Help Print this page 
Title and reference
III° verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 89/552/EEG "Televisie zonder grenzen"

/* COM/2001/0009 def. */
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html DA html DE html EL html EN html FR html IT html NL html PT html FI html SV
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT pdf FI pdf SV
Multilingual display
Text

52001DC0009

III° verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 89/552/EEG "Televisie zonder grenzen" /* COM/2001/0009 def. */


III e VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT EN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ over de toepassing van Richtlijn 89/552/EEG "Televisie zonder grenzen"

INHOUDSOPGAVE

IIIe VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT EN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ over de toepassing van Richtlijn 89/552/EEG "Televisie zonder grenzen"

1. Inleiding

2. Ontwikkeling van de televisiemarkt in europa (1997-2000)

3. Stand van omzetting van de gewijzigde richtlijn

4. Toepassing van de richtlijn

4.1. Bevoegdheid (artikel 2)

4.2. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving (artikel 3 bis)

4.3. Bevordering van de verspreiding en productie van televisieprogramma's (artikelen 4 en 5)

4.4. Toepassing van de voorschriften op het gebied van reclame (artikelen 10-20)

4.5. Bescherming van minderjarigen en de openbare orde (artikel 22-22 ter)

4.6. Coördinatie tussen de nationale autoriteiten en de Commissie

5. Uitbreiding : analyse van de wetgeving op audiovisueel terrein in de kandidaat-lidstaten

6. Samenwerking met de raad van europa

7. Conclusies en toekomstperspectieven

1. Inleiding

Door middel van deze mededeling legt de Commissie het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité het derde verslag voor over de toepassing van Richtlijn 89/552/EEG [1], gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG [2] (de zogenaamde richtlijn "Televisie zonder grenzen": hierna aangeduid als de richtlijn).

[1] PB. L 298/23 van 17.10.1989

[2] PB. L 202/60 van 30.07.1997

Artikel 26 van de richtlijn bepaalt dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2000, en vervolgens om de twee jaar, bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag indient over de wijze van tenuitvoerlegging van de richtlijn in haar gewijzigde vorm en dat zij zo nodig nieuwe voorstellen doet om de richtlijn aan te passen aan de ontwikkelingen op televisie-omroepgebied, met name in het licht van recente technologische ontwikkelingen.

Dit verslag heeft betrekking op de toepassing van de richtlijn sinds de wijziging ervan in juli 1997 [3] tot aan het einde van het jaar 2000.

[3] Uiterste datum waarop het tweede verslag over de toepassing betrekking had.

In dit verslag worden de belangrijke feiten die zich in de referentieperiode met betrekking tot de toepassing van de richtlijn hebben voorgedaan, beschreven en geanalyseerd. Met name heeft het betrekking op de coördinatie tussen de nationale autoriteiten en de Commissie, de bescherming van minderjarigen, de toepassing van artikel 3 bis betreffende evenementen die van aanzienlijk belang voor de samenleving zijn, de toepassing van de regels inzake reclame, de stand van de omzetting van de richtlijn en de analyse van de wetgeving op audiovisueel terrein in de kandidaat-lidstaten.

Gezien het feit dat dit verslag voornamelijk betrekking heeft op een overgangsperiode en gepland is de bepalingen van de richtlijn eind 2002 te heroverwegen, bevat het geen voorstellen tot wijziging van deze bepalingen. In de tussentijd zal de Commissie voortgaan op transparante wijze overleg te voeren, met name over de eventuele consequenties van de technologische ontwikkelingen voor de voorschriften van de richtlijn. Met name heeft de Commissie onlangs het initiatief genomen tot verscheidene studies betreffende verschillende terreinen die onder de richtlijn vallen [4]. In het kader van deze studies zullen openbare colloquia worden gehouden, waaraan onder andere vertegenwoordigers van de Europese audiovisuele industrie zullen deelnemen. De bevindingen van deze studies en colloquia zullen een belangrijke bijdrage leveren aan de mededeling over de herziening van de richtlijn die de Commissie voornemens is in 2002 bij de Raad en het Parlement in te dienen.

[4] PB. S 149 van 05.08.2000

Voorts wordt erop gewezen dat overeenkomstig artikel 4, lid 3, van de richtlijn er een bijzonder verslag wordt uitgebracht over de toepassing van de artikelen 4 en 5 (bevordering van de verspreiding en productie van televisieprogramma's) van de richtlijn [5]. Punt 4.3. van het onderhavige verslag bevat evenwel de voornaamste conclusies van het laatste verslag over de artikelen 4 en 5 van de richtlijn.

[5] COM(2000) 442 def.

2. Ontwikkeling van de televisiemarkt in europa (1997-2000) [6]

[6] Tenzij anders aangegeven, zijn alle statistische gegevens in deze mededeling afkomstig van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector

De sector

In de jaren 1997-2000 heeft de televisiesector binnen het geheel van de audiovisuele industrie een periode van voortdurende ontwikkeling doorgemaakt.

In een situatie waarin de zend- en ontvangstinfrastructuren zich uitbreiden en kwalitatief beter worden hebben de aanbieders van televisiediensten hun aanbod in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht ontwikkeld. Begin 2000 werden in de EU meer dan 580 kanalen die in een gehele lidstaat konden worden ontvangen via aardse zenders, per satelliet of per kabel uitgezonden. Een dergelijk aantal betekent een toename met ongeveer 58%, respectievelijk 170%, ten opzichte van het aantal eind 1998 en 1996 geregistreerde kanalen [7]. Talrijke kanalen worden via meer dan één soort zendinfrastructuur uitgezonden en worden op geregelde basis in meer dan een EU-lidstaat onvangen, hoofdzakelijk via de satelliet. Hierdoor is het aantal grensoverschrijdende aspecten van de audiovisuele markt toegenomen. In de kleine lidstaten, met name landen waar dezelfde taal wordt gesproken als in andere grotere lidstaten, worden buitenlandse kanalen vaak via aardse zenders en - vooral - per kabel uitgezonden. Omstreeks 50 kanalen richten zich voornamelijk op markten buiten het land waar zij gevestigd zijn. Tegelijkertijd werden in de lidstaten van de Europese Unie per satelliet of kabel 22 digitale pakketten gedistribueerd, waarbij bijna alle lidstaten over minstens één pakket beschikten. Voorts hebben drie lidstaten (Verenigd Koninkrijk, 1998; Zweden, 1999; Spanje, 2000) sinds 1998 aardse digitale tv-diensten ingevoerd. Op het ogenblik worden in verscheidene andere Europese landen op experimentele basis digitale programma's via aardse zenders uitgezonden [8].

[7] Vierde mededeling van de Commissie betreffende de tenuitvoerlegging van de richtlijn "Televisie zonder grenzen": COM (2000) 442 def.

[8] Zie ook het verslag van de Commissie betreffende de ontwikkeling van de markt voor digitale tv in de EU in de context van Richtlijn 95/47/EG.

Naast de publieke en particuliere vrij toegankelijke kanalen (ongeveer 83 kanalen op een totale zendtijd van omstreeks 550 000 uur per jaar) bestaat er een groeiend aantal thematische kanalen, dat binnen door de exploitanten van betaaltelevisie aangeboden pakketten uitzendingen verzorgt via de satelliet, kabelnetwerken of door middel van aardse digitale distributie. De programmering en afzet van dergelijke kanalen verschillen per exploitant en een nauwkeurige kwantitatieve bepaling van de zendtijd is bijna onmogelijk. Niettemin zou deze op 3,5 miljoen zenduren per jaar geraamd kunnen worden. De populairste genres zijn onder andere films, sport-, kinder-, muziek- en amusementsprogramma's; meer en meer kanalen richten zich echter op "nichemarkten" (zoals opleiding en onderwijs, tv-series, tekenfilms, documentaires, geschiedenis, reizen, videospelletjes, financiële diensten, telewinkelen, godsdienst en erotische en pornografische programma's). Kanalen die zich richten op lokale kijkers zijn ook snel in opkomst en zullen waarschijnlijk profiteren van de toegenomen mogelijkheden om via de satelliet, de kabel en - in de nabije toekomst - via de digitale aardse televisie uit te zenden.

