Help Print this page 
Title and reference
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Enkele kernpunten inzake Europa’s concurrentievermogen – Naar een geïntegreerde aanpak

/* COM/2003/0704 def. */
Languages and formats available
Multilingual display
Text

52003DC0704




MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT - Enkele kernpunten inzake Europa's concurrentievermogen - Naar een geïntegreerde aanpak

Inhoudsopgave

1. Inleiding

2. Enkele beleidsvraagstukken met betrekking tot het concurrentievermogen

in de EU

3. Uitdagingen voor Europa op het gebied van concurrentievermogen

4. Recente ontwikkelingen op het vlak van het industriële concurrentievermogen

4.1. Productiviteitsgroei en deïndustrialisering

4.2. Delokalisatie

5. Een betere aanpak van vraagstukken betreffende het concurrentievermogen

5.1. Analyse van het concurrentievermogen als uitgangspunt voor actie

5.2. Een beter regelgevingskader

5.3. De inspanningen ter bevordering van onderzoek, innovatie en ondernemerschap opvoeren

5.4. De bijdrage van de Commissie

6. Conclusies

BIJLAGEN

1. Inleiding

Europa moet concurrerender worden. Een concurrerende Europese economie verschaft ons de middelen om ons sociaal model te ondersteunen, een hoog niveau van bescherming van de consumenten, de volksgezondheid en het milieu te garanderen en aldus een hoge levenskwaliteit te genieten.

Deze boodschap werd tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad in 2003 hoog op de politieke agenda geplaatst. Tijdens deze bijeenkomst werd de Raad Concurrentievermogen [1] verzocht de economische dimensie van de strategie van Lissabon te versterken door "zijn horizontale rol bij het versterken van concurrentievermogen en groei in het kader van een door de Commissie op te stellen geïntegreerde strategie voor het concurrentievermogen, actief in te vullen en zich op gezette tijden te beraden op horizontale en sectorale vraagstukken".

[1] In de zomer van 2002 heeft de Raad zijn werking gestroomlijnd en de Raad Concurrentievermogen opgericht, die de voormalige Raden Interne markt, Onderzoek en Industrie omvat.

Met deze mededeling wordt een dubbel doel nagestreefd:

* in de eerste plaats wordt met deze mededeling de aandacht van de Raad gevestigd op een reeks problemen die om een oplossing vragen en die een prominente plaats op de agenda van de Raad moeten blijven innemen; in de mededeling wordt ook een werkmethode voorgesteld die het mogelijk maakt op systematische wijze vraagstukken met betrekking tot het concurrentievermogen te identificeren en op te lossen. Deze punten maken duidelijk deel uit van een geïntegreerde aanpak;

* ten tweede wordt met deze mededeling een antwoord gegeven op het verzoek van de Europese Raad van oktober 2003 en worden voorbereidingen getroffen om de recent uitgesproken bezorgdheid over het deïndustrialiseringsproces, waar Europa kennelijk mee wordt geconfronteerd, te temperen. De Commissie zal de komende maanden uitgebreider hierop ingaan en de omstandigheden die Europa's specialisatie en rol in de internationale arbeidsverdeling bepalen, grondig bestuderen. Zij zal dit doen in het kader van haar aangekondigde mededeling over de herziening van het industriebeleid en tegen de achtergrond van de nieuwe financiële vooruitzichten, die in voorbereiding zijn.

Het is duidelijk dat deïndustrialisering en beleidsmaatregelen inzake het concurrentievermogen nauw met elkaar verbonden zijn. Beleidsmaatregelen ter ondersteuning van het concurrentievermogen zullen er tegelijkertijd ook toe bijdragen dat het deïndustrialiseringsproces een halt wordt toegeroepen; dergelijke maatregelen vergemakkelijken ook de overgang naar een moderne industriële economie. Deze overgang heeft wijzigingen van de arbeidsverdeling in alle sectoren tot gevolg. In het verleden werd een verlies aan werkgelegenheid in de verwerkende sectoren steeds ruimschoots gecompenseerd door een toename van de werkgelegenheid in de dienstensector. Ten gevolge van deze structurele veranderingen wordt het voor laaggeschoolden echter steeds moeilijker om opnieuw werk te vinden. Zij vormen een bijzonder kwetsbaar segment van de arbeidsmarkt, met name tijdens dit aanpassingsproces. Op sociaal gebied en in lokale economieën kunnen de gevolgen van dergelijke aanpassingen onmiskenbaar tot problemen leiden, maar de betere aanwending van middelen die eruit voortvloeit, heeft ook een hoger nationaal inkomen en meer welvaart tot gevolg. Beleidsmaatregelen die ons innovatievermogen en menselijk kapitaal stimuleren, dragen ook bij tot een hogere arbeidsproductiviteit en versterken ons comparatief voordeel op internationaal vlak.

Om onze concurrentiepositie te verbeteren, wordt in de mededeling gewezen op politiek belangrijke of economisch spoedeisende (hangende) beslissingen en acties die door de Raad, het Europees Parlement, de lidstaten en de Commissie moeten worden genomen om een einde te maken aan het gebrek aan tastbare resultaten op het vlak van economische hervormingen. Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad in het voorjaar van 2003 werd beklemtoond dat de doelstellingen van Lissabon alleen kunnen worden gehaald als de inspanningen met het oog op de goedkeuring en toepassing van structuurhervormingen in Europa sterk worden opgevoerd. De zwakke vooruitgang op veel gebieden van de hervorming is in tegenspraak met de verbintenissen die de staats- en regeringshoofden zijn aangegaan en met de tijdschema's die zij hebben afgesproken in de Europese Raad.

2. Enkele beleidsvraagstukken met betrekking tot het concurrentievermogen in de EU

Van bij de aanvang moet worden benadrukt dat de bezorgdheid over Europa's concurrentievermogen niet nieuw is, maar al hoog op de beleidsagenda van de Raad en de Commissie stond.

- Met de strategie van Lissabon heeft de Unie al een grootschalig 10-jarig programma voor economische, sociale en milieuhervormingen opgesteld, waarin rekening wordt gehouden de aanbevelingen van de Europese Raad van Göteborg. In de afgelopen twaalf maanden heeft de Commissie een aantal politieke of strategische documenten gepresenteerd die elkaar onderling versterken en die een directe invloed hebben op het concurrentievermogen. In deze documenten wordt onder meer nagegaan hoe maximaal profijt kan worden getrokken van de interne markt na de uitbreiding, hoe het concurrentievermogen van de industrie kan worden verbeterd en hoe onderzoek, innovatie en ondernemerschap kunnen worden aangemoedigd [2]. Ook wat kartels, concentraties en staatssteun betreft, voert de Commissie een ambitieus hervormingsprogramma uit om de doeltreffendheid van haar beleidsinstrumenten op het vlak van concurrentie te verbeteren. Bovendien wordt er in de Globale richtsnoeren voor het economisch beleid toe opgeroepen een gezond economisch beleid te voeren en sneller economische hervormingen door te voeren om de arbeidsproductiviteit en de ondernemingsdynamiek een extra stimulans te geven en aldus het groeipotentieel van de EU te verhogen. De Commissie heeft onlangs ook het startschot gegeven voor een Europees groei-initiatief, dat ten doel heeft de investeringen te bevorderen op twee belangrijke gebieden: netwerken en kennis [3]. Het definitief verslag van de Commissie over het groei-initiatief bevat een programma om snel projecten op te starten op het gebied van Trans-Europese netwerken voor vervoer en energie en voor breedband- of hogesnelheidsinternet, en op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Het betreft projecten die onmiddellijk van start kunnen gaan, een grote grensoverschrijdende impact hebben en positieve resultaten zullen opleveren op het vlak van groei en werkgelegenheid.

[2] Het betreft de Mededeling "Internemarktstrategie, prioriteiten 2003 - 2006" (COM(2003) 238 def.) van 7.5.2003, de Mededeling "Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa" (COM(2003) 226 def./2) van 4.6.2003, de Mededeling "Het industriebeleid na de uitbreiding" (COM(2002) 714 def.) van 11.12.2002, het Groenboek Ondernemerschap in Europa (gebaseerd op COM(2003) 27 def.) van 21.1.2003 en de Mededeling "Innovatiebeleid: actualisering van de aanpak van de Europese Unie in de context van de strategie van Lissabon" (COM(2003) 112 def.) van 11.3.2003.

[3] "An initiative for growth: investing in Trans-European Networks and major R&D projects" (SEC(2003) 819 van 9.7.2003) en het definitief verslag voor de Europese Raad "Een Europees groei-initiatief: investeren in netwerken en kennis ten behoeve van groei en werkgelegenheid" (COM(2003) 690 def. van 11.11.2003).

- Volgens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad in 2003 voert Europa de hervormingen niet snel genoeg door. Het doel van dit document is dan ook niet een zoveelste strategie voor te stellen, maar via een geïntegreerde aanpak ten aanzien van het concurrentievermogen een nieuwe dynamiek voor verandering tot stand te brengen. De toegevoegde waarde van een geïntegreerde aanpak is dat het geheel meer is dan de som van de delen. Veel maatregelen die aan de Raad en het Europees Parlement zijn voorgelegd, leveren voordelen op die veel verder reiken dan hun directe toepassingsgebied en leiden tot positieve veranderingen op diverse gebieden. Een voorbeeld hiervan is het Gemeenschapsoctrooi. Zodra dit van kracht wordt, zal niet alleen de werking van de interne markt verbeteren, maar wordt het ook mogelijk onderzoeksresultaten goedkoper in commerciële toepassingen om te zetten. Zolang bedrijven hun uitvindingen niet in de hele EU goedkoop kunnen beschermen, verliest Europa een aanzienlijk deel van de productiviteitswinst die voortvloeit uit de interne markt, onderzoek, ontwikkeling en ondernemerszin.

- Het concurrentievermogen wordt bepaald door de productiviteitsgroei; een concurrerende economie wordt gekenmerkt door hoge en aanhoudende productiviteitsgroei en leidt tot een stijging van de levensstandaard. De productiviteit wordt beïnvloed door tal van factoren. De belangrijkste hiervan zijn: de mogelijkheden die markthervormingen bieden om investeringen te stimuleren; de graad van concurrentie; het vermogen te innoveren, zowel door een toename van de investeringen in O&O als door de ontwikkeling van het menselijk kapitaal, met name via onderwijs en opleiding; het vermogen om technologische en niet-technologische uitvindingen snel in economische goederen om te zetten; de reorganisatie van arbeidspraktijken via het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën; regelgeving op het vlak van concurrentie en consumentenbescherming die garandeert dat de concurrentie vrij spel heeft in de interne markt [4] (onder meer op gebieden waar restrictieve regelgeving en monopolies een hinderpaal voor de concurrentie en het concurrentievermogen vormen) en dat productiviteitsstimulansen worden behouden; en een geïntegreerde goederen- en dienstenmarkt die garandeert dat alle mogelijke voordelen ook werkelijk worden verwezenlijkt;

[4] Dit heeft zowel betrekking op de kleinhandel als op transacties tussen bedrijven onderling ("business to business"). Uit onlangs gevoerde prijsenquêtes en het recentste verslag van Cardiff blijkt dat de prijzen voor dezelfde goederen en diensten aanzienlijk verschillen van lidstaat tot lidstaat. Dit illustreert duidelijk dat in de verhoudingen tussen bedrijven en consumenten de concurrentie nog niet volledig vrij spel heeft.

