Help Print this page 

Document 32013H0179

Title and reference
2013/179/EU: Aanbeveling van de Commissie van 9 april 2013 over het gebruik van gemeenschappelijke methoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus Voor de EER relevante tekst
  • In force
OJ L 124, 4.5.2013, p. 1–210 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2013/179/oj
Multilingual display
Text

4.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 124/1


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 9 april 2013

over het gebruik van gemeenschappelijke methoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/179/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 191 en 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Betrouwbare en correcte beoordeling van en informatie over de milieuprestatie van producten en organisaties is essentieel voor de besluitvorming op milieugebied van een breed scala van actoren.

(2)

De huidige wildgroei aan methoden en initiatieven om de milieuprestatie te beoordelen en bekend te maken, leidt tot verwarring en wantrouwen tegenover milieuprestatie-informatie. Ze kan ook tot extra kosten voor bedrijven leiden, wanneer overheidsinstanties, zakenpartners, particuliere initiatieven en investeerders hen vragen verschillende methoden te gebruiken om de milieuprestaties van producten of organisaties te meten. Zulke kosten verminderen de mogelijkheden voor de grensoverschrijdende handel in groene producten. Het gevaar bestaat dat deze knelpunten op de markt voor groene producten verder zullen verergeren (1).

(3)

In de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Geïntegreerd productbeleid – Voortbouwen op een milieugericht levenscyclusconcept" (2) wordt erkend hoe belangrijk het is de milieueffecten van een product gedurende de gehele levenscyclus ervan op geïntegreerde wijze aan te pakken.

(4)

In de conclusies van de Raad van 20 december 2010"Duurzaam materiaalbeheer en duurzame productie en consumptie" (3) is de Commissie verzocht om, teneinde de beoordeling en etikettering van producten te ondersteunen, een gemeenschappelijke methodiek te ontwikkelen om de milieueffecten van producten gedurende hun gehele levenscyclus kwantitatief te beoordelen.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s "Naar een Single Market Act voor een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen – 50 voorstellen om beter samen te werken, te ondernemen en zaken te doen" (4), is voorgesteld om na te gaan hoe een gemeenschappelijke Europese werkwijze kan worden ontwikkeld om het milieueffect van producten, met inbegrip van koolstofemissies, te evalueren en aan te geven. De behoefte aan een dergelijk initiatief is herhaald in de twee follow-upwetgevingspakketten voor de eengemaakte markt (5).

(6)

In de mededeling "Een nieuwe Europese consumentenagenda – Vertrouwen en groei stimuleren" wordt benadrukt dat consumenten het recht hebben te weten welke milieueffecten de producten die zij willen kopen, gedurende hun levenscyclus hebben en dat het hen gemakkelijk moet worden gemaakt te herkennen welke keuze echt duurzaam is. Volgens de mededeling zal de Commissie geharmoniseerde methoden ontwikkelen om de milieuprestaties gedurende de levenscyclus van producten en bedrijven te beoordelen als basis voor het verstrekken van betrouwbare informatie aan de consument.

(7)

In de mededeling "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel – Actualisering van de mededeling over het industriebeleid" (6) werd vermeld dat de Commissie bestudeert hoe groene producten en diensten het best in de interne markt kunnen worden geïntegreerd, met inbegrip van milieuvoetafdrukken.

(8)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (7) verbindt de Europese Commissie zich ertoe een gemeenschappelijke methode vast te stellen volgens welke de lidstaten en de privésector de milieuprestaties van producten, diensten en bedrijven kunnen beoordelen, weergeven en benchmarken, op basis van een uitgebreide beoordeling van de milieueffecten tijdens de volledige levensloop ("ecologische voetafdruk").

(9)

In hetzelfde document worden de lidstaten opgeroepen stimulansen te gebruiken die de overgrote meerderheid van bedrijven aanmoedigen om hun hulpbronnenefficiëntie systematisch te meten, te vergelijken en te verbeteren.

(10)

Om in deze beleidsbehoeften te voorzien, heeft de Commissie op basis van bestaande, algemeen erkende werkwijzen methoden ontwikkeld voor de milieuvoetafdruk van producten (Product Environmental Footprint – PEF) en organisaties (Organisation Environmental Footprint – OEF). In de mededeling "Bouwen aan de eengemaakte markt voor groene producten" is een kader vastgesteld om deze methoden verder te ontwikkelen en met de medewerking van tal van belanghebbenden (waaronder het bedrijfsleven, en met name het mkb) verder te verfijnen aan de hand van tests. Door middel van de tests zullen ook mogelijke oplossingen voor praktische uitdagingen zoals de toegang tot en de kwaliteit van levenscyclusgegevens of kosteneffectieve verificatiemethoden worden verkend.

