Help Print this page 
Title and reference
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Uitvoering van de taak van het GCO in de Europese onderzoekruimte

/* COM/2001/0215 def. */
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html DA html DE html EL html EN html FR html IT html NL html PT html FI html SV
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT pdf FI pdf SV
Multilingual display
Text

52001DC0215

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Uitvoering van de taak van het GCO in de Europese onderzoekruimte /* COM/2001/0215 def. */


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT - Uitvoering van de taak van het GCO in de Europese onderzoekruimte

1. Doelstellingen:

Dit document is opgesteld naar aanleiding van de resolutie van de Raad Onderzoek van 15-16 november 2000 over de Europese onderzoekruimte en innovatie waarin de Commissie werd verzocht "de Raad ten spoedigste, zodat hij vóór de aanneming van het kaderprogramma een grondig debat kan houden, een mededeling over de uitvoering van de taak van het GCO voor te leggen, met betrekking tot de beheerswijzen, de methoden en het bestuur, de concentratie van onderzoekinspanningen, de aanpassing van de menselijke hulpbronnen aan de opdracht, de verbetering van de banden met de andere nationale onderzoekinstellingen en het antwoord dat het GCO kan geven op de behoeften van gebruikers, met name de directoraten-generaal van de Commissie, en overheid".

In dit document wordt beschreven op welke wijze de middelen van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek zullen worden aangewend om ervoor te zorgen dat het centrum zijn taak beter kan volbrengen in een veranderende context en effectief kan bijdragen aan de ontwikkeling van de Europese onderzoekruimte.

Het doel is het GCO te versterken door:

* de activiteiten van het centrum te focusseren en te concentreren,

* de op de gebruikers gerichte instelling en de gebruikersbasis te versterken en te verruimen,

* strategische uitbreiding van de samenwerking met externe partners,

* het management te stroomlijnen.

Zodoende zal het centrum in staat zijn om zijn wetenschappelijke vitaliteit te vergroten en gestalte te geven aan het streven naar uitmuntendheid bij de levering van diensten ter ondersteuning van het beleidvormingsproces. Een en ander zal geleidelijk worden ingevoerd om tijdens het consolideringsproces ervaring op te doen teneinde bij het begin van het volgende kaderprogramma uit te kunnen gaan van veranderingen die hun waarde hebben bewezen.

2. Taak van het GCO

"Het GCO heeft tot taak behoeftegerichte wetenschappelijke en technische ondersteuning te leveren voor het uitstippelen, ontwikkelen, uitvoeren en volgen van het beleid van de Gemeenschap. Het GCO, dat een dienst is van de Commissie, fungeert als referentiecentrum op het gebied van wetenschap en technologie voor de Gemeenschap. Het GCO, dat nauw betrokken is bij het beleidsvormingsproces, dient de gemeenschappelijke belangen van de lidstaten en is onafhankelijk van commerciële of nationale belangen.

Het GCO, dat specifiek onderzoek op hoog niveau uitvoert in nauw contact met de industrie en andere organen, verschaft de beleidsmakers ondersteuning wanneer het gaat om zaken waarover de burgers zich zorgen maken, het verbeteren van de wisselwerking tussen mens en milieu en de bevordering van duurzame ontwikkeling.

Het GCO streeft bij de uitvoering van zijn taak naar coördinatie van de in de lidstaten uitgevoerde OTO-activiteiten. Bij zijn werkzaamheden spelen intensieve netwerkactiviteiten met openbare en particuliere instellingen in de lidstaten via bijvoorbeeld onderzoeknetwerken, gezamenlijke projecten en de uitwisseling van personeel een belangrijke rol. (...) Terwijl de werkzaamheden onder contract het belangrijkste mechanisme blijven voor de ontwikkeling en beproeving van nieuwe ideeën, bestaat de rol van het GCO erin deze te helpen toepassen ten behoeve van de beleidsmakers. [1]"

[1] Bijlage II van de Beschikkingen 1999/174/EG en 1999/176/EURATOM van de Raad van 25.1.1999 (PB L 64 van 12.3.1999).

