Help Print this page 

Document 32013R1293

Title and reference
Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 Voor de EER relevante tekst
  • In force
OJ L 347, 20.12.2013, p. 185–208 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1293/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html GA html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf GA pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Text

20.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 347/185


VERORDENING (EU) Nr. 1293/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 december 2013

inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, en met name artikel 192,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van de wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Door het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu en klimaat is de toestand van het milieu aanzienlijk verbeterd. Er blijven evenwel grote milieu- en klimaatuitdagingen bestaan, die, indien er niets wordt ondernomen, aanzienlijke gevolgen voor de Unie zullen hebben.

(2)

Vanwege hun omvang en complexiteit moet de aanpak van deze milieu- en klimaatuitdagingen hoofdzakelijk worden gefinancierd door de belangrijkste financieringsprogramma's van de Unie. In haar mededeling van 29 juni 2011 met als titel "Een begroting voor Europa 2020", waarin zij de uitdaging van de klimaatverandering erkent, heeft de Commissie verklaard dat zij voornemens is het klimaatgerelateerde deel van de begroting van de Unie te verhogen tot ten minste 20 % door bijdragen van andere beleidsgebieden. Deze verordening moet aan het realiseren van die doelstelling bijdragen.

(3)

Met die financieringsprogramma's van de Unie kunnen niet alle specifieke behoeften met betrekking tot het milieu en klimaatactie worden aangepakt. Op het gebied van het milieu en van klimaatactie zijn specifieke benaderingen nodig om een oplossing te bieden voor de ongelijke integratie van de doelstellingen ervan in de praktijken van de lidstaten, voor de ongelijke en gebrekkige tenuitvoerlegging van de desbetreffende wetgeving in de lidstaten en voor de ontoereikende verspreiding van informatie over en bevordering van de desbetreffende beleidsdoelstellingen. Het is passend een vervolg te bieden op het bij Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad ingestelde programma (4) en een nieuwe verordening vast te stellen. Daarom moet in deze verordening een specifiek financieringsprogramma voor de milieu- en klimaatactie (hierna het "LIFE-programma") worden vastgesteld. Om te zorgen dat financiering door de Unie wezenlijk effect heeft, moeten nauwe synergieën en complementariteit tussen het LIFE-programma en andere financieringsprogramma's van de Unie worden ontwikkeld.

(4)

Natuurlijke rijkdommen zijn ongelijk verdeeld over de Unie maar de voordelen ervan zijn een zaak van de hele Unie en worden door de hele Unie genoten. De plicht van de Unie om die rijkdommen in stand te houden vergt de consistente toepassing van de beginselen van solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid, die vereisen dat bepaalde milieu- en klimaatproblemen van de Unie beter op regionaal of lokaal niveau kunnen worden aangepakt. Sinds 1992 hebben de LIFE-programma's een cruciale rol gespeeld bij een betere verdeling van solidariteit en verantwoordelijkheid bij het behoud van het gemeengoed van de Unie op het gebied van milieu en klimaat. Het LIFE-programma dient deze rol te blijven vervullen.

(5)

Gezien de kenmerken en de omvang van het LIFE-programma kan het niet alle milieu- en klimaatproblemen oplossen. De doelstelling ervan moet veeleer zijn om te fungeren als katalysator voor verandering in de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het beleid door oplossingen en beste praktijken voor de verwezenlijking van milieu- en klimaatdoelen aan te reiken en te verspreiden, en door innovatieve milieu- en klimaattechnologieën te bevorderen. Hiertoe dient het LIFE-programma bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van het algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet" zoals vastgesteld bij Besluit van het Europees Parlement en de Raad (5) ("zevende milieuactieprogramma van de Unie").

(6)

Deze verordening legt voor de gehele looptijd van het LIFE-programma de financiële middelen ten bedrage van 3 456 655 miljoen EUR in lopende prijzen vast, die 0,318 % bedragen van het totale bedrag aan vastleggingskredieten als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (6), en die voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (7), in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

(7)

Overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg (december 1997) en Thessaloniki (juni 2003) dienen de kandidaat-lidstaten en de landen van de westelijke Balkan die betrokken zijn bij het stabilisatie- en associatieproces alsook landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in aanmerking te komen voor deelneming aan de programma's van de Unie, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de daarvoor relevante bilaterale of multilaterale overeenkomsten gesloten met die landen.

(8)

Krachtens het gewijzigde Besluit 2001/822/EG van de Raad (8) (het LGO-besluit) komen personen uit landen en gebieden overzee (LGO) en, in voorkomend geval, de desbetreffende overheids- en/of particuliere instanties en instellingen in landen en gebieden overzee, in aanmerking voor deelname aan programma's van de Unie, wanneer zij voldoen aan de voorschriften en doelstellingen van de desbetreffende programma's en de nadere bepalingen die gelden voor de lidstaat waartoe de landen en gebieden overzee behoren.

(9)

Om ervoor te zorgen dat milieu- en klimaatgerelateerde investeringen binnen de Unie doeltreffend zijn, moeten bepaalde activiteiten buiten haar grenzen worden ontplooid. Die investeringen worden mogelijk niet altijd gefinancierd in het kader van de financiële instrumenten voor het externe optreden van de Unie. Interventies in landen die niet rechtstreeks aan het LIFE-programma deelnemen en deelneming van in zulke landen gevestigde rechtspersonen aan krachtens het LIFE-programma gefinancierde activiteiten moeten uitzonderlijk mogelijk zijn, mits aan specifieke voorwaarden van deze verordening is voldaan.

(10)

Deze verordening moet ook een kader scheppen voor samenwerking met en het bieden van ondersteuning aan internationale organisaties zodat kan worden beantwoord aan bepaalde behoeften met betrekking tot het milieu- en klimaatbeleid die niet binnen het toepassingsgebied van financiële instrumenten voor extern optreden vallen, zoals bepaalde studies.

(11)

Milieu- en klimaateisen moeten in het beleid en de activiteiten van de Unie worden geïntegreerd. Het LIFE-programma moet daarom complementair zijn aan andere financieringsprogramma's van de Unie, waaronder het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (9), het Europees Sociaal Fonds (10), het Cohesiefonds (11), het Europees Landbouwgarantiefonds (12), het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (13), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en Horizon 2020 - Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (14) ("Horizon 2020").

De Commissie en de lidstaten moeten zulke complementariteit op alle niveaus waarborgen. Op het niveau van de Unie moet complementariteit worden gewaarborgd door een gestructureerde samenwerking tussen het LIFE-programma en de financieringsprogramma's van de Unie met gedeeld beheer in het gemeenschappelijk strategisch kader, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. /2013 van het Europees Parlement en de Raad (15) ("Verordening gemeenschappelijke bepalingen"), met name ter bevordering van de financiering van activiteiten die geïntegreerde projecten aanvullen of ter ondersteuning van het gebruik van in het kader van het LIFE-programma ontwikkelde oplossingen, methoden en benaderingen. Het LIFE-programma moet ook het gebruik van de resultaten van Horizon 2020 met betrekking tot onderzoek en innovatie op het gebied van milieu en klimaat aanmoedigen. Om synergieën te creëren tussen het LIFE-programma en Horizon 2020 moet het in deze context cofinancieringsmogelijkheden bieden voor projecten met duidelijke milieu- en klimaatvoordelen. Er is coördinatie nodig om dubbele financiering te voorkomen. De Commissie dient stappen te nemen om overlapping en extra administratieve lasten voor begunstigden van projecten die voortvloeien uit verslagleggingsverplichtingen van verschillende financiële instrumenten, te voorkomen. Ten behoeve van de duidelijkheid en de praktische haalbaarheid van geïntegreerde projecten uit hoofde van het LIFE-programma, dienen eventuele samenwerkingsafspraken reeds in een vroeg stadium te worden vastgelegd. De lidstaten moeten overwegen om in hun partnerschapsovereenkomsten naar dergelijke regelingen te verwijzen, om te waarborgen dat er al bij het opstellen van operationele of plattelandsontwikkelingsprogramma's rekening kan worden gehouden met de voordelen van geïntegreerde projecten.

(12)

Het tot staan brengen en ombuigen van het verlies aan biodiversiteit en het verbeteren van het efficiënte gebruik van hulpbronnen blijven, samen met het bieden van een oplossing voor milieu- en klimaatgerelateerde zorgen, belangrijke uitdagingen voor de Unie. Deze uitdagingen vereisen intensivering van inspanningen op het niveau van de Unie om oplossingen en beste praktijken te bieden die helpen de streefdoelen van de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met als titel "Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (hierna de "Europa 2020-strategie") te verwezenlijken. Voorts is betere governance, met name door bewustmaking en het betrekken van belanghebbenden, essentieel om milieudoelstellingen te verwezenlijken. Daarom moet het subprogramma Milieu drie prioritaire actiegebieden hebben: Milieu en efficiënt hulpbronnengebruik, Natuur en biodiversiteit, en Milieubeleid en -bestuur en informatie. Door het LIFE-programma gefinancierde projecten moeten aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van meer dan een van die prioritaire gebieden kunnen bijdragen en er moet meer dan een lidstaat aan kunnen deelnemen.

(13)

In de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 met als titel "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" zijn mijlpalen en acties voorgesteld die nodig zijn om de Unie op weg te zetten naar hulpbronnenefficiënte en duurzame groei. Daarom moet het prioritaire gebied Milieu en efficiënt hulpbronnengebruik de doeltreffende tenuitvoerlegging van het milieubeleid van de Unie door de publieke en private sectoren ondersteunen, met name in de onder het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa vallende milieusectoren, door de ontwikkeling en de uitwisseling van nieuwe oplossingen en beste praktijken te bevorderen. In dit verband dient de Commissie consistentie te waarborgen en overlapping met Horizon 2020 te voorkomen.

(14)

In de mededeling van de Commissie van 3 mei 2011 met als titel "Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020" (hierna de "Biodiversiteitsstrategie van de Unie voor 2020") zijn streefdoelen vastgesteld om het verlies aan biodiversiteit tot staan te brengen en om te buigen. Tot deze streefdoelen behoren onder meer de volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (16) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (17), alsook de instandhouding en het herstel van ecosystemen en ecosysteemdiensten. Het LIFE-programma moet bijdragen aan de verwezenlijking van die streefdoelen. Daarom moet het prioritaire gebied Natuur en biodiversiteit worden toegespitst op de tenuitvoerlegging en het beheer van het bij Richtlijn 92/43/EEG opgezette Natura 2000-netwerk, met name wat betreft de prioritaire actiekaders die zijn opgesteld op basis van artikel 8 van die richtlijn, op de ontwikkeling en verspreiding van beste praktijken met betrekking tot de biodiversiteit en de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG, en op de in de biodiversiteitsstrategie voor 2020 genoemde bredere biodiversiteitsuitdagingen.

(15)

De bijdrage van het LIFE-programma aan de jaarlijks benodigde financiering voor het Natura 2000-netwerk dient te worden gezien in de context van de vastgelegde uitgaven ten behoeve van de biodiversiteit uit andere middelen van de Unie. Er moet in het bijzonder belang worden gehecht aan de geïntegreerde projecten uit hoofde van het LIFE-programma als een gecoördineerd financieringsmechanisme voor het Natura 2000-netwerk, gezien het potentieel van deze projecten om financiële middelen te verwerven en de absorptiecapaciteit voor uitgaven betreffende natuur en biodiversiteit binnen andere middelen van de Unie te vergroten.

