Help Print this page 
Title and reference
Verslag van de Commissie - Tussentijds verslag van de Europese Commissie over het begin van de praktische uitvoering van de tweede fase van het Leonardo da Vinci-programma (2000-2006)

/* COM/2002/0315 def. */
Languages and formats available
Multilingual display
Text

52002DC0315

Verslag van de Commissie - Tussentijds verslag van de Europese Commissie over het begin van de praktische uitvoering van de tweede fase van het Leonardo da Vinci-programma (2000-2006) /* COM/2002/0315 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE - Tussentijds verslag van de Europese Commissie over het begin van de praktische uitvoering van de tweede fase van het Leonardo da Vinci-programma (2000-2006)

VERSLAG VAN DE COMMISSIE

Tussentijds verslag van de Europese Commissie over het begin van de praktische uitvoering van de tweede fase van het Leonardo da Vinci-programma (2000-2006)

INHOUDSOPGAVE

1. Van Leonardo I tot Leonardo II

2. Het beleidskader

2.1. Algemene strategie

2.2. Complementariteit tussen de beleidsonderdelen

3. Beheersorganisatie en -procedures

3.1. Beheersorganisatie

3.2. Werking van het programmabeheer

4. Activiteiten 2000 en 2001

4.1. Procedure A: Mobiliteitsprojecten

4.2. Procedure B: Proefprojecten, talenkennis, transnationale netwerken

4.3. Procedure C: Referentiemateriaal, thematische acties, gezamenlijke acties

4.4. Het Euroguidance-netwerk

4.5. Deelname aan de projecten en doelgroepen

4.5.1. Deelname van het bedrijfsleven, met name het MKB

4.5.2. Gelijke kansen voor mannen en vrouwen

4.5.3. Deelname van de kandidaat-lidstaten

5. Follow-up van de projecten

5.1. Toezicht op de lopende projecten

5.2. Verspreiding van de resultaten van Leonardo da Vinci-projecten

5.3. Valorisatie van de output van Leonardo da Vinci-projecten

6. Conclusie en verdere stappen

Bijlagen

Inleiding

Leonardo da Vinci is het communautair actieprogramma voor de uitvoering van een beroepsopleidingsbeleid in Europa. Het is gericht op de verbetering, de vernieuwing en de ontwikkeling van de Europese dimensie van de beroepsopleidingsstelsels en -praktijken, en vormt een belangrijk instrument voor de tenuitvoerlegging van levenslang leren op Europees niveau.

Wegens de betekenis van dit programma hebben alle belanghebbenden afgesproken in een vroeg stadium de uitvoeringsplannen te bestuderen. Daarom wordt de Commissie in artikel 13, lid 5, van het besluit van de Raad van 1999 verzocht aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "op 30 juni 2002 een eerste tussentijds verslag over de eerste praktische uitvoering van het programma voor te leggen". Met dit verslag wordt aan dit verzoek voldaan.

De hier toegepaste methodologie is die van een analyse van de in de eerste twee jaar van het programma door de belanghebbenden ondernomen werkzaamheden. Dit activiteitenverslag is geen evaluatie van de efficiëntie, doeltreffendheid en impact, omdat het daarvoor te vroeg is. Veeleer dient het als grondslag voor de komende evaluaties van het programma. Dit verslag is gebaseerd op bij de Commissie beschikbare bronnen en op materiaal dat door enkele van de deelnemende landen is verstrekt.

1. Van Leonardo I tot Leonardo II

De tweede fase van Leonardo da Vinci bouwt voort op de ervaringen die met de eerste fase, die liep van 1995 tot 1999, zijn opgedaan. De vaststelling van de tweede fase van het programma werd aangegrepen om veel van de structurele tekortkomingen in het verleden te verhelpen:

* Het aantal doelstellingen van het programma werd teruggebracht van 19 tot 3;

* Het aantal maatregelen van het programma werd teruggebracht van 23 tot 5;

* Aan twee van de vijf maatregelen is duidelijk prioriteit toegekend: mobiliteitsmaatregelen (39% van de begroting) en proefprojecten (36% van de totale begroting);

* De totale begroting is verhoogd van 620 miljoen euro voor 1995-1999 tot 1.150 miljoen euro voor 2000-2006;

* Het programma financiert nu minder projecten met een groter potentieel effect;

* De oproepen tot het indienen van voorstellen gelden nu voor meer dan één jaar (in plaats van voor één jaar) teneinde de betrouwbaarheid en voorspelbaarheid voor de potentiële gebruikers te vergroten;

* Er is een procedure in twee stappen ingevoerd (voorontwerpen, gevolgd door definitieve voorstellen) teneinde de procedure gebruikersvriendelijker en doorzichtiger te maken.

2. Het beleidskader

2.1. Algemene strategie

Het Leonardo da Vinci-programma bevordert samenwerking op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding teneinde levenslang leren aan te moedigen. De algemene koers en opzet van het programma zijn gebaseerd op artikel 150 van het Verdrag, de belangrijkste rechtsgrond van het besluit tot vaststelling van de tweede fase van het programma. Dit artikel draagt de Europese Gemeenschap op inzake beroepsopleiding een beleid ten uitvoer te leggen waardoor de activiteiten van de lidstaten worden versterkt en aangevuld, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding.

In dit verband zijn de drie belangrijkste doelstellingen van het Leonardo da Vinci-programma:

1. vergroting van de vaardigheden en de bekwaamheden van met name jongeren tijdens de initiële beroepsopleiding;

2. verbetering van de kwaliteit van en verruiming van de toegang tot permanente beroepsopleiding, en

3. bevordering en versterking van de bijdrage van de beroepsopleiding tot het vernieuwingsproces.

Om ervoor te zorgen dat de indieners van voorstellen met deze doelstellingen beter uit de voeten kunnen, heeft de Commissie met de hulp van het programmacomité voor de eerste oproep tot het indienen van voorstellen zes prioriteiten vastgesteld:

* Prioriteit 1 - Inzetbaarheid

* Prioriteit 2 - Partnerschappen tussen opleidingsinstellingen en ondernemingen

* Prioriteit 3 - Maatschappelijke integratie van mensen met een zwakke arbeidsmarktpositie

* Prioriteit 4 - Aanpassingsvermogen en ondernemerschap

* Prioriteit 5 - Informatie- en communicatietechnologieën (ICT)

* Prioriteit 6 - Transparantie van de kwalificaties.

In tegenstelling tot de eerste fase van het programma wordt in de tweede fase duidelijk gerefereerd aan levenslang leren als transversale doelstelling. Het programma is gericht op al degenen die een beroepsopleiding volgen, ongeacht hun leeftijd of beroepscategorie. Het bevat elementen, zoals de gezamenlijke acties met de programma's "Onderwijs" en "Jeugd", die een brug moeten slaan tussen opleiding en gerelateerde beleidsterreinen.

De staatshoofden en regeringsleiders hebben op de Europese Raad van Lissabon in maart 2000 de rol van levenslang leren in de uitbouw van Europa tot de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld bevestigd. Na de raadpleging op Europees niveau, waaraan 12.000 deskundigen en burgers hebben deelgenomen, heeft de Commissie in november 2001 de mededeling "Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren" goedgekeurd (COM(2001) 678 definitief.). Daarin worden zes actieprioriteiten voor uitvoering op alle niveaus vastgesteld. Het document behelst ook een beleidskader voor de ontwikkeling van het onderwijs en de beroepsopleiding in Europa, alsmede de belangrijkste elementen voor coherente en integrale strategieën voor levenslang leren op nationaal niveau.