Deze staakstelling is door de Raad vastgesteld in de beschikkingen inzake de specifieke GCO-programma's in het 5e kaderprogramma en door het Europees Parlement onderschreven in zijn commentaar op deze programma's. De W&T-ondersteuning van het beleid van de Unie is al vanaf de oprichting een centraal, maar slechts impliciet aanwezig, element van de rol van het GCO geweest. In de huidige taakstelling van het GCO wordt deze rol voor het eerst expliciet vermeld.

In zijn algemeenheid kan de taakstelling van het GCO, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de bestaande wetenschappelijke comités en de toekomstige Europese voedselautoriteit wat betreft wetenschappelijke advisering en risicoanalyse, als tweeledig worden opgevat:

i) Ondersteuning van het beleidsvormingsproces door het leveren van een grote verscheidenheid aan specifieke W&T-diensten in alle fasen van beleidsmaatregelen (conceptie-ontwikkeling-implementatie- monitoring) op de gebieden waarop het deskundig is. Hieronder vallen:

* betrouwbare wetenschappelijke en technische ondersteuning in verband met beleids kwesties - zowel op verzoek als prospectief;

* permanente wetenschappelijke en technische ondersteuning voor de implementatie en monitoring van beleidsmaatregelen;

* onderzoek, zowel fundamenteel (bijvoorbeeld aan actiniden, op het gebied van de analytische chemie of op het gebied van de toxicologie) als meer toegepast (bv. ondersteuning van de wetenschappelijke comités en in verband met de uitvoering van beleidsmaatregelen) waarvoor echter wel hoge technische bekwaamheid vereist is;

* een gedegen inzicht in de relevante W&T-kwesties en het vermogen om de evolutie daarvan te monitoren en de ontwikkelingen bij te houden;

* de capaciteit om onzekerheden en risico's te beoordelen, wetenschappelijke kennis te integreren met andere relevante informatie en deze informatie in een vorm te vertalen die door de klant kan worden gebruikt;

* flexibele reactie op onverwachte behoeften, met name in een crisissituatie (bijvoorbeeld illegale handel in nucleaire materialen, BSE of dioxinecrisis) bijvoorbeeld om analyse- of detectiemethodes te ontwikkelen, te verbeteren en te valideren. Dit vergt zowel een grote verscheidenheid aan wetenschappelijke deskundigheid op specifieke, zich snel ontwikkelende gebieden (om voorbereid te zijn op uiteenlopende situaties) als de organisatorische (en budgettaire) mogelijkheden om snel in te spelen op onverwachte dringende verzoeken.

ii) Bijdrage aan de ontwikkeling en exploitatie van wetenschappelijke referentie systemen van de EU voor beleidsbeslissingen

Zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie over de Europese Onderzoekruimte [2], moeten W&T-referentiesystemen de gevalideerde kennisbasis opleveren die nodig is om het beleid en de maatregelen van de EU te onderbouwen. Het GCO zal binnen de desbetreffende netwerken een bijdrage leveren op gebieden waarop het zijn deskundigheid heeft bewezen (bijvoorbeeld nucleaire veiligheidscontrole, opsporing en naspeurbaarheid van GGO's, toxiciteit en chemische stoffen, luchtkwaliteit, enz.). Afhankelijk van het gebied en de specifieke W&T-kwesties kan de rol van het GCO uiteenlopen van "het effenen van de weg" (omschrijving van de vraagstelling en organisatie van de discussie en gemeenschappelijke werkzaamheden van de W&T-gemeenschap) tot het valideren van onderzoekmethodes en resultaten. Op specifieke gebieden kan het ook activiteiten ontplooien om kandidaat-lidstaten te helpen om het Gemeenschapsrecht te implementeren door deze landen te assisteren bij het verwerven van de nodige wetenschappelijke en technische instrumenten en methodes, door opleidingsactiviteiten en door onderzoekorganisaties in de desbetreffende netwerken op te nemen.

