Help Print this page 
Title and reference
Verslag van de Commissie over de inname van levensmiddelenadditieven via de voeding in de Europese Unie

/* COM/2001/0542 def. */
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html DA html DE html EL html EN html FR html IT html NL html PT html FI html SV
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT pdf FI pdf SV
Multilingual display
Text

52001DC0542

Verslag van de Commissie over de inname van levensmiddelenadditieven via de voeding in de Europese Unie /* COM/2001/0542 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE over de inname van levensmiddelenadditieven via de voeding in de Europese Unie

Inhoudsopgave

Samenvatting

1. Inleiding

2. Achtergrond

3. Monitoring

3.1. Buiten beschouwing gelaten additieven

3.2. Additieven in de fase-1-screening

3.3. Additieven in de fase-2-screening

3.4. Additieven in de fase-3-screening

4. Monitoringgegevens

4.1. Aanwijzingen voor het rapporteren van de monitoringgegevens

4.2. Ingediende monitoringgegevens

4.2.1. Actualiteit van de gegevens

4.2.2. Representativiteit

4.2.3. Soort onderzoek

4.2.4. Populatietypen

4.2.5. Duur van het onderzoek

5. Resultaten over de inname

5.1. Fase 1

5.2. Fase 2

5.3. Fase 3

6. Discussie

7. Conclusies

Samenvatting

Op grond van de richtlijnen 94/35/EG, 94/36/EG en 95/2/EG van het Europees Parlement en de Raad moeten alle lidstaten toezicht houden op de consumptie en het gebruik van levensmiddelenadditieven. De Commissie moet over dit toezicht een verslag bij het Europees Parlement en de Raad indienen.

Tien lidstaten en Noorwegen hebben in het kader van de wetenschappelijke samenwerking van de EU gezamenlijk een gefaseerde aanpak ontwikkeld om de inname van additieven via de voeding te evalueren. In de achtereenvolgende fasen worden de methoden voor het bepalen van de inname steeds uitvoeriger en worden er meer gegevens gebruikt, zodat geleidelijk een nauwkeuriger beeld van de inname van additieven tot stand komt. Als uit de resultaten over de inname in een bepaalde fase blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de ADI wordt overschreden, worden de betrokken additieven niet verder onderzocht. Daardoor kan het onderzoek zich richten op een verfijndere bepaling van de inname van de resterende additieven. Opgemerkt wordt dat deze fasen slechts een hulpmiddel zijn om de prioriteiten voor verdere monitoring te bepalen.

Dit verslag is een eerste poging om de inname van levensmiddelenadditieven in de Europese Unie in kaart te brengen. Hoewel de resultaten slechts een zeer voorlopige indicatie van de inname van additieven via de voeding zijn, blijkt eruit dat voor de meeste levensmiddelenadditieven die op dit moment in de Europese Unie zijn toegestaan de inname onder de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) ligt die door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding is vastgesteld.

Dit verslag heeft een groot aantal beperkingen. Met de beschikbare voedselconsumptiegegevens kon de daadwerkelijke inname van additieven niet goed worden bepaald, zodat "worst-case"-aannamen moesten worden gemaakt waardoor een te hoge schatting van de inname werd verkregen. Ook hebben verschillende lidstaten niet de afgesproken methoden voor het bepalen van de additieveninname gebruikt, zodat de verzamelde gegevens niet vergelijkbaar zijn. Het blijkt dus hoe belangrijk het is dat de lidstaten de afgesproken geharmoniseerde methoden gebruiken om consistentie te verzekeren en voldoende middelen in te zetten om de inname in de toekomst te bepalen. Op die basis moet dit onderzoek worden herhaald en binnen drie jaar een nieuw verslag worden opgesteld.

Inleiding

De toelating en het gebruik van levensmiddelenadditieven in de Europese Unie zijn gebaseerd op de kaderrichtlijn 89/107/EEG inzake levensmiddelenadditieven [1]. Op grond van deze kaderrichtlijn hebben het Europees Parlement en de Raad drie bijzondere richtlijnen vastgesteld, namelijk voor zoetstoffen (Richtlijn 94/35/EG [2]), kleurstoffen (Richtlijn 94/36/EG [3]) en andere levensmiddelen (Richtlijn 95/2/EG [4]). Met de goedkeuring van de laatste richtlijn in 1995 is de wetgeving voor levensmiddelenadditieven in de Europese Unie volledig geharmoniseerd.

[1] PB L 40 van 11.2.1989, blz. 27.

[2] PB L 237 van 10.9.1994, blz.1.