(16)

Bossen vervullen een belangrijke functie voor het milieu en het klimaat, bijvoorbeeld met betrekking tot biodiversiteit, water, de bodem en de mitigatie van en de aanpassing aan de klimaatverandering. Bossen en bodems helpen het klimaat te reguleren door kooldioxide (CO2) uit de atmosfeer op te nemen en immense hoeveelheden koolstof op te slaan. Om die functie te optimaliseren zijn relevante, compatibele data en informatie nodig. Deze verordening moet daarom ook een kader vormen ter ondersteuning van synergieën tussen milieu- en klimaatacties met betrekking tot bossen en bodems, inclusief de monitoring hiervan. Andere gebieden waar voor sterkere synergieën kan worden gezorgd zijn waterschaarste en droogte en het beheer van overstromingsrisico's.

(17)

Met het oog op de optimalisering van het gebruik van de middelen van het LIFE-programma, dienen synergieën te worden bevorderd tussen de acties van het subprogramma Milieu, met name ter bescherming van de biodiversiteit, en maatregelen voor de mitigatie van en de aanpassing aan de klimaatverandering die in het kader van het subprogramma Klimaatactie worden genomen.

(18)

In de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 met als titel "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" ("Routekaart 2050") wordt erkend dat het testen van nieuwe benaderingen voor de mitigatie van de klimaatverandering essentieel blijft voor de overgang naar een koolstofarme economie. Tevens moet worden gezorgd voor aanpassing aan de klimaatverandering als een sectoroverschrijdende prioriteit van de Unie. Voorts zijn de algemene bevordering van de governance en bewustmaking essentieel om constructieve resultaten te boeken en voor betrokkenheid van belanghebbenden te zorgen. Het subprogramma Klimaatactie moet daarom inspanningen ondersteunen die aan drie prioritaire gebieden bijdragen: Mitigatie van de klimaatverandering, Aanpassing aan de klimaatverandering en klimaatgovernance en informatie. Door het LIFE-programma gefinancierde projecten moeten aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van meer dan een van die prioritaire gebieden kunnen bijdragen en er moet meer dan een lidstaat aan kunnen deelneemt.

(19)

Het prioritaire gebied Mitigatie van de klimaatverandering moet bijdragen aan de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van klimaatgerelateerd beleid en klimaatgerelateerde wetgeving van de Unie, met name wat betreft de monitoring van en verslaglegging over broeikasgassen, beleid inzake landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw, het beheer van natuurlijke koolstofreservoirs, de regeling voor de handel in emissierechten, de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies terug te dringen, koolstofafvang en -opslag, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, vervoer en brandstoffen, de bescherming van de ozonlaag en gefluoreerde gassen. Het opzetten van infrastructuurprojecten voor koolstofafvang en -opslag valt buiten het toepassingsgebied van het LIFE-programma en moet derhalve niet worden ondersteund.

(20)

De eerste gevolgen van de klimaatverandering doen zich in Europa en in de rest van de wereld al voelen in de vorm van extreme weersomstandigheden die tot overstromingen en perioden van droogte leiden, en in de vorm van een stijging van de temperaturen en van de zeespiegel. Met het oog op een weerbaardere Unie moet het prioritaire gebied Aanpassing aan de klimaatverandering daarom via specifieke aanpassingsmaatregelen en -strategieën mensen, economische sectoren en regio's helpen zich aan zulke gevolgen aan te passen. Acties op dit gebied moeten complementair zijn met acties die in aanmerking komen voor financiering in het kader van het financieringsinstrument voor civiele bescherming zoals vastgesteld bij Besluit nr. /2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (18). Het opzetten van grote infrastructuurprojecten valt buiten het toepassingsgebied van het LIFE-programma en moet derhalve niet worden ondersteund.

(21)

De volledige tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving inzake milieu en klimaat is onlosmakelijk verbonden met betere governance, een grotere betrokkenheid van belanghebbenden en de verspreiding van informatie. In beide subprogramma's moet het prioritaire gebied Beleid en bestuur en informatie daarom de ontwikkeling van samenwerkingsplatforms en de uitwisseling van beste praktijken inzake meer doeltreffende naleving en handhaving, met inbegrip van opleidingsprogramma's voor rechters en openbaar aanklagers, en de creatie van een draagvlak onder de bevolking en bij de belanghebbenden voor de beleidsinspanningen van de Unie op het gebied van milieu en klimaat, ondersteunen. Met name moet het verbeteringen ondersteunen met betrekking tot de verspreiding van kennis en optimale praktijken bij de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving, met betrekking tot bewustmaking, alsmede met betrekking tot deelneming van het publiek, toegang tot informatie en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

(22)

Steun in het kader van deze verordening moet worden verleend overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (19). Met het oog op een zo goed mogelijk gebruik van de middelen van de Unie en Europese meerwaarde moeten in het kader van het LIFE-programma gefinancierde projecten voldoen aan de subsidiabiliteits- en toewijzingscriteria. Bij de beoordeling van de toegevoegde waarde voor de Unie dient de Commissie, zoals geldt voor de prioritaire gebieden, in het bijzonder te letten op de mogelijkheden om de projectresultaten te dupliceren en over te dragen, op de duurzaamheid van de projectresultaten en op de bijdrage die de projecten leveren tot de verwezenlijking van de algemene en specifieke doelstellingen van de prioritaire gebieden, alsook tot de thematische prioriteiten die via de projectthema's ten uitvoer worden gelegd. Projecten met sectoroverschrijdende gevolgen moeten worden aangemoedigd. De Commissie moet ook het gebruik van groene overheidsopdrachten bevorderen en aanmoedigen, met name bij de uitvoering van projecten.

(23)

Om ervoor te zorgen dat de concurrentievoorwaarden voor alle ondernemingen die actief zijn op de interne markt gelijk blijven en om concurrentieverstoringen te voorkomen, moet in het kader van het LIFE-programma verstrekte financiering waar mogelijk worden ingezet om marktfalen aan te pakken. In gevallen waarbij de financiering staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vormt, moet ze, op een manier die consistent is met de staatssteunregels worden opgezet teneinde verstoringen van de markt, zoals de verdringing van private financiering, de totstandkoming van ondoelmatige marktstructuren of de instandhouding van inefficiënte bedrijven te voorkomen en mag ze niet ten uitvoer worden gelegd alvorens ze door de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU, tenzij ze in overeenstemming is met een verordening die is vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad (20).

(24)

Met het oog op een betere tenuitvoerlegging van het milieu- en klimaatbeleid en meer integratie van milieu- en klimaatdoelstellingen in ander beleid, moet het LIFE-programma projecten bevorderen die geïntegreerde benaderingen van de tenuitvoerlegging van de milieu- en klimaatwetgeving en het milieu- en klimaatbeleid ondersteunen. Dergelijke geïntegreerde projecten moeten fungeren als concrete instrumenten om de integratie van milieu- en klimaatdoelstellingen in andere beleidsterreinen van de Unie en in het algehele uitgavenbudget van de Unie te bevorderen, overeenkomstig de Europa 2020-strategie. Zij dienen het voorbeeld te zijn van optimale praktijken met betrekking tot de efficiënte en goed gecoördineerde tenuitvoerlegging van milieu- en klimaatbeleid van de Unie in de lidstaten en de regio's. Voor het subprogramma Milieu moeten geïntegreerde projecten hoofdzakelijk worden toegespitst op de tenuitvoerlegging van de biodiversiteitsstrategie van de Unie voor 2020, met bijzondere aandacht voor het doeltreffende beheer en de consolidatie van het bij Richtlijn 92/43/EEG opgezette Natura 2000-netwerk door de tenuitvoerlegging van de prioritaire actiekaders die zijn opgesteld op basis van artikel 8 van die richtlijn, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (21) en van wetgeving inzake afval en lucht.

(25)

Hoewel deze geïntegreerde projecten zijn toegespitst op de geïdentificeerde thema's, dienen het multifunctionele uitvoeringsmechanismen te zijn (bijvoorbeeld gericht op milieuvoordelen en capaciteitsopbouw) waarmee resultaten op andere beleidsgebieden, met name het mariene milieu overeenkomstig de doelstellingen van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (22) kunnen worden gerealiseerd. Geïntegreerde projecten kunnen ook voor andere milieugebieden worden overwogen. Voor het subprogramma Klimaatactie moeten die projecten met name betrekking hebben op strategieën en actieplannen voor de mitigatie van en de aanpassing aan de klimaatverandering.

(26)

Geïntegreerde projecten dienen uitsluitend een reeks specifieke activiteiten en maatregelen te ondersteunen, terwijl andere activiteiten die de in het project opgenomen activiteiten aanvullen, uit andere financieringsprogramma's, alsook met nationale en regionale middelen en middelen van de private sector moeten worden gefinancierd. Financiering door het LIFE-programma moet synergieën benutten en door een strategische focus op milieu en klimaat voor samenhang tussen verschillende financieringsbronnen van de Unie zorgen, en daarnaast een vereenvoudiging van procedures garanderen.

(27)

Geïntegreerde projecten die, door middel van een geïntegreerde benadering, sterk zijn gericht op de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid van de Unie op milieu- en klimaatgebied, vereisen dat in alle delen van de Unie en in alle in deze verordening beoogde sectoren wordt opgetreden. Dit vraagt om invoering van een verdelingselement in het selectieproces teneinde geografisch evenwicht te bewerkstelligen, alsook om inspanningen van de lidstaten om, daarin eventueel ondersteund door een LIFE-project voor technische bijstand, tijdens de periode van het LIFE-programma ten minste één geïntegreerd project te kunnen voorbereiden en indienen.

(28)

Daar het fenomeen van geïntegreerde projecten nieuw is, moeten belanghebbenden, indien nodig, technische bijstand krijgen. De aanvraagfase moet worden verlicht met behulp van een uit twee stadia bestaande aanvraagprocedure. In het eerste stadium moet in een financieel plan worden aangegeven uit welke andere Unie-, nationale of particuliere financieringsbronnen financiële middelen vrijgemaakt moeten worden en in welke mate. Pas in het tweede stadium dienen intentieverklaringen van ten minste één andere financieringsbron te worden overgelegd, teneinde zeker te stellen dat aan de eis financiële middelen vrij te maken uit een aanvullende financieringsbron is voldaan. De mate waarin financiële middelen uit andere fondsen van de Unie worden vrijgemaakt, moet in aanmerking worden genomen in de toewijzingsfase.

(29)

Voor het welslagen van geïntegreerde projecten is een nauwe samenwerking nodig tussen nationale, regionale en lokale overheden en alle niet-gouvernementele actoren die betrokken zijn bij de doelstellingen van het LIFE-programma. Daarom moeten de beginselen van transparantie en openbaarmaking van besluiten met betrekking tot de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van, en het monitoren van projecten worden toegepast.

(30)

Overeenkomstig de beginselen van solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid dient bij projecten in het kader van het subprogramma Milieu, anders dan bij geïntegreerde projecten, gedurende de duur van het eerste meerjarig werkprogramma, te worden gezorgd voor een evenredige verdeling van de financiële middelen over alle lidstaten door indicatieve nationale toewijzingen vast te stellen.

(31)

Teneinde het vermogen van de lidstaten om aan het LIFE-programma deel te nemen te ontwikkelen, dient aan iedere lidstaat die aan de relevante voorwaarden van deze verordening voldoet gewaarborgde financiering voor projecten inzake capaciteitsopbouw beschikbaar te worden gesteld. Dergelijke financiering moet worden beschikbaar gesteld op basis van een overeengekomen plan voor capaciteitsopbouw waarin de interventies en de benodigde financiering uiteen worden gezet.

(32)

Bij het evaluatie- en toewijzingsproces van het LIFE-programma dient kwaliteit het overkoepelende criterium te zijn. De verdelingselementen die zijn geïntroduceerd met het oog op het bewerkstelligen van geografisch evenwicht zijn indicatief van aard en mogen niet suggereren dat er sprake is van gegarandeerde fondsen of toewijzingen per lidstaat.