- Zowel de Europese instellingen als de lidstaten hebben een belangrijke rol te spelen als "hoeders van het concurrentievermogen". Zij hebben allebei tot doel een kader te scheppen dat Europese bedrijven in staat stelt te groeien en succesvol de concurrentie aan te gaan in een bijzonder concurrerende mondiale markt. Deze uitdaging is des te belangrijker nu nieuwe, sterke concurrenten uit Zuidoost Azië en Latijns-Amerika op de markt zijn verschenen. Om zeker te zijn dat de Europese Unie op de goede weg is, moeten we de ontwikkelingen op de voet volgen en het concurrentievermogen van onze economieën en ondernemingen systematisch analyseren. Bovendien moet de Commissie nagaan wat de economische, sociale en milieugevolgen van haar belangrijkste wetsvoorstellen zijn en terdege rekening houden met het effect van beleidskeuzes op het concurrentievermogen. Openbare raadpleging en grondige effectbeoordeling zijn cruciale instrumenten om dit te verwezenlijken. De effectbeoordeling van belangrijke Commissievoorstellen stelt ook de Raad en het Europees Parlement in de mogelijkheid om rekening te houden met het effect van deze voorstellen op het concurrentievermogen. Deze instellingen moeten er echter op toezien dat de effectbeoordeling van voorstellen doorheen de verschillende fasen van het wetgevingsproces plaatsvindt.

3. Uitdagingen voor Europa op het gebied van concurrentievermogen

Sinds 1995 is in Europa een uitgesproken daling van de totale productiviteit vastgesteld; de situatie verschilt echter van lidstaat tot lidstaat. De Commissie heeft herhaaldelijk het belang van deze ontwikkeling benadrukt [5]. Uit de analyse van de belangrijkste factoren die een invloed hebben op het concurrentievermogen van de EU, komt een zorgwekkend beeld naar voren. De vertraging is met name te wijten aan de gebrekkige wijze waarop Europa profijt trekt van informatie- en communicatietechnologieën (ICT), trage innovaties op het gebied van de werkomgeving en de ontwikkeling van de nodige vaardigheden en gebrekkige organisatorische veranderingen.

[5] Zie het Verslag over het Europese concurrentievermogen, edities 2001, 2002 en 2003 (SEC(2001) 1705 van 29.10.2001, SEC(2002) 528 def. van mei 2002 en SEC(1299) van 13.11.2003). De Commissie heeft de Raad en het Europees Parlement ook gewezen op de risico's die de Mededeling "Productiviteit: de sleutel tot het concurrentievermogen van de Europese economieën en ondernemingen" (COM(2002) 262 def. van 25.5.2002) met zich meebrengt

In de EU ligt de arbeidsrendabiliteit per uur lager dan in de VS; in 2002 bedroeg de productiviteit per gewerkt uur in de EU 86,8% van het niveau in de VS [6]. De prestaties van de lidstaten lopen echter sterk uiteen [7]. In de periode 1990-1995 is de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur in de EU gemiddeld met 2,5% per jaar gestegen, maar in de periode 1995-2000 slechts met 1,3% per jaar. In de VS bedragen deze cijfers respectievelijk 1,1 en 1,9%.

[6] Zie het Verslag over het Europees concurrentievermogen, editie 2003, op. cit. in voetnoot 5.

[7] In de periode 1996-2002 was de gemiddelde productiviteitsgroei per uur in België (2,16%), Griekenland (3,16%), Ierland (5,12%), Luxemburg (2,04%), Oostenrijk (2,43%) en Finland (2,58%) hoger dan in de VS (1,86%); hoewel in 2002 de productiviteit per gewerkt uur in de hele EU slechts 86,8% van die in de VS bedroeg, deden België, Frankrijk en Luxemburg het op dit gebied beter dan de VS; zie het Verslag over het Europees concurrentievermogen, editie 2003, op. cit. in voetnoot 5.

Europa's economische integratie is nog lang niet voltooid. De voordelen van de interne markt hebben zich met name nog niet echt laten gevoelen op gebieden waar minder hervormingen hebben plaatsgevonden en de concurrentie dus minder groot is, zoals de markten voor energie, vervoer en diensten. De intracommunautaire handel in goederen is in de periode 1996-2000 sneller gegroeid dan het BBP, maar heeft sinds 2001 aan snelheid verloren [8]. De handel in diensten is sinds 1993 bijna verdubbeld, van 194 tot 362 miljard euro, maar een toename van de handel en de directe buitenlandse investeringen kan nog tot verdere integratie leiden.

[8] Zie "Economische hervorming: Verslag over de werking van de product- en kapitaalmarkten in de EU" (COM(2002) 743 def. van 23.12.2002).

Wat de inspanningen op O&O-gebied betreft, blijft Europa achterop bij de VS en Japan. Ondanks een aantal positieve initiatieven in sommige lidstaten vertonen de maatregelen om de investeringen in onderzoek op te voeren en het onderzoeksklimaat te verbeteren, weinig samenhang en voortgang. Uit de recentste beschikbare gegevens (2001) blijkt duidelijk dat de totale O&O-investeringen in de EU-15 langzaam naar een historisch hoogtepunt van 2% van het BBP stijgen; het gemiddelde jaarlijkse groeicijfer van 1,3% blijft evenwel veel te laag om de VS en Japan in te halen en om het streefcijfer van 3% in 2010 te kunnen bereiken. Wat investeringen in O&O betreft, is de kloof ten opzichte van de Verenigde Staten alleen maar breder geworden: van 120 miljard euro in 2000 tot 140 miljard euro in 2001. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan de lagere private uitgaven in de EU.

Ook wat de prestaties inzake innovatie betreft, ligt Europa nog steeds achterop bij zijn grootste concurrenten. Uit de meest recente gegevens [9] blijkt dat voor een reeks sleutelindicatoren de kloof tussen de EU en de VS nog steeds zeer groot is. Op octrooigebied blijft Europa zwak presteren, met name in hoogtechnologische sectoren. De gegevens wijzen echter ook op een zorgwekkende achteruitgang van levenslang leren. De reden hiervoor is dat in Europa de private sector veel minder in hoger onderwijs en beroepsopleiding investeert dan in de landen die de belangrijkste concurrenten van Europa zijn [10]. Uit sommige indicatoren blijkt dat enig optimisme toch gerechtvaardigd is. Het aandeel van de afgestudeerden in wetenschappelijke en technische richtingen in het totale aantal nieuw afgestudeerden is in de EU beduidend hoger dan in de VS en sinds 1996 heeft de EU de helft van haar achterstand inzake ICT-uitgaven goedgemaakt.

[9] Zie het "Innovatiescorebord 2003" (SEC(2003 )1255 van 10.11.2003).

[10] Zie "Education & training 2010 - The success of the Lisbon Strategy hinges on urgent reforms (Joint interim report on the implementation of the detailed work programme on the follow-up of the objectives of education and training systems in Europe)" (COM(2003) 685 def van 11.11.2003).

Europa heeft nog steeds te lijden onder een gebrek aan ondernemerszin [11]. Ondernemerschap wordt veel minder vaak dan in de VS als een beroepsoptie beschouwd. Het is van essentieel belang dat de houding ten opzichte van zelfstandig ondernemerschap wordt verbeterd en de stimulansen voor zelfstandig ondernemerschap worden versterkt.

[11] Zie "Benchmarking Enterprise Policy: Results from the 2003 Scoreboard" (SEC(2003) 1278 van 11.11.2003).

Europa heeft niet alleen behoefte aan meer ondernemers, maar ook aan omstandigheden die de groei van ondernemingen ondersteunen. Een gebrek aan financiële steun, ingewikkelde administratieve procedures en een gebrek aan geschoolde arbeidskrachten zijn nog steeds de belangrijkste obstakels voor het oprichten en uitbreiden van een onderneming. Dit geldt met name voor sectoren die intensief gebruik maken van technologie, zoals de biotechnologiesector; recentelijk zijn in deze sector meer ondernemingen opgericht in Europa dan in de VS, maar de groei van deze ondernemingen wordt sterk belemmerd door de gebrekkige toegang tot risicokapitaal.

4. Recente ontwikkelingen op het vlak van het industriële concurrentievermogen

De problemen met betrekking tot het Europese concurrentievermogen doen ook de vrees ontstaan dat Europa mogelijk afstevent op deïndustrialisering. Deze vrees is in de afgelopen maanden in openbare debatten en op de hoogste politieke niveaus geuit, met name in een brief van de staats- of regeringshoofden van Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk aan de voorzitter van de Commissie. Deze bezorgdheid is niet nieuw en is steeds het grootst in periodes van trage economische groei of recessie [12]. Het lijdt geen twijfel dat de aanpassing aan de veranderende structuur van onze economie een zeer duur proces kan zijn, met name op lokaal niveau. Goede macro-economische prestaties scheppen niet alleen een klimaat waarin de verwerkende sector van de EU zijn productiviteit kan verbeteren, de internationale concurrentie kan aangaan en werkgelegenheid kan scheppen, maar ook de omstandigheden die nodig zijn voor de groei van de dienstensector.

[12] Begin jaren tachtig is in de VS en het Verenigd Koninkrijk een sterk deïndustrialiseringsproces op gang gekomen, maar dit heeft uiteindelijk tot herstructureringen en bedrijfsherstel en tot meer algemene veranderingen in de structuur van de industrie geleid.

In punt 4.1 worden enkele elementen besproken die verband houden met deïndustrialisering en in punt 4.2 enkele ideeën over delokalisatie. Deze punten maken deel uit van een ruimere reflectie over de prestaties en toekomst van de EU-industrie. Misschien is dit een weerspiegeling van Europa's ambitie om een mondiale macht te blijven in industriële sectoren die om strategische of andere redenen als essentieel worden beschouwd. Bovendien blijkt hieruit dat Europa misschien de ambitie heeft om beter te presteren op de gebieden waar het tot nu toe zwak presteerde. Dit geeft aan dat de EU-industrie, omdat ze minder gespecialiseerd is in op technologie gebaseerde sectoren dan de VS of Japan, ernaar streeft haar sterke positie in traditionele, volledig ontwikkelde sectoren te behouden, ook al zal dat onvoldoende zijn om economisch succes op lange termijn te garanderen [13]. De uitbreiding kan ten slotte de structurele wijzigingen in sommige industriële sectoren in de EU versnellen.

[13] Mededeling "Het industriebeleid na de uitbreiding" (COM(2002) 714 def. van 11.12.2002).

4.1. Productiviteitsgroei en deïndustrialisering [14]

[14] De in dit punt besproken gegevens zijn afkomstig van M. O'Mahoney en B. van Ark (ed. 2003): "EU Productivity and Competitiveness: An Industry Perspective Can Europe Resume the Catching-up Process?", studie in opdracht van directoraat-generaal Ondernemingen van de Europese Commissie.

Deïndustrialisering is een proces van structurele verandering. De daling van het aandeel van de verwerkende sector in het nationaal inkomen, met name in de jaren na de tweede wereldoorlog, is een weerspiegeling van de daling van het aandeel van de primaire sector tijdens de jaren die daaraan voorafgingen.

In de afgelopen jaren heeft de EU-industrie sterk uiteenlopende ontwikkelingen doorgemaakt (zie bijlage 2). In het midden van de jaren negentig begon de productiviteitsgroei in de verwerkende sector te vertragen; Vooral de hoogtechnologische sectoren hebben bijgedragen tot de verdere uitdieping van de productiviteitskloof. Wat de productie, verwerking en dienstverlening op ICT-gebied betreft, heeft de EU bijzonder goed gepresteerd, maar in de sectoren die gebruik maken van ICT is de productiviteit minder snel gestegen dan in de VS. Het is duidelijk dat ICT een sleutelrol speelt in de sectorale productiviteit.