(11)

De uiteindelijke doelstelling van het initiatief is het opheffen van de versnippering van de eengemaakte markt als gevolg van de verschillende beschikbare methoden ter beoordeling van de milieuprestatie. De Commissie is van oordeel dat voor verplichte toepassing verdere ontwikkelingen nodig zijn om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Zoals met elke nieuwe methode kunnen aanloopkosten worden verwacht en daarom raadt de Commissie bedrijven die overwegen de methode op vrijwillige basis toe te passen aan eerst zorgvuldig te beoordelen welk effect dit op hun concurrentievermogen zal hebben en wordt ook lidstaten die de methodologie gebruiken aangeraden de kosten en baten voor het mkb te beoordelen.

(12)

Overeenkomstig de eisen van de milieuvoetafdrukmethoden is de Commissie bezig met de ontwikkeling van op specifieke sectoren en productcategorieën toegesneden benaderingen die rekening houden met de specifieke kenmerken van complexe producten, variabele toeleveringsketens en dynamische markten.

(13)

Door zowel lidstaten, particuliere bedrijven en verenigingen, beheerders van regelingen voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie als de financiële wereld aan te raden de milieuvoetafdrukmethoden te gebruiken, zal de huidige wildgroei aan methoden en keuren naar verwachting afnemen, hetgeen zowel aanbieders als gebruikers van milieuprestatie-informatie ten goede komt. Ter verduidelijking is in bijlage I bij deze aanbeveling een lijst van mogelijke toepassingsgebieden opgenomen.

(14)

De Commissie merkt op dat daar waar in dit initiatief de nadruk op milieueffecten ligt, in een wereldwijde context ook andere prestatie-indicatoren, zoals economische en sociale effecten alsook bezorgdheid in verband met arbeidsomstandigheden, een steeds belangrijker rol spelen en er hiertussen ook afruil bestaat. De Commissie zal deze ontwikkelingen en andere internationale methodologieën (zoals het "Global Reporting Initiative/Sustainability Reporting Guidance") van nabij volgen.

(15)

De meeste mkb's beschikken niet over de deskundigheid en de middelen om in te gaan op de vraag naar informatie over de milieuprestatie gedurende de levenscyclus. Daarom moeten mkb's bijstand krijgen van de lidstaten en van brancheorganisaties.

(16)

Aansluitend op de proefperiode worden op het niveau van de Europese Unie en de lidstaten ondersteunende instrumenten (zoals kwaliteitscriteria voor databanken van levenscyclusbeoordelingen, systemen voor gegevensbeheer, wetenschappelijke arbitrage, nalevings- en verificatiesystemen, coördinerende autoriteiten) ontwikkeld om bij te dragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen. De Commissie is zich bewust van de wereldmarkt en zal internationale organisaties op de hoogte houden van dit vrijwillige initiatief.

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.   DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED

1.1.

In deze aanbeveling wordt een lans gebroken voor het gebruik van de milieuvoetafdrukmethoden in relevante beleidsmaatregelen en regelingen die betrekking hebben op het meten of bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus.

1.2.

Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten en tot particuliere en openbare organisaties die de milieuprestatie van hun producten, diensten of organisatie gedurende de levenscyclus meten of bekendmaken aan belanghebbenden uit de particuliere en openbare sector en de civiele samenleving, of die voornemens zijn dat te doen.

1.3.

Deze aanbeveling is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van verplichte EU-wetgeving die in een specifieke methodologie voor de berekening van de milieuprestatie van producten tijdens hun levenscyclus voorziet.

2.   DEFINITIES

In deze aanbeveling wordt verstaan onder:

(a)   De milieuvoetafdrukmethode voor producten (hierna: "PEF": algemene methode voor het meten en bekendmaken van het potentiële milieueffect van een product gedurende zijn levenscyclus, zoals vastgesteld in bijlage II.

(b)   De milieuvoetafdrukmethode voor organisaties (hierna: "OEF"): algemene methode voor het meten en bekendmaken van het potentiële milieueffect van een organisatie gedurende haar levenscyclus, zoals vastgesteld in bijlage III.

(c)   De milieuvoetafdruk van een product: resultaat van een PEF-onderzoek op basis van de PEF-methode.