[2] COM (2000) 6

3. Focusseren en concentreren van activiteiten

3.1. Het GCO beschikt slechts over beperkte middelen en kan niet op elk willekeurig wetenschappelijk of technisch gebied deskundig zijn. Het acht dit ook niet wenselijk, aangezien activiteiten een kritische massa moeten hebben om geloofwaardig en efficiënt te zijn. Het GCO zal zijn activiteiten, zoals aangegeven in het voorstel van de Commissie voor het nieuwe kaderprogramma [3], concentreren op kerncompetenties en specifieke ondersteunende horizontale activiteiten. De politieke aandachtspunten die daarbij centraal staan zijn de veiligheid en beveiliging van de Europese burgers.

[3] COM (2001) 94

De deskundigheid van het GCO is opgebouwd rond drie peilers, die aansluiten bij belangrijke politieke thema's en die de hoofdlijnen zullen bepalen van de herstructurering:

* Levensmiddelen, chemische producten en gezondheid;

* Milieu en duurzaamheid;

* Nucleaire veiligheid en beveiliging.

Een reeks horizontale deskundigheidsgebieden ondersteunt en completeert deze pijlers. voorbeelden zijn de productie van referentiematerialen en -metingen en de ontwikkeling van instrumenten voor risicomanagement met het oog op een grotere mate van bescherming en openbare veiligheid, met inbegrip van de bestrijding van fraude. De technologische prospectivistische activiteiten zullen worden geconcentreerd in netwerken van nationale instituten die op dit gebied actief zijn, teneinde synergieën en schaalvoordelen te bereiken.

Buiten deze gebieden zou het GCO alleen activiteiten moeten ondernemen die zijn overeengekomen met zijn klanten en die binnen de beschikbare financiële middelen vallen, wanneer het op die gebieden deskundig is en de deelname van het GCO vereist is en een zodanige omvang heeft dat de deskundigheid binnen afzienbare tijd een kritische massa kan bereiken.

3.2. Om de gehele activiteit van het GCO te onderbouwen moet worden gezorgd voor een krachtige wetenschappelijke basis die de geleverde beleidsondersteuning geloofwaardigheid, aanvaardbaarheid en betrouwbaarheid verschaft. Deze moet regelmatig worden bijgewerkt en verruimd door middel van verkennend onderzoek, worden getoetst door de deelname aan uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, werkzaamheden voor derden en technologieoverdracht en worden uitgebreid door het GCO op te nemen in netwerken met nationale onderzoekscentra en universiteiten.

3.3. In haar mededeling "De onderlinge afstemming van de menselijke hulpbronnen en de taken van de instelling" [4] gaf de Commissie aan dat het GCO zijn activiteiten zou kunnen concentreren door een onderzoekinstituut te sluiten dan wel de activiteiten van verschillende instituten in te krimpen, waardoor het personeel met 200 posten zou worden ingekrompen. Tevens gaf de Commissie aan dat sommige prioritaire activiteiten van het GCO moesten worden uitgebreid. Dit betekent dat netto wordt voorgesteld het personeel met 175 posten in te krimpen.

[4] SEC(2000)2000.

De huidige activiteiten zijn geëvalueerd om na te gaan op welke gebieden activiteiten moeten worden geconcentreerd en gefocusseerd. De activiteiten van het Instituut voor geavanceerde materialen in Petten zijn uitvoerig geanalyseerd, waarbij bleek dat er een realistisch potentieel aanwezig is om de activiteiten meer te focusseren en te concentreren.

De (wetenschappelijke en administratieve) activiteiten in de andere vestigingen van het GCO zijn daarna op dezelfde wijze geëvalueerd. Daarvoor was een speciale task force opgezet waaraan externe deskundigen deelnamen. Tot de criteria behoorden: Europese toegevoegde waarde, beleidsrelevantie in het kader van de strategie van de Commissie voor 2000-2005 [5], klantgerichtheid, wetenschappelijke kwaliteit, netwerken en efficiëntie van het management (bv. methoden om prioriteiten te bepalen, middelen toe te wijzen en de uitvoering te monitoren).

