Help Print this page 
Title and reference
Verslag van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad - Verslag over de uitvoering van Beschikking 1999/51/EG van de Raad van 21 december 1998 inzake de bevordering van Europese trajecten in alternerende beroepsopleidingen, waaronder begrepen het leerlingwezen

/* COM/2002/0214 def. */
Languages and formats available
Multilingual display
Text

52002DC0214

Verslag van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad - Verslag over de uitvoering van Beschikking 1999/51/EG van de Raad van 21 december 1998 inzake de bevordering van Europese trajecten in alternerende beroepsopleidingen, waaronder begrepen het leerlingwezen /* COM/2002/0214 def. */


VERSLAG VAN DE EUROPESE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Verslag over de uitvoering van Beschikking 1999/51/EG van de Raad van 21 december 1998 inzake de bevordering van Europese trajecten in alternerende beroepsopleidingen, waaronder begrepen het leerlingwezen

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding

1.1. Doel en indeling van dit verslag

1.2. De beschikking inzake de bevordering van Europese trajecten

1.3. Evaluatie

2. Het uitvoeringskader

2.1. Coördinatie en gecentraliseerde activiteiten

2.1.1. Coördinatie

2.1.2. Productie van de "Europass beroepsopleidingen"-documenten

2.1.3. Voorlichting

2.1.4. Financieel beheer

2.2. De nationale uitvoeringsstructuren

2.2.1. De nationale contactpunten en hun taken

2.2.2. Verschillen in aanpak op nationaal niveau

3. Uitvoeringswerkzaamheden

3.1. Nationaal beleid en nationale praktijk

3.1.1. Controle op de Europese trajecten

3.1.2. Uitreikingsprocedures en praktische behandeling

3.2. Gegevens over de Europese trajecten en het gebruik van de "Europass beroepsopleidingen"-documenten

3.2.1. Aantal per land

3.2.2. Bewegingen tussen landen

3.2.3. Duur van de opleidingen

3.2.4. Geslacht en leeftijd van de "Europass beroepsopleidingen"-houders

3.2.5. Onderwijsniveau en type instelling

3.2.6. Deelname per bedrijfssector en betrokkenheid van het MKB

3.2.7. Betrekkingen met andere programma's en initiatieven

3.3. Voorlichting en promotie

3.4. Evaluatie

4. Conclusies

1. Inleiding

1.1. Doel en indeling van dit verslag

Doel van dit verslag is het Europees Parlement en de Raad in te lichten over de uitvoering van Beschikking 1999/51/EG, overeenkomstig artikel 9 van deze beschikking.

In punt 1.2 worden de doelstellingen en de voornaamste concepten en bepalingen van de beschikking geschetst. In punt 2 wordt beschreven hoe de uitvoering op Europees en nationaal niveau georganiseerd is. In punt 3 wordt verlag uitgebracht van de eigenlijke uitvoering in het veld. In punt 4 worden de voornaamste feiten samengevat. [1]

[1] Dit verslag is gebaseerd op een studie van een consultant, BBJ Consult AG, van december 2001 en op rechtstreeks door de nationale uitvoeringsorganen verstrekte informatie.

1.2. De beschikking inzake de bevordering van Europese trajecten

Op 21 december 1998 heeft de Raad Beschikking 1999/51/EG van de Raad inzake de bevordering van Europese trajecten in alternerende beroepsopleidingen, waaronder begrepen het leerlingwezen, goedgekeurd. De beschikking is gepubliceerd in Publicatieblad L 17 van 22 januari 1999 (blz. 45) en is op is op 1 januari 2000 in werking getreden.

In de beschikking worden de volgende algemene doelstellingen onderschreven: de bevordering van de mobiliteit van in opleiding zijnde personen (overweging 1), de vooruitzichten van jongeren op een baan verbeteren en bijdragen tot de sociale en professionele integratie in het beroepsleven en op de arbeidsmarkt (overwegingen 6 en 7) en de bevordering van de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van de beroepsopleiding (overweging 8).

Om de specifieke doelstelling om het doorbrengen van beroepsopleidingsperioden in andere lidstaten te stimuleren en bij te dragen tot de kwaliteit daarvan (overwegingen 8 t.e.m. 10) te verwezenlijken, worden in de beschikking Europese trajecten ingevoerd (artikelen 1 en 2), kwaliteitscriteria voor de uitvoering daarvan vastgesteld (artikel 3) en een "Europass-beroepsopleidingen"-document ingevoerd (artikelen 2 en 4).

Een Europees traject is een beroepsopleidingsperiode die iemand in het kader van een alternerende beroepsopleiding, waaronder begrepen het leerlingwezen, heeft gevolgd in een andere lidstaat dan de lidstaat waar hij/zij deze beroepsopleiding volgt. De "Europass-beroepsopleiding" is een informatief Gemeenschapsdocument dat bevestigt dat het Europees traject is gevolgd en dat de inhoud ervan in de betrokken talen beschrijft.

Europese trajecten kunnen worden gevolgd in het kader van door de Gemeenschap gefinancierde programma's en initiatieven, in het bijzonder het programma "Leonardo da Vinci", of in een ander kader. Het gebruik van het "Europass-beroepsopleidingen"-document is vrijwillig; instellingen die initiatieven organiseren die in aanmerking komen als Europese trajecten, zijn vrij om het al dan niet te gebruiken.

Er worden aanwijzingen gegeven voor stimulerende en begeleidende maatregelen (artikel 6) en er wordt voor de periode van 1 januari 2000 t.e.m. 31 december 2004 een financieel referentiebedrag van 7,3 miljoen ECU vermeld.

Als gastlanden en landen van herkomst voor Europese trajecten wordt in de beschikking alleen naar de lidstaten verwezen. Sinds de inwerkingtreding van Besluit nr. 36/2000 van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van Protocol 31 (Samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden) bij de EER-Overeenkomst zijn echter ook Noorwegen, IJsland en Liechtenstein bij het initiatief betrokken.

In artikel 9 wordt bepaald dat binnen drie jaar na de goedkeuring van de beschikking een verslag over de uitvoering ervan moet worden ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. Met dit verslag wordt aan deze eis voldaan.

In artikel 9 wordt ook om een evaluatie van het effect van de beschikking en om eventuele voorstellen gevraagd. Aan deze eis zal worden voldaan door een tussentijdse evaluatie van twee jaar uitvoering, die in de tweede helft van 2002 zal worden uitgevoerd (zie verder).

1.3. Evaluatie

Zoals hierboven vermeld, is dit uitvoeringsverslag op zich niet als een evaluatie bedoeld, hoewel dit eerste overzicht van de uitvoering voor de evaluatie van nut zal zijn.

Er is een evaluatieplan opgesteld; dit omvat een tweedaags seminar op 3 en 4 juni 2002, in het kader van het Spaanse voorzitterschap van de Europese Unie, en een tussentijdse evaluatie (de aanbesteding is in januari 2002 uitgeschreven, het verslag wordt in december 2002 verwacht).

