Help Print this page 
Title and reference
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Een mobiliteitsstrategie voor de Europese onderzoekruimte

/* COM/2001/0331 def. */
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html DA html DE html EL html EN html FR html IT html NL html PT html FI html SV
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT pdf FI pdf SV
Multilingual display
Text

52001DC0331

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Een mobiliteitsstrategie voor de Europese onderzoekruimte /* COM/2001/0331 def. */


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT EEN MOBILITEITSSTRATEGIE VOOR DE EUROPESE ONDERZOEKRUIMTE

1. Achtergrond

In januari 2000 nam de Commissie een mededeling aan waarin de totstandbrenging van een Europese onderzoekruimte werd voorgesteld [1]. In de mededeling werd onder andere gewezen op de noodzaak van de inzet van meer en mobieler menselijk potentieel. Met name werd de aandacht gevestigd op het frequenter gebruik in de toekomst, op nationaal en Europees niveau, van mobiliteit als een middel om wetenschappelijke kennis over te dragen. Het ging er hierbij om wetenschappelijke loopbanen een Europese dimensie te geven, waardoor Europa aantrekkelijker zou worden voor onderzoekers uit de rest van de wereld. Tevens zouden degenen die vertrokken waren om hun opleiding in het buitenland te voltooien of elders een werkkring te aanvaarden, gestimuleerd worden terug te keren en zou er toenadering tussen de wetenschappelijke gemeenschappen, bedrijven en onderzoekers uit West- en Oost-Europa worden bewerkstelligd.

[1] COM(2000) 6 def.

Tijdens de Europese Raad van Lissabon van 23-24 maart 2000 werd het project voor de Europese onderzoekruimte goedgekeurd en werd een reeks doelstellingen geformuleerd en een tijdsschema opgesteld. In het bijzonder vroeg de Europese Raad de Raad en de Commissie om de noodzakelijke stappen te zetten, waar nodig tezamen met de lidstaten, om ervoor te zorgen dat in 2002 de belemmeringen voor de mobiliteit van onderzoekers in Europa zouden zijn weggenomen en om toptalent op het gebied van onderzoek in Europa aan te trekken en vast te houden.

In een resolutie [2] van 15 juni 2000 nodigde de Onderzoekraad de lidstaten en de Commissie uit gezamenlijk actie te ondernemen om de huidige belemmeringen voor de mobiliteit van onderzoekers weg te nemen teneinde de totstandkoming van een werkelijke Europese wetenschappelijke gemeenschap te vergemakkelijken.

[2] PB C 205, 19.7.2000, blz. 1.

Na de bijeenkomst van de Onderzoekraad stelde de Commissie een werkgroep op hoog niveau ter bevordering van de mobiliteit van onderzoekers in, die bestond uit door de lidstaten aangewezen nationale deskundigen, om haar te helpen een analyse te verrichten met het oog op de voorstellen die zij in juni 2001 zou indienen. Na uitvoerige voorbereidende werkzaamheden door de diensten van de Commissie vergaderde de werkgroep viermaal en presenteerde hij een verslag in april 2001.

De regionale dimensie van mobiliteit werd speciaal benadrukt in de mededeling van de Commissie "Totstandbrenging van de "Europese onderzoekruimte": Oriëntaties voor de activiteiten van de Unie op het gebied van onderzoek (2002-2006)" [3]. Voorts heeft de Onderzoekraad in zijn resolutie van november 2000 gewezen op "het belang van de bevordering van de wetenschappelijke en technologische prestaties van alle regio's van de lidstaten".

[3] COM(2000) 612 def. van 4.10.2000

Onderzoek, innovatie en ondernemingsbeleid werden ook tijdens de Europese Raad van Stockholm van 23-24 maart 2001 als een van de belangrijkste actieterreinen aangemerkt. De Raad beklemtoonde onder andere het gebrek aan vaardigheden en de mobiliteitsproblemen. De Europese Raad nodigde de Raad uit "een specifieke strategie voor mobiliteit binnen de Europese onderzoeksruimte te bestuderen, op basis van het door de Commissie aangekondigde voorstel". Voorts stelde de Commissie een Task Force op hoog niveau voor vaardigheden en mobiliteit in om de drijvende krachten, kenmerken en obstakels op de Europese arbeidsmarkt te bestuderen. Deze Task Force zal een bijdrage leveren aan het actieplan inzake de ontwikkeling en de opening van nieuwe Europese arbeidsmarkten, dat de Commissie in het voorjaar van 2002 zal indienen bij de Europese Raad.

Deze mededeling behelst een strategie om een gunstig klimaat te scheppen voor de mobiliteit van onderzoekers in de Europese onderzoekruimte, teneinde het benodigde menselijk potentieel op het gebied van onderzoek te ontwikkelen, aan te trekken en vast te houden en innovatie te bevorderen. Ze heeft als doel de kwaliteit van het onderzoek binnen de Europese onderzoekruimte te verbeteren door op dit gebied directe maatregelen te nemen, waarbij de dynamiek wordt gecreëerd die nodig is om het bovengenoemde klimaat sneller te ontwikkelen en manieren worden aangegeven waarop financiële ondersteuning door de betrokken deelnemers kan plaatsvinden. Er wordt speciale aandacht geschonken aan de bevordering van intersectorale mobiliteit, bijvoorbeeld tussen het bedrijfsleven en universiteiten en omgekeerd. Voor de interregionale mobiliteit geldt dat een "brain drain" in minder ontwikkelde regio's moet worden voorkomen, door de mobiliteit van en naar deze gebieden actief te bevorderen. Bij de opstelling van de mobiliteitsstrategie voor onderzoekers in de Europese onderzoekruimte wordt in deze mededeling rekening gehouden met de benadering ten aanzien van onderzoekers uit kandidaat-lidstaten, zoals die is ontwikkeld in het besluit van de Commissie betreffende de onderhandelingsmandaten voor de uitbreiding [4] en de benadering van onderdanen van derde landen, zoals uitgewerkt in de gewijzigde voorstellen van de Commissie voor een "richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling, in het raam van verrichting van grensoverschrijdende diensten, van werknemers die onderdaan van een derde land zijn" [5], en een "richtlijn van de Raad tot uitbreiding van het vrij verrichten van grensoverschrijdende diensten tot in de Gemeenschap gevestigde onderdanen van een derde land" [6]. Tenslotte is de Commissie zich in het kader van deze mededeling volledig bewust van de uitdagingen en mogelijkheden die de onderzoekruimte door de toekomstige uitbreiding van de EU wordt geboden. De kandidaat-landen kunnen ongetwijfeld een belangrijke bijdrage leveren aan de verbetering van de onderzoekprestaties en de mobiliteit in Europa dankzij de kwaliteit van hun menselijk potentieel op het gebied van wetenschap en onderzoek.