(33)

De Unie is partij bij het VN/ECE-verdrag inzake toegang tot informatie, publieke inspraak en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna het "Verdrag van Aarhus"). Daarom moet het werk van niet-gouvernementele organisaties (ngo's) en netwerken van entiteiten zonder winstoogmerk die een doel van algemeen Uniebelang nastreven, worden gesteund aangezien zij op doeltreffende wijze bijdragen aan de doelen van het Verdrag van Aarhus, door in het beleidsontwikkelingsproces de zorgen en de standpunten van de burgers van de Unie te verdedigen, evenals aan de tenuitvoerlegging ervan en aan de verhoging van het bewustzijn inzake milieu- en klimaatgerelateerde problemen en beleidsmaatregelen daarvoor. Het LIFE-programma moet een brede waaier van hoofdzakelijk op het gebied van milieu en/of klimaatactie actieve ngo's en netwerken van entiteiten zonder winstoogmerk die een doel van algemeen Uniebelang nastreven, steunen door op concurrerende en transparante wijze exploitatiesubsidies toe te kennen om hen te helpen doeltreffende bijdragen aan het beleid van de Unie te leveren, de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieu- en klimaatsdoelstelling te bevorderen en te versterken, en om hun capaciteit op te bouwen en te versterken zodat zij efficiëntere partners worden.

(34)

Om haar rol bij het initiëren van de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van milieu- en klimaatbeleid te vervullen, moet de Commissie middelen van het LIFE-programma gebruiken ter ondersteuning van de initiëring, tenuitvoerlegging en mainstreaming van de wetgeving en het beleid van de Unie inzake milieu en klimaat, met inbegrip van de aankoop van diensten en goederen. Financiële middelen die in het kader van deze verordening worden uitgetrokken voor communicatieactiviteiten moeten ook communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie dekken, alsook over de uitvoerings- en omzettingsstatus van alle belangrijke milieu- en klimaatwetgeving van de Unie.

(35)

De huidige kloof op de markt tussen de vraag naar en het aanbod aan leningen, aandelenkapitaal en risicokapitaal zal tegen de achtergrond van een financiële crisis wellicht voortduren en het is daarom passend te voorzien in de mogelijkheid om met financiële instrumenten milieu- of klimaatgerelateerde projecten met een inkomstengenererend vermogen te steunen. Door het LIFE-programma ondersteunde financiële instrumenten moeten worden gebruikt om op kosteneffectieve wijze en in overeenstemming met de doelstellingen van het programma tegemoet te komen aan specifieke behoeften van de markt, maar mogen niet in de plaats komen van private financiering. Het moet mogelijk zijn financiële instrumenten te combineren met uit de begroting van de Unie gefinancierde subsidies, met inbegrip van subsidies in het kader van deze verordening.

(36)

Uit de ervaringen met LIFE-programma's is duidelijk de behoefte gebleken om de inspanningen op concrete prioriteiten van het milieu- en klimaatbeleid en op concrete actiegebieden te concentreren. Deze thematische prioriteiten zijn niet limitatief, zodat aanvragers ook voorstellen met betrekking tot andere gebieden kunnen indienen en nieuwe ideeën kunnen omarmen teneinde aan nieuwe uitdagingen te beantwoorden. Meerjarige werkprogramma's moeten eveneens flexibel zijn ten aanzien van de verwezenlijking van de streefdoelen en doelstellingen van het LIFE-programma en potentiële aanvragers tegelijk de voor het plannen, opstellen en indienen van voorstellen vereiste stabiliteit bieden met betrekking tot projectthema's voor de tenuitvoerlegging van de thematische prioriteiten. Het eerste meerjarige werkprogramma moet een geldigheidsduur van vier jaar hebben, gevolgd door een werkprogramma met een duur van drie jaar. Beide werkprogramma's dienen een niet-exhaustieve lijst te bevatten van projectthema's voor de tenuitvoerlegging van de thematische prioriteiten.

(37)

Uit LIFE-programma's uit het verleden is tevens gebleken hoe belangrijk nationale LIFE-contactpunten zijn, met name bij het verstrekken van ondersteuning aan aanvragers en begunstigden, waardoor zij hebben bijgedragen aan de succesvolle uitvoering van de programma's. Het stelsel van nationale en regionale LIFE-contactpunten moet daarom worden voortgezet en waar mogelijk versterkt, met name in de lidstaten waar weinig LIFE-projecten worden uitgevoerd, en samenwerking tussen de Commissie en de nationale LIFE-contactpunten en tussen nationale en regionale LIFE-contactpunten onderling moet worden verstrekt. Uit LIFE-programma's uit het verleden is tevens gebleken hoe belangrijk de doeltreffende verspreiding van projectresultaten en netwerkactiviteiten zijn om het hefboomeffect en de toegevoegde waarde voor de Unie van het LIFE-programma te vergroten, met name middels de organisatie van seminars, workshops en andere activiteiten die gericht zijn op de uitwisseling van ervaring, kennis en goede praktijken binnen de Unie. Derhalve moet de Commissie doelgerichte verspreidingsactiviteiten, met inbegrip van de activiteiten die specifiek zijn gericht op geïntegreerde projecten, met name in lidstaten waar weinig LIFE-projecten worden uitgevoerd, en op bepaalde sectoren, voortzetten en intensiveren, en dient zij de samenwerking en uitwisseling van ervaringen tussen LIFE-begunstigden en andere belanghebbenden te faciliteren. De Commissie dient onder gebruikmaking van passende media en technologieën tevens op gezette tijden een lijst te blijven uitbrengen van in het kader van het LIFE-programma gefinancierde projecten, met per project een korte beschrijving van de doelstellingen en de behaalde resultaten alsook een samenvatting van de vastgelegde middelen.

(38)

Met het oog op de vereenvoudiging van het LIFE-programma en de vermindering van de administratieve lasten voor aanvragers en begunstigden moet meer gebruik worden gemaakt van vaste tarieven en forfaitaire bedragen, zonder dat de subsidiabiliteit van de btw en de kosten voor vast personeel in het gedrang komt, overeenkomstig de in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 vastgelegde voorwaarden. Overeenkomstig de huidige praktijk moet de totale som van de door overheidsorganisaties (als coördinerend begunstigde en/of medebegunstigde) geleverde bijdragen aan het project minimaal 2 % hoger zijn dan de som van de salariskosten van het personeel van nationale overheden dat met het project is belast. Financiële middelen van de Unie mogen niet worden gebruikt om nationale begrotingen te subsidiëren, bijvoorbeeld om de btw-kosten te dekken. Er is evenwel slechts beperkte informatie beschikbaar over de bedragen aan Uniemiddelen die voor de dekking van btw-kosten worden gebruikt. De Commissie moet derhalve in de verslagen over de evaluatie halverwege en achteraf van het LIFE-programma, een overzicht verstrekken van btw-vergoedingen per lidstaat die begunstigden van projecten onder het LIFE-programma in het laatste betalingsstadium hebben aangevraagd.

(39)

De maximale cofinancieringspercentages moeten worden vastgesteld op de niveaus die noodzakelijk zijn om het effectieve niveau van de in het kader van het LIFE-programma verleende steun te handhaven.

(40)

Om aanpassingen, inclusief een eventuele herziening van de thematische prioriteiten, mogelijk te maken, moeten het LIFE-programma en de bijbehorende subprogramma's regelmatig worden gemonitord en geëvalueerd op basis van relevante prestatie-indicatoren. De Commissie dient zich bij de verdere vaststelling van prestatie-indicatoren ter beoordeling van programma's en projecten in het bijzonder te richten op kwaliteitsmonitoring op basis van prestatie-indicatoren en verwachte resultaten en effecten. De Commissie dient tevens een voorstel te doen voor een methode ter meting van het succes van projecten op de lange termijn, met name op het prioritaire gebied Natuur en biodiversiteit. Om de positieve neveneffecten aan te tonen die beide subprogramma's op klimaatactie en biodiversiteit kunnen hebben, en om informatie te verstrekken over het niveau van de uitgaven, moet in het kader van de monitoring van het LIFE-programma informatie worden bijgehouden over klimaatgerelateerde uitgaven en biodiversiteitsgerelateerde uitgaven, zoals uiteengezet in "Een begroting voor Europa 2020". Dergelijke informatie moet worden bijgehouden op basis van een eenvoudige methodologie, door de uitgaven in een van de volgende drie categorieën onder te brengen: uitsluitend klimaat/biodiversiteitsgerelateerde uitgaven (als 100 % te rekenen), in belangrijke mate klimaat/biodiversiteitsgerelateerde uitgaven (als 40 % te rekenen) en niet klimaat/biodiversiteitsgerelateerde uitgaven (als 0 % te rekenen). Die methodologie mag niet uitsluiten dat waar passend nauwkeurigere methoden worden gebruikt.

(41)

Gezien de langdurige ervaring van de Commissie met het beheer van het LIFE-programma en LIFE-projecten, alsook gezien de positieve ervaringen van LIFE-begunstigden met externe toezichtsteams, dient het beheer van het LIFE-programma tot de bevoegdheid van de Commissie te blijven behoren. In geval van mogelijke wijzigingen in de beheerstructuur van het LIFE-programma en LIFE-projecten dient vooraf een kosten-batenanalyse te worden uitgevoerd, en dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan het waarborgen van adequate en alomvattende expertise, met name met betrekking tot het prioriteitsgebied Natuur en biodiversiteit.

(42)

De financiële belangen van de Unie moeten gedurende de gehele uitgavencyclus worden beschermd door middel van proportionele maatregelen, waaronder de preventie, de opsporing en het onderzoek van onregelmatigheden, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, indien nodig, sancties.

(43)

Teneinde te waarborgen dat het gebruik van de middelen van de Unie optimaal wordt geëvalueerd, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen wat betreft prestatie-indicatoren toepasselijk op de thematische prioriteiten van het subprogramma Milieu en de prioritaire gebieden van het subprogramma Klimaatactie, het wijzigen van de in bijlage III vastgelegde thematische prioriteiten, en het verhogen van percentage van het budget dat wordt toegewezen aan subsidies voor projecten ter behoud van natuur en biodiversiteit. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(44)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de vaststelling van de meerjarige werkprogramma's moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (23).

(45)

Indien het Comité voor het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie geen advies over een ontwerpuitvoeringshandeling uitbrengt, dient de Commissie, overeenkomstig artikel 5, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011, de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast te stellen. Het gebruik van deze procedure dient onder meer te worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de evenredige verdeling van middelen tussen geïntegreerde projecten te beoordelen, met name het maximale bedrag dat één geïntegreerd project mag ontvangen.

(46)

Om te zorgen voor een soepele overgang tussen de krachtens Verordening (EG) nr. 614/2007 vastgestelde maatregelen en het LIFE-programma moeten de monitoring, de audit en de kwalitatieve beoordeling van in het kader van die verordening gefinancierde activiteiten na het verstrijken van die verordening worden voortgezet.

(47)

De meerwaarde van het LIFE-programma volgt uit de specificiteit van de aanpak en uit de doelgerichtheid ervan, waardoor de interventies in het bijzonder zijn toegesneden op milieu- en klimaatbehoeften. Door een betere bundeling van middelen en deskundigheid kan het LIFE-programma bijdragen aan doeltreffendere tenuitvoerlegging van milieubeleidsmaatregelen dan mogelijk is door afzonderlijke acties van de lidstaten. Tevens biedt het een platform voor het ontwikkelen en uitwisselen van beste praktijken en kennis, het verbeteren, in gang zetten en versnellen van wijzigingen van de tenuitvoerlegging van het acquis, het opbouwen van capaciteit en het steunen van private actoren, met name kmo's, bij het testen van kleinschalige technologieën, en biedt het lidstaten en belanghebbenden de mogelijkheid van elkaar te leren. Bovendien creëert het LIFE-programma synergieën tussen uniale en nationale financiering terwijl het ook als hefboom fungeert voor aanvullende financiering van de private sector waardoor het de samenhang van de interventie van de Unie versterkt en een eenvormiger tenuitvoerlegging van het acquis in de hand werkt.