In de toekomst zal levenslang leren het leidende beginsel vormen voor alle activiteiten in het kader van het programma. De Commissie zal het programma gebruiken als het belangrijkste instrument voor de tenuitvoerlegging van haar strategie voor levenslang leren. Van de zes actieprioriteiten die in de mededeling van de Commissie "Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren" [COM(2001) 678 definitief.] werden voorgesteld, werden er door de Commissie, in samenwerking met het programmacomité, drie gekozen voor de volgende oproep tot het indienen van voorstellen voor 2003 en 2004, aangezien deze in de eerste plaats bedoeld zijn ter ondersteuning van de uitvoering op Europees niveau. Alle uit hoofde van het programma ingediende voorstellen moeten daarom betrekking hebben op een van de volgende prioriteiten:

* Leren waarderen: de voorstellen kunnen bijdragen tot de vaststelling, beoordeling en erkenning van het leren in niet-formele en informele settings, alsmede tot de overdracht en wederzijdse erkenning van officiële getuigschriften en diploma's;

* Nieuwe vormen van leren en onderwijzen en basisvaardigheden in beroepsonderwijs en -opleiding: de voorstellen kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van nieuwe leermethoden voor de verbetering van de basisvaardigheden, onder andere de elementaire vaardigheden (bv. leren leren), de nieuwe vaardigheden (bv. ICT) en mobiliteitsvaardigheden (bv. vreemde talen);

* Studie- en beroepskeuzebegeleiding: de voorstellen kunnen bijdragen tot verbetering van de Europese dimensie van de studie- en beroepskeuzebegeleiding door de uitwisseling van ervaringen en normen.

Doordat de prioriteiten van zes tot drie zijn teruggebracht, zal het programma aan duidelijkheid winnen, zulks in het voordeel van de gebruikers. Het is niet de bedoeling de bestaande drie doelstellingen van het programma te vervangen, maar deze met het oog op levenslang leren werkbaar te maken. Deze rationalisatie zal het programma in zoverre ten goede komen dat het nog beter in staat is effect te sorteren en een toegevoegde Europese waarde te creëren.

2.2. Complementariteit tussen de beleidsonderdelen

Een van de zwakke punten van de eerste programmafase (1995-99) was, zo werd algemeen erkend, het gebrek aan complementariteit met andere gerelateerde beleidsterreinen. Daarom heeft de Commissie een meer strategische en systematische aanpak ontwikkeld om samenwerking met andere communautaire programma's te waarborgen. Concreet zal deze samenwerking resulteren in een grotere zichtbaarheid van Leonardo da Vinci in de beleidsontwikkeling van andere diensten van de Commissie.

In het voorstel voor het zesde kaderprogramma voor onderzoek van de EU voor 2002 tot 2006 is levenslang leren als een van de onderzoeksprioriteiten aangemerkt onder het thema "Burgers en governance in een kennismaatschappij". Deze benadering zal de complementariteit tussen Leonardo da Vinci en het nieuwe onderzoekprogramma op strategisch en projectniveau vergroten.

De complementariteit tussen Leonardo da Vinci enerzijds en de Europese werkgelegenheidsstrategie en het Europees Sociaal Fonds (ESF) anderzijds is essentieel omdat deze laatste bijdragen tot de ontwikkeling van het potentieel van de human resources in Europa. In een door de Commissie in november 2001 aan het programmacomité voorgelegd document wordt een algemene aanpak geschetst en worden een aantal concrete acties voorgesteld om de complementariteit tussen Leonardo da Vinci en het ESF te verbeteren. Het beoogt mogelijke dubbelfinancieringen te verminderen en biedt de mogelijkheid de resultaten van Leonardo da Vinci bij de uitvoering van het ESF aan te wenden. Hetzelfde document werd ook aan het ESF-Comité voorgelegd en in maart door dit comité besproken.

In de nabije toekomst zal de Commissie de samenwerking met gerelateerde beleidsterreinen versterken, zoals in de mededeling over levenslang leren wordt voorgesteld.

3. Beheersorganisatie en -procedures

Volgens het eindverslag over de eerste programmafase (1995-99) was het programmabeheer een van de belangrijkste zwakke punten. Om dit te corrigeren wordt de rol van de nationale structuren - de nationale agentschappen - bij het besluit van de Raad versterkt zoals aangegeven in artikel 5 en bijlage III. Het takenpakket van de nationale agentschappen is omvangrijk: zij spelen een belangrijke rol gedurende de hele looptijd van de projecten, gaande van het geven van advies via de selectie van en het toezicht op de uitvoering van de projecten tot de betaling van het laatste saldo van het project.

3.1. Beheersorganisatie

Uit het oogpunt van het beheer van het programma heeft de driehoek tussen Commissie, nationale autoriteiten en nationale agentschappen het partnerschap tussen deze drie actoren versterkt. Na besprekingen tussen de Commissie en de lidstaten heeft de Commissie een besluit goedgekeurd over de "Bepalingen met betrekking tot de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie ten aanzien van de nationale agentschappen voor Leonardo da Vinci" (C(2000) 402 definitief. van 18.02.2000), waarbij ervoor gezorgd wordt dat er duidelijke richtsnoeren en regels worden opgesteld en de verantwoordelijkheden duidelijk worden afgebakend.

* De rol van de Europese Commissie

De Commissie draagt zorg voor de uitvoering van het programma in overeenstemming met het besluit van de Raad.

Om deze taak doeltreffend en efficiënt te kunnen vervullen is de interne organisatie van de verantwoordelijke dienst van de Commissie aangepast aan de behoeften van het programma.

De Commissie heeft via een openbare aanbesteding een bureau voor technische bijstand aangetrokken. In tegenstelling tot de eerste programmafase verleent dit bureau bijstand voor de drie programma's Leonardo da Vinci, Socrates en Jeugd. Dit is een positieve rationalisatie van de technische bijstand op communautair niveau. Het Bureau voor technische bijstand voert de organisatorische en secretariële taken uit in verband met de beoordeling van de voorstellen, alsmede ondersteunende taken op een aantal onderdelen (toezicht op de projecten, organisatie van vergaderingen, opstelling van contracten,) die nodig zijn voor een soepel verloop van het programma op communautair niveau.

* De rol van het Leonardo da Vinci-comité

De rol van het programmacomité is de Commissie bij te staan bij de uitvoering van het programma. Het is samengesteld uit twee vertegenwoordigers per lidstaat en wordt voorgezeten door de Commissie. Er zijn ook vertegenwoordigers aanwezig van de kandidaat-lidstaten die aan het programma deelnemen. Vertegenwoordigers van de sociale partners op nationaal en Europees niveau nemen als waarnemer in het comité deel.

Het comité was en blijft volledig betrokken bij de relevante besluiten die ter uitvoering van het programma genomen moeten worden.

Sinds medio 2001 is, ingevolge de strikte uitvoering van het comitologiebesluit van de Raad (1999/468/EG) en de daaropvolgende overeenkomst met het Europees Parlement, dit laatste volledig ingelicht over alle activiteiten met betrekking tot het beheer van het programma: alle door de Commissie aan het programmacomité voorgelegde documenten zijn aan het EP toegestuurd en tussen een advies van het comité en het desbetreffende besluit van de Commissie is een bedenktijd van vier weken ingevoerd.

* De rol van de nationale autoriteiten

In lijn met de toegenomen decentralisatie in het beheer van het programma is de rol van de nationale autoriteiten versterkt ten opzichte van de eerste programmafase.

