Help Print this page 

Document 32013R0139

Title and reference
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 139/2013 van de Commissie van 7 januari 2013 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Unie en de desbetreffende quarantainevoorschriften Voor de EER relevante tekst
  • In force
OJ L 47, 20.2.2013, p. 1–17 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 062 P. 318 - 334

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2013/139/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Text

20.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 47/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 139/2013 VAN DE COMMISSIE

van 7 januari 2013

tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Unie en de desbetreffende quarantainevoorschriften

(codificatie)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (1), en met name artikel 10, lid 3, tweede alinea, en lid 4, tweede alinea, onder b),

Gezien Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (2), en met name artikel 17, lid 2, onder b), en lid 3, en artikel 18, lid 1, eerste en vierde streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 318/2007 van de Commissie van 23 maart 2007 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)

Ingevolge de uitbraken van de Aziatische variant van hoogpathogene aviaire influenza in Zuidoost-Azië in 2004 heeft de Commissie verscheidene beschikkingen vastgesteld waarbij onder meer de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, uit getroffen derde landen wordt verboden.

(3)

Om een inventaris op te maken van de door de invoer van in gevangenschap levende vogels veroorzaakte risico’s heeft de Commissie de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 13 april 2005 verzocht een wetenschappelijk advies uit te brengen over de risico’s die worden veroorzaakt door de invoer van in het wild gevangen vogels en in gevangenschap gefokte vogels uit derde landen.

(4)

Ingevolge dat verzoek heeft het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de EFSA tijdens zijn vergadering van 26 en 27 oktober 2006 een wetenschappelijk advies uitgebracht over de risico’s voor de gezondheid en het welzijn van dieren in verband met de invoer van in het wild levende vogels, met uitzondering van pluimvee, in de Unie. In dat wetenschappelijk advies worden de mogelijke instrumenten en opties aangegeven die de eventueel vastgestelde risico’s voor de diergezondheid in verband met de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, kunnen beperken.

(5)

Een van de aanbevelingen van het wetenschappelijk advies van de EFSA heeft betrekking op de controles die worden uitgevoerd in de derde landen die vogels, met uitzondering van pluimvee, naar de Unie uitvoeren. Verbeteringen op de plaats van uitvoer zullen het meeste effect sorteren wat betreft de vermindering van de waarschijnlijkheid dat besmette dieren voor invoer in de Unie worden aangeboden. Daarom moeten de invoervoorschriften in deze verordening zodanig worden vastgesteld dat alleen invoer wordt toegestaan uit derde landen die dergelijke vogels naar de Unie mogen uitvoeren.

(6)

Een andere aanbeveling van de EFSA betreft de invoer van in het wild gevangen vogels. In het wetenschappelijk advies wordt het risico aangegeven dat wordt veroorzaakt door vogels die kunnen zijn besmet door de laterale verspreiding van de ziekte door andere in het wild levende besmette vogels uit het verontreinigde milieu of door het overbrengen van de ziekte door besmet pluimvee. Rekening houdend met de rol die in het wild levende trekvogels bij de verspreiding van aviaire influenza uit Azië naar Europa in 2005 en 2006 hebben gespeeld, is het dienstig om de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, te beperken tot in gevangenschap gefokte vogels.

(7)

Het is zelden mogelijk met zekerheid een onderscheid te maken tussen in het wild gevangen vogels en in gevangenschap gefokte vogels. Er kunnen voor beide soorten vogels merkmethoden worden toegepast zonder dat het mogelijk is om beide van elkaar te onderscheiden. Het is daarom dienstig de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, te beperken tot vermeerderingsbedrijven die door de bevoegde autoriteit van het derde land van uitvoer zijn erkend, en om bepaalde minimumvoorschriften voor een dergelijke erkenning vast te stellen.

(8)

De ingevoerde vogels moeten onmiddellijk naar een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation worden gebracht, waar zij moeten blijven tot een infectie met virussen van aviaire influenza of de ziekte van Newcastle is uitgesloten.

(9)

Indien in een erkende quarantainevoorziening of in een eenheid van een erkend quarantainestation aviaire influenza of de ziekte van Newcastle wordt vermoed, is het — om elke andere oorzaak van ziektesymptomen uit te sluiten — raadzaam te wachten tot het vermoeden is bevestigd alvorens te beginnen de vogels in de betrokken voorzieningen te doden en te vernietigen.

(10)

Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (5) is vastgesteld om rekening te houden met de ervaring die met de bestrijding van aviaire influenza is opgedaan. Op grond van die richtlijn is Beschikking 2006/437/EG van de Commissie van 4 augustus 2006 tot goedkeuring van een diagnosehandboek voor aviaire influenza overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG van de Raad (6) („het diagnosehandboek”) goedgekeurd met het oog op de vaststelling op Unieniveau van diagnoseprocedures, bemonsteringsmethoden en criteria voor de evaluatie van laboratoriumtests ter bevestiging van een uitbraak van aviaire influenza. Er moet rekening met die beschikking worden gehouden wat betreft de testregelingen voor aviaire influenza in erkende quarantainevoorzieningen en -stations.

(11)

Het is dienstig dat verdere invoerprocedures worden vastgesteld voor het overbrengen van de vogels van de grensinspectiepost naar de erkende quarantainevoorzieningen en -stations bij binnenkomst in de Unie om ervoor te zorgen dat de ingevoerde vogels binnen redelijke tijd aankomen in de aangewezen erkende quarantainevoorziening of het aangewezen erkende quarantainestation.

(12)

Erkende quarantainevoorzieningen en -stations waarvan de lidstaten de lijst moeten publiceren, dienen te voldoen aan een aantal minimumvoorwaarden.

(13)

Voor de invoer van bepaalde vogels geldt andere wetgeving van de Unie. Daarom moeten deze van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(14)

Het risico voor de diergezondheid van wedstrijdduiven die de Unie worden binnengebracht om er opnieuw te worden losgelaten zodat zij kunnen terugvliegen naar hun plaats van herkomst, is van dien aard dat zij van het toepassingsgebied van deze verordening moeten worden uitgesloten.