(48)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk bijdragen aan de tenuitvoerlegging en de ontwikkeling van beleid en wetgeving van de Unie inzake milieu en klimaat, met inbegrip van de integratie van de milieu- en klimaatdoelstellingen in ander beleid, en het bevorderen van betere governance, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening beter door de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(49)

Verordening (EG) nr. 614/2007 moet derhalve worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

HET PROGRAMMA VOOR HET MILIEU EN KLIMAATACTIE (LIFE)

Artikel 1

Vaststelling van het programma

Er wordt een programma voor het milieu en klimaatactie voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 (het "LIFE-programma") vastgesteld.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)   "proefprojecten": projecten waarbij een techniek of methode wordt toegepast die niet eerder of elders is toegepast of getest, die potentiële milieu- of klimaatvoordelen bieden ten opzichte van de huidige beste praktijk en die vervolgens op grotere schaal kunnen worden toegepast op vergelijkbare situaties;

b)   "demonstratieprojecten": projecten voor het in praktijk brengen, testen, evalueren en verspreiden van acties, methoden of benaderingen die nieuw of onbekend zijn in de specifieke - bijvoorbeeld geografische, ecologische, sociaaleconomische - context van het project en die elders in soortgelijke omstandigheden kunnen worden toegepast;

c)   "projecten in verband met beste praktijken": projecten waarbij passende, kosteneffectieve en meest geavanceerde technieken, methoden en benaderingen worden toegepast die rekening houden met de specifieke context van het project;

d)   "geïntegreerde projecten": projecten waarbij op een grote territoriale schaal, met name regionale, multiregionale, nationale of transnationale schaal, door specifieke milieu- of klimaatwetgeving van de Unie voorgeschreven, volgens andere handelingen van de Unie ontwikkelde of door de lidstaten ontwikkelde plannen of strategieën inzake milieu of klimaat worden uitgevoerd, primair op het gebied van natuur, met inbegrip van, onder meer, het beheer van het Natura 2000-netwerk, water, afval, lucht en mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, waarbij wordt gezorgd voor betrokkenheid van de belanghebbenden en waarbij de coördinatie met en het vrijmaken van financiële middelen uit ten minste één andere relevante uniale, nationale of particuliere financieringsbron wordt bevorderd;

e)   "projecten voor technische bijstand": projecten waarbij door middel van subsidies voor acties wordt voorzien in financiële steun om aanvragers te helpen geïntegreerde projecten voor te bereiden en er met name voor te zorgen dat deze projecten voldoen aan het tijdschema en aan de technische en financiële vereisten van het LIFE-programma in samenhang met de in artikel 8, lid 3, bedoelde fondsen;

f)   "projecten inzake capaciteitsopbouw": projecten waarbij door middel van subsidies voor acties wordt voorzien in financiële steun aan activiteiten die nodig zijn om capaciteit op te bouwen in de lidstaten, met inbegrip van nationale of regionale contactpunten voor LIFE, teneinde de lidstaten in staat te stellen op doeltreffendere wijze aan het LIFE-programma deel te nemen;

g)   "voorbereidende projecten": primair door de Commissie in samenwerking met de lidstaten geïdentificeerde projecten ter ondersteuning van specifieke behoeften voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving van de Unie inzake milieu en klimaat;

h)   "informatie-, bewustmakings- en verspreidingsprojecten": projecten ter ondersteuning van de communicatie, verspreiding van informatie en bewustmaking met betrekking tot onder de subprogramma's voor het milieu en klimaatactie vallende gebieden.

Artikel 3

Algemene doelstellingen en prestatie-indicatoren

1.   Het LIFE-programma heeft met name de volgende algemene doelstellingen:

a)

bijdragen aan de overgang naar een hulpbronnenefficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige economie, aan de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en aan het tot staan brengen en ombuigen van het biodiversiteitsverlies, met inbegrip van steun voor het Natura 2000-netwerk en het tegengaan van de aantasting van ecosystemen;

b)

het verbeteren van de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en handhaving van het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu en klimaat, als katalysator fungeren voor milieu- en klimaatdoelstellingen en de integratie en mainstreaming van deze doelstellingen in het andere beleid van de Unie en in de praktijken van de publieke en private sector in gang zetten en bevorderen, mede door capaciteitsvergroting van deze sectoren;

c)

het ondersteunen van betere milieu- en klimaatgovernance op alle niveaus, inclusief grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, ngo's en lokale actoren;

d)

het ondersteunen van de tenuitvoerlegging van het zevende milieuactieprogramma.

Door het streven naar deze doelstellingen draagt het LIFE-programma bij aan duurzame ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van de Europa 2020-strategie en van relevante milieu- en klimaatstrategieën en -plannen van de Unie.

2.   De in lid 1 bedoelde algemene doelstellingen worden nagestreefd middels de volgende subprogramma's:

a)

het subprogramma Milieu;

b)

het subprogramma Klimaatactie.

3.   De prestaties van het LIFE-programma worden met name aan de hand van de volgende indicatoren beoordeeld:

a)

met betrekking tot de in lid 1, onder a), bedoelde algemene doelstelling, de aan het programma toe te schrijven milieu- en klimaatverbeteringen. Ten aanzien van de doelstelling om bij te dragen aan het tot staan brengen en ombuigen van het biodiversiteitsverlies worden de aan het programma toe te schrijven milieuverbeteringen afgemeten aan het herstelde of onder adequaat beheer gebrachte percentage van het Natura 2000-netwerk, het areaal en type herstelde ecosystemen, en het aantal en type van de doelhabitats en -soorten waarvan de staat van instandhouding verbetert;

b)

met betrekking tot de in lid 1, onder b), bedoelde algemene doelstellingen in verband met ontwikkeling en tenuitvoerlegging, het aantal ontwikkelde of ondernomen interventies waarmee plannen, programma's of strategieën uit hoofde van het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu en klimaat ten uitvoer worden gelegd, en het aantal voor herhaling of overdracht geschikte interventies;

c)

met betrekking tot de in lid 1, onder b), bedoelde algemene doelstellingen in verband met integratie, het aantal interventies waarmee synergieën worden verwezenlijkt of die zijn gemainstreamd in andere financieringsprogramma's van de Unie, of die zijn geïntegreerd in de praktijk van de openbare of de private sector;

d)

met betrekking tot de in lid 1, onder c), bedoelde algemene doelstelling, het aantal interventies voor betere governance, de verspreiding van informatie en de bewustmaking inzake milieu- en klimaataspecten.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter nadere omschrijving van de prestatie-indicatoren met het oog op de toepassing ervan op de prioritaire gebieden en thematische prioriteiten, als bedoeld in artikel 9 respectievelijk bijlage III voor wat betreft het subprogramma Milieu, en in artikel 13 voor wat betreft het subprogramma Klimaatactie.

Artikel 4

Budget

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het LIFE-programma voor de periode van 2014 tot 2020 worden vastgesteld op 3 456 655 000 EUR in lopende prijzen, hetgeen overeenkomt met 0,318 % van het totale bedrag aan vastleggingskredieten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1311/2013.

De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en door de Raad toegestaan binnen de grenzen van het meerjarige financiële kader.

2.   De begrotingsmiddelen worden als volgt over de subprogramma's verdeeld:

a)

2 592 491 250 EUR van de in lid 1 bedoelde algemene financiële middelen wordt toegewezen aan het subprogramma Milieu;

b)

864 163 750 EUR van de in lid 1 bedoelde algemene financiële middelen wordt toegewezen aan het subprogramma Klimaatactie.

Artikel 5

Deelneming van derde landen aan het LIFE-programma

Het LIFE-programma staat open voor deelneming van de volgende landen:

a)

landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);

b)

kandidaat-lidstaten, potentiële kandidaten van de Unie en tot de Unie toetredende landen;

c)

landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen;

d)

landen die lid zijn geworden van het Europees Milieuagentschap, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 933/1999 (24).

De deelneming van die landen is onderworpen aan de voorwaarden van de respectieve bilaterale of multilaterale overeenkomsten tot vaststelling van de algemene beginselen voor de deelname van die derde landen aan programma's van de Unie.

Artikel 6

Activiteiten buiten de Unie of in gebieden of landen overzee

1.   Onverminderd artikel 5 kunnen met het LIFE-programma activiteiten buiten de Unie en, overeenkomstig Besluit 2001/822/EG (het LGO-besluit), in landen en gebieden overzee (LGO) worden gefinancierd, voor zover die activiteiten noodzakelijk zijn om milieu- of klimaatdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en om de doeltreffendheid van op het grondgebied van de lidstaten verrichte interventies te waarborgen.

2.   Een buiten de Unie gevestigde rechtspersoon kan deelnemen aan de in artikel 18 bedoelde projecten, voor zover de begunstigde die het project coördineert in de Unie is gevestigd en de buiten de Unie uit te voeren activiteit voldoet aan de in lid 1 van dit artikel vastgestelde vereisten.

Artikel 7

Internationale samenwerking

Indien dit nodig is voor de verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde algemene doelstellingen is in de loop van de tenuitvoerlegging van het LIFE-programma samenwerking met internationale organisaties, en met hun instellingen en organen mogelijk.

Artikel 8

Complementariteit

1.   De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de steun van het LIFE-programma consistent is met het beleid en de prioriteiten van de Unie en complementair is met de andere financiële instrumenten van de Unie, en zorgen er tevens voor dat vereenvoudigingsmaatregelen ten uitvoer worden gelegd.

2.   In het kader van het LIFE-programma gefinancierde activiteiten voldoen aan de wetgeving van de Unie en van de lidstaten, waaronder de staatssteunregels van de Unie. Met name wordt financiering in het kader van het LIFE-programma die staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU door de lidstaten bij de Commissie aangemeld en mag ze niet worden uitgevoerd alvorens ze door de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU, tenzij ze in overeenstemming is met een overeenkomstig artikel 2, lid 1, en artikel 8 van Verordening (EG) nr. 994/98 vastgestelde verordening.

3.   Om synergieën te creëren, met name in de context van geïntegreerde projecten, en om het gebruik van in het kader van het LIFE-programma ontwikkelde oplossingen, methoden en benaderingen te ondersteunen, zorgen de Commissie en de lidstaten overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden voor coördinatie tussen het LIFE-programma en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. Dergelijke coördinatie vindt plaats binnen het bij de Verordening gemeenschappelijke bepalingen vastgestelde kader en middels het gemeenschappelijk strategisch kader en de in de partnerschapsovereenkomsten vastgelegde mechanismen, overeenkomstig de vereisten van die verordening.

4.   De Commissie zorgt ook voor consistentie en synergieën en voorkomt overlapping tussen het LIFE-programma en andere beleidsmaatregelen en financieringsinstrumenten van de Unie, met name Horizon 2020 en die in het kader van het externe optreden van de Unie.

TITEL II

DE SUBPROGRAMMA'S

HOOFDSTUK 1

Het subprogramma Milieu

Artikel 9

Prioritaire gebieden van het subprogramma Milieu

1.   Het subprogramma Milieu heeft drie prioritaire gebieden:

a)

Milieu en efficiënt hulpbronnengebruik;

b)

Natuur en biodiversiteit;

c)

Milieubeleid en -bestuur en informatie.

2.   De in lid 1 bedoelde prioritaire gebieden omvatten de in bijlage III vastgelegde thematische prioriteiten.

De Commissie is bevoegd, indien nodig, overeenkomstig artikel 29, gedelegeerde handelingen vast te stellen, teneinde de in bijlage III vastgelegde thematische prioriteiten aan te vullen, te schrappen of te wijzigen op basis van de volgende criteria:

a)

de in het zevende milieuactieprogramma vastgelegde prioriteiten;

b)

de specifieke doelstellingen voor ieder prioritair gebied als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12;

c)

de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van het in artikel 24 bedoelde meerjarig werkprogramma;

d)

de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde projecten;

e)

de prioriteiten die voortvloeien uit nieuwe wetgeving van de Unie op het gebied van milieu, vastgesteld na 23 december 2013; of

f)

de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van bestaande milieuwetgeving en -beleid van de Unie.