Gerichte onderzoeken [9] naar de grootste markten hebben onlangs aangetoond dat in 1999 tv-fictie uit eigen land over het algemeen op de eerste plaats komt tijdens de zendtijd met de grootste kijkdichtheid (met geringe uitzonderingen, zoals Italië en Spanje), terwijl fictie uit de Verenigde Staten nog steeds de rest van de aan fictie gewijde zendtijd bleef bepalen. Het aantal Europese buitenlandse tv-fictie en speelfilms bleef tamelijk beperkt. Als gevolg van dergelijke programmeringpatronen vertoonde de handel in tv-rechten met de VS in 1998 een tekort van ongeveer 2,9 miljard USD (+ 14% in vergelijking met 1997) op een totaal tekort op audiovisueel terrein dat wordt geschat op 6,6 miljard USD. Dit tekort was voor een aanzienlijk deel terug te voeren op de handel in speelfilms, tv-fictie en tekenfilms. Dit handelstekort bleef ook in 1999 voortbestaan.

[9] Rapport 2000 'Television Fiction in Europe' door Eurofiction

Het kijkerspubliek

In vergelijking met de gestage en gevarieerde groei van het aanbod van televisiediensten is de vraag van het kijkerspubliek de afgelopen jaren slechts in geringe mate toegenomen, zonder dat er evenwel sprake is geweest van de door vele analisten verwachte afname van de dagelijkse kijktijd als gevolg van het feit dat het internet op grote schaal toegankelijk is geworden. Het steeds groeiende aantal kanalen en distributieplatforms heeft juist in belangrijke mate bijgedragen aan de populariteit van televisie als medium van amusement en informatie en het aantal uren dat door EU-burgers aan tv kijken wordt besteed ligt nog steeds tussen ongeveer 140 minuten/dag (Oostenrijk) tot ongeveer 230 minuten/dag (Italië en Griekenland).

De omvang van het kijkerspubliek van de publieke omroepen verschilt van land tot land: het dagelijkse marktaandeel gedurende de eerste helft van 2000 varieert van 2/3 in Denemarken [10] tot 1/10 in Griekenland. In 1999 verloren de publieke omroepen een gedeelte van de markt in Oostenrijk, Ierland, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Portugal en Zweden, terwijl het kijkerspubliek in andere landen onveranderd bleef en toenam in België.

[10] Inbegrepen in deze raming zijn de gegevens betreffende TV2, een gemengde publieke/particuliere omroeporganisatie

De "gevestigde" vrij toegankelijke particuliere kanalen, die halverwege de jaren '80 tot ontwikkeling kwamen, hebben in bijna alle lidstaten te maken met de concurrentie van nieuwe aanbieders, zowel vrij toegankelijke als betaaltelevisieomroepen, die via de traditionele aardse zenders (Channel 5 in het Verenigd Koninkrijk, Nelonen in Finland) of, nog vaker, via de kabel en/of satelliet op de markt komen.

De structuur van het kijkerspubliek ten opzichte van de transmissiemiddelen verschilt per land en vloeit vaak voort uit de sinds de jaren '60 en '70 gehanteerde ontwikkelingsmodellen. Duitsland, waar kabel- en satellietontvangst op grote schaal verbreid zijn, heeft de meest gefragmenteerde markt. In het Verenigd Koninkrijk ligt het marktaandeel van kanalen die niet via aardse zenders uitzenden hoger dan 11 %, terwijl in Frankrijk in de eerste helft van 2000 dit cijfer ongeveer 7 % en in Duitsland ongeveer 10 % bedroeg. In België en Nederland, waar kabeldistributie wijdverspreid is, is aardse distributie bijna geheel beperkt tot de publieke omroepen, terwijl alle belangrijke commerciële omroepen alleen via de kabel toegankelijk zijn. In deze landen ontvangen de kijkers ook de programma's van de publieke omroepen bijna uitsluitend via de kabel. Daarentegen komt in Italië kabeldistributie vrijwel niet voor, is satellietontvangst hoofdzakelijk het terrein van de betaaltelevisie en worden zowel de publieke omroepen als de commerciële kanalen over het algemeen via aardse distributie ontvangen.

De ontwikkeling van betaaltelevisie is in de meeste Europese landen gestimuleerd, omdat digitale distributie via satelliet en kabel in toenemende mate tot de mogelijkheden ging behoren en ook het aanbod van pakketten met premium- en thematische kanalen steeds groter werd. Naar schatting waren er eind 1999 meer dan 18 miljoen kijkers geabonneerd op premiumdiensten van de betaaltelevisie en zijn 13 miljoen huishoudens in staat om digitale programma's te ontvangen.

Totale waarde van de markt

Bijna alle huishoudens in de EU zijn in het bezit van tv-toestellen (meer dan 152 miljoen in 2000, dat wil zeggen 12 miljoen meer dan in 1997) en het aantal 16:9-toestellen breidt zich uit (om en nabij 5,5 miljoen eind 1999). Het aantal huishoudens dat in staat is om rechtstreekse satellietuitzendingen te ontvangen (en daardoor toegang heeft tot radio- en andere programma's die van grote afstand komen), is toegenomen tot 18 % van alle huishoudens en tv-kabelverbindingen bereiken ongeveer 29 % van alle huishoudens. Verscheidene exploitanten beschouwen kabelnetwerken als van strategisch belang, gezien de mogelijkheid om hun abonnees een breed scala van diensten in een binnenkort volledig digitale omgeving aan te bieden: gemakkelijke toegang tot interactief tv kijken, tot het Internet en spraaktelefonie. Geschat werd dat halverwege 1999 12 % van alle huishoudens in de EU toegang had tot het Internet [11].

[11] Enquête telecommunicatie door Gallup Europe

Volgens schattingen van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector bedroeg de totale omzet van de televisie- en radio-omroepsector in de Europese Unie in 1998 ongeveer 48 miljard euro tegenover 44 miljard euro in 1997 (+ 9,1 %).

Reclame is nog steeds de belangrijkste bron van inkomsten van de tv-omroeporganisaties in de EU. Na verscheidene jaren van ononderbroken groei kan de totale tv-reclamemarkt voor particuliere en publieke omroepen worden geraamd op omstreeks 23,2 miljard euro in 1999, (een stijging van 13,4 % ten opzichte van 1998). Aan de hand van prognoses kan een verdere groei met 8,8 % in 2000 en 6,8 % in 2001 voorspeld worden [12]. De positieve trend met betrekking tot het groeiende aantal abonnementen op betaaltelevisie heeft er ook toe bijgedragen dat de netto-inkomsten van dergelijke kanalen explosief zijn gestegen tot een totaalbedrag van 7,3 miljard euro in 1998, een toename met 22 % ten opzichte van het voorafgaande jaar. Voor 1999 zijn er weliswaar geen volledige gegevens beschikbaar, maar een groeicijfer van 18 % lijkt aannemelijk.