In de zomer van 2002 zal het initiatief "Europass-beroepsopleidingen" lang genoeg gelopen hebben om in alle landen voldoende informatie te kunnen verzamelen over de uitvoering en de effecten ervan. Met name zal in een aantal landen een cohort houders van een "Europass-beroepsopleidingen" een vol jaar op de arbeidsmarkt aanwezig geweest zijn. Ook zal het nut van praktische integratie met andere instrumenten voor de erkenning en validatie van niet-formeel leren kunnen worden onderzocht.

2. Het uitvoeringskader

De uitvoering van de beschikking is grotendeels gedecentraliseerd. Dit is een noodzakelijk kenmerk van het initiatief "Europass-beroepsopleidingen", aangezien de kwaliteit van de toekomstige Europese trajecten alleen op nationaal niveau kan worden gecontroleerd, of eventueel op regionaal niveau met nationale coördinatie. De algemene coördinatie en een aantal gecentraliseerde activiteiten worden op Europees niveau uitgevoerd.

2.1. Coördinatie en gecentraliseerde activiteiten

De Commissie is verantwoordelijk voor de coördinatie, de productie van documenten, het centrale voorraadbeheer, de voorlichting op Gemeenschapsniveau, het beheer van de begroting en de algemene evaluatie.

Deze taken vallen onder de verantwoordelijkheid van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur, meer bepaald het directoraat B (Beroepsopleiding).

2.1.1. Coördinatie

De voornaamste instrumenten voor de coördinatie en de uitwisseling van informatie zijn regelmatige vergaderingen met alle nationale vertegenwoordigers ten kantore van de Commissie, briefwisseling per e-mail en post, en een zeer beperkt aantal dienstreizen. De nationale vertegenwoordigers hebben een niet-bindende samenwerkingsovereenkomst goedgekeurd.

In een voorbereidende fase werden twee vergaderingen van deskundigen georganiseerd, waarop vertegenwoordigers van de nationale autoriteiten van de lidstaten, de EER-landen en de kandidaat-lidstaten, en vertegenwoordigers van de Europese sociale partners aanwezig waren. Deze vergaderingen werden op 28 mei en 11 november 1999 gehouden in Brussel.

Toen de beschikking op 1 januari 2000 in werking trad, heeft de Commissie bij de permanente vertegenwoordigingen de adresgegevens opgevraagd van de vertegenwoordigers van de organen die door de lidstaten officieel waren aangewezen om de uitvoering op nationaal niveau te beheren. De vergaderingen in de operationele fase waren alleen voor deze vertegenwoordigers bedoeld. De vertegenwoordigers van de Europese sociale partners werden als waarnemers uitgenodigd.

In 2000 werden drie dergelijke vergaderingen gehouden (12 mei en 29 september), in 2001 één (6 juni). Voor 22 februari 2002 werd een vierde vergadering gepland.

Tijdens de vergadering van mei 2000 werd een samenwerkingsovereenkomst goedgekeurd (zie verder) en werden financiële kwesties behandeld. Tijdens de volgende vergaderingen werd informatie uitgewisseld en werden praktische problemen besproken. Tijdens de vierde vergadering zouden de tussentijdse evaluatie en het nieuwe financiële kader worden behandeld.

Tussen de vergaderingen door waren er veel contacten - in totaal ruim honderd per jaar - tussen de nationale contactpunten en de Commissie, vooral via e-mail. In de startfase betroffen deze contacten vooral twijfels over de uitreikingscriteria en de procedures, later vooral de uitwisseling van informatie voor beheerdoeleinden in verband met de financiële steun en de voorraad documenten.

Er waren weinig dienstreizen; sommige nationale startconferenties of daarmee samenhangende evenementen werden door personeelsleden van de Commissie bijgewoond.

De samenwerkingsovereenkomst

Tijdens de eerste en de tweede vergadering hebben de nationale vertegenwoordigers een samenwerkingsovereenkomst besproken en uiteindelijk goedgekeurd (in de voorbereidende fase was deze al tijdens de vergadering van deskundigen besproken). Dit niet-bindende document is voor operationele doeleinden opgesteld. Er is afgesproken dat de lidstaten het op vrijwillige basis zullen toepassen. Doel van de overeenkomst is de samenwerking te vergemakkelijken door gemeenschappelijke kwaliteitscriteria vast te stellen en uiteen te zetten welke maatregelen uit hoofde van Beschikking 1999/51/EG op nationaal en Europees niveau moeten worden genomen.

In de overeenkomst worden de geografische werkingssfeer, het onderwerp en het doel van de beschikking en de gemeenschappelijke kwaliteitscriteria duidelijk omschreven, met verwijzing naar de betreffende artikelen van de beschikking of de betreffende documenten. Zo wordt bijvoorbeeld vermeld dat de mentor - van wie het belang wordt benadrukt - iemand van buiten de gastorganisatie mag zijn (bijvoorbeeld een personeelslid van een vereniging, in het bijzonder wanneer de gastorganisatie een klein bedrijf is). Verder omvat de overeenkomst werkafspraken over de operationele aspecten van de uitvoering, bijvoorbeeld dat de Commissie alleen "Europass beroepsopleidingen"-documenten levert aan NCP's (of door de NCP's aangewezen gespecialiseerde agentschappen).

2.1.2. Productie van de "Europass beroepsopleidingen"-documenten

De "Europass beroepsopleidingen"-documenten worden centraal door de Commissie geproduceerd.

Op aanwijzingen van de lidstaten bedroeg de eerste oplage, voor alle EU-talen samen, 300 000 exemplaren; de Engelse, Franse en Duitse versies maakten daarvan ruim de helft uit. In 2001 werd een herdruk van in totaal 100 000 exemplaren besteld (waarvan bijna de helft in het Duits) om ervoor te zorgen dat de voorraad de volgende jaren aan de vraag zou voldoen.

Overeenkomstig de gedetailleerde aanwijzingen in de bijlage van de beschikking is het "Europass beroepsopleidingen"-document een boekje van A5-formaat van 16 bladzijden, namelijk de twaalf bladzijden zoals beschreven in de bijlage en vier bladzijden met de vertaling in de elf officiële talen van de Europese Unie.

De Commissie beheert de centrale voorraden en levert de "Europass beroepsopleidingen"-documenten alleen aan NCP's en alleen op hun verzoek, zoals afgesproken in de samenwerkingsovereenkomst (zie punt 2.1.1).

2.1.3. Voorlichting

De voorlichtingsactiviteiten op Europees niveau omvatten evenementen, de productie van twee voorlichtingsdocumenten die tijdens de startfase gebruikt werden, en het beheer van een webpagina op de Europa-server.

De Europese startconferentie werd op 22 en 23 februari 2000 georganiseerd in Costa da Caparica, in het kader van het programma van het Portugese voorzitterschap van de Europese Unie. De conferentie, die verscheidene presentaties en discussiepanels omvatte, werd geopend door de Portugese staatssecretaris van Werkgelegenheid en Beroepsopleiding en werd bijgewoond door twee ambtenaren van de Commissie.

