Help Print this page 
Title and reference
Vijfde Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 van richtlijn 89/552/EEG "Televisie zonder grenzen", gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG, gedurende de periode 1999 en 2000

/* COM/2002/0612 def. */
Languages and formats available
Multilingual display
Text

52002DC0612

Vijfde mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG "Televisie zonder grenzen", gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, gedurende de periode 1999 en 2000 /* COM/2002/0612 def. */


VIJFDE MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT betreffende de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG "Televisie zonder grenzen", gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, gedurende de periode 1999 en 2000

INHOUDSOPGAVE

INLEIDING

I. ADVIES VAN DE COMMISSIE OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DE ARTIKELEN 4 EN 5 GEDURENDE DE PERIODE 1999-2000

1. Tenuitvoerlegging door de lidstaten van de Europese Unie

1.1. Besteding van het grootste gedeelte van de zendtijd aan Europese producties

1.1.1. Beoordeling op communautair niveau

1.1.2. Beoordeling op nationaal niveau

1.2.1. Beoordeling op communautair niveau

1.2.2. Beoordeling op het niveau van de lidstaten

1.3 Algemene conclusie:

2. Tenuitvoerlegging door de staten van de Europese Vrijhandelsassociatie die tot de Europese Economische Ruimte behoren

2.1.Besteding van het grootste gedeelte van de zendtijd aan Europese producties

2.2. Europese producties van onafhankelijke producenten

2.1.Besteding van het grootste gedeelte van de zendtijd aan Europese producties

2.2. Europese producties van onafhankelijke producenten

II. SAMENVATTING VAN DE VERSLAGEN VAN DE LIDSTATEN

III. SAMENVATTING VAN DE VERSLAGEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE VRIJHANDELSASSOCIATIE DIE DEEL UITMAKEN VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

IV. BIJLAGEN

BIJLAGE 1 Resumé van de televisiekanalen van de lidstaten van de Europese Unie die niet het grootste gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties hebben gewijd en/of minimaal 10 % aan door onafhankelijke producenten vervaardig deEuropese producties hebben gewijd

BIJLAGE 2 Gehanteerde parameters voor de berekening van de gemiddelde voor Europese producties gereserveerde zendtijd door de kanalen van de lidstaten van de Europese Unie (rekening houdend met de kijkers) - artikel 4 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen".

INLEIDING

Deze mededeling ter uitvoering van artikel 4, lid 3, van Richtlijn 89/552/EEG [1] van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Parlement en de Raad van 30 juni 1997 [2] (hierna aangeduid als de richtlijn "Televisie zonder grenzen"), is het vijfde verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5.

[1] PB L 298 van 17.10.89.

[2] PB L 202 van 30.07.1997.

Dit verslag bevat met name een statistisch overzicht van de mate waarin het in artikel 4 en 5 genoemde gedeelte voor elk van de televisieprogramma's die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaten en van de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie die behoren tot de Europese Economische Ruimte (hierna EER) vallen, is bereikt. De lidstaten zijn namelijk verplicht om de Commissie om de twee jaar een verslag voor te leggen over de wijze waarop zij artikel 4 en 5 toepassen. De Commissie ziet toe op de naleving ervan overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.

Dit document heeft tot doel om deze nationale verslagen, vergezeld van een advies van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen", ter kennis te brengen van de lidstaten, het Europees Parlement en de Raad.

Het bestaat uit drie delen en twee bijlagen:

Deel I - Advies van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 gedurende de periode1999-2000;

Deel II - De nationale verslagen van de lidstaten van de Europese Unie;

Deel III - Nationale verslagen van de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie die tot de Europese Economische Ruimte behoren;

Bijlage 1 : Resumé van de televisiekanalen die niet het grootste gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties (artikel 4 van de richtlijn) hebben gewijd en/of minimaal 10 % aan door onafhankelijke producenten vervaardigde Europese producties hebben gewijd (artikel 5 van de richtlijn );

Bijlage 2 : Gehanteerde parameters voor de berekening van de gemiddelde voor Europese producties gereserveerde zendtijd door de kanalen van de lidstaten van de Europese Unie (rekening houdend met de kijkers) - artikel 4 van de richtlijn.

I. ADVIES VAN DE COMMISSIE OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DE ARTIKELEN 4 EN 5 GEDURENDE DE PERIODE 1999-2000

1. Tenuitvoerlegging door de lidstaten van de Europese Unie

Krachtens artikel 4, lid 3, van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" heeft de Commissie tot taak toe te zien op de toepassing van de artikelen 4 en 5 overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.

De lidstaten van de Europese Unie en de lidstaten van de EVA die behoren tot de Europese Economische Ruimte zijn verplicht de Commissie om de twee jaar een verslag over de toepassing van de artikelen 4 en 5 voor te leggen, dat met name het volgende bevat: (i) een statistisch overzicht van de mate waarin het in deze beide artikelen genoemde gedeelte voor elk van de televisieprogramma's die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen, bereikt is; (ii) de redenen waarom dat in bepaalde gevallen niet is gebeurd, (iii) alsmede de maatregelen die in verband daarmee genomen zijn of overwogen worden.

Artikel 4, lid 3, van de richtlijn bepaalt dat de Commissie in haar advies met name rekening kan houden met de volgende aspecten (niet-volledige criteria):

in vergelijking met voorgaande jaren geboekte vooruitgang;

het aantal van de voor het eerst uitgezonden producties binnen het programma-aanbod;

bijzondere omstandigheden waarin nieuwe omroeporganisaties zich bevinden;

specifieke situatie van landen met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en/of een beperkt taalgebied.

Om de lidstaten in staat te stellen om te voldoen aan hun toezichthoudende taak zijn door het Contactcomité [3] opgestelde richtsnoeren voorgesteld voor de uitvoering van de artikelen 4 en 5. Deze richtsnoeren, die tot doel hebben om bepaalde definities nader uit te werken en zo eventuele verschillende interpretaties en toepassingen van de richtlijn te vermijden [4], zijn op 1 januari 1999 van kracht geworden en hebben derhalve betrekking op de referentieperiode (1999-2000) van het onderhavige verslag.

[3] http://europa.eu.int/comm/avpolicy/regul/twf/art45/art45-intro_en.htm

[4] Zo wordt bijvoorbeeld in punt 2.2 van deze richtsnoeren uiteengezet dat het geen zin heeft in de nationale verslagen gegevens op te nemen over kanalen die hun zendtijd uitsluitend wijden aan "informatie, sport, spel, reclame, teletekst en telewinkelen".

Het advies dient in dit licht te worden beschouwd. Het belicht voor de eerste maal de zowel op het niveau van de Gemeenschap als op dat van elke betrokken lidstaat geconstateerde algemene tendensen. Met het oog hierop is een reeks op de criteria van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn gebaseerde indicatoren opgesteld, zodat over een objectief analyseschema kan worden beschikt.

Artikel 4 (Europese producties)

Indicator 1: gemiddelde voor Europese producties gereserveerde zendtijd door de kanalen met de hoogste kijkcijfers [5] in iedere betrokken lidstaat.

[5] Het marktaandeel voor ieder betrokken jaar berust op de laatste gepubliceerde gegevens van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector: Statistical Yearbook 2002 (Volume 2) «Household audiovisual equipment, transmission, television audience». Afgezien van bijzondere gevallen wordt ieder kanaal met een marktaandeel van meer dan 3 % (gedurende de gehele dag) tijdens de beide jaren in kwestie in aanmerking genomen.

Indicator 2: nalevingspercentage van de kanalen van alle categorieën (die het grootste gedeelte bereiken of overschrijden) in iedere betrokken lidstaat [6]

[6] Dit percentage wordt verkregen door alle kanalen die de drempel van 50 % behalen of overschrijden op te tellen en dat getal te relateren aan alle onder artikel 4 van de richtlijn vallende kanalen in iedere lidstaat.

Indicator 3 : algemene trend - met betrekking tot het aantal kanalen van alle categorieën - betreffende het aandeel van Europese producties gedurende de referentieperiode (1999-2000) [7].

[7] Deze uitkomst is verkregen door van de kanalen, ongeacht de voor Europese producties gereserveerde zendtijd, na te gaan of er sprake is van een opgaande, constante of dalende lijn. Ook werd rekening gehouden met de kanalen die zich gedurende de referentieperiode op de desbetreffende nationale markt hebben begeven.

Artikel 5 (Europese producties van onafhankelijke producenten).

Indicator 1 : gemiddelde zendtijd of bij wijze van alternatief, naargelang de door de lidstaat gemaakte keuze bij de omzetting van de richtlijn, het gemiddeld programmabudget dat is gereserveerd voor Europese producties van onafhankelijke producenten.

Indicator 2: nalevingspercentage van de kanalen van alle categorieën (die de minimumdrempel bereiken of overschrijden) in iedere betrokken lidstaat [8]

[8] Dit percentage wordt verkregen door alle kanalen die de drempel van 10 % behalen of overschrijden op te tellen en dat getal te relateren aan alle onder artikel 5 van de richtlijn vallende kanalen in iedere lidstaat.

Indicator 3 : algemene trend - met betrekking tot het aantal kanalen van alle categorieën - betreffende het aandeel van Europese producties van onafhankelijke producenten in iedere lidstaat gedurende de referentieperiode (1999-2000).

Indicator 4 : gemiddelde zendtijd of bij wijze van alternatief, naargelang de door de lidstaat gemaakte keuze bij de omzetting van de richtlijn, het gemiddeld programmabudget dat is gereserveerd voor recente producties van onafhankelijke producenten.

Indicator 5 : algemene trend - met betrekking tot het aantal kanalen van alle categorieën - betreffende het aandeel van Europese producties van onafhankelijke producenten in iedere lidstaat gedurende de referentieperiode (1999-2000).

Aan de hand van deze indicatoren kan - onder voorbehoud van de door een aantal lidstaten gebruikte mogelijkheid om krachtens artikel 3, lid 1 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen", strengere en meer gedetailleerde voorschriften vast te stellen op dit door de richtlijn geregelde gebied [9] - een overzicht van de uitvoering van artikel 4 en 5 voor de periode 1999-2000 gegeven worden.

[9] In de praktijk heeft het merendeel van de lidstaten gebruik gemaakt van deze mogelijkheid (zo worden bijvoorbeeld studioproducties in Italië buiten beschouwing gelaten, bestaat er een positieve definitie van de in aanmerking te nemen producties in Duitsland, in Frankrijk de verplichting om 60% van de zendtijd aan Europese producties te wijden en in het Verenigd Koninkrijk en Nederland om 25 % van de zendtijd aan producties van onafhankelijke producenten te besteden.

1.1. Besteding van het grootste gedeelte van de zendtijd aan Europese producties

1.1.1. Beoordeling op communautair niveau

De eerste conclusie van algemene aard betreft de trends met betrekking tot het aantal televisiekanalen in Europa.

Om te beginnen bedroeg in Europa (de lidstaten van de Europese Unie en de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie die tot de Europese Economische Ruimte behoren) het totale aantal kanalen [10] van alle categorieën in januari 1999 (Etats membres de l'UE et Etats membres de l'Association européenne de libre-échange participant à l'Espace économique européen) ongeveer 550 en in januari 2000 670. Het totale aantal kanalen bedroeg in januari 2001 omstreeks 820.

[10] Dit aantal is gebaseerd op de door het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector uitgegeven statistische jaarboeken In 1999, 2000 en 2001. Het omvat de nationale zenders (met een omroepvergunning voor uitzending via de ether),, de nationale zenders (kabel en/of satelliet en/of digitale aardse televisie, geen analoge uitzending via de ether), gespecialiseerde buitenlandse zenders voor buitenlandse markten bestemde zenders. Daarentegen worden regionale/lokale edities, lokale stations en regionale of territoriale kanalen niet meegerekend.

Het aantal onder artikel 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" vallende kanalen [11] laat een voortdurende stijging zien in vergelijking met de voorafgaande periode (1997-1998) en de referentieperiode van dit verslag (199-2000), waaruit de dynamische ontwikkeling van het Europese audiovisuele aanbod blijkt. In de meeste lidstaten van de Europese Unie is deze toename opmerkelijk. Met name is dit het geval in landen zoals Spanje, Frankrijk, Italië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

[11] De in artikel 4, lid 3, genoemde verplichting om verslag uit te brengen is van toepassing op alle uitzendingen van omroeporganisaties die onder de bevoegdheid van een lidstaat vallen, met de volgende uitzonderingen:

Wat betreft de methodologie [12] dient evenwel benadrukt te worden dat sommige lidstaten nog steeds geen volledige gegevens hebben ingediend, met name ten aanzien van kabel- en/of satellietanalen (die vaak in de nationale verslagen ontbreken). De Commissie wijst er in dit verband nogmaals op dat de in artikel 4, lid 3, vastgelegde verplichting betrekking heeft op alle televisieprogramma's die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen [13] Daarentegen zijn de aardse televisiezenders bijna volledig opgenomen in de verslagen van de lidstaten.

[12] Hierbij moet wel worden aangetekend dat de aard en intensiteit van de controles van lidstaat tot lidstaat verschillen: van dagelijkse controles van de programma's, statistische overzichten, enquêtes, steekproeven tot schattingen in bepaalde gevallen, enz. Voorts wordt het toezicht in sommige gevallen uitgeoefend door de voor de sector verantwoordelijke toezichthoudende instantie of in andere gevallen rechtstreeks door het bevoegde ministerie.

[13] Artikel 4, lid 3 bepaalt dat «[het] verslag een statistisch overzicht bevat van de mate waarin het in [artikel 4] en in artikel 5 genoemde gedeelte voor elk van de televisieprogramma's die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen, is bereikt, de redenen waarom dat in bepaalde gevallen niet is gebeurd, alsmede de maatregelen die in verband daarmee genomen zijn of overwogen worden".

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De tweede conclusie betreft de gemiddelde, door de kanalen met de hoogste kijkdichtheid [14] voor Europese producties bestemde zendtijd (vgl. indicator 1).

[14] In de praktijk is - behalve in uizonderingsgevallen - het gedeelte in aanmerking genomen dat ieder kanaal met een marktaandeel van meer dan 3 % heeft behaald gedurende de onderzochte jaren

de gemiddelde zendtijd die de Europese kanalen gezamenlijk in alle lidstaten hebben gereserveerd voor Europese producties, bedroeg 60,68 % in 1999 en 62,18 % in 2000, ofwel een stijging met 1,50 procentpunt gedurende de referentieperiode,

de gemiddelde zendtijd loopt per onderzochte lidstaat uiteen van 52,94 % tot 71,46 % [15] in 1999 en van 55,33 % tot 71,18 % in 2000 [16], met uitzondering van Portugal [17] (48,7% in 1999 en 49,5% in 2000) en van Luxemburg (100 % in 1999 en 2000);

[15] Eën land had een iets hoger aandeel behaald. Dat wordt hier echter niet in aanmerking genomen, omdat het bij ontstentenis van volledige gegevens niet alle betrokken kanalen omvat met een marktaandeel van meer dan 3 % gedurende de referentieperiode.

[16] Eën land had een iets hoger aandeel behaald. Dat wordt hier echter niet in aanmerking genomen, omdat het bij ontstentenis van volledige gegevens niet alle betrokken kanalen omvat met een marktaandeel van meer dan 3 % gedurende de referentieperiode.

[17] Portugal heeft overeenkomstig de citeria van de geleidelijke ontwikkeling opmerkelijke vooruitgang geboekt ten opzichte van de voorafgaande periode (43,4 % in 1997-1998) en had in 2000 de drempel van 50 % benaderd.

in 12 lidstaten kan een opwaartse trend worden geconstateerd wat betreft de voor Europese producties bestemde zendtijd. In 1 lidstaat blijft de trend gelijk en in twee andere is sprake van een (zeer geringe) neerwaartse trend. Over het geheel genomen kan dus een positieve ontwikkeling gedurende de referentieperiode geconstateerd worden.

De derde conclusie betreft het totale aantal zenders die gedurende de referentieperiode de limiet voor producties hebben bereikt of overschreden.

het nalevingspercentage voor de Europese kanalen gezamenlijk in alle lidstaten bedroeg 68,58 % in 1999 en 72,50 % in 2000, ofwel een stijging met 3.93 procentpunt gedurende de referentieperiode, Dit cijfer is des te opmerkelijker, gelet op de forse toename van het aantal kanalen, voornamelijk van thematische aard, gedurende dezelfde periode;

het gemiddelde nalevingspercentage voor alle soorten kanalen liep in de verschillende onderzochte lidstaten uiteen van 55 % tot 100 % in 1999 en van 53 % tot 100 % , met uitzondering van Italië, dat niet het vereiste niveau heeft behaald (42 % in 1999 en 49 % in 2000);

het nalevingspercentage wat betreft het aantal van alle soorten kanalen stijgt in 9 lidstaten, blijft gelijk in 4 lidstaten en daalt in 2 andere lidstaten. Over het geheel genomen is er dus sprake van een positieve ontwikkeling.

De vierde conclusie betreft de algemene trend met betrekking tot het aantal kanalen van alle categorieën betreffende het aandeel van Europese producties gedurende de referentieperiode (vgl. indicator 3).

uit de nationale verslagen blijkt dat er in 14 lidstaten een opwaartse trend kan worden geconstateerd en dat in de vijftiende lidstaat sprake is van een constante ontwikkeling. Over het geheel genomen kan dus een positieve ontwikkeling gedurende de referentieperiode geconstateerd worden.

Samenvattend kan men zeggen dat deze positieve bevindingen - de meeste indicatoren laten gedurende de referentieperiode een stijgende tendens zien - erop duiden dat de in de richtlijn "Televisie zonder grenzen" neergelegde doelstellingen langzaam maar zeker verwezenlijkt worden.

De volgende tabel bevat een overzicht van de stand van zaken op communautair niveau betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 4 van de richtlijn tijdens de referentieperiode.

Europese producties (artikel 4 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen")

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

1.1.2. Beoordeling op nationaal niveau

Oostenrijk:

De kanalen ORF 1 en ORF 2, die gezamenlijk een marktaandeel van 57,5 % in 1999 en 55,6 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 56,6 % en 58,8 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 2,2 procentpunten gedurende de referentieperiode.

Tijdens de gehele referentieperiode overschreden 2 op een totaal van 3 in het verslag vermelde zenders het in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Alleen de zender ORF 1 blijft nog steeds ver onder deze drempel (34 % in 1999, 36,6 % in 2000). Het nalevingspercentage van alle kanalen tezamen genomen bedraagt tijdens de gehele referentieperiode derhalve 66,66 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. Er wordt met name op gewezen dat het percentage uitgezonden Europese producties toeneemt, aangezien Duitse producties inmiddels meer ingang hebben gevonden (vooral televisiefilms). In het verslag wordt onderstreept dat er tegelijkertijd meer Europese producties worden uitgezonden op ORF 2, dat tot dezelfde televisie-omroeporganisatie behoort. Er zijn geen maatregelen getroffen of gepland om verandering in deze toestand te brengen. De Commissie merkt op dat Oostenrijk zich in de specifieke situatie van een land met een geringe audiovisuele productiecapaciteit bevindt. Met betrekking tot de zender ORF 1 vestigt zij er evenwel de aandacht op dat het in artikel 4, lid 1, genoemde percentage voor ieder jaar geldt, in het bijzonder om uniforme concurrentievoorwaarden te waarborgen voor ieder televisieprogramma van de onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallende televisie-omroeporganisatie. [18]

[18] Vgl. artikel 4, lid 3, tweede alinea, en punt 2.2 van de voorgestelde richtsnoeren voor het toezicht op de uitvoering van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" d.d. 11 juni 1999.

Benadrukt dient te worden dat van de 3 in het verslag genoemde zenders 2 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd heeft uitgebreid en 1 zender dit heeft verminderd. Over het geheel genomen kan met betrekking tot het aantal kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

België [19]:

[19] Aangezien er twee afzonderlijke verslagen zijn ingediend, is bij de beoordeling rekening gehouden met de verschillen tussen de kanalen van de Franse en van de Vlaamse Gemeenschap. Voor de beoordeling op communautair niveau zijn de cijfers samengevoegd (zie hierboven). Voorts wijst de Commissie erop dat de kanalen RTL TVi en Club RTL identiek zijn aan de in Luxemburg door CLT S.A uitgezonden kanalen. Daarom worden zij in de verslagen van deze beide landen behandeld. Hetzelfde geldt voor het kanaal Liberty TV, dat zowel in het Belgische als het Luxemburgse verslag is opgenomen.