[5] COM(2000) 154 def.: STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN 2000-2005, "De vorm van het nieuwe Europa".

Als voorlopig resultaat van deze analyse is het plan opgevat om de voorgestelde inkrimping van het personeel met 175 posten op te nemen in het voorontwerp van begroting 2002.

4. Versterking van de relaties met de gebruikers

4.1. Als dienst van de Commissie heeft het GCO een aantal belangrijke stakeholders en gebruikers:

* Op strategisch niveau zijn de Raad en het Europees Parlement (EP) die beslissen over het kaderprogramma (KP) en de begroting vaststellen, de belangrijkste stakeholders. Zij keuren de specifieke programma's goed en de bijbehorende toewijzing van de middelen. Uiteindelijk moet het GCO hen ervan overtuigen dat het de Europese Unie goede diensten bewijst en waar voor haar geld levert. In dit verband vormt de Raad van Beheer, die de Commissie adviseert over het management van het GCO en de wetenschappelijke kwaliteit van het werk van het centrum, een communicatiekanaal met de lidstaten, geassocieerde staten en kandidaat-lidstaten.

* Binnen deze groep zijn de diensten van de Commissie de voornaamste gebruikers van GCO-resultaten. Voordat de meerjarige werkprogramma's door de Commissie worden aangenomen, keuren zij deze goed in het kader van de raadpleging van de verschillende diensten.

* De ruimere "gebruikers"gemeenschap omvat ook internationale partners en organisaties als de WHO, IAEA, BIPM, Europese agentschappen of lichamen (EEA, EMEA, CEN) [6] die geïnteresseerd zijn in de resultaten van het GCO, en de industrie. Zo zijn met name de internationale en nationale regelgevende instanties gebruikers van de diensten en resultaten van het GCO, aangezien de steun die het centrum biedt aan de tenuitvoerlegging van Europese regelgeving of internationale overeenkomsten een van de hoekstenen van het beleid vormt. Kandidaat-lidstaten zijn eveneens belangrijke gebruikers en in coördinatie met de betrokken beleidsbepalende DG's moet een grotere inspanning worden geleverd om deze landen zoveel mogelijk te betrekken bij de werkzaamheden van het GCO in verband met de implementatie en monitoring van communautaire wetgeving.

[6] WHO: Wereldgezondheidsorganisatie - IAEA: Internationale Organisatie voor Atoomenergie - BIPM: Internationaal Bureau voor Maten en Gewichten - EEA: Europees Milieuagentschap - EMEA: Europees Bureau voor de Geneesmiddelenbeoordeling - CEN: Europese Commissie voor Normalisatie.

Bij de uitvoering van zijn taak moet het voldoen aan de behoeften van de gebruikers vooropstaan.

4.2. Sinds 1999 heeft het GCO met zijn nieuwe taakstelling de dialoog met de directoraten-generaal en diensten waarvoor het werkt, geïntensiveerd. Er is al belangrijke vooruitgang geboekt wat betreft het versterken en formaliseren van de betrekkingen tussen het GCO en zijn belangrijkste gebruikers (vaststelling van meerjarige werkprogramma's bij besluit van de Commissie, jaarlijkse workshops met de belangrijkste klant-DG's, memoranda van overeenstemming en administratieve kaderregelingen [7], gebruikersgroepen, stuurgroepen voor projecten, bilaterale contacten, ondersteuning van het EP, enz.).

[7] Er zijn al een aantal Memoranda van overeenstemming of administratieve kaderregelingen waarin behoeften, te leveren prestaties en monitoringprocedures zijn neergelegd, ondertekend met verschillende DG's (onder KP5 bv. DG ENV, DG ENTR, DG EAC, DG TREN) en met externe partners op Europees niveau (EEA, EMEA, CEN). Andere worden overwogen (DG RELEX, DG SANCO, OLAF).

