien aard moeten zijn dat zij de daders het economische voordeel van hun inbreuk ontnemen. Deze tekst is op de bepalingen van artikel 41, lid 2, van de TRIPS-overeenkomst geïnspireerd, waarin is vastgelegd dat de desbetreffende maatregelen en procedures eerlijk en billijk moeten zijn, dat ze niet onnodig ingewikkeld of kostbaar mogen zijn en geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen mogen inhouden.

Artikel 4

Sancties

In dit artikel wordt benadrukt dat de lidstaten moeten vastleggen dat elke inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht kan worden bestraft en dat deze sancties effectief, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Dit artikel ligt volledig in de lijn van de mededeling van de Commissie betreffende de rol van sancties voor de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving op het gebied van de interne markt (COM(95) 162 def.).

Artikel 5

Personen die bevoegd zijn om toepassing van de maatregelen en procedures te vragen

In dit artikel worden de personen omschreven die bevoegd zijn om toepassing van de maatregelen en procedures te vragen. In lid 1 wordt vastgelegd dat allereerst de rechthebbenden, de personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, en hun vertegenwoordigers degenen zijn die bevoegd zijn om toepassing van de maatregelen en procedures te vragen. In lid 2 wordt vastgelegd dat de lidstaten moeten bepalen dat instellingen voor het beheer van rechten of de verdediging van beroepsbelangen als rechtmatige vertegenwoordigers van de rechthebbenden bevoegd zijn om toepassing van de maatregelen en procedures te vragen en in rechte op te treden ter verdediging van rechten of collectieve of individuele belangen waarmee zij zijn belast. Deze bepaling is geïnspireerd op wat al in de wetgeving van sommige lidstaten bestaat (artikel 98 van de Belgische wet van 1991 over de bescherming van de consument; artikel L-421 van de Franse consumentenwet; artikel L-331-1, 2e alinea, van de Franse wet op de intellectuele eigendom). Aan het einde van dit lid wordt benadrukt dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen zodat de instellingen voor het beheer van rechten of de verdediging van beroepsbelangen van een andere lidstaat onder dezelfde voorwaarden als een nationale instelling om toepassing van de maatregelen en procedures kunnen vragen en in rechte kunnen optreden. Deze bepaling dient ter uitvoering van het discriminatieverbod en doet geen afbreuk aan de toepasselijke regels om voor de vertegenwoordiging van de partijen in rechte op te treden.

Artikel 6

Vermoeden van auteursrecht

Dit artikel geeft de toepassing weer van vermoedens op het gebied van het auteursrecht die uitdrukkelijk is vastgelegd in de Berner Conventie (art. 15) en indirect in de TRIPS-overeenkomst. In de Berner Conventie staat: "opdat de auteurs van de (...) werken van letterkunde en kunst (...) als zodanig worden beschouwd en zij bijgevolg voor de rechter van de landen van de Unie worden toegelaten om vervolging wegens inbreuk in te stellen, is het voldoende dat de naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat". Bepalingen van deze strekking staan in de wetgevingen van de lidstaten.

Artikel 7

Bewijsmateriaal

In artikel 7 wordt een aantal voorschriften voor de lidstaten inzake bewijs vastgesteld, dat van het grootste belang is in geval van inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht. In lid 1 wordt bepaald dat de partijen, onder bepaalde voorwaarden, kunnen worden verplicht bewijsmateriaal over te leggen dat zich in hun macht bevindt, onder voorbehoud dat de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd. Dit lid is ook geïnspireerd op de bepalingen van artikel 43 van de TRIPS-overeenkomst. In lid 2 wordt benadrukt dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten treffen om de bevoegde rechterlijke instanties in staat te stellen inzage in of beslag op financiële, bank- of handelsdossiers te gelasten.

Artikel 8

Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal

In lid 1 van dit artikel wordt een procedure van beslag met beschrijving of werkelijk beslag ten bate van de rechthebbende vastgesteld, zelfs voor aanvang van een bodemprocedure, wanneer een aantoonbaar risico bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd. De rechthebbende kan, in geval van inbreuk op zijn recht of als uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat een inbreuk dreigt, bij een op grond van een verzoekschrift gegeven beschikking, zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, doen overgaan tot hetzij de gedetailleerde beschrijving, waarbij eventueel ook monsters kunnen worden genomen, hetzij de werkelijke inbeslagneming van de litigieuze goederen. Ingeval de beschikking is gegeven zonder dat de wederpartij is gehoord, heeft zij het recht later om een herziening van deze beschikking te verzoeken en in de herzieningsprocedure te worden gehoord. In lid 2 wordt vastgesteld dat aan de werkelijke inbeslagneming de voorwaarde kan worden verbonden dat een passende zekerheid wordt gesteld voor de schadeloosstelling van de verweerder in geval van een ongerechtvaardigd verzoek. In lid 3 wordt bepaald dat de verzoeker vervolgens over een termijn van 31 kalenderdagen beschikt om bij de rechtbank een bodemprocedure in te leiden, zo niet dan is het beslag van rechtswege nietig, onverminderd schadevergoeding die van de verzoeker kan worden geëist. Deze maatregel is een aanvulling op de bepalingen van artikel 43 van de TRIPS-overeenkomst en is geïnspireerd op bepalingen die in sommige lidstaten hun doeltreffendheid hebben bewezen, met name in het Verenigd Koninkrijk (Anton Piller Order, Doorstep Order) en in Frankrijk (beslag inzake namaak). In dit lid wordt ten slotte in navolging van artikel 50, lid 7, van de TRIPS-overeenkomst een mechanisme vastgelegd voor de schadeloosstelling van de verweerder in bepaalde situaties waarin hij schade heeft geleden als gevolg van de in dit artikel bedoelde maatregelen ter bescherming van het bewijsmateriaal.

Artikel 9

Recht op informatie

Dit artikel is een aanvulling op artikel 47 van de TRIPS-overeenkomst. Het is geïnspireerd op de bepalingen die op dit gebied in sommige wetgevingen (Benelux, Duitsland) al bestaan. In het artikel wordt een bepaling overgenomen die op verzoek van het Europees Parlement is opgenomen in het gewijzigde voorstel voor een richtlijn inzake de rechtsbescherming van modellen (artikel 16 bis van de tekst in document COM(96) 66 def.), vervolgens op verzoek van de Raad is ingetrokken, omdat de Raad van mening was dat de richtlijn over modellen geen geschikt instrument was voor de bestrijding van namaak en dat de problemen op dit gebied met specifieke maatregelen moesten worden aangepakt. Deze maatregel heeft de unanieme steun gekregen van de betrokken kringen, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité. In lid 1 wordt bepaald dat de bevoegde instanties, op verzoek van de rechthebbende en tenzij er bijzondere redenen zijn dit niet te doen, iedere persoon die in de in de onder a), b) of c) van dit lid genoemde omstandigheden bij de inbreuk betrokken is, gelasten om informatie te verstrekken over de herkomst en de distributiekanalen van de litigieuze goederen of diensten. In lid 2 wordt de aard van de te verstrekken informatie verduidelijkt. In lid 3 wordt vastgelegd dat het recht op informatie onverminderd andere bepalingen geldt die beperkend zijn opgesomd en de mededeling van informatie betreffen. Ten slotte wordt in lid 4 omgekeerd vastgesteld dat de bevoegde nationale instanties (bijvoorbeeld politie en douane) die in het bezit zijn van dergelijke informatie, de rechthebbende hiervan op de hoogte kunnen stellen, voorzover hij bekend is, met inachtneming van de voorschriften voor de bescherming van vertrouwelijke informatie, om de hem in staat te stellen bij de bevoegde rechter een zaak aanhangig te maken voor een beslissing ten gronde of voor het verkrijgen van voorlopige of conservatoire maatregelen.

Artikel 10

Voorlopige maatregelen

In artikel 10 wordt een aantal bepalingen betreffende voorlopige maatregelen vastgesteld die de lidstaten aan de bevoegde instanties ter beschikking moeten stellen. Deze bepalingen zijn een aanvulling op die van artikel 50 van de TRIPS-overeenkomst. De voorlopige maatregelen zijn heel erg belangrijk bij inbreuk op de intellectuele eigendom want het is in bijna alle gevallen voor de rechthebbende van belang snel te handelen. In lid 1 wordt oplegging van een bevel bepaald dat bedoeld is om onder dwangsom voorlopig elke dreigende inbreuk te voorkomen of voortzetting van de inbreuk te verbieden of om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat een zekerheid wordt gesteld voor de schadeloosstelling van de rechthebbende. In dit zelfde lid wordt bepaald dat de rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben om van de verzoeker te verlangen dat hij redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal overlegt, opdat zij zich er met een voldoende mate van zekerheid van kunnen vergewissen dat hij de rechthebbende is en dat er inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt. Volgens lid 2 mogen deze maatregelen in passende gevallen worden aangenomen zonder dat de wederpartij wordt gehoord, met name wanneer uitstel onherstelbare schade voor de rechthebbende kan veroorzaken. De betrokken partij moet hiervan na uitvoering van de maatregelen onverwijld in kennis worden gesteld. Bovendien kunnen deze maatregelen op verzoek van de verweerder worden herzien, met inbegrip van het recht te worden gehoord. In lid 3 wordt verduidelijkt dat het verzoek tot een verbod slechts wordt toegewezen als de procedure binnen een termijn van 31 kalenderdagen vanaf de datum waarop de rechthebbende van de inbreuk wist, is ingesteld. Aan het verbod kan uit hoofde van lid 4 de voorwaarde worden verbonden dat de verzoeker zekerheden stelt voor de eventuele schadeloosstelling van de geleden schade in geval van een ongerechtvaardigd verzoek. Ten slotte wordt in lid 5 in navolging van artikel 50, lid 7, van de TRIPS-overeenkomst een mechanisme vastgelegd voor de schadeloosstelling van de verweerder in bepaalde situaties waarin hij schade heeft geleden als gevolg van de in dit artikel bedoelde voorlopige maatregelen.