[12] European Advertising and Media Forecast, september 2000, door NTC

De publieke omroepen worden nog steeds voornamelijk gefinancierd door middel van de door de kijkers betaalde omroepbijdragen. De totale inkomsten van de publieke radio- en televisieomroeporganisaties beliepen in 1998 23,8 miljard euro (+ 4,2 % tegenover 1997). Voor sommige publieke omroepen (Spanje, Portugal) blijven subsidies en kredietgaranties een belangrijke vorm van financiering; in Nederland werden vanaf begin 2000 de kijk- en luistergelden vervangen door financiering uit het algemene belastingstelsel. In verscheidene landen (België, Denemarken, Spanje, Italië en Zweden) neemt het aandeel van commerciële inkomsten van de publieke omroepen toe en bedraagt het over het algemeen 1/3 van alle inkomsten. Daarentegen werd er in Duitsland, en sinds kort ook in Frankrijk, bij het gehanteerde beleid meer het accent gelegd op stelsels die berusten op kijk- en luistergelden als belangrijkste bron van inkomsten om te kunnen voorzien in de taken van de publieke omroep.

Bedrijfsconcentraties

Om in te spelen op de met de technologische ontwikkelingen samenhangende uitdaging hebben verscheidene particuliere omroepen een beleid gevoerd van strategische allianties en fusies, zowel binnen de audiovisuele sector als in samenwerking met partners in nauw daaraan verwante marktsegmenten zoals Internet and de telecombedrijven. Vele van dergelijke allianties hebben tot doel synergieën te bewerkstelligen tussen de aanbieders van de audiovisuele inhoud en de distributeurs van audiovisuele diensten.

De belangrijkste gebeurtenis in dit verband was waarschijnlijk de fusie van de audiovisuele activteiten van de Pearson Group en CLT-UFA [13], die werd gevolgd door een grotere participatie van de RTL-Groep in het Spaanse particuliere kanaal Antena 3. De reorganisatie van de Kirch Gruppe maakte een verdere alliantie van de Duitse bedrijven met het Italiaanse Mediaset [14] en het Britse BSkyB [15] mogelijk. De Commissie kon haar goedkeuring hechten aan de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming van BSkyB en Kirch, mits de partijen de door hen aangegane verplichtingen nakwamen. Deze voorzien in merkgebonden technologieën, de overgang naar open normen teneinde afscherming van de markt door het ontstaan of de versterking van een dominante positie te voorkomen. In Duitsland zijn Sat.1 en Prosieben in één bedrijf samengegaan. In het Verenigd Koninkrijk is het concentratieproces van het ITV-netwerk versneld door de overname van United News en Media door Granada. Niet in de laatste plaats is door de fusie tussen Vivendi en het Canadese bedrijf Seagram (eigenaar van Universal Studios) [16] een transnationale alliantie ontstaan, waardoor de diverse CANAL+ -kanalen met een geheel nieuwe situatie kregen te maken.

[13] Beschikking van de Commissie van 29/6/2000 :Mededinging/F. 1958/Bertelsmann/GBL/Pearson TV. IP/00/691

[14] Beschikking van de Commissie van 3/8/1999 :Mededinging/GO. 1574/Kirch/Mediaset. IP/99/611

[15] Beschikking van de Commissie van 21/3/2000 : Mededinging/GO. 37/BskyB/Kirch PayTV. IP/00/279

[16] Beschikking van de Commissie van 13/10/2000 : Mededinging/F. 2050/Vivendi/Seagram/Canal+. IP/00/1162

3. Stand van omzetting van de gewijzigde richtlijn

De belangrijkste prioriteit voor de Commissie in haar hoedanigheid van hoedster van de verdragen bestaat eruit dat Richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997 tot wijziging van de richtlijn van 1989 op de juiste wijze wordt omgezet, De in de richtlijn vastgelegde datum voor omzetting was 30 december 1998.

Op de datum van goedkeuring van dit verslag hebben 12 lidstaten (België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Oostenrijk, Portugal, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) hun nationale omzettingsmaatregelen van Richtlijn 97/36/EG meegedeeld. In de overige 3 lidstaten (Italië, Luxemburg en Nederland) is de omzetting nog niet afgerond. In deze gevallen heeft de Commissie het Europese Hof van Justitie ingeschakeld [17].

[17] CEG/Italië: Zaak C-2000/207; CEG/Luxemburg : Zaak C-2000/119, CEG/Nederland : C-2000/145

4. Toepassing van de richtlijn

4.1. Bevoegdheid (artikel 2)

De richtlijn legt een betrouwbaar juridisch kader vast waarbinnen de televisieomroepen hun activiteiten binnen de Europese Unie kunnen ontwikkelen. De belangrijkste doelstelling in dit verband is het scheppen van de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het vrije verkeer van televisie-uitzendingen In de gewijzigde richtlijn worden bepaalde maatregelen nader verklaard, onder andere het beginsel van de uitsluitende bevoegdheid van het land van oorsprong en de criteria van de band van de omroepen met de rechtsorde van dit land. De Commissie heeft tijdens de referentieperiode op de naleving en doeltreffendheid van deze beginselen toegezien.

Zo heeft de Commissie een inbreukprocedure ingeleid tegen België (Persbericht van 5 juli 1999, IP/99/455), aangezien zij van oordeel is dat de Vlaamse autoriteiten op het terrein van de audiovisuele sector hun bevoegdheden hebben overschreden. In het onderhavige geval is de Commissie van mening dat het besluit van het Vlaams Commissariaat voor de Media om het kanaal VT4, dat onder Britse bevoegdheid valt, te verplichten een vergunning bij hem aan te vragen enerzijds een inbreuk vormt op de aanknopingsregels van de richtlijn, die inhouden dat alleen het land van vestiging van de omroeporganisatie bevoegd is hierop toezicht uit te oefenen, en anderzijds op artikel 10 van het EG-Verdrag. De Commissie is voorts van oordeel dat dit besluit onverenigbaar is met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, volgens hetwelk de bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst zich dient te beperken tot het nagaan of de bewuste uitzendingen inderdaad uit een andere lidstaat afkomstig zijn (Zaak C-11/95 - Arrest van 10 september 1996). Voorts is de Commissie op de hoogte gesteld van het besluit van de Nederlandse autoriteiten (Commissariaat voor de Media) om de distributie van de programma's van RTL 4 en RTL 5 in Nederland te verbieden, omdat RTL/Veronica de Holland Media Groep SA geen Nederlandse zendvergunningen bezitten. Zij volgt de afwikkeling van dit dossier met aandacht.

4.2. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving (artikel 3 bis)

De bepalingen van artikel 3 bis, lid 1, van de richtlijn verschaffen de lidstaten een wettelijke basis om nationale maatregelen te nemen ter bescherming van bepaalde evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving. Derhalve is artikel 3 bis, lid 1, een bepaling op basis van vrijwilligheid, die al dan niet door de betrokken lidstaten uitgevoerd hoeft te worden. Artikel 3 bis, lid 2, bevat een beschrijving van de procedure aan de hand waarvan de Commissie voorlopig beoordeelt of de getroffen maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht: de krachtens artikel 3 bis, lid 1, in dit verband genomen maatregelen dienen terstond aan de Commissie meegedeeld te worden. Binnen een periode van drie maanden moet de Commissie zich ervan vergewissen of de getroffen maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht, de andere lidstaten ervan in kennis stellen en advies inwinnen bij het Contactcomité. Zodra de maatregelen aan de hand van de hierboven vermelde procedure (verenigbaarheid met het Gemeenschapsrecht) zijn beoordeeld, dienen zij te worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn schrijft een systeem voor dat bedoeld is om te voorkomen dat onder de bevoegdheid van andere lidstaten vallende omroeporganisaties de wetgeving van een bepaalde lidstaat ontduiken. In dit opzicht maakt het lid deel uit van het door de richtlijn gecreëerde acquis en het is daarom, in tegenstelling tot artikel 3 bis, leden 1 en 2, bindend voor iedere lidstaat.