Om de klant-contractantrelatie te versterken heeft de Commissie op 22 januari besloten een inter-service groep op te richten. Deze zal worden gevormd door de directeuren-generaal van de klant-DG's en worden voorgezeten door de directeur-generaal van het GCO. Deze groep moet zich onder meer bezighouden met arbitrage en het vaststellen van prioriteiten bij de toewijzing van middelen aan de activiteiten die rechtstreeks betrekking hebben op beleid, binnen de beperkingen van het kaderprogramma en de specifieke programma's en andere financiële beperkingen. De groep moet advies uitbrengen over de meerjarige en jaarlijkse werkprogramma's van het GCO in het licht van het jaarlijkse strategische programma van de Commissie en binnen de beperkingen van het specifieke programma voorstellen doen om eventueel zwaartepunten te verleggen en nieuwe activiteiten toe te voegen.

Bij het opstellen van het werkprogramma van het GCO zal eveneens rekening worden gehouden met het feit dat het GCO samenhangende wetenschappelijke programma's moet uitvoeren en over wetenschappelijke middelen op lange termijn moet beschikken.

4.3. Voort is de Commissie voornemens de banden tussen het GCO en het EP aan te halen en daartoe via de secretariaten-generaal van beide instellingen een programma te organiseren van vergaderingen met de commissies die in het bijzonder belang hebben bij de GCO-activiteiten.

4.4. Er zullen ook andere mechanismen worden onderzocht om de gebruikersgerichtheid te vergroten, bijvoorbeeld:

* Nauwere banden met nationale regelgevende en/of handhavende instanties: een gemeenschappelijk kenmerk van veel succesvolle GCO-projecten [8] zijn de sterke banden met Europese regelgevende instanties, waarbij netwerken worden opgezet met drie elementen: het GCO, dat deel uitmaakt van de relevante W&T-netweken, het DG dat verantwoordelijk is voor het opstellen van wetgeving en het toezien op de naleving ervan, en de bevoegde instanties in de lidstaten en kandidaat-lidstaten die zijn belast met de uitvoering van de wetgeving en het toezicht op de toepassing ervan. Op deze wijze help het GCO de betrokkenen om de beoogde doelstellingen te bereiken: goed opgezette wetgeving, efficiënte uitvoering en goede en effectieve controle.

[8] Voorbeelden van projecten waar deze driehoeksverhouding functioneert, zijn: MAHB (Bureau voor grote ongevallen), ECCAIRS (ongevallen in de burgerluchtvaart), MARS (Beheer van landbouw met Remote Sensing), EIPPC (Europees bureau voor geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging),

* Meer flexibiliteit: op de gebieden waarop het deskundig is moet het GCO tevens in staat zijn snel in te spelen op onverwachte behoeften, met name in crisissituaties. Het programma moet dan ook zo worden opgezet dat het aan onverwachte verzoeken kan voldoen. Er zou een financiële voorziening kunnen worden getroffen en er zouden mechanismen moeten worden ontwikkeld om de vereiste personele en wetenschappelijke middelen van partnerorganisaties snel bijeen te brengen.

* Actieve ondersteuning van klant-DG's bij het formuleren van hun behoeften. Op de gebieden waarop het GCO deskundig is, zou het de aandacht van de DG's kunnen vestigen op gevolgen van W&T-ontwikkelingen voor hun sectorale beleid. Zodoende kan worden bevorderd dat in een vroeg stadium van de beleidsvorming rekening wordt gehouden met nieuwe W&T-concepten, -kwesties en -technieken. Om dit proces te ondersteunen zal systematische detachering van een beperkt aantal GCO-medewerkers bij de diensten van de Commissie die zich met de ontwikkeling van het beleid bezighouden, worden bevorderd. De daarvoor uitgekozen GCO-medewerkers zouden gedurende bepaalde periodes (bv. 6 tot 9 maanden) in de klant-DG's werkzaam moeten zijn.