Artikel 11

Conservatoire maatregelen

In artikel 11, lid 1, wordt bepaald dat, zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, conservatoir beslag op de roerende en onroerende goederen van de inbreukmaker, met inbegrip van blokkering van zijn bankrekeningen en andere tegoeden, kan worden uitgesproken, met name als de benadeelde partij wijst op omstandigheden die het verkrijgen van schadevergoeding in gevaar kunnen brengen. Deze maatregel is geïnspireerd op wat in de Britse wet onder de naam freezing injunction of Mareva injunction is vastgelegd. Ook inzage in of beslag op financiële, bank- of handelsdossiers moet kunnen worden gelast om degenen die werkelijk van de inbreuk profiteren te identificeren en te vervolgen. Ten slotte wordt in de leden 2 en 3 een mechanisme vastgelegd voor een zekerheidstelling en een latere schadeloosstelling zoals ook in de artikelen 8 en 10 is neergelegd.

Artikel 12

Terugroepen van goederen

In dit artikel wordt vastgelegd dat de op de markt gebracht litigieuze goederen op kosten van de inbreukmaker kunnen worden terugroepen onverminderd de aan de rechthebbende verschuldigde schadevergoeding. Deze maatregel is door de Nederlandse jurisprudentie ontwikkeld.

Artikel 13

Onttrekking aan het verkeer

In dit artikel wordt bepaald dat de goederen die een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht vormen, alsmede de materialen en werktuigen die voor deze inbreuk zijn gebruikt, zonder schadevergoeding van welke aard ook, aan het verkeer moeten worden onttrokken. Dit houdt ook de verbeurdverklaring van deze voorwerpen in zoals omschreven in de Belgische auteurswet van 30 juni 1994, artikel 87, 2. Deze bepaling verduidelijkt de strekking van artikel 46 van de TRIPS-overeenkomst.

Artikel 14

Vernietiging van goederen

In artikel 14 wordt de vernietiging van de litigieuze goederen vastgelegd wanneer de aanwezigheid ervan op de markt schade berokkent aan de houder van het intellectuele-eigendomsrecht. Deze bepaling is geïnspireerd op artikel 46 van de TRIPS-overeenkomst.

Artikel 15

Preventieve maatregelen

In artikel 15 wordt geregeld dat de lidstaten in geval van een vroegere rechterlijke uitspraak bepalen dat de bevoegde instanties de inbreukmaker een bevel kunnen opleggen dat nieuwe inbreuken verbiedt, terwijl niet-naleving van een bevel kan worden beboet, in voorkomend geval gecombineerd met een dwangsom. Deze bepaling is een verdere uitwerking van de strekking en de sanctie van de in artikel 44, lid 1, van de TRIPS-overeenkomst vastgelegde verbodsbevelen. In lid 2 wordt bepaald dat de lidstaten erop moeten toezien dat rechthebbenden kunnen verzoeken een bevel op te leggen aan tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken.

Artikel 16

Alternatieve maatregelen

In artikel 16 wordt vastgelegd dat degene die een inbreuk heeft gepleegd zonder dat hem schuld treft of hij nalatig is geweest, de benadeelde partij in geld schadeloos kan stellen ingeval de uitvoering van de desbetreffende maatregelen voor de betrokkene onevenredige schade met zich mee zou brengen en de benadeelde partij zich redelijkerwijs met een geldelijke vergoeding tevreden kan stellen. Deze bepaling is geïnspireerd op artikel 101, lid 1, van de Duitse auteurswet. Om de belangen te waarborgen van een verweerder die geen schuld treft, noch nalatig heeft gehandeld, maakt deze bepaling schadeloosstelling mogelijk in de vorm van een overeengekomen vergoeding in plaats van toepassing van de sancties die in dezelfde afdeling zijn vermeld.

Artikel 17

Schadevergoeding

Artikel 17 over schadevergoeding is een aanvulling op de bepalingen van artikel 45 van de TRIPS-overeenkomst. In lid 1 wordt het beginsel bevestigd dat schadevergoeding bedoeld is om de wegens een opzettelijke of verwijtbare inbreuk geleden schade te compenseren. Zo is in lid 1 is bepaald dat de benadeelde partij recht heeft op a) hetzij een schadevergoeding die wordt vastgesteld op een overeengekomen bedrag dat is vastgesteld op het dubbele van het bedrag van de vergoedingen of rechten die verschuldigd waren geweest als de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende recht te gebruiken (het doel van deze bepaling is om een volledige vergoeding vast te leggen van de geleden schade die soms moeilijk door de rechthebbende kan worden vastgesteld. Deze bepaling houdt geen schadevergoeding als straf in, maar het gaat er om een schadeloosstelling op objectieve grondslag mogelijk te maken waarbij tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de kosten - zoals administratieve kosten om de inbreuk vast te stellen en onderzoek naar de oorsprong van de inbreuk - die de rechthebbende heeft gemaakt), b) hetzij een compenserende schadevergoeding (die overeenkomt met door de rechthebbende geleden schade met inbegrip van de gederfde inkomsten). Vervolgens wordt verduidelijkt dat bij de berekening van de schadevergoeding andere elementen dan economische factoren in aanmerking kunnen worden genomen, zoals de morele schade die de rechthebbende door de inbreuk heeft geleden. In lid 2 wordt bepaald dat in passende gevallen de door de inbreukmaker genoten winst waarmee bovendien bij de berekening van de compenserende schadevergoeding geen rekening wordt gehouden, kan worden toegevoegd. Het gaat er hier om een afschrikkend element vast te leggen tegen bijvoorbeeld op commerciële schaal gepleegde opzettelijke inbreuken. Voor de berekening van de genoemde winst hoeft de rechthebbende slechts bewijzen betreffende het bedrag van de door de inbreukmaker genoten bruto-inkomsten over te leggen, terwijl deze het bewijs moet leveren van zijn aftrekbare kosten en van winst die aan andere factoren is toe te rekenen die niets met de inbreuk te maken hebben.

Artikel 18

Gerechtskosten

In artikel 18 wordt bepaald dat de gerechtskosten, de honoraria van de advocaat, alsmede de overige kosten die de partij die de zaak heeft gewonnen eventueel heeft gemaakt (bijvoorbeeld onderzoekskosten, deskundigenkosten), door de wederpartij worden gedragen, tenzij de billijkheid of de economische situatie van de wederpartij dit niet toestaat. Deze mogelijkheid wordt deels geboden door artikel 45, lid 2, van de TRIPS-overeenkomst.

Artikel 19

Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

Artikel 19 heeft betrekking op de openbaarmaking van rechterlijke uitspraken, die in het algemeen wordt beschouwd als een doeltreffende maatregel om het publiek te informeren en tegelijkertijd een afschrikkende maatregel betreffende inbreuk op de intellectuele eigendom. In lid 1 wordt bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de rechterlijke instanties in het kader van rechtsvorderingen wegens inbreuk op de intellectuele eigendom op verzoek van de rechthebbende en op kosten van de inbreukmaker aanplakking van de uitspraak en volledige of gedeeltelijke openbaarmaking in de door hem aangewezen dagbladen kunnen gelasten. Deze openbaarmaking moet plaatsvinden met inachtneming van de voorschriften betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. In lid 2 wordt bepaald dat lidstaten ook andere wijzen van openbaarmaking kunnen vaststellen die passen bij de omstandigheden van het geval (bijvoorbeeld verstrekking van informatie aan de klanten per post).

Artikel 20

Strafrechtelijke bepalingen

Dit artikel is bedoeld om ervoor te zorgen dat elke ernstige inbreuk of poging tot, medeplichtigheid aan of aanzetten tot een ernstige inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht effectief, evenredig en afschrikkend kan worden bestraft. Voor dit artikel wordt een inbreuk als ernstig beschouwd, wanneer deze met opzet en met commerciële bedoelingen wordt gepleegd. Deze bepaling geeft de verplichtingen in het kader van de TRIPS-overeenkomst, en met name artikel 61 daarvan, weer en breidt de in dit artikel vastgelegde verplichting uit tot alle in artikel 2, lid 1, van de richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten. In lid 2 wordt ook vastgelegd dat deze sancties voor natuurlijke personen vrijheidsstraffen kunnen omvatten. In lid 3 worden voor natuurlijke en rechtspersonen boetes, verbeurdverklaring van litigieuze goederen, alsmede van de materialen, werktuigen of dragers die voornamelijk bij de vervaardiging of de distributie van de desbetreffende goederen zijn gebruikt, vastgelegd. Deze bepaling is geïnspireerd op artikel 46 van de TRIPS-overeenkomst. In hetzelfde lid wordt ook de vernietiging van litigieuze goederen vastgelegd wanneer de aanwezigheid ervan op de markt schade berokkent aan de houder van het intellectuele-eigendomsrecht. In dit lid wordt tevens voor passende gevallen (bijvoorbeeld in geval van herhaling) de gehele of gedeeltelijke, definitieve of tijdelijke sluiting van de vestiging of de winkel die voornamelijk voor het plegen van de inbreuk is gebruikt, vastgelegd. Ook een permanent of tijdelijk verbod op de uitoefening van commerciële activiteiten, plaatsing onder gerechtelijk toezicht of gerechtelijke ontbinding en een verbod op toegang tot bijstand en subsidies van de overheid worden vastgelegd. Aangezien namaak en piraterij inmiddels een zaak zijn geworden van op grote schaal opererende industriële ondernemingen, vormen dergelijke maatregelen schrikwekkende wapens om de vervaardiging van en de handel in namaak- of piraatproducten te bestrijden; zij zijn deels een afspiegeling van overeenkomende bepalingen in de Spaanse en Franse wetgeving (de artikelen 271 en 276 van het Spaanse wetboek van strafrecht en de artikelen L-335-5, L-521-4 en L-716-11-1 van het Franse wetboek van de intellectuele eigendom). Ten slotte wordt de openbaarmaking van rechterlijke uitspraken vastgelegd als een extra afschrikkend element. Deze mogelijkheid kan ook als middel ter informatie van zowel de rechthebbenden als het publiek in het algemeen worden gebruikt. In het laatste lid wordt voor dit artikel gedefinieerd wat onder "rechtspersoon" wordt verstaan.