Ontwikkelingen op het vlak van de productiviteit spelen een belangrijke rol in het deïndustrialiseringsproces omdat ze een directe invloed op het concurrentievermogen van ondernemingen uitoefenen. Het is belangrijk dat we de VS als vergelijkingspunt gebruiken om onze prestaties te beoordelen.

Deïndustrialisering is een (niet-cyclische) achteruitgang van de verwerkende sector op lange termijn [15]. Het betreft een proces van langdurige (niet-cyclische) achteruitgang van de verwerkende industrie, met een absolute achteruitgang van de werkgelegenheid, productie, winstgevendheid, kapitaalreserves en uitvoer van verwerkte producten en bijgevolg aanhoudende handelstekorten tot gevolg.

[15] Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen seculiere of absolute deïndustrialisering en relatieve deïndustrialisering. Relatieve deïndustrialisering betekent dat het aandeel van de verwerkende industrie in het BBP daalt. Dit proces speelt zich op langere termijn af en houdt in dat de productiviteit van de verwerkende industrie snel stijgt en een toename van de reële inkomens en van de vraag naar de producten van de dienstensector tot gevolg heeft. In dit geval weerspiegelt de daling van het aandeel van de verwerkende industrie in het BBP een structurele overschakeling naar een economie die gedomineerd wordt door de dienstensector.

Na 1979 kende de verwerkende sector periodes waarin de werkgelegenheid daalde. Tussen 1979 en 1995 werd de sterkste daling vastgesteld in de primaire sector, maar ook in de sectoren telecommunicatieapparatuur, radio en televisie en vervoersuitrusting. Op enkele uitzonderingen na heeft deze daling zich voortgezet in de periode 1995-2001 en ook in recentere kwartalen werd een daling van de werkgelegenheid ten gevolge van de vertraging van de economische activiteit vastgesteld.

Voor de toegevoegde waarde werd in de periode 1979-1995 daarentegen een sterke groei genoteerd. De grootste stijgingen vonden plaats in de sectoren chemie (jaarlijkse cumulatieve groei van de toegevoegde waarde met 3,5% in prijzen van 1995), kantoorapparatuur (6,9%), elektronica (6,3%), telecommunicatieapparatuur (4,4%) en wetenschappelijke en andere instrumenten (2,4%). In de periode 1995-2001 werden voor de toegevoegde waarde meestal forse en uiteenlopende groeicijfers opgetekend, met name in de sectoren elektronica (jaarlijkse cumulatieve groei van de toegevoegde waarde met 14,7%), telecommunicatieapparatuur (15,5%) en radio- en televisieontvangers (10,1%).

De werkgelegenheid en de productie is slechts in een minderheid van de sectoren gedaald, namelijk in de sectoren textiel, kleding, leder en schoeisel, winning van delfstoffen, olieraffinage, cokes en splijtstoffen. Het aandeel van deze sectoren in de productie van de verwerkende industrie is gedaald van 14,1% in 1979 tot 8,7% in 2001, maar het aandeel van sectoren als chemie, telecommunicatieapparatuur, kantoormachines en elektrische apparatuur is sterk gestegen [16].

[16] Zie bijlage 2.

De stijging van de productie in de verwerkende industrie is in eerste instantie het gevolg van de snelle productiviteitsgroei. Ten gevolge van de convergentie van de productiviteit in de periode vóór 1995, is de productie per werknemer in bijna alle industriële sectoren in de EU gestegen. Hoewel de productiviteitsgroei in de periode 1995-2001 in verscheidene sectoren aanzienlijk is vertraagd, bleef de groei in bijna alle sectoren positief. In de periode daarna versnelde de productiviteitsgroei in sommige gevallen nog; in de sector telecommunicatieapparatuur bedroeg de jaarlijkse cumulatieve groei 14,7%, in de elektronicasector 12%, in de sector kantoorapparatuur 9,7% en in de sector elektriciteits-, gas- en watervoorziening 5,2%.

De EU presteert ook goed wat de internationale handel in verwerkte producten betreft. Het handelsoverschot inzake verwerkte producten is gestegen van 31,5 miljard euro (0,6% van het BBP) in 1989 tot 95,2 miljard euro (1,1% van het BBP) in 2001. Alleen de hierboven genoemde sectoren die een absolute daling van de productie hebben gekend, vertonen een stijgend handelstekort. Op enkele uitzonderingen na is in alle andere sectoren van de verwerkende industrie het handelsoverschot gestegen in de periode 1989-2001.

We mogen niet uit het oog verliezen dat een proces van relatieve deïndustrialisering [17] zich in de loop van de geschiedenis altijd heeft voorgedaan, zoals reeds eerder vermeld. De hoge productiviteitsgroei in de verwerkende sector heeft ertoe bijgedragen dat de reële inkomens zijn gestegen en dat industrieproducten relatief goedkoper zijn geworden dan goederen uit de dienstensector. Dit heeft onvermijdelijk tot gevolg dat het aandeel van de industrie in het nationaal inkomen en de werkgelegenheid daalt. Dit fenomeen heeft zich reeds voorgedaan en zal zich blijven voordoen in onze economieën.

[17] Het concept relatieve deïndustrialisering is toegelicht in voetnoot 15.

Om het proces van structurele verandering beter te begrijpen, is het, ondanks de aanpassingskosten die op korte termijn met dit proces gepaard gaan, ook belangrijk na te gaan wat de economische implicaties van enige vorm van deïndustrialisering zijn, mocht dit proces zich voordoen.

Van bij de aanvang moet worden opgemerkt dat de bezorgdheid over deïndustrialisering op een onvolledig beeld van de economisch realiteit lijkt te zijn gebaseerd. De internationale relocatie van industriële activiteiten is een weerspiegeling van veranderende comparatieve voordelen.

* Door internationale handelsrelaties komen dergelijke relocaties echter niet alleen ten goede aan de landen van bestemming. Zij zullen meer uitvoeren, maar ook meer invoeren. Het is duidelijk dat de uitvoer van de EU zal toenemen als de economische groei buiten de EU versnelt ten gevolge van relocaties. Dit doet op zijn beurt de productie en werkgelegenheid in de EU stijgen, zij het in andere sectoren. De werkgelegenheid zal permanent dalen in regio's die door bedrijven worden verlaten als deze regio's niet verhoudingsgewijs evenveel uitvoeren naar de regio's van bestemming van de bedrijven. De voltooiing van dit proces vergt echter de nodige tijd en zal aanzienlijke aanpassingskosten met zich meebrengen; er is dan ook behoefte aan flexibele arbeidskrachten die hun vaardigheden voortdurend actualiseren.

* Voorts zal de invoer van verwerkte goederen uit de landen van bestemming ook in de toekomst slechts een klein deel van de totale uitgaven in de EU vertegenwoordigen. In de EU geproduceerde goederen, maar hoofdzakelijk diensten, vertegenwoordigen nog steeds het grootste deel van de EU-uitgaven en ondersteunen de werkgelegenheidsgroei.

* Ten slotte is het belangrijk eraan te herinneren dat de landen waar industrieën naar migreren, zonder uitzondering minder rijke en minder ontwikkelde landen zijn. Deze landen moeten kapitaal invoeren om hun economie te ontwikkelen en dit betekent dat ze in de nabije toekomst handelstekorten zullen hebben. Deze handelstekorten weerspiegelen de kapitaaluitvoer of handelsoverschotten van de rest van de wereld (inclusief de EU). Het is onrealistisch ervan uit te gaan dat de minder ontwikkelde landen waar industrieën naar kunnen migreren, in grote mate kapitaal gaan uitvoeren naar hogeloonlanden in de geïndustrialiseerde wereld, zoals de EU.

Op basis van de bestudeerde gegevens kan niet worden gesteld dat de EU-economie tekenen van deïndustrialisering vertoont. Het is echter mogelijk dat tijdens een periode van trage groei en slechte prestaties op het vlak van productiviteit en innovatie, omstandigheden worden gecreëerd die bijdragen tot een dergelijk proces.

De beleidmakers moeten dan ook waakzaam blijven. Het is van essentieel belang dat de Raad Concurrentievermogen regelmatig op de hoogte wordt gehouden en dat de Commissie systematisch toezicht houdt op de ontwikkeling van de industriële prestaties.

4.2. Delokalisatie

Delokalisatie heeft betrekking op de verhuizing van productie- of andere activiteiten naar plaatsen buiten het thuisland. Delokalisatie heeft reeds plaatsgevonden in de EU en weerspiegelt de veranderingen in het comparatieve voordeel van bepaalde locaties en/of verschillende beleidsvoorwaarden.

Delokalisatie heeft geleid tot grote bezorgdheid onder beleidmakers, sociale partners en het grote publiek. Deze bezorgdheid werd reeds geuit toen de uitbreiding van de EU met de landen van Centraal- en Oost-Europa voor het eerst in het vooruitzicht werd gesteld en steekt nu opnieuw de kop op in de context van globalisering. Als de kosten in het buitenland lager zijn, zal dit ongetwijfeld een aantrekkingskracht uitoefenen op industrieën die niet langer kunnen produceren in de industriële economieën van hogeloonlanden. Dit draagt natuurlijk bij tot de groei van minder welvarende handelspartners.

Delokalisatie is beperkt gebleven tot laagtechnologische, arbeidsintensieve activiteiten. De relocatie van dergelijke activiteiten gaat echter vaak gepaard met het behoud van arbeidsplaatsen of het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen in Europa, in dienstensectoren als design, marketing en distributie. Dit veranderend specialisatiepatroon is het gevolg van verschuivingen in het comparatieve voordeel, waarbij de EU de banen behoudt die intensief gebruik maken van menselijk kapitaal en technologie en die worden gekenmerkt door hoge productiviteit en hoge reële lonen. Een les die Europa hieruit kan trekken, is dat het nu en in de toekomst het concurrentievermogen van zijn verwerkende industrie moet versterken. Om dit te kunnen verwezenlijken moet Europa zijn prestaties op het gebied van O&O en innovatie verbeteren, zijn menselijk kapitaal versterken en kadervoorwaarden ontwikkelen die de groei van ondernemingen en van de productiviteit ondersteunen.

Andere aspecten van delokalisatie, zoals de migratie van O&O-activiteiten, zijn een echte bedreiging voor de toekomst van Europa. Bedrijven voeren een steeds groter aandeel van hun onderzoek buiten Europa uit, met name in hoogtechnologische, onderzoeksintensieve sectoren zoals de farmaceutische sector of de biotechnologie. Bedrijven verhuizen deze activiteiten steeds vaker naar de VS omdat ze daar profijt kunnen trekken van gunstiger regelgevende, structurele of financiële omstandigheden en een beroep kunnen doen op geschoolde arbeidskrachten. Volgens een studie uit 2002 van de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT) hebben grote Europese bedrijven ervoor gewaarschuwd dat het grootste deel van hun nieuwe O&O-investeringen buiten de EU zal plaatsvinden, wat nu reeds het geval is voor 40% van hun O&O-activiteiten, tenzij de kadervoorwaarden drastisch zouden verbeteren. Deze waarschuwing moet de beleidmakers attent maken op het risico dat activiteiten die van essentieel belang zijn voor onze toekomstige levensstandaard marginaal kunnen worden in de EU.

Tegen sommige economische krachten kan of mag de EU natuurlijk weinig inbrengen, maar op andere gebieden hebben de beleidmakers een actieve rol te spelen. Ze moeten bijvoorbeeld rekening houden met het huidige proces van industriële transformatie door de toenemende osmose (kruisbestuiving) tussen de industrie en de dienstensector te vergemakkelijken. Ze moeten zich ook bewust zijn van de rol van de industriële kadervoorwaarden in relocatiebeslissingen. Als enkele van Europa's meest concurrerende industriële sectoren zouden migreren omdat de kadervoorwaarden in de EU ten koste gaan van hun concurrentievermogen en niet omdat buiten de EU de kosten lager zijn of de markttoegang gemakkelijker, moet het beleid terzake worden herzien. Zoniet moeten grote vraagtekens worden geplaatst bij Europa's vermogen om een toonaangevende rol te blijven spelen in sectoren die belangrijke spill-overs naar de rest van de economie doen ontstaan.