Wat betreft de onderzoeksprocedure wordt de volgende praktijk gehanteerd. Aan de formele kennisgeving gaan bilaterale gesprekken tussen de Commissie en de betrokken lidstaat vooraf om een voorlopige beoordeling van de geplande maatregelen te kunnen verrichten. Deze procedure verdient de voorkeur om zo een groot aantal procedures op nationaal niveau te voorkomen. De door de lidstaten getroffen maatregelen bestaan doorgaans uit een lijst van evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en een reeks begeleidende maatregelen.

Op 24 oktober 2000 hadden Denemarken, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk maatregelen in verband met artikel 3 bis, lid 1, genomen. Verder hebben Oostenrijk, Nederland, België en Frankrijk te kennen gegeven dat zij voornemens zijn om in de nabije toekomst ontwerp-voorstellen mede te delen.

Denemarken stelde de Commissie op 14 december 1998 van krachtens artikel 3 bis, lid 1, van de richtlijn genomen maatregelen op de hoogte; het Contactcomité bracht hiertegen in zijn advies van 13 januari 1999 geen bezwaren in.

De maatregelen worden beschreven in "Besluit nr. 809 inzake het gebruik van tv-rechten voor evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving" van november 1998, waarbij 10 % van de kijkers wordt gedefinieerd als een belangrijk deel van het publiek dat niet van het recht beroofd mag worden om een evenement te volgen.

De opgenomen evenementen betreffen: de Olympische zomer- en winterspelen in hun geheel; het wereld- en Europese voetbalkampioenschap voor mannen: alle wedstrijden waaraan door Denemarken wordt deelgenomen en de halve finales en finales; de wereld- en Europese kampioenschappen handbal (mannen en vrouwen): alle wedstrijden waaraan door Denemarken wordt deelgenomen en halve finales en finales; de kwalificatiewedstrijden met Deense deelname voor het wereld- en Europese voetbalkampioenschap (mannen); de kwalificatiewedstrijden met Deense deelname voor het wereld- en Europese handbalkampioenschap (vrouwen). Deze maatregelen werden op 21 juli 2000 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen [18].

[18] PB C209 van 21.07.2000, blz. 3

Duitsland stelde de Commissie op 28 april 1999 van krachtens artikel 3 bis, lid 1, van de richtlijn genomen maatregelen op de hoogte; het Contactcomité bracht in zijn advies van 7 juli 1999 hiertegen geen bezwaren in. De Commissie werd op 5 september 2000 schriftelijk op de hoogte gesteld van de inwerkingtreding van de ontwerp-maatregelen.

De maatregelen zijn vastgelegd in paragraaf 5a van het "Vierter Rundfunkänderungsstaatsvertrag" (Vierde wijziging van het door de deelstaten overeengekomen verdrag inzake het omroepwezen). Overeenkomstig de Duitse wetgeving vormt een derde van de huishoudens "een belangrijk deel van het publiek".

De opgenomen evenementen betreffen: de Olympische zomer- en winterspelen; de wereld- en Europese kampioenschappen: alle wedstrijden waaraan door Duitsland wordt deelgenomen plus de openingswedstrijd, de halve finales en de finale; de halve finales en de finale van de bekerwedstrijd van de Duitse voetbalbond; de uit- en thuiswedstrijden van het Duitse nationale elftal, de finales van de wedstrijden tussen Europese voetbalclubs (Champions League, UEFA-Cup) met Duitse deelname. Deze maatregelen werden op 29 september 2000 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen [19].

[19] PB C 277 van 29.9.2000, blz. 4

Italië stelde de Commissie op 10 mei 1999 van krachtens artikel 3 bis, lid 1, genomen maatregelen op de hoogte; het Contactcomité bracht in zijn advies van 7 juli hiertegen geen bezwaren in.

De door Italië genomen maatregelen zijn vastgelegd in "Delibera n° 8/1999 dell'Autorità per le garanzie nelle comunicazioni" (Besluit nr. 8/1999 van de Communicatieautoriteit). Een belangrijk deel van het publiek is bepaald op 10 %.

De opgenomen evenementen betreffen: de Olympische zomer- en winterspelen; de wereldbekerfinale voetbal en alle wedstrijden in het kader van het wereldbekerkampioenschap waaraan door het Italiaanse elftal wordt deelgenomen; de finale van het Europese voetbalkampioenschap en alle wedstrijden waaraan door Italië wordt deelgenomen; alle uit- en thuiswedstrijden waaraan het Italiaanse voetbalelftal deelneemt in officiële competities; de finale en halve finales van de Champions League en de UEFA Cup waaraan een Italiaanse ploeg deelneemt; de Ronde van Italië (Giro d' Italia); de Italiaanse Grand Prix Formule 1; het muziekfestival van San Remo. Deze maatregelen werden op 21 juli 2000 aangekondigd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen [20].

[20] PB C 209 van 21.07.2000 ,blz. 5

Het Verenigd Koninkrijk stelde de Commissie op 5 mei 2000 van krachtens artikel 3 bis, lid 1, van de richtlijn genomen maatregelen op de hoogte; het Contactcomité bracht in zijn advies van 6 juni 2000 hiertegen geen bezwaren in.

De door het Verenigd Koninkrijk genomen maatregelen zijn vastgelegd in: deel IV van de Broadcasting Act (Omroepwet) 1996, de Television Broadcasting Regulations (Televisieomroepregeling) 2000, de Independent Commission's Code on Sport and other Listed Events (Code voor sport- en andere in de lijst opgenomen evenementen) en verscheidene verklaringen van de minister van Cultuur, Media en Sport. Overeenkomstig de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk wordt een belangrijk deel van het publiek bepaald op 5%. De lijst bestaat uit twee delen: de onder groep A opgenomen evenementen moeten rechtstreeks worden uitgezonden, terwijl evenementen die onder groep B vallen ook niet-rechtstreeks mogen worden uitgezonden. De minimumvereisten wat betreft niet exclusief rechtstreekse uitzendingen (minimumlengte, maximaal tijdsverloop tussen evenement en uitzending van het evenement) zijn vastgelegd.

De lijst van de groep A-evenementen omvat: de Olympische Spelen; de eindronde van de wereldbeker voetbal; de finale van de Engelse voetbalbeker; de finale van de Schotse voetbalbeker (in Schotland); de Grand National; de Derby; de finales van het tennistoernooi van Wimbledon; de eindronde van het Europees voetbalkampioenschap; de finale van de Rugby League Challenge Cup; de finale van de wereldbeker rugby.

De lijst van groep B-evenementen (niet exclusief rechtstreekse uitzendingen) omvat: in Engeland gespeelde crickettestmatches; andere wedstrijden van het tennistoernooi van Wimbledon dan de finale; andere wedstrijden van de eindronde van de wereldbeker rugby dan de finale; de wedstrijden van het vijflandentoernooi rugby waaraan ploegen van het Verenigd Koninkrijk deelnemen; de Gemenebestspelen; de wereldbeker atletiek; de finale, halve finales en wedstrijden van de wereldbeker cricket waaraan ploegen van het Verenigd Koninkrijk deelnemen; de Ryder Cup; het Open Golf Championship. Deze maatregelen werden op 18 november 2000 aangekondigd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen [21].

[21] PB C 328 van 18.11.2000, blz. 2

In overeenstemming met artikel 3 bis, lid 2, van de richtlijn is een geconsolideerde lijst van door de lidstaten getroffen maatregelen bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen [22]. De volgende publicatie dienaangaande is gepland voor eind 2000.