Artikel 21

Rechtsbescherming van technische middelen

Artikel 21 voert rechtsbescherming van technische middelen op het gebied van industriële eigendom in. Er worden technische middelen gebruikt om producten of diensten te beveiligen en als echt te waarmerken. Zij zijn bedoeld om originele goederen te vervaardigen en om het mogelijk te maken hierin duidelijke, door klanten en consumenten te identificeren elementen op te nemen die het voor hen makkelijker maken de echtheid van deze goederen te herkennen. Deze elementen kunnen verschillende vormen aannemen: hologrammen ter beveiliging, optische middelen, chipkaarten, magnetische systemen, speciale inkten, microscopische etiketten enz. Op sommige gebieden bestaat al een dergelijke beveiliging (artikel 6 van Richtlijn 2001/29/EG over het auteursrecht in de informatiemaatschappij; artikel 4 van Richtlijn 98/84/EG over diensten gebaseerd op voorwaardelijk toegang). In lid 1 wordt bepaald dat de lidstaten bepaalde handelingen (vervaardiging, invoer, distributie, gebruik) betreffende onwettige technische middelen moeten verbieden onverminderd de huidige bepalingen op het gebied van het auteursrecht. In lid 2 wordt verduidelijkt wat voor de toepassing van dit artikel onder "technisch middel" en "onwettig technisch middel" moet worden verstaan.

Artikel 22

Gedragscodes

In lid 1 van dit artikel wordt vastgelegd dat de lidstaten en de Commissie de opstelling van gedragscodes stimuleren die bedoeld zijn om te helpen bij de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. Lid 1, onder b) heeft betrekking op het toezicht op de vervaardiging van optische schijven (cd's, cd-roms, dvd's) met name door het aanbrengen van een broncode waarmee de herkomst ervan kan worden vastgesteld. Lid 1, onder c) zorgt ervoor dat de opgestelde gedragscodes en eventuele evaluaties betreffende de toepassing ervan aan de lidstaten en de Commissie worden medegedeeld. De formule van de gedragscodes is met name geïnspireerd op wat is bepaald in artikel 16 van Richtlijn 2000/31/EG inzake elektronische handel. In lid 2 wordt eraan herinnerd dat de gedragscodes in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht moeten zijn.

Artikel 23

Evaluatie

In dit artikel wordt een evaluatie van de werking van de richtlijn vastgelegd, zoals in andere communautaire besluiten is bepaald (bijvoorbeeld: artikel 16 van Richtlijn 98/44/EG betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen, artikel 18 van Richtlijn 98/71/EG inzake de rechtsbescherming van modellen en artikel 15 van de gewijzigde Verordening (EG) nr. 3295/94 houdende vaststelling van een aantal maatregelen betreffende het binnenbrengen in de Gemeenschap alsmede de uitvoer en wederuitvoer uit de Gemeenschap, van goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten). In lid 1 wordt bepaald dat iedere lidstaat drie jaar na de omzetting van de richtlijn een verslag bij de Commissie indient om haar te informeren over de stand van de uitvoering van deze richtlijn. Op basis van deze nationale verslagen stelt de Commissie een verslag over de toepassing van deze richtlijn op, met inbegrip van een evaluatie van de doeltreffendheid van de door de verschillende bevoegde organen en instanties genomen maatregelen, alsmede een beoordeling van het effect ervan op de innovatie en ontwikkeling van de informatiemaatschappij. Dit verslag wordt vervolgens bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité ingediend. Het gaat zo nodig vergezeld van voorstellen tot wijziging van de richtlijn om deze aan de in de interne markt vastgestelde ontwikkelingen aan te passen. In lid 2 wordt verduidelijkt dat de lidstaten de Commissie alle hulp en bijstand bieden die zij mogelijk nodig heeft om dit verslag op te stellen.

Artikel 24

Correspondenten

In artikel 24 wordt de instelling van een netwerk van correspondenten in de lidstaten vastgesteld. In lid 1 wordt bepaald dat elke lidstaat een of meer correspondenten benoemt voor alle kwesties betreffende de toepassing van de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt, met inbegrip van de in deze richtlijn vastgelegde middelen. De contactadressen van deze correspondenten worden aan de andere lidstaten en aan de Commissie verstrekt. In lid 2 wordt bepaald dat, om de juiste toepassing van de richtlijn te waarborgen, de lidstaten via hun correspondenten met de andere lidstaten en met de Commissie moeten samenwerken en zo spoedig mogelijk de gevraagde bijstand en inlichtingen moeten verstrekken, ook via elektronische weg.

Artikel 25

Omzetting

Dit artikel heeft betrekking op de maatregelen voor de omzetting van de richtlijn in het interne recht van de lidstaten. In lid 1 is bepaald dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk achttien maanden na de datum van goedkeuring van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie hiervan onverwijld in kennis stellen. Deze termijn van achttien maanden is naar het voorbeeld van wat in andere richtlijnen is vastgelegd. In de nationale omzettingsmaatregelen moet naar deze richtlijn worden verwezen of er moet hiernaar worden verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen, terwijl de regels voor deze verwijzing door de lidstaten worden vastgesteld. In lid 2 wordt bepaald dat de lidstaten de Commissie de tekst mededelen van de bepalingen van intern recht die op het onder deze richtlijn vallende gebied worden vastgesteld.

Artikel 26

Inwerkingtreding

In dit artikel wordt bepaald dat de richtlijn in werking treedt op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 254, lid 1, van het EG-Verdrag.

Artikel 27

Adressaten

In dit artikel wordt bepaald dat deze richtlijn tot de lidstaten is gericht.

2003/0024 (COD)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie [66],

[66] PB C... van ..., blz. ...

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [67],

[67] PB C... van ..., blz. ...

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [68],

[68] PB C... van ..., blz. ...

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [69],

[69] PB C... van ..., blz. ...

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Voor de totstandbrenging van de interne markt moeten de beperkingen van het vrije verkeer en de mededingingverstoringen worden opgeheven en moet tegelijkertijd een gunstig klimaat voor innovatie en investeringen worden geschapen. In deze context is de bescherming van de intellectuele eigendom een essentieel element voor het welslagen van de interne markt. De bescherming van de intellectuele eigendom is niet alleen van belang voor het bevorderen van innoverende en creatieve activiteiten, maar ook voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de verbetering van het concurrentievermogen.

(2) De bescherming van de intellectuele eigendom moet de uitvinder of maker in staat stellen rechtmatig profijt van zijn uitvinding of schepping te trekken en bovendien een zo groot mogelijke verspreiding van nieuwe werken, denkbeelden en kennis mogelijk maken. Tegelijkertijd mag de bescherming van de intellectuele eigendom geen belemmering van de vrijheid van meningsuiting, het vrije verkeer van informatie of de bescherming van persoonsgegevens vormen, ook niet op het internet.

(3) Zonder doeltreffende middelen om handhaving van de intellectuele eigendom af te dwingen, worden innoverende en scheppende activiteiten echter ontmoedigd en investeringen verminderd. Er moet dus voor worden gezorgd dat het materiële recht inzake de intellectuele eigendom, dat tegenwoordig grotendeels onder het communautaire acquis valt, in de Gemeenschap doeltreffend wordt toegepast. In dit opzicht zijn de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten van voor het welslagen van de interne markt van wezenlijk belang.

(4) Op internationaal niveau zijn alle lidstaten, alsmede de Gemeenschap zelf, voor de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden gebonden door de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (de "TRIPS-overeenkomst"), die bij besluit 94/800/EG van de Raad [70] in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-ronde is goedgekeurd.

[70] PB C 336, van 23.12.1994, blz. 1.

(5) De TRIPS-overeenkomst omvat met name bepalingen betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten die gemeenschappelijke normen vormen die op internationaal vlak van toepassing zijn en in alle lidstaten ten uitvoer worden gelegd. De bepalingen van deze richtlijn doen geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de lidstaten, met inbegrip van de TRIPS-overeenkomst.

(6) Voorts bestaan er internationale verdragen waarbij alle lidstaten partij zijn en die ook bepalingen over de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten bevatten. Dat geldt met name voor het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst en het Internationale Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties.