Het initiatief "Europass beroepsopleidingen" was al gepresenteerd tijdens een seminar in het kader van het evenement "Opleiding 2000" (Brussel, 27-28 januari 2000). De presentatie werd door ongeveer driehonderd mensen bijgewoond, voornamelijk promotoren en vertegenwoordigers van nationale of lokale autoriteiten.

In het 16 bladzijden tellende voorlichtingsboekje voor promotoren en beroepskrachten worden de doelstellingen en de structuur van het "Europass beroepsopleidingen"-document beschreven en wordt een gebruiksaanwijzing gegeven. De folder van 8 bladzijden is eerder een promotiemiddel en is bedoeld voor mensen die een opleiding willen volgen. Beide documenten zijn in alle EU-talen beschikbaar en bevatten de adressen van de nationale contactpunten. In totaal zijn (voor alle talen samen) 225 000 exemplaren gedrukt. Ze zijn voornamelijk verspreid via de nationale uitvoeringsorganen, maar de eerste maanden heeft de Commissie er ook een aantal rechtstreeks aan andere organen in de lidstaten geleverd. Promotoren en mensen die een opleiding willen volgen, kunnen nu meer gerichte en bijgewerkte informatie vinden in nationaal geproduceerde boekjes of op internet. De "Europass beroepsopleidingen"-webpagina bevat de teksten van het boekje en de folder in de elf talen.

Een paar maanden voor de inwerkingtreding werd een "Europass beroepsopleidingen"-webpagina beschikbaar op de Europa-server, op de site van het toenmalige DG XXII (dat een paar weken later DG Onderwijs en cultuur werd). De pagina bevatte informatie (in het Engels, Frans en Duits) over de doelstellingen en de voornaamste concepten van de initiatieven. In het najaar van 2000 werd in alle EU-talen een verbeterde versie beschikbaar, met een meer gedetailleerde beschrijving, toegang tot de tekst van de beschikking, het boekje en de folder in de elf talen, links naar de NCP's en andere nuttige links.

2.1.4. Financieel beheer

De Gemeenschap verleent financiële steun in de vorm van een jaarlijkse subsidie voor de NCP's (één subsidie per land), die wordt toegekend op basis van een programma van uitvoeringsactiviteiten zoals conferenties en seminars, andere bewustmakings- en promotieactiviteiten, gegevensverzameling en evaluatie.

In de beschikking wordt voor de periode 2000-2004 een referentiebedrag van EUR 7 300 000 vermeld. Van dit totale bedrag kan jaarlijks ongeveer EUR 1 500 000 worden uitgetrokken voor de kosten op centraal niveau (productie van documenten, evaluatie, enz.) en steun voor nationale activiteiten. De gemiddelde subsidie bedroeg EUR 50 000 in 2000 en EUR 60 000 in 2001. Het werkelijke subsidiebedrag verschilt voornamelijk naargelang van het bevolkingsaantal van het land. In 2001 bedroeg de subsidie voor Duitsland bijvoorbeeld EUR 85 312, terwijl Liechtenstein en Nederland respectievelijk EUR 9 780 en EUR 44 965,50 vroegen.

2.2. De nationale uitvoeringsstructuren

2.2.1. De nationale contactpunten en hun taken

Overeenkomstig artikel 6 van de beschikking stellen de nationale autoriteiten "een of meer instanties aan die tot taak hebben om [...] de uitvoering op nationaal niveau in goede banen te leiden" en kiezen ze de meest geschikte werkwijze voor de uitvoering. In alle lidstaten is de uitvoering van het initiatief "Europass beroepsopleidingen" aan een of meer bestaande instanties toegewezen. Deze worden gewoonlijk "nationale contactpunten" (NCP's) genoemd, zoals in het Europese voorlichtingsboekje en de folder.

De nationale contactpunten hebben tot taak:

- informatie over het "Europass beroepsopleidingen"-initiatief te verstrekken en het gebruik van het "Europass beroepsopleidingen"-document te promoten;

- de voorraad "Europass beroepsopleidingen"-documenten in hun land te beheren;

- aanvragen voor "Europass beroepsopleidingen" te ontvangen van instellingen die mensen voor een opleiding naar het buitenland willen sturen;

- na te gaan of de projecten aan de criteria voor Europese trajecten voldoen en de beroepsopleidingsinstellingen de gevraagde documenten te bezorgen;

- op de uitvoering op nationaal niveau toe te zien.

De NCP's helpen ook bij het aanvragen en invullen van de "Europass beroepsopleidingen"-documenten. Aangezien veel NCP's naast "Europass beroepsopleidingen"-contactpunt ook nationaal "Leonardo da Vinci"-agentschap zijn of op een andere manier actief zijn als beroepsopleidings- of mobiliteitsagentschap, kunnen ze regelmatige contacten hebben met potentiële promotoren van Europese trajecten en kunnen ze promotoren van mobiliteitsprojecten ook praktische bijstand verlenen bij het opzetten van Europese trajecten.

2.2.2. Verschillen in aanpak op nationaal niveau

Alle landen hebben één instantie aangewezen als voornaamste nationale contactpunt, maar sommige hebben ook één of meer andere instanties aangewezen om ten minste een deel van de taken te verdelen of te decentraliseren.

Alle kleinere landen alsook Italië en het Verenigd Koninkrijk hebben één instantie aangewezen om als nationaal contactpunt te fungeren en de meeste uitvoerende taken te verrichten. [2] In de meeste gevallen zijn het organisaties met een veel ruimere taak op onderwijsgebied, die vaak ook als nationaal agentschap voor "Leonardo da Vinci" en andere internationale programma's fungeren. In sommige gevallen, zoals in Spanje en het Verenigd Koninkrijk, werkt het uitvoeringsagentschap samen met de bevoegde overheidsdienst en verricht deze een deel van de taken, met name de vertegenwoordiging op Europees niveau.

[2] Aangezien er in België geen federale autoriteit voor onderwijs en beroepsopleiding is, zijn daar drie instanties aangewezen, één per Gemeenschap.

Frankrijk heeft op nationaal niveau één instantie aangewezen (het nationaal agentschap voor "Socrates" en "Leonardo da Vinci"), maar heeft een netwerk van regionale contactpunten opgezet; per regio zijn twee instanties verantwoordelijk voor beroepsonderwijs en beroepsopleiding, in opdracht van de ministeries van Onderwijs en Landbouw enerzijds en het ministerie van Arbeid anderzijds. De drie ministeries hebben een nationale overeenkomst ondertekend en beheren gezamenlijk de "Europass beroepsopleidingen". De verschillende betrokken organisaties komen regelmatig bijeen en op verschillende niveaus zijn stuurgroepen ingesteld.

Duitsland heeft verscheidene instanties aangewezen, waarvan er één een coördinerende rol heeft (en ook verantwoordelijk is voor sommige mobiliteitsacties in het kader van "Leonardo da Vinci"). Drie andere instanties zijn op specifieke doelgroepen gericht; nog andere instanties dragen ook aan de uitvoering bij, voornamelijk door promotie, maar ook door de eigenlijke verspreiding van "Europass beroepsopleidingen"-documenten. Het federale ministerie van Onderwijs en Onderzoek (BMBF) oefent toezicht uit.