Franse Gemeenschap:

De kanalen RTBF 1 en RTBF 2 RTL-Tvi, Club die gezamenlijk een marktaandeel [20] van 43,4 % in 1999 en 44,8 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 66,83 % en 67,20 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 0,38 procentpunt gedurende de referentieperiode

[20] Gewezen wordt op de hoge penetratiegraad van kanalen van Franse oorsprong, TF1, France 2 en France 3, die tijdens de referentieperiode een marktaandeel van meer dan 30 % bezaten.

In 1999 overschreden op een totaal van 8 onder artikel 4 [21] van de richtlijn vallende kanalen 4 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Alleen het kanaal RTL-TVI bevindt zich enigszins onder deze limiet (49,1 %). Voor drie kanalen werden geen gegevens meegedeeld [22] Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt derhalve 50 %. Voor 2000 overschreden op een totaal van 8 onder artikel 4 van de richtlijn vallende kanalen 5 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Voor drie kanalen werden geen gegevens meegedeeld [23] Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt derhalve 62,5 %. Volgens het verslag bestaat er, afgezien in het geval van het kanaal RTL-Tvi, geen aanleiding h tot het nemen van bijzondere maatregelen. Met betrekking tot de beide versies van het basisprogramma van Canal + zal volgens het verslag in 2002 een op steekproeven gebaseerd systeem om de uitzending van programma's te meten worden ingevoerd. De Commissie vestigt er de aandacht op dat het in artikel 4, lid 1, vastgestelde percentage ieder jaar op alle onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallende televisieprogramma's van toepassing is Voor al deze programma's dienen de benodigde gegevens ter beschikking gesteld te worden om te kunnen vaststellen of de in artikel 4 voorgeschreven percentages geleidelijk gehaald worden. [24]

[21] De zender HSE, die zich uitsluitend op telewinkelen richt, en de zender Canal Z, die alleen economisch en financieel nieuws uitzendt, zijn niet in aanmerking genomen.

[22] In het verslag wordt meegedeeld dat naast de zender Liberty TV, waarvoor geen gegevens worden vermeld, nog 2 kanalen van Canal + niet worden genoemd (gegevens ontbreken).

[23] In het verslag wordt meegedeeld dat naast de zender Liberty TV, waarvoor geen gegevens worden vermeld, nog 2 kanalen van Canal + niet worden genoemd (gegevens ontbreken).

[24] Vgl. artikel 4, lid 3, tweede alinea, en punt 2.2 van de voorgestelde richtsnoeren voor het toezicht op de uitvoering van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" d.d. 11 juni 1999.

Benadrukt dient te worden dat van de 5 zenders, waarvover volledige gegevens gedurende de referentieperiode meegedeeld worden, 2 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en 3 zenders deze hebben verminderd. Over het geheel genomen kan met betrekking tot het aantal kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Vlaamse Gemeenschap:

De kanalen VRT TV1, VRT Canvas/ Ketnet, VMM-VTM, VMM-Kanaal 2, die gezamenlijk een marktaandeel van 63,7 % in 1999 en 66,1 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 51,75 % en 53,25 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 1,5 procentpunt gedurende de referentieperiode.

In 1999 overschreden op een totaal van 9 in het verslag genoemde kanalen 4 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; vijf kanalen bevinden zich ver onder dit niveau. Het gaat hierbij om Kanaal 2 (25 %) en de thematische kanalen van de groep Canal +, waarvan het percentage 20 % bedraagt of daar nog onder ligt (Canal+ grijs, Canal+ blauw, Canal+ geel, Canal+ 16/9). Het nalevingspercentage van alle zenders tezamen bedraagt 44 %. Voor 2000 overschreden op een totaal van 10 in het verslag genoemde kanalen 4 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; vier kanalen bevinden zich ver onder dit niveau. Het gaat hierbij om Kanaal 2 (30 %) en de thematische kanalen van de groep Canal +, waarvan de percentages schommelen tussen 27-42 % (Canal+ grijs, Canal+ blauw, Canal+ 16/9). Voor Canal + geel werden geen gegevens meegedeeld [25] Het nalevingspercentage van alle zenders tezamen bedraagt 50 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. In het geval van Kanaal 2 wijst het verslag op het groeiende percentage Europese producties en het feit dat de kanalen van de televisie-omroeporganisatie VMM tezamen genomen de quota van artikel 4 van de richtlijn overtreffen. Wat betreft de kanalen van de groep Canal + is de reden voornamelijk gelegen in de thematische aard van de programmering van de kanalen (films).

[25] Volgens het verslag is deze zender m.i.v. 5 december 1999 vervangen door Canal+ 16/9.

Met betrekking tot Kanaal 2 vestigt de Commissie er de aandacht op dat het in artikel 4, lid 1, vestgestelde percentage ieder jaar op alle televisieprogramma's van de onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallende omroeporganisatie van toepassing is. Tenslotte merkt de Commissie in het algemeen op dat - wat betreft het beginsel van de geleidelijke ontwikkeling - de gedurende de referentieperiode geboekte vooruitgang door alle kanalen onder het vereiste niveau ligt.

Benadrukt dient te worden dat van de 8 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode meegedeeld worden, 7 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 1 zender constant is gebeleven (het niveau van 100 % blijft gehandhaafd). Over het geheel genomen kan bij alle kanalen van alle categorieën een neerwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Duitstalige Gemeenschap: van de Belgische autoriteiten is geen verslag ontvangen.

Duitsland:

De kanalen ARD, ZDF, Kabel 1, ProSieben, RTL, RTL 2, SAT 1, die gezamenlijk een marktaandeel van 83,40 % in 1999 en 83,3 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 60,22 % en 63 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 2,78 procentpunt gedurende de referentieperiode.

In 1999 overschreden op een totaal van 23 in het verslag genoemde kanalen [26] 14 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; zeven kanalen bevinden zich onder dit niveau en over twee kanalen (die weliswaar uitsluitend nieuws uitzenden) zijn geen gegevens ontvangen [27]. Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt 61 %. In 2000 overschreden op een totaal van 24 in het verslag genoemde kanalen 15 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; zeven kanalen bevinden zich onder dit niveau en over twee kanalen zijn geen gegevens ontvangen [28]. Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën tezamen bedraagt 62,5 %. De volgende zeven kanalen hebben gedurende de gehele referentieperiode niet het grootste gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties besteed: Kabel 1 (25,4 % in 1999, 27,90 % in 2000), ProSieben (46,20 % in 1999, 46 % in 2000), RTL 2 (36% in 1999, 46% in 2000), Super RTL (33,70% in 1999, 38,20% in 2000), 13 TH Street (20 % in 1999, 17 % in 2000), Première (35 % in 1999, 33,1 % in 2000), Studio Universal (30 % in 1999, 35 % in 2000). In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. Aangevoerd werden onder meer: het korte bestaan van de zender, bedrijfsvoering (betaaltelevisie), de thematische aard van het programma-aanbod of de structuur. Met betrekking tot getroffen of geplande maatregelen om verandering te brengen in deze gevallen van niet-naleving wordt in het verslag melding gemaakt van voortdurend overleg met de diverse omroeporganisaties. Met name neemt de Commissie nota van de terugkerende problemen in verband met drie kanalen met een marktaandeel van meer dan 3 %: Kabel 1, ProSieben en RTL 2. De beide laatstgenoemde zenders besteden in 2000 evenwel bijna het grootste gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties.

[26] In tegenstelling tot het vorige verslag (periode 1997-1998) wordt de zender Deutsche Welle TV niet vermeld.

[27] De zenders N-TV en VH 1.

[28] De zenders N-TV en VH 1.

Benadrukt dient te worden dat van de 21 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode meegedeeld worden, 11 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 4 zender constant is gebeleven en bij 6 is teruggelopen. Over het geheel genomen kan bij alle kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Denemarken:

De kanalen DR 1, TV2 et TV Danmark die gezamenlijk een marktaandeel van 71,9 % in 1999 en 72 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 60,66 % en 61 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een stijging met 0,34 procentpunt gedurende de referentieperiode.

In 1999 overtroffen 4 op een totaal van 5 in het verslag vermelde zenders het in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Slechts TV Danmark bevindt zich onder dit niveau (36 %). Het nalevingspercentage van alle zenders tezamen bedraagt 80 %. In 2000 overschreden op een totaal van 7 in het verslag genoemde kanalen 5 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; vier kanalen bevinden zich onder dit niveau. De volgende beide kanalen halen deze drempel niet: TV Danmark (42 %) en TV 2 Zulu (41 % in 2000). Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt 71,40 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. In het geval van TV Danmark dient onderstreept te worden dat het kanaal sinds 1997 voortdurend een positieve ontwikkeling laat zient en dat de meegedeelde ramingen erop lijken te duiden dat er zich in 2001 een verdere groei zou kunnen voordoen. Voorts gaat het bij TV 2 Zulu om een onlangs opgerichte zender, die pas op 15 oktober 2000 is begonnen uit te zenden. De Commissie stelt vast dat Denemarken zich in de specifieke situatie bevindt van een land met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en een beperkt taalgebied en neemt nota van de gedurende de referentieperiode gemaakte vorderingen overeenkomstig het beginsel van de geleidelijke ontwikkeling .

Benadrukt dient te worden dat van de 5 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode meegedeeld worden, 2 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid, dat dit bij 1 gelijk is gebleven (met 100 %) en bij 2 is teruggelopen. Ook wordt de aandacht gevestigd op de resultaten van twee nieuwe marktdeelnemers die een aanzienlijk deel van hun programmering aan dit soort producties wijden. Over het geheel genomen kan derhalve bij alle kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Griekenland:

De kanalen ET 1, NET, ALPHA, ANTENNA, STAR et MEGA CHANNEL die gezamenlijk een marktaandeel van 83,4 % in 1999 en 83,7 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 71,46 % en 71,18 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 0,28 procentpunt gedurende de referentieperiode.

De Commissie constateert dat alle in het verslag vermelde kanalen gedurende de gehele referentieperiode de in artikel 4 van de richtlijn vastgestelde quota overtreffen (de cijfers variëren van 51,9 % tot 96,04 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 100 %.

Benadrukt dient te worden dat van de 10 zenders, waarvover volledige gegevens gedurende de referentieperiode meegedeeld worden, 8 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd heeft uitgebreid en dat dit bij 2 zenders is teruggelopen. Ook wordt de aandacht gevestigd op de nieuwe zender TEMPO, waarvan meer dan 50 % van het programma-aanbod uit Europese producties bestaat. Over het geheel genomen kan bij alle kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Spanje:

De kanalen TVE 1, TVE 1/ La 2, Telecinco, Antena 3 die gezamenlijk een marktaandeel van 76,8 % in 1999 en 76,2 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 52,94 % en 58,50 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 5,56 procentpunten gedurende de referentieperiode.

In 1999 overschreden op een totaal van 40 in het verslag genoemde kanalen 28 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; twaalf kanalen bevinden zich onder dit niveau. Het betreft de aardse zender Telecinco (45,.40 %) en de volgende satellietkanalen: TCM (20 %), AXN (22,5 %), Alucine (37,45 %), Fox kids (38,70 %), Cinemania (30,9 %), Disney Channel (18, 61 %), Nichelodeon (2,10 %), Calle 13 (10,6 %), Gran Via (25,55 %), Gran Via 2 (25,85 %), Gran Via 3 (35,33 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 70 %. In 2000 overschreden op een totaal van 45 in het verslag genoemde kanalen 35 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; tien kanalen bevinden zich onder dit niveau. Het betreft de volgende satellietkanalen: TCM (30,66 %), AXN (27,70 %), Alucine (32,04 %), Fox kids (44,90 %), Cinemania (37,70 %), Disney Channel (24,53 %), Nichelodeon (19,80 %), Calle 13 (16,89 %), Gran Via (40,06 %), Studio Universal (9,13 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 78 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. Met uitzondering van Telecinco, dat in 2000 de situatie heeft rechtgezet, betreft het digitale satellietkanalen die voornamelijk thematisch van opzet zijn. Voor dit soort zenders kent de Spaanse wetgeving twee overgangsbepalingen: namelijk de mogelijkheid om tijdens het eerste jaar waarin wordt uitgezonden 40 % van de zendtijd voor Europese producties te bestemmen en het samentellen van de programmapaketten van betaalkanalen in het kader van een vastomlijnd aanbod. Tot de maatregelen die de bevoegde autoriteiten kunnen nemen, behoren het in gebreke stellen van de betrokken exploitanten in gevallen waarin niet-naleving wordt geconstateerd. De Commissie neemt nota van de door de meeste van deze kanalen tijdens de referentieperiode gemaakte vorderingen overeenkomstig het beginsel van de geleidelijke ontwikkeling .

Benadrukt dient te worden dat van de 40 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode beschikbaar zijn, 24 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 2 zenders constant is gebeleven (op het maximale niveau van 100 %) en bij 14 is teruggelopen. Voorts zijn er vijf nieuwe marktdeelnemers, waarvan 4 van het merendeel van hun programma-aanbod voor Europese producties reserveren. Over het geheel genomen kan bij alle kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Frankrijk:

De kanalen TF1, France 2, France 3, M6 en Canal + die gezamenlijk een marktaandeel van 91,8 % in 1999 en 89,1 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 67,42 % en 69 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 1,58 procentpunt gedurende de referentieperiode.

In 1999 overschreden op een totaal van 54 in het verslag genoemde kanalen 34 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; over tien kanalen zijn geen gegevens meegedeeld. De volgende tien kanalen haalden het vereiste niveau niet: AB1 (25 %), Action (20 %), Cinéfaz (24 %), Cinéstar 1 (45 %), Cinéstar 2 (43 %), Cinétoile (48 %), Histoire (40 %), Kiosque (32 %), Mangas (33 %), 13ème Rue (17 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 63 %. In 2000 overtroffen 42 op een totaal van 59 in het verslag vermelde zenders de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Voor vijf kanalen werden geen gegevens meegedeeld De volgende twaalf kabelkanalen haalden het vereiste niveau niet: AB1 (30 %), Action (23 %), Mangas (34 %), CinéCinema 1 2 3 (48 %), Canal Jimmy (43 %), Cinéfaz (45 %), Cinéstar 2 (49 %), Multivision (44 %), Odyssée (46 %), Polar (43 %), RFM TV (43 %), 13ème Rue (34%). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 71 %. Als redenen voor niet-naleving wordt in het verslag gewezen op de thematische aard (film) van de zender en/of het feit dat het kanaal pas sinds kort bestaat en op de bedrijfsvoering (pay-per-view). De Commissie heeft er kennis van genomen dat in verband met alle gevallen waarin geen sprake was van niet-naleving door de bevoegde autoriteiten maatregelen zijn genomen of gepland: schriftelijk aanmanen van televisie-omroeporganisaties om de verplichting na te leven en instellen van sancties, waaronder financiële sancties.

Benadrukt dient te worden dat van de 42 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode beschikbaar zijn, 29 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 2 zenders constant is gebeleven en bij 11 is teruggelopen. Voorts verdienen de nieuwe marktdeelnemers aandacht, waarvan 4 van de 5 nieuwe zenders het merendeel van hun programma-aanbod voor Europese producties reserveren. Over het geheel genomen kan bij de kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Ierland:

De kanalen RTE 1, Network 2, TV3 die gezamenlijk een marktaandeel van 54,4 % in 1999 en 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 54,17 % en 55,33 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 2,2 procentpunt gedurende de referentieperiode.

Tijdens de referentieperiode overtroffen 3 op een totaal van 4 in het verslag vermelde zenders de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Alleen de zender TV 3 blijft - net - onder deze drempel (49,5 % in 1999, 49 % in 2000). Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt 75 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. In het verslag wordt niet vermeld of er maatregelen zijn getroffen of gepland om verbetering te brengen in deze situatie. De Commissie stelt evenwel vast dat de betrokken exploitant gedurende de gehele referentieperiode de limiet bijna haalt en dat Ierland zich in de specifieke situatie bevindt van een land met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en/of een beperkt taalgebied. Overeenkomstig het beginsel van de geleidelijke ontwikkeling moet het streven om dit percentage te verhogen worden voortgezet.

Benadrukt dient te worden dat van de 4 in het verslag genoemde zenders 2 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en 2 zenders dit hebben verminderd. Over het geheel genomen kan gedurende de referentieperiode een bestendige ontwikkeling geconstateerd worden.

Italië:

De kanalen Rai Uno, Rai Due, Rai Tre, Canale 5, Italia Uno, Retequattro, die gezamenlijk een marktaandeel van 90,2 % in 1999 en 90,7 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 65,90 % en 65,98 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een zeer lichte stijging met 0,09 procentpunt gedurende de referentieperiode.

In 1999 overschreden op een totaal van 38 onder artikel 4 van de richtlijn [29] vallende kanalen 16 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Voor negen kanalen werden geen gegevens meegedeeld Dertien kanalen haalden het vereiste niveu niet. Het betreft de aardse zenders: Italia Uno (41,25 %), Tele + Nero (34,77 %), Tele + Bianco (38,67 %), TMC/ La 7 (43,86 %) en de volgende satellietkanalen : Coming Soon Television (8,5 %), Disney Channel (20 %), Cineclassics (47 %), Stream verde (0 %), Tele + Grigio (48,82 %), Tele + 16/9 (46,13 %), Tele + Nero (34,77 %), Palco (45,91 %), Tele + Bianco (38,67 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 42 %. In 2000 overschreden op een totaal van 43 onder artikel 4 van de richtlijn [30] vallende kanalen 21 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Voor negen kanalen werden geen gegevens meegedeeld Dertien kanalen haalden het vereiste niveu niet. Het betreft de aardse zenders: Italia Uno (39,66%), Tele + Nero (38,87 %), Tele + Bianco (41,77 %), TMC/ La 7 (43,86 %) en de volgende satellietkanalen : Coming Soon Television (8,5 %), Disney Channel (28 %), Fox Kids (36 %), Duel (12 %), Comedy Life (25 %),, Stream verde (0 %), Tele + 16/9 (41,18 %), Tele + Nero (38,87%), Palco (42,74 %), Tele + Bianco (41,77 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 49 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. Wat betreft de aardse kanalen wordt met name in het geval van Italia Uno en TMC/ la 7 erop gewezen dat de kanalen van deze groepen tezamen genomen [31] de in artikel 4 van de richtlijn vastgestelde limiet behalen. In verband met Tele + Nero en Tel + Bianco, die zowel via aardse zenders als per satelliet worden uitgezonden, wordt in het verslag meegedeeld dat dezelfde methode is gehanteerd, maar dat de behaalde cijfers niettemin onder het vereiste niveau bleven. Met name voor deze aardse zenders zijn geen maatregelen getroffen of gepland om deze situatie te corrigeren. Met betrekking tot de overige satllietkanalen worden de redenen voor deze niet-naleving eveneens toegelicht [32]. Hierbij wordt gewezen op de thematische aard en/of het het feit dat het kanaal nog maar sinds kort bestaat, dat dochterondernemingen van maatschappijen uit landen die niet tot de Europese Unie behoren, voornamelijk gebruik maken van hun eigen programma-aanbod of op de programmeringsmethode (bijna video-op-verzoek). De Commissie stelt vast dat het nalevingspercentage van alle kanalen van alle categorieën betrekkelijk laag ligt, maar dat er gedurende de referentieperiode toch een stijging geconstateerd kan worden. Met betrekking tot de zenders Italia Uno [33], TMC/ la »7 » [34], Tele + Nero, Tele + Bianco en de satellietkanalen vestigt zij er evenwel de aandacht op dat het in artikel 4, lid 1, genoemde percentage voor ieder jaar geldt, in het bijzonder om uniforme concurrentievoorwaarden te waarborgen voor ieder televisieprogramma van de onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallende televisie-omroeporganisatie [35].