Overeenkomstig het besluit van de Commissie van 18 februari 2000 [C(2000) 402 def.] zijn de nationale autoriteiten op de gebieden waarop zij bevoegd zijn, thans verantwoordelijk voor de coördinatie, het geïntegreerd beheer en de follow-up voor het verwezenlijken van de doelstellingen van het programma. Daarbij betrekken zij alle partijen die met beroepsopleiding te maken hebben. Zij moeten er ook voor zorgen dat het publiek relevante voorlichting over het programma krijgt, en zij nemen ook maatregelen om belemmeringen voor de toegang tot dit programma uit de weg te ruimen. In het algemeen nemen zij de nodige maatregelen om te zorgen voor een efficiënt verloop van het programma op nationaal niveau.

* De rol van de nationale agentschappen

Ingevolge de decentralisatie van het beheer beheren de nationale agentschappen ongeveer 83% van de begroting van het programma. Hun specifieke taken, die zich niet beperken tot louter administratieve werkzaamheden, omvatten:

- de organisatie en publicatie van voorlichting over de oproepen tot het indienen van voorstellen;

- de organisatie van de beoordeling van de voorstellen voor de procedures A en B, en van de selectie van de projecten van procedure A;

- de voorbereiding, de afhandeling, het toezicht, de controle en de liquidatie van de overeenkomsten met initiatiefnemers in het kader van de gedecentraliseerde acties/maatregelen van het programma;

- de voorlichting en advisering van de deelnemers aan het programma en de verspreiding van de resultaten van de projecten.

3.2. Werking van het programmabeheer

Bij de uitvoering van de tweede fase ligt het accent op rationalisatie van de beheersstructuur en vereenvoudiging en versnelling van de procedures. De bevindingen van de nationale eindevaluaties en de externe evaluatie van het eerste programmafase (1995-1999) wezen allemaal op de ingewikkelde beheersprocedures die de vlotte werking van het programma in het verleden in de weg hadden gestaan. In haar eindverslag over deze eerste fase onderschreef de Commissie deze conclusie en stelde zij diverse maatregelen voor om de procedures te verbeteren.

* Wisselwerking tussen de beheersstructuren

Tijdens de overgang van de eerste naar de tweede programmafase werkten de Commissie en de nationale autoriteiten samen aan de opzet van de noodzakelijke beheersorganisatie. De lidstaten kozen de nationale beheersstructuren en informeerden het publiek over het programma. Met de hulp van het programmacomité publiceerde de Commissie de oproep tot het indienen van voorstellen met de zes prioriteiten. Ook zorgden de Commissie en het programmacomité voor de gebruikersvriendelijkheid van de richtsnoeren voor initiatiefnemers en de internetpresentatie.

Vooral de nationale agentschappen spelen een centrale rol in de uitvoering van grote delen van het programma. De nationale agentschappen werden in de eerste helft van 2000 in alle deelnemende landen opgericht. Deze structuren werden aangewezen door de respectieve nationale autoriteiten. Zij staan onder contract met de Commissie. Alle structuren zijn tijdig opgericht om de eerste aanvraagronde in 2000 soepel te kunnen organiseren.

De Commissie en de nationale autoriteiten zien nauwlettend toe op het functioneren van de nationale agentschappen. De nationale autoriteiten voeren binnen de structuren audits uit. De Commissie belegt regelmatig vergaderingen met vertegenwoordigers van de nationale agentschappen in Brussel om beheerskwesties van gemeenschappelijk belang te bespreken. Bovendien brengt personeel van de Commissie regelmatig bezoeken aan de structuren om hun functioneren te controleren. Controle van de nationale agentschappen vindt ook plaats via audits.

Tijdens de eerste twee jaar van uitvoering van de bepalingen inzake de nationale agentschappen groeiden zij geleidelijk in hun taak van kwalitatief en financieel beheer van het programma. De feedback was over het algemeen positief, met name met betrekking tot de consistentie van deze structuren met de richtsnoeren van de Gemeenschap. De problemen die zich in enkele gevallen met deze nieuwe structuren voordeden, zijn niet van invloed op het algemene beheer van het programma. Ook zij erop gewezen dat één belangrijk voordeel van het beheer door een netwerk van nationale agentschappen is dat, wanneer er zich in één land een probleem voordoet, dit geen negatief effect heeft op de initiatiefnemers/begunstigden in de andere deelnemende landen.

De nationale autoriteiten voldeden aan hun verplichting het publiek van meet af aan te informeren door de organisatie van openingsmanifestaties begin 2000 om het programma bij potentiële gebruikersgroepen bekend te maken. De Gemeenschap cofinancierde deze manifestaties, die een groot publiek trokken.

In 2002 zal een grondige evaluatie van de uitvoering van de bepalingen inzake de nationale agentschappen worden uitgevoerd, die betrekking zal hebben op Leonardo da Vinci, Socrates en Jeugd, zoals bepaald in de respectieve besluiten van de Commissie.

* Beheerskosten

De kosten voor het beheer van het programma ten laste van de Leonardo da Vinci-begroting bestaan uit de bijdrage in het functioneren van de nationale agentschappen en de administratieve uitgaven van de Commissie voor technische bijstand. Deze kosten waren als volgt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Met dit aandeel van 8,6% is het beheer efficiënter dan in de eerste programmafase (1995-99), toen het 10,0% bedroeg.

* Betalingen voor projecten

De buitensporige vertraging bij de betalingen aan projecten tijdens de eerste programmafase was een groot probleem. De Commissie erkende dit in haar eindverslag over de eerste programmafase. Om dit te verhelpen heeft de Commissie een aantal maatregelen genomen.

Om te beginnen verrichten de nationale agentschappen met de decentralisatie van het programmabeheer de betalingen voortaan rechtstreeks aan de initiatiefnemers van de projecten. Anders dan bij de centrale beheersstructuur tijdens de eerste fase het geval was, staan de nationale agentschappen dichter bij de projecten en beschikken zij over de nodige flexibiliteit bij de betalingen.

Ten tweede heeft de Commissie de door de interne hervorming van de Commissie noodzakelijk geworden gedecentraliseerde financiële beheersstructuur ingevoerd in die programmaonderdelen die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd. De betalingen worden afgehandeld door de eenheden die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het beheer van het programma.

* Vereenvoudiging van de procedures

In de eerste twee jaar van het programma stonden de vereenvoudiging en versnelling van de procedures ten gunste van de gebruikers centraal. In samenwerking met het programmacomité werden door de Commissie de volgende initiatieven genomen, gebaseerd op de feedback van de nationale agentschappen en de initiatiefnemers.

Begin 2000 al werden de formele subsidiabiliteitscriteria voor aanvragers gerationaliseerd. Enkele van de minder relevante criteria zijn duidelijkheidshalve geschrapt.

De Commissie heeft de lengte van de aanvraagformulieren tot een derde van die van de formulieren voor de eerste programmafase (1995-99) ingekort. De financiële en administratieve handleiding werd ook aanzienlijk gerationaliseerd ten opzichte van de eerste programmafase. De hoeveelheid gegevens die voor de projecten wordt verlangd, is tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt.

Bijgestaan door een groep van door de nationale autoriteiten aangewezen deskundigen, heeft de Commissie alle verslagleggings- en evaluatiedocumenten voor de verschillende activiteiten tijdens de looptijd van het project grondig herzien en vereenvoudigd en gerationaliseerd.

Er werden standaardformulieren opgesteld voor de opstelling van de tussentijdse en eindverslagen, die aan alle nationale agentschappen ter beschikking werden gesteld. Dit garandeert een geharmoniseerde en rationele aanpak van het projecttoezicht zonder het verloop van de projecten onnodig te verzwaren.