Ook de institutionele situatie van de NCP's verschilt van land tot land:

Tabel 1: Type instelling waartoe de nationale contactpunten behoren (december 2001).

Gespecialiseerde agentschappen voor internationale mobiliteit op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding [3] // DK, D, E, F, I, P, N, S, UK

[3] Sommige zijn Leonardo da Vinci-agentschappen of zijn verantwoordelijk voor de coördinatie van bepaalde onderdelen van Leonardo da Vinci, andere zijn grote organisaties met veel ruimere taken.

Overkoepelende organisaties van beroepsopleidingsinstellingen // IS, NL

Onderwijs- en beroepsopleidingsautoriteiten // B (De), FIN, FL, GR

Werkgelegenheids- en beroepsopleidingsdiensten // B (Fr), B (Nl), IRL

Ministeries* // A, L

* Oostenrijk: ministerie van Economische Zaken en Arbeid, Luxemburg: ministerie van Onderwijs, Beroepsopleiding en Sport.

In verscheidene landen (zoals B-Nl en IRL) zijn ad-hocstuurgroepen op nationaal of regionaal niveau (F) opgezet. In andere gevallen wordt deze taak verricht door een bestaand comité of bestuur dat voor alle werkzaamheden van de instantie in kwestie verantwoordelijk is (bijvoorbeeld DK). Meestal maken vertegenwoordigers van de sociale partners deel uit van deze comités.

Zoals uit onderstaande tabel blijkt, was de uitvoeringsstructuur begin 2000, bij de inwerkingtreding van de beschikking, slechts in een minderheid van de landen grotendeels vastgesteld en startklaar. In verscheidene landen zijn de instanties onmiddellijk aangewezen, maar waren ze pas na een paar maanden operationeel. In twee landen zijn de nationale structuren met aanzienlijke vertraging opgezet, maar ook daar waren ze begin 2001 operationeel.

Tabel 2: Tijdstip waarop de structuur operationeel was

Begin 2000 // A, D, DK, F, FIN, S, UK

Midden 2000 // IRL, NL

Eind 2000 // B-De, B-Fr, B-Nl, FL, I

Begin 2001 // GR, ISL, L, N

Eind 2001/begin 2002 // E, P

3. Uitvoeringswerkzaamheden

3.1. Nationaal beleid en nationale praktijk

De NCP's zijn volledig verantwoordelijk voor de verspreiding in hun land. Mobiliteitspromotoren ontvangen slechts "Europass beroepsopleidingen"-documenten voor mensen die een opleiding willen volgen nadat is nagegaan of hun project in aanmerking komt als Europees traject; dit is duidelijk een taak van de NCP's of het netwerk van interne contact- en afgiftepunten die ze coördineren.

3.1.1. Controle op de Europese trajecten

In de meeste landen meldden de NCP's dat alle documenten werden uitgereikt aan mensen die een Europees traject volgden dat voldeed aan de criteria van de beschikking (artikelen 2 en 3), namelijk: een alternerende beroepsopleiding die door de bevoegde autoriteiten wordt erkend of gecertificeerd, een partnerschap tussen de thuisinstelling en de gastinstelling met een overeenkomst over de inhoud, de doelstellingen, de duur, de methoden en de praktische aspecten van het Europees traject, en de bijstand van een mentor. In een aantal gevallen werden de documenten ingetrokken omdat niet aan bepaalde criteria was voldaan of omdat het traject niet naar behoren was voltooid.

Duitsland vormde een belangrijke uitzondering. Uit een studie van de universiteit van Keulen (zie verder) bleek dat Duitse NCP's ook "Europass beroepsopleidingen"-documenten hebben uitgereikt terwijl niet aan alle criteria voor Europese trajecten voldaan was, bijvoorbeeld wanneer er geen mentor voor het traject was aangewezen. Blijkbaar voldeed bij sommige NCP's een groot aantal trajecten niet aan alle criteria van de beschikking.

Om wederzijds begrip tot stand te brengen en ervoor te zorgen dat de verschillende betrokkenen de kwaliteitscriteria consequent toepassen, zijn soms, naast de Europese samenwerkingsovereenkomst, nationale samenwerkingsovereenkomsten gesloten (B-Nl, F). In sommige Franse regio's zijn ook regionale samenwerkingsovereenkomsten gesloten.

Alle landen lijken er belang aan te hechten dat de "Europass beroepsopleidingen" niet wordt gebruikt om om het even welke soort mobiliteit te staven, maar om de kwaliteit van de internationale mobiliteit in het kader van de beroepsopleiding te bevorderen.

De meeste landen hebben het toepassingsgebied niet beperkt en hebben elk soort initiatief inzake "alternerende" beroepsopleiding (of "alternerend" onderwijs) aanvaard. Denemarken daarentegen heeft enkel "Europass beroepsopleidingen"-documenten verstrekt aan erkende instanties binnen het "duale" (alternerende) onderwijs- en opleidingsstelsel.

3.1.2. Uitreikingsprocedures en praktische behandeling

In de meeste landen is de volgende procedure vastgesteld: de thuisinstelling, waarvan het project als Europees traject erkend is, ontvangt het "Europass beroepsopleidingen"-document van het NCP, vult de eerste bladzijde in en overhandigt het aan de betrokkene alvorens deze naar het buitenland vertrekt. De gastinstelling vult aan het eind van de opleiding de desbetreffende rubrieken in en de betrokkene brengt het document terug naar de gastinstelling, die het zo nodig laat vertalen. Soms wordt een kleine plechtigheid georganiseerd wanneer de houder het volledig ingevulde document overhandigd krijgt. Soms moest door bijzondere omstandigheden (zoals vertragingen van de post, vergissingen, enz.) van deze procedure afgeweken worden.

Een opmerkenswaardige uitzondering is Duitsland (waar de helft van alle "Europass beroepsopleidingen"-documenten is uitgereikt); daar stuurt de thuisinstelling de documenten naar de gastinstelling, die de desbetreffende rubrieken invult en het document terugstuurt. De betrokkene krijgt het document pas aan het einde van het traject overhandigd, gewoonlijk tijdens een kleine plechtigheid.

Het formaat van het "Europass beroepsopleidingen"-document brengt praktische problemen met zich, aangezien het weinig ruimte biedt om de opleiding te beschrijven en alleen met de hand of met een schrijfmachine ingevuld kan worden. Om de promotoren in de gelegenheid te stellen een computer te gebruiken, leverde het Italiaanse NCP zelfklevende etiketten.

De uitvoeringsorganen en de promotoren maken vaak de opmerking dat een elektronisch formaat veel handiger zou zijn. Dezelfde opmerking werd in juli 2000 gemaakt in een schriftelijke vraag van een Europees parlementslid [4].

[4] Schriftelijke vraag E-2478/00 van Karl von Wogau (PPE-DE) aan de Commissie (24 juli 2000); antwoord van commissaris Reding namens de Commissie (29 september 2000); PB C 113 E van 18.4.2001 (blz. 106).