[29] Niet in aanmerking genomen zijn de zenders die hun zendtijd uitsluitend wijden aan "informatie, sport en telewinkelen" en zenders die uitsluitend uitzenden in een taal die geen officiële status bezit in een of meer lidstaten van de Europese Unie, d.w.z. in totaal 22 zenders.

[30] Niet in aanmerking genomen zijn de zenders die hun zendtijd uitsluitend wijden aan "informatie, sport en telewinkelen" en zenders die uitsluitend uitzenden in een taal die geen officiële status bezit in een of meer lidstaten van de Europese Unie, d.w.z. in totaal 22 zenders.

[31] In het verslag wordt uiteegezet dat indien verscheidene kanalen behoren of gecontroleerd worden door één enkele persoon uit hoofde van de Italiaanse wetgeving en een aanvullend besluit van de bevoegde instantie (Autorita per le Garanzzie nelle Commnicazioni), de quota wordt vastgesteld in verhouding tot de totale zendtijd van deze kanalen, waarbij voor elk evenwel een minimum van 20 % geldt.

[32] De aan de hand van een eigen opgave van de omroeporganisaties verkregen gegevens en de ingediende bescheiden worden thans aan een nader onderzoek onderworpen.

[33] Deze zender heeft een marktaandeel van meer dan 11 %.

[34] In 2000 heeft de zender TMC/ La 7 overigens het grootste deel van zijn zendtijd aan Europese producties besteed (57,83 %).

[35] Vgl. artikel 4, lid 3, tweede alinea, en punt 2.2 van de voorgestelde richtsnoeren voor het toezicht op de uitvoering van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" d.d. 11 juni 1999.

Benadrukt dient te worden dat van de 28 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode beschikbaar zijn, 20 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 1 zender nul bedraagt en bij 7 is teruggelopen. Over het geheel genomen kan bij alle kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Luxemburg: [36]

[36] Voorts wijst de Commissie erop dat de kanalen RTL TVi en Club RTL identiek zijn aan de in Luxemburg door CLT S.A uitgezonden kanalen. Daarom worden zij in de verslagen van deze beide landen behandeld. Hetzelfde geldt voor het kanaal Liberty TV, dat zowel in het Belgische als het Luxemburgse verslag is opgenomen.

Het kanaal RTL Télé Lëtzebuerg met een marktaandeel van 58,6 % [37] in 1999-2000 heeft gedurende die jaren voor 100 % aan Europese producties uitgezonden, dat wil zeggen dat de situatie tijdens de referentieperiode ongewijzigd is gebleven.

[37] Hierbij gaat het om het marktaandeel tijdens de periodes met de grootste kijkdichtheid (het cijfer daalt tot 14,3 % over de gehele dag gerekend).

In 1999 overschreden op een totaal van 10 in het verslag genoemde kanalen 7 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet, d.w.z. een nalevingspercentage van 70 % over alle kanalen gerekend. De volgende drie kanalen halen deze drempel niet: RTL 9 (40,50 %), RTL Tvi (49,10 %), RTL 5 (46 %) . In 2000 overtroffen 10 op een totaal van 11 in het verslag vermelde zenders de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. Slechts RTL 4 (49%) bevindt zich enigszins beneden dit peil. Het nalevingspercentage van alle zenders tezamen bedraagt 91 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet: thematische opzet (RTL 5 voor 1999), economische herstructurering (RTL 9). Overigens wordt in het verslag beklemtoond dat gedurende de periode 1999-2000 het voorschrift betreffende de besteding van het grootste gedeelte van de zendtijd aan Europese producties is nageleefd door de kanalen te koppelen (enerzijds RTL 4 en RTL 5 en anderzijds Tvi Club et Club RTL). Door de bevoegde autoriteiten zijn geen maatregelen genomen of gepland. De Commissie vestigt er de aandacht op dat het in artikel 4, lid 1, van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" vastgestelde percentage voor ieder onderzocht jaar op alle onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallende televisieprogramma's van toepassing is. [38] Zij stelt vast dat er overeenkomstig het beginsel van de geleidelijke ontwikkeling tijdens de referentieperiode sprake is van een zeer duidelijke verbetering, die in 2000 tot een positief resultaat heeft geleid (slechts één omroeporganisatie bevindt zich in geringe mate onder het vereiste niveau).

[38] Vgl. artikel 4, lid 3, tweede alinea, en punt 2.2 van de voorgestelde richtsnoeren voor het toezicht op de uitvoering van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" d.d. 11 juni 1999.

Benadrukt dient te worden dat van de 8 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode beschikbaar zijn, 3 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 3 zenders constant is gebleven (twee daarvan halen 100 %) en bij 2 is teruggelopen. Over het geheel genomen kan bij alle kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Nederland:

De kanalen Ned 1, Ned 2/ TV 2, Ned 3, Veronica, SBS 6, die gezamenlijk een marktaandeel van 53,1 % in 1999 en 52,7 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 68 % en 67,6 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 0,4 procentpunt gedurende de referentieperiode.

In 1999 overschreden op een totaal van 18 in het verslag genoemde kanalen 11 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; over één kanaal zijn geen gegevens meegedeeld. De volgende zes kanalen halen deze drempel niet: SBS 6 (46 %), Film 1 (44 %), Net 5 (40 %), Veronica (49 %), Canal + 1 (24 %), Canal + 2 (17 %). Het nalevingspercentage van alle zenders tezamen genomen bedraagt 61 %.

In 2000 overschreden op een totaal van 21 in het verslag genoemde kanalen 14 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet; over één kanaal zijn geen gegevens meegedeeld. De volgende zeven kanalen halen deze drempel niet: Net 5 (49 %), Veronica (45 %), Canal + 1 (23 %), Canal + 2 (26 %), Film 1 (49 %), Innergy (39 %), FilmTime (17 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën tezamen bedraagt 67 %.

Als redenen voor niet-naleving wordt in het verslag gewezen op de thematische aard van de zender en/of het feit dat het kanaal pas sinds kort bestaat en dat er te weinig Europese producties beschikbaar zijn (lifestyle"-kanaal, tijdelijke vrijstelling). De Commissie begroet de goedkeuring door het Commissariaat van de Media van de op 1 januari 2002 van kracht geworden richtsnoeren om de controle te vereenvoudigen.

Benadrukt dient te worden dat van de 16 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode beschikbaar zijn, 9 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 2 zenders constant is gebeleven en bij 5 is teruggelopen. Er zijn drie nieuwe marktdeelnemers, die een uiteenlopend gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties besteden (variërend van 17 %-76 %). Over het geheel genomen kan derhalve bij alle kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Portugal:

De kanalen RTP 1, RTP 2, SIC die gezamenlijk een marktaandeel van 94,4 % in 1999 en 92,9 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 48,7 % en 49,5 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 0,8 procentpunt gedurende de referentieperiode.

In 1999 overtroffen 5 op een totaal van 7 in het verslag [39] vermelde zenders de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. De volgende twee kanalen halen deze drempel niet: SIC (44,8 %), TVI (30,5 %). Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt 71 %. In 2000 overtroffen 7 op een totaal van 9 in het verslag [40] vermelde zenders de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. De volgende twee kanalen halen deze drempel niet: SIC 9 (34,8 %), TVI (36,5%). Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt 78 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. De bevoegde autoriteiten geven toe dat in het geval van het kanaal SIC de doelstellingen niet zijn nagekomen, maar dat de behaalde cijfers dicht bij het vereiste niveau liggen en dat het aandeel van de kanalen van de groep, tezamen genomen, omstreeks 70 % bedraagt. In verband met TVI, de laaste zender die de Europese markt heeft betreden, voeren zij aan dat er voortdurend vooruitgang is geboekt en wijzen zij op de bijzondere kenmerken van Portugese markt (productie, reclame, enz.). Wat betreft genomen of geplande maatregelen, wordt er in het verslag op gewezen dat de bevoegde autoriteiten deze in het kader van geregeld overleg onder de aandacht van de exploitanten, en met name van TVI, hebben gebracht, maar dat zij met name gezien de aanzienlijke vorderingen niet van plan zijn om sancties te treffen. De Commissie stelt vast dat Portugal zich in de specifieke situatie bevindt van een land met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en/of een beperkt taalgebied en dat er overeenkomstig het beginsel van de geleidelijke ontwikkeling over het geheel genomen ten opzichte van de voorafgaande referentieperiode omvangrijke voortgang is geboekt. [41] Zij stelt echter vast dat het percentage van SIC, een omroep met een totaalpakket dat qua marktaandeel (meer dan 44 %) een overheersende positie inneemt op de Portugese markt, tijdens de onderhavige referentieperiode ernstig is verslechterd. In dit verband vestigt zij er de aandacht op dat het in artikel 4, lid 1, genoemde percentage voor ieder jaar geldt, in het bijzonder om uniforme concurrentievoorwaarden te waarborgen voor ieder televisieprogramma van de onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallende televisie-omroeporganisaties. [42]

[39] In het verslag wordt het sportkanaal Sport TV Portugal genoemd.

[40] Vgl opmerking hierboven.

[41] De kanalen met het grootste marktaandeel hebben in de periode 1997-1998 43,4 % van hun zendtijd aan Europese producties gewijd. Dit cijfer is duidelijk verbeterd en bedroeg in respectievelijk 1999 en 2000 48,7 % en 49,5 %.

[42] Vgl. artikel 4, lid 3, tweede alinea, en punt 2.2 van de voorgestelde richtsnoeren voor het toezicht op de uitvoering van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" d.d. 11 juni 1999.

Benadrukt dient te worden dat van de 7 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode meegedeeld worden, 3 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd heeft uitgebreid en dat dit bij 4 zenders is teruggelopen. Het verdient evenwel vermelding dat er in 2000 2 nieuwe thematische kanalen op de Portugese markt hun intrede hebben gedaan, die het grootste deel van hun programma-aanbod reserveren voor Europese producties (met cijfers die variëren van 77,1 % tot 98,2 %). Over het geheel genomen kan bij alle kanalen van alle categorieën derhalve een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Finland:

De kanalen TV 1, TV 2, MTV 3 en Nelonen die gezamenlijk een marktaandeel van 95 % in 1999 en 94,2 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 66,25 % en 69,5 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 3,25 procentpunt gedurende de referentieperiode.

Tijdens de referentieperiode komen alle 4 in het verslag genoemde kanalen boven het in artikel 4 van de richtlijn bepaalde niveau uit (met cijfers die uiteenlopen van 52 % tot 86 % in 1999 en van 53 % tot 85 % in 2000). Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt 100 %.

Benadrukt dient te worden dat van de 4 in het verslag genoemde zenders 3 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en 1 zender dit in zeer geringe mate heeft teruggebracht (daling met 1 %). Over het geheel genomen kan bij alle kanalen van alle categorieën derhalve een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Zweden:

De kanalen SVT 1, SVT 2 et TV 4 die gezamenlijk een marktaandeel [43] van 74,2 % in 1999 en 71,9 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 73,83 % en 74,45 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 0,62 procentpunt gedurende de referentieperiode.

[43] TV 3 AB (marktaandeel van 10,8 % in 1999 en 11,4 % in 2000) en TV 5 AB /Kanal 5 (marktaandeel van 5,9 % in 1999 en 6,1% in 2000) zijn bij ontstentenis van gegevens voor 1999 (in 2000 begin van digitale uitzending) niet meegeteld. In 2000 bedroeg het gemiddelde niveau van de vijf kanalen SVT 1, SVT 2, TV4, TV 3 AB, TV 5 AB/ Kanal 5 51,97 % (uitzending van Europese producties).

In 1999 overtroffen 12 op een totaal van 21 in het verslag [44] vermelde zenders de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. De volgende negen kanalen halen deze drempel niet: TV 1000 (26 %), Cinema (25%), « 6 » (42 %), Canal + (23 %), Canal + Gul (25%), Canal + Bla (20 %), Kiosk (12 %), CineCinemas (5,75 %), NollEttan Television (47%). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 57 %. In 2000 overschreden op een totaal van 26 in het verslag [45] genoemde kanalen 15 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet. De volgende tien kanalen bevinden zich onder dit niveau: TV 3 AB (17%), TV5 AB (19.5 %), TV 1000 (24 %), Cinema (23%), Z TV (19 %), Canal + (32 %), Canal + Gul (36%), Canal + Bla (36 %), Kiosk (14.1 %), CineCinemas (23 %). Er wordt op gewezen dat de kanalen « 6 » (50 %) en NollEttan Television (100 %) inmiddels het in artikel 4 van de richtlijn voorziene grootste gedeelte behalen. Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 58 %. In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. Volgens het verslag betreft dit voornamelijk kanalen die pas kort geleden opgericht zijn, die een thematische opzet (films) hebben en/of de bedrijfsvoering ervan (betaaltelevisie), het tekort aan Europese films van goede kwaliteit of de lagere prijzen van Amerikaanse producties in vergelijking met Zweedse en Europese producties. De Commissie heeft er kennis van genomen dat in verband met de gevallen waarin geen sprake was van niet-naleving maatregelen zijn genomen of gepland (grootschaliger aankoop van Europese programma's en zoeken van Europese films van goede kwaliteit). Wat betreft de zenders TV 3 AB en TV 5 AB/ Kanal 5, die een aanzienlijk marktaandeel bezitten, wijst zij voor het jaar 1999 op de verplichting om de gegevens betreffende de toepassing van artikel 4 van de richtlijn door te geven, ongeacht de wijze van uitzending van de betrokken kanalen (analoog en/of digitaal).

[44] De volgende kanalen dienen als vrijgesteld beschouwd te worden: SVT 24, ViaSat Sport, DTU TV, TV Butiken

[45] De volgende kanalen dienen als vrijgesteld beschouwd te worden: SVT 24, ViaSat Sport, DTU TV, TV Butiken

Benadrukt dient te worden dat van de 20 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode beschikbaar zijn, 12 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 5 zenders constant is gebeleven en bij 3 is teruggelopen. Over het geheel genomen kan dus bij alle kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

Verenigd Koninkrijk:

De kanalen BBC 1, BBC 2, ITV, Channel 4, Channel 5 die gezamenlijk een marktaandeel van 86,1 % in 1999 en 83,5 % in 2000 bezaten, hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 64 % en 68,8 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 4,8 procentpunten gedurende de referentieperiode.

In 1999 overschreden op een totaal van 97 onder artikel 4 van de richtlijn [46] vallende kanalen 53 de in artikel 4 van de richtlijn bepaalde limiet [47]. Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 55 %. De volgende 44 kanalen bevinden zich onder deze limiet: 3+ Denmark (18 %), Adult Channel (48 %), Animal Planet (40 %), Bravo (18 %), Disney Channel UK (4 kanalen : 27 %), Fox Kids UK (27 %), Fox Kids Scandinavia (20 %), Front Row [48] (35 %), God Channel (35 %), History Channel (26 %), Inspiration network (30 %), Kanal 5 (22 %), Living (37 %), National Geographic (9 %), Nichelodeon (29 %), Nichelodeon Nordic (8 %), Paramount Comedy Channel (23 %), Play Boy TV (15 %), Revival Channel (16 %), Sci-Fi Channel (11 %), Sky Cinema (13 %), Sky Movie Max (7 %), Sky One (46 %), Sky Premier (8 %), Studio Universal (46 %), TCC Nordic (27 %), Television X (33 %), Turner Cartoon Network (28 %), Carton Network (Nederlandstalig) (22 %), Carton Network (Italiaanstalig) (20 %), Carton Network (Spaanstalig) (12 %), Carton Network (Nordic) (15 %), TNT Classical Movies (11 %), TCM (40 %), TCM (Spaanstalig) (40 %), TCM (Franstalig) (40 %), Trouble (20 %), TV3 Denmark (22 %), TV3 Norway (15 %), TV3 Sweden (22 %), VT4 (15 %). In 2000 overtroffen 62 op een totaal van 116 onder artikel 4 van de richtlijn [49] vallende zenders de in voornoemd artikel bepaalde limiet. Voor twee kanalen werden geen gegevens meegedeeld Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt 53 %. De volgende 52 kanalen bevinden zich onder deze drempel: 3+ Denmark (10 %), Biography Channel (5 %), Bravo (15 %), Channel Health (35 %), Discovery Health (44 %), Discovery Kids (48 %), Disney Channel UK (4 kanalen: 31 %), Film Four (44 %), Fox Kids UK (38 %), Fox Kids Scandinavia (36 %), Front Row (met het Barker Channel) (48 %), Front Row (zonder het Barker Channel) (37 %), God Channel (36 %), History Channel (21 %), Inspiration network (40 %), Kanal 5 (20 %), Living (31 %), National Geographic (16 %), Nichelodeon (20 %), Nichelodeon Nordic (11 %), Paramount Comedy Channel (24 %), Play Boy TV (18 %), Private Blue (49 %), Revival Channel (31 %), Sci-Fi Channel (11 %), Sky Cinema (17 %), Sky Movie Max (4 %), Sky One (34 %), Sky Premier (9 %), Sky Travel Channel (43 %), Studio Universal (47 %), Television X (44 %), Turner Cartoon Network (36 %), Cartoon Network (Boomerang) (21 %), Cartoon Network (Nederlandstalig) (26 %), Cartoon Network (Franstalig) (21 %), Carton Network (Italiaanstalig) (22 %), Carton Network (Spaanstalig) (21 %), Carton Network (Nordic) (20 %), TCM (41 %), TCM (Spaanstalig) (40 %), TCM (Franstalig) (41 %), Trouble (24 %), TV3 Denmark (16 %), TV3 Norway (8 %), TV3 Sweden (12 %), V+ Norway (13 %), VT4 (16 %), ZTV (46 %). In het verslag worden de redenen voor deze niet-naleving uiteengezet. Hierbij gaat het om de thematische aard van het kanaal of het het feit dat het kanaal nog maar sinds kort bestaat, dat het moeilijk is om Europese producties te vinden of tegen concurrerende prijzen te verwerven en dat dochterondernemingen van maatschappijen uit landen die niet tot de Europese Unie behoren, voornamelijk gebruik maken van hun eigen programma-aanbod. In dit verband vestigt de Commissie er de aandacht op dat het in artikel 4, lid 1, genoemde percentage voor ieder jaar geldt, in het bijzonder om uniforme concurrentievoorwaarden te waarborgen voor ieder televisieprogramma van de onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallende televisie-omroeporganisaties. [50]

[46] De tijdens de betrokken periode vrijgestelde of niet operationele kanalen (51) worden hier niet meegerekend

[47] In het verslag zijn de volgende aan "informatie" of "sport" gewijde kanalen opgenomen: BBC News 24, Sky News, Sky Sports 1, Sky Sports 2, Sky Sports 3, Sky Sports extra.

[48] M.u.v. het Barker Channel.

[49] De tijdens de betrokken periode vrijgestelde of niet operationele kanalen (51) worden hier niet meegerekend

[50] Vgl. artikel 4, lid 3, tweede alinea, en punt 2.2 van de voorgestelde richtsnoeren voor het toezicht op de uitvoering van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" d.d. 11 juni 1999.

Benadrukt dient te worden dat van de 96 zenders, waarover volledige gegevens gedurende de referentieperiode beschikbaar zijn, 45 het gedeelte van hun voor Europese producties bestemde zendtijd hebben uitgebreid en dat dit bij 9 zenders constant is gebeleven en bij 38 is teruggelopen. Over het geheel genomen kan bij de kanalen van alle categorieën een opwaartse trend betreffende de programmering van Europese producties gedurende de referentieperiode waargenomen worden.

ALGEMENE OVERWEGINGEN:

(i) Controle- en toezichtsprocedure

In de verslagen van de lidstaten worden verschillende systemen voor controle en toezicht ("monitoring") genoemd (lijsten, controle van de het dagelijkse programma-aanbod, verzameling van gegevens bij de omroeporganisaties, enquêtes, steekproeven of zelfs eenvoudigweg ramingen in bepaalde gevallen, enz.) die soms ook uiteenlopen naargelang de onderzochte transmissiemethode (bijvoorbeeld controle van de dagelijkse programma's voor aardse zenders en enquêtes voor kabelkanalen).

Wat dit laatste punt aangaat, is gebleken dat controle en toezicht over het algemeen doeltreffender zijn voor aardse zenders en kabelkanalen dan voor satellietkanalen, die in veel gevallen in de verslagen buiten beschouwing blijven.