(d)   De milieuvoetafdruk van een organisatie: resultaat van een OEF-onderzoek op basis van de OEF-methode.

(e)   Milieuprestatie gedurende de levenscyclus: gekwantificeerde meting van de mogelijke milieuprestatie, rekening houdend met alle relevante fasen in de levenscyclus van een product of organisatie, vanuit het perspectief van de toeleveringsketen.

(f)   Bekendmaking van de milieuprestatie gedurende de levenscyclus: elke openbaarmaking van informatie over de milieuprestatie gedurende de levenscyclus, onder meer aan zakenpartners, investeerders, overheidsinstanties of consumenten.

(g)   Organisatie: een bedrijf, vennootschap, firma, onderneming, autoriteit of instelling, dan wel een deel of een combinatie daarvan, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, privaat- of publiekrechtelijk, met een eigen functie- en administratiestructuur;

(h)   Regeling: initiatief met of zonder winstoogmerk dat wordt genomen door particuliere bedrijven of een vereniging daarvan, door een publiek-privaat partnerschap of door niet-gouvernementele organisaties en dat het meten of bekendmaken van de milieuprestatie gedurende de levenscyclus voorschrijft;

(i)   Branchevereniging: organisatie die op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau particuliere ondernemingen die lid zijn van de organisatie of particuliere ondernemingen die tot een sector behoren, vertegenwoordigt;

(j)   Financiële wereld: alle actoren die financiële diensten verlenen (met inbegrip van financieel advies), waaronder banken, investeerders en verzekeringsmaatschappijen;

(k)   Levenscyclusgegeven: levenscyclusinformatie over een bepaald product, een bepaalde organisatie of een andere zaak. Hieronder vallen zowel beschrijvende metagegevens en kwantitatieve levenscyclusinventarisatiegegevens als levenscycluseffectbeoordelinggegevens;

(l)   Levenscyclusinventarisatiegegevens: gekwantificeerde inputs en outputs voor een product of organisatie gedurende de levenscyclus ervan, hetzij specifieke (rechtstreeks gemeten of vergaarde) of generieke (niet rechtstreeks gemeten of vergaarde, gemiddelde) gegevens.

3.   GEBRUIK VAN DE PEF- EN OEF-METHODEN IN BELEIDSMAATREGELEN VAN DE LIDSTATEN

De lidstaten zouden moeten:

3.1.

de PEF-methode of de OEF-methode gebruiken voor vrijwillige beleidsmaatregelen die betrekking hebben op het meten of bekendmaken van de milieuprestatie van producten of organisaties gedurende de levenscyclus en tegelijk zorgen dat zulke beleidsmaatregelen geen hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen op de eengemaakte markt opwerpen.

3.2.

informatie over de milieuprestatie gedurende de levenscyclus of claims op basis van het gebruik van de PEF-methode of de OEF-methode als geldig beschouwen in het kader van nationale regelingen die betrekking hebben op het meten of bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende de levenscyclus.

3.3.

inspanningen doen om de beschikbaarheid van hoogwaardige levenscyclusgegevens te verhogen door maatregelen te nemen om nationale databanken aan te leggen, bij te werken en beschikbaar te stellen en bij te dragen aan het invoeren van gegevens in bestaande openbare databanken, op basis van de in de PEF- en OEF-methoden vastgestelde gegevenskwaliteitsvoorschriften.

3.4.

mkb's bijstand verlenen en instrumenten verschaffen om hen te helpen de milieuprestatie van hun producten of organisatie gedurende de levenscyclus te verbeteren op basis van de PEF- of de OEF-methode.

3.5.

het gebruik van de OEF-methode voor het meten of bekendmaken van de milieuprestatie van overheidsorganisaties gedurende de levenscyclus aanmoedigen.

4.   GEBRUIK VAN DE PEF- EN OEF-METHODEN DOOR BEDRIJVEN EN ANDERE PARTICULIERE ORGANISATIES

Bedrijven en andere particuliere organisaties die besluiten de milieuprestatie van hun producten of organisatie gedurende de levenscyclus te meten en bekend te maken, zouden moeten:

4.1.

de PEF-methode en de OEF-methode gebruiken voor het meten of bekendmaken van de milieuprestatie van hun producten of organisatie gedurende de levenscyclus.

4.2.

bijdragen aan het bijwerken van openbare databanken en deze voorzien van hoogwaardige levenscyclusgegevens die minstens gelijkwaardig zijn aan die welke volgens de PEF- of OEF-methoden vereist zijn.