Hetzij om praktische redenen, hetzij om het "Europass beroepsopleidingen"-document meer aanzien te geven, hebben sommige landen er een aantal elementen aan toegevoegd.

Zo geven verscheidene landen elk "Europass beroepsopleidingen"-document (B-Fr, B-Nl, GR, IRL, ISL, N, S, UK) of elk traject (F, I) een nummer. Dit biedt enige bescherming tegen verlies of vervalsing en maakt het makkelijker na te gaan wat er van de documenten terechtkomt. Soms bevat het nummer een code voor de sector of het type thuisinstelling (B-Fr, F). Soms wordt ook de geboortedatum van de houder vermeld (ISL, N, S). Zweedse promotoren kunnen ook een foto toevoegen. In het Verenigd Koninkrijk zitten de "Europass beroepsopleidingen"-documenten in een plastic hoesje.

Het toezicht wordt soms bemoeilijkt doordat op één "Europass beroepsopleidingen"-document maximaal drie trajecten vermeld mogen worden. In veel landen kan het NCP alleen op het eerste traject enig toezicht uitoefenen. Daarna hangt het er vanaf of de houders te goeder trouw zijn en de nationale instantie in kennis stellen van eventuele verdere trajecten. In het Franse systeem kan ook op verdere trajecten toezicht gehouden worden. Verdere trajecten van dezelfde instelling worden op hetzelfde document vermeld; indien het om een andere thuisinstelling gaat, krijgt de houder een nieuw document. In sommige landen, met name Duitsland, is het NCP alleen verantwoordelijk voor de "Europass beroepsopleidingen"-documenten, niet voor de trajecten. In andere landen, zoals Italië, wordt voor elk nieuw traject een nieuw "Europass beroepsopleidingen"-document uitgereikt.

3.2. Gegevens over de Europese trajecten en het gebruik van de "Europass beroepsopleidingen"-documenten

Bij de uitvoering is de voornaamste activiteit de uitreiking van "Europass beroepsopleidingen"-documenten aan de eindgebruikers door de thuisinstellingen, die de documenten op hun beurt ontvangen van de NCP's. De NCP's zijn volledig verantwoordelijk voor de verspreiding in hun land. Mobiliteitspromotoren ontvangen slechts "Europass beroepsopleidingen"-documenten voor mensen die een opleiding willen volgen nadat is nagegaan of hun project in aanmerking komt als Europees traject; dit is duidelijk een taak van de NCP's, die dit eventueel kunnen doen via een gecoördineerd netwerk van interne contact- en afgiftepunten.

De eigenlijke verspreiding van de "Europass beroepsopleidingen"-documenten onder de beroepsopleidingsinstellingen is in de verschillende landen op verschillende tijdstippen begonnen; daardoor verschillen het aantal uitgereikte "Europass beroepsopleidingen"-documenten en de hoeveelheid beschikbare gegevens aanzienlijk. In sommige landen is bij het organiseren van de verspreiding vertraging opgelopen; in andere landen is besloten vooraf een krachtig computersysteem op te zetten en te testen. Sinds december 2001 verloopt de verspreiding in alle landen probleemloos.

In november 2001 waren in de 18 landen (zie verder) ongeveer 19 300 "Europass beroepsopleidingen"-documenten uitgereikt.

De hoeveelheid statistische gegevens die tot dusver beschikbaar is, verschilt van land tot land doordat elk land op verschillende wijze toezicht houdt op de uitvoering en doordat de uitvoeringsperiode in een aantal landen vrij kort was.

3.2.1. Aantal per land

Zoals hierboven vermeld, waren in november 2001 in de 18 landen in totaal ongeveer 19 300 "Europass beroepsopleidingen"-documenten uitgereikt. Hoewel op een "Europass beroepsopleidingen"-document maximaal drie Europese trajecten vermeld mogen worden, hebben tot nog toe zeer weinig betrokkenen meer dan één traject voltooid en opgetekend, zodat het aantal documenten vrijwel gelijk is aan het aantal afgelegde trajecten.

Tabel 3: In "Europass beroepsopleidingen"-documenten opgetekende Europese trajecten in november 2001.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

* Aantal documenten dat door de beroepsopleidingsinstellingen aangevraagd is. In principe zijn sommige van de trajecten in kwestie misschien niet voltooid (onderbreking van het project, voortijdige beëindiging, enz.). Bron: verslag van externe contractant, BBJ Consult AG.

Hoewel de tabel over het geheel genomen overeenkomt met de demografische gegevens, de onderwijs- en opleidingssystemen en de verschillen in de vordering van de uitvoering van het initiatief "Europass beroepsopleidingen", haalt Duitsland opvallende cijfers: Duitsland alleen vertegenwoordigt namelijk bijna de helft van de Europese trajecten. Enerzijds kan dit verklaard worden door de omvang van het "alternerende systeem" in Duitsland: slechts 1% van de 600 000 leerovereenkomsten omvatte een periode in het buitenland, maar dat vertegenwoordigt wel 6 000 trajecten. Anderzijds omvatten de Duitse cijfers ook projecten die niet aan de overeengekomen criteria voldeden en die in de meeste andere landen niet als Europese trajecten aanvaard zouden zijn (zie punt 3.1.1.).

Ook kleinere landen zoals Oostenrijk en Denemarken halen verhoudingsgewijs hoge cijfers (de Deense cijfers waren nog niet bevestigd). Andere grote "leveranciers" waren Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Al deze landen hebben zowel een goed ontwikkeld leerlingwezen als een lange traditie van internationale mobiliteit in de beroepsopleiding, die niet alleen van communautaire programma's afhangt.

In Italië is er een minder lange traditie van internationale mobiliteit van leerlingen dan in Frankrijk, wat voor een groot deel de kloof tussen deze landen met een vergelijkbaar bevolkingsaantal verklaart. Bijna alle Italiaanse trajecten verliepen in het kader van communautaire programma's (vooral Leonardo da Vinci).

Voor Spanje zijn door de vertraging bij het organiseren van de uitvoering geen gegevens beschikbaar.

3.2.2. Bewegingen tussen landen

De beschikbare informatie is onvolledig en betreft niet altijd dezelfde periode. Daar waar gegevens beschikbaar zijn, moet worden opgemerkt dat de cijfers voor verscheidene landen tot dusver nog laag zijn, waardoor één mobiliteitsproject dat een bepaald land betreft, op tendensen kan wijzen die op langere termijn fout blijken te zijn.

Tabel 4: Bewegingen tussen landen.*

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

* Niet voor alle landen zijn gegevens beschikbaar. Voor sommige landen betreffen de gegevens een latere periode dan november 2001.

Alle landen traden op als gastheer voor Europese trajecten. Dat Engels de meest gesproken tweede taal is, draagt zeker bij aan de populariteit van zowel Ierland (de eerste bestemming onder de kleinere landen) en het Verenigd Koninkrijk (de populairste bestemming in het algemeen). Dat wordt door de NCP's bevestigd.