[4] SEC(2001) 538/7 van 11 april 2001, "Essential Elements for the Draft Common Positions concerning Freedom of Movement of Persons".

[5] PB C 311 E/197 van 31.10.2000, blz. 187.

[6] PB C 311 E/197 van 31.10.2000, blz. 197.

2. Waarom een speciale aanpak als het gaat om de mobiliteit van onderzoekers-

De Europese onderzoekruimte heeft als oogmerk het onderzoek in Europa in zijn geheel beter te organiseren. Onderzoek is een sterke drijvende kracht voor economische groei. Vergeleken met de belangrijkste concurrenten was de situatie van het menselijk potentieel op het gebied van O&O in Europa de afgelopen jaren in een aantal opzichten zorgwekkend:

- Het aantal personen dat werkzaam is op het gebied van O&O, is relatief laag: in Europa zijn slechts 5,1 onderzoekers op duizend werkenden, terwijl dit cijfer in de VS en Japan respectievelijk 7,4 en 8,9 bedraagt. [7]

[7] "Naar een Europese onderzoekruimte - Wetenschap, technologie en innovatie kerngegevens 2000". Europese Commissie, DG Onderzoek en Eurostat, EUR 19396, 2000, blz. 36. Het cijfer voor de EU heeft betrekking op 1997, dat voor de VS op 1993 en voor Japan op 1998.

- Dit verschil is nog markanter wat betreft het aantal onderzoekers in het bedrijfsleven: 2,5 per duizend in Europa, tegen 7,0 in de VS en 6,3 in Japan. [8]

[8] "Naar een Europese onderzoekruimte - Wetenschap, technologie en innovatie kerngegevens 2000". Europese Commissie, DG Onderzoek en Eurostat, EUR 19396, 2000, blz. 36. Het cijfer voor de EU heeft betrekking op 1997, dat voor de VS op 1993 en voor Japan op 1998.

- Europa lijkt ook te kampen te hebben met een uittocht van jong wetenschappelijk en technologisch personeel naar de VS. [9] Hoewel de statistische gegevens incompleet zijn, met name als het gaat om onderzoekers die naar Europa komen, is aangetoond dat de helft van de buitenlandse studenten met tijdelijke visa, die in de VS hun doctoraat op het gebied van wetenschap en techniek behalen, vijf jaar later nog steeds in dat land werken. Dit percentage varieert per vakgebied, en wel van 32% in de sociale wetenschappen tot 61% in de natuurwetenschappen en wiskunde. [10]

[9] S. Mahroum: "Skilled labour - Competing for the highly skilled: Europe in perspective." Science and Public Policy Vol. 26 No. 1, februari 1998, blz. 17-25.

[10] M. G. Finn: "Stay rates of foreign doctorate recipients from U.S. universities," Oak Ridge Institute for Science and Education, 1999.

- Het aantal jongeren dat zich aangetrokken voelt tot een wetenschappelijke of onderzoekloopbaan, neemt af. In de EU volgt 23% van de jongeren van 20 tot 29 jaar hoger onderwijs, in de VS 39%. [11]

[11] "Naar een Europese onderzoekruimte - Wetenschap, technologie en innovatie kerngegevens 2000". Europese Commissie, DG Onderzoek en Eurostat, EUR 19396, 2000, blz. 39.

- Tenslotte wordt op dit moment in Europa het potentieel aan vrouwen in wetenschappelijke functies onderbenut. Niettegenstaande het feit dat de helft van de afgestudeerden vrouw is, is nog geen 10% van de hoogleraren vrouw. Volgens een recent onderzoek in de chemische sector in het Verenigd Koninkrijk bedraagt het aandeel van vrouwen in deze specifieke sector 16% van al het universitair personeel, te weten 22% van de onderzoekers, 13% van de docenten, 4% van de wetenschappelijk hoofdmedewerkers en minder dan 1% van de hoogleraren. [12]

[12] Ea, Study of the Factors affecting the Career Choices of Chemistry Graduates, Londen, 2000, blz. 10.

Deze situatie noopt tot urgente maatregelen om de concurrentiepositie van Europa in stand te houden en te versterken. Een permanent aanbod van vakkundig personeel, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin, is van het allergrootste belang om het onderzoek in een kennismaatschappij te optimaliseren en de doelen van de Europese onderzoekruimte te verwezenlijken. Hiertoe moet Europa zorgen voor een drastische toename van het aantal onderzoekers door meer jongeren voor onderzoek te interesseren, het potentieel aan vrouwen in de wetenschap beter te benutten en toponderzoekers uit derde landen aan te trekken om volledig van de mondiale kennis te profiteren. In de mededeling van de Commissie over innovatie in een kenniseconomie [13] wordt gepleit voor de bevordering van de geografische en intersectorale mobiliteit van onderzoekers via expliciete wegen.

[13] COM(2000)567.