[3] PB L 237 van 10.9.1994, blz. 13.

[4] PB L 61 van 18.3.1995, blz. 1.

Volgens artikel 8 van Richtlijn 94/35/EG, artikel 6 van Richtlijn 94/36/EG en artikel 7 van Richtlijn 95/2/EG moesten de lidstaten een systeem invoeren om het verbruik van levensmiddelenadditieven te controleren. Doel hiervan was de consumptie van levensmiddelenadditieven te monitoren en erop toe te zien dat de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) voor levensmiddelenadditieven zoals vastgesteld door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding niet wordt overschreden.

Daartoe hebben de lidstaten zich in het kader van de wetenschappelijke samenwerking (SCOOP) gebogen over een methode om gegevens te verzamelen waarmee vergelijkingen tussen de lidstaten mogelijk zijn. Deze SCOOP-taak is in januari 1998 voltooid.

In augustus 1999 heeft de Commissie de lidstaten richtsnoeren gestuurd om aan te geven hoe zij hun bevindingen aan de Commissie moesten rapporteren. De volgende lidstaten hebben informatie gestuurd: Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. De overige lidstaten hadden deze werkzaamheden wegens gebrek aan middelen niet kunnen uitvoeren. Van de EVA-landen heeft Noorwegen informatie aan de Commissie gezonden.

In dit verslag wordt uiteengezet hoe de monitoring is uitgevoerd, hoe de resultaten zijn gerapporteerd en wat voor informatie is ontvangen. Beschreven wordt welke gegevens over de voedselconsumptie zijn gebruikt om de innames te berekenen. De innames zijn weergegeven in tabelvorm, met aparte tabellen voor volwassenen en kinderen. Ook worden conclusies getrokken over het werk dat in de toekomst moet worden gedaan.

Het verslag is een eerste poging om de inname van levensmiddelenadditieven in de Europese Unie in kaart te brengen. Het geeft slechts een zeer voorlopige indicatie van de inname van levensmiddelenadditieven via de voeding.

De Commissie dankt dr. Wendy Matthews van het Britse Food Standards Agency, dr. Inge Meyland van de Deense Dienst voor veterinaire zaken en levensmiddelen, dr. Pirjo-Liisa Penttilä van het Finse Dienst voor levensmiddelen en dr. Philippe Verger van het Institut National de la Recherche Agronomique (INRA) voor hun medewerking bij het samenstellen van dit verslag.

2. Achtergrond

In 1996 is krachtens Richtlijn 93/5/EEG betreffende de bijstand aan de Commissie en de samenwerking van de lidstaten bij het wetenschappelijk onderzoek van vraagstukken in verband met levensmiddelen [5] een taak vastgesteld getiteld "Uitwerking van methodes voor de beoordeling van de geconsumeerde hoeveelheden levensmiddelenadditieven" (SCOOP-taak 4.2). Deze taak was bedoeld om:

[5] PB L 52 van 4.3.1993, blz. 18.

* gegevens op te sporen aan de hand waarvan de vermoedelijke inname van additieven kan worden geëvalueerd;

* de gebruikte methoden voor het monitoren van het gebruik van additieven en het schatten van de inname onder de loep te nemen;

* na te gaan of voor verschillende soorten additieven verschillende benaderingen moeten worden gevolgd;

* systematische procedures op te stellen voor het opsporen van additieven waarvan de mogelijke inname de meeste aanleiding tot bezorgdheid geeft;

* een strategie uit te zetten waarbij de complexiteit en de kosten van het bepalen van de inname in overeenstemming zijn met de mate van bezorgdheid over de mogelijke inname van een additief.

De volgende lidstaten hebben aan deze SCOOP-taak deelgenomen: Denemarken, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Ook Noorwegen heeft aan de taak deelgenomen. Het rapport verscheen in januari 1998 [6].

[6] The scientific co-operation report on development of methodologies for the monitoring of food additive intake across the European Union (SCOOP/INT/REPORT/2).

De deelnemers aan de SCOOP-taak hebben de toepasbare methoden voor het schatten van de inname van levensmiddelenadditieven geëvalueerd en een gefaseerde aanpak voorgesteld die de lidstaten konden gebruiken om aan de monitoringvoorschriften van de richtlijnen te voldoen. Volgens het rapport moet de monitoring van de inname van additieven trachten na te gaan of de blootstelling van consumenten aan levensmiddelenadditieven geregeld de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) overschrijdt. Aan de hand van deze gegevens kan de communautaire wetgever dan nagaan of, en zo ja welke, maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geadviseerde veiligheidsniveau wordt aangehouden.