(15)

Bovendien hebben bepaalde derde landen veterinairrechtelijke voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die van de wetgeving van de Unie. Daarom moet de invoer van vogels uit die landen van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(16)

Er moet ook worden voorzien in bepaalde afwijkingen voor vogels die in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation besmet blijken te zijn met laagpathogene aviaire influenza of de ziekte van Newcastle, wanneer die ziekten geen risico vormen voor de diergezondheidsstatus van de Unie.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Unie uit de derde landen en delen daarvan, als bedoeld in bijlage I, en de quarantainevoorschriften voor deze invoer vastgesteld.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op vogels.

Zij is echter niet van toepassing op:

a)

pluimvee;

b)

vogels ingevoerd voor instandhoudingprogramma’s die door de bevoegde autoriteit in de lidstaat van bestemming zijn goedgekeurd;

c)

gezelschapsdieren, als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van Richtlijn 92/65/EEG, die hun eigenaar vergezellen;

d)

vogels bestemd voor dierentuinen, circussen, pretparken of proeven;

e)

vogels bestemd voor instellingen, instituten of centra die zijn erkend overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 92/65/EEG;

f)

wedstrijdduiven die op het grondgebied van de Unie worden binnengebracht vanuit een aangrenzend derde land waar zij normaliter verblijven en die onmiddellijk daarna worden losgelaten in de verwachting dat zij naar dat derde land zullen terugvliegen;

g)

vogels ingevoerd uit Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Vaticaanstad en Zwitserland.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de in Richtlijn 2005/94/EG vastgestelde definities van toepassing, met uitzondering van de definitie van pluimvee in artikel 2, punt 4, van die richtlijn. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „pluimvee” verstaan: kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten, patrijzen en loopvogels (Ratitae), die in gevangenschap worden opgefokt of gehouden voor de fokkerij, voor de productie van vlees of van consumptie-eieren of om in het wild te worden uitgezet.

Voorts wordt verstaan onder:

a)   „vogels”: dieren van andere vogelsoorten dan die bedoeld in artikel 2, tweede alinea;

b)   „erkend vermeerderingsbedrijf”:

i)

een bedrijf dat uitsluitend wordt gebruikt voor het vermeerderen van vogels, en

ii)

dat door de bevoegde autoriteit van het exporterende derde land is geïnspecteerd en erkend wat de naleving van de in artikel 4 en bijlage II bedoelde voorschriften betreft;

c)   „in gevangenschap gefokte vogels”: vogels die niet in het wild zijn gevangen maar die in gevangenschap zijn geboren en gefokt uit ouderdieren die in gevangenschap hebben gepaard of waarvan op een andere wijze gameten zijn overgedragen;

d)   „naadloze, gesloten pootring”: een ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid, waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt en die commercieel voor dat doel is vervaardigd;

e)   „erkende quarantainevoorziening”: een gebouw, met uitzondering van een quarantainestation:

f)   „erkend quarantainestation”: een gebouw:

g)   „verklikkervogels”: pluimvee dat als hulpmiddel voor diagnosedoeleinden in het kader van de quarantaine wordt gebruikt;

h)   „diagnosehandboek”: het diagnosehandboek voor aviaire influenza dat is opgenomen in de bijlage bij Beschikking 2006/437/EG.

Artikel 4

Erkende vermeerderingsbedrijven

Erkende vermeerderingsbedrijven moeten aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

het vermeerderingsbedrijf moet door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de voorschriften van bijlage II zijn erkend en van haar een erkenningsnummer hebben gekregen;

b)

dat erkenningsnummer moet door die autoriteit aan de Commissie zijn meegedeeld;

c)

de naam en het erkenningsnummer van het vermeerderingsbedrijf moeten voorkomen op een door de Commissie opgestelde lijst van vermeerderingsbedrijven;

d)

de erkenning van het vermeerderingsbedrijf moet door de bevoegde autoriteit onmiddellijk worden ingetrokken of opgeschort, als het niet langer aan de voorschriften van bijlage II voldoet, en de Commissie moet daarvan onmiddellijk in kennis worden gesteld.

Artikel 5

Invoervoorschriften

De invoer van vogels wordt slechts toegestaan wanneer de vogels aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de vogels zijn in gevangenschap gefokte vogels;

b)

de vogels moeten afkomstig zijn uit derde landen of delen daarvan, als bedoeld in bijlage I;

c)

de vogels zijn afkomstig van erkende vermeerderingsbedrijven die voldoen aan de voorschriften van artikel 4;

d)

de vogels werden 7 à 14 dagen vóór de verzending onderworpen aan een virusdetectietest in een laboratorium met negatieve resultaten voor virussen van aviaire influenza en de ziekte van Newcastle;

e)

de vogels zijn niet ingeënt tegen aviaire influenza;

f)

de vogels gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig het model van bijlage III (hierna „het diergezondheidscertificaat” genoemd);

g)

de vogels worden met een individueel identificatienummer geïdentificeerd door middel van een naadloze, gesloten pootring of een microchip met een uniek nummer overeenkomstig artikel 66, lid 2, van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie (7);

h)

het onder g) bedoelde individuele identificatienummer op pootringen of microchips moet ten minste het volgende bevatten:

de ISO-code van het exporterende derde land dat de identificatie verricht;

een uniek serienummer;

i)

het onder g) bedoelde individuele identificatienummer moet op het diergezondheidscertificaat worden vermeld;

j)

de vogels worden vervoerd in nieuwe containers die aan de buitenkant individueel zijn geïdentificeerd met een identificatienummer dat overeenstemt met het op het diergezondheidscertificaat vermelde identificatienummer.

Artikel 6

Erkende quarantainevoorzieningen en -stations

Erkende quarantainevoorzieningen en -stations moeten voldoen aan de minimumvoorschriften van bijlage IV.

Elke lidstaat stelt een lijst van erkende quarantainevoorzieningen en -stations met hun erkenningsnummer op, houdt deze lijst bij en stelt haar ter beschikking van de Commissie, de andere lidstaten en het publiek.

Artikel 7

Direct vervoer van de vogels naar erkende quarantainevoorzieningen of -stations

De vogels worden in kooien of kratten direct van de grensinspectiepost naar een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation vervoerd.