Mobiliteit, een bekend en doeltreffend middel om vakkundig personeel op te leiden en kennis te verspreiden, vormt een kernelement in de ontwikkeling van het onderzoek, waarvan de mogelijkheden in Europa nog niet ten volle zijn benut. In tegenstelling tot andere terreinen waar perioden van mobiliteit gewoonlijk kort zijn en vaak beperkt blijven tot bepaalde carrièrefasen, heeft de mobiliteit van onderzoekers betrekking op alle leeftijden en alle stappen in hun loopbaan. Dankzij mobiliteit kunnen multinationale teams en netwerken van onderzoekers worden gevormd en aan de slag gaan, zodat het concurrentievermogen van Europa en de exploitatie van resultaten wordt verbeterd. Een grotere fysieke mobiliteit van onderzoekers, transnationaal (verkeer tussen landen), interregionaal of intersectoraal (verkeer tussen universiteiten en het bedrijfsleven) is derhalve van essentieel belang om de beschikbare middelen maximaal te benutten.

Mobiliteit is echter geen doel in zichzelf, maar een instrument waarmee onderzoekresultaten kunnen worden geoptimaliseerd. Mobiliteit creëert een toegevoegde waarde voor Europa door:

- verbetering van de kwantiteit en kwaliteit van de onderzoekopleiding, het bieden van de best beschikbare mogelijkheden ongeacht wat de locatie van deze deskundigheid is;

- het stimuleren van de internationale samenwerking op het gebied van onderzoek, met verschillende regio's en tussen universiteiten en het bedrijfsleven (via netwerken);

- vergroting van de overdracht van kennis en technologie tussen de verschillende deelnemers aan het Europese onderzoek- en innovatiesysteem, inclusief het bedrijfsleven (er moet terdege aandacht worden besteed aan de overgang van bedrijfsmanagers naar de wetenschappelijke sector en universiteiten);

- verbetering van de wetenschappelijke topprestaties van individuele onderzoekers en bevordering van de oprichting van internationaal vermaarde topcentra die aantrekkelijk zijn voor onderzoekers over de gehele wereld;

- bevordering van de verspreiding van topkwaliteit op onderzoekgebied in de verschillende regio's van Europa, inclusief de minder bevoorrechte gebieden van de EU en in de kandidaat-lidstaten;

- vergroting van de doeltreffendheid van de onderzoekwerkzaamheden door vakbekwaamheid en ervaring te bundelen, de onderzoekresultaten op een betere manier te verspreiden en het gebruik van de onderzoekinfrastructuur en financieringsmogelijkheden te optimaliseren;

- het tonen van de openheid van de Europese onderzoekruimte, louter door het bestaan ervan.

Dit is de reden dat de mobiliteit van onderzoekers als een prioriteit moet worden beschouwd.

De effecten van mobiliteit verschillen naar gelang de betreffende individuen en organisaties, de onderzoekwereld zelf en de maatschappij in haar geheel. Mobiliteit moet worden aangemoedigd wanneer alle betrokkenen ervan kunnen profiteren.

3. De weg verder - Een gemeenschappelijke strategie voor prioritaire interventiegebieden

Bij de in dit document beschreven strategie wordt rekening gehouden met de werkzaamheden van de eerder genoemde werkgroep en met de doorlopende werkzaamheden op communautair niveau op het gebied van onderwijs [14], werkgelegenheid (Task Force op hoog niveau voor vaardigheden en mobiliteit) en openbaar bestuur. [15] De strategie bouwt voort op vroegere werkzaamheden, met name op het Groenboek inzake belemmeringen voor transnationale mobiliteit (1996) [16] en het verslag van het panel op hoog niveau voor het vrije verkeer van personen, dat onder voorzitterschap stond van mevrouw Simone Veil (1997). [17] Zij past tevens in de nieuwe strategie die de Commissie momenteel voorstaat om de nieuwe Europese arbeidsmarkten in het jaar 2005 voor iedereen open te stellen en toegankelijk te maken. [18] Ze gaat evenwel een stap verder door zowel het specifieke karakter van onderzoek als de uitdaging van de Europese onderzoekruimte in haar maatregelenpakket te integreren. Ze omvat alle onderzoekterreinen in de openbare en particuliere sector en alle leeftijdscategorieën en fasen in de loopbaan van een onderzoeker (doctoraatstudenten, onderzoekers die zich aan het begin en halverwege hun loopbaan bevinden en senior-onderzoekers).

[14] Het gewijzigde voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad inzake mobiliteit binnen de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, jonge vrijwilligers, leerkrachten en opleiders, COM(2000) 723 def., en het actieplan voor mobiliteit, PB C 371 van 23.12.2000, blz. 4.

[15] De directeuren-generaal voor openbaar bestuur hebben een ad-hoc-mobiliteitsgroep vrij verkeer binnen de overheidsdiensten. Met het oog op de vergadering van de directeuren-generaal op 9-10.11.2000 werd een verslag over wettelijke belemmeringen voor mobiliteit overgelegd.

[16] COM(1996) 462 def.

[17] Het verslag van het panel op hoog niveau en andere informatie over het vrije verkeer van personen zijn beschikbaar op internet op http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/people/index.htm.

[18] Zie de mededeling van de Commissie "Nieuwe Europese arbeidsmarkten, open voor allen, met toegang voor allen", COM(2001) 116 def.

Het uiteindelijke doel van de mobiliteitsstrategie voor de Europese onderzoekruimte is een verbeterd onderzoeksysteem. Hiertoe moet tijdens de gehele onderzoekloopbaan een gunstiger klimaat voor transnationale en intersectorale mobiliteit worden geschapen. Dit behelst verbetering van de financiering van het Europese onderzoek en van de onderzoekinfrastructuur en het wegnemen van belemmeringen voor mobiliteit en verdere financiële prikkels om de mobiliteit te vergroten.