Een groot probleem was de verkorting van de tijd tussen de indiening van een voorstel en de uiteindelijke selectie ervan. In het besluit van de Raad werd de selectietermijn beperkt tot maximaal negen maanden. Op het ogenblik bedraagt de voor de behandeling en selectie van de aanvragen benodigde tijd gemiddeld zeven maanden. Voor mobiliteitsprojecten valt deze termijn zelfs nog gunstiger uit en ligt bij drie maanden.

4. Activiteiten 2000 en 2001

Een overzicht van de programma-activiteiten in termen van input (begroting ex post) en output (aantal ontvangers van een mobiliteitsbeurs en aantal projecten, totale financiering onderverdeeld naar deelnemend land) is opgenomen in de bijlagen 1 en 2.

4.1. Procedure A: Mobiliteitsprojecten

Het algemene doel van de mobiliteitsmaatregel is personen die een beroepsopleiding volgen, de financiële middelen te geven om in het kader van een mobiliteitsproject leer- of werkervaring op te doen in het buitenland. Dit is met 39% van de totale begroting het belangrijkste programmaonderdeel. Elk project betreft een aantal personen die binnen dezelfde doelgroep aan een mobiliteitsproject deelnemen.

Deze "gedecentraliseerde" procedure wordt op nationaal niveau beheerd met de hulp van de nationale agentschappen. Het algemene toezicht en de vaststelling van de specificaties ressorteert op Gemeenschapsniveau echter bij de Commissie en de lidstaten, die in het programmacomité samenwerken. De voorstellen voor mobiliteitsprojecten worden volgens de in de oproep tot het indienen van voorstellen vastgestelde regels ingediend door organisaties (geen individuen) rechtstreeks bij het nationaal agentschap in het land van de initiatiefnemer van het project. Namens de lidstaat selecteert het nationaal agentschap de projecten volgens op Gemeenschapsniveau vastgestelde voorschriften.

Overeenkomstig het besluit wijst de Commissie op basis van een aantal criteria globale jaarlijkse subsidies toe aan elk deelnemend land. De gedetailleerde toepassing van deze criteria werd op initiatief van de Commissie in het programmacomité vastgesteld. Thans geldt een betrouwbare en in onderling overleg afgesproken grondslag voor de toewijzing van de subsidies aan elk land.

In de twee verslagjaren is in totaal 141,2 miljoen euro aan EU-middelen toegewezen. Alles bij elkaar genomen zijn ongeveer 4.800 projecten geselecteerd, in het kader waarvan 75.500 individuele beurzen zijn toegekend voor een leer- of werkervaring in het buitenland. De cijfers betreffende de individuele beurzen kunnen als volgt worden onderverdeeld:

* ca. 35.500 beurzen voor mensen die een initiële beroepsopleiding volgen (stages van normaalgesproken drie weken tot negen maanden aan opleidingsinstellingen of in ondernemingen in het buitenland),

* ca. 15.400 beurzen voor studenten (stages van 3 tot 12 maanden in ondernemingen in het buitenland),

* ca. 14.000 beurzen voor werkende jongeren en pas afgestudeerden (stages van 2 tot 12 maanden aan opleidingsinstellingen of in ondernemingen in het buitenland),

* ca. 10.600 beurzen voor opleidingsprofessionals (d.w.z. personeelsmanagers, opstellers van opleidingsprogramma's, opleiders en beroeps- en studiekeuzeadviseurs, opleiders en mentors op het gebied van taalvaardigheid voor transnationale uitwisselingen van 1 week en 6 weken). In deze doelgroep zijn de kandidaat-lidstaten bijzonder goed vertegenwoordigd.

Leonardo da Vinci neemt een unieke plaats in onder de communautaire programma's doordat het deze bijzondere doelgroepen mogelijkheden tot mobiliteit biedt. Ook zij vermeld dat er dertig landen aan het programma deelnemen (15 lidstaten, 3 EER-landen en 12 kandidaat-lidstaten).

* De mobiliteitsmaatregel sloeg bijzonder goed aan bij het publiek. In sommige landen kregen de nationale agentschappen aanvragen te verwerken voor een bedrag dat drie keer zo hoog was als er aan middelen beschikbaar was. Om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, besloot de Commissie in samenwerking met het programmacomité om het mobiliteitsbudget van 2000 tot 2001 met 3,6% te verhogen. Tijdens deze eerste twee jaar konden uit het programma ongeveer 37 750 beurzen per jaar worden gefinancierd, 45% meer dan in de eerste programmafase.

Voortbouwend op de populariteit van het programma zal de Commissie, in samenwerking met de verantwoordelijke beheersstructuren, meer belang hechten aan de kwaliteit van de verblijven in het buitenland. Één van de middelen om meer kwaliteit te bereiken, is de "Europass - beroepsopleidingen". Deze werd in januari 2000 ingevoerd en vormt de kern van het beschikking van de Raad inzake "Europese trajecten in alternerende beroepsopleidingen, waaronder begrepen het leerlingwezen". De banden tussen de "Europass-beroepsopleidingen" en het programma zijn menigvuldig:

- Ten eerste is de "Europass-beroepsopleidingen" een uitvloeisel van het Leonardo da Vinci-project.

- Ten tweede droeg het programma, door de afgifte van de Europass aan Leonardo-bursalen, bij tot de populariteit van dit nieuwe initiatief. In 2000 en 2001 vond een flink aantal Europese trajecten plaats in het kader van Leonardo da Vinci, hoewel er van land tot land aanzienlijke verschillen waren. Dit is ten dele toe te schrijven aan de institutionele link: veel nationale contactpunten voor de Europass-beroepsopleidingen zijn ook nationale agentschappen voor Leonardo da Vinci.

- Ten derde winnen de verblijven van deelnemers aan Leonardo da Vinci in het buitenland aan kwaliteit door het gebruik van de Europass. Aan de hand van de "Europass-beroepsopleidingen" kunnen mensen hun leer- of werkervaring in het buitenland staven.

Voor de volgende oproep tot het indienen van voorstellen, die geldt voor 2003/2004, zal de Commissie krachtig aanbevelen de individuele verblijven te documenteren, hetzij met de "Europass-beroepsopleidingen", hetzij met andere middelen voor de erkenning of certificatie van de in het buitenland opgedane ervaringen.

4.2. Procedure B: Proefprojecten, talenkennis, transnationale netwerken

Deze "semi-gedecentraliseerde" procedure omvat twee stappen, waarbij de deelnemende landen de voorontwerpen beoordelen en selecteren, en de Commissie, daarin bijgestaan door onafhankelijke deskundigen, de definitieve voorstellen beoordeelt en selecteert. Elk land en de Commissie plegen overleg over hun bevindingen en de Commissie stelt vervolgens de definitieve lijst van geselecteerde voorstellen vast. Deze procedure is van toepassing op de volgende acties:

* Proefprojecten

De proefprojecten vormen met 36% van de totale begroting het op een na grootste programmaonderdeel. Het programma verleent steun voor de opzet, ontwikkeling, beproeving en beoordeling van transnationale proefprojecten voor de ontwikkeling of overdracht van innovaties in de beroepsopleiding. De Gemeenschap verstrekt gedurende ten hoogste drie jaar subsidie tot een bedrag van maximaal 75% van de subsidiabele projectuitgaven met een maximum van EUR 200.000 per jaar per project.

Om Europese toegevoegde waarde op te leveren, is transnationaliteit een must voor alle projecten: alle projecten moeten partners bijeenbrengen uit ten minste drie deelnemende landen, die samenwerken aan een gemeenschappelijk doel. De gemiddelde looptijd van deze projecten bedraagt drie jaar.