5. Wetenschappelijke uitmuntendheid en kwaliteitszorg:

Er moet een grote inspanning worden geleverd om de belangrijkste stakeholders en instanties in de lidstaten regelmatig te wijzen op de bestaansredenen van het GCO en de toegevoegde waarde en resultaten die het levert. Afgezien van de relevantie en toegevoegde waarde van de door het GCO geleverde diensten, worden deze diensten alleen aanvaard wanneer wordt erkend dat het werk van het GCO is gebaseerd op uitmuntende wetenschap en technologie. Daarom zal het GCO ernaar streven dat het door vakgenoten wordt erkend, bijvoorbeeld door met "de besten" te netwerken, door publicaties en door deelname aan conferenties op hoog niveau. Het zal ook meer bekendheid geven aan zijn activiteiten en resultaten in kringen van beleidsvormers en bij het grote publiek.

Er bestaat een duidelijke behoefte aan regelmatige evaluatie en benchmarking van de wetenschappelijke activiteiten van het GCO, waarbij gebruik wordt gemaakt van externe deskundigen die internationaal worden gezien als topwetenschappers op de gebieden waarop het GCO deskundig is. Het daarvoor in te voeren mechanisme zal in nauwe samenwerking met de Raad van Beheer worden gedefinieerd. Hierbij zal rekening worden gehouden met het feit dat voor de verschillende activiteiten van het GCO verschillende niveaus van wetenschappelijke deskundigheid vereist zijn (zo behelst de directe ondersteuning van de tenuitvoerlegging van een groot aantal richtlijnen, die een wezenlijk onderdeel is van de GCO-werkzaamheden, over het algemeen slechts een beperkte onderzoekcomponent, maar zijn wel grondige kennis van het onderwerp en grote technische bekwaamheden vereist, zodat er specifieke criteria voor de beoordeling van de kwaliteit nodig kunnen zijn).

Voorts zal het GCO blijven werken aan het ambitieuze plan om het management te verbeteren, waarmee het begonnen is met de invoering van Total Quality Management (TQM), striktere procedures voor projectbeheer en projectgeoriënteerde budgettering. Om de output van het centrum te beoordelen zullen belangrijke prestatie-indicatoren continu worden gemonitored. Hiertoe behoren de mening van de klant over de tijdigheid en relevantie van de ontvangen adviezen en de kwaliteit van de geleverde wetenschappelijke informatie. Het aantal diensten waar kwaliteitsbeheersing wordt toegepast op basis van internationaal erkende normen (bv. goede laboratoriumpraktijk of ISO-normen) zal worden uitgebreid. De kwaliteit en de kosten/batenverhouding van het onderzoek en de dienstverlening zullen aan de markt worden getoetst, bijvoorbeeld door mee te dingen voor financiering in het kader van werkzaamheden onder contract en externe contracten.

6. Netwerken en samenwerking:

In de taakstelling van het GCO is uitdrukkelijk aangegeven dat bij zijn werkzaamheden intensieve netwerkactiviteiten met openbare en particuliere instellingen in de lidstaten een belangrijke rol spelen. Om de algemene dynamiek van de Europese Onderzoekruimte te volgen en Europese beleidsmakers die toegang wensen tot de beste kennispool te ondersteunen, zal het GCO systematisch onderzoekorganisaties of regelgevende organisaties in de lidstaten en de kandidaat-lidstaten meer betrekken bij het uitstippelen en uitvoeren van zijn werkzaamheden. Het moet ernaar streven zijn mogelijkheden om deel te nemen in netwerken of deze op te zetten, te animeren en/of te beheren, uit te breiden. Deze mogelijkheden zullen een cruciaal element zijn van de toekomstige ontwikkeling van het GCO. Actief netwerken met wetenschappelijke en andere organisaties zal dan ook een van de criteria zijn voor de selectie en beoordeling van GCO-projecten in het nieuwe kaderprogramma.