Deze strategie maakt van mobiliteit een centraal onderdeel in de verschillende fasen van de loopbaan van een onderzoeker en beoogt daarmee:

- Europa aantrekkelijker te maken voor onderzoekers. Dit betekent dat men onderzoekers in Europa moet zien vast te houden, dat onderzoekers uit derde landen naar de EU worden getrokken en dat onderzoekers die buiten de EU werken, worden aangemoedigd terug te keren;

- de transnationale mobiliteit van onderzoekers te vergroten en de Europese dimensie van de onderzoekloopbanen te versterken;

- aan te zetten tot een grotere mobiliteit tussen universiteiten en het bedrijfsleven en tot een betere exploitatie van onderzoekresultaten.

Wanneer Europa voor onderzoekers aantrekkelijker wordt gemaakt, moet in het bijzonder worden voorkomen dat er een vlucht van topwetenschappers plaatsvindt uit derde landen met een minder ontwikkelde onderzoekcapaciteit. Deze strategie moet juist een symbiotische samenwerking met deze landen versterken en ontwikkelen en ze zo stimuleren hun eigen onderzoekcapaciteit op te bouwen.

In de Unie zal worden gestreefd naar regionale samenhang door rekening te houden met de noodzaak voor minder ontwikkelde regio's om onderzoekers aan te trekken teneinde hun eigen OTO-gestuurde ontwikkelingsstrategieën op lange termijn mogelijk te maken en om te voorkomen dat minder ontwikkelde regio's te lijden hebben onder de toenemende concurrentie om hooggekwalificeerde onderzoekers.

Bij het bepalen van haar algemene doelstelling van het vergroten van de mobiliteit van onderzoekers heeft de Commissie veel profijt gehad van de werkzaamheden van de werkgroep. De werkgroep heeft een aantal kernpunten vastgesteld:

Ten eerste zijn de belemmeringen waar onderzoekers en hun gezinnen op stuiten, sterk afhankelijk van de duur van het verblijf (kortdurend, ofwel enkele maanden tot een jaar; middellang, ofwel ongeveer 2-5 jaar; of langdurig) en van de fase van de loopbaan waarin sprake is van mobiliteit. De werkgroep merkte in zijn verslag op dat vooral onderzoekers die zich halverwege hun loopbaan bevinden, tijdens een middellang verblijf met belemmeringen worden geconfronteerd. Tevens is de wettelijke situatie voor onderzoekers uit derde landen beslist anders dan voor EU-burgers.

Ten tweede zijn sommige belemmeringen specifiek voor onderzoekers, maar omdat onderzoekers gemiddeld mobieler zijn dan de totale beroepsbevolking, hebben zij veel last van de resterende algemene belemmeringen voor de mobiliteit van werkenden en studenten. Deze belemmeringen zijn sociaal, cultureel en linguïstisch van aard, maar ook economisch, vaak als gevolg van het niet-erkennen van kwalificaties en het gebrek aan nuttige sociale en economische informatie. [19]

[19] Voor een analyse van dit laatste type belemmeringen, zie bovengenoemde mededeling van de Commissie "Nieuwe Europese arbeidsmarkten, open voor allen, met toegang voor allen".

Ten derde kunnen er verschillen worden waargenomen tussen de tekst van regelgeving en de tenuitvoerlegging ervan in de praktijk, want ook al lijken de regels duidelijk, toch kan de toepassing ervan problemen opleveren.

Om te kunnen vaststellen hoe de situatie van mobiele onderzoekers er werkelijk uitziet, is het van wezenlijk belang dat er betrouwbare en actuele informatie wordt verstrekt. Hierbij dient eveneens te worden vermeld dat er in de meeste lidstaten een opvallend tekort aan complete statistieken bestaat, zelfs in staten met registers die het hele land bestrijken, en waar regelmatig informatie wordt verzameld. Dit betreft zowel binnenkomende als vertrekkende onderzoekers. De beschikbare informatie is vaak versnipperd en onvolledig. Zo leveren enquêtes onder de werkende bevolking niet bijzonder veel op, omdat onderzoekers niet als een afzonderlijke groep worden gezien. Met name de lidstaten moeten aanvullend werk verrichten om de relevante statistische gegevens te verkrijgen en om nauwkeuriger te kunnen vaststellen wat de bestaande mobiliteitspatronen inhouden en tegen welke moeilijkheden onderzoekers in de verschillende fasen van hun loopbaan aanlopen.

Niettemin moet de strategie voor het scheppen van een gunstiger klimaat voor de mobiliteit van onderzoekers in Europa vorm krijgen door middel van de volgende prioritaire interventies, die met de hulp van de werkgroep zijn geformuleerd:

- Terugkeer en loopbaanontwikkeling: Mobiliteit wordt vaak ondergewaardeerd. Onderzoekers zonder vaste aanstelling zijn bang dat ze 'uit het systeem' worden gehaald als ze naar het buitenland gaan. Onderzoekers die enkele jaren buiten hun nationaal onderzoeksysteem hebben gewerkt, hebben bij terugkeer naar het vaderland vaak problemen met het vinden van een baan. Voor meer gevestigde onderzoekers geldt dat een verlofperiode nadelig kan zijn voor de voortgang van hun loopbaan. Het is mogelijk dat het in het buitenland of in een andere sector verrichte onderzoek niet op de juiste waarde wordt geschat. Onderzoekers die van plan zijn langdurig in een ander land te verblijven, moeten in het nieuwe land vaak 'van voren af aan beginnen': soms raken ze de erkenning en de sociale status die ze hadden, kwijt.

- Financiële kwesties: Een obstakel voor mobiliteit is ontoereikende financiering. Er zijn onvoldoende mogelijkheden om een aanstelling, beurs, terugkeer- en/of reïntegratiesubsidie, enz. te krijgen, vooral voor onderzoekers die zich halverwege hun loopbaan bevinden en senior-onderzoekers. In landen met een sabbatsjaar voor universitaire onderzoekers is het vaak problematisch om de kosten van een vervanging te dekken.