De Commissie beoordeelt, en herziet indien nodig, de in bijlage III vastgelegde thematische prioriteiten uiterlijk in de in artikel 27, lid 2, onder a), bedoelde evaluatie halverwege van het LIFE-programma.

3.   Ten minste 55 % van de begrotingsmiddelen die worden toegewezen aan projecten die door middel van subsidies voor het uitvoeren van acties in het kader van het subprogramma Milieu worden gesteund, zijn bestemd voor projecten ter ondersteuning van natuur- en biodiversiteitsbehoud.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde het in lid 3 van dit artikel bedoelde percentage met maximaal 10 % te verhogen, mits de totale middelen die voor twee opeenvolgende jaren zijn aangevraagd door middel van voorstellen die onder het prioritaire gebied Natuur en biodiversiteit vallen en die voldoen aan minimumkwaliteitseisen, meer dan 20 % hoger zijn dan het corresponderende bedrag berekend voor de twee aan die jaren voorafgaande jaren.

Artikel 10

Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Milieu en efficiënt hulpbronnengebruik

De specifieke doelstellingen van het subprogramma Milieu voor het prioritaire gebied Milieu en efficiënt hulpbronnengebruik zijn met name:

a)

het ontwikkelen, testen en demonstreren van beleids- of beheersbenaderingen, beste praktijken en oplossingen, met inbegrip van de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve technologieën, voor milieu-uitdagingen die geschikt zijn voor herhaling, overdracht of mainstreaming, ook met betrekking tot de koppeling tussen milieu en gezondheid en ter ondersteuning van beleid en wetgeving inzake efficiënt hulpbronnengebruik, met inbegrip van het stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa;

b)

het steunen van de toepassing, de ontwikkeling, het testen en de demonstratie van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van plannen en programma's uit hoofde van het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu, vooral op het gebied van water, afval en lucht;

c)

het verbeteren van de kennisbasis voor de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, beoordeling, monitoring en evaluatie van het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu en voor de beoordeling en monitoring van de factoren, druk en reacties die het milieu binnen en buiten de Unie beïnvloeden.

Artikel 11

Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Natuur en biodiversiteit

De specifieke doelstellingen van het subprogramma Milieu voor het prioritaire gebied Natuur en biodiversiteit zijn met name:

a)

het bijdragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving van de Unie inzake natuur en biodiversiteit, met inbegrip van de biodiversiteitsstrategie van de Unie voor 2020, en Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG, met name door het toepassen, ontwikkelen, testen en demonstreren van benaderingen, beste praktijken en toepassingen;

b)

het ondersteunen van de verdere ontwikkeling, tenuitvoerlegging en beheer van het in artikel 3 van Richtlijn 92/43/EEG opgezette Natura 2000-netwerk, met name het toepassen, ontwikkelen, testen en demonstreren van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van de op basis van artikel 8 van die richtlijn opgestelde prioritaire actiekaders;

c)

het verbeteren van de kennisbasis voor de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, beoordeling, monitoring en evaluatie van natuur- en biodiversiteitsbeleid en -wetgeving van de Unie en voor de beoordeling en monitoring van de factoren, druk en reacties die de natuur en de biodiversiteit binnen en buiten de Unie beïnvloeden.

Artikel 12

Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Milieubeleid en -bestuur en informatie

De specifieke doelstellingen van het subprogramma Milieu voor het prioritaire gebied Milieubeleid en -bestuur en informatie zijn met name:

a)

het bevorderen van bewustmaking inzake milieukwesties, met inbegrip van het verwerven van steun van het publiek en van de belanghebbenden voor beleidsvorming van de Unie op milieugebied, en het bevorderen van kennis over duurzame ontwikkeling en nieuwe duurzame consumptiepatronen;

b)

het steunen van communicatie, beheer en informatieverspreiding met betrekking tot het milieu en het vergemakkelijken van het delen van kennis over succesvolle oplossingen en praktijken met betrekking tot het milieu, onder meer door het ontwikkelen van samenwerkingsplatformen tussen belanghebbenden en opleiding;

c)

het bevorderen van en bijdragen aan doeltreffender naleving en handhaving van de milieuwetgeving van de Unie, met name door de ontwikkeling en verspreiding van beste praktijken en beleidsbenaderingen te bevorderen;

d)

het bevorderen van beter milieubeleid en -bestuur door een bredere betrokkenheid van belanghebbenden, met inbegrip van ngo's, bij het overleg over en de tenuitvoerlegging van het beleid.

HOOFDSTUK 2

Het subprogramma Klimaatactie

Artikel 13

Prioritaire gebieden van het subprogramma Klimaatactie

Het subprogramma Klimaatactie heeft drie prioritaire gebieden:

a)

Mitigatie van de klimaatverandering;

b)

Aanpassing aan de klimaatverandering;

c)

Klimaatgovernance en informatie.

Artikel 14

Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Mitigatie van de klimaatverandering

Om bij te dragen aan de vermindering van de emissies van broeikasgassen heeft het prioritaire gebied Mitigatie van de klimaatverandering de volgende specifieke doelstellingen:

a)

het bijdragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving van de Unie inzake mitigatie van de klimaatverandering, met inbegrip van mainstreaming in verschillende beleidsgebieden, met name door het ontwikkelen, testen en demonstreren van beleids- of beheersbenaderingen, beste praktijken en oplossingen voor de mitigatie van de klimaatverandering;

b)

het verbeteren van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring, evaluatie en tenuitvoerlegging van doeltreffende acties en maatregelen op het gebied van de mitigatie van klimaatverandering en het verhogen van de capaciteit om die kennis in de praktijk toe te passen;

c)

het vergemakkelijken van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde benaderingen, zoals voor strategieën en actieplannen inzake mitigatie van de klimaatverandering op lokaal, regionaal of nationaal niveau;

d)

het bijdragen aan de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve technologieën, -systemen, methoden en -instrumenten inzake mitigatie van de klimaatverandering, die geschikt zijn voor herhaling, overdracht of mainstreaming.

Artikel 15

Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Aanpassing aan de klimaatverandering

Om bij te dragen aan het ondersteunen van inspanningen die leiden tot een hogere klimaatbestendigheid heeft het prioritaire gebied Aanpassing aan de klimaatverandering de volgende specifieke doelstellingen:

a)

het bijdragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid van de Unie inzake aanpassing aan de klimaatverandering, met inbegrip van mainstreaming in verschillende beleidsgebieden, met name door het ontwikkelen, testen en demonstreren van beleids- of beheersbenaderingen, beste praktijken en oplossingen voor de aanpassing aan de klimaatverandering, met inbegrip van, in voorkomend geval, op ecosystemen gebaseerde benaderingen;

b)

het verbeteren van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring, evaluatie en tenuitvoerlegging van doeltreffende acties en -maatregelen inzake aanpassing aan de klimaatverandering, waarbij, in voorkomend geval, prioriteit wordt verleend aan acties en maatregelen in het kader waarvan een op ecosystemen gebaseerde benadering wordt toegepast, en het verhogen van de capaciteit om die kennis in de praktijk toe te passen;

c)

het vergemakkelijken van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde benaderingen, zoals voor strategieën en actieplannen inzake aanpassing aan de klimaatverandering op lokaal, regionaal of nationaal niveau, waarbij, in voorkomend geval, prioriteit wordt verleend aan op ecosystemen gebaseerde benaderingen;

d)

het bijdragen aan de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve technologieën, -systemen, -methoden en -instrumenten inzake aanpassing aan de klimaatverandering, die geschikt zijn voor herhaling, overdracht of mainstreaming.

Artikel 16

Specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Klimaatgovernance en informatie

De specifieke doelstellingen voor het prioritaire gebied Klimaatgovernance en informatie zijn met name:

a)

het bevorderen van bewustmaking inzake klimaatkwesties, met inbegrip van het verwerven van steun van het publiek en van de belanghebbenden voor beleidsvorming van de Unie op klimaatgebied, en het bevorderen van kennis over duurzame ontwikkeling;

b)

het steunen van communicatie, beheer en informatieverspreiding op klimaatgebied en het vergemakkelijken van het delen van kennis over succesvolle oplossingen en praktijken op klimaatgebied, onder meer door het ontwikkelen van samenwerkingsplatforms tussen belanghebbenden en opleiding;

c)

het bevorderen van en bijdragen aan doeltreffender naleving en handhaving van de klimaatwetgeving van de Unie, met name door het bevorderen van de ontwikkeling en verspreiding van beste praktijken en beleidsbenaderingen te bevorderen;

d)

het bevorderen van betere klimaatgovernance, door een bredere betrokkenheid van belanghebbenden, met inbegrip van ngo's, bij het overleg over en de tenuitvoerlegging van het beleid.

TITEL III

GEMEENSCHAPPELIJKE UITVOERINGSBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Financiering

Artikel 17

Soorten financiering

1.   De financiering door de Unie kan de volgende juridische vormen aannemen:

a)

subsidies;

b)

contracten voor overheidsopdrachten;

c)

bijdragen aan financiële instrumenten overeenkomstig de in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, met name in de artikelen 139 en 140, vastgestelde bepalingen voor financiële instrumenten en de in specifieke handelingen van de Unie vastgestelde vereisten van operationele aard;

d)

andere interventies die nodig zijn ter verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde algemene doelstellingen.

2.   De Commissie voert deze verordening uit overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

3.   Financiering in het kader van deze verordening die staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt, wordt uitgevoerd op een manier die consistent is met de toepasselijke staatssteunregels van de Unie.

4.   Ten minste 81 % van de voor het LIFE-programma bestemde begrotingsmiddelen wordt toegewezen aan projecten die worden ondersteund met behulp van subsidies voor het uitvoeren van acties of, in voorkomend geval, met behulp van de in lid 1, onder c), bedoelde financiële instrumenten.

De Commissie kan deze financiële instrumenten opnemen als onderdeel van het in artikel 24 bedoelde meerjarig werkprogramma, waarbij zij worden onderworpen aan een evaluatie vooraf als bedoeld in artikel 140, lid 2, onder f), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

5.   Maximaal 30 % van de overeenkomstig lid 4 aan subsidies voor acties toegewezen begrotingsmiddelen mogen worden toegewezen aan geïntegreerde projecten. Dat maximumpercentage wordt in het kader van de in artikel 27, lid 2, onder a), bedoelde evaluatie halverwege de looptijd van het LIFE-programma opnieuw tegen het licht gehouden en, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 18

Projecten

De volgende projecten kunnen worden gefinancierd met subsidies voor het uitvoeren van acties:

a)

proefprojecten;

b)

demonstratieprojecten;

c)

projecten in verband met beste praktijken;

d)

geïntegreerde projecten;

e)

projecten voor technische bijstand;

f)

projecten inzake capaciteitsopbouw;

g)

voorbereidende projecten;

h)

informatie-, bewustmakings- en verspreidingsprojecten;

i)

andere projecten die nodig zijn ter verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde algemene doelstellingen.

Artikel 19

Subsidiabiliteits- en toewijzingscriteria en de selectie van projecten

1.   In artikel 18 bedoelde projecten voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria gebaseerd op de in artikel 2 vastgelegde definities alsook aan de volgende toewijzingcriteria:

a)

het project is van belang voor de Unie doordat het een significante bijdrage levert aan de verwezenlijking van een van de in artikel 3 vastgestelde algemene doelstellingen van het LIFE-programma en aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen voor de in artikel 9 vervatte prioritaire gebieden, de in bijlage III opgenomen thematische prioriteiten of de in artikel 13 opgenomen specifieke doelstellingen voor de prioritaire gebieden;

b)

het project zorgt voor een kosteneffectieve benadering en is technisch en financieel samenhangend; en

c)

de voorgestelde tenuitvoerlegging is deugdelijk.