De totale reistijd van die post naar die quarantainevoorziening of dat quarantainestation mag normaliter niet meer bedragen dan negen uur.

Wanneer voor deze reis voertuigen worden gebruikt, worden deze door de bevoegde autoriteit met een onvervalsbaar zegel verzegeld.

Artikel 8

Verklaring

De importeurs of hun vertegenwoordigers verstrekken een schriftelijke verklaring in een officiële taal van de lidstaat van binnenkomst, die is ondertekend door de voor de quarantainevoorziening of het quarantainestation verantwoordelijke persoon, waarin wordt verklaard dat de vogels daar in quarantaine zullen worden genomen.

Deze verklaring:

a)

vermeldt duidelijk de naam, het adres en het erkenningsnummer van de quarantainevoorziening of het quarantainestation;

b)

wordt per e-mail of per fax naar de grensinspectiepost gestuurd voordat de zending daar aankomt of wordt door de importeur of diens vertegenwoordiger overgelegd voordat de vogels de grensinspectiepost verlaten.

Artikel 9

Doorvoer van vogels in de Unie

Wanneer vogels in de Unie worden binnengebracht via een andere lidstaat dan de lidstaat van bestemming, worden alle maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de zending in het beoogde land van bestemming aankomt.

Artikel 10

Monitoring van het vervoer van de vogels

1.   Wanneer de wetgeving van de Unie voorziet in de monitoring van de vogels vanaf de grensinspectiepost tot de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation op de plaats van bestemming, wordt de volgende informatie uitgewisseld:

a)

de voor de grensinspectiepost verantwoordelijke officiële dierenarts stelt de voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation op de plaats van bestemming verantwoordelijke bevoegde autoriteit in kennis van de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming van de vogels via het Traces-netwerk;

b)

de voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation van bestemming verantwoordelijke persoon stelt binnen één werkdag na de datum van aankomst van de zending in de quarantainevoorziening of het quarantainestation de voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation op de plaats van bestemming verantwoordelijke officiële dierenarts per e-mail of fax in kennis van de aankomst van de zending op haar plaats van bestemming;

c)

de voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation op de plaats van bestemming van de zending verantwoordelijke officiële dierenarts stelt via het Traces-netwerk binnen drie werkdagen na de datum van aankomst van de zending in de quarantainevoorziening of het quarantainestation de voor de grensinspectiepost verantwoordelijke officiële dierenarts die hem in kennis heeft gesteld van de verzending van de zending, in kennis van de aankomst van de zending op haar plaats van bestemming.

2.   Als aan de bevoegde autoriteit die voor de grensinspectiepost verantwoordelijk is, wordt bevestigd dat de vogels die volgens de verklaring bestemd waren voor een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation niet binnen drie werkdagen na de geraamde datum van aankomst van de zending in de quarantainevoorziening of het quarantainestation zijn aangekomen, neemt de bevoegde autoriteit ten aanzien van de voor de zending verantwoordelijke persoon passende maatregelen.

Artikel 11

Quarantainebepalingen

1.   De vogels worden gedurende minstens 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation in quarantaine gehouden (hierna „de quarantaine” genoemd).

2.   Ten minste aan het begin en aan het einde van de quarantaine van elke zending inspecteert de officiële dierenarts de quarantaineomstandigheden, in het kader waarvan hij onder andere de gegevens met betrekking tot sterfgevallen bekijkt en een klinisch onderzoek verricht bij de vogels in de erkende quarantainevoorziening of in elke eenheid van het erkende quarantainestation.

De officiële dierenarts voert echter vaker inspecties uit, als de ziektesituatie dit vereist.

Artikel 12

Uit te voeren onderzoeken, bemonsteringen en tests in verband met een zending tijdens de quarantaine

1.   Na aankomst van de vogels in quarantaine worden de onderzoek-, bemonsterings- en testprocedures voor aviaire influenza en de ziekte van Newcastle, als vastgesteld in bijlage V, uitgevoerd.

2.   Wanneer verklikkervogels worden gebruikt, wordt gebruikgemaakt van minimaal tien verklikkervogels in de erkende quarantainevoorziening of in elke eenheid van het erkende quarantainestation.

3.   Voor onderzoek-, bemonsterings- en testprocedures gebruikte verklikkervogels:

a)

zijn ten minste drie weken oud en worden slechts één keer voor die doeleinden gebruikt;

b)

zijn van een identificatiering aan de poot of een ander niet-afneembaar identificatiemerk voorzien;

c)

zijn niet ingeënt en zijn binnen een periode van 14 dagen vóór het begin van de quarantaine seronegatief bevonden voor aviaire influenza en de ziekte van Newcastle;

d)

worden in de erkende quarantainevoorziening of in een eenheid van het erkende quarantainestation vóór de aankomst van de vogels in de gemeenschappelijke luchtruimte zo dicht mogelijk bij de vogels ondergebracht zodat wordt gezorgd voor een nauw contact tussen de verklikkervogels en de uitwerpselen van de vogels in quarantaine.

Artikel 13

Maatregelen ingeval het vermoeden bestaat dat in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation een ziekte heerst

1.   Indien tijdens de quarantaine in een erkende quarantainevoorziening het vermoeden bestaat dat een of meer vogels en/of verklikkervogels met aviaire influenza of de ziekte van Newcastle zijn besmet, worden de volgende maatregelen genomen:

a)

de bevoegde autoriteit plaatst de erkende quarantainevoorziening onder officieel toezicht;

b)

er worden van die vogels en verklikkervogels monsters voor virologisch onderzoek, als bedoeld in punt 2 van bijlage V, genomen en die monsters worden dienovereenkomstig geanalyseerd;

c)

er mogen geen vogels de erkende quarantainevoorziening binnenkomen of verlaten totdat het vermoeden is weerlegd.

2.   Indien het in lid 1 bedoelde vermoeden van aviaire influenza of de ziekte van Newcastle in de betrokken erkende quarantainevoorziening is bevestigd, worden de volgende maatregelen genomen:

a)

alle vogels en verklikkervogels in de erkende quarantainevoorziening worden gedood en vernietigd;

b)

de erkende quarantainevoorziening wordt gereinigd en ontsmet;

c)

er worden geen vogels in de erkende quarantainevoorziening binnengebracht tot 21 dagen na de definitieve reiniging en ontsmetting.