(7) Uit de raadplegingen van de Commissie ter zake blijkt, dat ondanks de TRIPS-overeenkomst nog belangrijke verschillen betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten tussen de lidstaten bestaan. Zo lopen de uitvoeringsbepalingen voor de voorlopige maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal, de berekening van de schade of ook de uitvoeringsbepalingen van de procedures om inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten te doen beëindigen van lidstaat tot lidstaat sterk uiteen. In sommige lidstaten bestaan geen maatregelen en procedures zoals het recht op informatie en het terugroepen op kosten van de inbreukmaker van de op de markt gebrachte litigieuze goederen.

(8) Deze bestaande verschillen tussen de regelingen van de lidstaten inzake de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten zijn nadelig voor de goede werking van de interne markt en maken het onmogelijk te waarborgen dat de intellectuele-eigendomsrechten op het gehele grondgebied van de Gemeenschap een gelijkwaardige bescherming genieten. Deze situatie is niet bevorderlijk voor het vrije verkeer in de interne markt, noch voor scheppen van een gunstig klimaat voor gezonde mededinging.

(9) De huidige verschillen leiden ook tot verzwakking van het materiële recht inzake de intellectuele eigendom en fragmentering van de interne markt op dit gebied. Dit brengt verlies van vertrouwen van het bedrijfsleven in de interne markt en dientengevolge een vermindering van de investeringen in innoverende en scheppende activiteiten mee. Inbreuken blijken steeds vaker in verband te staan met de georganiseerde misdaad. De ontwikkeling van het gebruik van het internet maakt het mogelijk piraatproducten onmiddellijk en wereldwijd te verspreiden. De daadwerkelijke handhaving van het materiële recht inzake intellectuele eigendom, dat tegenwoordig grotendeels onder het communautaire acquis valt, moet door specifieke maatregelen op het niveau van de Gemeenschap worden gewaarborgd. De onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten op dit gebied wordt dan ook een fundamentele voorwaarde voor de verwezenlijking van de interne markt.

(10) Het doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van deze wetgevingen ten einde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming van de intellectuele eigendom in de interne markt te waarborgen. Deze bescherming is noodzakelijk tegen elke inbreuk die met commerciële bedoelingen wordt gepleegd, of wanneer de inbreuk de rechthebbende aanzienlijke schade toebrengt, met uitzondering van kleinere en op zichzelf staande inbreuken.

(11) Deze richtlijn heeft niet ten doel geharmoniseerde regels betreffende justitiële samenwerking, rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken vast te stellen, noch over de toepasselijke wetgeving te handelen. Er zijn communautaire instrumenten die deze onderwerpen in het algemeen regelen; deze zijn, in beginsel, ook van toepassing op de intellectuele eigendom.

(12) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van de mededingingsregels, met name niet aan de artikelen 81 et 82 van het Verdrag.

(13) Het toepassingsgebied van deze richtlijn dient zo breed mogelijk te worden vastgesteld, zodat dit alle intellectuele-eigendomsrechten die onder de communautaire bepalingen op dit gebied en de hieruit voortvloeiende nationale bepalingen vallen, omvat, terwijl bepaalde, niet onder de intellectuele eigendom in strikte zin vallende activiteiten worden uitgesloten. Dit vereiste vormt echter voor de lidstaten die dat wensen, geen belemmering de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn wegens interne behoeften uit te breiden tot handelingen die tot de oneerlijke concurrentie of dergelijke activiteiten behoren.

(14) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het materiële recht inzak de intellectuele eigendom, Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens [71], Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen [72] en Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt [73].

[71] PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

[72] PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12.

[73] PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(15) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen betreffende de handhaving van de rechten op het gebied van het auteursrecht en met name niet aan artikel 8 van Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij [74].

[74] PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.

(16) De maatregelen en procedures tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moeten doeltreffend zijn en de rechthebbende ervan weer in de situatie brengen waarin hij zich zonder de desbetreffende inbreuk bevond.

(17) Teneinde de toegang tot de rechter te verbeteren en uit te breiden moeten niet alleen de rechthebbenden bevoegd zijn toepassing van deze maatregelen en procedures te vragen, maar ook beroepsorganisaties voor het beheer van rechten of voor de verdediging van de collectieve en individuele belangen waarmee zij belast zijn.

(18) Het is nuttig artikel 15 van Berner Conventie te bevestigen, waarin het vermoeden is vastgelegd dat degene wiens naam op een letterkundig en artistiek werk is vermeld, als auteur van dat werk wordt beschouwd. Daar het auteursrecht vanaf de schepping van een werk bestaat en hiervoor geen formele registratie noodzakelijk is zoals voor een industriële-eigendomsrecht, is het voorts nuttig aan het beginsel te herinneren op grond waarvan een werk als voldoende scheppend wordt beschouwd om van auteursrechtelijke bescherming te kunnen profiteren, totdat het tegendeel is bewezen. Dit beginsel is buitengewoon belangrijk wanneer een auteur in het kader van een geschil zijn rechten tracht te verdedigen, en komt overeen met de wetgeving en/of de geldende praktijk in de lidstaten.

(19) Daar het bewijs een uiterst belangrijk element voor de vaststelling van de inbreuk op de intellectuele eigendom is, moet ervoor worden gezorgd dat de partijen daadwerkelijk de beschikking hebben over middelen om bewijzen voor te leggen en te verkrijgen.

(20) In geval van een naar behoren aangetoond gevaar voor vernietiging van bewijsstukken moet partijen een doeltreffende en goedkope procedure ter beschikking worden gesteld die de gedetailleerde beschrijving, met of zonder het nemen van monsters, of de werkelijke inbeslagneming van de litigieuze goederen en, in passende gevallen, de desbetreffende documenten mogelijk maakt. Bij deze procedure moeten de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd en moeten de noodzakelijke waarborgen worden geboden.

(21) Er bestaan in sommige landen andere maatregelen om een hoog niveau van bescherming te waarborgen; deze moeten in alle lidstaten beschikbaar zijn. Dit geldt voor het recht op informatie waardoor waardevolle gegevens kunnen worden verkregen over de herkomst van de litigieuze goederen, de distributiekanalen en de identiteit van bij de inbreuk betrokken derden, alsmede over de openbaarmaking van rechterlijke uitspraken inzake inbreuken op de intellectuele eigendom, waardoor het publiek kan worden ingelicht en derden kunnen worden afgeschrikt dergelijke inbreuken te plegen.

(22) Ook moet worden voorzien in voorlopige maatregelen om de inbreuk onmiddellijk te kunnen doen ophouden zonder op een beslissing ten gronde te wachten; hierbij moeten de rechten van de verdediging worden geeerbiedigd; ook moet worden toegezien op de evenredigheid van de voorlopige maatregelen naar gelang van het specifieke karakter van elk apart geval en moeten de noodzakelijke waarborgen worden geboden om, in voorkomend geval, de kosten en de schade te dekken die de verweerder door een ongerechtvaardigd verzoek zijn veroorzaakt. Deze maatregelen zijn met name gerechtvaardigd wanneer naar behoren is vastgesteld dat elk uitstel de rechthebbende onherstelbare schade kan veroorzaken.

(23) Afhankelijk van het geval en zo de omstandigheden het rechtvaardigen, moeten de vast te stellen maatregelen en procedures behalve verbodsmaatregelen om nieuwe inbreuken op de intellectuele eigendom te verhinderen, ook preventieve en corrigerende maatregelen omvatten, zoals de verbeurdverklaring van litigieuze goederen en andere voorwerpen die voornamelijk voor ongeoorloofde doeleinden zijn gebruikt, onttrekking aan het verkeer, eventuele vernietiging en het terugroepen, in passende gevallen op kosten van de inbreukmaker, van de op de markt gebrachte litigieuze goederen.

(24) Ter vergoeding van de geleden schade als gevolg van een inbreuk door een inbreukmaker die wist of redelijke gronden had om te weten dat hij een inbreuk pleegde, moet het bedrag van de aan de rechthebbende toegekende schadevergoeding worden vastgesteld, hetzij op een overeengekomen bedrag gelijk aan het dubbele van het bedrag van de vergoedingen of rechten die verschuldigd waren geweest wanneer de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht te gebruiken (om een schadevergoeding mogelijk te maken die op een objectieve grondslag berust waarbij rekening wordt gehouden met de kosten van de rechthebbende zoals de kosten voor onderzoek en identificatie), hetzij afhankelijk van de door de rechthebbende geleden schade (met inbegrip van gederfde inkomsten) (compenserende schadevergoeding), waaraan de door de inbreukmaker genoten winst waarmee geen rekening is gehouden bij de berekening van de compenserende schadevergoeding, moet worden toegevoegd. Ook moet rekening worden gehouden met andere elementen, zoals de aan de rechthebbende toegebrachte morele schade.

(25) Teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en overeenkomstig de verplichtingen die in het kader van de TRIPS-overeenkomst, en met name artikel 61 daarvan zijn aangegaan, zijn de lidstaten gehouden ernstige inbreuken op de intellectuele eigendom doeltreffend, evenredig en afschrikkend te bestraffen. Te dien einde wordt onder "ernstige inbreuk" verstaan feiten die opzettelijk en met commerciële bedoelingen worden gepleegd. Alle of sommige deelnemers aan de inbreuk, of de poging tot inbreuk, moeten volgens het interne recht van de lidstaten als medeplichtigen of aanzetters daartoe aansprakelijk worden gesteld.