Waar een gevestigde traditie van bilaterale uitwisselingen tussen buurlanden bestaat, zoals het Frans-Duitse uitwisselingssysteem voor jongeren, heeft dat duidelijk enig effect. Sommige gegevens lijken ook op de invloed van sociale, culturele en taalkundige banden (van I naar E en F) en economische uitwisselingen (I en D) te wijzen. Anderzijds kunnen taalkundige verschillen en geografische afstand ook interesse kweken (van B-Nl, D en S naar E - dat Spaans een internationale taal is, kan ook een rol spelen).

3.2.3. Duur van de opleidingen

Hoewel niet voor alle landen gedetailleerde cijfers beschikbaar zijn, kan worden gesteld dat de opleidingen in het buitenland tussen 3 en 15 weken duren, met een zekere nadruk op twee uitersten, namelijk kortere (3 à 4 weken) en langere periodes (9 à 12 weken). Dit patroon is zeer duidelijk in B-Nl, GR and L (hoewel L ook een aantal stages van 6 weken meldt). In Frankrijk duurt 60% van de opleidingen in het buitenland tussen 4 en 12 maanden, de rest is gelijkmatig verdeeld over kortere en langere periodes. Opleidingen vanuit Ierland duren gemiddeld 8 weken, vanuit Noorwegen 9 à 16 weken en vanuit Liechtenstein 12 à 24 weken. In Zweden is de gemiddelde duur 3 weken, maar er worden ook langere stages gemeld (3,5 of 6 maanden of zelfs een jaar). Finland meldt een gemiddelde duur van ongeveer 6 weken, maar er waren ook projecten van 30 weken.

3.2.4. Geslacht en leeftijd van de "Europass beroepsopleidingen"-houders

Uit de beschikbare informatie blijkt dat in het algemeen meer vrouwen dan mannen betrokken zijn bij Europese trajecten waarvoor "Europass beroepsopleidingen"-documenten aangevraagd zijn.

De kleinere landen geven een uiteenlopend beeld. Terwijl in België meer mannen dan vrouwen een "Europass beroepsopleidingen"-document aanvragen (40 tegen 31 in B-Fr en 120 tegen 116 in B-Nl), volgen Ierland (38 vrouwen en 16 mannen) en Zweden (204 vrouwen en 160 mannen) de tendens. In Finland is de kloof bijzonder groot (329 vrouwen en 137 mannen). De gegevens zijn bijzonder interessant in landen met een groot aantal "Europass beroepsopleidingen"-houders: zowel in Duitsland als in Frankrijk betrof 55% van de trajecten vrouwen. In Frankrijk bezaten vrouwen in november 2001 1 525 van de 2 697 uitgereikte "Europass beroepsopleidingen"-documenten (mannen 1 127). In Duitsland vertegenwoordigden vrouwen 4 786 van de 8 635 aanvragen waarover gegevens beschikbaar zijn (tegen 3 849 aanvragen van mannen).

De uitsplitsing naar leeftijd, die voor weinig landen beschikbaar is, geeft een grote meerderheid jongeren van rond de 20. In Vlaanderen is 75% van de "Europass beroepsopleidingen"-houders tussen 18 en 25; Noorwegen maakt een onderscheid tussen de leeftijdsgroepen 16 tot 19 en 20 tot 23 (de eerste is iets groter). In Frankrijk is 62% van de mensen die een Europees traject volgen, tussen 19 en 21 jaar oud, 14% is jonger (16 tot 18) en 20% ouder (22 tot 25). De Finse "Europass beroepsopleidingen"-houders zijn gemiddeld 22 jaar.

3.2.5. Onderwijsniveau en type instelling

Hoewel niet voor alle landen gegevens beschikbaar zijn, kunnen het niveau van de Europese trajecten en het type instelling dat ze uitreikt, in grote trekken geschetst worden.

Hoewel de nationale stelsels onderlinge verschillen vertonen, is de situatie in verscheidene landen (A, B-Nl, FIN, IRL, ISL, I, S) ongeveer dezelfde: ongeveer 80% van de mensen die een Europees traject volgen, loopt school op middelbaar of hoger middelbaar niveau, in een beroepsopleidingsinstelling of een technische school. In het algemeen melden deze landen ook trajecten op hogeronderwijsniveau (10 à 20%) en in het kader van beroepsopleidingsprogramma's op een lager niveau (minder dan 10%).

In Frankrijk maken het middelbaar onderwijs en korte programma's op hoger middelbaar niveau bijna 75% van de trajecten uit (gelijk verdeeld over beide types); het lager middelbaar en het hoger onderwijs vertegenwoordigen elk ongeveer 13%. In het Franse systeem bestrijkt het leerlingwezen alle niveaus, ook het hoger onderwijs.

In IJsland werden de "Europass beroepsopleidingen"-documenten uitgereikt aan leerlingen die, al dan niet in het leerlingwezen, hoger middelbaar onderwijs volgen. In Luxemburg, Nederland en Noorwegen volgen vrijwel alle deelnemers een beroepsopleiding op middelbaar niveau, in sommige gevallen in het kader van het leerlingwezen. De Griekse deelnemers aan "Europass beroepsopleidingen" hebben in het algemeen al een diploma hoger middelbaar onderwijs en studeren in het kader van postsecundaire programma's aan hogeronderwijsinstellingen of beroepsopleidingsinstellingen. In de Franse Gemeenschap van België en in Ierland worden de meeste "Europass beroepsopleidingen"-documenten door hogeronderwijsinstellingen aangevraagd en gebruikt.

Duitsland vertoont een ander beeld, waarschijnlijk doordat de meeste Duitse trajecten (die ongeveer de helft van alle Europese trajecten uitmaken) leerlingen betreffen die een basisopleiding volgen. Een steekproefanalyse in de studie van de universiteit van Keulen lijkt dit te bevestigen.

3.2.6. Deelname per bedrijfssector en betrokkenheid van het MKB

De gegevens over de sectoren waarop de Europese trajecten betrekking hebben, zijn zeer fragmentarisch. In de landen waarvoor gegevens beschikbaar zijn, kennen de hotel-, restaurant- en toerismesector vaak het meeste succes (36% FIN, 27% N, 30% L). Veel trajecten betreffen ook andere dienstensectoren (bijvoorbeeld I: 25% in algemene diensten; FIN: 21% in de sociale sector en de gezondheidszorg), maar verder komen bijna alle sectoren aan bod.

Behalve onderwijs- en opleidingsinstellingen zijn tot dusver weinig MKB-bedrijven bij de trajecten betrokken. In verscheidene gevallen zijn nog geen specifieke maatregelen genomen om de deelname van het MKB te bevorderen, doordat de NCP's hun middelen vooral hebben ingezet om de organisatie op te starten.

Veel leerlingen werken in het MKB, en het is bekend dat een leerling - zelfs voor een korte periode - naar het buitenland sturen, voor kleine bedrijven een moeilijke keuze is. Enerzijds vinden MKB-bedrijven die de voordelen van een stage in het buitenland erkennen, dat het "Europass beroepsopleidingen"-document het leerlingschap meer aanzien geeft en de leerlingen motiveert. Volgens het Franse NCP en de evaluatiestudie van de universiteit van Keulen wint deze positieve houding terrein.