In 2000 en 2001 werden uit hoofde van deze maatregel 373 proefprojecten geselecteerd. Ook deze maatregel sloeg erg aan bij het publiek. Daarom besloot de Commissie in overleg met het programmacomité de beschikbare begroting met 8% te verhogen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tijdens de hele eerste fase van het programma ontvingen gemiddeld 514 vergelijkbare proefprojecten per jaar (2 569 voor 1995-99) gemiddeld EUR 120 000 per project (310,06 miljoen euro aan EU-middelen voor 1995-99). Daarom werd in de tweede fase van Leonardo da Vinci in praktijk gebracht wat al van meet af aan was de bedoeling was: meer geld voor minder projecten. De voordelen springen in het oog: een kleiner aantal projecten is gemakkelijker te beheren, maar - wat belangrijker is - de kans is groter dat omvangrijkere projecten meer effect opleveren.

* Talenkennis

Deze projecten bestrijken drie grote terreinen: talen- en communicatieaudits, les- en opleidingsmateriaal en verspreidingsprojecten op taalgebied. In 2000 en 2001 werden 45 projecten geselecteerd voor in totaal 13,6 miljoen euro In 2001 nam het aantal definitieve voorstellen af, maar daar stond een toename van de algemene kwaliteit tegenover.

De taalmaatregel moet leiden tot een grotere diversificatie van de onderwezen talen en de bevordering van de minder verbreide talen. Elk project is gericht op gemiddeld 3 of 4 talen. Weliswaar zijn de minder verbreide talen vertegenwoordigd, maar Engels komt op de eerste plaats, gevolgd door Duits en Frans.

Wat de partnerschappen betreft, waren bij de geselecteerde projecten partners uit gemiddeld vijf verschillende landen betrokken, ofschoon bilaterale partnerschappen ook voor subsidie in aanmerking kwamen. Deze sterke transnationale dimensie zou voor veel landen tot waardevolle resultaten moeten leiden. Bovendien schijnen de partnerschappen op nationaal niveau goed verankerd te zijn met gemiddeld 10 partners per project, d.w.z. bijna twee partners per deelnemend land. Dit moet garant staan voor een effect van de projectresultaten op de nationale systemen.

Later dit jaar zal de Commissie een begin maken met een evaluatiestudie naar het effect van de onderwijs- en opleidingsprojecten op het leren van talen en de meertaligheid in Europa.

* Transnationale netwerken

Deze netwerken zijn samengesteld uit diverse spelers op het gebied van de beroepsopleiding om drie specifieke werkzaamheden uit te voeren: a) kennis op een specifiek gebied op regionaal en sectoraal niveau bundelen en ervaringen uitwisselen, b) ontwikkelingen en de behoeften aan vaardigheden vaststellen en c) de resultaten van de door deze netwerken verrichte werkzaamheden verspreiden. In 2000 en 2001 werden 27 netwerken geselecteerd met een totale EU-subsidie van ca. 8,1 miljoen euro (4,0 miljoen euro in 2000, 4,1 miljoen euro in 2002). Aangezien de EU-subsidie voor projecten uit hoofde van deze maatregel volgens het besluit beperkt blijft tot 50% van de subsidiabele kosten en de algemene doelstellingen van deze maatregel voor ingewikkeld doorgaan, werd in vergelijking een gering aantal voorstellen ingediend. Om deze maatregel van de andere te differentiëren en de zaken te vereenvoudigen, kwam de Commissie in oktober 2001 met een "toelichting" waarin de maatregel op zijn belangrijkste doelstellingen werd gericht en die in de plaats komt van de vroegere handleiding voor transnationale netwerken. Deze toelichting werd aan alle nationale agentschappen toegezonden. De Commissie beschikt over aanwijzingen dat de doorgevoerde vereenvoudiging en verduidelijking voor de selectieronde 2002 zal resulteren in voorstellen van een betere kwaliteit dan voorheen.

4.3. Procedure C: Referentiemateriaal, thematische acties, gezamenlijke acties

Deze "gecentraliseerde" procedure bestaat uit twee stappen waarbij de Commissie zowel de voorontwerpen als de definitieve voorstellen selecteert, in het laatste geval met de hulp van onafhankelijke deskundigen. De contracten, het beheer en de follow-up van deze projecten worden verzorgd door de Commissie. Procedure C is ook van toepassing op projecten die uit hoofde van alle maatregelen worden ingediend door organisaties met een Europese visie (de zogenaamde EUR-organisaties). In 2000 en 2001 werden 19 EUR-projecten geselecteerd voor in totaal 6,0 miljoen euro. Procedure C is van toepassing op de volgende acties:

* Referentiemateriaal

Deze maatregel ondersteunt transnationale acties voor prioritaire thema's van gemeenschappelijk belang. Hoofddoel is vergelijkbare gegevens over de stelsels en voorzieningen voor beroepsopleiding vast te stellen en kwantitatieve en/of kwalitatieve informatie en analyses met inachtneming van de beste praktijken ter ondersteuning van de ontwikkeling van beleidsmaatregelen te verstrekken.

In de eerste twee jaar werden 26 projecten geselecteerd (19 in 2000, 7 in 2001). De totale EU-subsidie bedroeg 9,9 miljoen euro (7,2 miljoen euro in 2000, 2,7 miljoen euro in 2001). Een algemene trend was dat het aantal voorstellen afnam, maar dat de algemene kwaliteit van de voorstellen verbeterde. Wat echter de statistische projecten betreft, bleef het aantal ingediende projecten beneden de verwachtingen en behoeften.

In samenwerking met het programmacomité zal de Commissie een statistisch werkprogramma uitvoeren voor de optimalisatie van de procedures voor de statistische projecten. Het doel is de statistische projecten in het kader van Leonardo beter te coördineren met de werkzaamheden van Eurostat en de OESO.

* Thematische acties

Dit is een ondermaatregel van de maatregel proefprojecten. Doel is een klein aantal projecten te steunen aangaande thema's met een bijzonder communautair belang. In 2000 hadden er van de 14 in aanmerking komende definitieve voorstellen slechts 2 voldoende kwaliteit om geselecteerd te worden. In 2001 zijn 3 projecten geselecteerd. Van de vijf projecten heeft er één betrekking op sociale integratie, twee op transparantie en certificering, en één op de valorisatie van de resultaten. Voor de twee jaar bedroeg de totale EU-subsidie 2,6 miljoen euro, 0,75% van de totale begroting. Tot dusverre lag de kwaliteit van veel van de aanvragen onder de verwachtingen. Dit is mogelijk toe te schrijven aan het gebrek aan duidelijkheid van de bepaling van het besluit van de Raad over deze maatregel.

In samenwerking met het programmacomité zal de Commissie de reikwijdte van deze maatregel verder verduidelijken.

* Gezamenlijke acties

De gezamenlijke acties tussen het Leonardo da Vinci-programma en de communautaire programma's op het gebied van onderwijs en jeugd worden beschouwd als een eerste concrete stap op weg naar een coherente aanpak van levenslang leren.

Na de formele goedkeuring van de programma's Socrates en Jeugd in 2000 publiceerde de Commissie begin 2001 de eerste speciale oproep tot het indienen van voorstellen. Voor een goed beheer van deze acties is een gemengd comité in het leven geroepen, bestaande uit leden van de drie programmacomités.

De eerste selectieronde werd het eind van hetzelfde jaar afgesloten, met het volgende resultaat:

- er werden 3 projecten geselecteerd met het thema 'overdracht en verzameling van opleidingspunten',

- 3 met het thema 'studie- en beroepskeuzebegeleidingsdiensten', en

- 1 met het thema 'multifunctionele centra en e-learning'.