- Toelating tot het land en toegang tot de arbeidsmarkt: Immigratiebeperkingen kunnen verhinderen dat onderzoekers uit derde landen een bijdrage aan de Europese onderzoekruimte leveren. Gezinsleden van EU/EER-onderzoekers uit derde landen ondervinden nog steeds problemen in verband met vereisten inzake visa, verblijfsvergunningen en werkvergunningen. Zelfs de 'groene kaart'-systemen die zijn ontwikkeld om topwetenschappers uit het buitenland aan te trekken, zijn tijdelijk van aard: na de vastgestelde termijn moet de werknemer normaal gesproken het land verlaten. [20] Momenteel zijn er ook restricties verbonden aan het vrije verkeer van onderzoekers uit derde landen. Zo stuiten dergelijke onderzoekers in de EU op problemen wanneer zij naar niet-Schengen-landen willen reizen met het oog op het gebruik van speciale onderzoekinfrastructuren of wetenschappelijke conferenties.

[20] Vijf jaar in het Duitse 'Tijdelijke hulpprogramma voor IT-specialisten'.

- Socialezekerheidsrechten en fiscale kwesties: Verschillen tussen de socialezekerheidsstelsels en het belastingniveau in de diverse lidstaten kunnen mobiliteit onaantrekkelijk maken. Mobiele personen moeten vaak premies betalen voor uitkeringen die zij niet kunnen ontvangen, terwijl premiecompensatie evenmin tot de mogelijkheden behoort. Het gaat hierbij onder meer om werkloosheidsuitkeringen. In sommige landen vallen ambtenaren onder specifieke pensioenstelsels met beperkende clausules waardoor het moeilijk wordt naar een ander land te gaan of op de particuliere sector over te stappen zonder geld te verliezen. Onderdanen van derde landen, die verplicht zijn het land aan het eind van hun geplande verblijf te verlaten, kunnen hun opgebouwde pensioen kwijtraken, als er op het gebied van de sociale zekerheid geen overeenkomst bestaat waarin deze kwestie wordt geregeld. Met sommige belangrijke landen, met name buiten de EU, zijn geen bilaterale belastingovereenkomsten afgesloten, waardoor het gevaar bestaat dat men dubbel wordt aangeslagen. Daarnaast bestaat het risico dat men dubbel wordt aangeslagen voor pensioenen door een verschillende behandeling van pensioenpremies en -uitkeringen.

- Intellectuele eigendomsrechten: Dit vraagstuk wordt algemeen als een complexe aangelegenheid en een mogelijk obstakel beschouwd, vooral met betrekking tot intersectorale mobiliteit.

- Voorwaarden en methoden voor aanwerving: Voor onderzoekaanstellingen wordt vaak nog steeds niet internationaal geadverteerd, de sollicitatietermijn is te kort en de erkenning van diploma's van andere landen is problematisch. Wat betreft aanstellingen bij de overheid kunnen onderzoekers nog steeds te maken krijgen met restricties die gelden voor ambtenaren, bijvoorbeeld in verband met taalvereisten.

- Gezinskwesties: Hier dient nadrukkelijk op te worden gewezen, omdat onderzoekers gewoonlijk samen met hun gezin verhuizen of nauw contact moeten onderhouden met het gezin dat in het thuisland is achtergebleven, afhankelijk van de duur van het verblijf. Minder gunstige regelingen voor zwangerschapsverlof en bijbehorende uitkeringen in een gastland of ontoereikende kinderopvang overdag kunnen bijvoorbeeld jonge onderzoekers ervan weerhouden naar een ander land te gaan. Bijzondere aandacht moet in dit verband worden geschonken aan het tweeledige loopbaanprobleem: de partner kan vaak moeilijk een baan vinden in het nieuwe land of verlof van zijn of haar huidige werk krijgen.

- Gender: Tenslotte moet specifieke aandacht worden besteed aan het genderaspect van mobiliteit. In het algemeen stuiten vrouwelijke onderzoekers, wat hun loopbaanplanning betreft, nog steeds op grotere obstakels dan hun mannelijke collega's (zie het ETAN-rapport over vrouwen en wetenschap). Specifieke belemmeringen die voortvloeien uit de structuren, procedures en criteria betreffende mobiliteitsregelingen, moeten worden aangepakt om te zorgen voor een gelijke behandeling van vrouwelijke wetenschappers op dit punt.

4. Activiteiten

Met de tenuitvoerlegging van haar strategie voor een gunstiger klimaat voor de mobiliteit van onderzoekers beoogt de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten twee soorten activiteiten te ontwikkelen:

- de eerste heeft als doel de dynamiek tot stand te brengen die nodig is om voor mobiele onderzoekers gedurende hun gehele loopbaan een gunstig klimaat te scheppen en te ontwikkelen;

- de tweede heeft betrekking op de financiële maatregelen die nodig zijn om te komen tot een kritische massa van mobiele onderzoekers binnen de Europese onderzoekruimte.

Om de in deel 1 genoemde redenen zullen de kandidaat-lidstaten volledig bij de voorgestelde initiatieven worden betrokken.

De financiering van de in dit hoofdstuk beschreven maatregelen valt geheel onder het vijfde onderzoek-kaderprogramma (1998-2002) en het voorstel voor het nieuwe kaderprogramma (2002-2006).

4.1. Activiteiten bedoeld om de dynamiek te creëren die nodig is om het klimaat voor mobiele onderzoekers te verbeteren

De eerste soort activiteiten, die gebaseerd is op perspectieven voor de middellange termijn, heeft als doel de praktijkomgeving van onderzoekers in Europa te verbeteren en om een dynamiek te bewerkstelligen waardoor mobiliteit effectiever kan worden. Deze activiteiten worden ontwikkeld in synergie met andere initiatieven van de Commissie, met name die in het kader van de aanbeveling van de Raad en het Europees Parlement inzake mobiliteit in de Gemeenschap voor studenten, personen in opleiding, jonge vrijwilligers, leerkrachten en opleiders; het actieplan voor mobiliteit; en de mededeling over nieuwe Europese arbeidsmarkten.