Anderzijds zien sommige bedrijven, groot of klein, er het nut niet van in hun leerlingen voor een tijd naar het buitenland te sturen. Het lijkt onwaarschijnlijk dat het "Europass beroepsopleidingen"-programma op zich deze houding kan doen veranderen, zelfs naarmate het meer bekendheid krijgt. Dat het MKB geen specifieke voordelen ziet in de "Europass beroepsopleidingen" wordt bijvoorbeeld gemeld door het Duitse NCP.

De deelname van het MKB als gastbedrijven is in het algemeen groter. Griekenland meldt evenveel MKB-bedrijven als beroepsopleidingsinstellingen, en een regionaal contactpunt in Frankrijk meldt dat de meeste gastorganisaties MKB-bedrijven zijn.

3.2.7. Betrekkingen met andere programma's en initiatieven

Hoewel weinig cijfers beschikbaar zijn, bevestigen alle NCP's dat er een verband is tussen "Europass beroepsopleidingen" en het programma "Leonardo da Vinci", hoewel het belang daarvan verschilt: zo waren in Italië en Noorwegen bijna alle Europese trajecten mobiliteitsprojecten in het kader van "Leonardo da Vinci", terwijl in Zweden de helft van de thuisinstellingen subsidies aanvroeg in het kader van andere programma's. Verder draagt "Leonardo da Vinci" bij aan ruim een derde van de Finse en een kwart van de Franse trajecten.

Tot dusver spelen andere door de Gemeenschap gefinancierde initiatieven en programma's een beperkte rol: zo ontving bijvoorbeeld slechts 5% van de Franse en 2% van de Finse Europese trajecten steun in het kader van "Socrates". In Italië waren er een paar projecten in het kader van "Jeugd" en een paar Franse Europese trajecten kreeg steun in het kader van "Equal".

Afgezien van de klaarblijkelijke overeenkomsten tussen de mobiliteitsprojecten in het kader van "Leonardo da Vinci" en het concept van de Europese trajecten, lijken de verbanden eerder institutioneel te zijn. Enerzijds wordt in het "Leonardo da Vinci"-besluit expliciet naar de beschikking over de Europese trajecten verwezen. [5] Anderzijds zijn veel NCP's ook nationale "Leonardo da Vinci"-agentschappen (zie punt 2.2).

[5] Zie Besluit 1999/382/EG van de Raad van 26 april 1999 tot vaststelling van de tweede fase van het communautaire actieprogramma inzake beroepsopleiding "Leonardo da Vinci". PB L 146 van 11.6.1999, blz. 33. De verwijzing bevindt zich in bijlage 1, deel II, punt 1, blz. 40.

In Italië heeft ongeveer 89% van de mobiliteitsprojecten in het kader van het programma "Leonardo da Vinci" die in 2001 zijn goedgekeurd, ook een aanvraag ingediend voor "Europass beroepsopleidingen". In Denemarken hebben alle Leonardo-mobiliteitsprojecten (onderdeel 1 en 2) die in 2001 zijn goedgekeurd, automatisch evenveel Europass-documenten ontvangen als er deelnemers waren.

In verscheidene landen hebben ook niet-communautaire programma's een rol gespeeld, bijvoorbeeld:

- het gevestigde Frans-Duitse uitwisselingsprogramma voor jongeren (zie hierboven);

- het "Training Bridge"-programme ter bevordering van Brits-Duitse samenwerking op het gebied van alternerende beroepsopleiding (opgezet in december 1998);

- het Deense PiU-programma, dat Deense jongeren die een initiële beroepsopleiding volgen, in de gelegenheid stelt om een praktijkopleiding in het buitenland te volgen;

- het Scandinavische programma "Nordplus Junior".

3.3. Voorlichting en promotie

In veel landen zijn de voorlichtingsactiviteiten over het "Europass beroepsopleidingen"-initiatief al van start gegaan voordat het programma in werking trad, en wel met een startconferentie eind 1999 (DK, D, F, FIN, NL, L, S, UK). Oostenrijk organiseerde in plaats van een conferentie een voorlichtingscampagne, en vele landen organiseerden naast of in plaats van een nationale conferentie een reeks regionale evenementen. Sommige landen (I, N) verkozen het nationale startevenement pas te organiseren wanneer de organisatie operationeel was. Deze conferenties werden meestal bijgewoond door beroepsopleidingsinstellingen, promotoren van mobiliteitsprojecten, vertegenwoordigers van de sociale partners en van de nationale en lokale autoriteiten.

Voor de voorlichting over en de promotie van het "Europass beroepsopleidingen"-initiatief werden niet alleen specifieke evenementen, middelen en campagnes gebruikt. Ook tijdens nationale of lokale evenementen in verband met onderwijs en beroepsopleiding was er dikwijls een stand waar het "Europass beroepsopleidingen"-initiatief werd gepresenteerd. Dit werd duidelijk vergemakkelijkt doordat het NCP vaak deel uitmaakt van of nauwe banden onderhoudt met ruimere onderwijs- en beroepsopleidingsinstellingen (zie punt 2.2.2).

Alle landen verdeelden niet alleen het boekje en de folder van de Commissie, maar ontwierpen ook hun eigen voorlichtingsmateriaal, meestal voor het grote publiek, maar soms ook voor specifieke doelgroepen. Sommige landen produceerden ook hulpmiddelen voor promotoren en potentiële begunstigden. Zo maakte Oostenrijk een cd-rom, publiceerde Italië een uitgebreide handleiding op papier en een cd-kaart, en produceerde Noorwegen een speciale videofilm en een multimediapresentatie.

Veel lidstaten ontwikkelden nationale "Europass beroepsopleidingen"-websites, waarop niet alleen algemene informatie, maar ook praktische aanwijzingen voor het aanvragen en het gebruik van het document te vinden is, en soms ook een interactieve interface met het beheersysteem van het initiatief. Het Franse systeem, dat promotoren in de gelegenheid stelt om on line een aanvraag in te dienen, werd overgenomen door het Italiaanse en het Noorse NCP. De Noren integreerden het in hun nationale "Leonardo da Vinci"-systeem. Op sommige websites vinden internetgebruikers ook het adres van een helpdesk.

3.4. Evaluatie

Een paar landen, namelijk Finland, Duitsland, Nederland en Zweden, hebben reeds een nationale evaluatie uitgevoerd.

De Finnen voerden een doorlopend onderzoek uit aan de hand van verslagformulieren van leerlingen en coördinatoren. In het algemeen stelden zowel de beroepsopleidingsinstellingen als de leerlingen de "Europass beroepsopleidingen" op prijs, maar vonden ze dat het document zelf gebruiksvriendelijker kon worden gemaakt. Met name studenten in het hoger beroepsonderwijs vonden het "Europass beroepsopleidingen"-document nuttig om opleidingsperioden in het buitenland op te tekenen. Ongeveer één op de vier leerlingen vond dat het "Europass beroepsopleidingen"-document hem of haar in de toekomst zeer van nut zou zijn; de helft van de leerlingen vond dat het waarschijnlijk nuttig zou zijn. De meeste leerlingen waren tevreden of zeer tevreden met hun "Europass beroepsopleidingen"-ervaring (4% was niet tevreden).