In totaal werd ca. 1,8 miljoen euro aan subsidie toegekend (waarvan 0,6 miljoen euro uit de Leonardo da Vinci-begroting).

In de toekomst zal de Commissie de reikwijdte van de gezamenlijke acties aanzienlijk verruimen door daar andere dimensies en programma's in op te nemen, en tevens de begroting verhogen. Voor de selectieronde 2002 is in totaal 3,5 miljoen euro (1,2 miljoen euro uit Leonardo da Vinci) uitgetrokken.

4.4. Het Euroguidance-netwerk

Euroguidance is het Europese netwerk van landelijke expertisecentra voor beroepskeuzebegeleiding. Het netwerk, dat in 1992-93 werd opgericht, omvat momenteel meer dan 50 centra in alle deelnemende landen en wordt gefinancierd door Leonardo da Vinci en de relevante nationale autoriteiten. Voor de eerste twee jaren van het programma beliep de bijdrage van de Gemeenschap 3,1 miljoen euro (2000: 1,5 miljoen euro, 2001: 1,6 miljoen euro).

In 2000 en 2001 heeft de Commissie de doelstellingen van het netwerk gerationaliseerd. Euroguidance bevordert thans hoofdzakelijk de mobiliteit in Europa door a) het verstrekken van informatie over onderwijs- en opleidingsmogelijkheden, voornamelijk voor beroepskeuzebegeleiders, maar ook voor burgers, bedrijven en instellingen, en b) het ondersteunen van de uitwisseling van informatie over onderwijs- en opleidingsstelsels en kwalificaties in Europa. Een en ander krijgt concreet gestalte in talrijke seminars, publicaties, boeken en informatiepakketten.

De Commissie is voornemens het Euroguidance-netwerk te gebruiken voor de implementatie van levenslang leren. In het initiatief van de Commissie om een Europees internetportaal over leermogelijkheden op te zetten, zullen de expertisecentra fungeren als plaatselijke portaalteams die mee zullen werken aan de start van een proefversie in oktober 2002. Ook zal het netwerk een cruciale rol spelen in het Europese Beroepskeuzebegeleidingsforum dat in 2002 van start gaat en zal bijdragen aan een aanpak van de beroepskeuzebegeleiding vanuit het oogpunt van levenslang leren.

4.5. Deelname aan de projecten en doelgroepen

4.5.1. Deelname van het bedrijfsleven, met name het MKB

In het eindverslag van de Commissie over de eerste programmafase (1995-99) werd erkend dat de deelname van het bedrijfsleven en met name het MKB, niet aan de verwachtingen had voldaan. Aangezien deelname van de particuliere sector van cruciaal belang is voor de economie, het scheppen van werkgelegenheid en de opleiding in Europa, was het de bedoeling dat tijdens de tweede programmafase meer bedrijven zouden deelnemen.

Onderstaande tabel geeft het aantal en het percentage van alle initiatiefnemers en partners die in het selectiejaar 2001 aan de voorontwerpen van procedure B hebben deelgenomen (volgens de zelfevaluatie in de aanvraagformulieren):

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Uit deze gegevens blijkt dat ongeveer 20% van alle initiatiefnemers en partners zich als onderneming beschouwt (zie de eerste drie rijen). Kleine en middelgrote ondernemingen vormen op twee na het meest voorkomende type organisatie dat aan het programma deelneemt (16% van alle initiatiefnemers en partners). Ook zijn de kleine en middelgrote ondernemingen het meest voorkomende type organisatie dat deelneemt aan projecten op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen, en komen zij op de tweede plaats bij het aantal projecten dat gericht is op personen met een handicap (zie hieronder). Een mogelijke reden hiervoor is dat dit soort projecten sterk werkgelegenheidsgericht is, hetgeen de deelname van ondernemingen vereist.

Ook zij opgemerkt dat, ofschoon ondernemingen als partner deelnemen, zij maar zelden een project aanvragen of het initiatief daartoe nemen. De reden hiervoor schijnt te zijn dat de aanvraagprocedures voor ondernemingen nog steeds te omslachtig zijn. Daarom zal een verdere vereenvoudiging heel waarschijnlijk ook hun deelname als initiatiefnemer vergroten.

Om de huidige deelname aan zowel de proefprojecten als de mobiliteitsprojecten verder te verduidelijken, zal de Commissie in de nabije toekomst op dit bijzondere punt een onderzoek starten. De bevindingen daarvan moeten ertoe bijdragen dat ondernemingen, met name het MKB, verder worden aangemoedigd meer aan het programma deel te nemen.

4.5.2. Gelijke kansen voor mannen en vrouwen

Dit punt was een van de doelstellingen tijdens de eerste programmafase en ook een prioritair actieterrein in het Gemeenschapsbeleid. In haar eindverslag over de eerste programmafase erkende de Commissie dat de resultaten in termen van gegevens, projecten en effecten aan de bescheiden kant waren. In de tweede fase worden gelijke kansen voor vrouwen en mannen als transversale doelstelling van het programma aangemerkt.

De beschikbare gegevens duiden erop dat met name bij de mobiliteitsprojecten van een sterke deelname door vrouwen sprake is. Het aandeel vrouwelijke deelnemers aan mobiliteitsmaatregelen in 2000-2001 in het kader van het Leonardo da Vinci-programma is constant groot geweest:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Bron: Berekening van de Commissie op basis van de op 25.02.02 door de nationale agentschappen verstrekte gegevens)

De situatie ligt iets anders bij de proefprojecten inzake gelijkheid van vrouwen en mannen. Over het algemeen hebben Leonardo da Vinci-projecten betrekking op de behoeften van meer dan één doelgroep en dus maakt gelijkheid van mannen en vrouwen dikwijls deel uit van projecten die op kansarme groepen in het algemeen gericht zijn. 10 projecten (van 496 procedure B- en C-projecten) met een EU-subsidie van in totaal 4,7 miljoen euro hebben betrekking op gelijke kansen als zodanig.

Het aantal projecten moet echter worden afgezet tegen hun potentiële effecten. Over het algemeen bevorderen deze projecten de inzetbaarheid van vrouwen en hun toegang tot de arbeidsmarkt doordat zij de deelname van vrouwen aan arbeidsmarktgerichte opleidingen in gebieden met werkgelegenheidsgroei of in traditioneel door mannen gedomineerde sectoren vergroten, bv. door middel van de vaststelling van doelstellingen. De projecten dragen bij tot het dichten van de opleidingskloof en/of het evenwicht tussen de seksen in specifieke sectoren. Hiertoe behoren van oudsher door vrouwen gedomineerde sectoren als de gezondheidszorg, administratieve sector en de dienstverlening, maar ook door mannen gedomineerde sectoren als de IT- en vervoerssector. De projecten zullen een overzicht bieden van goede praktijken van vrouwen in wetenschappelijke loopbanen, die via verspreiding effect zullen hebben in het kader van bij- en omscholingpraktijken in het MKB. Deze projecten ontwikkelen reële mogelijkheden om sekserollen op de proef te stellen.

Partners in deze 10 transnationale projecten zijn zo'n 125 organisaties uit 19 deelnemende landen. Over het algemeen komt het MKB op de eerste plaats als partner bij projecten op het gebied van gelijkheid van mannen en vrouwen, gevolgd door opleidingsorganisaties en onderzoekscentra.