4.1.1. Verbetering van de informatie over mobiliteit

De Commissie zal een reeks directe activiteiten organiseren om een completer beeld van de mobiliteitsmogelijkheden in Europa te geven en onderzoekers aan te moedigen daarvan gebruik te maken. Op grond van de aanbevelingen van de werkgroep beogen ze een algeheel kader te verschaffen waarbinnen de mobiliteitsstrategie zich zal ontwikkelen.

Informatie voor onderzoekers en betere bekendmaking van vacatures: De Commissie stelt voor een portaal-site voor onderzoekers op te zetten als gemeenschappelijk startpunt voor toegang tot nationale en communautaire informatie met links naar sites van afzonderlijke landen en van de Commissie. Met het oog hierop zal de Commissie binnen elke lidstaat de ontwikkeling stimuleren van complete nationale websites voor onderzoekers in de EU en in het buitenland, waar de nationale regelgeving en procedures worden beschreven, praktische informatie wordt verstrekt en vacatures en financieringsmogelijkheden worden vermeld. De sites moeten met name verwijzingen bevatten naar financieringsmogelijkheden voor onderzoekers die naar het buitenland willen gaan of naar hun thuisland willen terugkeren. Bij de uitvoering van dit initiatief zal de Commissie terdege rekening houden met de lopende werkzaamheden met betrekking tot de ontwikkeling, in de context van de nieuwe Europese arbeidsmarkten, van een centrale Europese mobiliteitsinformatiesite, en het opzetten van een databank inzake banen en leren voor heel Europa. [21] In het kader van dit initiatief zal de Commissie tevens alle regio's, in het bijzonder de minder ontwikkelde regio's, aanmoedigen om ervoor te zorgen dat informatie over vacatures zo ruim mogelijk wordt verspreid in de Gemeenschap en via de nationale websites. Voor de onderzoek actoren in de minder ontwikkelde regio's is het van het grootste belang dat bij de strijd om het aantrekken van onderzoekers rekening wordt gehouden met regionale voordelen en specifieke kenmerken.

[21] In de conclusies van de Europese Raad van Stockholm wordt in dit verband opgemerkt dat "de Commissie [zal] samenwerken met nationale en lokale overheden, diensten voor arbeidsvoorziening en andere relevante actoren om vóór eind 2001 te beoordelen of het mogelijk is een Europese "één loket"-informatiesite over mobiliteit op te richten".

Statistieken: Om de bovengenoemde activiteiten te ontwikkelen, is de Commissie van plan in nauwe samenwerking met nationale bureaus voor de statistiek en/of de statistiekafdelingen van onderzoekministeries de verzameling statistische gegevens en studies over de mobiliteit van onderzoekers aanmerkelijk betrouwbaarder en vollediger te maken, met speciale aandacht voor de genderaspecten. Het is de bedoeling te beginnen met het vergaren van feitenmateriaal en zo een dynamiek te creëren ter ondersteuning van de algehele mobiliteitsstrategie.

4.1.2. Verbetering van de praktische bijstand voor onderzoekers

Mobiliteitscentra: De Commissie zal de vorming van mobiliteitscentra stimuleren. Deze centra moeten nationale en buitenlandse onderzoekers helpen juridische en administratieve zaken af te handelen en opleidingsfaciliteiten verschaffen aan functionarissen die met mobiliteit te maken hebben, in het bijzonder op universiteiten. De mobiliteitscentra krijgen onder andere als taak praktische informatie te verstrekken over huisvesting, dagopvang of onderwijs voor kinderen en inlichtingen te verschaffen over de mogelijkheden voor de partner van de onderzoeker om werk te vinden. De centra zullen de bestaande structuren niet vervangen, maar de noodzakelijke middelen verschaffen voor betere samenwerking en netwerkcontacten tussen bestaande en pas opgerichte structuren. [22]

[22] Bij de uitvoering van dit initiatief zal speciale aandacht worden besteed aan 1f-maatregelen in het kader van de aanbeveling betreffende de mobiliteit van studenten, personen in opleiding, jonge vrijwilligers, leerkrachten en opleiders, en de maatregelen 111 en 113 van het mobiliteits-actieplan.

Ombudsmannen: Behalve de vorming van mobiliteitscentra zal de Commissie de totstandkoming stimuleren van een netwerk van nationale ombudsmannen, dat praktische klachten van onderzoekers behandelt.

Aanwervingsmethoden: De Commissie zal de lidstaten, regio's en andere onderzoek actoren (universiteiten, onderzoekcentra, enz.) stimuleren om openstaande onderzoekfuncties internationaal beter onder de aandacht te brengen. Er zullen voorstellen worden gedaan om resterende barrières op te ruimen, die buitenlandse onderzoekers beletten in selectie- en beoordelingscomités plaats te nemen. Op basis van de positieve ervaringen in verscheidene lidstaten zal de Commissie dergelijke comités aanmoedigen een minimumpercentage aan buitenlandse onderzoekers op te nemen en voor een goed man-vrouwevenwicht te zorgen. Bij de uitvoering van deze maatregel zal worden gezorgd voor synergie met bestaande netwerken op dit gebied, zoals EURES.

4.1.3. Kwaliteitsvraagstukken

Interministeriële bijeenkomsten over mobiliteit: De Commissie zal waar nodig stimuleren dat er binnen de lidstaten interministeriële bijeenkomsten worden georganiseerd over actuele belemmeringen die voor de Europese onderzoekruimte direct van belang zijn. Deze bijeenkomsten zullen ertoe bijdragen dat men zich meer bewust wordt van de noodzaak geïntegreerde strategieën voor de mobiliteit van onderzoekers te ontwikkelen door contact te leggen met geschikte structuren op nationaal of regionaal niveau. Op grond van de resultaten van deze bijeenkomsten zal de Commissie de lidstaten die daarvoor belangstelling hebben, helpen algemene bijeenkomsten op hoog niveau over nationale onderzoekwerkzaamheden te organiseren.