Aangezien de diversiteit van de loonstructuren en technologische vaardigheden na de uitbreiding zal toenemen, zal de Europese industrie over mogelijkheden voor een concurrentiegerichte reorganisatie beschikken. Het vooruitzicht van een uitbreiding van de interne markt naar de buurlanden van de uitgebreide EU [18], met name Rusland, de landen van de westelijke GOS en het zuidelijke deel van het Middellandse-Zeegebied, zal - zoals de Europa-Overeenkomsten tien jaar geleden - de bedrijven uit de EU een ruime binnenlandse markt bieden en gemakkelijker toegang verschaffen tot de overvloedig aanwezige menselijke en fysieke productiefactoren. Dit zal het concurrentievermogen van fabrikanten uit de EU versterken en hen in staat stellen aanwezig te blijven in marktsegmenten die door sterke concurrentie van fabrikanten uit het Verre Oosten worden gekenmerkt. De textiel- en kledingsector ontwikkelt dergelijke samenwerkingsvormen reeds in sommige partnerlanden in het Middellandse-Zeegebied en ook andere industriële of dienstensectoren kunnen ongetwijfeld profijt trekken van soortgelijke regelingen.

[18] Zie de Mededeling "De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke buurlanden" (COM(2003) 104 def. van 11.3.2003).

Het concurrentievermogen van een bedrijf hangt uiteindelijk af van de doeltreffendheid waarmee het de diverse beschikbare hulpmiddelen combineert, maar de overheid kan een belangrijke rol spelen om dit proces te vergemakkelijken door de geschikte kadervoorwaarden te scheppen. Ongeschikte kadervoorwaarden en een ongunstig ondernemingsklimaat kunnen een zware last vormen voor bedrijfsactiviteiten, om nog te zwijgen van het gecumuleerde effect van extra lagen van regelgeving. Het betreft een breed gamma van beleidsdomeinen waarvoor zowel de lidstaten, de Commissie als het Europees Parlement bevoegdheid hebben, zoals verder uiteengezet in punt 5 [19].

[19] Zie de Mededeling "Het industriebeleid na de uitbreiding" (COM(2002) 714 def. van 11.12.2002) voor een gedetailleerde bespreking van de kadervoorwaarden.

5. Een betere aanpak van vraagstukken betreffende het concurrentievermogen

5.1. Analyse van het concurrentievermogen als uitgangspunt voor actie

Om doelgericht en effectief te zijn moeten de beleidsmaatregelen van de EU op het gebied van het concurrentievermogen gebaseerd zijn op een grondige economische analyse. Dit geldt zowel voor de horizontale als voor de sectorale aspecten van dergelijke beleidsmaatregelen. In de afgelopen twaalf maanden heeft de Commissie een aantal analysedocumenten gepresenteerd die betrekking hebben op diverse beleidsgebieden [20].

[20] Onder meer het Cardiff-verslag over de werking van de interne markt voor goederen en de kapitaalmarkten, het verslag over het concurrentievermogen, het scorebord van de interne markt en de scoreborden ondernemingenbeleid en innovatie.

De door de Commissie uitgevoerde analyse van het concurrentievermogen is zowel algemeen als specifiek van aard en heeft enerzijds betrekking op instrumenten die rechtstreeks gericht zijn op aspecten van het concurrentievermogen en anderzijds op instrumenten die minder specifiek zijn, bijvoorbeeld het beleid inzake onderwijs en het regionaal beleid. De specifieke analytische instrumenten zijn het door de Commissie opgestelde jaarlijkse Verslag over het concurrentievermogen en ad-hocstudies over het concurrentievermogen in het kader van sectorale analyses van de economische prestaties. Dankzij een nieuwe studie [21] zullen we dit jaar een duidelijker beeld krijgen van de productiviteitsprestaties van individuele industriële sectoren en beschikken we over een coherente statistische basis die jaarlijks wordt bijgewerkt en waarop analyses kunnen worden gebaseerd.

[21] Zie M. O'Mahony en B. van Ark (ed., 2003), op. cit. in voetnoot 14.

In de mededeling over het industriebeleid van december 2002 is ook vooropgesteld dat het industriebeleid, hoewel het horizontaal van aard is, rekening moet houden met de concurrentiesituatie in individuele sectoren. Deze benadering is in oktober 2003 door de Europese Raad bevestigd. De Commissie zal ook analyses van individuele industriële sectoren blijven uitvoeren, op basis waarvan sectorspecifieke problemen met betrekking tot het concurrentievermogen worden geïdentificeerd en de optimale mix van beleidsmaatregelen wordt vastgesteld op alle beleidsgebieden die een invloed hebben op de kadervoorwaarden van de desbetreffende sector. Deze analyses stellen de Commissie ook in staat instrumenten te ontwikkelen om te anticiperen op herstructureringen in industriële sectoren. Deze analyses zullen in nauw overleg met alle belanghebbende partijen worden uitgevoerd. Deze kunnen aanbevelingen formuleren voor acties die op communautaire en nationaal niveau moeten worden ondernomen. Een voorbeeld van deze benadering is het "G10 Medicines"-initiatief. Uit een in 2000 uitgevoerde studie bleek dat deze sector met alarmerende problemen in verband met het concurrentievermogen te kampen had en dat actie moest worden ondernomen om de kadervoorwaarden te verbeteren. Een kleine groep van elf beleidmakers op hoog niveau [22], die de lidstaten en belanghebbenden vertegenwoordigen, heeft een consensus bereikt over de toekomst van deze industriële sector. De groep heeft in 2002 overeenstemming bereikt over 14 verstrekkende aanbevelingen [23]. De Commissie heeft vervolgens een reeks acties voorgesteld die haar de mogelijkheid bieden met de lidstaten samen te werken om deze aanbevelingen toe te passen. De Raad heeft uitgebreide conclusies goedgekeurd waarmee wordt benadrukt hoe belangrijk het is een concurrerende geneesmiddelenindustrie in Europa te behouden om onze wetenschappelijke basis en hoogstaande werkgelegenheid te ondersteunen en onze doelstellingen op het gebied van de volksgezondheid te helpen verwezenlijken. De Raad heeft de lidstaten verzocht na te gaan hoe zij hun prijsstellings- en vergoedingsregelingen kunnen verbeteren en heeft de Commissie verzocht te bestuderen hoe zij dit proces kan ondersteunen. Andere voorbeelden van deze aanpak zijn STAR 21 voor de lucht- en ruimtevaartindustrie en LeaderShip 2015 voor de scheepsbouwindustrie.

[22] De Groep op hoog niveau voor geneesmiddeleninnovatie en -voorziening.

[23] Het verslag van de Groep voor het jaar 2002 en materiaal dat verband houdt met de G10 is beschikbaar op http:// pharmacos.eudra.org.

De Commissie voert momenteel ook een beoordeling uit van het concurrentievermogen van de textielindustrie; zij besteedt daarbij ook aandacht aan bedrijfsondersteunende diensten. Andere initiatieven, met name in de machinebouw en de automobielindustrie, zullen weldra volgen. De automobielindustrie vormt mede de ruggengraat van de economie van de EU. Om de industriële activa volledig te exploiteren en te ontwikkelen en bij te dragen tot een geïntegreerde beleidsaanpak, is de Commissie voornemens een groep op hoog niveau op te richten teneinde belangrijke uitdagingen voor deze sector te analyseren en manieren en middelen ter verbetering van de industriële kadervoorwaarden te identificeren. Deze initiatieven houden in dat het concurrentievermogen van de desbetreffende sector en de gevolgen van vroegere en toekomstige regelgevende en andere beslissingen worden beoordeeld.

5.2. Een beter regelgevingskader

In het kader van haar bijdrage tot het initiatief voor de verbetering van de regelgeving in de EU, heeft de Commissie zich vast voorgenomen alle belanghebbenden uitgebreid te raadplegen en heeft zij een doeltreffend systeem opgesteld om de economische, sociale en milieu-effecten van haar voorstellen te beoordelen alvorens te beslissen of een wetgevingsinitiatief wel geschikt is. Vragen stellen bij de noodzaak van een wetgevingsinitiatief en mogelijke alternatieve in overweging nemen is een belangrijk element van dit proces. In 2004 zal de Commissie voor ongeveer de helft van alle voorstellen van het hoofdgedeelte van het werkprogramma een uitgebreide effectbeoordeling uitvoeren, terwijl dit in het eerste jaar waarin het systeem werd toegepast, slechts voor 20 procent van de voorstellen werd gedaan. In het algemeen zal de Commissie haar inspanningen opvoeren om te garanderen dat in de voorstellen die de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de lidstaten presenteert, voldoende rekening is gehouden met het concurrentievermogen.

Een eenvoudig en doeltreffend regelgevingskader is van essentieel belang om onze doelstellingen inzake concurrentievermogen te verwezenlijken; op Europees niveau betekent een dergelijk kader dat een goed functionerende en krachtige interne markt tot stand moet worden gebracht en dat doeltreffende mededingingsregels moeten worden opgesteld. Zowel de Raad, het Europees Parlement als de lidstaten moeten een bijdrage leveren om het hervormingsproces op dit gebied te versnellen.

5.2.1. Oplossingen zoeken voor hangende wetgevingsproblemen

Sinds de start van de Lissabon-strategie zijn meer dan 25 wetgevingsmaatregelen goedgekeurd om de hervormingen op deze gebieden uit te breiden en nog eens 20 voorstellen aan de Raad en het Europees Parlement voorgelegd. De Internemarktstrategie 2003-2006 [24] bevat een uitgebreid actieprogramma om na de uitbreiding maximaal profijt te trekken van de voordelen van de interne markt. Dit programma is belangrijk in zijn geheel en moet krachtdadig worden uitgevoerd.

[24] Mededeling "Internemarktstrategie, prioriteiten 2003 - 2006" (COM(2003) 238 def. van 7.5.2003).

Over een aantal wetgevingsvoorstellen moeten de Raad en het Europees Parlement snel een beslissing nemen. Deze voorstellen vormen een belangrijk onderdeel van het Europees concurrentievermogen na de uitbreiding, maar ze zullen alleen maximale voordelen voor het ondernemingsklimaat opleveren als voldoende rekening wordt gehouden met de onderlinge verbanden tussen deze voorstellen en met de punten waarop ze elkaar aanvullen. Deze mededeling bevat geen exhaustieve lijst van deze voorstellen. Ter illustratie van de sterke sectoroverschrijdende synergieën waarmee de Raad en het Europees Parlement rekening moeten houden, wordt in de mededeling wel verwezen naar enkele voorbeelden van groot politiek of economisch belang:

- het communautaire kader voor de bescherming van intellectuele eigendom vormt een essentieel onderdeel van een doeltreffende interne markt en is van fundamenteel belang voor onderzoek en innovatie. Als de EU aantrekkelijk wil blijven voor investeringen in onderzoek en innoverende ideeën en producten, moet ze ervoor zorgen dat intellectuele eigendom in alle lidstaten wordt beschermd. Tegelijkertijd moet ze echter vermijden dat de bescherming van intellectuele eigendom innovatie en de verspreiding ervan belemmert, bijvoorbeeld door buitengewoon lange beschermingsperiodes vast te stellen, en dat geen misbruik wordt gemaakt van deze bescherming om de concurrentie te verstoren. Hoewel de afgelopen jaren op dit gebied aanzienlijke vooruitgang is geboekt, moeten onder meer de volgende wetgevingsvoorstellen, die een cruciaal onderdeel vormen van een doeltreffend systeem voor de bescherming van intellectuele eigendom, snel door de Raad en het Europees Parlement worden goedgekeurd en toegepast:

* de ontwerp-verordening betreffende een betaalbaar Gemeenschapsoctrooi dat rechtszekerheid biedt. De Commissie zal weldra een formeel voorstel betreffende de jurisdictie indienen. Het systeem van een Gemeenschapsoctrooi vergt ook een herziening van het Europees Octrooiverdrag;

* de ontwerp-richtlijn over de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen;

* de ontwerp-richtlijn over maatregelen en procedures voor de afdwinging van intellectuele-eigendomsrechten; Dit voorstel is een aanvulling van de onlangs goedgekeurde verordening die ten doel heeft de inbeslagname van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen door de douane te vergemakkelijken [25].