In dit verband herinnert de Commissie eraan dat de in artikel 4, lid 3, van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" neergelegde verplichting van toepassing is op alle onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallende televisieprogramma's, ongeacht de gebruikte transmissiemethode (aardse transmissie, per satelliet of per kabel) met behulp van analoge en/of digitale techniek. Daarom moet een volledige lijst van de onder artikel 4 van de richtlijn vallende zenders ingediend worden.

(ii) Redenen voor niet naleving (grootste gedeelte niet bereikt)

De meeste lidstaten waarvan de onder hun bevoegdheid vallende kanalen niet het in artikel 4 van de richtlijn voorgeschreven aandeel hebben kunnen bereiken, hebben daartoe de volgende redenen aangevoerd.

a) - Samentellen van kanalen van dezelfde omroeporganisatie. In de verslagen van de lidstaten wordt dikwijls aangevoerd dat de onderzochte kanalen tezamen het in de richtlijn voorgeschreven grootste gedeelte hebben gehaald of overtroffen.

Deze procedure die eerlijke concurrentie tussen de verschillende televisie-omroeporganisaties lidstaten niet waarborgt en de programmering van Europese producties op een of meer specifieke kanalen afzonderlijk beschouwt, leidt er in bepaalde gevallen toe dat de resultaten van een "klein" kanaal (qua marktaandeel) - of thematische zender - kunstmatig worden samengevoegd met een "groot" kanaal met een totaalpakket.

b) - Thematische aard van het kanaal en gemaakte vorderingen. In verscheidene gevallen is het als gevolg van de thematiek niet mogelijk het vereiste niveau te bereiken (zeer specifieke nichemarkt).

c) - Recente oprichting van het kanaal. Benadrukt dient evenwel te worden dat talrijke "nieuwkomers" vanaf de eerste jaren dat zij in bedrijf zijn genomen een groot gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties besteden om zich een plaats te veroveren op de onderzochte markt.

d) - Dochtermaatschappijen van ondernemingen uit landen die niet tot de Europese Unie behoren. Deze kanalen maken systematisch gebruik van hun eigen materiaal en zenden weinig Europese producties uit.

In de praktijk worden deze redenen in de verslagen van de lidstaten vaak in combinatie opgevoerd. Bij de desbetreffende kanalen gaat het in de verschillende betrokken lidstaten vaak om dezelfde zenders..

(iii) Geplande of getroffen maatregelen om deze gevallen van niet-naleving uit de weg te ruimen

In de verslagen worden uiteenlopende maatregelen genoemd: permanent overleg, toezicht op de betrokken kanalen, schriftelijke aanmaningen en instelling van sanctieprocedures tegen omroeporganisaties.

In bepaalde gevallen worden er echter geen maatregelen gepland of genomen. In dit verband vestigt de Commissie er de aandacht op dat de betrokken lidstaten een intensievere controle van en toezicht op deze zenders dienen te garanderen en er voor zover mogelijk met de passende middelen zorg voor moeten dragen dat deze televisie-omroeporganisaties overeenkomstig het beginsel van de geleidelijke ontwikkeling het in artikel 4 van de richtlijn voorgeschreven niveau behalen.

1.2. Europese producties van onafhankelijke producenten

1.2.1. Beoordeling op communautair niveau

Wat betreft de methodologie dient evenwel benadrukt te worden dat sommige lidstaten nog steeds geen volledige gegevens hebben ingediend, met name ten aanzien van kabel- en/of satelliettelevisiekanalen (die vaak in de nationale verslagen ontbreken). Bovendien zijn voor een aantal kanalen geen volledige gegevens verstrekt, met name met betrekking tot het voor recente Europese producties bestemde gedeelte.

De Commissie wijst er in dit verband nogmaals op dat de in artikel 4, lid 3, vastgelegde verplichting betrekking heeft op alle televisieprogramma's die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen. Daarom zijn deze lidstaten verplicht een lijst van alle onder artikel 5 van de richtlijn vallende kanalen over te leggen en de volledige gegevens betreffende deze kanalen mede te delen.

De eerste conclusie betreft de gemiddelde zendtijd (minimaal 10 %) of bij wijze van alternatief, naargelang de door de lidstaat gemaakte keuze bij de omzetting van de richtlijn, het gemiddeld programmabudget (minimaal 10 %) dat is gereserveerd voor Europese producties van onafhankelijke producenten [51](vgl. indicator 1) [52].

[51] In overweging 31 van de Europese richtlijn is opgenomen dat (niet-volledige criteria) « (...) de lidstaten bij de definitie van het begrip "onafhankelijke producent" naar behoren rekening dienen te houden met criteria als de eigendom van de productiemaatschappij, de hoeveelheid programma's die aan dezelfde omroeporganisatie worden geleverd, en de eigendom van de secondaire rechten ».

[52] Krachtens artikel 3, lid 1, kunnen de lidstaten strengere en meer gedetailleerde maatregelen voorschrijven voor de omroepen die onder hun bevoegdheid vallen. In de praktijk heeft het merendeel van de lidstaten gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

- het gemiddelde nalevingspercentage voor de Europese kanalen gezamenlijk in alle lidstaten bedroeg 37,51 % in 1999 en 40,47 % in 2000, ofwel een stijging met 2,95 procentpunt gedurende de referentieperiode [53];

[53] Met name wat betreft Italië wordt erop gewezen dat de bijzonder hoge cijfers de gemiddelde omvang weerspiegelen voor de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd voor investeringen in Europese producties van onafhankelijke producenten (alternatief 2 van artikel 5 van de richtlijn) en niet het gemiddelde niveau van de voor dit soort producties bestemde zendtijd.

- het gemiddelde voor dit soort producties bestemde gedeelte varieert afhankelijk van de onderzochte lidstaten [54] van 21,17 % tot 59 % in 1999 en van 20,94 % tot 59,26 % in 2000;

[54] De resultaten in Italië zijn buiten beschouwing gebleven, aangezien de vermelde cijfers van verschillende aard zijn en betrekking hebben op een verplichting tot investering en niet tot uitzending.

- over het geheel genomen kan bij alle kanalen gedurende de referentieperiode in 9 lidstaten een opwaartse trend, een constante ontwikkeling in 2 lidstaten en een neerwaartse trend in 4 andere lidstaten worden waargenomen. Over het geheel genomen is er dus sprake van een positieve ontwikkeling.

De tweede conclusie betreft het totale aantal kanalen van alle categorieën, dat het minimum van 10 % (nalevingspercentage) voor Europese producties van onafhankelijke producenten (vgl. indicator 2) behaalt of overtreft.

- het gemiddelde nalevingspercentage voor de Europese kanalen gezamenlijk in alle lidstaten bedroeg 85,02 % in 1999 en 84,81 % in 2000, ofwel een zeer lichte daling met 0,21 procentpunt gedurende de referentieperiode;

- het gemiddelde nalevingspercentage varieert afhankelijk van de onderzochte lidstaten van 48 % tot 100 % in 1999 en van 58 % tot 100 % in 2000;

- het nalevingspercentage voor alle kanalen vertoont gedurende de referentieperiode in 6 lidstaten een opwaartse trend, een constante ontwikkeling in 4 lidstaten en een neerwaartse trend in 5 andere lidstaten; over het geheel genomen kan dus een positieve ontwikkeling gedurende de referentieperiode geconstateerd worden.

De derde conclusie betreft de algemene trend met betrekking tot het aantal kanalen van alle categorieën betreffende het aandeel van producties van onafhankelijke producenten (vgl. indicator 3):.

- uit de nationale verslagen blijkt dat er in 12 lidstaten een opwaartse trend kan worden geconstateerd en dat in 2 lidstaten sprake is van een constante ontwikkeling; over het geheel genomen kan dus een positieve ontwikkeling gedurende de referentieperiode geconstateerd worden.

De vierde conclusie betreft de gemiddelde zendtijd ("passend gedeelte" [55]) die is gereserveerd voor recente Europese producties van onafhankelijke producenten, d.w.z. voor producties die binnen een periode van vijf jaar nadat zij zijn vervaardigd, worden uitgezonden (vgl. indicator 4):

[55] 8 Vgl. de laatste zin van artikel 5 van de richtlijn: " [dit gedeelte] dient te worden bereikt door een passend gedeelte te reserveren voor recente producties, dat wil zeggen producties die binnen een periode van vijf jaar nadat zij zijn gemaakt, worden uitgezonden."

- de gemiddelde zendtijd die door de Europese kanalen gezamenlijk in alle lidstaten aan recente producties is besteed, bedroeg 53,80 % in 1999 en 55,71 % in 2000, ofwel een stijging met 1,91 procentpunt gedurende de referentieperiode;

- het gemiddelde voor dit soort producties bestemde gedeelte varieert afhankelijk van de onderzochte lidstaten [56] van 13,48 % tot 81,4 % in 1999 en van 12,34 % tot 80,25 % in 2000 ;

[56] NB: de cijfers voor Portugal geven niet het feitelijke aandeel weer van Europese producties binnen het totaal aan Europese producties van onafhankelijke producenten (theoretisch niveau).

- voor alle kanalen van alle categorieën kan in 8 lidstaten een opwaartse trend, een constante ontwikkeling in 2 lidstaten en een neerwaartse trend in 6 andere lidstaten worden waargenomen; over het geheel genomen kan dus een positieve ontwikkeling gedurende de referentieperiode geconstateerd worden.

De vijfde conclusie betreft de algemene trend met betrekking tot het aantal kanalen van alle categorieën betreffende het aandeel van recente Europese producties van onafhankelijke producenten (vgl. indicator 5).

- uit de nationale verslagen blijkt dat er in 14 lidstaten een opwaartse trend kan worden geconstateerd en dat er in één lidstaat sprake is van een constante ontwikkeling; over het geheel genomen is er dus sprake van een positieve ontwikkeling.

Samenvattend kan men stellen dat deze positieve bevindingen - de meeste indicatoren laten gedurende de referentieperiode een stijgende tendens zien - erop duiden dat de in de richtlijn "Televisie zonder grenzen" neergelegde doelstellingen langzaam maar zeker verwezenlijkt worden.

De volgende tabel bevat een overzicht van de stand van zaken op communautair niveau betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 5 van de richtlijn tijdens de referentieperiode.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

1.2.2. Beoordeling op het niveau van de lidstaten

Oostenrijk:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 40,63 % in 1999 en 47,30 % in 2000, ofwel een stijging met 6,67 procentpunt gedurende de referentieperiode;

Het nalevingspercentage van alle kanalen tezamen genomen bedraagt derhalve 100 % gedurende de gehele referentieperiode. Alle 4 in het verslag genoemde kanalen komen boven het voor producties van onafhankelijke producenten minimum van 10 % uit (met cijfers die uiteenlopen van 19,3 % tot 81,2 % in 1999 en van 13,7 % tot 97,91 % in 2000).

Over het geheel genomen kan bij alle kanalen tezamen genomen dus een stijgende tendens gedurende de referentieperiode geconstateerd worden. Met uitzondering van ORF1 (19,3 % in 1999 tot 13,7 % in 2000) hebben alle kanalen tijdens de referentieperiode meer zendtijd ingeruimd voor producties van onafhankelijke producenten. Een nieuw op de markt verschenen zender, ATV Privatfernseh, wijdt het merendeel van zijn zendtijd aan producties van onafhankelijke producenten.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor recente producties gereserveerde zendtijd voor alle kanalen bedroeg 46,07 % in 1999 en 58,37 % in 2000, ofwel een stijging met 12,30 procentpunt; Hiermee maakt het het grootste gedeelte van de zendtijd uit.

Over het geheel genomen kan dus bij alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens met betrekkking tot de voor recente producties gereserveerde zendtijd geconstateerd worden. Bij de 4 in het verslag genoemde zenders is dit percentage tijdens de referentieperiode gestegen. In 2000 bevinden alle kanalen zich boven de drempel van 50 %, waarbij de cijfers schommelen tussen 31,1% en 54,7 % in 1999 en tussen 52,55 en 67,1% in 2000.

België [57]:

[57] Aangezien er twee afzonderlijke verslagen zijn ingediend, is bij de beoordeling rekening gehouden met de verschillen tussen de kanalen van de Franse en van de Vlaamse Gemeenschap.

Franse Gemeenschap :

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 33,84 % in 1999 en 28,22 % in 2000, ofwel een daling met 5,62 procentpunt. Deze daling komt grotendeels voor rekening van het kanaal RTBF 2 (44,9 % in 1999, 25 % in 2000).

Het nalevingspercentage van alle kanalen tezamen genomen bedraagt derhalve 62,5 % gedurende de gehele referentieperiode. Op een totaal van 8 [58] in het verslag genoemde kanalen komen 5 boven het voor producties van onafhankelijke producenten minimum van 10 % uit (met cijfers die uiteenlopen van 15,7 % tot 44,9 % in 1999 en van 21,2 % tot 41,7 % in 2000). Het verslag bevat geen gegevens over Liberty TV en twee andere kanalen van Canal +.

[58] De kanalenl HSE en Canal Z die hun zendtijd uitsluitend besteden aan respectievelijk telewinkelen en economisch en financieel nieuws zijn buiten beschouwing gebleven.

Over het geheel genomen kan dus gedurende de referentieperiode bij alle kanalen tezamen genomen een neerwaartse trend geconstateerd worden. Op een totaal van 5 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 2 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten (Club en Canal +) en bij 3 (RTBF 1, RTBF 2, RTL Tvi) heeft zich een daling voorgedaan.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor recente producties gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 58,93 % in 1999 en 57,17 % in 2000, ofwel een daling met 1,77 procentpunt gedurende de referentieperiode .Het verslag bevat geen gegevens over 5 kanalen: RTBF 1, RTBF 2, Liberty TV en de twee in het verslag vermelde andere kanalen van Canal +.

Over het geheel genomen kan dus bij alle kanalen tezamen genomen een dalende tendens met betrekkking tot de voor recente producties gereserveerde zendtijd geconstateerd worden. Op een totaal van 3 in het verslag genoemde kanalen is er bij één sprake van een stijging en bij 2 van een daling. In 2000 bevinden alle kanalen zich echter boven de drempel van 50 % (waarbij de cijfers schommelen tussen 16,6 % en 93,7 % in 1999 en tussen 13 % en 94,8 % in 2000).

Vlaamse Gemeenschap:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 55,44 % in 1999 en 56 % in 2000, ofwel een stijging met 0,56 procentpunt .

In 1999 bedroeg het nalevingspercentage van alle zenders tezamen 89 %. Op een totaal van 9 in het verslag genoemde kanalen komen 8 boven het voor producties van onafhankelijke producenten minimum van 10 % uit (met cijfers die uiteenlopen van 16 % tot 100 % ). Slechts het kanaal Liberty TV.com, dat een thematisch programma-aanbod heeft, zendt geen Europese producties van onafhankelijke producenten uit.

In 2000 bedroeg het nalevingspercentage van alle zenders tezamen 70%. Op een totaal van 10 in het verslag genoemde kanalen komen 7 boven het voor producties van onafhankelijke producenten minimum van 10 % uit (met cijfers die uiteenlopen van 16 % tot 100 % ). Voor twee kanalen werden geen gegevens meegedeeld. Slechts het kanaal Liberty TV.com zendt geen Europese producties van onafhankelijke producenten uit.

Over het geheel genomen kan dus een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 8 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 5 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten en bij 3 is het niveau gelijk gebleven.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde aandeel van alle kanalen van alle categorieën bedroeg 78,67 % in 1999 en 80,75 % in 2000, ofwel een stijging met 2,08 procentpunt.

Over het geheel genomen kan bij alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens met betrekkking tot de voor recente producties gereserveerde zendtijd geconstateerd worden. Op een totaal van 8 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn, is bij 4 sprake van een stijging, bij 3 heeft zich geen verandering voorgedaan (waarvan 2 met een zeer hoog percentage) en bij 1 van een (geringe) daling.

Duitstalige Gemeenschap: van de bevoegde autoriteiten is geen verslag ontvangen.

Duitsland:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 46,30 % in 1999 en 46,72 % in 2000, ofwel een stijging met 0,42 procentpunt.

In 1999 overtroffen 17 zenders op een totaal van 23 [59] het in artikel 5 van de richtlijn voorgeschreven minimum van 10 %. Voor twee kanalen werden geen gegevens meegedeeld De volgende 4 kanalen hebben deze drempel niet gehaald: 13th Street (4 %), Studio Universal (2 %), VIVA (2 %), VIVA 2 (0 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt in 1999 74 %. In 2000 bevinden 17 zenders zich boven het minimum van 10 %. Voor twee kanalen werden geen gegevens meegedeeld. De volgende 5 kanalen hebben deze drempel niet gehaald: 13th Street (6 %), Phoenix (7,53 %), Studio Universal (5 %), VIVA (3 %), VIVA 2 ( 0%). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt in 2000 71%.

[59] In tegenstelling tot het vorige verslag (periode 1997-1998) ontbreekt de zender Deutsche Welle TV tijdens de gehele referentieperiode in het verslag.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 21 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 10 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 10 heeft zich geen verandering voorgedaan (waarvan 3 100 % halen) en bij 5 een lichte daling.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor recente producties gereserveerde aandeel van alle kanalen bedroeg 60,27 % in 1999 en 64,37 % in 2000, ofwel een stijging met 4,11 procentpunt gedurende de referentieperiode.

Over het geheel genomen kan dus bij alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 21 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn, is bij 10 sprake van een stijging, bij 6 heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 5 is sprake van een daling.

Denemarken:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 40,20 % in 1999 en 58,86 % in 2000, ofwel een stijging met 18,66 procentpunt.

Het nalevingspercentage van alle kanalen tezamen genomen bedraagt 100 % gedurende de gehele referentieperiode. Alle in het verslag genoemde kanalen komen boven het voor producties van onafhankelijke producenten minimum van 10 % uit (met cijfers die uiteenlopen van 12 % tot 87 % in 1999 en van 14 % tot 99 % in 2000).

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Drie kanalen breidden het voor producties van onafhankelijke producenten gerserveerde gedeelte uit, bij 1 kanaal blijft dit gelijk en bij een andere zender doet zich een geringe daling voor. Voorts zijn er twee nieuwe kanalen op de markt verschenen, die zeer hoge cijfers bereiken (meer dan 80 %).

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde aandeel van alle kanalen bedroeg 81,4 % in 1999 en 75,43 % in 2000, ofwel een daling met 5,97 procentpunt. Met uitzondering van een nieuwe marktdeelnemer (TV BIC+) bevinden in 2000 alle kanalen zich boven de drempel van 50 % (waarbij de cijfers schommelen tussen 63 % en 100 % in 1999 en tussen 70 % en 100 % in 2000).

Over het geheel genomen kan dus bij alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 5 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn, is bij 2 sprake van een stijging, bij 1 heeft zich geen verandering voorgedaan (het niveau is gehandhaafd op 100 %) en bij 2 is sprake van een daling. Voorts verdienen de twee nieuwe marktdeelnemers melding (met cijfers die variëren van 25 % tot 93 %).

Griekenland:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 21,17 % in 1999 en 20,94 % in 2000, ofwel een daling met 0,23 procentpunt. Deze lichte daling komt grotendeels voor rekening van het kanaal Star (46 % in 1999, 12 % in 2000).

In 1999 overtroffen 10 zenders op een totaal van 11 het in artikel 5 van de richtlijn voorgeschreven minimum van 10 %. Alleen het kanaal Seven TV (Nea Radiofoniki Kai Tileoptiki Ltd.) komt niet boven deze drempel uit (5,51 %). Voor het kanaal Alter werden geen gegevens meegedeeld. In 2000 overtroffen 11 zenders op een totaal van 12 het minimum van 10 %. Voor het kanaal Alter werden geen gegevens meegedeeld. Het nalevingspercentage van alle kanalen van alle categorieën bedraagt 91 % in 1999 en 92 % in 2000 (cijfers verschillen per kanaal: van 5,51 % tot 46 % in 1999 en van 12 % tot 35,8 % in 2000).

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 10 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 4 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 3 heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 2 andere (Star et Net) een daling. Voorts is er één nieuwe marktdeelnemer, Tempo (56 % in 2000).