4.3.

overwegen mkb's te helpen om in hun toeleveringsketen informatie te verstrekken op basis van de PEF en OEF en om de milieuprestatie van hun organisaties en producten gedurende de levenscyclus te verbeteren.

Brancheverenigingen zouden moeten:

4.4.

het gebruik van de PEF- en de OEF-methode onder hun leden bevorderen.

4.5.

bijdragen aan het bijwerken van openbare databanken en deze voorzien van hoogwaardige levenscyclusgegevens die minstens gelijkwaardig zijn aan die welke volgens de PEF- of OEF-methoden vereist zijn.

4.6.

vereenvoudigde instrumenten en deskundigheid verschaffen om mkb-leden te helpen de milieuprestatie van hun producten of organisatie gedurende de levenscyclus te berekenen op basis van de PEF- of de OEF-methode.

5.   GEBRUIK VAN DE PEF- EN OEF-METHODEN IN HET KADER VAN REGELINGEN MET BETREKKING TOT HET METEN OF BEKENDMAKEN VAN DE MILIEUPRESTATIE GEDURENDE DE LEVENSCYCLUS

Regelingen met betrekking tot het meten of bekendmaken van de milieuprestatie gedurende de levenscyclus, zouden moeten:

5.1.

de PEF-methode en de OEF-methode gebruiken als referentiemethode voor het meten of bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende de levenscyclus.

6.   GEBRUIK VAN DE PEF- EN OEF-METHODEN DOOR DE FINANCIËLE WERELD

De leden van de financiële wereld zouden in voorkomende gevallen moeten:

6.1.

het gebruik bevorderen van op basis van de PEF- of de OEF-methode berekende gegevens over de milieuprestatie voor de beoordeling van het financiële risico met betrekking tot de milieuprestatie gedurende de levenscyclus.

6.2.

het gebruik bevorderen van gegevens op basis van OEF-onderzoeken in hun beoordeling van de prestatieniveaus voor de milieucomponent van duurzaamheidsindexen.

7.   VERIFICATIE

7.1.

Indien PEF- en OEF-onderzoeken voor bekendmaking worden gebruikt, moeten deze onderzoeken worden geverifieerd volgens de voorschriften van de PEF- en OEF-methoden.

7.2.

De verificatie moet op de volgende leidende beginselen zijn gestoeld:

(a)

een hoge mate van geloofwaardigheid van de metingen en bekendmakingen;

(b)

een evenredige verhouding tussen de kosten en baten van de verificatie en het beoogde gebruik van de PEF- en OEF-resultaten;

(c)

verifieerbaarheid van de levenscyclusgegevens en traceerbaarheid van producten en organisaties.

8.   VERSLAGLEGGING OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DE AANBEVELING

8.1.

De lidstaten worden verzocht de Commissie jaarlijks in kennis te stellen van de maatregelen die zij in het licht van deze aanbeveling hebben genomen. De eerste informatie moet een jaar na de vaststelling van deze aanbeveling worden verstrekt. De verstrekte informatie moet betrekking hebben op:

(a)

de wijze waarop de PEF- en de OEF-methode in een beleidsinitiatief of beleidsinitiatieven worden gebruikt;

(b)

het aantal producten en organisaties dat onder het initiatief valt;

(c)

stimulansen met betrekking tot de milieuprestatie gedurende de levenscyclus;

(d)

initiatieven met betrekking tot de ontwikkeling van hoogwaardige levenscyclusgegevens;

(e)

de bijstand die aan mkb's wordt verleend om informatie over de milieuprestatie gedurende de levenscyclus te verstrekken en om hun milieuprestatie gedurende de levenscyclus te verbeteren;

(f)

eventuele problemen of knelpunten die zijn geconstateerd bij het gebruik van de methoden.

Gedaan te Brussel, 9 april 2013.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  Effectbeoordeling bij de mededeling van de Commissie "Bouwen aan de eengemaakte markt voor groene producten: Bevordering van betere en geloofwaardige informatie over de milieuprestatie van producten en organisaties (SWD(2013) 111 definitief).

(2)  COM(2003) 302 definitief.

(3)  3 061e zitting van de Raad (Milieu), Brussel, 20 december 2010.

(4)  COM(2010) 608 definitief/2.

(5)  COM(2011) 206 "Akte voor de interne markt - Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen. "Samen werk maken van een nieuwe groei" en COM(2012) 573 final "Akte voor de interne markt II – Samen voor nieuwe groei".

(6)  COM(2012) 582 final.