2.   Voor de gunning van projecten dienen de projecten te voldoen aan de minimumkwaliteitseisen in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

3.   Door het LIFE-programma in het kader van een prioritair gebied gefinancierde projecten ondermijnen geen milieu- of klimaatdoelstellingen in een ander prioritair gebied en bevorderen waar mogelijk synergieën tussen verschillende doelstellingen alsmede het gebruik van groene overheidsopdrachten.

4.   De Commissie zorgt met betrekking tot geïntegreerde projecten voor geografisch evenwicht door gedurende de duur van het LIFE-programma vermeld in artikel 1, indicatief ten minste drie geïntegreerde projecten aan elke lidstaat toe te wijzen, waarvan ten minste een geïntegreerd project onder het subprogramma Milieu en ten minste één geïntegreerd project onder het subprogramma Klimaatactie.

Geïntegreerde projecten worden verdeeld met het oog op de verwezenlijking van de overeenkomstig artikel 24, lid 2, onder c), vastgestelde streefdoelen voor elk van de in artikel 2, onder d), bedoelde gebieden.

Teneinde te beoordelen of wordt voldaan aan de in artikel 2, onder d), bedoelde voorwaarde inzake het verwerven van fondsen van de Unie of nationale of private fondsen, dienen voorstellen voor geïntegreerde projecten gepaard te gaan met:

a)

in het eerste stadium van de aanvraagprocedure: een financieel plan; en

b)

in het tweede stadium van de aanvraagprocedure: met ten minste één intentieverklaring waarin wordt gespecificeerd in hoeverre er middelen zullen worden vrijgemaakt uit andere relevante uniale, nationale of particuliere financieringsbronnen, en welke financieringsbronnen dit zijn.

5.   De Commissie zorgt voor de duur van het eerste meerjarig werkprogramma voor geografisch evenwicht ten aanzien van andere dan geïntegreerde projecten die zijn ingediend in het kader van het subprogramma Milieu, door financiële middelen evenredig over alle lidstaten te verdelen volgens indicatieve nationale toewijzingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in bijlage I opgenomen criteria. Wanneer indicatieve nationale toewijzingen niet van toepassing zijn, worden projecten uitsluitend op basis van hun verdiensten beoordeeld.

6.   Indien het bedrag van cofinanciering dat noodzakelijk is voor de financiering van door een lidstaat ingediende projecten, anders dan geïntegreerde projecten, die op de door de Commissie aan het einde van de selectieprocedure samengestelde lijst staan, lager is dan de indicatieve toewijzing voor die lidstaat, gebruikt de Commissie, mits wordt voldaan aan de in de leden 1 en 2 vastgelegde voorwaarden, het overschot van die indicatieve nationale toewijzing om de door andere lidstaten ingediende projecten te cofinancieren - projecten in landen en gebieden overzee uitgezonderd - die de grootste bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de in artikel 3 vastgelegde algemene doelstellingen.

Wanneer de Commissie de lijst met te cofinancieren projecten openbaar maakt, brengt zij verslag uit aan het comité voor het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie over de vraag op welke wijze zij rekening heeft gehouden met de overeenkomstig lid 4 en lid 5 vastgestelde criteria.

7.   Wanneer transnationale samenwerking essentieel is om milieubescherming en klimaatdoelstellingen te waarborgen, besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan transnationale projecten en streeft zij ernaar om minstens 15 % van de begrotingsmiddelen aan transnationale projecten toe te wijzen. De Commissie neemt de toekenning van financiering aan transnationale projecten in aanmerking, zelfs wanneer de indicatieve nationale toewijzingsbalans van een of meer van de aan deze transnationale projecten deelnemende lidstaten is overschreden.

8.   Gedurende het eerste meerjarig werkprogramma komen lidstaten in aanmerking voor financiering van een project inzake capaciteitsopbouw tot een bedrag van 1 000 000 EUR, mits zij voldoen aan een van de volgende criteria:

a)

het gemiddelde absorptieniveau van de lidstaat ten aanzien van zijn indicatieve nationale toewijzing voor de jaren 2010, 2011 en 2012, zoals vastgesteld krachtens artikel 6 van Verordening (EG) nr. 614/2007, is lager dan 70 %;

b)

het bbp per hoofd van de bevolking van de lidstaat bedroeg in 2012 minder dan 90 % van het gemiddelde van de Unie; of

c)

de lidstaat is tot de Unie toegetreden na 1 januari 2013.

Gedurende het tweede meerjarig werkprogramma komen lidstaten in aanmerking voor financiering van een project inzake capaciteitsopbouw tot een bedrag van 750 000 EUR, mits zij voldoen aan de volgende criteria:

a)

het gemiddelde absorptieniveau van de lidstaat van zijn indicatieve nationale toewijzing voor de jaren 2014, 2015 en 2016 als bedoeld in lid 5, is lager dan 70 %; en

b)

het gemiddelde absorptieniveau van de lidstaat van zijn indicatieve nationale toewijzing voor de jaren 2014, 2015 en 2016 is gestegen ten opzichte van het gemiddelde absorptieniveau voor de jaren 2010, 2011 en 2012.

Om in aanmerking te komen voor financiering van projecten inzake capaciteitsopbouw, verplicht een lidstaat zich ertoe gedurende het desbetreffende meerjarig werkprogramma de voor het LIFE-programma bestemde middelen, met inbegrip van onder meer personele middelen, op een niveau te houden dat niet lager is dan dat in 2012. Deze verplichting wordt vastgelegd in het plan inzake capaciteitsopbouw als bedoeld in lid 9.

Bij wijze van uitzondering op de financieringscriteria van de eerste en tweede alinea komt een lidstaat voor de gehele duur van het LIFE-programma niet in aanmerking voor financiering van projecten inzake capaciteitsopbouw indien zijn bbp per hoofd van de bevolking in 2012 hoger was dan 105 % van het Unie-gemiddelde. De financiering van projecten inzake capaciteitsopbouw wordt beperkt tot één project per lidstaat per meerjarig werkprogramma.

9.   De Commissie introduceert een snelle toewijzingsprocedure voor alle projecten inzake capaciteitsopbouw. Aanvragen voor dergelijke projecten inzake capaciteitsopbouw kunnen worden ingediend met ingang van 23 december 2013. Aanvragen worden gebaseerd op een tussen de lidstaat en de Commissie overeen te komen plan inzake capaciteitsopbouw met daarin de door het LIFE-programma te financieren interventies, teneinde het vermogen van lidstaten te ontwikkelen om succesvolle aanvragen in te dienen voor de financiering van projecten in het kader van de subprogramma's Milieu en Klimaatactie. Deze interventies kunnen onder meer, doch niet uitsluitend, de volgende elementen omvatten:

a)

rekrutering van nieuw personeel en opleidingen voor nationale of regionale LIFE-contactpunten;

b)

het faciliteren van de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken en bevordering van de verspreiding en het gebruik van de resultaten van projecten onder het LIFE-programma;

c)

"train the trainer"-benaderingen;

d)

uitwisselings- en detacheringsprogramma's tussen overheidsinstanties in de lidstaten, met name "best in class"-uitwisselingsactiviteiten.

De in het plan inzake capaciteitsopbouw opgenomen interventies kunnen de aanwerving van deskundigen omvatten voor de aanpak van ad-hocleemtes in technische en procedurele capaciteit, maar mogen niet de aanwerving omvatten van deskundigen wier primaire functie bestaat uit het opstellen van voorstellen ter indiening in het kader van de jaarlijkse oproep tot het indienen van voorstellen.

Het plan inzake capaciteitsopbouw bevat tevens een raming van de kosten van deze interventies.

Artikel 20

Cofinancieringspercentages en subsidiabiliteit van kosten voor projecten

1.   Het maximumpercentage voor cofinanciering van de in artikel 18 bedoelde projecten bedraagt:

a)

voor de duur van het eerste meerjarig werkprogramma, maximaal 60 % van de subsidiabele kosten voor alle projecten, anders dan de onder c) gespecificeerde projecten, die worden gefinancierd in het kader van het subprogramma Milieu en het subprogramma Klimaatactie;

b)

voor de duur van het tweede meerjarig werkprogramma, maximaal 55 % van de subsidiabele kosten voor alle projecten, anders dan de onder c) gespecificeerde projecten, die worden gefinancierd in het kader van het subprogramma Milieu en het subprogramma Klimaatactie;

c)

voor de gehele duur van het LIFE-programma:

i)

maximaal 60 % van de subsidiabele kosten voor de in artikel 18, onder d), e) en g), genoemde projecten;

ii)

onder voorbehoud van punt iii), maximaal 60 % van de subsidiabele kosten voor projecten die worden gefinancierd in het kader van het prioritaire gebied Natuur en biodiversiteit van het subprogramma Milieu;

iii)

maximaal 75 % van de subsidiabele kosten voor projecten die worden gefinancierd in het kader van het prioritaire gebied Natuur en biodiversiteit van het subprogramma Milieu en die betrekking hebben op de voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 92/43/EEG prioritaire habitats of soorten, of op de vogelsoorten die als prioritair worden beschouwd voor financiering door het Comité voor de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang dat is ingesteld krachtens artikel 16 van Richtlijn 2009/147/EG indien dit noodzakelijk is voor de instandhoudingsdoelstelling;

iv)

maximaal 100 % van de subsidiabele kosten voor de in artikel 18, onder f), genoemde projecten.

2.   De voorwaarden met betrekking tot de subsidiabiliteit van kosten zijn vastgelegd in artikel 126 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012. Tot die kosten behoren ook de btw en de personeelskosten.

De Commissie verstrekt in de verslagen over de evaluatie halverwege en achteraf van het LIFE-programma een overzicht van btw-vergoedingen per lidstaat die projectbegunstigden van het LIFE-programma in het laatste betalingsstadium hebben aangevraagd.

3.   Kosten met betrekking tot de aankoop van grond komen in aanmerking voor financiering door de Unie voor in artikel 18 bedoelde projecten op voorwaarde dat:

a)

de aankoop bijdraagt aan het verbeteren, behouden en herstellen van de integriteit van het krachtens artikel 3 van Richtlijn 92/43/EEG opgezette Natura 2000-netwerk, onder meer door verbetering van de verbindingen middels het tot stand brengen van corridors, stapstenen of andere groene infrastructuurelementen;

b)

de landaankoop de enige of kostenefficiëntste manier is om de beoogde instandhouding te verwezenlijken;

c)

het aangekochte land op lange termijn bestemd is voor doeleinden die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de artikelen 11, 14 of 15; en

d)

de betrokken lidstaat er door middel van overdracht of op een andere wijze voor zorgt dat deze grond langdurig voor natuurbeschermingsdoeleinden bestemd blijft.

Artikel 21

Exploitatiesubsidies

1.   Met exploitatiesubsidies wordt steun verleend aan bepaalde exploitatie- en administratiekosten van entiteiten zonder winstoogmerk die een doel van algemeen Uniebelang nastreven, hoofdzakelijk actief zijn op het gebied van milieu of klimaatactie en betrokken zijn bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en handhaving van beleid en wetgeving van de Unie.

2.   Het maximumpercentage voor cofinanciering door de Unie van in lid 1 bedoelde projecten bedraagt 70 % van de subsidiabele kosten.