In box 1 worden een aantal in dit verslag gebruikte termen gedefinieerd.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

In de gefaseerde aanpak (zie box 2) is fase 1 gebaseerd op theoretische voedselconsumptiegegevens [7] en de maximumconcentraties voor additieven zoals toegestaan in de desbetreffende communautaire wetgeving. Fase 2 en 3 betreffen de evaluatie van de hoeveelheden in afzonderlijke lidstaten, waarbij de nationale gegevens over de voedselconsumptie gecombineerd worden met de maximumconcentraties voor het additief (fase 2) en de feitelijke gebruikspatronen (fase 3).

[7] Hansen, S. (1979). Conditions for Use of Food Additives Based on a Budget for an Acceptable Daily Intake. Journal of Food Protection 42 5, 429-434.

Het SCF heeft aanbevolen om bijzondere aandacht te schenken aan de inname door kinderen, omdat er aanwijzingen zijn dat die door hun consumptiepatroon van sommige additieven per lichaamsgewicht aanzienlijk meer binnenkrijgen dan volwassenen. Daarom is in de SCOOP-taak geconcludeerd dat er aparte evaluaties voor volwassenen en kinderen moesten komen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Monitoring

De monitoring is stapsgewijs uitgevoerd. In bijlage I wordt een overzicht van de methode gegeven.

3.1. Buiten beschouwing gelaten additieven

Omdat er prioriteiten gesteld moesten worden, werden een aantal additieven bij de monitoring buiten beschouwing gelaten op grond van de volgende criteria:

* additieven waarvoor het SCF "geen ADI vastgesteld" heeft, aangezien dat alleen het geval is wanneer op grond van de beschikbare wetenschappelijke gegevens is geconcludeerd dat de totale inname van het additief geen gevaar voor de gezondheid oplevert (zie box 1);

* additieven die op grond van de door het SCF verrichte evaluatie van de veiligheid bij het gebruik alleen toegestaan zijn in één of enkele specifieke categorieën levensmiddelen, aangezien de inname ervan tot deze categorieën beperkt blijft;

* nieuwe additieven die pas sinds kort zijn toegestaan, omdat die nog niet volledig in gebruik waren op het moment dat de informatie werd verzameld.

Deze additieven zijn vermeld in bijlage II.

3.2. Additieven in de fase-1-screening

In fase 1 zijn alle additieven onderzocht waarvoor een ADI is vastgesteld, behalve:

* additieven die onder punt 3.1, tweede en derde bolletje, vallen;

* additieven die quantum satis zijn toegestaan; die konden niet in fase 1 of 2 onderzocht worden omdat er geen maximumconcentraties zijn; daarom zijn zij in fase 3 ondergebracht. Deze additieven zijn vermeld in bijlage IV.

De additieven in fase 1 werden gescreend op grond van theoretische voedselconsumptiegegevens in combinatie met de toegestane maximumconcentraties voor het additief. Additieven waarvoor de berekende inname groter was dan de ADI werden naar fase 2 overgebracht.

Tot hier maakten deze werkzaamheden deel uit van de SCOOP-taak.

3.3. Additieven in de fase-2-screening

In fase 2 zijn de additieven uit fase 1 onderzocht waarvan de berekende inname de ADI overschreed. Deze theoretische inname werd berekend aan de hand van de cijfers over de gemiddelde nationale voedselconsumptie van de hele bevolking en de toegestane maximumconcentraties voor het additief. Deze gegevens moesten indien beschikbaar zowel voor volwassenen als voor kinderen worden verstrekt. Ook werd gevraagd waarop de nationale consumptiegegevens gebaseerd waren. Additieven waarvoor de berekende inname groter was dan de ADI werden naar fase 3 overgebracht.

3.4. Additieven in de fase-3-screening

In fase 3 moesten twee groepen additieven worden onderzocht:

* additieven die van fase 2 naar fase 3 waren overgebracht;

* additieven waarvoor een ADI was vastgesteld en die quantum satis mogen worden gebruikt.

De lidstaten werd verzocht deze additieven te onderzoeken door de feitelijke inname te berekenen uit de nationale voedselconsumptiegegevens en de feitelijke gebruiksconcentraties van het additief.

4. Monitoringgegevens

4.1. Aanwijzingen voor het rapporteren van de monitoringgegevens

De lidstaten kregen een tabel met informatie over de additieven en de toegestane gebruiksconcentraties. Met behulp van de nationale consumptiegegevens kon de theoretische inname worden berekend (fase 2). De feitelijke inname kon worden berekend (fase 3) als er zowel nationale consumptiegegevens als gebruiksconcentraties van het additief beschikbaar waren. Daartoe werd de gebruiksconcentratie in de tabel opgenomen.