Deze netwerken houden zich bezig met de levering van zowel specifieke diensten (vroegtijdige waarschuwing; anticipatie; snelle reactie; validering en integratie van kennis; contacten met stakeholders en beleidsvormers) als producten (bv. ontwikkeling en harmonisatie van databases, gemeenschappelijke normen, gevalideerde detectiemethodes, enz.).

Het GCO zal zodoende samenwerken met een groot aantal uiteenlopende partners waaronder topcentra, bedrijven of regelgevende instanties. Het zal trachten deel te nemen aan werkzaamheden onder contract in het kaderprogramma die al jarenlang bijdragen tot op opzetten van partnerschappen met andere wetenschappelijke organisaties en het benchmarken van zijn deskundigheid. Tevens zal het, wanneer dat nodig is om zijn taak uit te voeren, samenwerken met internationale partners. Daarbij zal het zich extra inspannen om organisaties uit de kandidaat-lidstaten in zijn netwerken op te nemen.

7. Ontwikkeling van menselijk potentieel en mobiliteit:

Op dit gebied zal een strategie op middellange tot lange termijn worden uitgewerkt die gekoppeld is aan het werkprogramma van het GCO en flexibiliteit en continuïteit combineert. Er zal een uitgebreid glijdend programma op middellange termijn worden opgesteld voor de ontwikkeling van vaardigheden en kennismanagement en opleidingen zullen verder worden ontwikkeld.

In het kader van de Europese Onderzoekruimte zal het GCO trachten een bijdrage te leveren tot de onderzoekopleiding van jonge onderzoekers, ook jonge onderzoekers uit kandidaat-lidstaten, om een permanente instroom van jonge en dynamische onderzoekers aan te trekken en zodoende zijn intellectuele vitaliteit voortdurend te verjongen. Via zijn programma "opleiding door onderzoek" kan het GCO interdisciplinair onderzoek in een internationale omgeving aanbieden met een goede infrastructuur, frontlinieprojecten, een aantal unieke installaties en netwerkmogelijkheden. Deze opleidingen zullen aansluiten op de communautaire en nationale mobiliteitsprogramma's.

Daarnaast zullen mobiliteit van het personeel en uitwisselingen tussen het GCO en nationale instituten actief worden aangemoedigd, waarbij alle daarvoor bestemde instrumenten beter zullen worden gebruikt (bv. opleiding door onderzoekbeurzen, nationale deskundigen die bij de Commissie worden gedetacheerd en regelingen voor gastwetenschappers). Zo zal het GCO, binnen de huidige financiële mogelijkheden, trachten het aantal gedetacheerde nationale deskundigen de komende twee jaar tenminste te verdubbelen en zal het meer bekendheid geven aan de beschikbare instrumenten (bv. website, voorlichtingsdagen, presentatie aan netwerkpartners).

In het hervormingsproces van de Commissie zal bij de herziening van het personeelsbeleid voor onderzoekpersoneel extra worden gelet op maatregelen om deze mobiliteit en de flexibiliteit van het personeelsbeleid van het GCO te vergroten. Met name zal de detachering van tijdelijke functionarissen bij nationale organisaties, die volgens de huidige regels niet mogelijk is, worden onderzocht.

8. Conclusies:

De hier voorgestelde hoofdlijnen zijn bedoeld om het GCO te versterken en het beter in staat te stellen een succesvolle bijdrage te leveren tot de Europese Onderzoekruimte. De beoogde nieuwe mechanismen (inter-service-groep, nauwere banden met het Parlement, mobiliteit van personeel, enz.) zullen geleidelijk en op experimentele basis worden ingevoerd. Dit experiment zal worden gevolgd door een evaluatie aan het einde van het 5e kaderprogramma, waarna de mechanismen worden bevestigd dan wel op grond van de opgedane ervaring de nodige wijzigingen worden aangebracht.

Top