3.   Indien tijdens de quarantaine in een erkend quarantainestation het vermoeden bestaat dat een of meer vogels en/of verklikkervogels in een eenheid van het quarantainestation met aviaire influenza of de ziekte van Newcastle zijn besmet, worden de volgende maatregelen genomen:

a)

de bevoegde autoriteit plaatst het erkende quarantainestation onder officieel toezicht;

b)

er worden van die vogels en verklikkervogels monsters voor virologisch onderzoek, als bedoeld in punt 2 van bijlage V, genomen en die monsters worden dienovereenkomstig geanalyseerd;

c)

er mogen geen vogels het erkende quarantainestation binnenkomen of verlaten totdat het vermoeden is weerlegd.

4.   Indien het in lid 3 bedoelde vermoeden van aviaire influenza of de ziekte van Newcastle in de betrokken eenheid van het erkende quarantainestation is bevestigd, worden de volgende maatregelen genomen:

a)

alle vogels en verklikkervogels in de betrokken eenheid van het erkende quarantainestation worden gedood en vernietigd;

b)

de betrokken eenheid wordt gereinigd en ontsmet;

c)

de volgende monsters worden genomen:

i)

wanneer verklikkervogels worden gebruikt, moeten op zijn vroegst 21 dagen na de definitieve reiniging en ontsmetting van de betrokken eenheid van de verklikkervogels in de andere quarantaine-eenheden monsters voor serologisch onderzoek, als bedoeld in bijlage V, worden genomen, of

ii)

wanneer geen verklikkervogels worden gebruikt, moeten tijdens de periode van 7 tot 15 dagen na de definitieve reiniging en ontsmetting van de vogels in de andere quarantaine-eenheden monsters voor virologisch onderzoek, als bedoeld in punt 2 van bijlage V, worden genomen;

d)

er mogen geen vogels het erkende quarantainestation verlaten totdat uit de onderzoeken van de onder c) bedoelde monsters een negatief resultaat blijkt.

5.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen.

Artikel 14

Afwijkingen ingeval de onderzoeken naar laagpathogene aviaire influenza en de ziekte van Newcastle in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation positieve resultaten opleveren

1.   Wanneer tijdens de quarantaine een of meer vogels en/of verklikkervogels besmet blijken te zijn met laagpathogene aviaire influenza (LPAI) of de ziekte van Newcastle, mag de bevoegde autoriteit op grond van een risicobeoordeling afwijkingen van de in artikel 13, lid 2, onder a), en lid 4, onder a), bedoelde maatregelen toestaan, mits deze afwijkingen de bestrijding van de ziekte niet in gevaar brengen (hierna „afwijkingen” genoemd).

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van dergelijke afwijkingen.

2.   Wanneer een officiële dierenarts een inspectie uitvoert in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation waarvoor een afwijking is toegestaan, en een of meer vogels en/of verklikkervogels besmet blijken te zijn met LPAI of de ziekte van Newcastle, worden de in de leden 3 tot en met 7 vastgestelde maatregelen uitgevoerd.

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van dergelijke maatregelen.

3.   Ingeval de onderzoeken positieve resultaten in verband met LPAI opleveren, moeten in plaats van de standaardmonsters, als bedoeld in het diagnosehandboek, 21 dagen na de datum van het laatste positieve LPAI-resultaat in de erkende quarantainevoorziening of uit elke eenheid van het erkende quarantainestation en met tussenpozen van 21 dagen de volgende monsters voor laboratoriumtests worden genomen:

a)

monsters van alle dode verklikkervogels of andere vogels die ten tijde van de bemonstering aanwezig zijn;

b)

trachea-/orofarynxswabs en cloacaswabs van ten minste 60 vogels of van alle vogels wanneer er minder dan 60 aanwezig zijn in de erkende quarantainevoorziening of de betrokken eenheid van het erkende quarantainestation, of, als het gaat om kleine, exotische vogels die niet gewend zijn om vastgepakt te worden of om vogels waarvan het vastpakken gevaar voor mensen zou opleveren, verse fecesmonsters; de bemonstering en de laboratoriumtests van deze monsters moeten worden voortgezet totdat twee achtereenvolgende negatieve laboratoriumresultaten met een tussenpoos van ten minste 21 dagen worden verkregen.

De bevoegde autoriteit kan echter op basis van de uitkomst van een risicobeoordeling afwijkingen van de in dit lid bedoelde monstergrootte toestaan.

4.   Ingeval de onderzoeken positieve resultaten in verband met de ziekte van Newcastle opleveren, kan de bevoegde autoriteit alleen een afwijking toestaan als in de 30 dagen na de dood of het klinisch herstel van het laatste geval van die ziekte een bemonstering overeenkomstig de punten 1 en 2 van bijlage V, waarbij geen rekening is gehouden met de daarin vermelde termijn, met negatieve resultaten is uitgevoerd.

5.   De vogels mogen pas uit quarantaine worden vrijgegeven, als de in lid 3 bedoelde periode voor de laboratoriumtests is verstreken.

6.   De erkende quarantainevoorziening of de betrokken eenheid van het erkende quarantainestation wordt gereinigd en ontsmet nadat zij is leeggemaakt. Alle mogelijk besmet materiaal en afval, alsook al het afval dat tijdens de in lid 3 bedoelde periode voor de laboratoriumtests is geproduceerd, wordt op zodanige wijze verwijderd dat ervoor wordt gezorgd dat de pathogeen niet wordt verspreid en op zodanige wijze wordt vernietigd dat het aanwezige virus van LPAI of de ziekte van Newcastle met zekerheid geïnactiveerd is.

7.   De erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation mag niet herbevolkt worden gedurende een termijn van 21 dagen na de datum waarop de definitieve reiniging en ontsmetting overeenkomstig lid 6 voltooid zijn.

Artikel 15

Maatregelen wanneer chlamydiose vermoed wordt

Indien tijdens de quarantaine in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation bij papegaaiachtigen besmetting met Chlamydophila psittaci wordt vermoed of vastgesteld, worden alle vogels van de zending behandeld met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde methode en wordt de quarantaine verlengd met ten minste twee maanden, te rekenen vanaf het laatst vastgestelde geval.