Artikel 22

Andere soorten activiteiten

Ter verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde algemene doelstellingen kan het LIFE-programma door de Commissie ondernomen activiteiten ter ondersteuning van de initiëring, tenuitvoerlegging en mainstreaming van beleidsmaatregelen en wetgeving van de Unie inzake milieu en klimaat uitgevoerde acties financieren. Zulke activiteiten zijn onder meer:

a)

informatie en communicatie, met inbegrip van bewustmakingscampagnes. Financiële middelen die in het kader van deze verordening worden toegewezen aan communicatieactiviteiten hebben ook betrekking op institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, evanals over de uitvoerings- en omzettingsstatus van alle belangrijke milieu- en klimaatwetgeving van de Unie;

b)

studies, onderzoeken, modellering en het uitwerken van scenario's;

c)

de voorbereiding, tenuitvoerlegging, monitoring, controle en evaluatie van projecten, beleidsmaatregelen, programma's en wetgeving;

d)

workshops, conferenties en vergaderingen;

e)

netwerkvorming en platforms voor beste praktijken;

f)

andere activiteiten die nodig zijn ter verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde algemene doelstellingen.

Artikel 23

Begunstigden

Het LIFE-programma kan openbare en/of private entiteiten financieren.

Teneinde de zichtbaarheid van het LIFE-programma te waarborgen, maken de begunstigden het LIFE-programma en de resultaten van hun projecten bekend en vermelden zij daarbij altijd de van de Unie ontvangen steun. Het in bijlage II weergegeven LIFE-programmalogo wordt voor alle communicatieactiviteiten gebruikt en wordt op strategische plaatsen voor het publiek zichtbaar op informatieborden aangebracht. Alle in het kader van het LIFE-programma verworven duurzame goederen dragen het LIFE-programmalogo, behalve in door de Commissie gespecificeerde gevallen.

HOOFDSTUK 2

Uitvoeringsmaatregelen

Artikel 24

Meerjarige werkprogramma's

1.   De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, meerjarige werkprogramma's voor het LIFE-programma vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Het eerste meerjarig werkprogramma heeft een duur van vier jaar en het tweede meerjarig werkprogramma heeft een duur van drie jaar.

2.   Elk meerjarig werkprogramma omvat, in overeenstemming met de algemene doelstellingen bepaald in artikel 3, het volgende:

a)

de verdeling van middelen tussen de prioritaire gebieden en tussen verschillende soorten financiering binnen elk subprogramma, overeenkomstig artikel 9, lid 3, en artikel 17, leden 4 en 5. Er vinden geen verdere voorlopige toewijzingen voor subsidies voor het uitvoeren van projecten plaats, met uitzondering van de projecten voor technische bijstand en de projecten inzake capaciteitsopbouw;

b)

de projectonderwerpen voor de tenuitvoerlegging van de in bijlage III opgenomen thematische prioriteiten voor projecten die gedurende de door het meerjarige werkprogramma bestreken periode zullen worden gefinancierd;

c)

kwalitatieve en kwantitatieve resultaten, indicatoren en streefdoelen voor elk prioritair gebied en elke soort projecten voor de door het meerjarig financieel werkprogramma bestreken periode, overeenkomstig de prestatie-indicatoren uit hoofde van artikel 3, lid 3, en de specifieke doelstellingen voor ieder prioritair gebied, zoals vastgelegd in de artikelen 10, 11, 12, 14, 15 en 16;

d)

de technische methodologie inzake de procedure voor de selectie van projecten en selectie- en gunningscriteria voor subsidies overeenkomstig de artikelen 2 en 19 van deze verordening en de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012;

e)

indicatieve tijdschema's voor de oproepen tot het indienen van voorstellen voor de door het meerjarig financieel werkprogramma bestreken periode.

3.   In het kader van het meerjarig werkprogramma publiceert de Commissie jaarlijkse oproepen tot het indienen van voorstellen voor de in artikel 9, lid 1, en artikel 13, opgenomen prioritaire gebieden. De Commissie waarborgt dat ongebruikte financiële middelen uit een bepaalde oproep tot het indienen van voorstellen worden herverdeeld tussen de verschillende soorten projecten als bedoeld in artikel 18.

4.   De Commissie herziet door middel van een uitvoeringshandeling het meerjarig werkprogramma uiterlijk tijdens de evaluatie halverwege de looptijd van het LIFE-programma. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 25

Wijze van uitvoering

De Commissie verricht de activiteiten ter verwezenlijking van de in artikel 3 van deze verordening bepaalde algemene doelstellingen overeenkomstig de in artikel 58 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 vastgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, met name onder direct of indirect beheer op gecentraliseerde basis door de Commissie, of in gezamenlijk beheer met internationale organisaties.

Artikel 26

Administratieve en technische bijstand

De financiële toewijzing van het LIFE-programma kan ook noodzakelijke uitgaven in verband met rechtstreeks voor het beheer van het LIFE-programma en de verwezenlijking van de in artikel 3 vastgelegde algemene doelstellingen ervan vereiste voorbereidings-, monitoring-, controle-, audit-, communicatie- en evaluatieactiviteiten dekken.

Op regelmatige basis en in samenwerking met de nationale LIFE-contactpunten organiseert de Commissie seminars en workshops, publiceert zij lijsten van in het kader van het LIFE-programma gefinancierde projecten of onderneemt zij andere activiteiten om de uitwisseling van ervaring, kennis en beste praktijken met betrekking tot alle projecten en de reproductie en verspreiding van projectresultaten in de Unie, te faciliteren. Hiertoe onderneemt de Commissie activiteiten die zijn gericht op de verspreiding van projectresultaten onder begunstigden van het LIFE-programma en anderen met, indien nodig, bijzondere aandacht voor lidstaten waar weinig LIFE-projecten worden uitgevoerd, en faciliteert zij de communicatie en samenwerking tussen afgeronde of lopende projecten en nieuwe projectbegunstigden, aanvragers of belanghebbenden op hetzelfde gebied.

De Commissie organiseert ten minste eens in de twee jaar specifieke seminars, workshops of, indien van toepassing, andere soorten activiteiten, teneinde de uitwisseling van ervaring, kennis en beste praktijken te faciliteren met betrekking tot het ontwerp, de voorbereiding en de uitvoering van geïntegreerde projecten alsook met betrekking tot de doeltreffendheid van de bijstand die wordt geboden in het kader van projecten voor technische bijstand. Bij deze activiteiten worden onder meer nationale of regionale overheden die zijn belast met het beheer van andere middelen van de Unie en andere belanghebbenden betrokken.

Artikel 27

Monitoring en evaluatie

1.   De Commissie monitort op regelmatige basis de tenuitvoerlegging van het LIFE-programma (en de subprogramma's ervan), met inbegrip van de hoogte van de klimaatgerelateerde en biodiversiteitsgerelateerde uitgaven, en brengt daar geregeld verslag over uit. Zij beoordeelt ook synergieën tussen het LIFE-programma en andere complementaire programma's van de Unie en met name tussen de subprogramma's. De Commissie berekent, overeenkomstig de in bijlage I opgenomen criteria, indicatieve nationale toewijzingen voor de duur van het tweede meerjarig werkprogramma uitsluitend met het oog op het benchmarken van de prestaties van de lidstaten.

2.   De Commissie legt het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's de volgende verslagen voor:

a)

Uiterlijk op 30 juni 2017, een extern en onafhankelijk verslag over de evaluatie halverwege de looptijd van het LIFE-programma en de subprogramma's, met inbegrip van kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de tenuitvoerlegging ervan, de hoogte van de klimaatgerelateerde en biodiversiteitsgerelateerde uitgaven, de mate waarin er synergieën tussen de doelstellingen tot stand zijn gebracht, de complementariteit ervan met andere relevante programma's van de Unie, de verwezenlijking van de doelstellingen van alle maatregelen (indien mogelijk op het niveau van de resultaten en effecten), de doeltreffendheid van het gebruik van middelen en de meerwaarde van het programma voor de Unie, met het oog op het nemen van een besluit over de verlenging, wijziging of schorsing van de maatregelen. Dat verslag over de evaluatie halverwege omvat tevens een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de bijdrage van het LIFE-programma aan de staat van instandhouding van habitats en soorten, opgenomen in Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG. In de evaluatie worden voorts de ruimte voor vereenvoudiging, de interne en externe samenhang, de vraag of alle doelstellingen nog steeds relevant zijn en de bijdrage van de maatregelen in het kader van het LIFE-programma aan de doelstellingen en streefdoelen van de Europa 2020-strategie en aan duurzame ontwikkeling behandeld. De evaluatie houdt rekening met de resultaten van de beoordeling van het langetermijneffect van LIFE+. Het verslag over de evaluatie halverwege gaat vergezeld van opmerkingen van de Commissie, onder meer over de wijze waarop bij de tenuitvoerlegging van het LIFE-programma rekening zal worden gehouden met de bevindingen van de evaluatie halverwege de looptijd van het programma, en met name over de mate waarin de in bijlage III vastgelegde thematische prioriteiten moeten worden gewijzigd.

Het verslag over de evaluatie halverwege bevat of gaat vergezeld van een grondige analyse van de omvang en de kwaliteit van de vraag naar geïntegreerde projecten en de planning en uitvoering daarvan. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar behaalde of verwachte successen van geïntegreerde projecten in termen van hefboomeffect op andere middelen van de Unie, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de voordelen van grotere samenhang met andere financieringsinstrumenten van de Unie, de mate waarin belanghebbenden bij het geheel zijn betrokken en de mate waarin de voorgaande projecten onder LIFE+ in het kader van geïntegreerde projecten zijn of naar verwachting zullen worden uitgevoerd.

b)

Uiterlijk op 31 december 2023, een extern en onafhankelijk verslag van de evaluatie achteraf dat betrekking heeft op de tenuitvoerlegging en de resultaten van het LIFE-programma (en de subprogramma's ervan), met inbegrip van de hoogte van de klimaatgerelateerde en biodiversiteitsgerelateerde uitgaven, de mate waarin de doelstellingen van het LIFE-programma in zijn geheel en van elk van de subprogramma's zijn gehaald, de mate waarin er synergieën tussen de respectieve doelstellingen tot stand zijn gebracht, en de bijdrage van het LIFE-programma aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van de Europa 2020-strategie. In het verslag van de evaluatie achteraf wordt eveneens onderzocht in welke mate de integratie van milieu- en klimaatdoelstellingen in ander beleid van de Unie is bewerkstelligd en, voor zover mogelijk, welke economische voordelen het LIFE-programma heeft opgeleverd, alsook welk effect en welke toegevoegde waarde het voor de betrokken gemeenschappen heeft teweeggebracht.

3.   De Commissie maakt de resultaten van de krachtens dit artikel verrichte evaluaties openbaar.

Artikel 28

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.   De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen bij de uitvoering van uit hoofde van dit besluit gefinancierde activiteiten, de financiële belangen van de Unie met de toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten worden beschermd door doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door de terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door middel van doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties.

2.   De Commissie of haar vertegenwoordigers en de Rekenkamer hebben de bevoegdheid om audits, op basis van documenten of controles ter plaatse, uit te voeren bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die uit hoofde van het LIFE-programma middelen van de Unie hebben ontvangen.

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan overeenkomstig de procedures van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (25) controles en verificaties ter plaatse bij de direct of indirect bij de financiering betrokken economische subjecten uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een contract betreffende financiering door de Unie, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

Onverminderd de eerste en de tweede alinea verlenen de uit deze verordening voortvloeiende samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, subsidieovereenkomsten en -besluiten en contracten de Commissie, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid om dergelijke audits en controles en verificaties ter plaatse uit te voeren.

3.   Gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste betaling voor een project, houden de begunstigden van middelen van de Unie alle bewijsstukken met betrekking tot de uitgaven voor het betrokken project ter beschikking van de Commissie.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 29

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 3, artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 23 december 2013.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 3, artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Dit besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 3, lid 3, artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 30

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 31

Intrekking

Verordening (EG) nr. 614/2007 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden beschouwd als verwijzingen naar onderhavige verordening.