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel van alle kanalen bedroeg 45,54 % in 1999 en 40,15 % in 2000, ofwel een daling met 5,40 procentpunt. De kanalen ERT 3 en Sky hebben in 1999 een vrij gering percentage bestemd voor dit soort producties (minder dan 10 %). Over het kanaal Alter worden voor de gehele referentieperiode geen gegevens verstrekt.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 10 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn, is bij 5 sprake van een stijging en bij 5 van een daling. Hierbij komt echter nog een nieuwe marktdeelnemer, Tempo (met 44,7 % recente producties in 2000).

Spanje:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 36,44 % in 1999 en 40,24 % in 2000, ofwel een stijging met 3,76 procentpunt .

In 1999 bedraagt het nalevingspercentage van alle zenders tezamen 95 %. Op een totaal van 40 kanalen hebben slechts 2 minder dan het minimum van 10 % voor producties van onafhankelijke producenten bestemd : AXN (7,90 %) en Nichelodeon (0%). In 2000 steeg - bij een toename van het aantal kanalen ( er kwamen vijf kanalen bij) - het nalevingspercentage tot 96 %. Op een totaal van 45 kanalen halen twee kanalen de minimumdrempel niet: AXN (7,5 %) en Studio Universal (9,13 %).

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 40 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 22 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 2 ( waarvan één 100 % haalt) heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 16 andere een daling . Vijf nieuw op de markt verschenen zenders hebben deze tendens nog versterkt.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel van alle kanalen bedroeg 20,80 % in 1999 en 24,82 % in 2000, ofwel een daling met 4,11 procentpunt gedurende de referentieperiode. De volgende kanalen hebben een betrekkelijk gering gedeelte (minder dan 10 %) besteed aan recente producties: TCM, AXN, Cine Paraiso (alleen 1999), Alucine, Hispavision, Nostalgia, Cinemania (alleen 1999), Disney Channel (alleen 1999), Nichelodeon, Calle 13, Studio Universal (alleen 1999), Cine 600, Cine Classic Espana, Canal 33, Telemadrid.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen van alle categorieën een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 40 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 26 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 1 heeft zich geen verandering voorgedaan, bij 12 een daling en bij één kanaal blijft sprake van een nulgroei. Vier van de vijf nieuwe marktdeelnemers in 2000 hebben deze trend nog versterkt (met cijfers die variëren van 25,70 % tot 47,2 %).

Frankrijk:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten [60] gereserveerde deel voor alle kanalen van alle categorieën bedroeg 59 % in 1999 en 59,26 % in 2000, ofwel een stijging met 0,26 procentpunt.

[60] Voor de etherkanalen is het percentage onafhankelijke producties berekend op basis van de omzet van de maatschappij.

In 1999 overtroffen 44 zenders op een totaal van 54 het minimum van 10 %. Voor tien kanalen werden geen gegevens meegedeeld. Alle programma's waarover gegevens beschikbaar zijn, komen boven deze limiet uit. In 2000 overtroffen 54 zenders op een totaal van 59 deze drempel. Voor vier kanalen werden geen gegevens meegedeeld Slechts het kanaal Planète (0%) zendt geen Europese producties van onafhankelijke producenten uit (in 1999 50 %). Het gemiddelde nalevingspercentage voor de kanalen tezamen genomen bedroeg 81 % in 1999 en 92 % in 2000, ofwel een forse stijging bij een toename van het aantal kanalen (4) gedurende de referentieperiode,

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 41 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 18 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 6 (waarvan vier 100 % halen) heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 17 andere een daling. Vier van de vijf nieuwe marktdeelnemers in 2000 besteden een aanzienlijk percentage van de zendtijd aan dit soort producties (met cijfers die liggen tussen 25 % tot 100 %).

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor recente Europese producties van onafhankelijke producenten bestemde percentage van alle kanalen van alle categorieën bedroeg 60,70 % in 1999 en 59,73 % in 2000, ofwel een stijging met 0,98 procentpunt gedurende de referentieperiode.

De volgende 3 kanalen besteden minder dan 10 % aan recente Europese producties van onafhankelijke producenten: Cinétoile in 1999 (1%), Forum Planète (7 %) en Ciné Cinéma (0 %) in 2000.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 36 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn, is in het geval van 17 sprake van een toename, bij 9 ( waarvan zeven 100 % halen) heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 10 een daling . Vier van de vijf nieuwe marktdeelnemers in 2000 zenden dit soort producties uit (met cijfers die liggen tussen 41 % tot 64 % in 2000).

Ierland:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen blijft constant met 29 % gedurende de referentieperiode.

Alle 4 kanalen komen boven de in artikel 5 van de richtlijn voorgeschreven minimumdrempel van !0 % uit (met cijfers die uiteenlopen van 15 % tot 65 % in 1999 en van 18 % tot 60 % in 2000). Het nalevingspercentage van alle kanalen tezamen genomen bedraagt derhalve 100 % tijdens de referentieperiode.

Over het geheel genomen kan voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 4 in het verslag genoemde kanalen breidden twee het voor producties van onafhankelijke producenten gerserveerde gedeelte uit, bij 1 kanaal blijft dit gelijk en bij een andere zender doet zich een daling voor.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

De gemiddelde aan recente Europese producties gewijde zendtijd bedraagt 100 % gedurende de gehele referentieperiode.

Over het geheel genomen kan dus een bestendige ontwikkeling gedurende de referentieperiode geconstateerd worden. De vier kanalen wijden zich volledig aan recente Europese producties.

Italië:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten [61] gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 68,05 % in 1999 en 63,85 % in 2000, ofwel een daling met 4,20 procentpunt gedurende de referentieperiode;

[61] In het verslag wordt onderscheid gemaakt tussen aardse kanalen en satellietkanalen. Wat betreft de eerste categorie wordt meegedeeld dat krachtens artikel 2, lid 3, van Wet nr. 122/98 ter omzetting van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" televisieomroeporganisaties tenminste 10 % (20 % voor de RAI) Europese producties van onafhankelijke producenten dienen uit te zenden en dat zij krachtens artikel 2, lid 5, minimaal 10 % (20 % voor de RAI) van hun netto-inkomsten uit reclame door middel van aankoop of productie dienen te investeren in Europese producties, met inbegrip van producties van onafhankelijke producenten. De gegevens betreffende Europese producties van onafhankelijke producenten zijn evenals de gegevens met betrekking tot de investeringsverplichtingen rechtstreeks door de nationale omroepen ter beschikking gesteld. Wat betreft de tweede categorie zenders wordt meegedeeld dat satellietomroepen op grond van de nationale wetgeving niet verplicht zijn om tien procent Europese producties van onafhankelijke producenten uit te zenden. Zij zijn daaretegen wel verplicht om minimaal 10 % van hun netto-inkomsten uit reclame de besteden aan de productie of aankoop van Europese audiovisuele programma's, waaronder door onafhankelijke producenten vervaardigde programma's.

In 1999 bedroeg het nalevingspercentage van alle zenders tezamen 79 %. Op een totaal van 38 kanalen heeft slechts één kanaal (Stream Verde) geen producties van onafhankelijke producenten uitgezonden. Voor acht kanalen werden geen gegevens meegedeeld. In 2000 bedraagt het nalevingspercentage van alle zenders tezamen 70 %. Op een totaal van 43 kanalen hebben slechts twee kanalen (Stream Verde, Fox Kids) geen producties van onafhankelijke producenten uitgezonden. Voor elf kanalen werden geen gegevens meegedeeld

Over het geheel genomen [62] kan voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 29 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 11 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 10 heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 8 andere een daling .

[62] De omvang van deze tendens dient echter wel in zoverre gerelativeerd en genuanceerd te worden dat het in het verslag meegedeelde cijfer van 100 % inhoudt dat de omroeporganisaties overeenkomstig de Italiaande wetgeving meer hebben uitgegeven aan de aankoop of vervaardiging van Europese producties dan de uit reclameinkomsten verkregen bedragen. Voorts rust op de zenders die geen reclameinkomsten ontvangen, niet de verplichting om te investeren (niet-toepasbaarheid van de bepaling).

2. Aandeel van recente producties [63]:

[63] De door de Italiaanse autoriteiten verstrekte cijfers zijn overeenkomstig artikel 2 van Wet 122/98 berekend in verhouding tot alle al dan niet door onafhankelijke producenten vervaardigde Europese producties. Aan de hand van deze cijfers kan de feitelijke voor producties van onafhankelijke producenten gereserveerde zendtijd in de zin van artikel 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" dus niet berekend worden.

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel (gezamenlijk, zonder onderscheid te maken wat betreft de producties van onafhankelijke producenten [64] in de zin van artikel 5) van alle kanalen bedroeg 58,45 % in 1999 en 61,81 % in 2000, ofwel een stijging met 3,36 procentpunt gedurende de referentieperiode.

[64] Vgl opmerking hierboven.

De volgende kanalen besteden een betrekkelijk gering gedeelte (minder dan 10 %) van hun programmabudget aan recente Europese producties: Coming Soon TV, CineCinema 1 (alleen 1999), CineCinemas 2 (1999), CineClassics (1999), Stream Verde.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen van alle categorieën een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 25 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn is in het geval van 20 sprake van een toename, bij 2 heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 2 een daling.

Luxemburg:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel van alle kanalen bedroeg 29,93 % in 1999 en 28,68 % in 2000, ofwel een daling met 1,25 procentpunt .

In 1999 overtroffen 7 zenders op een totaal van 10 het in artikel 5 van de richtlijn voorgeschreven minimum van 10 %. Voor twee kanalen werden geen gegevens meegedeeld Slechts de zender Nordliicht TV zendt dit soort producties niet uit. Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt 70 %. In 2000 overtroffen 7 zenders op een totaal van 11 het in artikel 5 van de richtlijn voorgeschreven minimum van 10 %. Voor twee kanalen werden geen gegevens meegedeeld. De beide kanalen die geen Europese producties van onafhankelijke producenten hebben uitgezonden, zijn Liberty TV en Nordliicht TV. Het nalevingspercentage van alle kanalen tezamen genomen bedraagt in 2000 64 %.

Over het geheel genomen kan voor alle kanalen tezamen genomen een dalende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 8 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 3 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 1 heeft zich geen verandering voorgedaan (nulpercentage evenwel) en bij 4 een daling.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor recente Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel van alle kanalen bedroeg 13,48 % in 1999 en 12,34 % in 2000, ofwel een zeer lichte daling met 1,34 procentpunt gedurende de referentieperiode. Voor drie kanalen werden geen gegevens meegedeeld voor de referentieperiode.

De volgende kanalen besteden minder dan 10 % aan recente Europese producties: RTL Télé Lëtzebuerg (bijna 10 % in 2000), RTL9, Club RTL, Liberty TV, Nordliicht TV.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 7 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn is in het geval van 4 sprake van een toename, bij 4 van een daling en bij 2 van een nulpercentage.

Nederland:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel van alle kanalen blijft constant met 52 % gedurende de gehele referentieperiode.

In 1999 overtroffen 15 zenders op een totaal van 18 het in artikel 5 van de richtlijn voorgeschreven minimum van 10 %. Voor drie kanalen werden geen gegevens meegedeeld [65] Het nalevingspercentage van alle zenders tezamen genomen bedraagt 83 %. In 2000 overtroffen 18 zenders op een totaal van 21 de limiet; van twee kanalen zijn geen gegevens beschikbaar gesteld. [66] Slechts het kanaal Net 5 haalt de minimumdrempel van 10 % in 2000 niet (7,6 %). Het nalevingspercentage van alle zenders tezamen bedraagt 86 %.

[65] Als gevolg van problemen in verband met de vaststelling van de herkomst van een aantal muziekproducties, zoals videoclips.

[66] Als gevolg van problemen in verband met de vaststelling van de herkomst van een aantal muziekproducties, zoals videoclips.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen van alle categorieën een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 15 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 5 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 2 heeft zich geen verandering voorgedaan (met cijfers van respectievelijk 50 % en 85 %) en bij 8 andere een daling. Drie nieuwe marktdeelnemers, die een wisselend deel van hun zendtijd aan Europese producties besteden (uiteenlopend van 25%-100 %), verdienen vermelding.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor recente Europese producties van onafhankelijke producenten bestemde percentage van alle kanalen van alle categorieën bedroeg 80 % in 1999 en 78% in 2000, ofwel een stijging met 2 procentpunt gedurende de referentieperiode.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 17 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn voor de referentieperiode is in het geval van 6 sprake van een toename, bij 5 ( waarvan vier 100 % halen of daar dicht bij zitten) heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 6 een daling. Drie nieuwe marktdeelnemers, wijden een aanzienlijk gedeelte van hun programmabudget aan Europese producties (variërend van 30 %-99 %) .

Portugal:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 24,96 % in 1999 en 31,13 % in 2000, ofwel een stijging met 6,18 procentpunt gedurende de referentieperiode;

In 1999 overtroffen 6 zenders op een totaal van 7 het in artikel 5 van de richtlijn voorgeschreven minimum van 10 %. In 2000 overtroffen 8 zenders op een totaal van 9 deze minimumdrempel. Het nalevingspercentage van alle kanalen tezamen genomen bedraagt 86 %. Alleen het kanaal Sport TV haalt dit niveau niet in 1999 ((5,5 %) en 2000 (3,9 %). Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt in 1999 86 % en 89 % in 2000..

Over het geheel genomen kan voor alle kanalen tezamen genomen een dalende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 7 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 2 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten en bij 5 heeft zich een daling voorgedaan. Drie nieuwe marktdeelnemers wijden een aanzienlijk gedeelte van hun programmabudget aan onafhankelijke producties ( cijfers variërend van 38 %-58 % in 2000) .

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

In het verslag wordt toegelicht dat de Portugese wetgeving een strengere regel hanteert dan artikel 5 van de richtlijn en worden de genoemde cijfers voor de uitzending van producties van onafhankelijke producenten gegeven. Overeenkomstig de Portugese wetgeving op televisieterrein moeten omroepen tenminste een tiende van hun zendtijd reserveren voor Europese producties die zijn vervaardigd door onafhankelijke producenten (eerste voorwaarde) en die hoogstens vijf jaar oud zijn (tweede voorwaarde) [67].

[67] In dit verband worden in het verslag cijfers gegeven die volkomen overeenstemmen met die onder punt 1 (onafhankelijke producties).

Ui deze beide voorwaarden volgt dat theoretisch alle onder punt 1 vermelde Europese producties van onafhankelijke producenten recent zijn in de zin van artikel 5 van de richtlijn. In de praktijk is het echter absoluut noodzakelijk om het daadwerkelijk gereserveerde [68] deel voor recente producties van onafhankelijke producenten vast te stellen.

[68] Ter vaststelling van het "passende gedeelte" overeenkomstig artikel 5 (laatste zin) van de richtlijn.

Finland:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel van alle kanalen bedroeg 23 % in 1999 en 29 % in 2000, ofwel een stijging met 6 procentpunt gedurende de referentieperiode.

Tijdens de referentieperiode komen alle 4 in het verslag genoemde kanalen boven het in artikel 5 van de richtlijn bepaalde minimumniveau van 10 % uit (met cijfers die uiteenlopen van 17 % tot 32 % in 1999 en van 23 % tot 38 % in 2000).

Over het geheel genomen kan voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Drie kanalen reserveren meer tijd voor het voor de producties van onafhankelijke producenten bestemde gedeelte en bij 1 kanaal kan een zeer geringe daling worden geconstateerd.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor recente Europese producties gereserveerde deel bedroeg 80 % in 1999 en 80,25 % in 2000, ofwel een stijging met 0,25 procentpunt gedurende de referentieperiode.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een bestendige ontwikkeling geconstateerd worden. Op een totaal van 4 kanalen is bij 1 zender sprake van een toename, 2 kanalen blijven gelijk (het cijfer van 100 % blijft gehandhaafd) en bij 1 zender, die iets boven het vereiste niveau ligt, van een lichte daling.

Zweden:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel voor alle kanalen bedroeg 27,94 % in 1999 en 34,63 % in 2000, ofwel een stijging met 6,7 procentpunt .

In 1999 overtroffen 10 zenders op een totaal van 21 het in artikel 5 van de richtlijn voorgeschreven minimum van 10 %. Voor negen kanalen werden geen gegevens meegedeeld De zenders "6" [69] en NollEttan Television reserveren geen zendtijd voor dit soort producties. Het door het kanaal CineCinemas uitgezonden deel ligt onder 10 % (5,75 %). Het nalevingspercentage van alle zenders bedraagt in 1999 48 %. In 2000 overtroffen 15 zenders op een totaal van 26 deze drempel. Voor tien kanalen werden geen gegevens meegedeeld. Slechts het kanaal NollEttan Television zendt geen Europese producties van onafhankelijke producenten uit. Het nalevingspercentage van alle zenders tezamen genomen bedraagt in 1999 58 %.

[69] Niettemin behaalt deze zender in 2000 50 %.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een bestendige ontwikkeling geconstateerd worden. Op een totaal van 11 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 2 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 2 heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 7 andere een daling. Toch dient deze daling gerelativeerd worden, aangezien 5 "nieuwkomers" op de markt een uiteenlopend gedeelte van hun zendtijd bestemmen voor onafhankelijke producties ( cijfers variërend van 17%-100 % in 2000) .

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor recente Europese producties gereserveerde deel bedroeg 53,97 % in 1999 en 65,40 % in 2000, ofwel een stijging met 11,43 procentpunt gedurende de referentieperiode. De volgende 3 kanalen besteden een zeer gering gedeelte aan recente producties: TV 4 (2 % in 1999) [70], « 6 » (0 % in 1999 en 2000), Cine Cinemas (0 % in 1999), NollEttan Television (0 % in 1999).

[70] Niettemin behaalt deze zender in 2000 78,15 %.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden [71]. Op een totaal van 10 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn is bij 2 sprake van een toename, bij 3 heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 5 een daling . Vier van de vijf nieuwe kanalen wijden een aanzienlijk gedeelte van hun programmabudget aan recente producties (variërend van 85 %-100 % in 2000) .

[71] Deze beoordeling is evenwel zeer betrekkelijk, aangezien over een groot aantal kanalen geen gegevens verstrekt zijn (9 kanalen in 1999 en 12 kanalen in 2000).

Verenigd Koninkrijk:

1. Onafhankelijke producties:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel van alle kanalen van alle categorieën bedroeg 28,41 % in 1999 en 30,96 % in 2000, ofwel een stijging met 2,55 procentpunt .

In 1999 overschreden op een totaal van 97 onder artikel 5 van de richtlijn [72] vallende kanalen 73 de in artikel 5 van de richtlijn bepaalde limiet van 10 %. De volgende 24 kanalen hebben deze drempel niet gehaald: BBC News 24, Bravo, Disney Channel UK (Disney Channel, Disney Channel +1, Playhouse Disney, Toon Disney), Front Row (m.i.v. Barker Channel), Front Row (m.u.v. Barker Channel), GSB Men + Motors/Breeze, National geographic, Nickelodeon Nordic, Play UK, Rapture, Reality TV, SC4C2, Sci-Fi Channel, Sky Movie Max, Sky News, Sky One, Sky Premier, TCC Nordic, TNT Classical Movies, TV3 Norway, UK Arena.

[72] De tijdens de betrokken periode vrijgestelde of niet-operationele kanalen (51) worden hier niet meegerekend

In 2000 overtroffen 86 op een totaal van 116 onder artikel 5 van de richtlijn [73] vallende zenders deze minimumdrempel. De volgende 28 kanalen hebben deze drempel niet gehaald: 3 + Denmark, BBC News 24, Biography Channel, Dating Channel, Bravo, Disney Channel UK (Disney Channel, Disney Channel +1, Playhouse Disney, Toon Disney), Film Four (9%), Front Row (m.i.v. Barker Channel), Front Row (m.u.v. Barker Channel), GSB Men + Motors/Breeze, History Channel, National Geographic, Nickelodeon Nordic, Reality TV, SC4C2, Sci-Fi Channel, Sky Movie Max, Sky News, Sky One, Sky Premier, TV3 Denmark, TV3 Norway, TV3 Sweden, UK Drama, V+ Norway.