In 2000 en 2001 waren diverse activiteiten van de Commissie gericht op bewustmaking van het belang van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Het doel was gelijke kansen tot een kwaliteitspunt voor het hele programma te maken. In januari 2000 werden richtsnoeren gepubliceerd over hoe gelijke kansen in het programma behandeld moeten worden. Op een speciale website heeft de Commissie een handleiding gepubliceerd over gendereffectbeoordelingsmethoden voor projecten en links naar een speciale database voor het zoeken naar projectpartners.

Om dit thema verder onder de aandacht te brengen zal de Commissie in het kader van haar evaluatieactiviteiten voor 2002 gelijke kansen voor mannen en vrouwen als prioriteit behandelen. Meer in het bijzonder zal de Commissie een begin maken met een onderzoek naar het effect op gelijke kansen voor mannen en vrouwen van de communautaire onderwijs- en cultuurprogramma's.

4.5.3. Deelname van de kandidaat-lidstaten

Behalve voor de lidstaten van de EU en de landen van de Europese Economische Ruimte heeft het besluit van de Raad het programma ook opengesteld voor de geassocieerde landen in Midden- en Oost-Europa en voor Cyprus, Malta en Turkije. In 2000 keurden de Associatieraden de nodige overeenkomsten goed met bijna alle kandidaat-lidstaten. Nieuw ten opzichte van de eerste programmafase is dat de door deze landen voor hun deelname te betalen financiële bijdrage niet langer wordt gecompenseerd door een "billijke tegenprestatie".

Alle kandidaat-lidstaten hebben in 2000 en 2001 een financiële bijdrage betaald van ca. 47,1 miljoen euro (exclusief "administratieve uitgaven"), wat neerkomt op een aandeel van 14%. Van de 496 procedure B- en C-projecten in 2000 en 2001 werden 71 projecten ingediend door initiatiefnemers uit de 12 kandidaat-lidstaten. Een speciale prioriteit van de initiatiefnemers in de kandidaat-lidstaten vormen met 16 van de 45 projecten de talenkennisprojecten. Deze gegevens duiden erop dat hun mate van deelneming over het algemeen vergelijkbaar is met hun totale gewicht en dat de initiatiefnemers bepaalde prioriteiten volgen. Er zijn echter onevenwichtigheden, vooral bij procedure C, waar van de in totaal 55 projecten er slechts één uit een kandidaat-lidstaat werd geselecteerd.

De Commissie is van plan iets aan deze onevenwichtigheden te doen. Om te beginnen zal tijdens de komende evaluaties en speciale studies de deelname van deze landen worden geanalyseerd en zullen aanbevelingen worden gedaan om de toegang te verbeteren.

De enige kandidaat-lidstaat die nog niet deelneemt, is Turkije. De deelname van dit land verkeerde ten tijde van de opstelling van dit verslag nog in een voorbereidend stadium.

5. Follow-up van de projecten

5.1. Toezicht op de lopende projecten

Er bestaan twee vormen van toezicht: toezicht op individuele projecten en collectief thematisch toezicht. Individueel toezicht is een doorlopend proces en betreft alle contractuele en administratieve aangelegenheden van elk project direct vanaf het begin. Dit toezicht wordt uitgevoerd door de nationale agentschappen (procedure A- en B-projecten) en de Commissie (procedure C-projecten).

Wat het collectief thematisch toezicht betreft, heeft de Commissie in overleg met het programmacomité in 2001 besloten dit dynamisch proces op gang te brengen teneinde kruisbestuiving tussen projecten mogelijk te maken, de vorderingen van de projecten te volgen en het mogelijk te maken om met de ervaringen die bij de projecten zijn opgedaan, de uitvoering van het programma te verbeteren.

Met het collectief thematisch toezicht werd eind 2001 begonnen. Overeenkomstig de prioriteiten van het programma en de huidige ontwikkeling van het beroepsopleidingsbeleid werden door de Commissie in overleg met het programmacomité vijf thema's gekozen:

1. Arbeidsmarktintegratie voor probleemgroepen

2. Ontwikkeling van vaardigheden in bedrijven, met name het MKB

3. Aanpassing van het opleidingsaanbod en nieuwe opleidingsmethoden -- de kwaliteit van de opleiding

4. Transparantie, evaluatie en validatie

5. E-learning

Daarnaast zijn de taalprojecten meer van nabij gevolgd. Behalve hun deelname aan het collectief thematisch toezicht werden taalprojecten ook uitgenodigd voor ad-hocseminars om kwesties te bespreken die specifiek zijn voor hun activiteiten.

In januari 2002 besloot de Commissie in overleg met de nationale agentschappen tot een tweejarig werkplan voor deze vijf thema's. Dit werk zal gezamenlijk worden uitgevoerd door de leidinggevende nationale agentschappen en de geassocieerde agentschappen onder toezicht van de Commissie. Het CEDEFOP of andere fora zullen daar waar nodig ook bij worden betrokken.

Voor 2002 staan de volgende werkzaamheden op het programma:

- identificatie en bundeling van alle B- en C-projecten naar thema,

- opzet van een via internet toegankelijke thematische database,

- samenwerking met verschillende fora op nationaal en communautair niveau (sociale partners, beleidsmakers, deskundigen, enz.),

- ontwikkeling van een inlichtingenblad om de projecten te demonstreren.

5.2. Verspreiding van de resultaten van Leonardo da Vinci-projecten

In samenwerking met de belanghebbenden bij het programma heeft de Commissie een strategische aanpak ontwikkeld voor de verspreiding van de resultaten van de eerste en tweede programmafase. Aan alle projecten zal de voorwaarde verbonden worden dat de resultaten ervan worden verspreid. Elke aanvraag moet een verspreidingsplan omvatten. Verspreiding is dus een kwaliteitscriterium voor de selectie van de projecten.

De eerste programmafase (1995-99) leverde een schat aan ervaringen en producten op:

* ca. 7 300 mobiliteitsprojecten met 127 000 deelnemers met een schat aan mobiliteitservaringen, en

* ca. 3 300 transnationale proefprojecten onder alle maatregelen, die elk een concreet product hebben opgeleverd in de vorm van opleidingsmodules, curricula, analyses, enz.

De verspreiding van deze resultaten was een zwak punt in de eerste programmafase (1995-99). Zoals aangekondigd in haar eindverslag over de eerste fase, heeft de Commissie diverse concrete stappen ondernomen om de verspreiding van de resultaten van projecten uit hoofde van de eerste programmafase te verbeteren.

Bij wijze van eerste belangrijke stap heeft de Commissie het beschikbare materiaal verzameld en een productdatabase op internet gecreëerd. Deze database kan volgens relevante zoekcriteria worden doorzocht en is toegankelijk voor het publiek. Daarnaast werkt de Commissie op het ogenblik aan verscheidene brochures voor verspreiding onder een breder publiek. Dit materiaal, dat in verschillende talen op papier en op de website wordt gepubliceerd, bevat informatie over projecten inzake goede praktijken op een bepaald gebied, zoals "Vrouwen en technische beroepen" of "Opleiding en gezondheidszorg".

Aan de voltooiing en verbetering van de resultatendatabase zal verder gewerkt worden.

Vanaf 2003 moeten de geselecteerde projecten een website creëren waarop de vorderingen en (tussentijdse) resultaten worden gepresenteerd. Er zullen links worden aangebracht tussen deze sites en de communautaire database.

5.3. Valorisatie van de output van Leonardo da Vinci-projecten

Valorisatie is omschreven als het proces van versterking of optimalisatie van projectresultaten via experimenten en exploitatie teneinde de waarde en het effect ervan te vergroten.

Een analyse van rond 800 resultaten van de in 1995, 1996 en 1997 gestarte projecten is al gemaakt. De resultaten van de in 1998 en 1999 gestarte projecten worden geanalyseerd naarmate zij beschikbaar komen.