Artikel 16

Vrijgave uit quarantaine

De vogels worden alleen met schriftelijke toestemming van een officiële dierenarts vrijgegeven uit quarantaine in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation.

Artikel 17

Kennisgevings- en verslagleggingsvoorschriften

1.   De lidstaten delen de Commissie binnen 24 uur elk geval van aviaire influenza of de ziekte van Newcastle mee, dat in een erkende quarantainevoorziening of een erkend quarantainestation is ontdekt.

2.   De lidstaten delen de Commissie jaarlijks de volgende gegevens mee:

a)

het aantal via erkende quarantainevoorzieningen of -stations ingevoerde vogels naar soort en naar erkend vermeerderingsbedrijf van oorsprong;

b)

gegevens over het sterftecijfer voor ingevoerde vogels, vanaf de veterinaire certificeringsprocedure in het land van oorsprong tot het einde van de quarantaineperiode;

c)

het aantal positieve gevallen van aviaire influenza, ziekte van Newcastle en Chlamydophila psittaci in erkende quarantainevoorzieningen of -stations.

Artikel 18

Kosten in verband met de quarantaine

Alle uit de toepassing van deze verordening voortvloeiende quarantainekosten zijn voor rekening van de importeur.

Artikel 19

Intrekking

Verordening (EG) nr. 318/2007 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VII.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 januari 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56.

(2)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.

(3)  PB L 84 van 24.3.2007, blz. 7.

(4)  Zie bijlage VI.

(5)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(6)  PB L 237 van 31.8.2006, blz. 1.

(7)  PB L 166 van 19.6.2006, blz. 1.


BIJLAGE I

Lijst van derde landen waaruit de invoer van in gevangenschap gefokte vogels is toegestaan

1.

Derde landen of delen daarvan, als opgenomen in de kolommen 1 en 3 van de tabel in deel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 van de Commissie (1), waarbij kolom 4 van die tabel voorziet in een model van veterinair certificaat voor fok- of gebruikspluimvee met uitzondering van loopvogels (BPP);

2.

Argentinië;

3.

Filipijnen: National Capital Region.


(1)  PB L 226 van 23.8.2008, blz. 1.


BIJLAGE II

Voorschriften voor de erkenning van vermeerderingsbedrijven in de derde landen van oorsprong, als bedoeld in artikel 4

HOOFDSTUK 1

Erkenning van vermeerderingsbedrijven

Om erkend te worden overeenkomstig artikel 4 moet een vermeerderingsbedrijf aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorschriften voldoen.

1.

Het vermeerderingsbedrijf moet duidelijk afgebakend en van de omgeving gescheiden zijn of de dieren moeten opgesloten zitten of zo gehuisvest zijn dat er geen enkel gezondheidsrisico is voor dierbedrijven waarvan de gezondheidsstatus in het gedrang zou kunnen komen.

2.

Het moet beschikken over de nodige voorzieningen om dieren te vangen, op te sluiten en te isoleren, alsmede over passende erkende quarantainevoorzieningen en erkende procedures voor dieren die afkomstig zijn uit niet-erkende bedrijven.

3.

De voor het vermeerderingsbedrijf verantwoordelijke persoon moet beschikken over de nodige ervaring met het fokken van vogels.

4.

Het vermeerderingsbedrijf moet vrij zijn van aviaire influenza, ziekte van Newcastle en Chlamydophila psittaci; om het bedrijf vrij van deze ziekten te kunnen verklaren, beoordeelt de bevoegde autoriteit de met betrekking tot de diergezondheidsstatus geregistreerde gegevens over ten minste de drie aan de datum van de aanvraag om erkenning voorafgaande jaren en de resultaten van de klinische onderzoeken en de laboratoriumtests die zijn verricht bij de dieren in het bedrijf. Nieuwe vermeerderingsbedrijven worden echter alleen erkend op grond van de resultaten van de klinische onderzoeken en de laboratoriumtests die zijn verricht bij de dieren in deze bedrijven.

5.

Het bedrijf moet gegevens bewaren over:

a)

het aantal en de identiteit (leeftijd, geslacht, soort en individueel identificatienummer voor zover dat mogelijk is) van alle dieren in het vermeerderingsbedrijf, per soort;

b)

het aantal en de identiteit (leeftijd, geslacht, soort en individueel identificatienummer voor zover dat mogelijk is) van de dieren die in het vermeerderingsbedrijf worden binnengebracht of die het bedrijf verlaten, tezamen met informatie over herkomst en bestemming, het vervoer van en naar het vermeerderingsbedrijf en de gezondheidsstatus van de dieren;

c)

de resultaten van bloedtests of andere diagnostische procedures;

d)

ziektegevallen en, in voorkomend geval, de toegepaste behandeling;

e)

de resultaten van de secties die zijn verricht bij dieren die in het vermeerderingsbedrijf zijn gestorven, met inbegrip van doodgeboren dieren;

f)

tijdens de isolatie- of de quarantaineperiode gedane observaties.

6.

Het vermeerderingsbedrijf moet een overeenkomst hebben met een bevoegd laboratorium voor het verrichten van de secties, dan wel beschikken over één of meer daarvoor geschikte gebouwen waar deze secties kunnen worden uitgevoerd door een bevoegd persoon onder de verantwoordelijkheid van de erkende dierenarts.

7.

Het vermeerderingsbedrijf moet de nodige afspraken hebben gemaakt of ter plaatse over de nodige voorzieningen beschikken voor het verwijderen van de karkassen van dieren die zijn gestorven als gevolg van een ziekte of die zijn geëuthanaseerd.

8.