Uitwisseling van beste praktijk: Op basis van de aanbevelingen van de werkgroep op hoog niveau zal de Commissie in samenwerking met de lidstaten een reeks workshops opzetten over de uitwisseling van de beste praktijk met betrekking tot thema's van gemeenschappelijk belang. Een mogelijk thema voor de eerste workshop zou de procedure kunnen zijn die in Frankrijk voor wetenschappelijke visa wordt gehanteerd. Voor deze procedure was in de werkgroep grote belangstelling.

Benchmarking: Om de mobiliteitsmogelijkheden beter te ontwikkelen, zal er een vergelijkende toetsing voor mobiliteitskwesties plaatsvinden. Het initiatief is gebaseerd op voorbereidende activiteiten in relatie tot de uitwisseling van de beste praktijk, richt zich op de verbetering van mobiliteitsmogelijkheden (bijv. het kwaliteitshandvest) en ondersteunt mechanismen voor mobiliteit op nationaal en communautair niveau. In dit kader zou ook gekeken kunnen worden naar de mogelijkheid om gemeenschappelijke criteria op te stellen voor de verbetering van de beroepssituatie van de onderzoeker op Europees niveau, bijv. door administratieve coördinatie te bevorderen. Bij de uitvoering van dit benchmarkinginitiatief zal ten volle rekening worden gehouden met de werkzaamheden van de groep op hoog niveau inzake benchmarking, die is ingesteld door de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000. De Commissie is van plan de resultaten van de benchmarkingoperatie in brede kring bekend te maken en te verspreiden.

'Kwaliteitshandvest': Tenslotte zal de Commissie op basis van de vergelijkende toetsing een 'kwaliteitshandvest' voor de opvang van buitenlandse onderzoekers opstellen. Het handvest garandeert een minimaal niveau van bijstand voor buitenlandse onderzoekers van de kant van de betrokken instellingen. Deze bijstand omvat steun voor de integratie in de werkomgeving en de sociale omgeving van het gastland, inclusief belastingen en intellectuele-eigendomsrechten. Het doel is gastinstellingen aan te moedigen meer verantwoordelijkheid voor hun buitenlands personeel en bezoekende wetenschappers te nemen. [23]

[23] Bij de uitvoering hiervan zal de nodige aandacht worden besteed aan maatregel 321 van het actieplan voor mobiliteit.

4.1.4. Wettelijke verbeteringen

Toelating, toegang tot de arbeidsmarkt, sociale zekerheid en belastingen: De Commissie heeft reeds een aantal stappen gezet om de juridische situatie die ook op andere gebieden van invloed is op de mobiliteit, te verbeteren. Bij de voorbereiding en bespreking van deze maatregelen dienen de Commissie, de lidstaten en het Parlement er evenwel op toe te zien dat de specifieke werkterreinen van de onderzoekers naar behoren in aanmerking worden genomen. De beoogde maatregelen behelzen onder meer een voorstel voor een richtlijn betreffende gezinshereniging, waarover momenteel wordt gediscussieerd [24], een voorstel voor een richtlijn betreffende een status voor onderdanen van derde landen die langdurig in een EU-lidstaat verblijven, en enkele voorstellen om het vrije verkeer van EU-burgers verder te vergemakkelijken. Naast deze algemene maatregelen zal de Commissie de mogelijkheid van een 'EG-onderzoekerskaart' of een wetenschappelijk visum bestuderen. Met behulp van een dergelijke kaart of visum moeten onderzoekers uit derde landen de EU eenvoudiger kunnen binnenkomen, met name wanneer zij in door de overheid gefinancierd onderzoek participeren. Dit betekent ook dat de buitenlandse onderzoeker zich vrij binnen de EU mag bewegen, wanneer hij eenmaal in een lidstaat een verblijfsvergunning heeft gekregen. Op het gebied van de sociale zekerheid keurde de Raad van Stockholm van 23 en 24 maart 2001 het voorstel van de Commissie goed om Verordening nr. 1408/71 [25] te vereenvoudigen, waardoor de coördinatie van de sociale zekerheid tussen de lidstaten ook van toepassing zou worden op legaal in de Unie verblijvende onderdanen van derde landen. Voor het recht op een werkloosheidsuitkering zou de toegestane periode voor het vinden van werk in het buitenland van drie tot zes maanden worden verlengd. De Commissie zal vóór eind 2001 een voorstel indienen betreffende de overdraagbaarheid van aanvullende pensioenen [26]. Tevens zal de Commissie de lidstaten stimuleren door te gaan met het sluiten van bilaterale socialezekerheidsovereenkomsten met niet-EU-staten. Evenzo zullen de lidstaten worden aangemoedigd om het netwerk van bilaterale belastingovereenkomsten [27] te voltooien teneinde daarin alle landen op te nemen die bij het Kaderprogramma betrokken zijn.

[24] Het gewijzigde voorstel van de Commissie, COM(2000) 624.

[25] Het voorstel van de Commissie, COM(1998) 779 def. en PB C 38, 12.2.1999, blz. 10.

[26] Het probleem van de grensoverschrijdende pensioenregelingen kwam reeds aan de orde in de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, inzake de opheffing van fiscale barrières voor grensoverschrijdende bedrijfspensioenregelingen- COM(2001) 214 def. In de conclusies daarvan verzoekt de Commissie de Raad , het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité om de maatregelen te onderzoeken die noodzakelijk zijn "voor het elimineren van ongerechtvaardigde obstakels voor het vrije verkeer van werknemers veroorzaakt door het uiteenlopen van de belastingregels van de lidstaten ten aanzien van bedrijfspensioenregelingen, in het bijzonder dubbele belasting".