[25] Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22.07.2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten, PB L 196 van 2.8.2003, blz. 7.

- het voorstel voor een richtlijn betreffende vergunningen voor de toegang en het verblijf van onderzoekers uit derde landen moet gezien worden tegen de achtergrond van een brede en dynamische Europese kennisbasis met voldoende en hooggekwalificeerde menselijke hulpbronnen. Dit voorstel en de coherente ontwikkeling van acties op nationaal niveau (zie punt 5.3) zijn noodzakelijk om Europa aantrekkelijk te maken voor de beste onderzoekers ter wereld en om de beschikbaarheid te garanderen van het menselijk kapitaal dat nodig is om de toegenomen investeringen in onderzoek te ondersteunen;

- Europa heeft behoefte aan een ondernemingsklimaat dat eerlijke concurrentie garandeert en dat in Europa gevestigde bedrijven in staat stelt zich efficiënter aan te passen in de interne markt en aldus hun concurrentievermogen te verbeteren. Het voorstel voor een richtlijn van de Commissie betreffende het overnamebod zal bijdragen tot de ontwikkeling van bedrijven, het ondernemingsbestuur aan doeltreffende marktdiscipline onderwerpen, de herstructurering van bedrijven vergemakkelijken en het behoud van essentiële beschermingsrechten garanderen. De nieuwe concentratieverordening die momenteel in de Raad en het Europees Parlement wordt besproken, maakt het eenvoudiger om concentratiezaken voor onderzoek door te verwijzen van de Commissie naar de mededingingsinstanties van de lidstaten, verduidelijkt de materiële toets waarmee het effect van concentraties op het concurrentievermogen wordt nagegaan en voorziet in een zekere mate van flexibiliteit in het tijdschema voor concentratieonderzoeken. Deze verordening zal naar verwachting eind 2003 worden goedgekeurd;

- de goedkeuring en doeltreffende toepassing van het wetgevingspakket is van cruciaal belang om Europa's systeem voor overheidsopdrachten te moderniseren en het transparanter en meer open voor concurrentie te maken. Het volledige potentieel van de Europese markt voor overheidsopdrachten, die ongeveer 16% van het BBP van de EU vertegenwoordigt, is nog lang niet verwezenlijkt. Aangezien overheidsopdrachten in een aantal sectoren, zoals gezondheidszorg, vervoer, milieubescherming en defensie, een groot of zelfs het grootste deel van de vraag vertegenwoordigen, vormen ze een van de drijvende krachten achter de ondernemingsactiviteit. Overheidsopdrachten spelen vaak ook een doorslaggevende rol in de ontwikkeling van kerntechnologieën. Zonder dit voorgestelde wetgevingspakket kan geen Europese markt voor "elektronische overheidsopdrachten" tot stand worden gebracht en kan Europa niet beschikken over een passend wetgevingskader voor ingewikkelde contracten, zoals dat voor Trans-Europese netwerken. Een open markt voor overheidsopdrachten vergt ook een proactief concurrentiebeleid om te garanderen dat de voordelen van open aanbestedingsprocedures niet teniet worden gedaan door concurrentievervalsende praktijken (zoals staatssteun, kartels);

- een dynamische markt voor de detailhandel zal zowel economische operatoren als gebruikers, inclusief eindgebruikers, in staat stellen optimaal profijt te trekken van de interne markt. Een krachtdadig consumentenbeleid garandeert dat gebruikers in de hele interne markt de goederen en diensten kunnen kiezen die het best aansluiten bij hun behoeften. Op het gebied van de detailhandel, zowel in goederen als in diensten, moet nog veel werk worden verricht om de interne markt optimaal te doen functioneren en grensoverschrijdende transacties aan te moedigen. Het voorstel voor een kaderrichtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken en het voorstel voor een verordening inzake administratieve samenwerking zijn belangrijke initiatieven om de versnippering van de nationale consumentenwetgeving in de EU en de marktversnippering te beperken;

- om de kadervoorwaarden in industriële sectoren te verbeteren moeten zowel op regelgevend als op niet-regelgevend gebied acties worden ondernomen. Belangrijke voorbeelden op regelgevend gebied zijn de herziening van de EU-wetgeving inzake geneesmiddelen, die momenteel door de Raad en het Europees Parlement wordt besproken, en recenter nog het voorstel van de Commissie voor de nieuwe wetgeving inzake chemische stoffen, die aanzienlijk is herzien naar aanleiding van een openbare raadpleging en een grondige effectbeoordeling. Tijdens de Europese Raad van oktober 2003 is gesteld dat de EU-wetgeving er niet toe mag leiden dat het concurrentievermogen van de EU wordt benadeeld ten opzichte van dat van andere belangrijke economische gebieden. Tegen deze achtergrond benadrukte de Europese Raad dat het voorstel voor nieuwe wetgeving inzake chemische stoffen de eerste test voor de toepassing van deze benadering zal vormen. Door deze benadering beschikt de industrie over een stabiel, voorspelbaar kader om ontwikkelingen te plannen en wordt het concurrentievermogen beschermd en innovatie aangemoedigd;

- in het Europees groei-initiatief van de Commissie is er in het algemeen op gewezen dat andere belangrijke beslissingen moeten worden genomen om openbare en private investeringen in Trans-Europese vervoersnetwerken, in de invoering van breedbandcommunicatie en in aanverwant onderzoek, ontwikkeling en innovatie aan te moedigen. Al deze netwerken zijn immers van groot belang voor het verbeteren van de concurrentievoorwaarden in de Unie. Men moet nagaan hoe de openbare en de private sector elkaar kunnen aanvullen op infrastructuurgebied, maar openbare financiering blijft natuurlijk een belangrijke rol spelen. Initiatieven die in deze context moeten worden benadrukt zijn de recente voorstellen met betrekking tot de bijwerking van de richtsnoeren en financieringsregels voor Trans-Europese netwerken, wijzigingen van het Eurovignetsysteem en voorstellen betreffende de fiscale behandeling van moeder- en dochterondernemingen en betreffende fusies.

5.2.2. Voldoende rekening houden met het concurrentievermogen

Om de beslissingen over structurele hervormingen ter bevordering van het concurrentievermogen en de groei sneller te kunnen uitvoeren en aldus de sociale en milieudoelstellingen te verwezenlijken, moeten de Raad en het Europees Parlement het voorbeeld van de Commissie volgen en bij het nemen van maatregelen terdege rekening houden met het concurrentievermogen. Dit kan worden gerealiseerd door middel van een open raadpleging van alle belanghebbenden en een grondige beoordeling van de economische, sociale en milieu-effecten van de voorstellen gedurende het gehele wetgevingsproces. De Commissie is bereid deze inspanningen te steunen door effectbeoordelingen uit te voeren en andere instellingen bij te staan bij het beoordelen van het effect van de voorgestelde wijzigingen, voorzover ze dat wensen. In deze context is op de voorjaarsbijeenkomst van de Raad in 2003 een belangrijke taak toegewezen aan de Raad Concurrentievermogen. Daar werd benadrukt dat de Raad Concurrentievermogen moet worden geraadpleegd met betrekking tot elk voorstel dat een gevoelig effect op het concurrentievermogen kan hebben, ook als dat voorstel niet onder de directe bevoegdheid van de Raad Concurrentievermogen valt.

5.2.3. Omzetting en toepassing van wetgeving op nationaal niveau

Het volstaat niet goede wetgeving aan te nemen die gebaseerd is op een ernstige effectbeoordeling. Na goedkeuring door de Raad moet de niet direct toepasselijke wetgeving door de lidstaten worden omgezet, binnen de gestelde termijnen ten uitvoer worden gelegd, met alle administratieve maatregelen die daarmee gepaard gaan, en correct in de praktijk worden toegepast. Uit recente cijfers blijkt dat de lidstaten op dit gebied hun verbintenissen niet goed nakomen. De omzetting in nationale wetgeving van de internemarktrichtlijnen die tussen 1993 en april 2002 zijn goedgekeurd, nam gemiddeld 2,28 jaar in beslag. Door laattijdige omzetting loopt de werkelijke toepassing gemiddeld nog eens 2,21 jaar vertraging op. In totaal is dus gemiddeld 4,49 jaar nodig alvorens een hervormingsmaatregel wordt toegepast. De richtlijn betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen bijvoorbeeld, die uiterlijk op 30 juli 2000 in nationaal recht moest zijn omgezet, is nog maar door enkele lidstaten omgezet. Deze richtlijn is, samen met het Gemeenschapsoctrooi, van cruciaal belang om een duidelijk en doeltreffend kader voor intellectuele eigendom te scheppen op het vlak van biowetenschappen en biotechnologie, een gebied dat in hoge mate kennisafhankelijk is. Op hetzelfde vakgebied hebben sommige lidstaten ook nagelaten de richtlijn inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) vóór de uiterste datum van 17 oktober 2002 om te zetten. Deze richtlijn is van essentieel belang om op EU-niveau een betrouwbaar rechtskader voor economische operatoren tot stand te brengen en om een strikte, transparante en doeltreffende toelatingsprocedure in te stellen, zonder dewelke de wetenschappelijke en technische basis in de EU ernstig wordt ondermijnd [26].

[26] Dit zal onder meer tot gevolg hebben dat de investeringen in onderzoek en ontwikkeling van GGO's in de EU, die volgens een recente studie ("Review of GMOs under research and development and in the pipeline in Europe, IPTS/JRC, 2003, ISBN: 92-894-5572-1) in de afgelopen jaren reeds met 39% zijn gedaald, nog verder zullen afnemen en dat innoverend onderzoek, proefvelden en de commercialisering van nieuwe GGO's uit de EU zullen wegtrekken.

5.2.4. De samenhang tussen nationale en communautaire wetgeving garanderen

De lidstaten moeten zich ten slotte bewust zijn van en rekening houden met het effect van nieuwe en bestaande nationale wetgeving op het concurrentievermogen. De lidstaten vaardigen veel wetgeving uit op een aantal gebieden waarop de Gemeenschap geen bevoegdheden heeft of nog geen wetgeving heeft voorgesteld of waarop de EG-wetgeving een bepaalde bewegingsvrijheid laat aan de lidstaten. Alleen al wat regelgeving voor producten en diensten van de informatiemaatschappij betreft, vaardigen de lidstaten jaarlijks tussen 500 en 600 regelgevende maatregelen uit, waarvan de meeste op het gebied van voeding en landbouw, telecommunicatie en vervoer [27]. In gemiddeld 10% van de gevallen deelt de Commissie de lidstaten mee dat de bekendgemaakte voorstellen onverenigbaar zijn met het EG-Verdrag of met secundaire EG-regelgeving en moeten worden gewijzigd alvorens ze kunnen worden goedgekeurd. De lidstaten moeten nagaan of de nieuwe regelgeving geen negatief effect heeft op het ondernemingsklimaat en geen verstoringen van de handel of ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen tot gevolg heeft. De Commissie moedigt de lidstaten ertoe aan effectbeoordelingen voor te leggen wanneer ze kennisgeving doen van technische regelgeving voor producten en diensten van de informatiemaatschappij.