(26) De beschermingsmaatregelen leveren een belangrijke bijdrage tot de bestrijding van inbreuken op de intellectuele eigendom. Een passende rechtsbescherming van de technische beveiligings- en waarmerkingsmiddelen tegen kopiëren, manipuleren of neutraliseren is op het gebied van de intellectuele eigendom daarom noodzakelijk, zoals dit op het gebied van de auteursrechten reeds bestaat. Bovendien zijn deze beschermingsmaatregelen ter bestrijding van misbruik van middelen om inbreuk te maken op intellectuele-eigendomsrechten in overeenstemming met artikel 6 van het Verdrag inzake cybercriminaliteit dat op 23 november 2001 door de Raad van Europa te Budapest is aangenomen.

(27) De industrie moet actief deelnemen aan de strijd tegen piraterij en namaak. De ontwikkeling van gedragscodes in de rechtstreeks betrokken kringen vormt een aanvulling op de regelgeving. De lidstaten dienen in samenwerking met de Commissie de opstelling van gedragscodes in het algemeen te stimuleren. De controle op de vervaardiging van optische schijven, met name door middel van het aanbrengen van een identificatiecode op schijven die op het grondgebied van de Gemeenschap zijn vervaardigd, draagt bij tot de beperking van het aantal inbreuken op de intellectuele eigendom in deze in hoge mate onder piraterij lijdende sector. Niettemin mogen deze technisch beschermingsmaatregelen niet worden misbruikt om markten af te schermen en parallelle invoer te controleren.

(28) Ter vergemakkelijking van de eenvormige toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde bepalingen moeten mechanismen voor samenwerking en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie worden vastgelegd, met name door het opzetten van een netwerk van door de lidstaten aangewezen correspondenten. In dit bestek zou tevens een contactcomité bestaande uit nationale correspondenten binnen de Commissie kunnen worden ingesteld.

(29) Daar de doelstellingen van de onderhavige richtlijn om de genoemde redenen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(30) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze richtlijn beoogt meer bepaald te waarborgen dat de intellectuele eigendom volledig wordt geeerbiedigd. (artikel 17, lid 2, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie)

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Doel en toepassingsgebied

Artikel 1

Doel

Deze richtlijn betreft de noodzakelijke maatregelen om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Onverminderd de middelen die in de communautaire of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen voor de rechthebbenden gunstiger zijn, zijn de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen van toepassing op elke inbreuk op de rechten die voortvloeien uit communautaire en Europese besluiten betreffende de bescherming van de intellectuele eigendom, waarvan de lijst is opgenomen in de bijlage en uit de bepalingen die de lidstaten hebben vastgesteld om aan deze besluiten te voldoen, indien een dergelijke inbreuk met commerciële bedoelingen wordt gepleegd of indien de inbreuk de rechthebbende aanzienlijke schade toebrengt.

2. Deze richtlijn laat de bijzondere bepalingen betreffende de handhaving van de rechten die door de Gemeenschapswetgeving op het gebied van het auteursrecht zijn vastgesteld, en met name Richtlijn 2001/29/EG, onverlet.

3. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan:

a) de communautaire bepalingen betreffende het materiële recht inzake de intellectuele eigendom, Richtlijn 95/46/EG, Richtlijn 1999/93/EG en Richtlijn 2000/31/EG;

b) de verplichtingen die voor de lidstaten uit internationale verdragen, en met name de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom ("de TRIPS-overeenkomst"), voortvloeien.

Hoofdstuk II

Maatregelen en procedures

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 3

Algemene verplichting

De lidstaten stellen de noodzakelijke en evenredige maatregelen en procedures vast om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen.

Deze maatregelen en procedures moeten de daders van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht het economische voordeel van de betrokken inbreuk ontnemen. Bovendien moeten deze eerlijk en billijk zijn, mogen zij niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen zij geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen meebrengen.

Deze maatregelen en procedures moeten zodanig worden toegepast, dat het scheppen van belemmeringen voor het rechtmatige handelsverkeer wordt vermeden.

Artikel 4

Sancties

De lidstaten zorgen ervoor dat elke inbreuk op een in artikel 2 bedoeld intellectuele-eigendomsrecht kan worden bestraft. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 5

Personen die bevoegd zijn toepassing van de maatregelen en procedures te vragen

1. De lidstaten kennen de houders van intellectuele-eigendomsrechten alsmede alle andere personen die overeenkomstig de geldende wetgeving gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, of hun vertegenwoordigers, de bevoegdheid toe de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen te vragen.

2. De lidstaten kennen instellingen voor het beheer van rechten of de verdediging van beroepsbelangen, indien zij de houders van intellectuele-eigendomsrechten vertegenwoordigen, of andere personen die overeenkomstig de geldende wetgeving gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, de bevoegdheid toe de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen en procedures te vragen, met inbegrip van de bevoegdheid in rechte op te treden ter verdediging van de rechten of de collectieve of individuele belangen waarmee zij zijn belast.

Deze bevoegdheid wordt toegekend aan elke rechtmatig opgerichte instelling voor het beheer van rechten voor of de verdediging van beroepsbelangen, ongeacht de lidstaat waar deze instelling is opgericht.

Het bepaalde in de eerste en de tweede alinea doet geen afbreuk aan de toepasselijke regels inzake de vertegenwoordiging van partijen om in rechte op te treden.

Artikel 6

Vermoeden van auteursrecht

De de auteur van een werk wordt geacht te zijn, tot bewijs van het tegendeel, degene wiens naam, welke als die van de auteur van het werk wordt gepresenteerd, op de exemplaren van het werk is vermeld, of degene naar wie op een exemplaar van het werk door een geschreven vermelding, een etiket of een ander teken als auteur wordt verwezen.

Afdeling 2

Bewijzen

Artikel 7

Bewijsmateriaal

1. De lidstaten bepalen dat ingeval een partij redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd dat voldoende is om haar vorderingen te ondersteunen en zij tot staving van haar vorderingen van belang zijnd bewijsmateriaal heeft genoemd dat zich in de macht van de wederpartij bevindt, de bevoegde rechterlijke instanties overlegging van dit bewijsmateriaal door de wederpartij kunnen gelasten, onder voorbehoud dat de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.

2. Teneinde degenen die werkelijk van de inbreuk profiteren te kunnen identificeren en vervolgen, treffen de lidstaten de nodige maatregelen om de bevoegde rechterlijke instanties in staat te stellen inzage in of beslag op financiële, bank- of handelsdossiers te gelasten, onder voorbehoud dat de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.

Artikel 8

Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal

1. Wanneer reeds voordat een bodemprocedure is ingesteld, een aantoonbaar risico bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd, bepalen de lidstaten dat de bevoegde rechterlijke instanties in geval van een inbreuk of dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht overal toestemming kunnen verlenen voor hetzij de gedetailleerde beschrijving, met of zonder het nemen van monsters, hetzij de werkelijke inbeslagneming van de litigieuze goederen en van, in de daartoe passende gevallen, de desbetreffende documenten. Deze maatregelen worden genomen bij een op grond van een verzoekschrift gegeven beschikking en zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord.

Wanneer maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal zijn genomen zonder dat de wederpartij wordt gehoord, wordt deze hiervan onverwijld in kennis gesteld, uiterlijk onmiddellijk na de uitvoering van de maatregelen. Op verzoek van de verweerder vindt een herziening plaats, met inbegrip van het recht te worden gehoord, teneinde binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de maatregelen te beslissen of deze worden gewijzigd, herroepen of bevestigd.

2. De lidstaten bepalen dat aan de werkelijke inbeslagneming de voorwaarde kan worden verbonden dat de verzoeker een passende zekerheid stelt voor de eventuele schadeloosstelling van de door de verweerder geleden schade indien de ingestelde vordering tegen de laatste naderhand ongegrond wordt verklaard.

3. De lidstaten bepalen dat, indien de verzoeker binnen een termijn van niet meer dan eenendertig kalenderdagen na het beslag geen bodemprocedure bij de bevoegde rechterlijke instantie instelt, het beslag van rechtswege nietig is, onverminderd de schadevergoeding die van de verzoeker kan worden geëist.

Wanneer de maatregelen ter bescherming van het bewijsmateriaal zijn herroepen of wanneer zij wegens enig handelen of nalaten van de verzoeker ophouden toepasselijk te zijn, of wanneer later wordt vastgesteld dat geen inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is gepleegd, moeten de rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben, op verzoek van de verweerder, de verzoeker te gelasten de verweerder een passende schadeloosstelling te bieden voor door deze maatregelen toegebrachte schade.

Afdeling 3

Recht op informatie

Artikel 9

Recht op informatie

1. De lidstaten bepalen dat de rechterlijke instanties die bevoegd zijn kennis te nemen van vorderingen wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht of uitspraak te doen over een verzoek tot voorlopige of conservatoire maatregelen, op verzoek van de rechthebbende en tenzij er bijzondere redenen zijn dit niet te doen, iedere persoon gelasten informatie te verstrekken over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten die worden verondersteld inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht, indien deze persoon:

a) de litigieuze goederen voor commerciële doeleinden in zijn bezit blijkt te hebben,

b) de litigieuze diensten voor commerciële doeleinden blijkt te gebruiken, of

c) door een onder a) of onder b) bedoelde persoon is aangewezen als degene van wie deze goederen of diensten afkomstig zijn, of als schakel in het distributienet van deze goederen of diensten.

2. De in lid 1 bedoelde informatie omvat:

a) de naam en het adres van de producenten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van het product of de dienst, alsmede van de afnemende groothandelaren en kleinhandelaren;

b) inlichtingen over de geproduceerde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsmede over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.