Voor de rapportage gold het volgende:

* onder jonge kinderen wordt verstaan kinderen jonger dan drie jaar [8], waarbij een lichaamsgewicht van 15 kg wordt aangenomen;

[8] De gegevens van het Verenigd Koninkrijk hadden betrekking op kinderen van anderhalf tot viereneenhalf jaar met een lichaamsgewicht van 15 kg.

* het lichaamsgewicht van een volwassene wordt op 60 kg gesteld.

De waarden moesten worden opgegeven in:

* mg additief per dag

* % van de ADI bij een lichaamsgewicht van 60 kg voor volwassenen of 15 kg voor jonge kinderen, dan wel het werkelijke lichaamsgewicht, dat dan moest worden opgegeven.

4.2. Ingediende monitoringgegevens

De volgende zes lidstaten hebben de informatie in de gevraagde vorm bij de Commissie ingediend: Denemarken, Spanje [9], Frankrijk, Italië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk; ook voor Noorwegen was dit het geval. Duitsland [10], Spanje, Ierland, Oostenrijk, Finland en Zweden stuurden informatie in die niet volgens de in de SCOOP-taak vastgestelde methoden voor het bepalen van de inname was verkregen.

[9] De informatie van Spanje had betrekking op de hele bevolking. Het onderscheid tussen volwassenen en kinderen werd gemaakt op grond van de aanname dat kinderen een bepaald percentage van de bevolking uitmaken. Aangezien de gegevens voor kinderen niet op een werkelijk onderzoek berustten, werd het beter geacht om alleen de gegevens voor de hele bevolking te vermelden.

[10] De gegevens van Duitsland hadden betrekking op Beieren en bestonden alleen uit cijfers over de voedselconsumptie. Er werd geen informatie verstrekt over de inname van levensmiddelenadditieven.

De zeven al genoemde landen dienden de gegevens in tabelvorm in het opgegeven formaat in; verder werden 12 rapporten of nota's over nationale studies ingediend.

De bepaling van de inname had betrekking op de gemiddelde consumptie van de hele bevolking en in sommige gevallen ook voor "grote consumenten" of speciale bevolkingsgroepen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Over de gegevens kan het volgende worden opgemerkt.

4.2.1. Actualiteit van de gegevens

* Verzameld tussen 1995 en 1999 voor Frankrijk, Spanje (m.u.v. cyclamaat), Oostenrijk (volwassenen), Italië, Finland, Zweden, Denemarken (nitraten en nitrieten in vlees en vleesproducten), Ierland (tweede studie) en Nederland.

* Verzameld tussen 1990 en 1994 voor Ierland (eerste studie), Spanje (cyclamaat), Oostenrijk (kinderen ouder dan 6 jaar, zwangere vrouwen, borstvoedende vrouwen, ouderen, diabetici), Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk (kinderen).

* Verzameld tussen 1987 en 1989 voor Denemarken en het Verenigd Koninkrijk (volwassenen).

Met het oog op de monitoring van de inname van levensmiddelenadditieven in de Europese Unie na de harmonisatie van 1995 zou de verzamelde informatie betrekking een beeld moeten geven van de situatie na de inwerkingtreding van de communautaire wetgeving. Sommige lidstaten hebben echter tussen 1987 en 1999 gegevens verzameld. Aangezien het verzamelen van gegevens over de voedselconsumptie erg veel geld kost, werd het nuttig geacht om alle door de lidstaten verstrekte gegevens in dit verslag op te nemen, ook al dateerden zij van voor 1995.

4.2.2. Representativiteit

Twee onderzoeken waren slechts plaatselijk uitgevoerd en worden dus niet als representatief voor de hele bevolking beschouwd: dit zijn de Spaanse studie naar de inname van cyclamaat in Catalonië en het Finse STRIP-project (een interventiestudie naar risicofactoren voor coronaire hartziekten bij kinderen) in Turku.

4.2.3. Soort onderzoek

* Recall-onderzoek voor Spanje (cyclamaat), Finland (volwassenen) en Oostenrijk (volwassenen).

* Registratie voor Denemarken, Spanje (andere additieven), Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk (kinderen ouder dan 6 jaar, zwangere vrouwen, borstvoedende vrouwen, ouderen, diabetici), Finland (kinderen) en het Verenigd Koninkrijk.