[22] PB C 209/3 van 21.7.2000, blz. 3

Zoals reeds vermeld, is de tenuitvoerlegging van artikel 3 bis, lid 3, van de richtlijn bindend voor de lidstaten. De doeltreffende uitvoering ervan is van wezenlijk belang om te voorkomen dat krachtens artikel 3 bis, lid 1, toegestane specifieke maatregelen betreffende evenementen van aanzienlijk belang niet worden ondermijnd door omroeporganisaties die onder de bevoegdheid van andere lidstaten vallen. In drie gevallen hebben onder de bevoegdheid van het Verenigd Koninkrijk vallende omroeporganisaties door Denemarken opgegeven evenementen op zodanige wijze uitgezonden dat een aanzienlijk deel van de Deense bevolking niet in staat was deze evenementen te zien. Twee van deze zaken worden op het ogenblik juridisch getoetst in het Verenigd Koninkrijk. De Commissie volgt de ontwikkeling van deze zaken op de voet. Voorts beraadt de Commissie zich op de interpretatie van artikel 3 bis, lid 3, en de toepassing ervan door de lidstaten, waarbij het in de bedoeling ligt om richtsnoeren op te stellen in verband met artikel 3 bis, lid 3.

4.3. Bevordering van de verspreiding en productie van televisieprogramma's (artikelen 4 en 5)

De Commissie heeft de Vierde mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, voor de periode 1997-1998 , die betrekking hebben op de bevordering van de verspreiding en productie van televisieprogramma's, goedgekeurd [23]. Deze bepalingen schrijven voor dat de televisieomroeporganisaties voor zover mogelijk het grootste gedeelte van hun zendtijd reserveren voor Europese producties en 10 % van hun zendtijd - of 10 % van hun programmabudget - voor Europese producties die door van de televisieomroeporganisaties onafhankelijke producenten zijn vervaardigd.

[23] COM (2000) 442 def.

Deze mededeling bestaat uit drie hoofdstukken en drie bijlagen. In het eerste hoofdstuk beoordeelt de Commissie de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 gedurende de periode 1997/98. De twee overige hoofdstukken zijn gewijd aan samenvattingen van de verslagen van de lidstaten en van de staten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER).

De eerste bijlage bevat de voorgestelde richtsnoeren voor toezicht op de uitvoering van de richtlijn, de tweede bijlage geeft een lijst van kanalen die niet het grootste gedeelte van hun zendtijd aan Europese en/of onafhankelijke producties hebben gewijd en in de derde bijlage tenslotte worden de parameters beschreven die zijn gehanteerd voor de berekening van gewogen gemiddelden van uitzendingen van Europese producties.

De Commissie stelt vast dat de doelstellingen van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn over het algemeen verwezenlijkt zijn. Het gewogen gemiddelde van uitzendingen van Europese producties door de grote kanalen ligt tussen 53,3% en 81,7 %, met uitzondering van Portugal, waar het cijfer 43 % bedraagt. Er wordt op gewezen dat de meeste lidstaten strengere wettelijke bepalingen dan die van de richtlijn hebben getroffen.

De activiteiten van de televisiekanalen wat betreft het uitzenden van Europese en onafhankelijke producties komen op over het geheel genomen bevredigende wijze overeen met de voorschriften van de richtlijn en er wordt over het algemeen aan de doelstellingen van de richtlijn voldaan. Tussen de periode 1997/98 en de voorafgaande periode kan een toename van uitzendingen van Europese producties geconstateerd worden. Het verslag inventariseert de redenen die door de kanalen worden aangevoerd die niet aan de in de richtlijn vastgestelde verplichtingen hebben voldaan.

Hiervan dient met name vermeld te worden: de recente oprichting van bepaalde kanalen en de daaruit voortvloeiende financiële kwetsbaarheid, de ondervonden moeilijkheden bij het vinden of vervaardigen van Europese producties voor thematische kanalen en het feit dat bepaalde kanalen dochtermaatschappijen zijn van ondernemingen uit derde landen, die in de eerste plaats gebruik maken van hun eigen aanbod.

Voorts heeft de Commissie haar voornemen te kennen gegeven om overeenkomstig artikel 26 van de richtlijn in 2002 alle bepalingen van de richtlijn te heroverwegen; hierover zal door alle belanghebbende partijen overleg worden gepleegd.

4.4. Toepassing van de voorschriften op het gebied van reclame (artikelen 10-20)

De richtlijn bevat bepalingen betreffende de op het scherm toegelaten hoeveelheid reclame (maxima per dag en per uur: artikel 18), betreffende het aantal onderbrekingen en de wijze waarop deze moeten worden ingelast (artikel 11) alsmede betreffende de inhoud en presentatie van de reclameboodschappen (artikelen 10, 12, 13, 14, 15 en 16). Voor sponsoring gelden bijzondere voorschriften (artikel 17).

De Commissie heeft verscheidene klachten ontvangen betreffende de vermeende niet-naleving van bepalingen op het terrein van reclame en sponsoring. Bovendien zijn er ettelijke parlementaire vragen gericht aan de Commissie in verband met de eerbiediging van deze bepalingen in de lidstaten.

In de klachten - die dikwijls afkomstig zijn van consumentenorganisaties - wordt gewezen op stelselmatige overschrijdingen van de maximale zendtijd voor reclame. Deze problemen zijn in het bijzonder het gevolg van de handelwijze van sommige omroepen in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal. De Commissie verzamelt momenteel de nodige informatie om te kunnen beoordelen of deze vermeende overschrijdingen inbreuken van de betrokken lidstaten vormen om voor zover nodig corrigerende maatregelen te kunnen nemen.

Verder zijn er drie inbreukprocedures wegens onjuiste toepassing van niet bij Richtlijn 97/36 gewijzigde bepalingen van Richtlijn 89/552/EEG ingeleid tegen Griekenland, Spanje en Italië (niet-naleving van de bepalingen betreffende reclame).

Voorts heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 28 oktober 1998 (Zaak Pro Sieben Media AG, C-6/98) betreffende de beperking van reclamezendtijd voor recht verklaard dat artikel 11, lid 3, aldus moet worden uitgelegd dat het het brutobeginsel voorschrijft zodat voor de berekening van het toegestane aantal onderbrekingen voor reclame dat tijdens een periode van 45 minuten kan worden ingevoegd in de uitzending van audiovisuele producties, zoals bioscoopfilms en televisiefilms, de reclametijd in deze periode moet worden meegerekend. Dit arrest bevestigt de interpretatie die de Commissie van dit artikel geeft.

De Commissie herinnert eraan dat elke lidstaat verplicht is erop toe te zien dat alle uitzendingen van onder zijn bevoegdheid vallende omroepen in overeenstemming zijn met de richtlijn en - meer in het algemeen - met het in de betrokken lidstaat vigerende recht inzake de voor het publiek bestemde uitzendingen.

De Commissie heeft voorts onlangs het initiatief genomen tot een onderzoek naar de ontwikkeling van nieuwe reclametechnieken. Deze studie heeft tot doel de Commissie in staat te stellen zich een volledig en nauwkeurig beeld te kunnen vormen van de huidige stand van zaken en de mogelijke ontwikkelingen betreffende reclame, sponsoring en de technieken op het terrein van het telewinkelen binnen de verschillende media, zoals televisie, radio, film en Internet.