De Duitse studie, die werd uitgevoerd door het onderzoeksinstituut voor de ambachtelijke sector van de universiteit van Keulen, betrof alle Duitse contactpunten, ongeveer 300 promotoren van internationale mobiliteitsprojecten en een aantal "Europass beroepsopleidingen"-houders. De studie bevat informatie over het praktische gebruik, de voordelen en het aanzien van de "Europass beroepsopleidingen". Zoals hierboven vermeld, bleek uit de studie dat de Duitse NCP's geneigd zijn om ook "Europass beroepsopleidingen"-documenten uit te reiken wanneer niet aan alle kwaliteitscriteria voor Europese trajecten voldaan is (zie punten 3.1.1 en 3.2.1). Andere bevindingen zijn: de acceptatie door de bedrijven vormt geen probleem; de leerlingen zouden liever zelf de "Europass beroepsopleidingen" mogen aanvragen; de NCP's en de beroepsopleidingsinstellingen vonden de "Europass beroepsopleidingen" een vrij nuttig instrument dat trajecten meer aanzien geeft en mogelijk van nut kan zijn op de arbeidsmarkt; het oordeel van de eindgebruikers loopt sterk uiteen; het formaat is niet gebruiksvriendelijk. Er werd geconcludeerd dat de "Europass beroepsopleidingen" een goed instrument kan worden om ervaringen in het buitenland op te tekenen, maar dat het gebruiksvriendelijker moet worden en beter bekend gemaakt moet worden.

De Nederlandse studie werd in een vroege fase van de uitvoering uitgevoerd door het CINOP. Er werden antwoorden van personeelsleden van tien beroepsopleidingsinstellingen en van een aantal "Europass beroepsopleidingen"-houders in verwerkt. In de studie werden het beleid, de procedures, de organisatie, de voorlichting, de gastinstellingen en de effecten onderzocht. Verscheidene leerlingen en opleidingsinstellingen waren van mening dat de "Europass beroepsopleidingen" onvoldoende bekend was om een effect van betekenis te hebben op de arbeidsmarkt. In de studie werden de volgende suggesties gedaan: in een elektronische "Europass beroepsopleidingen" voorzien; het hulpmiddel en de uitvoeringsstructuur beter bekend maken; en de "Europass beroepsopleidingen" promoten als een blijk van de Europese visie van de houder.

Het Zweedse onderzoek werd rechtstreeks door het nationale contactpunt uitgevoerd onder projectpromotoren en een aantal "Europass beroepsopleidingen"-houders. Er werd gevraagd naar de perceptie en de acceptatie van de "Europass beroepsopleidingen". De gemeenschappelijke Europese structuur werd zeer gewaardeerd. Sommige organisaties waren van mening dat het document hun leerlingen had gemotiveerd om naar het buitenland te gaan; doordat ze toekomstige werkgevers een document konden tonen, kreeg hun stage immers meer aanzien. De meeste organisaties vonden dat het "Europass beroepsopleidingen"-document de houders kon helpen bij het zoeken naar werk, aangezien het getuigde van een ervaring waar op de arbeidsmarkt meestal vraag naar is. De beschrijving van de vaardigheden in het "Europass beroepsopleidingen"-document was wel voor verbetering vatbaar.

4. Conclusies

Twee jaar na de inwerkingtreding van Beschikking 1999/51/EG kan de staat van de uitvoering ervan als volgt worden samengevat:

* De uitvoering is georganiseerd en verloopt vlot:

- Alle lidstaten hebben één of meer bestaande instanties - "nationale contactpunten (NCP's)" genaamd - met de uitvoering van het "Europass beroepsopleidingen"-initiatief belast;

- De Commissie heeft via vergaderingen met vertegenwoordigers van de NCP's de coördinatie en de uitwisseling van informatie bevorderd. De Commissie en de NCP's hebben een niet-bindende samenwerkingsovereenkomst goedgekeurd.

* De eigenlijke verspreiding is in alle landen begonnen (met één uitzondering, waar begin 2002 wordt begonnen). In november 2001

- waren ongeveer 19 300 "Europass beroepsopleidingen"-documenten uitgereikt.

* In het algemeen zijn de documenten uitgereikt om Europese trajecten op te tekenen die voldeden aan de criteria van de beschikking. Dit was echter niet altijd het geval, met name in Duitsland.

* Uit de beschikbare gegevens blijkt met name het volgende:

- Alle landen hebben Europese trajecten ontvangen of ontvangen er momenteel. De Engelstalige landen zijn de populairste bestemmingen;

- De opleidingen in het buitenland duren gemiddeld tussen 3 en 15 weken;

- Over het geheel genomen maken vrouwen een kleine meerderheid van de "Europass beroepsopleidingen"-houders uit (ongeveer 55%);

- Een grote meerderheid van de "Europass beroepsopleidingen"-houders is ongeveer 20 jaar oud (17-23);

- Ongeveer driekwart van de "Europass beroepsopleidingen"-houders volgt onderwijs of een beroepsopleiding op middelbaar of hoger middelbaar niveau. Lagere en hogere onderwijsniveaus maken elk 10 à 15% uit;

- De hotel-, restaurant- en toerismesector zijn de populairste sectoren, hoewel in alle sectoren één of meer trajecten voorkomen;

- Het MKB (met uitzondering van onderwijs- en beroepsopleidingsinstellingen) stuurt zelden leerlingen uit, maar ontvangt vaak Europese trajecten;

- Veel Europese trajecten maken deel uit van het programma "Leonardo da Vinci", maar het aandeel verschilt van land tot land (30 à 100%). Andere door de Gemeenschap gefinancierde programma's ("Socrates", "Jeugd", "Equal") spelen een ondergeschikte rol. In sommige landen maakt maximaal 50% van de Europese trajecten deel uit van bilaterale of nationale initiatieven.

* Voor voorlichting en promotie is gezorgd door startconferenties, de verspreiding van op Europees en nationaal niveau geproduceerde voorlichtingsboekjes en -folders, deelname aan belangrijke evenementen, voorlichtingscampagnes, websites, enz..

- Zowel op Europees als op nationaal niveau worden websites beheerd. In sommige landen maken ze deel uit van een informatiebeheersysteem.

* De coördinatievergaderingen worden bijgewoond door vertegenwoordigers van de Europese sociale partners. Op nationaal niveau maken vertegenwoordigers van de sociale partners vaak deel uit van stuurgroepen of soortgelijke organen.

* Sommige landen hebben nationale evaluatiestudies uitgevoerd. Op Europees niveau is een evaluatieplan opgesteld, dat een seminar (3 en 4 juni 2002) en een tussentijdse evaluatiestudie (verwacht tegen december 2002) omvat.

Top