3. De leden 1 en 2 gelden onverminderd andere bepalingen waarbij:

a) de rechthebbende verder reikende rechten op informatie worden toegekend;

b) het gebruik van de krachtens dit artikel medegedeelde informatie in burgerlijke of strafzaken wordt geregeld;

c) de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;

d) de mogelijkheid wordt geboden te weigeren informatie te verstrekken, wanneer de in lid 1 bedoelde persoon daardoor zou worden gedwongen het bestaan van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven.

4. Behalve voor de in lid 1 bedoelde gevallen, bepalen de lidstaten dat, wanneer de bevoegde instanties in het bezit zijn van de in lid 2 bedoelde informatie, zij de rechthebbende voorzover hij bekend is, hiervan in kennis kunnen stellen, met inachtneming van de voorschriften inzake bescherming van vertrouwelijke gegevens, om de rechthebbende in staat te stellen bij de bevoegde instanties een zaak aanhangig te maken voor een beslissing ten gronde of voor het verkrijgen van voorlopige of conservatoire maatregelen.

Afdeling 4

Voorlopige en conservatoire maatregelen

Artikel 10

Voorlopige maatregelen

1. De lidstaten bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties een voorlopig bevel tot de vermoedelijke inbreukmaker of de tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk op een recht te maken, kunnen richten dat bedoeld is om elke dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om met een dwangsom voorlopig voortzetting van de vermeende inbreuken op een intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, of dat zij aan deze voortzetting de voorwaarde kunnen verbinden dat een zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de rechthebbende.

De rechterlijke instanties moet de bevoegdheid worden verleend van de verzoeker te verlangen dat hij redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal overlegt opdat zij zich er met een voldoende mate van zekerheid ervan kunnen vergewissen dat hij de rechthebbende is en dat inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt.

2. De lidstaten bepalen dat de in lid 1 bedoelde maatregelen in passende gevallen mogen worden genomen zonder dat de wederpartij wordt gehoord, met name wanneer uitstel onherstelbare schade voor de rechthebbende kan veroorzaken. In dit geval wordt de verweerder na uitvoering van de maatregelen hiervan onverwijld in kennis gesteld.

Op verzoek van de verweerder vindt een herziening plaats, met inbegrip van het recht te worden gehoord, teneinde binnen een redelijke termijn na kennisgeving van de maatregelen te beslissen of deze worden gewijzigd, herroepen of bevestigd.

3. De lidstaten bepalen dat de verbodsmaatregel wordt herroepen, indien de eiser niet binnen een termijn van eenendertig kalenderdagen vanaf de datum waarop de rechthebbende de aan de zaak ten gronde liggende feiten kende, bij de bevoegde rechterlijke instantie een bodemprocedure instelt.

4. De bevoegde rechterlijke instanties kunnen aan het verbod de voorwaarde verbinden dat de verzoeker passende zekerheden stelt voor de eventuele schadeloosstelling van door de verweerder geleden schade indien de bodemprocedure naderhand ongegrond wordt verklaard.

5. Wanneer de voorlopige maatregelen zijn herroepen of wegens enig handelen of nalaten van de verzoeker ophouden toepasselijk te zijn, of wanneer later wordt vastgesteld dat geen inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is gepleegd of driegde te worden gepleegd, moeten de rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben, op verzoek van de verweerder, de verzoeker te gelasten de verweerder een passende schadeloosstelling te bieden voor door deze maatregelen toegebrachte schade.

Artikel 11

Conservatoire maatregelen

1. De lidstaten bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties in passende gevallen en met name indien de benadeelde partij wijst op omstandigheden die het verkrijgen van schadevergoeding in gevaar kunnen brengen, zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, toestemming voor conservatoir beslag op de roerende en onroerende goederen van de vermoedelijke inbreukmaker kunnen verlenen, met inbegrip van blokkering van zijn bankrekeningen en andere tegoeden.

Om de uitvoering van het bepaalde in de eerste alinea te waarborgen, moeten de lidstaten ook de nodige maatregelen treffen teneinde de bevoegde instanties in staat te stellen inzage in of beslag op financiële, bank- of handelsdossiers te gelasten.

2. De bevoegde rechterlijke instanties kunnen aan de in lid 1 vastgelegde maatregelen de voorwaarde verbinden dat de verzoeker passende zekerheden stelt voor de eventuele schadeloosstelling van door de verweerder geleden schade indien de bodemprocedure naderhand ongegrond wordt verklaard.

3. Wanneer de conservatoire maatregelen zijn herroepen of wegens enig handelen of nalaten van de verzoeker ophouden toepasselijk te zijn, of wanneer later wordt vastgesteld dat geen inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is gepleegd, hebben de rechterlijke instanties de bevoegdheid, op verzoek van de verweerder, de verzoeker te gelasten de verweerder een passende schadeloosstelling te bieden voor door deze maatregelen toegebrachte schade.

Afdeling 5

Maatregelen als gevolg van een vonnis ten gronde

Artikel 12

Terugroepen van goederen

Onverminderd de aan de rechthebbende wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding bepalen de lidstaten dat de bevoegde rechterlijke instanties de terugroeping, in passende gevallen op kosten van de inbreukmaker, kunnen gelasten van de goederen waarvan is vastgesteld dat zij een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht vormen.

Artikel 13

Onttrekking aan het verkeer

De lidstaten bepalen dat de rechterlijke instanties kunnen gelasten dat de goederen waarvan is vastgesteld dat zij een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht vormen, alsmede de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van de desbetreffende goederen zijn gebruikt, zonder schadevergoeding van welke aard ook, aan het verkeer worden onttrokken.

Artikel 14

Vernietiging van goederen

De lidstaten bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties de vernietiging kunnen gelasten van goederen waarvan is vastgesteld dat zij een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht vormen, zonder dat enige schadevergoeding kan worden geëist.

Artikel 15

Preventieve maatregelen

1. De lidstaten bepalen dat, wanneer een rechterlijke uitspraak is gedaan waarbij is vastgesteld dat inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is gepleegd, de bevoegde rechterlijke instanties de inbreukmaker een bevel kunnen opleggen dat voortzetting van deze inbreuk verbiedt. Niet-naleving van een bevel kan worden beboet, in voorkomend geval gecombineerd met een dwangsom om de uitvoering ervan te waarborgen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat rechthebbenden kunnen verzoeken een bevel op te leggen aan tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken.

Artikel 16

Alternatieve maatregelen

In passende gevallen bepalen de lidstaten dat, indien degene aan wie de in deze afdeling vastgelegde maatregelen kunnen worden opgelegd, zonder schuld of nalatigheid heeft gehandeld, maar niettemin de verzoeker schade heeft toegebracht, de betrokkene, ingeval de uitvoering van de desbetreffende maatregelen voor de betrokkene onevenredige schade zou meebrengen en de benadeelde partij zich redelijkerwijs met een geldelijke vergoeding tevreden kan stellen, de schade, in overeenstemming met de benadeelde partij, op deze wijze kan vergoeden.

Afdeling 6

Schadevergoeding en aan de procedure verbonden kosten

Artikel 17

Schadevergoeding

1. De lidstaten bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties de inbreukmaker gelasten de rechthebbende een passende schadevergoeding te betalen ter vergoeding van de schade die deze heeft geleden wegens de inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht door de inbreukmaker die wist of redelijke gronden had te weten dat hij een inbreuk pleegde.

Hiertoe kennen de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de benadeelde partij:

a) hetzij een schadevergoeding toe, die wordt vastgesteld op het dubbele van het bedrag van de vergoedingen of rechten die verschuldigd waren geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht te gebruiken;

b) hetzij een compenserende schadevergoeding toe, die overeenkomt met de wegens de inbreuk geleden schade, met inbegrip van de gederfde inkomsten.

In passende gevallen bepalen de lidstaten dat het geleden verlies andere elementen dan economische factoren kan omvatten, zoals de morele schade die de rechthebbende door de inbreuk heeft geleden.

In het in lid 1, onder b), bedoelde geval kunnen de lidstaten de invordering ten gunste van de rechthebbende bepalen van alle door de inbreukmaker genoten winst die aan deze inbreuk is toe te rekenen en waarmee bij de berekening van de compenserende schadevergoeding geen rekening wordt gehouden.

Ter vaststelling van het bedrag van de door de inbreukmaker genoten winst behoeft de rechthebbende slechts bewijzen betreffende het bedrag van de door de inbreukmaker genoten bruto-inkomsten over te leggen en moet deze laatste het bewijs leveren van zijn aftrekbare kosten en van aan andere factoren dan het beschermde voorwerp toe te rekenen winst.

Artikel 18

Aan de procedure verbonden kosten

De lidstaten bepalen dat de gerechtskosten, de advocatenhonoraria, alsmede de andere kosten die de partij die in het gelijk is gesteld eventueel heeft gemaakt, door de wederpartij worden gedragen, tenzij de billijkheid of de economische situatie van de wederpartij dit niet toelaat. De bevoegde rechterlijke instanties stellen het te betalen bedrag vast.

Afdeling 7

Openbaarmaking

Artikel 19

Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

1. De lidstaten bepalen dat de rechterlijke instanties in het kader van rechtsvorderingen wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op verzoek van de rechthebbende en op kosten van de inbreukmaker aanplakking van de uitspraak en volledige of gedeeltelijke openbaarmaking in de door de rechthebbende aangewezen dagbladen kunnen gelasten.