[27] Deze maatregelen worden bekendgemaakt in het kader van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij.

5.3. De inspanningen ter bevordering van onderzoek, innovatie en ondernemerschap opvoeren

Het is van cruciaal belang een ondernemingsklimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor onderzoek, innovatie en ondernemerschap. Het belang van een Europees regelgevend kader dat gunstig is voor ondernemingen staat buiten kijf, maar Europa moet nog meer doen om het concurrentievermogen te bevorderen. Het doel van het actieplan voor investeringen in onderzoek [28] is Europa aantrekkelijker te maken voor particuliere onderzoeksinvesteringen om aldus de op de Europese Raad van Barcelona in maart 2002 vastgestelde doelen te bereiken, namelijk een totaal investeringsniveau van 3% van het BBP, waarvan twee derde uit de particuliere sector. Het actieplan omvat een coherent geheel aan wetgevende, coördinerende en stimulerende maatregelen op diverse beleidsgebieden, zoals onderzoek, innovatie, intellectuele eigendomsrechten, financiële markten, menselijke hulpbronnen, regulering van de productmarkten, fiscale stimulansen en het concurrentiebeleid. Het richt zich tot de lidstaten, de Commissie en de belanghebbenden (de industrie, investeerders en de openbare onderzoekssector) en is een goed voorbeeld van een communautair beleidsdocument waarin het concurrentievermogen op geïntegreerde wijze wordt benaderd.

[28] Mededeling "Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa" (COM(2003) 226 def./2 van 4.6.2003).

Het versterken van onderzoek en het bevorderen van innovatie en ondernemerschap zijn echter domeinen die in de eerste plaats in handen liggen van de lidstaten en afhankelijk zijn van hun inzet om op nationaal niveau de nodige beslissingen te nemen. De lidstaten moeten dan ook nagaan hoe de nationale beleidsmaatregelen op elkaar inwerken en het concurrentievermogen beïnvloeden. De opencoördinatiemethode kan een waardevol instrument zijn omdat het bevoegdheidsoverschrijdend werkt en de EU in staat stelt bij te dragen tot de vooruitgang op gebieden die niet onder haar bevoegdheid vallen. Dit instrument houdt rekening met nationale verschillen en door een mechanisme voor wederzijds leren vast te stellen, gebaseerd op de verspreiding en uitwisseling van goede praktijken en de benchmarking van bepaalde onderwerpen, draagt het er ook toe bij dat de nationale beleidsmaatregelen een grotere samenhang vertonen en beter zijn afgestemd op de verwezenlijking van de overeengekomen EU-doelstellingen. De opencoördinatiemethode voorziet ook in periodiek toezicht op de geboekte vooruitgang via het vaststellen van indicatoren en doelstellingen en het uitvoeren van peer reviews.

De lidstaten moeten met name meer inspanningen leveren om hun betrokkenheid te versterken op de volgende gebieden waarop de opencoördinatiemethode van toepassing is:

- wat het ondernemingenbeleid betreft, heeft de Raad in november 2002 de lidstaten en de Commissie verzocht op vrijwillige basis voort te werken aan kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen op zeven beleidsgebieden die van cruciaal belang zijn voor het concurrentievermogen en die in het Scorebord Ondernemingen zijn vermeld, en om periodiek toezicht, beoordelingen en peer reviews te organiseren teneinde het in de lidstaten ontwikkelde beleid te bespreken. De Raad heeft de lidstaten en de Commissie ook verzocht een nieuwe impuls te geven aan de bevordering van het ondernemerschap en van kleine ondernemingen door kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen vast te stellen in het kader van het Europees handvest voor kleine bedrijven, om aldus de geboekte vooruitgang te kunnen beoordelen vóór de bijeenkomst van de Europese Raad in het voorjaar van 2004;

- wat innovatie betreft, moeten de lidstaten en de Commissie intensiever samenwerken om de bestaande processen voor de coördinatie van het innovatiebeleid op nationaal niveau te versterken in het kader van de Trend Chart on Innovation. De lidstaten en de Commissie moeten ook gemeenschappelijke doelstellingen vaststellen ter versterking van innovatie in de EU en een mechanisme voor de beoordeling van de vooruitgang opstellen;

- wat het onderzoeksbeleid en de totstandbrenging van de Europese onderzoekruimte betreft, heeft de Raad de lidstaten en de Commissie verzocht gebruik maken van de opencoördinatiemethode om ervaringen te delen, om onderling samenhangende hervormingen voor te bereiden teneinde het streefcijfer van 3% van het BBP voor investeringen in onderzoek dichterbij te brengen en met name om de uitvoering te steunen van die delen van het actieplan voor investeringen in onderzoek die tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren. Dit geldt ook voor acties op het vlak van menselijke hulpbronnen voor onderzoek, met name in het kader van de mobiliteitsstrategie van de Europese Onderzoekruimte, en voor de dringende maatregelen in de recentelijk goedgekeurde mededeling over de loopbaan van onderzoekers [29].

[29] Mededeling "Onderzoekers in de Europese onderzoekruimte: een beroep, meerdere loopbanen" (COM(2003) 436 van 18.7.2003).

In deze context van de onderwijs- en opleidingssystemen en rekening houdend met de structurele tekortkoming van deze systemen, moeten dringen hervormingen worden doorgevoerd om de strategische doelstellingen van Lissabon te halen [30].

[30] Zie voetnoot 10.

5.4. De bijdrage van de Commissie

De Commissie zal ertoe bijdragen dat de Raad, het Europees Parlement en de lidstaten een meer gecoördineerd/geïntegreerd beeld krijgen van haar werkzaamheden met betrekking tot het concurrentievermogen door systematisch synergieën te identificeren tussen beleidsmaatregelen die een directe bijdrage tot het concurrentievermogen leveren. Momenteel voert de Commissie een screening van de meeste EU-beleidsdomeinen uit om na te gaan hoe deze domeinen beter kunnen bijdragen tot het industriële concurrentievermogen.

De Commissie zal eerst een horizontale en een sectorale analyse uitvoeren om te bepalen welke acties moeten worden genomen. Pas dan zal zij de nodige maatregelen nemen op regelgevend gebied en op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en ondernemerschap.

Ten slotte is de Commissie voornemens om de voorstellen waarvoor zij een uitgebreide effectbeoordeling zal opstellen, tijdens de presentatie van haar jaarlijks werkprogramma sterker te benadrukken . Bijlage 1 bevat meer bijzonderheden over de belangrijke initiatieven ter verbetering van het concurrentievermogen die de Commissie in de komende 12 maanden zal nemen of uitvoeren.

6. Conclusies

De voortdurende structurele transformatie van onze economieën, waarbij een steeds grotere rol is weggelegd voor de dienstensector, is economisch onvermijdelijk. Dit leidt natuurlijk tot een zekere mate van delokalisatie en andere aanpassingen, die sociale en economische problemen met zich meebrengen voor de rechtstreeks getroffenen. Het toenemende belang van diensten in onze economie brengt niet noodzakelijk een achteruitgang van de de industriële productie zich mee. Door de gestage toename van de industriële productiviteit is dit proces tot nu toe zelfs gepaard gegaan met een permanente groei van de industriële productie, ondanks de daling van de werkgelegenheid in de industrie.

De vertraging van de productiviteitsgroei in Europa is te wijten aan een achteruitgang van het concurrentievermogen. Gezien het risico dat dit probleem met zich meebrengt voor onze industriële prestatie en ons vermogen om ons aan te passen aan structurele veranderingen, geeft het aanleiding tot diepe bezorgdheid. Achteruitgang van het industriële concurrentievermogen en deïndustrialisering zijn immers nauw met elkaar verbonden.

Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat in Europa een proces van absolute deïndustrialisering aan de gang is. Door een betere aanwending van middelen ondervindt de nationale economie weinig hinder van het huidige structurele aanpassingsproces, maar op lokaal niveau leidt het tot zware problemen. Het is van essentieel belang om onze productiviteit en ons concurrentievermogen te verbeteren om de gevolgen van dit proces te verzachten en werkgelegenheid te scheppen. Investeringen in onderzoek, innovatie, opleiding en ICT en arbeidsreorganisatie behoren tot de belangrijkste elementen van dit overgangsproces. Ten slotte is het ook belangrijk te anticiperen op deze aanpassingen en zich er beter op voor te bereiden.

In de onderhavige mededeling wordt slechts een voorlopige analyse van deze ontwikkelingen gepresenteerd. De Commissie is voornemens om deze analyse in de komende maanden uit te werken en ter gelegenheid van haar Mededeling over het industriebeleid voorstellen voor follow-up te formuleren. Deze voorstellen worden ook gedaan tegen de achtergrond van de nieuwe financiële vooruitzichten, die in voorbereiding zijn en erop gericht zijn een politiek project voor de uitgebreide Unie (vanaf 2006) op te stellen.

De Commissie heeft herhaaldelijk het belang van het concurrentievermogen voor onze economische prestaties benadrukt. Zij blijft hameren op het belang van de productiviteitsgroei en zal het aangekondigde voorjaarsverslag 2004 te baat nemen om dit punt nogmaals onder de aandacht te brengen.

Het is ook belangrijk dat het Europees Parlement en de Raad een beslissing nemen over hangende voorstellen die een invloed hebben op het concurrentievermogen. Zij moeten in al hun beslissingen terdege rekening houden met de gevolgen voor het concurrentievermogen. De Raad heeft een belangrijke taak toegewezen aan de Raad Concurrentievermogen, die moet worden geraadpleegd en zijn mening zal geven over belangrijke voorstellen die niet onder zijn directe bevoegdheid vallen. Om deze taak te kunnen uitvoeren, moet worden nagegaan hoe de verschillende elementen van de Raad op elkaar inwerken. Het Europees Parlement heeft reeds dergelijke mechanismen ontwikkeld.

Ook het beleid op nationaal niveau heeft een invloed op het concurrentievermogen. Economische integratie betekent immers dat het concurrentievermogen van het geheel niet los staat van het concurrentievermogen van de delen. Tenzij alle lidstaten de maatregelen nemen die op hun niveau noodzakelijk zijn, kan het concurrentievermogen van de EU niet worden gegarandeerd.

De Commissie zal analyses blijven uitvoeren om kernpunten inzake het concurrentievermogen aan te geven. Zij zal alternatieven voor wetgeving in overweging nemen, de belanghebbenden publiekelijk raadplegen en een effectbeoordeling uitvoeren alvorens, waar nodig, passende voorstellen in te dienen.

BIJLAGE 1:

De activiteiten en initiatieven van de Commissie die een invloed hebben op het concurrentievermogen

1. Het industriebeleid: een instrument om het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarmee de EU-industrie wordt geconfronteerd

Aan de hand van diepgaande analyses en periodiek toezicht op de situatie in specifieke individuele sectoren bepaalt de Commissie welke maatregelen nodig zijn om te garanderen dat alle voorwaarden vervuld zijn om de industrie in staat te stellen zich te ontwikkelen en haar concurrentiepotentieel te realiseren. In december 2002 stelde de Commissie in haar mededeling betreffende het industriebeleid dat de meeste EU-beleidsdomeinen een bijdrage kunnen leveren tot een voorspoedig klimaat voor het bedrijfsleven en aldus Europa kunnen helpen de doelstellingen te verwezenlijken die het zichzelf in Lissabon en Göteborg heeft gesteld. De Commissie beklemtoonde vooral dat de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling evenwichtig moest worden benaderd en dat de ontwikkeling van een pijler van duurzame ontwikkeling niet ten koste van de andere mag gaan.