Het vermeerderingsbedrijf moet ervoor zorgen dat, op grond van een contract of een ander rechtsgeldig instrument, een beroep kan worden gedaan op de diensten van een dierenarts die is erkend en wordt gecontroleerd door de bevoegde autoriteit van het exporterende derde land en die:

a)

erop toeziet dat, met inachtneming van de diergezondheidssituatie in het betrokken land, adequate maatregelen inzake surveillance en bestrijding van ziekten worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit en worden toegepast in het vermeerderingsbedrijf. Deze maatregelen omvatten:

i)

een jaarlijks ziektesurveillanceplan, in het kader waarvan de dieren onder meer op adequate wijze worden gecontroleerd op zoönosen,

ii)

klinisch onderzoek, laboratoriumtests en secties bij dieren waarvan vermoed wordt dat ze met een overdraagbare ziekte zijn besmet,

iii)

indien nodig, inenting van gevoelige dieren tegen besmettelijke ziekten overeenkomstig het Manual for diagnostic tests and vaccines for Terrestrial Animals (handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren) van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE);

b)

erop toeziet dat elk verdacht overlijden of elke aanwezigheid van enig ander symptoom waaruit zou kunnen blijken dat dieren met aviaire influenza, de ziekte van Newcastle of Chlamydophila psittaci zijn besmet, onverwijld bij de bevoegde autoriteit van het derde land wordt gemeld;

c)

erop toeziet dat de dieren die in het vermeerderingsbedrijf worden binnengebracht, zo nodig worden geïsoleerd overeenkomstig de voorschriften van deze verordening en de eventueel door de bevoegde autoriteit gegeven instructies;

d)

verantwoordelijk is voor de dagelijkse naleving van de veterinairrechtelijke voorschriften van deze verordening en de wetgeving van de Unie inzake het welzijn van dieren tijdens het vervoer.

9.

Als in het vermeerderingsbedrijf dieren worden gefokt die zijn bestemd voor laboratoria die proeven verrichten, moet de algemene verzorging en de huisvesting van deze dieren voldoen aan de voorschriften van artikel 33 van Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad (1).

HOOFDSTUK 2

Behoud van de erkenning van de vermeerderingsbedrijven

De vermeerderingsbedrijven blijven slechts erkend als zij aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoen.

1.

Het bedrijf staat onder de controle van een officiële dierenarts van de bevoegde autoriteit, die:

a)

erop toeziet dat de voorschriften van deze verordening worden nageleefd;

b)

de gebouwen van het vermeerderingsbedrijf ten minste één keer per jaar bezoekt;

c)

de activiteit van de erkende dierenarts en de uitvoering van het jaarlijkse ziektesurveillanceplan controleert;

d)

nagaat of uit de resultaten van het klinisch onderzoek, de sectie en de laboratoriumtests die bij de dieren zijn verricht, geen besmetting met aviaire influenza, de ziekte van Newcastle of Chlamydophila psittaci is gebleken.

2.

Slechts dieren die afkomstig zijn van een ander erkend vermeerderingsbedrijf worden in het vermeerderingsbedrijf binnengebracht, overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.

3.

Het vermeerderingsbedrijf bewaart de in punt 5 van hoofdstuk 1 vermelde gegevens gedurende een periode van ten minste tien jaar na de datum van erkenning.

HOOFDSTUK 3

Quarantaine van vogels die worden binnengebracht uit andere bronnen dan erkende vermeerderingsbedrijven

In afwijking van punt 2 van hoofdstuk 2 mogen uit andere bronnen dan erkende vermeerderingsbedrijven binnengebrachte vogels in een vermeerderingsbedrijf worden binnengebracht nadat door de bevoegde autoriteit toestemming daartoe is verleend, mits deze dieren overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit in quarantaine worden geplaatst voordat zij aan het bestaande dierenbestand worden toegevoegd. De quarantaineperiode moet ten minste 30 dagen bedragen.

HOOFDSTUK 4

Opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van een vermeerderingsbedrijf

De procedures voor de opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van een vermeerderingsbedrijf moeten voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.

1.

Wanneer de bevoegde autoriteit vindt dat een vermeerderingsbedrijf niet meer voldoet aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 2 of wanneer er een verandering in het gebruik heeft plaatsgevonden waardoor het bedrijf niet meer uitsluitend voor het fokken van vogels wordt gebruikt, schort zij de erkenning van dat bedrijf op of trekt zij de erkenning in.

2.

Wanneer de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van de vermoedelijke besmetting met aviaire influenza, de ziekte van Newcastle of Chlamydophila psittaci, schort zij de erkenning van het vermeerderingsbedrijf op totdat het vermoeden officieel is weerlegd. Zij ziet erop toe dat de nodige maatregelen worden genomen om het vermoeden te bevestigen of te weerleggen en om verspreiding van de ziekte tegen te gaan, overeenkomstig de voorschriften van de wetgeving van de Unie inzake de maatregelen die moeten worden genomen tegen de desbetreffende ziekte en inzake het handelsverkeer in dieren.

3.

Wanneer de vermoede ziekte wordt bevestigd, mag de bevoegde autoriteit het vermeerderingsbedrijf alleen opnieuw overeenkomstig hoofdstuk 1 erkennen na:

a)

de uitroeiing van de ziekte en de bron van besmetting in het vermeerderingsbedrijf;

b)

de passende reiniging en ontsmetting van het vermeerderingsbedrijf;

c)

de naleving van de voorschriften van hoofdstuk 1, met uitzondering van punt 4.

4.

De bevoegde autoriteit stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van de opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van een vermeerderingsbedrijf.


(1)  PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33.


BIJLAGE III

Diergezondheidscertificaat als bedoeld in punt f) van artikel 5 voor de invoer van bepaalde vogels, met uitzondering van pluimvee, bestemd voor verzending naar de Unie

Image

Image

Image


BIJLAGE IV

Minimumvoorschriften voor erkende quarantainevoorzieningen en -stations voor vogels als bedoeld in artikel 6

Erkende quarantainevoorzieningen en -stations moeten voldoen aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 2.

HOOFDSTUK 1

Bouw en uitrusting van quarantainevoorzieningen of -stations

1.

De quarantainevoorziening of het quarantainestation moet bestaan uit een of meer afzonderlijke gebouwen, die gescheiden van andere pluimveebedrijven en andere vogelbedrijven zijn opgetrokken op een afstand die door de bevoegde autoriteit is vastgesteld op grond van een risicobeoordeling die rekening houdt met de epidemiologie van aviaire influenza en de ziekte van Newcastle. De toegangsdeuren moeten afsluitbaar zijn en zijn voorzien van borden met de tekst: „QUARANTAINE — Geen toegang voor onbevoegden”.