2. De lidstaten kunnen ook andere wijzen van openbaarmaking vaststellen die passen bij de omstandigheden van het geval.

Hoofdstuk III

Strafrechtelijke bepalingen

Artikel 20

Strafrechtelijke bepalingen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat elke ernstige inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, alsmede de poging tot, de medeplichtigheid aan en het aanzetten tot een dergelijke inbreuk als strafbaar feit te wordt gekwalificeerd. Een inbreuk wordt als ernstig beschouwd wanneer deze met opzet en met commerciële bedoelingen is gepleegd.

2. Ten aanzien van natuurlijke personen leggen de lidstaten strafrechtelijke maatregelen vast met inbegrip van vrijheidsstraffen.

3. Ten aanzien van natuurlijke en rechtspersonen leggen de lidstaten de volgende straffen vast:

a) boetes,

b) verbeurdverklaring van het goed, de werktuigen en de producten die afkomstig zijn van de in lid 1 bedoelde strafbare feiten, of van goederen waarvan de waarde met deze producten overeenkomt.

In passende gevallen leggen de lidstaten ook de volgende straffen vast:

a) vernietiging van de goederen die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht;

b) gehele of gedeeltelijke, definitieve of tijdelijke sluiting van de vestiging die voornamelijk voor het plegen van de desbetreffende inbreuk is gebruikt;

c) een permanent of tijdelijk verbod op de uitoefening van commerciële activiteiten;

d) plaatsing onder gerechtelijk toezicht;

e) gerechtelijke ontbinding;

f) een verbod op toegang tot bijstand en subsidies van de overheid;

g) openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

4. Voor dit hoofdstuk wordt onder "rechtspersoon" verstaan elke juridische entiteit die uit hoofde van het toepasselijke nationale recht deze rechtstoestand heeft, behalve staten of andere openbare instellingen die in het kader van de uitoefening van hun publiekrechtelijke prerogatieven optreden, alsmede internationale publiekrechtelijke organisaties.

Hoofdstuk IV

Technische maatregelen

Artikel 21

Rechtsbescherming van technische middelen

1. Onverminderd de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het gebied van het auteursrecht, de naburige rechten en het recht sui generis van de samensteller van een databank zorgen de lidstaten voor een passende rechtsbescherming tegen de vervaardiging, de invoer, de distributie en het gebruik van onwettige technische middelen.

2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a) "technisch middel" elke technologie die en elk middel of elk element dat in het kader van haar of zijn normale werking bedoeld is om originele goederen te vervaardigen en om het mogelijk te maken hierin duidelijke, door klanten of consumenten te identificeren elementen op te nemen die het voor hen gemakkelijker maken de echtheid van deze goederen te herkennen,

b) "onwettig technisch middel" elk technisch middel dat bedoeld is om een technisch middel te omzeilen en die de vervaardiging mogelijk maakt van goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten waarin duidelijke, te identificeren elementen zoals onder a) beschreven zijn opgenomen.

Artikel 22

Gedragscodes

1. De lidstaten stimuleren:

a) de opstelling door ondernemers- of beroepsverenigingen of -organisaties van gedragscodes op het niveau van de Gemeenschap, die bedoeld zijn bij te dragen tot de handhaving van de in artikel 2 bedoelde intellectuele-eigendomsrechten.

b) de vaststelling door fabrikanten van optische schijven en de betrokken beroepsorganisaties van gedragscodes die bedoeld zijn om deze fabrikanten bij te staan in de strijd tegen inbreuken op de intellectuele eigendom, met name door aan te bevelen op optische schijven een broncode te gebruiken waarmee de herkomst ervan kan worden vastgesteld.

c) de mededeling aan de Commissie van ontwerpen van gedragscodes op nationaal of communautair niveau en van eventuele beoordelingen betreffende de toepassing van deze gedragscodes.

2. De gedragscodes moeten in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht zijn en met name met de mededingingsregels en de regels voor de bescherming van persoongegevens.

Hoofdstuk V

Administratieve samenwerking

Artikel 23

Evaluatie

1. Drie jaar na de in artikel 25, lid 1, genoemde datum dient elke lidstaat bij de Commissie een verslag in om haar in te lichten over de stand van de uitvoering van deze richtlijn.

Op grond van deze verslagen stelt de Commissie een verslag op over de toepassing van deze richtlijn, met inbegrip van een evaluatie van de doeltreffendheid van de door de verschillende bevoegde organen en instanties genomen maatregelen, alsmede een beoordeling van het effect ervan op de innovatie en ontwikkeling van de informatiemaatschappij. Dit verslag wordt ingediend bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Het gaat zo nodig vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze richtlijn.

2. De lidstaten bieden de Commissie de hulp en bijstand die zij mogelijk nodig heeft om het in lid 1, tweede alinea, bedoelde verslag op te stellen.

Artikel 24

Correspondenten

1. Elke lidstaat benoemt een of meer correspondenten (hierna "nationale correspondenten") voor alle aangelegenheden betreffende de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen. De lidstaat verstrekt het contactadres van deze correspondent of correspondenten aan de andere lidstaten en aan de Commissie.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn werken de lidstaten via de nationale correspondenten met de andere lidstaten en de Commissie samen. Zij verstrekken zo spoedig mogelijk en overeenkomstig het nationale recht de door de andere lidstaten of door de Commissie gevraagde bijstand en inlichtingen, ook via de passende elektronische middelen.

Hoofdstuk VI

Slotbepalingen

Artikel 25

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ..... [achttien maanden na de datum van goedkeuring van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 27

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE

Lijst van de bepalingen van het communautaire en Europese recht betreffende de bescherming van intellectuele eigendom, als bedoeld in artikel 2, lid 1

Richtlijn 87/54/EEG van de Raad van 16 december 1986 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderproducten [75]

[75] PB L 24 van 27.1.1987, blz. 36.

Eerste Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten [76]

[76] PB L 40 van 11.2.1989, blz. 1.

Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad van 29 mei 1989 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gedistilleerde dranken [77]

[77] PB L 160 van 12.6.1989, blz. 1.

Verordening (EEG) nr. 1014/90 van de Commissie van 24 april 1990 houdende uitvoeringsbepalingen voor de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gedistilleerde dranken [78]

[78] PB L 105 van 25.4.1990, blz. 9.

Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's [79]

[79] PB L 122 van 17.5.1991, blz. 42.

Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom [80]

[80] PB L 346 van 27.11.1992, blz. 61.

Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel [81]

[81] PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15.

Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten [82]

[82] PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9.

Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken [83]

[83] PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20.

Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen [84]

[84] PB L 289 van 28.10.1998, blz. 28.

Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen [85]

[85] PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.

Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt [86]

[86] PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1.

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij [87]

[87] PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.

Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk [88]

[88] PB L 272 van 13.10.2001, blz. 32.

Verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen [89]

[89] PB L 182 van 2.7.1992, blz. 1.

Verordening (EG) nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen [90]

[90] PB L 198 van 8.8.1996, blz. 30.

Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1068/97 [91]

[91] PB L 156 van 13.6.1997, blz. 10.

Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk [92]

[92] PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1.

Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht [93]

[93] PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen [94]

[94] PB L 3 van 5.1.2002, blz. 1.

Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag) van 5 oktober 1973.

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. BENAMING VAN DE MAATREGEL

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen.

2. BEGROTINGSONDERDEEL

A0-7030

3. RECHTSGROND

Artikel 95 van het EG-Verdrag.

4. OMSCHRIJVING VAN DE MAATREGEL

4.1 Algemeen doel

Het doel van de maatregel is de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt en de vaststelling van een algemeen kader voor uitwisseling van informatie en administratieve samenwerking.

4.2 Looptijd, vernieuwing of verlenging

Onbepaalde tijd.

5. INDELING VAN UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

5.1. Niet-verplichte uitgave

5.2. Niet-gesplitst krediet

5.3. Verwachte ontvangsten: geen

6. AARD VAN DE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

7. FINANCIËLE GEVOLGEN (Deel B)

8. MAATREGELEN TER BESTRIJDING VAN FRAUDE

9. ELEMENTEN VOOR DE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE

9.1 Specifieke en kwantificeerbare doelstellingen, doelgroep

9.2 Motivering van de maatregel

Het voorstel voor een richtlijn heeft ten doel om de wetgevingen van de lidstaten betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te harmoniseren. Er bestaan immers aanzienlijke verschillen in de sanctieregelingen van de lidstaten op dit gebied. Deze situatie is schadelijk voor de goede werking van de interne markt.

De juiste toepassing van de richtlijn brengt de instelling van een contactcomité met zich waarin door de lidstaten benoemde correspondenten zitting hebben en dat door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt voorgezeten. De kosten in verband met de werkzaamheden van dit comité komen ten laste van de Gemeenschapsbegroting.

9.3 Follow-up en evaluatie van de maatregel

Uit hoofde van artikel 23 van het voorstel voor een richtlijn zal de Commissie drie jaar na de omzetting van de richtlijn door de lidstaten een verslag over de tenuitvoerlegging ervan publiceren.

10. HUISHOUDELIJK UITGAVEN (AFDELING III, DEEL A, VAN DE ALGEMENE BEGROTING)

10.1 Gevolgen voor de personeelssterkte

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10.2 Financiële gevolgen van het personeel (in EUR)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10.3 Stijging van andere huishoudelijke uitgaven als gevolg van de maatregel, met name de kosten in verband met vergaderingen van comités en groepen deskundigen (in EUR)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De gegeven bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven als gevolg van de maatregel wanneer de duur ervan vooraf is vastgelegd of met de uitgaven voor 12 maanden wanneer de duur ervan onbepaald is.