(7)  COM(2011) 571 definitief.


BIJLAGE I

MOGELIJKE TOEPASSINGSGEBIEDEN VAN DE PEF- EN OEF-METHODEN EN -RESULTATEN

Mogelijke toepassingsgebieden voor de PEF-methode en PEF-resultaten:

optimalisering van processen gedurende de levenscyclus van een product;

steun voor een productontwerp dat de milieueffecten gedurende de levenscyclus tot een minimum beperkt;

bekendmaking op producten van hun milieuprestatie gedurende de levenscyclus (bijvoorbeeld door bij het product gevoegde documentatie, websites en apps) door individuele bedrijven of via vrijwillige regelingen;

regelingen met betrekking tot milieuclaims, die met name een toereikende mate van robuustheid en volledigheid van deze claims waarborgen;

reputatieregelingen die zichtbaarheid geven aan producten waarvan de milieuprestatie gedurende de levenscyclus wordt berekend;

het aanwijzen van significante milieueffecten met het oog op het vaststellen van criteria voor milieukeuren;

het geven van stimulansen op basis van de milieuprestatie gedurende de levenscyslus.

Mogelijke toepassingsgebieden voor de OEF-methode en OEF-resultaten:

optimalisering van processen in de gehele toeleveringsketen van het productassortiment van een organisatie;

bekendmaking van de milieuprestatie gedurende de levenscyclus aan betrokken partijen (bijvoorbeeld door middel van jaarverslagen, in verslaglegging inzake duurzaamheid, als antwoord op vragenlijsten van investeerders of belanghebbenden);

reputatieregelingen die zichtbaarheid geven aan organisaties waarvan de milieuprestatie gedurende de levenscyclus wordt berekend, of aan organisaties die hun milieuprestatie gedurende de levenscyclus mettertijd (van jaar tot jaar bijvoorbeeld) verbeteren;

regelingen voor verslaglegging over de milieuprestatie gedurende de levenscyclus;

als instrument om informatie over de milieuprestatie gedurende de levenscyclus te verstrekken en de doelstellingen in het kader van een milieubeheersysteem te verwezenlijken;

het geven van stimulansen op basis van de verbetering van de milieuprestatie gedurende de levenscyclus zoals berekend volgens de OEF-methode.


BIJLAGE II

GIDS VOOR DE MILIEUVOETAFDRUK VAN PRODUCTEN (PEF)

SAMENVATTING

Achtergrond

Doelstellingen en doelgroepen

Processen en resultaten

Samenhang tussen deze gids en de gids voor de milieuvoetafdruk van organisaties

Terminologie: moeten, zou moeten en mogen

1.

ALGEMENE OVERWEGINGEN VOOR STUDIES VAN DE MILIEUVOETAFDRUK VAN PRODUCTEN (PEF-ONDERZOEKEN)

1.1

Benadering en toepassingen

1.2

Aanwijzingen voor het gebruik van deze gids

1.3

Uitgangspunten voor PEF-onderzoeken

1.4

Fasen van een PEF-onderzoek

2.

ROL VAN REGELS VOOR DE MILIEUVOETAFDRUK VAN EEN PRODUCTCATEGORIE (PEFCR’S)

2.1

Algemeen

2.2

Rol van PEFCR’s en samenhang met bestaande productcategorieregels (PCR’s)

2.3

PEFCR-structuur gebaseerd op de classificatie van producten gekoppeld aan economische activiteiten in de EG (CPA)

3.

BEPALING VAN HET DOEL VAN HET PEF-ONDERZOEK

3.1

Algemeen

4.

BEPALING VAN DE REIKWIJDTE VAN HET PEF-ONDERZOEK

4.1

Algemeen

4.2

Eenheid van analyse en referentiestroom

4.3

Systeemgrenzen voor PEF-onderzoeken

4.4

Selectie van effectcategorieën en beoordelingsmethoden voor de milieuvoetafdruk

4.5

Selectie van in de PEF op te nemen aanvullende milieu-informatie

4.6

Aannames/beperkingen

5.