* Voedselfrequentievragenlijst voor Noorwegen en Zweden (diabetici).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.2.4. Populatietypen

* Individuele personen voor Denemarken (nitraten en nitrieten in vlees en vleesproducten, Finland, Frankrijk (11 additieven - fase 2), Ierland, Italië, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Spanje (cyclamaat), het Verenigd Koninkrijk en Zweden.

* Huishoudens voor Denemarken, Frankrijk (17 additieven - fase 2) en Spanje (behalve cyclamaat)

4.2.5. Duur van het onderzoek

* Één dag in Spanje, Oostenrijk en Finland (volwassenen).

* Twee dagen in Nederland

* Vier dagen in Finland (kinderen) en het Verenigd Koninkrijk (kinderen).

* Zeven dagen in Denemarken (nitraten en nitrieten in vlees en vleesproducten), Spanje, Frankrijk (11 additieven - fase 2), Italië, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk (volwassenen).

* Gedurende één maand bijhouden van de karakteristieke consumptie in Denemarken.

* Registratie gedurende één jaar in Frankrijk (17 additieven - fase 2).

5. Resultaten over de inname

Voor dit verslag konden alleen de gegevens worden gebruikt die waren verkregen volgens de in de SCOOP-taak vastgestelde bepalingsmethoden. Op andere wijze verkregen gegevens konden niet worden gebruikt omdat ze niet vergelijkbaar waren. Desondanks vonden wij het van belang om in bijlage VI een samenvatting van de ontvangen informatie te geven.

5.1. Fase 1

Naar aanleiding van fase 1 kunnen al een aantal additieven van verder onderzoek uitgesloten worden omdat de theoretische inname zoals bepaald uit voorzichtige schattingen van de voedselconsumptie en het additievengebruik niet boven de ADI kwam. Voor volwassenen werden 21 additieven of groepen additieven* niet verder onderzocht. Voor kinderen werden 9 additieven of groepen uitgesloten. Deze additieven zijn vermeld in bijlage III.

5.2. Fase 2

De resultaten van fase 2 van deze eerste monitoring van de additieveninname via de voeding in de Europese Unie zijn tamelijk consistent. Op basis van de gemiddelde blootstelling van de populatie in zes lidstaten en Noorwegen kan een fase-3-evaluatie voor de meeste additieven komen te vervallen aangezien de theoretische inname zoals bepaald uit de feitelijke voedselconsumptiegegevens en de toegestane maximumconcentraties de ADI niet te boven ging.

Voor volwassenen en de bevolking als geheel werden de volgende additieven en groepen niet verder onderzocht:

* E 210-213 benzoaten, E 297 fumaarzuur, E 310-312 gallaten, E 315-316 erythorbaten, E 320 BHA, E 321 BHT, E 355-357 adipaten, E 416 karayagom, E 442 ammoniumfosfatiden, E 475 polyglycerolesters, E 476 polyglycerol-polyricinoleaat, E 479b TOSOM, E 483 stearyltartraat, E 491/492/495 sorbitaanesters, E 535-538 ferrocyaniden, E 950 acesulfaam-K en E 952 cyclamaten.

* Alle kleurstoffen

Voor kinderen werden de volgende additieven en groepen niet verder onderzocht:

* E 200-203 sorbaten, E 297 fumaarzuur E 310-312 gallaten, E 315-316 erythorbaten, E 320 BHA, E 355-357 adipaten, E 416 karayagom, E 442 ammoniumfosfatiden, E 444 sucroseacetaatisobutyraat, E 476 polyglycerol-polyricinoleaat, E 479b TOSOM, E 951 aspartaam, E 952 cyclamaten, E 954 sacharine, E 959 neohesperidine DC en E 999 quillaja-extract.

* Alle kleurstoffen behalve E 160b annatto.

Ingeval de theoretische inname in fase 2 in minstens één lidstaat in de buurt van de ADI of daaroverheen kwam of als er nadere aanwijzingen waren dat sommige groepen consumenten een abnormaal hoge inname hadden, werd het betrokken additief in fase 3 opgenomen om de inname nader te bepalen.

Voor volwassenen en de bevolking als geheel werden de volgende additieven en groepen in fase 3 opgenomen:

* E 220-228 sulfieten, E 249-250 nitrieten, E 432-436 polysorbaten, E 473-474 sucrose-esters en sucroglyceriden, E 481-482 stearoyl-2-lactylaten, E 493-494 sorbitaanmonolauraat en sorbitaanmonooleaat, E 520-523 aluminiumsulfaten, E 541 natriumaluminiumfosfaat en E 554-556/559 aluminiumsilicaten.