[73] De tijdens de betrokken periode vrijgestelde of niet-operationele kanalen (51) worden hier niet meegerekend

Het nalevingspercentage van alle zenders van alle categorieën bedraagt in 1999 75,26 % en 74,1 % in 2000.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 93 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn hebben 47 meer zendtijd gereserveerd voor producties van onafhankelijke producenten, bij 9 heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 37 andere een daling. Ook wordt in verband met de positieve ontwikkeling de aandacht gevestigd op nieuwe marktdeelnemers die in uiteenlopende mate een deel van hun programma-aanbod aan dit soort producties wijden.

2. Aandeel van recente producties binnen de onafhankelijke productie:

Het gemiddelde voor Europese producties van onafhankelijke producenten gereserveerde deel van alle kanalen bedroeg 22,41 % in 1999 en 25,17 % in 2000, ofwel een daling met 2,76 procentpunt gedurende de referentieperiode.

De volgende kanalen hebben een zeer gering percentage voor recente Europese producties van onafhankelijke producenten bestemd: 3 + Denmark, BBC News 24, Biography Channel, Dating Channel, Bravo, Disney Channel UK (Disney Channel, Disney Channel +1, Playhouse Disney, Toon Disney), Front Row (m.i.v. Barker Channel), Front Row (m.u.v. Barker Channel), GSB Men + Motors/Breeze, History Channel, National Geographic, Nickelodeon Nordic, Reality TV, SC4C2, Sci-Fi Channel, Sky Movie Max, Sky News, Sky One, Sky Premier, TV3 Denmark, TV3 Norway, TV3 Sweden, UK Drama, V+ Norway.

Over het geheel genomen kan dus voor alle kanalen tezamen genomen een stijgende tendens geconstateerd worden. Op een totaal van 92 kanalen waarvan volledige gegevens beschikbaar zijn is in het geval van 44 sprake van een toename, bij 14 heeft zich geen verandering voorgedaan en bij 34 een daling . In verband met deze positieve trend kan worden gewezen op nieuwe marktdeelnemers die zich in verschillende mate inzetten voor de uitzending van dit soort producties.

1.3 Algemene conclusie:

Uit de nationale verslagen komt naar voren dat de bepalingen van de artikelen 4 en 5 (respectievelijk Europese producties en Europese producties van onafhankelijke producenten) van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" over de hele linie gedurende de referentieperiode door de lidstaten van de Europese Unie adequaat zijn toegepast.

Uit het grondige onderzoek van deze verslagen door de Commissie blijkt voor zowel artikel 4 als artikel 5 een positieve en dynamische trend inzake de uitzending van Europese producties, met inbegrip van producties van onafhankelijke producenten, waarbij een algehele toename van het aantal kanalen tijdens de referentieperiode geconstateerd kan worden..

Slechts een gering aantal kleine kanalen in sommige lidstaten levert moeilijkheden op. In dit verband vestigt de Commissie er de aandacht op dat de betrokken lidstaten een intensievere controle van en toezicht op deze zenders dienen te garanderen en er voor zover mogelijk met de passende middelen zorg voor moeten dragen dat deze televisie-omroeporganisaties overeenkomstig het beginsel van de geleidelijke ontwikkeling de in de artikelen 4 en 5 van de richtlijn voorgeschreven niveaus behalen.

2. Tenuitvoerlegging door de staten van de Europese Vrijhandelsassociatie die tot de Europese Economische Ruimte behoren

Dit verslag bevat voor de derde keer een overzicht van de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" door IJsland en Noorwegen. Liechtenstein heeft geen verslag ingediend, aangezien er geen televisie-omroeporganisatie onder zijn bevoegdheid valt.

IJsland :

2.1.Besteding van het grootste gedeelte van de zendtijd aan Europese producties

Gedurende de gehele referentieperiode hebben de kanalen (Channel 2), Sýn (Vision) en Bíórás (The Film Channel) een zeer gering percentage Europese producties uitgezonden (met cijfers die liggen tussen 5,51 % en 30,43 % in 1999 en 5,55 % en 36,26 % in 2000). Geen van deze zenders haalt het in artikel 4 van de richtlijn vastgelegde niveau. De zender RUV wordt niet vermeld in het verslag.

2.2. Europese producties van onafhankelijke producenten

Van de drie hierboven genoemde zenders bevindt alleen Sýn (Vision) zich boven de in artikel 5 van de richtlijn neergelegde minimumdrempel (met 21,2 % in 1999 en 21,17 % in 2000). De beide andere kanalen zenden vrijwel geen Europese producties van onafhankelijke producenten uit. Het verslag bevat geen gegevens, aan de hand waarvan het voor recente producties gerserveerde gedeelte bepaald kan worden.

Noorwegen:

2.1.Besteding van het grootste gedeelte van de zendtijd aan Europese producties

De kanalen NRK 1, NRK 2, NRK International, TV2, TV Norge, Metro hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 57,67 % en 60,17 % van hun zendtijd voor Europese producties bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 2,5 procentpunt gedurende de referentieperiode.

Over het geheel genomen lijkt de situatie bevredigend. Tijdens de gehele referentieperiode haalt alleen de zender TV Norge niet het in artikel 4 van de richtlijn bepaalde niveau (22 % in 1999 en 20 % in 2000). De bevoegde autoriteiten hebben de betrokken exploitant in gebreke gesteld vanwege niet-naleving van zijn uit de omroepwet voortvloeiende verplichtingen.

2.2. Europese producties van onafhankelijke producenten

De kanalen NRK 1, NRK 2, NRK International, TV2, TV Norge, Metro hebben gemiddeld in 1999 en 2000 respectievelijk 16,17 % en 16,33 % van hun zendtijd voor Europese producties van onafhankelijke producenten bestemd, d.w.z. een gemiddelde stijging met 0,17 procentpunt gedurende de referentieperiode.

Over het geheel genomen lijkt de situatie bevredigend. Slechts de kanalen NRK 2 (9 % in 1999) en NRK International (9 % in 2000) bereiken - gedurende één jaar - de minimumdrempel van 10 % voor Europese producties van onafhankelijke producenten. De bevoegde autoriteiten hebben de betrokken omroeporganisatie evenwel gevraagd dit aandeel te vermeerderen.

De situatie betreffende het voor recente producties bestemde deel is bijzonder positief. De in het verslag genoemde kanalen hebben voor dit soort producties in 1999 en 2000 gemiddeld respectievelijk 80,33 % en 86,33% bestemd, d.w.z. een stijging met 6 procentpunt tijdens de referentieperiode ( waarbij de cijfers uiteenliepen van 44 % tot 96 % in 1999 en van 71 % tot 100 % in 2000).

II. SAMENVATTING VAN DE VERSLAGEN VAN DE LIDSTATEN

Toelichting :

"NM": niet-meegedeelde gegevens.

"-": geeft aan dat het kanaal gedurende de aangegeven periode niet bestaat.

OOSTENRIJK

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Zoals reeds in het verslag over de referentieperiode 1997/1998 is opgemerkt, neemt het percentage Europese producties toe, met name omdat Duitse producties populairder zijn bij het kijkerspubliek. De trend om steeds meer Duitstalige films in het programma-aanbod op te nemen houdt aan en is bij ORF 1 voortdurend gestegen van 32% in 1998 tot 36,6% in 2000. Het besluit om ook 's nachts hoofdzakelijk Europese producties uit te zenden, heeft reeds tot een toename van het aandeel hiervan geleid bij ORF 2, te weten van 79,2% in 1999 tot 81% in 2000.

2. Onafhankelijke producenten

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Zoals al werd opgemerkt in het verslag over de referentieperiode 1997/1998 neemt het percentage Europese producties toe, vooral omdat Duitse producties populairder zijn bij de kijkers. De trend om steeds meer Duitstalige films in het programma-aanbod op te nemen houdt aan en is bij ORF 1 voortdurend gestegen van 32% in 1998 tot 36,6% in 2000. Het besluit om ook 's nachts hoofdzakelijk Europese producties uit te zenden, heeft reeds tot een toename van het aandeel hiervan geleid bij ORF 2, te weten van 79,2% in 1999 tot 81% in 2000.

D) Overige opmerkingen

Behalve de bovenvermelde omroeporganisaties zenden verscheidene andere omroepen in Oostenrijk programma's via lokale kabelnetwerken uit. Aangezien deze uitzendingen bestemd zijn voor een lokaal kijkerspubliek en geen deel uitmaken van het nationale net blijven deze organisaties in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9 van de richtlijn in dit verslag buiten beschouwing.

BELGIË

De Commissie heeft twee verslagen ontvangen van respectievelijk de Franse Gemeenschap van België en de Vlaamse Gemeenschap van België. Van de Duitstalige Gemeenschap (Deutschsprachige Gemeinschaft) is geen verslag ontvangen.

FRANSE GEMEENSCHAP VAN BELGIË

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties:

Toelichting ontbreekt.

2. Onafhankelijke producenten

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Afgezien van het lichte bij TVI geconstateerde tekort, bestaat er geen aanleiding om speciale maatregelen te treffen om de naleving van hoofdstuk II van de richtlijn te waarborgen.

D) Overige opmerkingen

CANAL+ biedt zijn digitale tv-abonnees twee edities van zijn analoge basisprogramma. De omroeporganisatie kon geen gegevens verstrekken over 1999 en 2000. Er is evenwel besloten om met ingang van 2000 een systeem voor de meting van programma's aan de hand van steekproeven in te voeren.

VLAAMSE GEMEENSCHAP

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Zie hieronder

2. Onafhankelijke producenten

Zie hieronder

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

Zie hieronder

D) Overige opmerkingen

VRT

De cijfers van de VRT behoeven geen commentaar.

VMM

In het geval van Kanaal 2 is er sprake van een toename van Europese producties: van een totaal van 20 % in 1997-19998 stegen zij tot 25% in 1999 en 30% in 2000. Gezien het feit dat VTM, het voornaamste kanaal van VMM, voor 60 % aan Europese producties uitzendt en over aanzienlijk meer zendtijd beschikt dan Kanaal 2, ligt het voor Europese producties bestemde aandeel dicht bij 50 %.

Deze cijfers leveren derhalve geen probleem op voor de Vlaamse Gemeenschap.

CANAL+ TELEVISIE

Canal + Televisie, voorheen FilmNet Television, is een betaaltelevisiekanaal, dat via drie zenders uitzendt: Canal + grijs, Canal + blauw en Canal + 16/9 (dat sinds 5 december 1999 in de plaats is gekomen van Canal + geel). Canal + Televisie zendt vooornamelijk films uit. Het is voor deze betaalkanalen onmogelijk om de voorgeschreven quota te halen.

Daarom werd het niet noodzakelijk geacht om maatregelen te treffen.

Event TV Vlaanderen(Liberty TV.com)

Sinds begin 1999 zendt Event TV programma's over toerisme, reizen en actualiteiten op dit gebied uit.

Event TV zendt slechts zijn eigen producties uit, zodat er zich geen eigendomskwestie voordoet. De televisie-omroeporganisatie maakt geen gebruik van materiaal van onafhankelijke producenten.

Gezien de specifieke aard van de programma's, wordt het niet noodzakelijk geacht om maatregelen te nemen.

Media ad Infinitum nv (Vitaya)

Sinds augustus 2000 zendt Vitaya programma's uit over gezondheid en mode. Het programma-aanbod bestaat uit eigen producties en van andere televisie-omroeporganisaties aangekochte programma's.

Media ad infinitum is nog niet in staat de Commissie gegevens over het percentage onafhankelijke producties ter beschikking te stellen. De omroep is verzocht om in de toekomst hieromtrent gedetailleerde gegevens te verstrekken.

Kanaal Z heeft op 9 november 1999 een zendvergunning voor de gehele Vlaamse Gemeenschap ontvangen. Deze omroep zendt alleen beurs-, financieel en economisch nieuws uit; daarom valt de zender niet onder de quatoregeling.

NB: Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering houdende bepalingen tot coördinatie van het Vlaams audiovisueel beleid bevat een definitie van het begrip "onafhankelijk producent": "een privaatrechtelijke rechtspersoon die audiovisuele producties tot stand brengt en die geen structureel of vennootschappelijk verband heeft met een televisieomroeporganisatie".

DUITSLAND

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

13th Street :

Dit is een betaaltelevisiekanaal, dat in augustus 1998 is gestart met uitzendingen en nog met talrijke uitzendproblemen kampt.

Kabel 1

Op grond van zijn thematische aard zendt het kanaal Kabel 1 nog maar een betrekkelijk gering aandeel aan Europese producties uit (voornamelijk wildwestfilms en politieseries).

N 24

Een actualiteitenzender die pas in 2000 is begonnen uit te zenden.

Première

Première is een betaalkanaal waarvan het aandeel van de onder de quotaregeling vallende uitzendingen hoofdzakelijk gewijd is aan films. De zender beschikt op het ogenblik nog niet over een toereikend aanbod van Europese producties.

Pro Sieben

Het aandeel door het kanaal uitgezonden Europese producties lag in 2000 slechts 4 % onder de drempel van 50 %.

RTL2

Het gedeelte van de voor Europese producties bestemde zendtijd van dit kanaal neemt toe en bevond zich in 2000 slechts 4% onder de drempel van 50 %.

Studio Universal

Dit is een betaaltelevisiekanaal, dat in augustus 1999 is gestart met uitzendingen en waarvan het voor Europese producties bestemde zendtijd een stijgende lijn vertoont.

Super RTL

Dit is één van de meer recente Duitse omroepen, waarvan de voor Europese producties bestemde zendtijd een stijgende lijn vertoont.

2. Onafhankelijke producenten

Phoenix

Gezien de structuur van dit kanaal kan slechts een klein gedeelte van de productie worden uitbesteed.

VIVA

Gezien de structuur van dit kanaal kan slechts een klein gedeelte van de productie worden uitbesteed.

VIVA 2

Gezien de structuur van dit kanaal kan slechts een klein gedeelte van de productie worden uitbesteed.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

De bevoegde instanties plegen voortdurend overleg met de verschillende omroeporganisaties.

D) Overige opmerkingen

Phoenix

Het door Phoenix uitgezonden percentage onafhankelijke producties resulteert uit de specifieke opzet van deze omroeporganisatie, die een thematisch kanaal is. Twee derde van de programma's betreffen de zogenaamde "doorgifte van uitzendingen van evenementen" en discussieprogramma's, die gezien hun aard eigen producties zijn die niet kunnen worden uitbesteed aan onafhankelijke producenten. Bovendien wordt - afgezien van een zeer gering aantal weekeinden - geen enkele documentaire na middernacht opnieuw uitgezonden, waardoor vanzelf het aandeel van onafhankelijke Europese producties in verhouding tot de totale zendtijd minder wordt.

DSF

Percentage recente producties (C) bedraagt meer dan 50%: gezien de korte periode waarin onder de quotaregeling vallende programma's zijn uitgezonden is het moeilijk om nauwkeuriger gegevens te verstrekken.

Kabel 1

Te weinig uitzendingen

n-tv

Gegevens niet beschikbaar (informatiekanaal).

Super RTL

Te weinig uitzendingen.

VH-1 - VIVA - VIVA2

Dit zijn muziekkanalen.

DENEMARKEN

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

De door TvDanmark voor Europese programma's bestemde zendtijd is in 1997 en 1998 gestegen naar respectievelijk 20% en 25% en in 1999 en 2000 naar respectievelijk 36 % en 42 %. In vergelijking met de periode 1997-1998 is het percentage onafhankelijke producties eveneens toegenomen. Volgens Tv Danmark blijkt uit de voorlopige gegevens voor 2001 dat het percentage Europese programma's opnieuw is toegenomen.

2. Onafhankelijke producenten

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Toelichting ontbreekt.

D) Overige opmerkingen

De 8 regionale kanalen van TV 2 zenden dagelijks gedurende een half uur tot een uur lokaal nieuws uit in de hiertoe bestemde "blokken" van kanaal TV 2. Zij zenden vooral actualiteitenprogramma's en lokaal vervaardigde rubrieken uit. In het statistisch overzicht zijn de gegevens over deze programma's buiten beschouwing gelaten.

DR en TV 2 delen beide mee dat zij voor het begrip "onafhankelijke producenten" gebruik hebben gemaakt van de definities van moeder- en dochtermaatschappij uit het bedrijfsrecht (vgl. artikel 2 van de wet op de naamloze vennootschap en artikel 2 van de wet op de besloten venootschap). TV 2 Zulu is op 15 oktober 2000 begonnen uit te zenden TV Bio+ is op 1 januari 2000 begonnen uit te zenden

De volgende televisiekanalen hebben een zendvergunning voor de periode 1999-2000 ontvangen, maar hebben hun uitzendingen inmiddels gestaakt: DSTV, Eurotica Rendez-Vous, Pay Per View, TV Bio

De volgende televisiezenders zijn in dit statistisch overzicht niet in aanmerking genomen: Dan Toto Racing Live zendt uitsluitend sportnieuws uit en Mesopotamia Broadcast uitsluitend programma's in het Koerdisch.

GRIEKENLAND

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Toelichting ontbreekt.

2. Onafhankelijke producenten

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Toelichting ontbreekt.

D) Overige opmerkingen

Toelichting ontbreekt.

SPANJE

A) Statistisch overzicht

1.Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

Nationale en regionale analoge aardse kanalen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Digitale kanalen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Zie hieronder

2. Onafhankelijke producenten

Zie hieronder

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Zie hieronder

D) Overige opmerkingen

Om de gegevens van de verschillende exploitanten van televsiekanalen onder de bevoegdheid van de Spaanse staat zo duidelijk mogelijk te presenteren, zijn er twee vragenlijsten ontwikkeld: de eerste is bestemd voor zowel de nationale als regionale analoge aardse kanalen en de tweede voor digitale aardse en satellietkanalen.

Gewezen wordt op het feit dat in het geval van deze laatste categorie kanalen - ook al hebben een aantal ervan niet het in de artikelen 4 en 5 van de richtlijn voorgeschreven percentage bereikt - de Spaanse materiële wetgeving op dit gebied in twee uitzonderingen voorziet: tijdens het eerste jaar waarin wordt uitgezonden dient 40 % van de zendtijd voor Europese producties te worden gerserveerd (eerste overgangsbepaling) en de programmapaketten van betaalkanalen die door een exploitant van een televisiekanaal in het kader van een vastomlijnd aanbod gepresenteerd worden, kunnen worden samengeteld om de quota's te bereiken (artikel 7, lid 2).

Indien de diverse exploitanten niet het vastgestelde percentage halen, deelt de Spaanse overheid aan de betrokkenen derhalve de gegevens betreffende hun uitzendingen mee en maant hen aan de noodzakelijke maatregelen te nemen om in deze situatie tijdens het lopende jaar en de daaropvolgende jaren verbetering te brengen.

FRANKRIJK

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

a) Etherkanalen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(1) Percentage onafhankelijke producties berekend op basis van de omzet van de maatschappij.

b) Via de kabel verspreide diensten (%)

NM : niet-meegedeeld

(a) : als percentage van de zendtijd

(a) : als percentage van het programmabudget

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

In 1999 hebben 10 omroepen niet het vereiste minimum voor Europese producties bereikt; in 2000 waren het er 12, waarvan 5 zich dicht onder het vereiste niveau bevonden (meer dan 45 %).

Hierbij gaat het voornamelijk om filmkanalen (de drie vrijwel identieke zenders Ciné Cinémas 1, 2, 3, het in 1999 opgerichte Cinéfaz voor recente films, Polar en Action van de Groupe ABsat en de pay-per-view kanalen van Multivision - dat echter zijn quota drastisch heeft verhoogd, van 16 % in 1998 tot 44 % in 2000 - en Kiosque met 32 % in 1999).

Over de hele linie neemt het percentage Europese producties toe binnen een omroepbestel waar slechts 7 van de 59 zenders met echte moeilijkheden kampen.

2. Onafhankelijke producenten

Beoordeeld op basis van de zendtijd (a) of het voor programma's bestemde budget (b) wordt bij alle zenders aan het vereiste percentage Europese producties van onafhankelijke producenten voldaan, met uitzondering van Forum Planète.