Een door de Commissie opgesteld discussiestuk met een aantal ideeën voor de vormgeving van de toekomstige strategie voor de valorisatie van producten van Leonardo da Vinci is op een conferentie tijdens het Spaanse voorzitterschap (Madrid, 29-30 april 2002) besproken.

Er worden enkele concrete voorstellen gedaan om de omstandigheden waaronder het project worden ontwikkeld, te verbeteren en de overdraagbaarheid van projectresultaten op onderwijs- en opleidingsstelsels en de ondernemingspraktijk te vergroten. Nadrukkelijk wordt gewezen op het belang van het creëren van relaties tussen toezicht, beoordelingen en valorisatie.

Er worden een aantal aanbevelingen gedaan om ervoor te zorgen dat de projectresultaten hun weg vinden naar de praktijk en dat de lessen die uit het programma kunnen worden getrokken, worden omgezet in beleidsontwikkeling. Tot de voorgestelde valorisatiemaatregelen behoren het leggen van verbanden met andere communautaire initiatieven, het gebruik van netwerken om de resultaten te exploiteren, en het opzetten van een coördinatiemechanisme. Bovendien wordt benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor valorisatie gedeeld moet worden tussen de Commissie en de lidstaten.

Er worden twee eerste voorwaarden voor valorisatie genoemd: de ontwikkeling van duidelijke kwaliteitscriteria die tijdens de hele looptijd van een project moeten worden toegepast, en de actieve verspreiding van de resultaten van het project. Er moeten effectieve informatiesystemen worden ingevoerd op zowel Europees als nationaal niveau om op grote schaal bekendheid te geven aan de resultaten van het programma, waarbij de Commissie de leidende rol zal vervullen door een proactief informatiebeleid op te stellen.

Tegen eind 2002 zal een valorisatieactieplan worden opgesteld en zal de laatste hand worden gelegd aan een thematische analyse van de eerste fase van het programma.

6. Conclusie en verdere stappen

Het besluit van de Raad van 1999 tot vaststelling van de tweede fase biedt een solide basis om veel van de structurele tekortkomingen uit het verleden te verhelpen. Aan het begin van de tweede fase werden door de Commissie en de deelnemende landen alle noodzakelijke programmastructuren ten behoeve van de gebruikers geïnstalleerd.

* Het door het besluit van de Raad en de in 2000 gepubliceerde oproep tot het indienen van voorstellen geboden beleidskader droeg bij tot de ontwikkeling van een Europees opleidingsbeleid in het vooruitzicht van levenslang leren. Het programma bood derhalve een coherent en duidelijk kader voor de initiatiefnemers om hun projectideeën uit te werken.

In de toekomst zal de Commissie in samenwerking met de lidstaten de doelstellingen van het programma verder rationaliseren. De Commissie zal de complementariteit tussen Leonardo da Vinci en ander daarmee samenhangende communautaire beleidsonderdelen met het oog op levenslang leren versterken.

* De taken van de programmabeheersstructuren zijn met de centralisatie van politieke functies en de decentralisatie van de beheersfuncties verduidelijkt. De Commissie heeft in samenwerking met het programmacomité de nodige maatregelen genomen om het programma uit te voeren. De nationale autoriteiten hebben met de hulp van de nationale agentschappen het merendeel van de middelen voor de eindgebruikers in het veld beheerd.

* In overleg met het programmacomité heeft de Commissie een aantal besluiten genomen, gericht op de rationalisatie, vereenvoudiging en versnelling van het beheer en de procedures. De algemene beheerskosten bleven dan ook bescheiden, de betalingen aan de projecten zijn aanzienlijk versneld, de formele subsidiabiliteitscriteria zijn vereenvoudigd en de duur van de selectieprocedures, met name voor de mobiliteitsmaatregel, werd verkort.

De Commissie zal in samenwerking met het programmacomité de procedures verder rationaliseren. De komende programma-evaluaties, en met name de bevindingen van de voor 2003 geplande externe evaluatie, zullen de elementen verschaffen voor een verdere optimalisatie van de procedures in overeenstemming met het besluit van de Raad.

De programma-activiteiten in 2000 en 2001 waren bijzonder geslaagd:

* De vraag naar mobiliteit overschreed (in enkele gevallen drie keer) de beschikbare middelen. Niettemin konden er zo'n 32 000 beurzen per jaar worden verstrekt, een toename van 40% ten opzichte van de eerste programmafase.

* De proefprojecten van procedure B waren in trek, de vraag overschreed ook hier het aanbod. Vergeleken met 1995-99 werden er minder, maar grotere projecten geselecteerd. Alle 496 geselecteerde projecten van procedure B en C beloven waardevolle resultaten op te leveren.

In samenwerking met het programmacomité zal de Commissie maatregelen nemen om het kwaliteitsaspect van de projecten te versterken. Dit is met name relevant voor de mobiliteitsmaatregelen, waarbij later in 2002 zal worden geprobeerd de individuele prestaties beter te documenteren. In de projecten van procedure C zal met name de component levenslang leren worden versterkt.

Ten aanzien van de deelname aan de projecten en de doelgroepen duiden de beschikbare gegevens erop dat:

* de deelname van het bedrijfsleven momenteel bij 20% ligt van alle partners en initiatiefnemers, waarbij het MKB het op twee na grootste type organisatie is.

* het gelijkekansenaspect bijzonder relevant is bij de mobiliteitsmaatregel, waarbij 55% van alle bursalen een vrouw is.

* de juridische voorwaarden voor de initiatiefnemers in de kandidaat-lidstaten geleidelijk aan gelijk worden aan die in de andere landen; hun deelname aan de verschillende maatregelen weerspiegelt hun bijzondere belangen.

De Commissie zal er in overeenstemming met het besluit van de Raad toe bijdragen de deelname van bijzondere doelgroepen en de kandidaat-lidstaten te vergroten. Om te beginnen zullen bij de komende evaluaties en studies passende maatregelen worden bestudeerd om de toegang tot het programma voor ondernemingen, vrouwen en initiatiefnemers uit de kandidaat-lidstaten te verbeteren.

* De verspreiding van de resultaten van de eerste programmafase (1995-99) is momenteel gaande. Diverse initiatieven, waaronder een uitgebreide database, zijn gestart, alsook een strategische aanpak voor de verspreiding, waarbij de Commissie en de nationale agentschappen nauw samenwerken.

* Het collectief thematisch toezicht op de lopende projecten is net begonnen met de oprichting van vijf thematische groepen.

* Het begrip valorisatie van de output van alle projecten is door de Commissie verduidelijkt in samenwerking met de lidstaten en er wordt onder verstaan het versterken van de projectresultaten door experimenten en exploitatie.

In de nabije toekomst zal de Commissie haar inspanningen vergroten om de resultaten van het programma in beleidsontwikkeling om te zetten. Op het specifieke gebied van de valorisatie zal eind 2002 een actieplan worden opgesteld.

Samenvattend kan worden gesteld dat de eerste twee jaar van de tweede fase van Leonardo da Vinci over het geheel genomen efficiënt en effectief zijn geweest. Voor de toekomst zal de Commissie in nauwe samenwerking met het programmacomité de mogelijkheden van het programma verder optimaliseren met het oog op levenslang leren en in het voordeel van de gebruiker.

BIJLAGE 1

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de programma-activiteiten in termen van input (begroting ex post) en output (aantal personen met een mobiliteitsbeurs en aantal projecten):

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II: Onderverdeling van de financiering (in EUR) naar deelnemend land en maatregel (AGN = cofinanciering door nationale agentschappen)

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Top