2.

De lucht mag niet van de ene quarantaine-eenheid van het quarantainestation naar de andere kunnen stromen.

3.

De quarantainevoorziening of het quarantainestation moet vrij zijn van vogels, vliegen en ongedierte en moet luchtdicht kunnen worden afgesloten om te kunnen worden gefumigeerd.

4.

De erkende quarantainevoorziening en elke eenheid van een erkend quarantainestation moet beschikken over voorzieningen voor het wassen van de handen.

5.

Alle toegangsdeuren van de erkende quarantainevoorziening en elke eenheid van een erkend quarantainestation moeten van het sluistype zijn.

6.

Alle in- en uitgangen van de erkende quarantainevoorziening en de verschillende eenheden van een erkend quarantainestation moeten uitgerust zijn met een hygiënebarrière.

7.

Alle installaties moeten zodanig zijn gebouwd dat ze kunnen worden gereinigd en ontsmet.

8.

De voorraadruimte voor het voeder moet vrij zijn van vogels en knaagdieren, en tegen insecten zijn beschermd.

9.

Er moet een afvalcontainer aanwezig zijn die moet kunnen worden afgesloten voor vogels en knaagdieren.

10.

Er moet een koel- en/of vriesinrichting aanwezig zijn voor het opslaan van dode dieren.

HOOFDSTUK 2

Beheersvoorschriften

1.

Erkende quarantainevoorzieningen en -stations moeten:

a)

beschikken over een efficiënt controlesysteem om op passende wijze toezicht te houden op de dieren;

b)

onder toezicht en gezag van de officiële dierenarts staan;

c)

worden gereinigd en ontsmet volgens een programma dat door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd; na de reiniging en ontsmetting dient een passende periode van leegstand in acht te worden genomen; de gebruikte ontsmettingsmiddelen moeten door de bevoegde autoriteit daartoe goedgekeurd zijn.

2.

Voor elke zending in quarantaine geplaatste vogels gelden de volgende voorschriften:

a)

de erkende quarantainevoorziening of de eenheid van een erkend quarantainestation moet worden gereinigd en ontsmet en daarna vrij van vogels worden gehouden gedurende ten minste zeven dagen voordat de ingevoerde vogels er worden binnengebracht;

b)

de zending vogels moet afkomstig zijn van een enkel erkend vermeerderingsbedrijf in het derde land van oorsprong en over een periode van niet meer dan 48 uur worden binnengebracht;

c)

de quarantaineperiode moet ingaan wanneer de laatste vogel wordt binnengebracht;

d)

de erkende quarantainevoorziening of de eenheid van een erkend quarantainestation moet aan het einde van de quarantaineperiode worden leeggemaakt, gereinigd en ontsmet.

3.

Er worden voorzorgsmaatregelen genomen om kruisverontreiniging van inkomende en buitengaande zendingen te voorkomen.

4.

Onbevoegden hebben geen toegang tot de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation.

5.

Alle personen die de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation betreden, moeten beschermende kleding, inclusief beschermend schoeisel, dragen.

6.

Er mogen geen contacten tussen personen plaatsvinden waardoor verontreiniging tussen erkende quarantainevoorzieningen of eenheden van erkende quarantainestations kan worden veroorzaakt.

7.

Er moet adequaat reinigings- en ontsmettingsmateriaal voorhanden zijn.

8.

Indien identificatie met behulp van een microchip wordt toegepast, moet in de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation een passend leestoestel voor microchips aanwezig zijn.

9.

De voor het vervoer gebruikte kooien en kratten moeten in de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation worden gereinigd en ontsmet, tenzij zij worden vernietigd. Voor hergebruik bestemde kooien en kratten moeten vervaardigd zijn van materiaal dat effectief kan worden gereinigd en ontsmet. De kooien en kratten moeten zodanig worden vernietigd dat ziekteverwekkers zich niet kunnen verspreiden.

10.

Afval wordt regelmatig verzameld, opgeslagen in de afvalcontainer en vervolgens zodanig behandeld dat ziekteverwekkers zich niet kunnen verspreiden.

11.

Vogelkadavers moeten worden onderzocht in een officieel, door de bevoegde autoriteit aangewezen laboratorium.

12.

De nodige analysen en behandelingen van vogels moeten worden uitgevoerd in overleg met en onder toezicht van de officiële dierenarts.

13.

De officiële dierenarts moet ervan in kennis gesteld worden wanneer vogels en/of verklikkervogels tijdens de quarantaine door een ziekte worden getroffen of sterven.

14.

De voor de erkende quarantainevoorziening of het erkende quarantainestation verantwoordelijke persoon moet de volgende gegevens bewaren:

a)

voor elke zending: de datum van aankomst en vertrek van de vogels, het aantal en de soort;

b)

een kopie van de gezondheidscertificaten en de gemeenschappelijke veterinaire documenten van binnenkomst die de ingevoerde vogels vergezellen;

c)

de individuele identificatienummers van de ingevoerde vogels en, in geval van identificatie met behulp van een microchip, gegevens over het type microchip en de gebruikte lezer;

d)

als in de quarantainevoorziening of het quarantainestation verklikkervogels worden gebruikt, het aantal en de plaats van de verklikkervogels in de quarantainevoorziening of het quarantainestation;

e)

relevante informatie: zoals gevallen van ziekte en sterftecijfers op dagbasis;

f)

data en resultaten van de tests;

g)

data waarop behandelingen hebben plaatsgevonden en type behandeling;

h)

personen die de quarantainevoorziening of het quarantainestation betreden of verlaten.

15.

De in punt 14 bedoelde gegevens moeten gedurende ten minste tien jaar worden bewaard.

HOOFDSTUK 3

Opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van quarantainevoorzieningen en quarantainestations

De procedures voor de gedeeltelijke of volledige opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van quarantainevoorzieningen en quarantainestations moeten voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.

1.