Het scheppen van gelijke voorwaarden voor in de verschillende lidstaten gevestigde omroepen heeft voor de Commissie de hoogste prioriteit, evenals de invoering van een niveau van bescherming van de belangen van de televisiekijkers in de Unie, dat ten minste gelijk is aan dat van de richtlijn. In verband hiermee wil zij zich de nodige middelen verschaffen om de follow-up van klachten en het toezicht op de toepassing van het Gemeenschapsrecht op dit gebied te verbeteren.

4.5. Bescherming van minderjarigen en de openbare orde (artikel 22-22 ter)

Bij wijze van uitzondering op de algemene regel van de vrijheid van ontvangst en het niet-belemmeren van de doorgifte biedt artikel 2 bis, lid 2, van de richtlijn de lidstaten de mogelijkheid - mits een speciale procedure wordt gevolgd - maatregelen te nemen tegen omroepen die onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallen en die op "duidelijke, belangrijke en ernstige" wijze inbreuk maken op artikel 22 van de richtlijn. Dit artikel dient ter bescherming van minderjarigen tegen programma's die hun "lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling" ernstig zouden kunnen belemmeren en ter voorkoming van enigerlei "aansporing tot haat op grond van ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit.".

De betrokken lidstaat moet de televisieomroeporganisatie en de Commissie schriftelijk in kennis stellen van de ten laste gelegde inbreuken en van de maatregelen die hij voornemens is te treffen indien een dergelijke inbreuk nogmaals wordt begaan.

Er moet overleg worden gepleegd. Indien dit niet binnen vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving tot een minnelijke schikking leidt, en de ten laste gelegde inbreuk blijft voortbestaan, kan de betrokken lidstaat eenzijdig voorlopige maatregelen nemen tegen de betrokken omroeporganisatie.

De Commissie ziet erop toe dat de genomen maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht. Wanneer dit niet het geval is, kan zij de betrokken lidstaat verzoeken de maatregel in kwestie onmiddellijk ongedaan te maken.

In de referentieperiode heeft slechts één lidstaat (het Verenigd Koninkrijk) van deze procedure bij één gelegenheid gebruik gemaakt.

Het overleg had geen resultaat en de Britse autoriteiten achtten het noodzakelijk de doorgifte te verbieden van de uitzendingen van het kanaal dat onder de bevoegdheid van een andere lidstaat viel.

Nadat zij met de betrokken lidstaat contact had opgenomen en de gevolgen van de door het Verenigd Koninkrijk gemelde maatregelen had onderzocht, besliste de Commissie in december 1998 dat deze maatregelen verenigbaar waren met het Gemeenschapsrecht. Dit oordeel was met name gebaseerd op een beoordeling van de evenredigheid en op een evaluatie van de eventuele discriminerende gevolgen van de maatregelen. De omroep heeft tegen dit besluit beroep aangetekend bij het Gerecht van eerste aanleg. Dit gerecht besloot op 13 december 2000 dat het beroep ontoelaatbaar was [24].

[24] T 69/99 Danish Satellite TV (DSTV) A/S (Eurotica Rendez-Vous Television) v. CEC, 13/12/00.

De Commissie acht de toepassing van artikel 2 bis, lid 2, in de referentieperiode bevredigend. Het algemeen belang kon worden veiliggesteld zonder dat het vrij verrichten van diensten al te zeer in het gedrang kwam.

De Commissie benadrukt echter dat haar beoordeling van de maatregelen die zijn genomen krachtens artikel 2 bis, lid 2, gebaseerd is op feitelijke en juridische overwegingen; de morele beoordeling van de inhoud van programma's behoort tot de verantwoordelijkheid van elke lidstaat; de lidstaat is immers in de eerste plaats verantwoordelijk voor het toestaan of verbieden van bepaalde televisie-uitzendingen van omroepen die onder zijn bevoegdheid vallen en waarop artikel 22 van toepassing kan zijn. In de richtlijn wordt de mogelijkheid ingecalculeerd dat de autoriteiten van het land van uitzending en die van het land van ontvangst hierover verschillende opvattingen kunnen hebben.

Voorts hebben de door de lidstaat van ontvangst genomen maatregelen geen gevolgen voor de maatregelen die, in voorkomend geval, genomen zijn door de lidstaat die voor de betrokken omroep bevoegd is. Hier is dus geen sprake van de overdracht van bevoegdheid van de ene lidstaat naar de andere, maar van een mogelijkheid voor de lidstaat van ontvangst om in ernstige gevallen bij uitzondering en volgens een nauwkeurig omschreven procedure maatregelen te nemen om zijn belangen veilig te stellen.

Tevens moet worden benadrukt dat het - volgens het door de richtlijn (artikel 2 bis, lid 1) ingevoerde stelsel van communautaire voorschriften - de lidstaten niet is toegestaan discriminerende zedelijke criteria toe te passen op de omroepen die onder hun bevoegdheid vallen: zij mogen ten aanzien van de uitzendingen die op hun eigen grondgebied kunnen worden ontvangen geen strenger beleid voeren dan ten aanzien van de uitzendingen die voor het buitenland bestemd zijn (meestal programma's van satellietomroepen). De lidstaten moeten er echter wel voor zorgen dat alle onder hun bevoegdheid vallende omroepen zich houden aan de bepalingen van artikel 22.

Onderzoek naar de controle van ouders op het gebied van televisie-uitzendingen krachtens artikel 22 ter

Op 12 juli 1999 vaardigde de Commissie een mededeling uit over de bevindingen van een studie inzake de controle van ouders op het gebied van televisie-uitzendingen. [25]. Dit onderzoek werd overeenkomstig artikel 22 ter, lid 2, van de gewijzigde richtlijn uitgevoerd en had onder meer betrekking op de wenselijkheid van:

[25] Mededeling betreffende de studie over de controle van ouders op het gebied van televisie-uitzendingen COM/99/0371 def., 19.07.1999

de eis dat nieuwe televisietoestellen zijn voorzien van technische apparatuur waardoor bepaalde programma's geweerd kunnen worden;

het opzetten van passende classificatiesystemen [26],

[26] Aan de hand van classificatiestelsels kan bepaald worden of de media- (i.c. televisie-) inhoud geschikt is voor bepaalde leeftijdsgroepen.

het bevorderen van een op het gezin afgestemd programmeringsbeleid en andere pedagogische en op bewustmaking gerichte maatregelen.

Het onderzoek werd op 19 maart 1999 gepubliceerd op het World Wide Web. [27] De voornaamste bevindingen luiden dat:

[27] http://europa.eu.int/comm/dg10/avpolicy/key_doc/parental_control/index.html

kinderen meer alleen televisie kijken en het aantal televisiekanalen zodanig is toegenomen dat het voor de regelgevende instanties moeilijk is om deze te controleren. De digitale technologie stelt de kijkers in staat hun eigen programma samen te stellen en uitzenden via het Internet maakt toezicht onmogelijk;

de in Noord-Amerika toegepaste V-chiptechnologie (anti-geweldchip) in Europa in technisch opzicht niet geschikt is. Deze technologie begint verouderd te raken, aangezien zij gebaseerd is op analoge technologie. Digitaal uitzendingen bieden verfijnder en betrouwbaarder mogelijkheden om niet- geschikte programma's te filtreren en blokkeren;

technische apparatuur omroeporganisaties niet volledig van hun verantwoordelijkheid kan ontslaan;

set-top boxes en digitale televisietoestellen interoperabel dienen te zijn, zodat er diverse soorten filtrerende en blokkerende software in alle apparaten ingebouwd kunnen worden. Door culturele verschillen is een geharmoniseerd classificatiesysteem uitgesloten, maar door de digitale technologie zou er bij filtreersystemen een flexibele en cultuurspecifieke benadering gehanteerd kunnen worden;

er een grote behoefte bestaat aan voorlichtings- en bewustmakingsmaatregelen met betrekking tot schadelijke audiovisuele inhoud, in al zijn vormen, en de bestaande beschermingssystemen;

er tenslotte meer samenhang dient te worden bereikt op het terrein van de classificatiesystemen voor televisie, film , video, het Internet en videospelletjes.