Deze editie van het documentairekanaal Planète heeft in september 1999 haar programmering gewijzigd en zendt alleen nog maar zelf vervaardigde en meermaals herhaalde debatten uit, die de reportages op Planète aanvullen. Gezien de betrekkelijke mislukking van deze formule, heeft de leiding in het najaar van 2001 een einde gemaakt aan deze structuur.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Aan de zenders die in 1997, 1998 en 1999 niet de krachtens de Franse regelgeving verplichte percentages hebben bereikt, is een aanmaning verzonden om in de toekomst de quota van uit te zenden producties na te komen.

Aangezien de Franse regelgeving strenger is dan de in artikel 4 van de richtlijn "TZG" vastgelegde voorschriften, spreekt het vanzelf dat deze aanmaning ook betrekking heeft op de niet-nakoming van dit artikel.

Op 13 november 2001 is de Conseil supérieur de l'audiovisuel tegen 9 kanalen sanctieprocedures begonnen op grond van niet-naleving van de quota's voor uitzendingen voor het jaar 2000: het betreft AB 1, Action, Canal Jimmy, Ciné Cinémas 1, Ciné Cinémas 2, Ciné Cinémas 3, Cinéstar 2 Mangas en 13ème Rue.

Ook aan Cinéfaz, Multivision et Polar zijn schriftelijke aanmaningen verzonden om in de toekomst de voor Europese producties geldende quota's na te leven.

D) Overige opmerkingen

Toelichting ontbreekt.

IERLAND

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Toelichting ontbreekt.

2. Onafhankelijke producties

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Toelichting ontbreekt.

D) Overige opmerkingen

Gewezen wordt op het volgende:

(a) de gegevens zijn voor ieder jaar volledig en niet gebaseerd op steekproeven;

(b) voor de zenders RTÉ en Teilifis na Gaeilge geldt de definitie van onafhankelijke producent van paragraaf 5 van de (gewijzigde) wet op de omroepautoriteiten ("Broadcasting Authority (Amendment) Act, 1993"), waarin wordt bepaald dat een producent afhankelijk is van de omroeporganisatie indien hij volledige zeggenschap heeft over de vervaardiging van het programma en hij geen moeder- of dochteronderneming van een omroeporganisatie is;

(c) voor TV3 geldt de definitie van onafhankelijke producent uit de voorgestelde richtsnoeren voor toezicht op de uitvoering van de richtlijn "Televisie zonder grenzen".

ITALIË

AARDSE OMROEPORGANISATIES

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages (programmering en investering)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Het percentage door Italia 1 in 1999 en 2000 aan Europese en recente producties bestede zendtijd voldeed niet aan de vereiste quota; hetzelfde geldt voor de zender Retequattro. Aangezien beide kanalen echter tezamen met Canale 5 tot de concessiehouder R.T.I. Spa behoren, dient overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Besluit 9/99/CONS de naleving van de verplichtingen betreffende programmering te worden gecontroleerd op basis van de gezamenlijke zendactiviteiten van de drie zenders in kwestie. Uit dit gezichtspunt is, zoals blijkt uit de tabel hieronder, bij de programmering R.T.I. Spa de desbetreffende bepalingen volledig nagekomen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB.: De percentages zijn op hele getallen afgerond.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB.: De percentages zijn op hele getallen afgerond.

Naar het schijnt heeft ook het kanaal TMC (thans: "La 7"), dat deel uitmaakt van de omroeporganisatie Tv Internazionale Srl, niet voldaan aan de quota's voor Europese producties in 1999 en voor recente producties in de periode 1999-2000. Ook in dit geval is evenwel het bovengenoemde artikel 2, lid 4, van Besluit 9/99/CONS van toepassing, waarin wordt bepaald dat gecontroleerd dient te worden of alle kanalen waarin de groep SEAT-Cecchi Gori een meerderheidsbelang heeft aan de quota voldoen. Wanneer ook het tweede kanaal van de groep - TMC2 (thans MTV Italia) - bij het onderzoek wordt betrokken, komt duidelijk naar voren dat de quota's volledig worden nageleefd, zoals blijkt uit de volgende tabel.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB.: De percentages zijn op hele getallen afgerond.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB.: De percentages zijn op hele getallen afgerond.

Om de hierboven genoemde redenen (de noodzaak alle gegevens van de afzonderlijke kanalen samen te tellen met de gegevens van alle kanalen waarin één omroeporganisatie een meederheidsbelang heeft) moeten Tele+ Bianco en Tele+ Nero, die niet de quotaregeling voor Europese producties nakomen, evenals de satellietkanalen van de groep Tele+ (zie hieronder), aan een onderzoek worden onderworpen.

Voorts heeft Tele+ Grigio sinds 1998 zijn aardse uitzendingen gestaakt en zendt thans uitsluitend via satelliet uit. Het kanaal en de gegevens betreffende uitzendquota's zijn derhalve opgenomen onder de satellietomroepen.

2. Onafhankelijke producenten

Krachtens artikel 2, lid 3, van Wet nr. 122/98 ter omzetting van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" dienen de nationale televisieomroeporganisaties tenminste 10 % (20 % voor de RAI) Europese producties van onafhankelijke producenten uit te zenden en krachtens artikel 2, lid 5, minimaal 10 % (20 % voor de RAI) van hun netto-inkomsten uit reclame door middel van aankoop of productie te investeren in Europese producties, met inbegrip van producties van onafhankelijke producenten.

De gegevens betreffende quota's voor Europese producties van onafhankelijke producenten zijn evenals de gegevens met betrekking tot de investeringsquota's rechtstreeks door de nationale omroepen ter beschikking gesteld.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel van de quota's voor investeringen in Europese producties in 2000

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Maatregelen tegen etheromroepen werden niet noodzakelijk geacht.

D) Overige opmerkingen

Toelichting ontbreekt.

SATELLIETOMROEPEN

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages (programmering en investering)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Legenda:

n.i.b.: niet in bedrijf - de zender is pas met ingang van 2000 beginnen uit te zenden, zodat over 1999 geen gegevens beschikbaar zijn.

n.v.t.: niet van toepassing - de zenders hebben geen reclameinkomsten ontvangen en zijn daarom niet verplicht om te investeren.

100

: de zenders hebben hogere bedragen dan de reclameinkomsten geïnvesteerd in de aankoop of vervaardiging van Europese producties.

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

Een aantal satellietkanalen in de tabel hierboven hebben niet aan alle programmeringsverplichtingen voldaan overeennkomstig de communautaire richtlijnen en de wetgeving door middel waarvan deze richtlijnen in het Italiaans recht zijn omgezet (Wet 122/98 en Besluit 9/99/CONS van de toezichthoudende instantie). Het betreft de volgende gevallen:

1. De zender Coming Soon Television van de omroeporganisatie Anicaflash Srl voldoet niet aan de minimumquota's voor Europese en recente producties en verklaart dit op grond van het feit dat gemiddeld twee uur per dag programma's worden uitgezonden die uitsluitend uit filmtrailers bestaan. Voorts deelt de omroep mee geen reclameinkomsten te ontvangen.

2. De zender Class Financial Network, die tot de televisie-omroeporganisatie Class Financial Network Spa behoort, zendt sinds 2000 gedurende het gehele etmaal zonder onderbreking financieel nieuws uit; deze zender deelt mee geen inkomsten uit reclame te ontvangen en heeft daarom geen gegevens met betrekking tot invertseringsquota's ingediend.

3. Het kanaal Disney Channel, die tot de omroeporganisatie Disney Channel Italia behoort, verdedigt de niet-naleving van de minimumquota's voor Europese en recente producties op grond van het feit dat het een programma-aanbod heeft dat voornamelijk bestaat uit Disney-producties (films, tekenfilms en series). De exploitant verklaart voorts geen inkomsten uit reclame te ontvangen en heeft daarom geen gegevens betreffende investeringsquota's ingediend.

4. De omroep Digitaly Spa heeft - zonder opgave van redenen - geen gegevens over zijn kanaal Digitaly - Italian Channel verstrekt.

5. De omroep Eurocast Italia Srl heeft drie kanalen die in het Pools uitzenden; zij zijn in januari 2000 in bedrijf genomen:

Topshop is een zender die zich uitsluitend aan telewinkelen wijdt.

Polonia 1 biedt een algemeen programma-aanbod, dat zich op gezinnen en een vrouwelijk kijkerspubliek richt.

Super 1 zendt voor jongeren bestemde programma's uit.. De gegevens betreffende de investeringen van de omroeporganisatie zijn slechts gedeeltelijk verstrekt en niet in overeenstemming met het juiste model; bij de voor recente Europese producties gereserveerde zendtijd worden niet de in de wetgeving vastgelegde quotaregelingen nageleefd.

6. Het kanaal Cinemovie van Fin.Ma.Vi. Spa (groep Cecchi Gori) kent een thematische programmering, met bioscoopfilms uit de periode 1930-1975. Volgens de omroep kan daarom de quota voor recente producties niet worden nagekomen. De exploitant verklaart voorts geen inkomsten uit reclame te ontvangen en heeft daarom geen gegevens betreffende investeringsquota's ingediend.

7. Het kanaal Fox Kids van de omroeporganisatie Fox Kids Italy Srl zendt alleen maar tekenfilms en programma's voor kinderen in de leefdtijdsgroep 4-14 jaar uit.. De omroeporganisatie, waarvan de uitzendingen op 1 april 2000 zijn begonnen, deelt mee dat zij in het onderzochte jaar direct noch via de maatschappij waartoe zij behoort een enkel programma heeft gekocht.

8. Bij de kanalen die behoren tot de groep Kidco Service Srl is het programmabeleid gericht op producties in het Arabisch en uitsluitend gericht op de Arabisch-islamitische cultuur. De zender deelt derhalve mee geen Europese producties te kunnen vinden die aanluiten bij het programma-aanbod ervan.

9. De zes hierna vermelde kanalen, die tot de maatschappij Multithématiques behoren, hebben een sterk thematisch stempel, dat wordt aangevoerd als reden voor de niet-naleving van de quota's voor recente producties in 1999 en 2000.

Canal Jimmy heeft een thematische programmering die is gewijd aan de cultuur van de Verenigde Staten van de jaren '60 en '70. Gezien het specifieke programmabeleid en de geringe omvang van deze markt lijkt dit een aanvaardbare reden.

Cine Cinemas 1 heeft een thematische programmering die is gewijd aan films uit de periode 1950-1990.

Cine Cinemas 2 heeft een thematische programmering die is gewijd aan internationale films en festivals.

Cine Classic heeft een thematische programmering die is gewijd aan zwart-witfilms uit de periode 1920-1960.

Planete heeft een thematische programmering die uitsluitend is gericht op historische, sociale en antropologische documentaires.

Seasons heeft een thematische programmering die zich uitsluitend richt op documentaires en discusisieprogramma's (talkshows) over de natuur, waarbij de aandacht in het bijzonder uitgaat naar jacht en vissen.

10. De maatschappij Sitcom Spa, die de kanalen INN, Nuvolari, Marcopolo, Galileo, Leonardo en Giotto in handen heeft, heeft alleen maar gegevens betreffende de kanalen Marcopolo en INN ingediend; bovendien ontbraken voor laatstgenoemde zenders de gegevens voor 2000. Deze maatschappij verklaart voorts dat de kanalen Nuvolari, Galileo en Leonardo weliswaar overeenkomstig Besluit 127/00/CONS zendgemachtigd zijn, maar nog niet zijn begonnen met uitzenden en dat de voorlopige vergunning van het kanaal Giotto is verlopen.

11. De omroeporganisatie Team Tv Spa, waartoe de twee thematische nieuwskanalen Stream News en Stream Verde behoren, heeft meegedeeld dat zij gezien de door de kanalen behandelde thema's geen Europese producties heeft vervaardigd of gekocht en heeft geen gegevens over de programmering ervan verstrekt.

12. De kanalen Tele+ Nero et Tele+ Bianco, die zowel via aardse zenders als de satelliet worden uitgezonden en respectievelijk behoren tot de exploitanten Prima Tv Spa et Europa Tv Spa (die beide deel uitmaken van de groep Tele+) zijn in 1999 en 2000 niet de verplichtingen inzake de programmering van Europese producties nagekomen.

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Besluit 9/99/CONS van de toezichthoudende instantie wordt echter de quota voor Europese producties bepaald op basis van de totale zendtijd van alle kanalen van de groep Tele+, zoals blijkt uit onderstaande tabellen.

Samen genomen hebben alle kanalen die onder Tele+ vallen, 45 % in 1999 en 43 % in 2000 besteed aan Europese producties van de totale zendtijd waarvoor de quota's gelden. Derhalve lijkt artikel 2, lid 3, van Besluit 9/99/CONS van toepassing: de toezichthoudende instantie dient de door de omroeporganisatie opgegeven redenen voor de niet-naleving van de quota's aan een onderzoek te onderwerpen indien er - op jaarbasis - sprake is van een deficit van meer dan 7 %.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB.: De percentages zijn op hele getallen afgerond.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB.: De percentages zijn op hele getallen afgerond.

13. De kanalen Duel en Comedy Life, die tot de omroeporganisatie Mediadigit Spa behoort (die weer deel uitmaakt van de groep Mediaset) halen niet de voor Europese en recente producties gereserveerde quota's.

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Besluit 9/99/CONS van de toezichthoudende instantie wordt echter de quota voor Europese producties bepaald op basis van de totale zendtijd van alle kanalen van de groep Mediaset, zoals blijkt uit onderstaande tabellen.

Samen genomen hebben alle kanalen die onder Mediaset vallen in 1999 58 % besteed aan Europese producties en 50% aan recente producties van de totale zendtijd waarvoor de quota's gelden.

In 2000 werd 46 % aan Europese producties en 52 % aan recente producties besteed. Derhalve lijkt artikel 2, lid 3, van Besluit 9/99/CONS opnieuw van toepassing: de toezichthoudende instantie dient de door de omroeporganisatie opgegeven redenen voor de niet-naleving van de quota's aan een onderzoek te onderwerpen indien er - op jaarbasis - sprake is van een deficit van meer dan 7 %.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB.: De percentages zijn op hele getallen afgerond.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB.: De percentages zijn op hele getallen afgerond.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Gezien het specifieke programmabeleid van bepaalde televisiekanalen onderzoekt de bevoegde toezichthoudende instantie momenteel de door de hierna genoemde maatschappijen aangevoerde redenen om de niet-naleving te rechtvaardigen van de verplichtingen inzake programmering en investering die zijn vastgelegd in Wet 122/98 en Besluit 9/99/CONS van de toezichthoudende instantie:

- Anicaflash Srl

- Class Financial Network Spa

- Disney Channel Italy

- Fin.Ma.Vi Spa

- Fox Kids Italy Srl

- Kidco Service Srl

- Multithematique

- Sitcom Spa

Aangezien de omroepen Stream Spa, Eurocast Italia Srl, Team Tv Spa et Digitaly Spa geen gegevens over de voor Europese en recente producties gereserveerde zendtijd in 1999 en 2000 hebben meegedeeld, onderzoekt de bevoegde afdeling van de toezichthoudende instantie voorts de mogelijkheid om een procedure te beginnen om de niet-naleving van de verplichtingen en de aangevoerde redenen daartoe te beoordelen en eventueel maatregelen te treffen.

D) Overige opmerkingen

Besluit nr.127/00/CONS van 1 maart 2000 betreffende de goedkeuring van de "Verordening inzake de uitzending van televisieprogramma's via de satelliet" bevat voorschriften met betrekking tot de zendactiviteiten van satellietomroepen. Aangezien voorheen nauwkeurige regelegeving ontbrak, verrichten slechts een gering aantal omroepen op basis van een verklaring betreffende de aanvang van zendactiviteiten die zij zelf bij het ministerie van Communicatie hebben ingediend of van een voorlopige, door het ministerie verstrekte zendmachtiging voor experimentele uitzendingen.

Daar het objectief gezien evenwel moeilijk is een systeem voor toezicht op televisieuitzendingen via de satelliet in te voeren, heeft de toezichthoudende instantie de televisie-omroeporganisaties die via de stalliet uitzenden, verzocht de gegevens over de naleving van de verplichtingen inzake programmering en investering overeenkomstig artikel 2 van Wet 122/98 en de artikelen 2 en 4 van Besluit 9/99/CONS van voornoemde instantie zelf te verifiëren.

Sommige omroepen hebben onder verwijzing naar de specifieke thematiek van het programmabeleid van hun eigen televisiekanalen uit hoofde van de bepalingen van artikel 5 van bovengenoemd Besluit 9/99/CONS om een volledige of gedeeltelijke ontheffing verzocht van de programmerings- en investeringsverplichtingen. De toezichthoudende instantie zal toezicht houden op de naleving van de verplichtingen door de omroepen, "in het licht van de technische en objectieve problemen die voortvloeien uit de naleving ervan..." en ook om "... zorg te dragen voor de geleidelijke ontwikkeling van de in de omroepsector werkzame organisatie, van het daadwerkelijke op de markt beschikbare aanbod van producten, van de doelgroep van iedere organisatie, van een programma-aanbod dat overeenstemt met het beleid en de specifieke kenmerken van het netwerk, met name met betrekking tot de tijden met de grootste kijk- en luisterdichtheid" (art.2, lid 2, Besluit 9/99). De door de omroepen verstrekte gegevens, de redenen die zijn aangevoerd om het feit te verklaren dat de minimumquota's niet zijn gehaald en de argumenten voor een verzoek om een gedeeltelijke of volledige ontheffing van de naleving van deze verplichtingen worden thans aan een onderzoek onderworpen.

Tot slot wordt eraan herinnerd dat - in tegenstelling tot aardse omroepen - satellietomroepen op grond van de nationale wetgeving niet verplicht zijn om tien procent Europese producties van onafhankelijke producenten uit te zenden. Zij zijn daaretegen wel verplicht om minimaal 10 % van hun netto-inkomsten uit reclame te besteden aan de productie of aankoop van Europese audiovisuele programma's, waaronder door onafhankelijke producenten vervaardigde programma's.

LUXEMBURG

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Over het geheel genomen zijn de verschillende kanalen hun verplichtingen nagekomen. RTL4 en RTL TVi bevonden zich gedurende één jaar lichtelijk onder de 50 %. In het geval van RTL5 was het deficit in 1999 groter als gevolg van de thematische opzet van het kanaal, maar dit tekort is in 2000 ruimschoots gecompenseerd. Geen van deze kanalen heeft in de periode 1999-2000 het grootste gedeelte van hun zendtijd besteed aan Europese producties. Voorts heeft elk van de twee paren kanalen tezamen genomen, respectievelijk RTL4 en RTL5 enerzijds en RTL TVi en Club RTL anderzijds ook gedurende beide jaren het grootste gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties gewijd. Daaruit volgt dat deze kanalen over de hele linie het grootste gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties hebben besteed.

Het kanaal RTL9 heeft in 1999 niet het grootste gedeelte van de zendtijd voor Europese producties ingeruimd, omdat het een economische herstructurering onderging. In 2000 werd deze situatie weer in het reine gebracht.

2. Onafhankelijke producenten

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Gelet op het voorafgaande, lijkt het niet noodzakelijk bijzondere maatregelen te nemen om de naleving van de verplichtingen in de toekomst te waarborgen.

D) Overige opmerkingen

Gedurende de onderzochte jaren was Richtlijn 97/36/EG nog niet omgezet in het Groothertogdom Luxemburg. Derhalve heeft dit verslag betrekking op alle zenders die gedurende de referentieperiode met een Luxemburgse zendmachtiging uitzonden.

NEDERLAND

A) Statistisch overzicht

1.Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Scandinavian Broadcasting B.V. verdedigde het feit dat het verplichte percentage voor SBS6 in 1999 niet gehaald is als volgt: in juni 1999 heeft de zender geconstateerd dat het streefpercentage in 1997 en 1998 niet bereikt werd. Als gevolg hiervan heeft SBS6 een deel van haar programma gewijzigd om het streefpercentage in 1999 en 2000 te kunnen halen. In vergelijking met de voorafgaande referentieperiode is het percentage Europese producties gestegen. Scandinavian Broadcasting B.V. is in 1999 begonnen uit te zenden op Net5. Voor een nieuw kanaal is het moeilijk om de streefpercentages te halen. In vergelijking met 1999 is in 2000 het percentage Europese producties gestegen.