Wanneer de bevoegde autoriteit vindt dat een quarantainevoorziening of een quarantainestation niet meer voldoet aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 2 of wanneer er een verandering in het gebruik heeft plaatsgevonden waardoor artikel 3, onder e) en f), niet meer van toepassing is, stelt zij de Commissie daarvan in kennis. Deze quarantainevoorzieningen of quarantainestations mogen als gevolg daarvan niet meer voor invoer overeenkomstig deze verordening worden gebruikt.

2.

Aan een quarantainevoorziening of een quarantainestation wordt slechts een nieuwe erkenning verleend als aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 2 wordt voldaan.


BIJLAGE V

Onderzoek-, bemonsterings- en testprocedures voor aviaire influenza en de ziekte van Newcastle

1.

Tijdens de quarantaine moeten hetzij de verklikkervogels, hetzij, wanneer geen verklikkervogels worden gebruikt, de ingevoerde vogels aan de volgende procedures worden onderworpen:

a)

met gebruik van verklikkervogels:

i)

bij alle verklikkervogels worden bloedmonsters voor serologisch onderzoek genomen niet minder dan 21 dagen nadat zij in quarantaine zijn geplaatst en ten minste drie dagen vóór het einde van de quarantaine;

ii)

wanneer het serologisch onderzoek van de onder i) bedoelde monsters van de verklikkervogels een positief resultaat oplevert of geen uitsluitsel geeft, moet bij de ingevoerde vogels een virologisch onderzoek worden verricht; er moeten cloacaswabs (of feces) en trachea-/orofarynxswabs worden genomen van ten minste 60 vogels of van alle vogels, wanneer de zending uit minder dan 60 vogels bestaat;

b)

zonder gebruik van verklikkervogels moeten de ingevoerde vogels virologisch worden onderzocht (aangezien serologische tests niet geschikt zijn). Er moeten tijdens de eerste 7 à 15 dagen van de quarantaine trachea-/orofarynxswabs en/of cloacaswabs (of feces) worden genomen van ten minste 60 vogels of van alle vogels, wanneer de zending uit minder dan 60 vogels bestaat.

2.

Naast de in punt 1 bedoelde tests moeten de volgende monsters voor virologisch onderzoek worden genomen:

a)

cloacaswabs (of feces) en trachea-/orofarynxswabs, indien mogelijk, bij klinisch zieke vogels of zieke verklikkervogels;

b)

monsters van de maag- en darminhoud, de hersenen, de luchtpijp, de longen, de lever, de milt, de nieren en andere duidelijk aangetaste organen, zo snel mogelijk na de dood van, hetzij:

i)

dode verklikkervogels en alle vogels die dood zijn bij aankomst of tijdens de quarantaine sterven, hetzij

ii)

bij hoge sterfte van kleine vogels van grote zendingen, ten minste 10 % van de dode vogels.

3.

Alle virologische en serologische tests op tijdens de quarantaine genomen monsters moeten in door de bevoegde autoriteit aangewezen officiële laboratoria worden uitgevoerd volgens diagnoseprocedures overeenkomstig het diagnosehandboek voor aviaire influenza en het Manual for diagnostic tests and vaccines for Terrestrial Animals (handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren) van de OIE voor de ziekte van Newcastle. Voor virologisch onderzoek mogen verzamelmonsters worden gevormd uit monsters van maximaal vijf dieren. Feces mogen niet tezamen met andere orgaan- en weefselmonsters in één verzamelmonster worden opgenomen.

4.

Virusisolaten moeten worden bezorgd aan het nationale referentielaboratorium.


BIJLAGE VI

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 318/2007 van de Commissie

(PB L 84 van 24.3.2007, blz. 7)

Verordening (EG) nr. 1278/2007 van de Commissie

(PB L 284 van 30.10.2007, blz. 20)

Verordening (EG) nr. 86/2008 van de Commissie

(PB L 27 van 31.1.2008, blz. 8)

Verordening (EG) nr. 311/2008 van de Commissie

(PB L 93 van 4.4.2008, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 607/2008 van de Commissie

(PB L 166 van 27.6.2008, blz. 18)

Verordening (EG) nr. 754/2008 van de Commissie

(PB L 205 van 1.8.2008, blz. 6)

Verordening (EG) nr. 1219/2008 van de Commissie

(PB L 330 van 9.12.2008, blz. 4)

Verordening (EG) nr. 1294/2008 van de Commissie

(PB L 340 van 19.12.2008, blz. 41)

Verordening (EG) nr. 201/2009 van de Commissie

(PB L 71 van 17.3.2009, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 555/2009 van de Commissie

(PB L 164 van 26.6.2009, blz. 37)

Verordening (EG) nr. 1118/2009 van de Commissie

(PB L 307 van 21.11.2009, blz. 3)

Verordening (EU) nr. 239/2010 van de Commissie

(PB L 75 van 23.3.2010, blz. 18)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 66/2012 van de Commissie

(PB L 23 van 26.1.2012, blz. 1)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2012 van de Commissie

(PB L 121 van 8.5.2012, blz. 18)


BIJLAGE VII

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 318/2007

De onderhavige verordening

Artikelen 1 en 2

Artikelen 1 en 2

Artikel 3, eerste alinea

Artikel 3, eerste alinea

Artikel 3, tweede alinea, onder a) t/m h)

Artikel 3, tweede alinea, onder a) t/m h)

Artikel 3, tweede alinea, onder i)

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5, aanhef

Artikel 5, aanhef

Artikel 5, onder a)

Artikel 5, onder a)

Artikel 5, onder b)

Artikel 5, onder b)

Artikel 5, onder b bis)

Artikel 5, onder c)

Artikel 5, onder c)

Artikel 5, onder d)

Artikel 5, onder d)

Artikel 5, onder e)

Artikel 5, onder e)

Artikel 5, onder f)

Artikel 5, onder f)

Artikel 5, onder g)

Artikel 5, onder g)

Artikel 5, onder h)

Artikel 5, onder h)

Artikel 5, onder i)

Artikel 5, onder i)

Artikel 5, onder j)

Artikelen 6 t/m 18

Artikelen 6 t/m 18

Artikel 19

Artikel 19

Artikel 20, eerste alinea

Artikel 20

Artikel 20, tweede alinea

Bijlagen I t/m IV

Bijlagen I t/m IV

Bijlage VI

Bijlage V

Bijlage VI

Bijlage VII


Top