Hiertoe pleegde de Commissie in de eerste plaats overleg met het DVB [28] over de technische consequenties van het onderzoek. Het DVB wilde de Commissie een uitvoerig advies doen toekomen en heeft daarom een vervolgonderzoek uitgevoerd om de mogelijkheden tot een samenhangende benadering van classificatie en filtreren op het terrein van televisie-uizendingen en het Internet na te gaan. Hierin worden verscheidene opties voorgesteld om dit doel te bereiken en de Commissie zal deze verder uitwerken in het kader van haar werkzaamheden in verband met de Aanbeveling van de Raad betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid [29]en het Actieplan ter bevordering van een veiliger gebruik van Internet [30]. Nadere bijzonderheden hieromtrent worden/zullen worden gegeven in het evaluatierapport van de Commissie over de aanbeveling van de Raad [31].

[28] The Digital Video Broadcasting Project: een wereldomvattend samenwerkingsverband waarbij meer dan 220 omroeporganisaties, producenten, netwerkexploitanten en regelgevende instanties in meer dan 30 landen zijn aangesloten.

[29] Aanbeveling van de Raad van 24 september 1998 betreffende de ontwikkeling van de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en informatiediensten door de bevordering van nationale kaders teneinde een vergelijkbaar en doeltreffend niveau van bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid te bereiken. (Publicatieblad L 270 van 07.10.1998, blz.48).

[30] Beschikking 276/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 januari 1999 tot vaststelling van een communautair meerjarenactieplan ter bevordering van een veiliger gebruik van Internet door het bestrijden van illegale en schadelijke inhoud op mondiale netwerken.

[31] Zal naar verwachting begin 2001 goedgekeurd worden

Het Europees Parlement nam op 5 oktober 2000 een resolutie [32] aan aangaande de hierboven genoemde Mededeling betreffende de studie over de controle van ouders op het gebied van televisie-uitzendingen.

[32] Resolutie van het Europees Parlement A5-0258/2000 van 5.10.2000

4.6. Coördinatie tussen de nationale autoriteiten en de Commissie

In elke lidstaat moet op de toepassing van de richtlijn worden toegezien door de voor de audiovisuele sector bevoegde nationale autoriteiten (ministeries en/of onafhankelijke instanties). Met de nationale instanties (ministeries en/of onafhankelijke regelgevende instanties) wordt systematisch contact onderhouden, met name via het bij de richtlijn ingestelde Contactcomité. Dit bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie en komt op diens initiatief dan wel op verzoek van een delegatie van een lidstaat bijeen. Sinds de wijziging van de richtlijn is het Comité 12 maal in vergadering bijeengeweest en heeft het de door de Commissie aan het Comité krachtens de richtlijn opgedragen taken uitgevoerd. Met name heeft het de doeltreffende uitvoering van de richtlijn vergemakkelijkt, heeft het adviezen uitgebracht, in het bijzonder in verband met de in artikel 3 bis, lid 2, vastgelegde procedure betreffende evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving. (zie punt 4.2) en heeft het bijgedragen aan de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over de situatie en ontwikkeling van de sector.

Deze coördinatie tussen de Commissie en de nationale instanties op audiovisueel terrein vindt tevens plaats in het kader van het Europees platform van regelgevende autoriteiten (EPRA), dat in april 1995 op Malta werd opgericht om de vertegenwoordigers van de regelgevende instanties een forum te bieden voor een gedachtewisseling over de Europese en nationale regelgeving op audiovisueel gebied. Hiernaast heeft de Commissie een financiële bijdrage geleverd aan het opzetten van de website van het EPRA. Het EPRA telt thans vierentwintig leden [33]. De Europese Commissie (DG Onderwijs en cultuur) en de Raad van Europa (Afdeling Media) bezitten de status van permanent waarnemer. De Commissie neemt actief deel aan de vergaderingen en de werkzaamheden van dit Platform, met name om de samenwerking tussen de Europese regelgevende autoriteiten te bevorderen.

[33] Vertegenwoordigers van regelgevende instanties op audiovisueel terrein (van de Europese Unie, de Europese Vrijhandelsassociatie en Midden- en Oost-Europese landen)

Het Europese platform van regelgevende instanties (EPRA) heeft 12 vergaderingen gehouden, waarvan de laatste op 26-27 oktober heeft plaatsgevonden te Bratislava.

5. Uitbreiding : analyse van de wetgeving op audiovisueel terrein in de kandidaat-lidstaten

Sinds 1997 streven de meeste kandidaat-lidstaten ernaar om hun wetgeving op één lijn te brengen met de richtlijn; hiertoe is in 8 kandidaat-lidstaten nieuwe wetgeving aangenomen [34] en zijn in nog eens 6 kandidaat-lidstaten wetten in voorbereiding [35].

[34] Bulgarije, Cyprus, Estland, Letland, Litouwen, Malta, Polen en Slowakije

[35] Tsjechië, Hongarije, Letland, Polen, Roemenië, Slovenië

Voornamelijk als gevolg van het feit dat iedere herziening van de nationale omroepwetgeving een ingewikkelde en netelig proces is waarbij politieke en technische kwesties een rol spelen die veel meer omvatten dan het communautaire acquis is er in het begin van de referentieperiode betrekkelijk weinig vooruitgang geboekt. In Midden- en Oost-Europa spelen bijvoorbeeld talrijke kwesties tegelijkertijd: hervorming van de staatstelevisie tot een moderne publieke televisieomroep, instelling of versterking van regelgevende instanties voor het omroepwezen, vaststelling van een vergunningsstelsel en ontwikkeling van ondersteunende structuren om lokale inhoud te verwezenlijken. In de meeste gevallen heeft de taak om de omroepwetgeving op één lijn te brengen met het acquis door dergelijke legitieme interne politieke debatten vertraging opgelopen.

Het jaar 2000 lijkt echter al een keerpunt in dit aanpassingsproces te zijn geworden: 5 kandidaat-lidstaten [36] hebben hun wetgeving al in belangrijke mate aangepast aan het acquis. In andere landen wordt thans nieuwe wetgeving voorbereid, die voor het einde van het jaar een feit dient te zijn.

[36] Bulgarije, Cyprus, Estland, Litouwen en Slowakije

Voor de meeste kandidaat-lidstaten zal het zwaartepunt nu verschuiven van aanpassing aan naar tenuitvoerlegging van het acquis. Op dit terrein zal men zich in de kandidaat-lidstaten waarschijnlijk inspanningen moeten getroosten.

6. Samenwerking met de raad van europa

Met de opstelling van de Europese Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie in 1989 beoogden de lidstaten van de Raad van Europa de vrije uitwisseling van informatie en ideeën te bevorderen door het grensoverschrijdend verkeer van televisieprogramma's te bevorderen op basis van een aantal gemeenschappelijke regels.

Deze regels zijn bedoeld om het grensoverschrijdende verkeer van televisieprogramma's ten goede te laten komen aan de fundamentele waarden die de lidstaten van de Raad van Europa alle huldigen, met name de verscheidenheid van ideeën en opvattingen. De overeenkomst vormt een verzameling van gemeenschappelijke basisregels voor een harmonieuze ontwikkeling van grensoverschrijdende televisieprogramma's; zij waarborgt het recht op vrije ontvangst en legt het beginsel neer van onbelemmerd doorgifte van televisieprogramma's die voldoen aan deze gemeenschappelijke regels.