In 2003 heeft de Commissie een interne screening van de meeste EU-beleidsdomeinen uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een analyse van sommige horizontale vraagstukken die aan de basis van verschillende beleidsdomeinen liggen, zoals de invloed van kennis op de economische ontwikkeling en groei of de wisselwerking tussen productiviteitsgroei en stijging van de werkgelegenheid. Ook de wisselwerking tussen het industriële concurrentievermogen en de bescherming van het milieu wordt momenteel bestudeerd; het doel hiervan is de analyses die aan de grondslag liggen van het milieubeleid en het industriebeleid beter op elkaar af te stemmen. Uit deze screening is eveneens gebleken dat de bijdrage van bepaalde EU-beleidsdomeinen tot het industriële concurrentievermogen kan worden verbeterd zonder de primaire doelstellingen van deze beleidsdomeinen in het gedrang te brengen. Op basis van deze screening heeft de Commissie vastgesteld dat op een aantal gebieden synergieën kunnen worden ontwikkeld:

* het regionaal beleid biedt interessante mogelijkheden om wat te doen aan de industriële gevolgen van de uitbreiding, met name op sectoraal niveau, en om regionale innovatiesystemen te bevorderen;

* het beleid inzake onderzoek en ontwikkeling: een toonaangevend initiatief op dit gebied zijn de technologieplatforms, die een bijdrage kunnen leveren tot het concurrentievermogen op sectoraal niveau, zowel op technologische gebieden als in volwassen industrieën;

* het beleid betreffende de informatiemaatschappij: de ontwikkeling, de opname en het gebruik van ICT's bevorderen de productiviteitsgroei en de doeltreffendheid van de publieke sector, met name via drie pijlers: het actieplan eEurope, dat ten doel heeft het concurrentievermogen en investeringen aan te moedigen via een voorspelbaar rechtskader en innovatie te bevorderen via steun voor onderzoek en ontwikkeling;

* het beleid inzake onderwijs en opleiding: de werkzaamheden met betrekking tot de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties moeten worden voortgezet, er is behoefte aan acties om het tekort aan vaardigheden te bestrijden en de beschikbaarheid van geschoolde arbeidskrachten te garanderen en het ondernemerschap moet worden bevorderd via partnerschappen tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven;

* het handelsbeleid: de externe dimensie van de interne markt moet worden versterkt, bijvoorbeeld via acties ter bevordering van een communautaire aanpak van technische regelgeving en conformiteitsbeoordeling; de toegang van EU-exporteurs tot de markten van derde landen moet worden vergemakkelijkt; de textiel- en kledingindustrie moet zorgen voor een verbetering van factoren die van invloed zijn op het concurrentievermogen, zoals innovatie, onderzoek, vaardigheden, technologie en toegevoegde waarde, om zich aan de economische veranderingen aan te passen, met name nu de resterende contingenten in deze sector worden afgeschaft;

* het milieubeleid: er moet worden nagegaan in welke mate vrijwillig gebruik kan worden gemaakt van alternatieven voor wetgeving, er moet een duurzaam productiebeleid worden ontwikkeld, de voorwaarden voor de verdere ontwikkeling van eco-industrieën moeten worden bestudeerd en de kosten die een betere milieubescherming op korte termijn met zich meebrengt, moeten worden afgewogen tegen de voordelen op lange termijn;

* het concurrentiebeleid: mogelijkheden voor de analyse van een aantal belangrijke vraagstukken betreffende het industriële concurrentievermogen, zoals de kwestie van de relevante geografische markt of de manier waarop innovatie en de verspreiding ervan kunnen worden gestimuleerd zonder de concurrentieregels te overtreden;

* het fiscale beleid: door na te gaan of het MKB in het thuisland kan worden belast, kan de oprichting, ontwikkeling en overdracht van ondernemingen worden vergemakkelijkt; door intensiever gebruik te maken van diverse instrumenten, zoals de uitwisseling van goede werkwijzen, kunnen de lidstaten nagaan hoe ze, binnen hun bevoegdheidsgrenzen, hun fiscale beleid ten aanzien van ondernemingen kunnen verbeteren;

* het internemarktbeleid: een optimaal gebruik van overheidsopdrachten in de defensiesector kan de industrie enorme voordelen opleveren;

* het werkgelegenheidsbeleid: het zou nuttig zijn problemen betreffende het concurrentievermogen te bespreken in het kader van het sectorale sociale overleg;

* het beleid inzake gezondheid en consumentenbescherming: het verwezenlijken van de doelstellingen op dit gebied, namelijk een hoog niveau van gezondheids- en consumentenbescherming, mag geen nadelige gevolgen hebben voor het concurrentievermogen van ondernemingen, met name uit het MKB;

* het beleid inzake vervoer en energie: langetermijnontwikkelingen in de energie- en vervoerssector (vooral prijsniveaus) moeten worden ondervangen, met name wat hun invloed op het industriële concurrentievermogen betreft. Bovendien zal de EU op het gebied van normen haar eigen aanpak promoten op internationale fora als ICAO of IMO.

De Commissie is voornemens begin 2004 uitgebreider verslag uit te brengen van de resultaten van deze screening.

2. Naar een voorspelbaar rechtskader

De Commissie zal enkele belangrijke initiatieven nemen om het wetgevingskader voor ondernemingen te verbeteren:

- een bloeiende interne markt voor goederen: de Commissie is voornemens een aantal wetgevingsvoorstellen in te dienen die erop gericht zijn de werking van de interne markt voor goederen te versterken. Een voorstel voor een verordening over de toepassing van wederzijdse erkenning heeft ten doel het vrije verkeer van goederen in niet-geharmoniseerde sectoren te verbeteren. De indiening van een voorstel dat betrekking heeft op aspecten die van toepassing zijn op alle sectoren van "Nieuwe aanpak", zou het mogelijk maken de samenhang van de Nieuwe-aanpakrichtlijnen te versterken en hun uniforme toepassing te verbeteren;

- een gemoderniseerde regeling voor staatssteun: de Commissie neemt diverse initiatieven in het kader van de aan de gang zijnde hervorming en modernisering van de regels voor staatssteun. Het doel van dit proces is de goedkeuring van steun die bijdraagt tot de verwezenlijking van de economische doelstellingen van de Gemeenschap te vereenvoudigen en tegelijkertijd strikt toezicht te houden op vormen van steun die tot concurrentieverstoringen kunnen leiden. De voorgestelde initiatieven omvatten onder meer:

* een ontwerp-verordening tot uitbreiding van de groepsvrijstelling voor aan het MKB verleende staatssteun voor O&O zal begin 2004 worden goedgekeurd. Deze verordening zal de uitvoering van programma's ter ondersteuning van O&O-investeringen in het MKB in de lidstaten sterk vereenvoudigen;

* de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan bedrijven in moeilijkheden zullen worden herzien om de goedkeuring van reddingsmaatregelen te versnellen en de negatieve gevolgen van langetermijnherstructureringen voor het concurrentieklimaat tot een minimum te beperken;

* de Commissie is voornemens vóór eind 2003 met de lidstaten te overleggen over een sterk vereenvoudigde beoordeling van bepaalde types steun die, wegens hun bedrag of de sectoren waarin ze worden verleend, waarschijnlijk geen significante invloed hebben op het concurrentievermogen of de handel in de Gemeenschap. Het betreft met name steun voor de verwezenlijking van belangrijke communautaire doelstellingen, zoals de bevordering van onderzoek en ontwikkeling, de bescherming van het milieu, het scheppen van nieuwe en betere banen, de bevordering van opleiding en stimulansen voor het MKB;

- een echte interne markt voor diensten: diensten vertegenwoordigen bijna 70% van het BBP en van de werkgelegenheid in de EU. In veel sectoren, zoals toerisme, distributie, bouw, engineering, advies- en arbeidsbureaus, is de interne markt echter nog lang niet verwezenlijkt. De juridische versnippering verhindert dienstverleners om schaalvoordelen te verwezenlijken, doet hun doeltreffendheid dalen en belemmert de concurrentie en het potentieel van de dienstensector om ondernemers dynamischer te maken en om meer banen te scheppen. Vóór eind 2003 zal de Commissie een voorstel voor een richtlijn betreffende diensten in de interne markt indienen, waarbij een rechtskader voor grensoverschrijdende dienstverlening tussen de lidstaten zal worden opgesteld. Dit voorstel zal worden aangevuld met niet-wetgevende maatregelen die erop gericht zijn het concurrentievermogen van bedrijfsondersteunende diensten te verbeteren en de ondernemersactiviteit in deze sectoren te bevorderen. Voorts zal ook een voorstel worden ingediend om het systeem voor de kennisgeving van nationale wetgeving, dat momenteel wordt gebruikt op het vlak van goederen en diensten voor de telecommunicatiesector, uit te breiden. Om nog vóór 2010, de termijn die in Lissabon is overeengekomen, een reëel effect te hebben op de economie van de EU, moeten deze voorstellen snel door de lidstaten worden goedgekeurd en omgezet. Het volstaat echter niet alle inspanningen toe te spitsen op dit voorstel. De richtlijn betreffende de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties, de verordening betreffende verkoopbevordering en de kaderrichtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken houden nauw verband met het voorstel voor een richtlijn betreffende diensten en zijn van essentieel belang om de interne markt voor diensten echt tot stand te brengen;

- de voltooiing van de interne markt voor financiële diensten: de integratie van financiële diensten en markten fungeert als katalysator voor het concurrentievermogen en de groei in alle sectoren van de economie. De voltooiing van de interne markt op dit gebied zal tot gevolg hebben dat bedrijven, en met name beginnende innoverende of hoogtechnologische bedrijven, goedkoper over kapitaal kunnen beschikken. Nu 36 van de 42 maatregelen van het Actieplan voor financiële diensten zijn goedgekeurd, is de hervorming op dit gebied al goed gevorderd. De Commissie zal in 2004 de laatste voorstellen presenteren waarin het actieplan voorziet, inclusief een nieuwe richtlijn betreffende kapitaaltoereikendheid, en zal besprekingen op gang brengen met alle grote belanghebbenden om te beoordelen hoe het gesteld is met de integratie van de financiële markten in de EU;

- op het gebied van de detailhandel, zowel in goederen als in diensten, moet nog veel werk worden verricht om de interne markt optimaal te doen functioneren en grensoverschrijdende transacties aan te moedigen. De Commissie heeft zich reeds vast voorgenomen om het acquis inzake consumentbescherming te herzien om na te gaan welke hinderpalen voor de interne markt uit de weg moeten worden geruimd en welke gebieden voor consolidering of vereenvoudiging in aanmerking komen. De Commissie zal in 2004 een strategie en een werkprogramma voor deze herziening opstellen.

3. Bevordering van onderzoek, innovatie en ondernemerschap

Voortbouwend op initiatieven en acties die zij in 2002 en 2003 heeft opgestart, zal de Commissie haar inspanningen voortzetten en voorstellen doen om onderzoek, innovatie en ondernemerschap in de hele EU te bevorderen.