Veronica RTV Beheer BV (thans: Yorin TV BV) verdedigde het feit dat het verplichte percentage voor Veronica in 1999 en 2000 niet gehaald is als volgt: Veronica heeft in 1999 en 2000 zijn programmering overdag voor telewinkelen bestemd. Het kanaal is ervan overtuigd dat dit percentage de komende jaren opnieuw zal stijgen, gezien het feit dat het meer Europese tv-fictie heeft aangekocht.

UPC heeft in 1999 en 2000 een aantal nieuwe zenders in bedrijf genomen. Deze kanalen zenden in verscheidene landen uit. Film1 ondervindt moeilijkheden bij het verwerven van Europese films. Bovendien zijn de rechten niet in alle landen toegekend, waar dit kanaal uitzendt. Innergy is een kanaal dat zich richt op alternatieve leefstijlen. Er zijn op dit terrein niet voldoende Europese producties beschikbaar.

2. Onafhankelijke producenten

NM staat voor "niet-meetbaar": het is moeilijk om de herkomst van deze videoclips te achterhalen, d.w.z. de zetel van de productiemaatschappij.

3. Recente producties

Film1 is een filmkanaal dat films uit de periode 1950-1990 uitzendt en daarom niet het streefpercentage voor recente producties haalt.

C. Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Met het oog op een efficiënte en optimale rapportage heeft het Commissariaat voor de Media (de voor de media verantwoordelijke Nederlandse instantie) richtsnoeren vastgelegd voor (de opgave van) Europese quota's, die op 1 januari 2002 van kracht zijn geworden.

D. Overige opmerkingen

Canal + Nederland BV heeft overeenkomstig artikel 52k, zesde lid, van het Mediabesluit van het Commissariaat voor de Media voor de jaren 1999 en 2000 een tijdelijke ontheffing verkregen. Gedurende deze beide jaren moet het percentage Europese producties tenminste 25 % bedragen.

Film1, Club, Avante, Innergy en Expo 24x7 zijn respectievelijk begonnen uit te zenden in mei 1999, oktober 1999, december 1999, mei 2000 en juni 2000.

Filmtime is een pay-per-view kanaal, dat overeenkomstig artikel 53b van het Mediabesluit van het Commissariaat voor de Media een tijdelijke vrijstelling heeft verkregen. Filmtime is in mei 2000 begonnen uit te zenden.

De 12 regionale publieke omroepen hebben meegedeeld dat zij hun verplichtingen nakomen. De programma's van deze omroepen zijn voornamelijk gewijd aan teletekst, informatie en sport. Dit betekent dat de zendtijd waarover zij verslag moeten uitbrengen, slechts enkele minuten per dag bedraagt. Deze zendtijd is gereserveerd voor programma's die bestemd zijn voor een regionaal kijkerspubliek en vervaardigd zijn door de omroep zelf of door een Nederlandse onafhankelijke producent.

PORTUGAL

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

Tabel 1 : Publieke omroeporganisatie (RTP)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel 2: Particuliere omroepen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel 3: Gewogen gemiddelden van uitzendingen van Europese producties, onafhankelijke producties en recente producties per omroep

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-nakoming

1. Europese producties

Zie hieronder

2. Onafhankelijke producenten

Zie hieronder

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Maatregelen die getroffen of gepland zijn om de in de richtlijn vastgelegde percentages te bereiken (TVI en Sport Tv Portugal). Zoals hierboven is aangegeven, hebben van de onder Portugese bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties gedurende de betrokken periode alleen TVI-Televisão Independente, SA (wat betreft Europese producties) en Sport Tv Portugal, SA (wat betreft onafhankelijke en recente producties) niet voldaan aan de in de artikelen 4 en 5 van de richtlijn TZG neergelegde doelstellingen inzake programmering . Ook een van de door de omroep SIC-Sociedade Independente de Comunicação geëploiteerde kanalen haalde de in artikel 4 van de richtlijn TZG voorgeschreven percentages niet, hoewel deze over het geheel genomen grotendeels overeenkomstig de communautaire regels door dezelfde exploitant werden nagekomen. De Portugese autoriteiten hebben de exploitanten, en in het bijzonder TVI, er opnieuw op gewezen dat zij al het mogelijke in het werk moeten stellen om het percentage uitgezonden Europese producties beter in overeenstemming te brengen met de in de richtlijn TZG neergelegde doelstellingen. Dit doel is weliswaar nog niet verwerkelijkt, maar beklemtoond dient te worden dat er duidelijke vooruitgang geboekt is. Dezelfde waarschuwing werd gericht aan Sport Tv Portugal, SA in verband met onafhankelijke en recente producties, hoewel toegegeven dient te worden dat er goede redenen voor bestaan dat met name deze exploitant moeilijkheden ondervindt bij het naleven van de in artikel 4 van de richtlijn vastgelegde percentages. D) Overige opmerkingen Er dient op te worden gewezen dat artikel 38 van de Portugese televiewet (goedgekeurd bij Wet nr.31-A/98 van 14 juli 1998) strengere regels bepaalt dan artikel 5 van de richtlijn wat betreft de uitzending van onafhankelijke en recente producties, aangezien op grond hiervan exploitanten verplicht worden "om - met uitzondering van de voor nieuws, sport, spelletjes, reclame, telewinkelen en teletekst bestemde zendtijd - minstens een tiende van hun zendtijd te wijden aan Europese producties van producenten die onafhankelijk zijn van televisie-omroeporganisaties" en eveneens dat deze producties "gedurende de afgelopen vijf jaar zijn vervaardigd" [74] RTP-Radiotelevisão Portuguesa, SA In de periode 1999-2000 heeft net zoals tijdens de voorafgaande jaren deze publieke televisie-omroeporganisatie de in de artikelen 4 en 5 van de richtlijn neergelegde doelstellingen inzake programmering volledig nageleefd. Het onderhavige verslag bevat voor de eerste maal gegevens betreffende de zender RTP-África, die in januari 1998 begonnen is regelmatig uit te zenden en oorspronkelijk als satellietkanaal bedoeld was voor enige voormalige Portugese koloniën (Angola, Kaapverdië, Guinée-Bissau, Mozambique en São Tomé en Principe); de uitzendingen ervan kunnen echter ook per kabel en satelliet op Portugees grondgebied worden ontvangen. SIC-Sociedade Independente de Comunicação, SA Wat de uitzending van onafhankelijke en recente producties aangaat, heeft de exploitant SIC-Sociedade Independente de Comunicação SA percentages bereikt die duidelijk hoger liggen dan de in artikel 5 van de richtlijn TZG voorgeschreven percentages, zowel in 1999 (toen de exploitant slechts de zender met een totaalpakket «SIC» bezat) als in 2000 (toen hij daarnaast de kanalen met een totaalpakket "SIC Internacional» en «Sic Gold» in bedrijf nam, die in respectievelijk januari en juni regelmatig begonnen uit te zenden). Wat betreft de uitzending van Europese producties, heeft SIC in 1999 de in artikel 4 van de richtlijn neergelegde doelstellingen niet nageleefd, hoewel het door de omroep bereikte percentage zich gedurende deze periode dichtbij het in de communautaire bepaling voorgeschreven aandeel bevond. In 2000 lag het cijfer voor Europese producties - berekend voor de omroep SIC in totaal - op ongeveer 70 % [75]; hiermee was ruimschoots voldaan aan de desbetreffende communautaire doelstellingen. TVI-Televisão Independente, SA TVI heeft in 1999 en 2000 hogere percentages bereikt dan de in artikel 5 van de richtlijn TZG voorgeschreven drempel, hoewel de zender niet de in artikel 4 vastgelegde percentages heeft gehaald. Toch is het van belang erop te wijzen dat sinds het jaar waarin de exploitant met zijn omroepactiviteiten is begonnen (1993), hij het percentage uitgezonden Europese producties aanhoudend en regelmatig heeft verhoogd en daarmee derhalve voldoet aan de verplichting om het nagestreefde aandeel geleidelijk te bereiken overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de richtlijn TZG. Zoals reeds in eerdere verslagen werd geconstateerd, hebben onder meer de volgende factoren de naleving van de communautaire normen in de weg gestaan: TVI was de laatste aardse zender die begon uit te zenden. Dit heeft natuurlijk gevolgen gehad voor het doordringen op de markt en deze situatie werd nog verergerd door de betrekkelijk geringe omvang van en de negatieve ontwikkeling van de nationale reclamemarkt, de kwetsbaarheid van de nationale televisieproductiesector en door een uitgesproken onevenwichtige financiële situatie, waarin pas onlangs enige verbetering is opgetreden. Toch dient er de aandacht op te worden gevestigd dat er duidelijke aanwijzingen zijn die erop duiden dat deze exploitant tijdens de komende jaren zal beginnen te voldoen aan de doelstellingen van artikel 4 van de richtlijn. SPORT TV Portugal, SA De omroep Sport Tv Portugal, SA exploiteert sinds eind 1998 het sportkanaal "Sport Tv" met voorwaardelijke toegang, dat per kabel en satelliet wordt uitgezonden. Ondanks het feit dat "Sport Tv" vanwege zijn thematische opzet bij voorkeur sportevenementen uitzendt - die in beginsel uitgezonderd zijn van de quotaregeling - wordt erop gewezen dat de zender niet alleen maar dit soort programma's uitzendt. Overeenkomstig de uitgangspunten van de richtlijn werd het resterende gedeelte van het programma-aanbod onderzocht om te kunnen vaststellen welk deel ervan uit Europese producties bestond. De aan de hand van deze werkwijze verkregen bevindingen zijn opgenomen in tabel 2. De communautaire doelstellingen worden door de betrokken exploitant alleen met betrekking tot de uitzending van onafhankelijke en recente producties niet nagekomen. De bereikte percentages zijn evenwel niet te verwaarlozen wanneer bedacht wordt dat het hier om een nieuw kanaal gaat dat thematisch van opzet is en dat het moeilijk is om de verplichte percentages op dit terrein te bereiken.

[74] ) Zie artikel 38 van Wet nr. 31-A/98, die is gepubliceerd in de Diário da República (staatsblad) nr. 160/98 (bijlage), reeks I-A, van 14 juli 1998, blz. 3384(2)-3384(13)

[75] ) Zie in de bijlage tabel nr. 3, waarin de gewogen gemiddelden van iedere exploitant in de periode 1999-2000 worden aangegeven

FINLAND

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Toelichting ontbreekt.

2. Onafhankelijke producenten

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Toelichting ontbreekt.

D) Overige opmerkingen

Toelichting ontbreekt.

ZWEDEN

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

TV 3 AB

Hoge kosten verbonden aan de vervaardiging van eigen programma's. Aanpassing van het aanbod aan de vraag van de televisiekijkers. Amerikaanse producties goedkoper dan Zweedse en Europese.

TV 5 B:

Gelet op de verhouding tussen budget en classificatie ligt het aandeel aanzienlijk hoger.

TV 1000

Het gebrek aan Europese fims van goede kwaliteit vertraagt de verwezenlijking van de doelstelling,

Cinema/TV 1000 AB:

Het gebrek aan Europese fims van goede kwaliteit vertraagt de verwezenlijking van de doelstelling,

ZTV:

Het kanaal is in muziek gespecialiseerd en richt zich op het internationale aanbod en de vraag naar muziekvideo's.

6(logotype):

Het tekort aan recente producties is het resultaat van een betrekkelijk laag aantal kijkers en een daaruit voortvloeiende geringe omzet.

Kiosk:

Betaaltelevisie.

CineCinemas:

Het bedrijfsconcept is niet te verenigen met percentages.

DTU 7:

Regionale uitzendingen uit Iran via digitale kanalen.

2. Onafhankelijke producenten

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

TV 3 AB:

Streeft op grond van economische criteria naar een zo groot mogelijk aandeel van eigen producties.

TV 5 AB:

In 2000 uitbreiding van de aankoop van Europese programma's.

TV 1000:

Is op zoek naar Europese producties van goede kwaliteit.

Cinema/TV 1000 AB:

Is op zoek naar Europese producties van goede kwaliteit.

Z TV:

Moedigt Europese kunstenaars aan om muziekvideo's van hoge kwaliteit te vervaardigen.

DTU 7:

Is voornemens om in 2001 Zweedstalige programma's te vervaardigen en Europese programma's uit te zenden.

D) Overige opmerkingen

Toelichting ontbreekt.

VERENIGD KONINKRIJK

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

n.i.b.= niet in bedrijf - n.b.= niet-beschikbaar

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

a) Thematische opzet van het kanaal:-

Bet International, CNBC, Disney Channel UK, Playboy TV, Revival Channel

b) Begindatum van het kanaal: Channel Health, God Channel, V+ Norway

c) Uitzendingen vallen niet onder de richtlijn of zijn hoofdzakelijk in niet-Europese talen. De programma's in talen van de EU zijn voornamelijk buiten de EU vervaardigd:-

Arab News Network, Asianet, Auction Channel, BET International, B4U Movies, BBC Parliament, Bid-Up TV, Bloomberg Information Television, Chinese Channel, CNBC, CNN International, Cultural Television, HBO, Home Shopping Network, Ideal World Home Shopping, ITN News Channel, JSTV, Lashkara, Media Shop Television, Middle East Broadcasting Centre, The Money Channel, Muslim Television Ahmadiyya, NovaShop, NovaShop 2, Pakistani Channel, Phoenix Chinese New and Entertainment Channel, Q24, Quantum Channel, QVC Shopping Channel, Racing Channel, Satellite Information Services Racing Facts, Sat-7, Sell-a-Vision Shopping, Setanta Sport, Shop!, Shop America, Simply Money, SIS Racing Facts, Sony Television Entertainment Asia, Supershop, TESUG TV, TV Land, TV Shop, TV Shop Sport, Whats in Store, Whats in Store 2, Wizja TV, Zee TV, Zee Cinema, Zee Music, Zee Bangla.

d) Problemen bij het vinden van Europese programma's of van Europese programma's tegen concurrerende prijzen:-

Bravo, Cartoon Network, Front Row (m.i.v. Barker Channel), Front Row (m.u.v. Barker Channel), The History Channel, Kanal 5, Living, National Geographic, Nickelodeon Nordic, Playboy TV, Sci-Fi Channel, Sky 1, Television X, Trouble, TV+ Denmark, TV+ Norway, TV+ Sweden, VT4

e) Dochterondernemingen van maatschappijen uit derde landen; uitgezonden programma's grotendeels afkomstig uit het aanbod van deze maatschappijen:-

Cartoon Network services, Fox Kids UK, Fox Kids Scandinavia, Paramount Comedy Channel, Turner Classic Movies services

2. Onafhankelijke producenten

Dating Channel zendt alleen maar videoprofielen uit, maar is voornemens in plaats daarvan over te stappen op eigen producties.

75% van de uitzendingen van GSB Men et Motors/Breeze zijn afkomstig van Granada Television.

Nickelodeon Nordic ondervindt moeilijkheden bij het verwerven van lokaal geproduceerde programma's.

Playboy UK heeft te maken gehad met organisatorische veranderingen en met problemen van budgettaire aard en in verband met het handelsmerk.

TV3 Norway heeft moeilijkheden ondervonden als gevolg van het geringe aantal kijkers in Noorwegen, waardoor de vervaardiging van programma's duurder is dan in de andere Scandinavische regio's en er meer kosten moeten worden gemaakt om een veel kleiner kijkerspubliek te bereiken.

3. Recente producties

BBC-programma's worden over het algemeen binnen vijf jaar na vervaardiging uitgezonden; daarom zijn de gegevens niet verder uitgesplitst.

GSB Granada Plus, Landscape Channel en UK Drama zenden programma's vaak herhaaldelijk uit.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Bravo hoopt als gevolg van groeiende kijkcijfers meer te kunnen investeren et Viasett hoopt in toenemende mate een groter aantal economisch rendabele producties uit de EG te bieden.

Cartoon Network heeft een aantal overeenkomsten voor coproductie met Frankrijk en Duitsland gesloten. Verder zijn middelen geïnvesteerd in nieuwe programma's, met name in een talentenjacht ter stimulering van nieuw talent in het Verenigd Koninkrijk en de rest van Europa. Er wordt voordurend gestreefd naar een toename van het aandeel van Europese producties.

Disney Channel UK heeft onlangs een groot scala van Europese onafhankelijke programma's verworven, dat het gedurende 2001 wil gaan uitzenden.

Fox Kids UK en Scandinavia onderwerpen hun programma-aanbod aan een ingrijpende herziening, maar zij hebben toegezegd plaats in te ruimen voor nieuwe eigen en Europese producties. Nickelodeon UK, Playboy UK en Trouble hebben eveneens meegedeeld dat zij plannen hebben voor de uitzending van in de EG vervaardigde programma's in 2001. Nickelodeon Nordic zet zich in voor amusementsprogramma's voor kinderen van zeer goede kwaliteit en hoopt de Europese inhoud te vermeerderen.

Sci-Fi Channel heeft een langlopende show besteld, die gepland is voor eind 2002.

Sky One streeft naar een programmering van zeer goed kwaliteit die meer gaat kosten en en met name tv-films en komische series omvat.

Bij History Channel en National Geographic gaan de cijfers in 2001 omhoog.

D) Overige opmerkingen

Toelichting ontbreekt.

III. SAMENVATTING VAN DE VERSLAGEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE VRIJHANDELSASSOCIATIE DIE DEEL UITMAKEN VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

IJSLAND

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

RUV : The Icelandic National Broadcasting Service -1

ITC : Icelandic Television Company- Screen One (Skjar 1)

NLC : Northern Light Communications (3 kanalen)

-Channel 2 (Stö)

-Vision (Syn)

-The Film Channel (Biorasin)

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

Toelichting ontbreekt.

2. Onafhankelijke producenten

Toelichting ontbreekt.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

Toelichting ontbreekt.

D) Overige opmerkingen

Toelichting ontbreekt.

NOORWEGEN

A) Statistisch overzicht

1. Overzichtstabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Percentages

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) Door de lidstaat opgegeven redenen voor niet-naleving

1. Europese producties

TV Norge Ltd. Heeft geen geldige redenen aangevoerd voor de niet-naleving van het voor Europese producties verplichte aandeel.

2. Onafhankelijke producenten

Het vereiste percentage onafhankeljke producties is niet bereikt door de kanalen NRK 2 en NRK International van NRK 2, hoewel de marge gering is.

C) Door de lidstaat getroffen of overwogen maatregelen

De toezichthoudende instantie voor de audiovisuele media heeft TV Norge Ltd in gebreke gesteld in verband met niet-naleving van de uit de Noorse omroepwet voortvloeiende verplichtingen. Voorts heeft zij de omroep NRK Ltd verzocht het aandeel van onafhankelijke producties te vermeerderen.

D) Overige opmerkingen

Toelichting ontbreekt.

IV. BIJLAGEN

BIJLAGE 1 Resumé van de televisiekanalen van de lidstaten van de Europese Unie die niet het grootste gedeelte van hun zendtijd aan Europese producties hebben gewijd en/of minimaal 10 % aan door onafhankelijke producenten vervaardigde Europese producties hebben gewijd

A) EUROPESE PRODUCTIES

Status categorie

PA = particulier kanaal AL = algemeen P = grootste gedeelte bereikt

PU = publiek kanaal TH = thematisch x= grootste gedeelte niet bereikt

BE = betaalkanaal LA = niet-communautaire-taal- - = niet-meegedeelde gegevens

BA = kanaal dat deel uitmaakt n.i.b. = niet in bedrijf

van basisdienst van kabelnet

of van satellietdienst

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B) EUROPESE PRODUCTIES VAN ONAFHANKELIJKE PRODUCENTEN

Status : Categorie:

PA=particulier kanaal AL=algemeen P = minimumdrempel van 10 % bereikt

PU=publiek kanaal TH = thematisch x=minimumdrempel van 10 % bereikt

BE= betaalkanaal TA= niet-communautaire taal- - = niet-meegedeelde gegevens

BA=kanaal dat deel uitmaakt van n.i.b. = niet in bedrijf

basisdienst van kabelnet

of van satellietdienst

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE 2 Gehanteerde parameters voor de berekening van de gemiddelde voor Europese producties gereserveerde zendtijd door de kanalen van de lidstaten van de Europese Unie (rekening houdend met de kijkers) - artikel 4 van de richtlijn "Televisie zonder grenzen".

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top