Voor kinderen werden de volgende additieven en groepen in fase 3 opgenomen:

* E 160b annatto, E 220-228 sulfieten, E 210-213 benzoaten, E 249-250 nitrieten, E 321 BHT, E 338-341/343/450-452 fosforzuur en fosfaten, E 432-436 polysorbaten, E 473-474 sucrose-esters en sucroglyceriden, E 475 polyglycerolesters, E 481-482 stearoyl-2-lactylaten, E 483 stearyltartraat, E 491-495 sorbitaanesters, E 535-538 ferrocyaniden, E 520-523 aluminiumsulfaten, E 541 natriumaluminiumfosfaat, E 554-556/559 aluminiumsilicaten en E 950 acesulfaam-K.

Verder werd E 558 bentoniet (zowel voor volwassenen als voor kinderen) in fase 3 opgenomen omdat er in fase 2 te weinig informatie over de inname van dit additief was.

Ook werden negen additieven met een ADI die quantum satis mogen worden gebruikt, direct in fase 3 opgenomen (zie bijlage IV) omdat feitelijke gebruiksniveaus nodig zijn om de inname te kunnen schatten.

De resultaten voor de inname van de additieven in fase 2 zijn vermeld in bijlage V voor volwassenen en de bevolking als geheel (tabel 1) en voor jonge kinderen (tabel 2). De tabellen bevatten de volgende informatie: het E-nummer, de naam en de ADI van het additief, de lidstaat die de informatie heeft verstrekt, de spreiding van de inname en de conclusie ten aanzien van de fase-indeling.

5.3. Fase 3

Geen enkele lidstaat heeft volledige informatie ingediend over fase-3-resultaten volgens de afgesproken methode.

Discussie

Dit verslag is een eerste poging om de inname van levensmiddelenadditieven in de Europese Unie in kaart te brengen. In verband met de vele beperkingen van deze operatie moeten de resultaten worden beschouwd als een zeer voorlopige indicatie van de inname van additieven via de voeding.

De Commissie wilde met haar verzoek om informatie over de inname van additieven gegevens van zo veel mogelijk lidstaten krijgen. Daarom is gekozen voor een pragmatische aanpak waarbij uitgegaan werd van de voedselconsumptie van de gemiddelde bevolking. Daarbij wordt echter geen rekening gehouden met de inname van grote consumenten. Aan de andere kant zijn de hier gegeven schattingen wel heel voorzichtig, aangezien ervan uitgegaan is dat elk additief in alle mogelijke levensmiddelen in de maximumconcentratie is gebruikt, zodat de additieveninname veelal te hoog geschat zal zijn. In de toekomst moet daarom nauwkeuriger onderzoek verricht worden. In sommige lidstaten wordt al informatie verzameld waarmee straks de inname beter kan worden bepaald.

Momenteel mogen in de EU 171 additieven en groepen daarvan worden gebruikt. Op grond van de beperkte beschikbare gegevens kan worden geconcludeerd dat voor de meeste daarvan de inname lager is dan de ADI die door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding is vastgesteld. Op basis van de schattingen van fase 2 werden acht additieven of groepen aangemerkt als prioritair in fase 3 voor volwassenen en zeventien voor kinderen. De fase-2-waarden voor deze additieven lagen theoretisch in minstens één lidstaat boven de ADI, dan wel was er geen informatie over de stof verstrekt. Er zij op gewezen dat de inname van een en hetzelfde additief over verschillende landen sterk uiteen kan lopen. Verder werden negen additieven met een ADI die quantum satis in bepaalde levensmiddelen mogen worden gebruikt, aangemerkt als prioriteit voor fase-3-onderzoek.

Om dit onderzoek te verrichten moet nadere informatie worden verzameld over het werkelijke gebruik van de additieven en de werkelijke voedselconsumptie (feitelijke inname, speciale groepen consumenten, grote consumenten). Deze werkzaamheden moeten zo spoedig mogelijk worden gedaan.

Naast het werk aan additieven die in fase 3 prioritair verklaard zijn, moeten ook de additieven die uit fase 2 zijn gekomen en in fase 3 geen prioriteit gekregen hebben, verder worden onderzocht. Ten eerste hebben niet alle lidstaten deze additieven bestudeerd en zoals gezegd kunnen de resultaten van land tot land sterk uiteenlopen. Ten tweede moet ook de inname van deze additieven door grote consumenten worden bekeken, en niet alleen die van de gemiddelde bevolking.