- In het kader van haar inspanningen om een Europese onderzoekruimte tot stand te brengen en investeringen in onderzoek aan te moedigen, zet de Commissie op belangrijke gebieden van de technologische ontwikkeling Europese Technologieplatforms [31] op. Diverse publieke en private belanghebbenden nemen deel aan de Europese Technologieplatforms, die ten doel hebben een gemeenschappelijke visie en strategie voor de ontwikkeling en het gebruik van belangrijke technologieën in Europa op te stellen en toe te passen. Het doel van deze platforms is meer en doeltreffender inspanningen op het gebied van onderzoek tot stand te brengen en niet-technische hinderpalen uit de weg te ruimen. Ze kunnen ook een bijdrage leveren tot de werkzaamheden op het vlak van het sectoraal concurrentievermogen. Begin september, toen reeds enige ervaring met de Europese technologieplatforms was opgedaan op het gebied van lucht- en ruimtevaart en spoorwegvervoer, heeft de Commissie een Europees partnerschap voor een duurzame waterstofeconomie opgericht om een geïntegreerde strategie voor deze belangrijke brandstof van de toekomst op te stellen. Ook op andere significante gebieden [32] worden technologieplatforms opgericht en er wordt momenteel een eerste voortgangsverslag opgesteld. Tegen juni 2004 moet de oprichting van een eerste reeks Europese technologieplatforms zijn voltooid.

[31] Zoals aangekondigd in de Mededeling "Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa" (COM(2003) 226 def. van 4.6.2003) en in het groei-initiatief van de Commissie.

[32] Bijvoorbeeld plantengenomica, wegvervoer, specifieke deelgebieden van nanotechnologie en ICT, en staal.

- De werkzaamheden die erop gericht zijn Europese strategieën op te stellen of de ontwikkeling van gezamenlijke technologie op het vlak van ruimtevaart, defensie en veiligheid te bevorderen, zullen worden voortgezet om een concurrerende industriële basis op lange termijn te garanderen:

* de mededeling van de Commissie "Europese defensie - Industriële en marktvraagstukken" [33] heeft mede de aandacht gevestigd op de voordelen van een interne markt voor defensieproducten en op de behoefte aan meer samenwerking op het vlak van overheidsopdrachten voor defensie voor veiligheidsonderzoek. De Commissie zal dan ook in 2004 een groenboek over overheidsopdrachten in de defensiesector en een Europese handleiding voor normalisatie op defensiegebied (voor het opstellen van contracten voor overheidsopdrachten op defensiegebied) presenteren. Voorts werd ook een groep vooraanstaande personen verzocht een visie te formuleren en voorstellen te doen voor een programma voor toekomstig veiligheidsonderzoek. In december 2003 zal de Commissie een voorbereidende actie inzake veiligheidsonderzoek voorstellen, waarvoor 65 miljoen euro zal worden uitgetrokken in de periode 2004-2006. Dit voorstel moet begin 2004 worden goedgekeurd en met de uitvoering ervan wordt meteen na de goedkeuring van start gegaan. Zoals tijdens de Europese Raad in juni 2003 werd verzocht, zal de Commissie in de loop van 2004 meewerken aan de oprichting een agentschap op het gebied van de ontwikkeling van militaire vermogens, onderzoek, aankopen en bewapening;

[33] Mededeling "Europese defensie - Industriële en marktvraagstukken - Naar een EU-beleid voor defensiematerieel" (COM(2003) 113 def. van 11.3.2003.

* ruimtevaart is een industrie die bijdraagt tot de toepassing van tal van communautaire beleidsmaatregelen op het vlak van milieu, landbouw, vervoer, ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen, en heeft een groot sociaal, economisch en commercieel potentieel. In het Witboek over het Europees ruimtevaartbeleid [34] wordt een oproep tot alle belanghebbenden gedaan om nieuwe doelstellingen te verwezenlijken en nieuwe uitdagingen aan te gaan. Dit Witboek bevat een strategie, basisrichtsnoeren voor de rol en verantwoordelijkheden van de belangrijkste actoren, een actieplan en denkpistes voor hulpbronnen. Het doel van het ruimtevaartbeleid is een veiliger en voorspelbaarder kader op te stellen, dat de belanghebbenden in staat stelt plannen te maken, te investeren en hun aandeel in snel groeiende commerciële en institutionele markten te vergroten. Het Witboek heeft onder meer betrekking op GALILEO, het internationale programma voor satellietnavigatie, GMES (wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid) en toegang tot breedband door middel van andere technologieën die ten doel heeft de digitale kloof te overbruggen. Deze projecten hebben baat bij het mechanisme waarin de raamovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de ESA voorziet.

[34] Witboek "Space: a new European frontier for an expanding Union. An action plan for implementing the European Space policy" (COM(2003) 673 van 11.11.2003).

- In haar Mededeling "Biowetenschappen en biotechnologie - een strategie voor Europa" [35] heeft de Commissie heeft een actieplan opgesteld voor de sectoren biowetenschappen en biotechnologie, belangrijke pijlers van de opkomende kenniseconomie. Dit actieplan bestaat uit 30 punten en omvat een geïntegreerde aanpak van het concurrentievermogen in deze sectoren; het doel van het plan is het potentieel voor onderzoek en innovatie te exploiteren en meer ruimte te bieden voor maatschappelijke en regelgevende kwesties. Door de gebrekkige toegang tot kapitaal in de sectoren biowetenschappen en biotechnologie kunnen bedrijven in deze sectoren moeilijk groeien of de groei van beginnend naar volwassen bedrijf moeilijk consolideren. Om dit probleem op te lossen, moeten de Commissie, de EIB-groep en de lidstaten een gezamenlijke actie ondernemen om hun respectievelijke instrumenten, gaande van investeringsfondsen tot het fiscale kader, te onderzoeken teneinde het gebruik van de bestaande capaciteit te optimaliseren. Een goed werkende Europese markt voor risicokapitaal is van fundamenteel belang voor deze sector en voor andere op onderzoek gebaseerde en sterk innoverende sectoren.

[35] Mededeling "Biowetenschappen en biotechnologie - Een strategie voor Europa" (COM(2002) 27 def. van 23.1.2002).

- De Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB) blijven nauw samenwerken om de complementariteit en de synergie tussen hun respectievelijke instrumenten ter bevordering van onderzoek en innovatie te garanderen. De EIB heeft in het kader van het Innovatie 2010-Initiatief (i2010i) een substantiële verhoging van haar investeringssteun voor onderzoek en innovatie gepland, van 15,3 miljard euro sinds 2000 tot meer dan 50 miljard euro voor het komende decennium tot 2010. Zij zal optimaal gebruik trachten te maken van het verruimde gamma instrumenten die beter zijn afgestemd op de behoeften van bedrijven in de verschillende fasen van hun ontwikkeling. Het betreft met name instrumenten voor de financiering van grote transnationale O&O-projecten (in het kader van het groei-initiatief) en instrumenten die snelgroeiende ondernemingen in op technologie gebaseerde sectoren gemakkelijker toegang bieden tot risicofinanciering.

- In samenhang met de doelstellingen van het industriebeleid en het actieplan voor investeringen in onderzoek zal de Commissie, in het kader van haar aangekondigde actieplan inzake innovatie, criteria voor de definitie van innoverende ondernemingen vaststellen, die het mogelijk maken het communautaire beleid doeltreffender toe te passen en beter af te stemmen op nationale initiatieven die een invloed hebben op het concurrentievermogen. Door precieze en gekwantificeerde doelstellingen met betrekking tot het regelgevingskader op te stellen en ondersteunende maatregelen aan te moedigen, versterkt dit communautaire kader ook de groeiende Europese consensus dat "innovatie een dwingende vereiste is". Het actieplan bevat een aantal maatregelen om het concept van een Europese ruimte voor onderzoek en innovatie te vervolledigen teneinde de transnationale technologieoverdracht te bevorderen en het aantal clusters in Europa en de doeltreffendheid ervan te verbeteren. Alle actoren die bij innovatie zijn betrokken, worden er dan ook toe opgeroepen hun inspanningen te coördineren. Het actieplan heeft onder meer betrekking op de oprichting van een "Europees netwerk van netwerken" op het vlak van technologieoverdracht, op de professionalisering van lokale en regionale netwerken en ondersteunende structuren voor bedrijven, bijvoorbeeld via kwaliteitshandvesten, expertisekeurmerken of opleiding op het vlak van intellectuele eigendom, op het verbinden van Europese initiatieven met andere internationale acties, zoals EUREKA, op de identificatie van goede werkwijzen en eventueel op een kwaliteitshandvest voor clusters (in overleg met de desbetreffende sectoren). Aangezien innovatie veel verschillende facetten vertoont, hebben deze acties ook betrekking op de niet-technologische aspecten van innovatie, zoals innovatie op het gebied van management en ontwerp.

- In het kader van het begin dit jaar gepubliceerde groenboek over ondernemerschap is een uitgebreid debat op gang gebracht over de manier waarop de ondernemersactiviteit en de groei van ondernemingen kan worden gestimuleerd. Uit de respons op de in juni 2003 afgesloten openbare raadpleging blijkt dat er behoefte is aan breed opgezette, gecoördineerde initiatieven op diverse beleidsgebieden en beleidsniveaus, die op elkaar aansluiten en elkaar wederzijds versterken. De Commissie zal in 2004 een actieplan voorstellen om de belangrijkste geïdentificeerde problemen op te lossen. Met dit plan worden drie doelen nagestreefd: hinderpalen voor ondernemers, met name uit het MKB, uit de weg ruimen, bij ondernemers de ambitie aanwakkeren om te groeien en meer mensen aanmoedigen om een bedrijf op te richten. Er zal met name aandacht worden besteed aan domeinen die behoefte hebben aan snelle, meetbare vooruitgang, zoals ondernemerschapsonderwijs, balansversterking, aandacht voor het MKB, sociale bescherming van het MKB, de oprichting van bedrijfsnetwerken en de aanmoediging van bedrijfsondersteunende netwerken.

- De Europese onderwijs- en opleidingssystemen vertonen structurele tekortkomingen en moeten dringend worden hervormd om de doelstelling van de strategie van Lissabon te verwezenlijken. Zonder grondige hervormingen en investeringen zal de achterstand op dit gebied nog toenemen. De Commissie heeft in haar recentelijk goedgekeurde mededeling [36] hervormingsvoorstellen gedaan op basis van de conclusies van de werkgroepen die in het kader van het initiatief "Education and Training 2010" zijn opgericht en de nationale verslagen over onderwijs, levenslang leren en mobiliteit. Met deze voorstellen worden vier hefboomeffecten nagestreefd: de hervormingen in elk land toespitsen op cruciale punten; levenslang leren in praktijk brengen; een Europa van onderwijs en opleiding tot stand brengen en bij de uitvoering van de strategie van Lissabon de juiste plaats toekennen aan "Education & Training 2010".

[36] Zie voetnoot 10.

- In 2004 zullen de Commissie en de lidstaten hun besprekingen voortzetten over het beleid en het regelgevingskader met betrekking tot de interventies van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds na 2006. Steun voor onderzoek, innovatie en ondernemerschap zullen de essentie vormen van de toekomstige strategieën voor regionale ontwikkeling.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron: * M. O'Mahoney en B. van Ark (ed. 2003): "EU Productivity and Competitiveness: An Industry Perspective. Can Europe Resume the Catching-up Process?", studie in opdracht van directoraat-generaal Ondernemingen.+ Eurostat: Panorama of European Business, editie 2002; nb = niet beschikbaar.

BIJLAGE 3:

De in de afgelopen jaren vastgestelde vertraging van de productiviteitsgroei in de verwerkende industrie van de EU heeft ook tot gevolg dat de productiviteitskloof met de VS aanzienlijk is uitgediept

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Bron: M. O'Mahoney en B. van Ark (ed. 2003): "EU Productivity and Competitiveness: An Industry Perspective. Can Europe Resume the Catching-up Process?", studie in opdracht van directoraat-generaal Ondernemingen.

Top