Artikel 32

Overgangsmaatregelen

1.   In weerwil van de eerste alinea van artikel 31, blijven maatregelen die vóór 1 januari 2014 uit hoofde van Verordening (EG) nr. 614/2007 zijn aangevangen, tot hun voltooiing onder die verordening vallen en voldoen zij aan de daarin vastgestelde technische bepalingen. Het in artikel 30, lid 1, van deze verordening bedoelde comité vervangt het in artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 614/2007 bedoelde comité vanaf 23 december 2013.

2.   Om te zorgen voor een soepele overgang tussen de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 614/2007 vastgestelde maatregelen en het LIFE-programma kan de financiële toewijzing voor het LIFE-programma ook betrekking hebben op uitgaven voor technische en administratieve bijstand, met inbegrip van krachtens Verordening (EG) nr. 614/2007 vereiste verplichte monitoring, communicatie en evaluatie na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan.

3.   De binnen de financiële middelen vereiste bedragen om in de periode na 31 december 2020 in monitoring-, communicatie- en controlemaatregelen te voorzien, worden slechts geacht te zijn bevestigd indien zij stroken met het vanaf 1 januari 2021 toepasselijke financiële kader.

4.   De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten uit terugbetalingen van krachtens Verordening (EG) nr. 614/2007 onverschuldigd betaalde bedragen, worden, overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, gebruikt voor de financiering van het LIFE-programma.

Artikel 33

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 december 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

V. LEŠKEVIČIUS


(1)  PB L 191 van 29.6.2012, blz. 111.

(2)  PB L 277 van 13.9.2012, blz. 61.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 21 november 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 5 december 2013.

(4)  Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het Financieringsinstrument voor het Milieu (LIFE+) (PB L 149 van 9.6.2007, blz. 1).

(5)  Besluit van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet".

(6)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 (Zie bladzijde 884 van dit Publicatieblad).

(7)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(8)  Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Gemeenschap ("LGO-besluit") (PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid",en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (Zie bladzijde 289 van dit Publicatieblad).

(10)  Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 (Zie bladzijde 470 van dit Publicatieblad).

(11)  Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot oprichting van een Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 (Zie bladzijde 281 van dit Publicatieblad).

(12)  Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 1290/2005.

(14)  Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (Zie bladzijde 104 van dit Publicatieblad).

(15)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (Zie bladzijde 320 van dit Publicatieblad).

(16)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(17)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(18)  Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een EU-mechanisme voor civiele bescherming (Zie bladzijde 924 van dit Publicatieblad).

(19)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(20)  Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1).

(21)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(22)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (hierna de "kaderrichtlijn mariene strategie") (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(23)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(24)  Verordening (EG) nr. 933/1999 van de Raad van 29 april 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1210/90 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (PB L 117 van 5.5.1999, blz. 1).

(25)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).


BIJLAGE I

Criteria voor de vaststelling van indicatieve nationale toewijzingen voor andere dan geïntegreerde projecten, ingediend in het kader van het subprogramma Milieu

Overeenkomstig de beginselen van solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid wijst de Commissie voor de in artikel 1 bedoelde duur van het LIFE-programma middelen toe aan alle lidstaten voor andere dan geïntegreerde projecten, op grond van de volgende criteria:

a)

Bevolking

i)

totale bevolking van elke lidstaat (wegingsfactor 50 %); en

ii)

bevolkingsdichtheid van elke lidstaat, tot een maximum van tweemaal de gemiddelde bevolkingsdichtheid van de Unie (wegingsfactor 5 %).

b)

Natuur en biodiversiteit

i)

totale oppervlakte van de Natura 2000-gebieden in elke lidstaat, uitgedrukt als percentage van de totale oppervlakte van de Natura 2000-gebieden (wegingsfactor 25 %); en

ii)

aandeel van de Natura 2000-gebieden in het grondgebied van een lidstaat (wegingsfactor 20 %).


BIJLAGE II

Het LIFE-programmalogo

Image

BIJLAGE III

Thematische prioriteiten voor het subprogramma Milieu als bedoeld in artikel 9

A.

Prioritair gebied Milieu en efficiënt hulpbronnengebruik

a)

Thematische prioriteiten voor water, met inbegrip van het mariene milieu: activiteiten voor de tenuitvoerlegging van de specifieke doelstellingen voor water, vastgelegd in de Routekaart voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa en het zevende milieuactieprogramma, in het bijzonder:

i)

geïntegreerde benaderingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/60/EG;

ii)

activiteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (1);

iii)

activiteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het programma van maatregelen van Richtlijn 2008/56/EG met het oog op de bewerkstelliging van een goede milieutoestand van mariene wateren;

iv)

activiteiten om een veilig en efficiënt gebruik van waterreserves te waarborgen, het kwantitatieve waterbeheer te verbeteren, een hoog niveau van waterkwaliteit te behouden en misbruik en aantasting van waterreserves te voorkomen.

b)

Thematische prioriteiten voor afval: activiteiten voor de tenuitvoerlegging van de specifieke doelstellingen voor afval, vastgelegd in de Routekaart voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa en het zevende milieuactieprogramma, in het bijzonder:

i)

geïntegreerde benaderingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van afvalplannen en -programma's;

ii)

activiteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging en ontwikkeling van afvalwetgeving van de Unie, met bijzondere aandacht voor de eerste stappen in de afvalhiërarchie van de Unie (preventie, hergebruik en recycling);

iii)

activiteiten met betrekking tot een efficiënt gebruik van hulpbronnen en de risico's van producten gedurende hun levenscyclus, consumptiepatronen en de "dematerialisatie" van de economie.

c)

Thematische prioriteiten voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen, met inbegrip van bodem en bossen, en een groene kringloopeconomie: activiteiten voor de tenuitvoerlegging van de Routekaart voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa en het zevende milieuactieprogramma die niet vallen onder andere thematische prioriteiten bedoeld in deze bijlage, in het bijzonder:

i)

activiteiten met betrekking tot industriële symbiose en overdracht van kennis, en de ontwikkeling van nieuwe modellen voor de overgang naar een groene kringloopeconomie;

ii)

activiteiten met betrekking tot de thematische strategie voor de bodem (mededeling van de Commissie van 22 september 2006 getiteld: "Thematische strategie voor bodembescherming") met bijzondere aandacht voor mitigatie en compensatie van bodemafdekking, en voor een verbetering van het bodemgebruik;

iii)

activiteiten met betrekking tot bosbewakings- en informatiesystemen, en ter preventie van bosbranden.

d)

Thematische prioriteiten voor Milieu en gezondheid, met inbegrip van chemicaliën en geluidsemissies: ondersteunende activiteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de in het zevende milieuactieprogramma opgenomen specifieke doelstellingen voor milieu en gezondheid, in het bijzonder:

i)

ondersteunende activiteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (2) (REACH) en Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (3) (biocidenverordening) met het oog op een veiliger, duurzamer of zuiniger gebruik van chemicaliën (inclusief nanomaterialen);

ii)

ondersteunende activiteiten om de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) (geluidsemissierichtlijn) te vergemakkelijken, teneinde geluidsniveaus te bewerkstelligen die geen aanzienlijke schadelijke gevolgen en risico's met zich meebrengen voor de menselijke gezondheid;

iii)

ondersteunende activiteiten ter voorkoming van zware ongevallen, en met name ter vergemakkelijking van de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad (5) (Seveso III-richtlijn).

e)

Thematische prioriteiten voor luchtkwaliteit en emissies, met inbegrip van het stedelijk milieu: ondersteunende activiteiten voor de tenuitvoerlegging van de specifieke doelstellingen voor lucht en emissies, vastgelegd in de Routekaart voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa en het zevende milieuactieprogramma, in het bijzonder:

i)

geïntegreerde benaderingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van wetgeving inzake luchtkwaliteit;

ii)

ondersteunende activiteiten om de naleving van de normen van de Unie inzake luchtkwaliteit en hiermee samenhangende emissies in de lucht te vergemakkelijken, met inbegrip van Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) (richtlijn inzake nationale emissieplafonds);

iii)

ondersteunende activiteiten met betrekking tot de betere tenuitvoerlegging van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) (richtlijn inzake industriële emissies) met bijzondere aandacht voor de verbetering van de procedure ter definitie van de beste beschikbare technieken, waarbij eenvoudige openbare toegang tot informatie wordt gewaarborgd en de bijdrage van de richtlijn inzake industriële emissies aan innovatie wordt vergroot.

B.

Prioritair gebied Natuur en biodiversiteit

a)

Thematische prioriteiten voor natuur: activiteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG, in het bijzonder:

i)

activiteiten die erop zijn gericht de staat van instandhouding van habitats en soorten te verbeteren, met inbegrip van mariene habitats en soorten en vogelsoorten die voor de Unie van belang zijn;

ii)

activiteiten ter ondersteuning van de bio-geografische seminars in het kader van het Natura 2000-netwerk;

iii)

geïntegreerde benaderingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van prioritaire actiekaders.

b)

Thematische prioriteiten voor biodiversiteit: activiteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de biodiversiteitsstrategie van de Unie tot 2020, in het bijzonder:

i)

activiteiten die erop zijn gericht bij te dragen tot de verwezenlijking van streefdoel 2;

ii)

activiteiten die erop zijn gericht bij te dragen tot de verwezenlijking van de streefdoelen 3, 4 en 5.

C.

Prioritair gebied Milieubeleid en -bestuur en -informatie

a)

informatie-, communicatie- en bewustmakingscampagnes in overeenstemming met de prioriteiten van het zevende milieuactieprogramma;

b)

activiteiten ter ondersteuning van doeltreffende controle evenals maatregelen ter bevordering van de naleving van milieuwetgeving van de Unie, en ter ondersteuning van informatiesystemen en informatiehulpmiddelen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving van de Unie.


(1)  Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's (PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27).

(2)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 27).

(3)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).

(5)  Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG (PB L 197 van 24 7.2012, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22).

(7)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).


Verklaring van de Commissie

Maximumbedrag dat aan een individueel geïntegreerd project kan worden toegekend

De Commissie hecht veel belang aan het waarborgen van een evenredige verdeling van middelen over de geïntegreerde projecten, zodat zoveel mogelijk geïntegreerde projecten kunnen worden gefinancierd en een evenwichtige verdeling van de geïntegreerde projecten over alle lidstaten kan worden gewaarborgd. In dit verband zal de Commissie bij de bespreking van het ontwerp-werkprogramma met de leden van het LIFE-comité een maximumbedrag voorstellen dat aan een individueel geïntegreerd project kan worden toegekend. Dit voorstel zal worden ingediend als onderdeel van de methode voor de selectie van de projecten die moet worden goedgekeurd als onderdeel van het meerjarig werkprogramma.

Status van de financiering van de biodiversiteit in de LGO's

De Commissie hecht veel belang aan de bescherming van het milieu en de biodiversiteit in de landen en gebieden overzee, zoals blijkt uit het voorstel voor een besluit betreffende de associatie van de LGO's, dat deze sectoren vermeldt als gebieden waarop de EU en de LGO's samenwerken, en de verschillende acties schetst die daarbij in aanmerking kunnen komen voor financiering door de Europese Unie.

De voorbereidende actie BEST is een succesvol initiatief gebleken dat de landen en gebieden overzee hebben verwelkomd en dat inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten tastbare resultaten heeft opgeleverd. Nu BEST op zijn einde loopt, staat de Commissie gunstig tegenover de mogelijkheid om daaraan een vervolg te geven via één van de nieuwe instrumenten, namelijk het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking.

Deze specifieke mogelijkheid voor de financiering van de biodiversiteit in de LGO's zal worden aangevuld met de mogelijkheden die worden geboden door artikel 6 van het LIFE-programma voor de periode 2014-2020.


Top