7. Conclusies

ú De lidstaten moeten voortbouwen op de SCOOP-taak "Uitwerking van methodes voor de beoordeling van de geconsumeerde hoeveelheden levensmiddelenadditieven" zodat de studies over de inname van additieven in de Europese Unie geharmoniseerd zijn. Verder moeten er betere gegevens over de voedselconsumptie worden verzameld om de inname van additieven via de voeding nauwkeuriger te kunnen bepalen.

ú De eerste resultaten met beperkte gegevens duiden erop dat de inname van de meeste additieven onder de aanvaardbare dagelijkse inname ligt.

ú Voor de additieven die in fase 3 werden opgenomen (zie bijlage V) en een aantal additieven die quantum satis mogen worden gebruikt (zie bijlage IV) moet de inname worden geschat aan de hand van feitelijke voedselconsumptiegegevens in combinatie met het feitelijke gebruik van het additief. Alle lidstaten moeten dit zo spoedig mogelijk onderzoeken en de resultaten aan de Commissie melden, zodat eventueel maatregelen kunnen worden genomen.

ú Voor additieven waarvan de inname in fase 2 niet boven de ADI kwam moet de inname niettemin verder worden onderzocht aan de hand van nadere gegevens over de voedselconsumptie (zie bijlage V).

ú Ook moet de inname worden nagegaan van additieven die ten tijde van deze operatie pas sinds kort waren goedgekeurd.

ú Er moet met de voedingsindustrie worden samengewerkt om betere informatie over het gebruik van

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

levensmiddelenadditieven te krijgen.

ú Over drie jaar moet een nieuw verslag over de inname van levensmiddelenadditieven in de Europese Unie worden opgesteld. Het is van groot belang dat alle lidstaten volledig meewerken aan de volgende monitoringoperatie voor de inname van levensmiddelenadditieven via de voeding.

Bijlage I

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Overzicht van de gefaseerde aanpak

Bijlage II

Lijst van levensmiddelenadditieven waarvoor geen ADI is vastgesteld en die voor speciaal gebruik zoals aanbevolen door het SCF aanvaardbaar waren, alsmede nieuwe additieven. Deze additieven zijn niet onderzocht.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bijlage III

Levensmiddelenadditieven waarvoor de in fase 1 berekende inname niet hoger lag dan de ADI. Deze additieven hoeven in dit stadium niet verder te worden onderzocht.

Tabel 1: volwassenen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel 2: jonge kinderen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bijlage IV

Levensmiddelenadditieven waarvoor een ADI is vastgesteld en die quantum satis mogen worden gebruikt (in fase 3 opgenomen)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bijlage V

Resultaten van de inname van levensmiddelenadditieven in fase 2

Tabel 1: volwassenen en bevolking als geheel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel 2: jonge kinderen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bijlage VI

Verdere informatie

Niet alle lidstaten hebben de in de SCOOP-taak vastgestelde methoden gebruikt om de inname te bepalen. Sommige lidstaten waren namelijk al begonnen met het verzamelen van innamegegevens met behulp van andere methoden. Informatie op basis van andere dan de SCOOP-methoden is voornamelijk verstrekt door Spanje, Ierland, Oostenrijk, Finland en Zweden.

Deze landen baseerden hun innameschattingen op eerdere selectieve studies, informatie van de voedingsindustrie, marktonderzoeken of productgegevensbanken. Vaak was een stapsgewijze of hiërarchische aanpak gevolgd, lopend van voorzichtige, ruwe blootstellingsschattingen tot verfijndere evaluaties.

In Ierland en Oostenrijk werden gegevens over de aanwezigheid van levensmiddelenadditieven bestudeerd met behulp van oriënterende onderzoeken op basis van nationale gegevensbanken over voedselingrediënten. In Finland werden soortgelijke gegevens verzameld in een marktonderzoek aan de hand van de informatie op het etiket. Ook laboratoria, de voedingsindustrie en afzetorganisaties verstrekten gegevens over het gebruik van additieven. Alleen wanneer additieven in specifieke categorieën levensmiddelen werden aangetroffen, werd die categorie bij de innamebepaling meegenomen of werden er monsters voor analyse naar het laboratorium gebracht. Geregeld bleek uit deze oriënterende onderzoeken dat levensmiddelenadditieven niet op grote schaal in producten werden gebruikt, ook al waren zij wettelijk toegestaan (Ierland, Finland).