De behoeften aan personele en administratieve middelen zullen worden gedekt uit de toewijzing aan het DG MARKT in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure.

Indien de Commissie besluit een contactcomité in te stellen, zal dit tot taak hebben de samenwerking uit te breiden, de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken, de supervisie over de werking van deze richtlijn te hebben en op verzoek van de Commissie of van een vertegenwoordiger van een lidstaat alle kwesties betreffende de toepassing van de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt te onderzoeken. Ook staat het de Commissie bij bij de opstelling van het evaluatieverslag.

Dit comité zal niet onder comitologieprocedure als bedoeld in Besluit 1999/468/EG van de Raad vallen. De enige jaarlijkse kosten van dit comité zijn de reiskosten van de nationale correspondenten.

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

Titel van het voorstel

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen

Referentienummer van het document

COM(2003) 46 definitief

Voorstel

1. Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen?

Het bedrijfsleven heeft blijk gegeven van de behoefte over middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te beschikken die in alle lidstaten even doeltreffend zijn. Deze behoefte komt overigens overeen met de beleidsdoelstellingen van de Commissie om de ontwikkeling van innoverende en creatieve activiteiten in Europa te vergemakkelijken door een coherente en doeltreffende bescherming van de intellectuele eigendom in de interne markt. Het spreekt voor zich dat aan deze behoefte niet kan worden voldaan door alleen op het niveau van elke lidstaat maatregelen te treffen. Daarom lijkt harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten op communautair niveau noodzakelijk. Om werkelijk doeltreffend te zijn moet worden gestreefd naar harmonisatie op basis van de nationale bepalingen die het geschiktst lijken om aan de behoeften van de benadeelde partijen tegemoet te komen en tegelijkertijd rekening te houden met de legitieme belangen van de verweerders. Dit maakt het mogelijk intellectuele-eigendomsrechten op gelijkwaardige en doeltreffende wijze in de gehele Gemeenschap te handhaven.

Effect op het bedrijfsleven

2. Waarop is het voorstel van invloed:

- welke bedrijfstakken?

In principe zijn alle sectoren betrokken bij de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.

- welke bedrijfsomvang (met welk aandeel van kleine en middelgrote bedrijven)?

De middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zijn zowel gericht op grote als op kleine bedrijven, met name op die bedrijven die actief zijn op het gebied van creatieve en innoverende activiteiten. Het MKB is bijzonder kwetsbaar voor namaak en piraatproducten. Met hun beperkte financiële middelen zijn deze bedrijven vaak niet in staat hoge gerechtskosten op zich te nemen.

- zijn er bijzondere geografische gebieden van de Gemeenschap waar deze bedrijven voorkomen?

Het gaat om het gehele grondgebied van de Gemeenschap.

3. Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen?

De voorgestelde middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moeten door de lidstaten aan de bedrijven ter beschikking worden gesteld. Zij krijgen daarmee de mogelijkheid deze middelen te gebruiken om de intellectuele-eigendomsrechten waarvan zij houder zijn te beschermen.

4. Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben:

- voor de werkgelegenheid?

Het staat vast dat de schade die de bedrijven als gevolg van inbreuken op de intellectuele eigendom lijden, uiteindelijk zijn terugslag heeft op het aantal banen dat zij aanbieden, ook al zijn de gevolgen van deze inbreuken op de werkgelegenheid in de industrie moeilijk nauwkeurig te meten. Volgens een in juni 2000 op het niveau van de Europese Unie uitgevoerde studie zouden er in de EU meer dan 17 000 banen per jaar verloren zijn gegaan door activiteiten op het gebied van namaak en piraterij. Volgens een in 1998 in Frankrijk uitgevoerde studie zou het aantal banen dat in Frankrijk als gevolg van namaak verloren is gegaan ongeveer 38 000 bedragen. Harmonisatie op basis van de nationale bepalingen die de grootste doeltreffendheid bieden, zal het mogelijk maken de bestrijding van namaak en piraterij te verbeteren en versterken en derhalve de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap te verbeteren.

- voor de investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven?

Door harmonisatie van de wetgevingen betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zullen de bedrijven op het gehele grondgebied van de Gemeenschap van een gelijk beschermingsniveau kunnen profiteren. Dit gunstige klimaat zal het vertrouwen van de bedrijven in de interne markt versterken zodat zij hun creatieve en innoverende activiteiten verder ontwikkelen. Deze situatie biedt hun de waarborg dat zij een eerlijke vergoeding zullen krijgen voor de investeringen die zij aan onderzoek en ontwikkeling hebben toegekend, en zal hen stimuleren om te investeren.

- voor het concurrentievermogen van de bedrijven?

Innovatie is van het grootste belang voor het concurrentievermogen van bedrijven. Zij moeten hun producten voortdurend verbeteren of vernieuwen als zij marktaandeel willen behouden of veroveren. Gestage innoverende activiteiten die tot de ontwikkeling van nieuwe producten of diensten leiden, brengt bedrijven in een gunstige marktpositie en vormt een belangrijke factor voor hun concurrentievermogen. Om onder goede voorwaarden te kunnen innoveren moeten bedrijven van een klimaat kunnen profiteren dat gunstig is voor de ontwikkeling van hun activiteiten, met name wat de bescherming van de intellectuele eigendom betreft. De harmonisatie van de nationale wetgevingen betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zal ertoe bijdragen de ontwikkeling van de innoverende activiteiten van bedrijven in de interne markt en derhalve hun concurrentievermogen te waarborgen.

5. Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote bedrijven (minder zware of andere eisen, enz.)?

Het voorstel bevat geen specifieke maatregelen voor kleine en middelgrote bedrijven. De beoogde harmonisatie zou echter ook aan het MKB ten goede moeten komen, aangezien de bedrijven hiermee doeltreffende middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten tot hun beschikking krijgen en zij gemakkelijker toegang tot informatie krijgen, met name via een systeem dat het toegang geeft tot rechterlijke uitspraken die in de lidstaten op het gebied van inbreuken op de intellectuele eigendom zijn bekendgemaakt. Zo kunnen ook de kosten worden verminderd in verband met de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten waarvan kleine en middelgrote bedrijven rechthebbende zijn.

Raadpleging

6. Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en zet hun standpunten in grote lijnen uiteen.

Het voorstel zelf is niet in de betrokken kringen verspreid, aangezien de Commissie haar goedkeuring er nog aan moet hechten. Niettemin is tijdens een voorafgaand raadplegingsproces de behoefte aan een initiatief van de Commissie op dit gebied vastgesteld. De Commissie heeft immers in oktober 1998 een Groenboek over de bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt (COM(98) 569 def.) [95] gepubliceerd. Zij heeft bijna 145 schriftelijke bijdragen ontvangen uit alle betrokken kringen. Hiervan is een syntheseverslag gemaakt dat is gepubliceerd [96]. Het Europees Parlement [97] en het Europees Economisch en Sociaal Comité [98] hebben ook de gelegenheid gehad hun commentaar op het groenboek te leveren. Bovendien heeft de Commissie, samen met het Duitse voorzitterschap van de Europese Unie, op 2 en 3 maart 1999 in München een hoorzitting [99] voor alle betrokkenen georganiseerd en op 3 november 1999 een vergadering met de deskundigen van de lidstaten van de Gemeenschap om hun commentaar over dit onderwerp te krijgen. Ten slotte heeft de Commissie op 30 november 2000 een mededeling over de follow-up van het Groenboek ingediend, waarin zij in de vorm van een actieplan een hele reeks initiatieven heeft aangekondigd om de bestrijding van namaak en piraterij te intensiveren en te verbeteren (COM(2000) 789 definitief) [100], met inbegrip van een voorstel voor een richtlijn om de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te verbeteren.

[95] Zie voetnoot 1.

[96] Zie voetnoot 2.

[97] Zie voetnoot 5.

[98] Zie voetnoot 4.

[99] Zie voetnoot 3.

[100] Zie voetnoot 6.

Tijdens de raadpleging hebben alle deelnemers unaniem gewezen op het weinig afschrikkende effect van de huidige strijdmiddelen en noemden zij dezelfde zwakke aspecten, te weten dat de toegekende schadevergoedingen, de uitgesproken geldboetes en andere sancties veel te laag en onvoldoende afschrikkend waren. Ook de verschillen tussen de nationale sanctieregelingen zijn naar voren gebracht als belemmering van een doeltreffende bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt. De betrokken kringen willen dat de sancties en andere middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in alle lidstaten even doeltreffend zijn, met name op het gebied van onderzoek, beslag en bewijs. Er is ook op de lange duur en het onzekere karakter van de nationale maatregelen en procedures gewezen. In de meeste commentaren werd gevraagd om op dit gebied op het niveau van de EU en haar lidstaten snel versterkte en geharmoniseerde wetgevende, gerechtelijke en bestuurlijke maatregelen te treffen.

De mededeling van de Commissie over de follow-up, met name de aankondiging van een voorstel voor een richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, is door de betrokken kringen goed ontvangen. In zijn aanvullend advies van 30 mei 2001 [101] heeft het Economisch en Sociaal Comité zijn goedkeuring gehecht aan het voornemen van de Europese Commissie om spoedig een voorstel voor een richtlijn over dit onderwerp in te dienen.

Top