[27] In dit verband zij evenwel ook gewezen op de werkzaamheden op dit gebied die zijn beschreven in de mededeling van de Commissie aan de de Raad en het Europees Parlement naar aanleiding van de conclusies van het Ruding-Comité - SEC(1992) 1118 def. - waarin richtsnoeren worden aangegeven inzake de vennootschapsbelasting in verband met de verdere ontwikkeling van de interne markt. In punt 34 van de mededeling wordt gesteld dat de Commissie het tevens eens is met de aanbevelingen inzake bilaterale belastingverdragen. Dit betreft zowel de oproep aan de lidstaten om het netwerk van verdragen binnen de Gemeenschap te voltooien en de toepassingssfeer ervan te vergroten, als de definitie van een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van overeenkomsten inzake dubbele belasting met niet-lidstaten.

4.2. Activiteiten om passende financiële steun te verschaffen voor de ontwikkeling van een kritische massa van mobiele onderzoekers in Europa

Het scheppen van een gunstig klimaat voor de mobiliteit van onderzoekers is nodig maar op zichzelf niet altijd afdoende. Het moet worden aangevuld door een stelsel van financiële prikkels op lokaal, regionaal, nationaal of communautair niveau, dat is afgestemd op de verschillende fasen en vormen van mobiliteit en de kenmerken van de landen en onderzoekers in kwestie.

Bij de vaststelling van deze prikkels is het van kapitaal belang dat de financiële mechanismen verder gaan dan louter het financieren van beurzen. Er moet systematisch rekening worden gehouden met zaken als de terugkeer en reïntegratie van onderzoekers naar en binnen Europa, de gezinssituatie en de financiële compensatie voor belemmeringen in verband met mobiliteitskwesties.

Tegelijkertijd is het welslagen van de strategie sterk afhankelijk van het openstellen van nationale programma's voor onderdanen van andere landen.

Op grond hiervan heeft de Commissie in haar voorstel voor een nieuw kaderprogramma voor onderzoek (2002-2006) [28] een nog niet eerder vertoond initiatief gelanceerd om de dimensie van het menselijk potentieel in de wetenschap te versterken, en meer bepaald de mobiliteitswaarden.

[28] Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende het meerjarenkaderprogramma 2002-2006 van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoekruimte, COM(2001) 94 def./2 van 1 maart 2001.

Bij het uitwerken van haar voorstel heeft de Commissie de volgende doelstellingen beoogd:

- verdere openstelling en verbreding van de bestaande instrumenten om onderzoekers aan te moedigen gedurende hun gehele loopbaan ervaringen met mobiliteit op te doen, ongeacht hun leeftijd, geslacht, ervaring of land van herkomst, met als doel de bevordering van opleidingen in en ten behoeve van onderzoek, kennisoverdracht, het verbinden van topcentra via netwerken en een optimaal gebruik van onderzoekinfrastructuren van het hoogste niveau binnen de gehele EU;

- een aanmerkelijke toename en diversificatie van de beschikbaarheid van financieringsmogelijkheden, om via aanbieding van een totaalinstrumentarium de perspectieven voor onderzoekers in Europa dynamischer te maken. In dit verband is speciaal aandacht besteed aan de ontwikkeling van algemene instrumenten, om de toegang tot een onderzoekloopbaan te vergemakkelijken;

- de invoering van systematische mechanismen voor de terugkeer en beroepsintegratie of reïntegratie van onderzoekers naar en binnen Europa en in het bijzonder onderzoekers die zich in andere delen van de wereld hebben gevestigd [29];

[29] Bijzondere aandacht zal in dit verband worden gegeven aan onderzoekers die naar minder ontwikkelde regio's van de Unie terugkeren. In het geval van opkomende economieën en ontwikkelingslanden kan het systeem voorzien in steun aan onderzoekers die naar hun land van herkomst terugkeren.

- het stimuleren en bevorderen - door middel van financiële prikkels - van topkwaliteit in het Europese onderzoek, teneinde de zichtbaarheid en aantrekkelijkheid ervan te vergroten. Deze maatregelen zijn in het bijzonder gericht op het ondersteunen van Europese onderzoekteams, met name op nieuwe en/of opkomende gebieden van onderzoek, en moeten de aandacht vestigen op persoonlijke prestaties van Europese onderzoekers, om hun verdere ontwikkeling en internationale erkenning te bevorderen;

- de totstandbrenging van een opener en meer systematische toegang tot financiering voor onderzoekers van derde landen, en voor Europese onderzoekers die ervaring in het buitenland willen opdoen;

- een ruimere toegang tot financiering, via passende mechanismen, uit hoofde van nationale of regionale mobiliteitsprogramma's, die openstaan voor onderzoekers van andere Europese landen. De Commissie heeft de lidstaten willen stimuleren de financiering van onderzoekprojecten meer afhankelijk te maken van mobiliteitsaspecten door in de selectiecriteria en promotieregelingen systematischer rekening te houden met transnationale en intersectorale mobiliteit.

5. Beoordeling van het beleid

Om de bovenvermelde activiteiten ten uitvoer te leggen en daarop toezicht te houden, is de Commissie van zin om samen met de lidstaten een scorebord te maken om de ontwikkeling van deze activiteiten op nationaal en communautair niveau te volgen. Dit initiatief is nauw gekoppeld aan de vergelijkende toetsing zoals beschreven in hoofdstuk 4. Algemeen gezegd, zal de Commissie toezicht houden op de in hoofdstuk 4 geïntroduceerde activiteiten en de voortgangsverslagen over de tenuitvoerlegging van deze strategie voor mobiliteit in de Europese onderzoekruimte in brede kring verspreiden. Het scorebord, dat jaarlijks wordt geactualiseerd, houdt de voortgang bij van de activiteiten die via deze mededeling in gang worden gezet, en maakt het mogelijk dat eventuele behoefte aan verdere communautaire actie worden herkend

Top