Oostenrijk

Oostenrijk heeft een verslag ingediend van een uitvoerige studie volgens de gefaseerde aanpak als beschreven in het SCOOP-verslag. Aangezien echter over deze studie niet overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie werd gerapporteerd, konden de resultaten niet in hoofdstuk 5 van dit verslag worden opgenomen. Uit de gerapporteerde fase-2-berekening bleek dat, uitgaande van de inname van grote consumenten, er voor 15 additieven of groepen daarvan een kans was dat de ADI werd overschreden. Voor verscheidene additieven is een fase-3-berekening uitgevoerd. Er worden innamegegevens vermeld voor zowel de hele bevolking als de daadwerkelijke consumenten. Op grond van de schattingen voor de hele bevolking werd geconcludeerd dat bij grote consumenten de ADI slechts voor een paar additieven zou worden overschreden, maar volgens de schattingen voor de daadwerkelijke consumenten zou dit voor een flink aantal additieven het geval zijn.

Finland

De innameschattingen (uit 1999) van Finland waren uitgevoerd op fase-3-niveau en speciaal op kinderen van 1 tot 6 jaar gericht. De schattingen voor de inname van kinderen waren gebaseerd op de individuele voedselconsumptie en de gevonden concentraties levensmiddelenadditieven in producten die in Finland werden geconsumeerd. De enige additieven waarvoor de ADI werd overschreden waren nitrieten en benzoaten.

Voor volwassenen (daadwerkelijke consumenten, zie box 3) was de nitrietinname 93% van de ADI; voor kinderen van 1 tot 6 jaar (daadwerkelijke consumenten) 67% van de ADI wanneer het werkelijke gewicht van het kind werd genomen. Voor grote consumenten (95-percentiel) was de inname van kinderen 121-189% van de ADI.

De gemiddelde inname van benzoëzuur voor volwassenen was 8,6% van de ADI, voor daadwerkelijke consumenten 113% van de ADI. De gemiddelde inname van kinderen was 40% van de ADI, en voor grote consumenten (95-percentiel) 101-160% van de ADI.

Ierland

De additieven in het Ierse levensmiddelenaanbod werden gemonitord met behulp van de Irish National Food Ingredient Database (INFID). Hieruit werd de trend in het individuele additievengebruik tussen de twee onderzoeksperioden 1995/97 en 1998/99 verkregen. Ook kwam naar voren welke additieven in de voor het onderzoek gekozen levensmiddelen het meest werden gebruikt. Een aantal additieven bleek niet voor te komen in de levensmiddelen die in de gegevensbank waren opgenomen.

Na het SCOOP-fase-1-onderzoek werden voor een tweedefasescreening uiteenlopende benaderingen gevolgd, zoals het terugrekenen aan de hand van de portiegrootte, gegevens over de voedselinname en terugrekenen van de inname van nutriënten. Op deze wijze werden 20 additieven voor nader onderzoek geselecteerd.

Spanje

Spanje heeft gegevens verstrekt over de cyclamaatinname die afkomstig waren van een gepubliceerd onderzoek dat in 1992 in een Spaanse regio (Catalonië) was uitgevoerd. Voor de cyclamaatconcentratie in levensmiddelen werden gegevens van de industrie gebruikt.

Het onderzoek is van het fase-3-type, ondanks dat het niet representatief was voor de hele Spaanse bevolking. Uit het onderzoek blijkt duidelijk dat frisdranken een grote bijdrage leveren aan de cyclamaatblootstelling en dat de veiligheidsmarge tussen de blootstelling en de ADI gering is in het geval van grote consumenten van cyclamaten, al is het niet waarschijnlijk dat de veiligheid hierdoor ten tijde van het onderzoek in het gedrang gekomen is.

Zweden

Door Zweden werd een verslag van de Zweedse dienst voor levensmiddelen ingediend over de inname van aspartaam, acesulfaam-K, sacharine en cyclamaat door diabetici. Deze studie was in januari 1999 uitgevoerd onder 1120 volwassen (16-90 jaar) en jonge (0-15 jaar) diabetespatiënten in Zweden.

Er werd van uitgegaan dat de zoetstoffen in de maximaal toegestane hoeveelheid waren toegevoegd. In een "worst case"-berekening werd aangenomen dat alle geconsumeerde levensmiddelen met dezelfde zoetstof gezoet waren.

In de studie zijn verschillende scenario's voor het bepalen van de blootstelling van diabetici gegeven, ook voor kinderen, die bijzonder sterk aan kunstmatige zoetstoffen zijn blootgesteld. De berekeningen waren gebaseerd op een bepaling van de inname van levensmiddelen met zoetstoffen en een aantal aannamen omtrent de aard en de concentratie van de stoffen in de levensmiddelen. Het bleek dat de inname van aspartaam, acesulfaam-K, sacharine en cyclamaat voor diabetici de ADI dicht kan benaderen of kan overschrijden als zij slechts één soort zoetstof gebruiken.

Top