Het Comité van ministers van de Raad van Europa heeft de Europese Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie op 5 mei 1989 ter ondertekening voorgelegd aan de lidstaten. De overeenkomst is op 1 mei 1993 van kracht geworden.

Gezien de ingrijpende technische en economische ontwikkelingen en de opkomst van nieuwe communicatiediensten die zich sinds de goedkeuring van de Overeenkomst in 1989 op het gebied van de televisieomroep hebben voorgedaan en de goedkeuring van Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG in de Europese Gemeenschap, heeft de Raad van Europa het dringend noodzakelijk geacht om een aantal bepalingen van de overeenkomst te wijzigen om de benadering van de grensoverschrijdende televisie in deze wetstekst en de gewijzigde richtlijn op elkaar af te stemmen.

Het protocol tot wijziging van de overeenkomst werd op 9 september 1998 door het Comité van Ministers goedgekeurd en op 1 oktober 1998 de partijen bij de overeenkomst ter goedkeuring voorgelegd.

Het protocol wordt van kracht wanneer alle partijen bij de huidige overeenkomst het hebben aanvaard of anders twee jaar nadat het ter ondertekening is voorgelegd (1 oktober 2000), tenzij een staat die reeds partij bij de overeenkomst is bezwaar heeft ingebracht tegen deze automatische inwerkingtreding. Alleen Frankrijk heeft vóór deze datum bezwaar ingebracht.

De Commissie was actief betrokken bij de werkzaamheden van het Permanent Comité voor de grensoverschrijdende televisie (dit comité is belast met het toezicht op de toepassing van de overeenkomst en dient, voor zover nodig, wijzigingen hierop voor te stellen) met als hoofddoel de samenhang tussen de bepalingen van de Europese Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie en de bepalingen van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" te waarborgen. Deze doelstelling, die in politiek en juridisch opzicht van zeer groot belang is om het geografische toepassingsgebied te kunnen uitbreiden tot de regelgeving op dit terrein in Midden- en Oost-Europa, is verwezenlijkt.

Voorts heeft de Commissie, in aansluiting op het besluit van de Raad van 22 november 1999 [37] betreffende deelneming van de Gemeenschap aan het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector, in haar hoedanigheid van vertegenwoordigster van de Gemeenschap, op 16 november 2000 een officieel verzoek ingediend tot toetreding tot het Waarnemingscentrum, nadat de noodzakelijke wijzigingen in het statuut en de financiële verordening van deze instantie waren aangebracht. Ook heeft zij de contacten met deze organisatie in operationeel opzicht verstevigd, met name wat betreft de analyse en ontwikkeling van de audiovisuele markt binnen de Unie, in de overige Europese landen en de rest van de wereld.

[37] PB L 307 van 2.12.1999, blz. 61.

7. Conclusies en toekomstperspectieven

De richtlijn blijft een doeltreffend middel om het vrije verkeer van televisiediensten in de Gemeenschap te garanderen. De Commissie ziet niet alleen toe op de definitieve omzetting van de richtlijn, maar controleert ook voortdurend of zij daadwerkelijk ten uitvoer gelegd wordt en grijpt, voor zover noodzakelijk, in om deze doelstelling te waarborgen. Uit het afzonderlijke verslag betreffende de toepassing van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn [38] blijkt dat er wat betreft het aantal kanalen dat voldoet aan de eisen aangaande Europese producties bevredigende resultaten zijn behaald. Voor bepaalde soorten kanalen, in het bijzonder nieuwe en thematische kanalen, is het echter moeilijk om aan deze vereisten te voldoen.

[38] Vierde mededeling van de Commissie aan de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG "Televisie zonder grenzen" gedurende de periode 1997-8. COM (2000) 442 def.

De richtlijn kan op het ogenblik weliswaar aan haar doelstelling voldoen, maar niettemin is het duidelijk dat het omroepwezen voornamelijk als gevolg van de invoering van de digitale technologie en de ontwikkeling van het internet ingrijpende veranderingen ondergaat. Deze veranderingen worden geschetst in hoofdstuk 2. Deze ontwikkelingen zijn zodanig van aard dat een herziening van sommige bepalingen van de richtlijn dringend geboden is. Door de digitale technologie komt bijvoorbeeld een breed scala van nieuwe reclametechnieken binnen bereik, waarvoor de huidige bepalingen wellicht niet geschikt zijn. Digitale technologie maakt ook een grote toename van het aantal te ontvangen kanalen mogelijk en "hard-disk recording" technologie stelt kijkers in staat om hun eigen programma's samen te stellen. Een grotere zeggenschap van de kijker kan ertoe leiden dat de kijkpatronen veranderen en kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de maatregelen in de richtlijn die de bevordering van Europese producties betreffen.

Het volgende verslag over de toepassing van de richtlijn dient uiterlijk 31 december 2002 te verschijnen. Om het -potentiële en feitelijke effect - van de ontwikkeling van de technologie en de markt te kunnen vaststellen zal de Commissie vóór deze datum de richtlijn aan een volledig evaluatie onderwerpen.

Hiertoe heeft de Commissie het initiatief genomen tot drie omvangrijke studies op de onder de richtlijn vallende terreinen. De eerste studie betreft een evaluatie van het effect van de maatregelen ter bevordering van de distributie en productie van Europese televisieprogramma's. Met name zal worden nagegaan hoe doeltreffend de in de richtlijn neergelegde quota zijn ten opzichte van andere maatregelen. De tweede studie zal zeer breed van opzet zijn. In het kader ervan zullen de recente ontwikkelingen van de technologie en de markt worden geanalyseerd en zal gepoogd worden relaties tussen oorzaak en gevolg in kaart te brengen. Hierdoor zal de Commissie kunnen beschikken over een reeks mogelijke scenario's voor de toekomstige ontwikkeling van de markt. In de derde studie zal de ontwikkeling van nieuwe reclametechnieken onder de loep worden genomen, met name om na te gaan hoe er een scheiding tussen reclame en andere vormen van inhoud kan worden bereikt.

Bij de evaluatie zal ook rekening worden gehouden met andere aandachtspunten van de consument, zoals interoperabiliteit, voorwaardelijke-toegangssystemen en de gevolgen voor de consument van het overschakelen naar digitale uitzendingen. In dit verband dient erop te worden gewezen dat de Commissie reeds in haar op 12 juli 2000 goedgekeurde pakket voorstellen betreffende elektronische communicatienetwerken een voorstel heeft gedaan voor een richtlijn betreffende voorwaardelijke-toegangssystemen en bijbehorende faciliteiten. [39]

[39] Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot en interconnectie van elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (COM (2000) 384 van 12 juli 2000).

De Commissie zal de evaluatie op volledig open wijze verrichten en daartoe de visies van alle belanghebbende parijen inwinnen. Voor de bovengenoemde studies is de contractant bijvoorbeeld verplicht in de loop van 20001 een aantal workshops in Brussel te beleggen, zodat alle betrokken partijen hun inbreng kunnen leveren. Begin 2002 zal de Commissie een op de bevindingen van de studies gebaseerde discussienota uitbrengen; zij zal in aansluiting hierop alle belanghebbende partijen om schriftelijk commentaar verzoeken en voorts in 2002 een reeks hoorzittingen houden. De resultaten van het onderzoek en de raadpleging zullen de noodzakelijke gegevens en informatie opleveren voor het volgende verslag over de toepassing van de richtlijn. Dit zal voorstellen bevatten tot wijziging van de richtlijn die de Commissie, met name in het licht van ontwikkelingen op het terrein van de technologie en de markt, noodzakelijk acht.

Top