SAMENSTELLING EN VASTLEGGING VAN HET HULPBRONNENGEBRUIK EN EMISSIEPROFIEL

5.1

Algemeen

5.2

Screeningstap (aanbevolen)

5.3

Gegevensbeheerplan (facultatief)

5.4

Gegevens in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

5.4.1

Verwerving en voorbewerking van grondstoffen (wieg-tot-poort)

5.4.2

Kapitaalgoederen

5.4.3

Productie

5.4.4

Distributie en opslag van product

5.4.5

Gebruiksfase

5.4.6

Modellering van de logistiek voor het geanalyseerde product

5.4.7

Eindfase van de levenscyclus

5.4.8

Verantwoording van elektriciteitsverbruik (inclusief verbruik van hernieuwbare energie)

5.4.9

Aanvullende overwegingen voor het opstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

5.5

Nomenclatuur voor het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

5.6

Eisen inzake gegevenskwaliteit

5.7

Verzamelen van specifieke gegevens

5.8

Verzamelen van generieke gegevens

5.9

Omgaan met resterende gegevenshiaten/ontbrekende gegevens van eenheidsprocessen

5.10

Behandeling van multifunctionele processen

5.11

Gegevens verzamelen die betrekking hebben op de volgende methodologische fasen in een PEF-onderzoek

6.

MILIEUVOETAFDRUK-EFFECTBEOORDELING

6.1

Verplichte stappen: Classificatie en Karakterisering

6.1.1

Classificatie van de milieuvoetafdrukstromen van het product

6.1.2

Karakterisering van milieuvoetafdrukstromen

6.2

Facultatieve stappen: normalisatie en weging

6.2.1

Normalisatie van de resultaten van een milieuvoetafdruk-effectbeoordeling

6.2.2

Weging van de resultaten van een milieuvoetafdruk-effectbeoordeling

7.

INTERPRETATIE VAN DE MILIEUVOETAFDRUKRESULTATEN VAN EEN PRODUCT

7.1

Algemeen

7.2

Beoordeling van de deugdelijkheid van het model voor de milieuvoetafdruk van een product

7.3

Vaststellen van zwakke plekken

7.4

Inschatting van de onzekerheid

7.5

Conclusies, aanbevelingen en beperkingen

8.

RAPPORTEN OVER DE MILIEUVOETAFDRUK VAN EEN PRODUCT

8.1

Algemeen

8.2

Onderdelen van rapportage

8.2.1

Eerste onderdeel: samenvatting

8.2.2

Tweede onderdeel: hoofdrapport

8.2.3

Derde onderdeel: bijlage

8.2.4

Vierde onderdeel: vertrouwelijk rapport

9.

KRITISCHE EVALUATIE VAN DE MILIEUVOETAFDRUK VAN EEN PRODUCT

9.1

Algemeen

9.2

Soort evaluatie

9.3

Kwalificatie van beoordelaars

10.

ACRONIEMEN EN AFKORTINGEN

11.

VERKLARENDE WOORDENLIJST

12.

REFERENTIES ED

Annex I:

Overzicht van de belangrijkste verplichte eisen voor de milieuvoetafdruk van producten en eisen voor het ontwikkelen van regels voor de milieuvoetafdruk van productcategorieën

Bijlage II:

Gegevensbeheerplan (naar het initiatief inzake een broeikasgassenprotocol)

Bijlage III:

Checklist gegevensverzameling

Bijlage IV:

Het vaststellen van passende nomenclatuur en eigenschappen voor specifieke stromen

Bijlage V:

Het omgaan met multifunctionaliteit in geval van recycling

Bijlage VI:

Richtsnoeren voor de boekhouding van emissies als gevolg van voor klimaatverandering relevante directe veranderingen in landgebruik

Bijlage VII:

Voorbeeld van PEFCR’s voor intermediaire papierwaren – Eisen inzake gegevenskwaliteit

Bijlage VIII:

Vergelijkend overzicht van terminologie uit deze PEF-gids en ISO-terminologie

Bijlage IX:

Belangrijkste verschillen tussen deze PEF-gids en het ILCD-Handboek

Bijlage X:

Vergelijking van de belangrijkste eisen van de PEF-gids met andere methoden

SAMENVATTING

De milieuvoetafdruk van een product (PEF, Product Environmental Footprint) is een op meerdere criteria gebaseerde maat voor de milieuprestaties van een goed of dienst gedurende zijn levenscyclus. PEF-informatie wordt opgesteld voor het algemenere doel van beperking van de milieueffecten van goederen en diensten, rekening houdend met activiteiten in de toeleveringsketen (1) (van de winning van grondstoffen, de productie en het gebruik tot het uiteindelijke afvalstoffenbeheer). Deze PEF-gids verschaft een methode voor het modelleren van de milieueffecten van de materiaal- en energiestromen en de emissies en afvalstoffenstromen van producten tijdens hun levenscyclus.

Dit document bevat richtsnoeren voor de wijze van berekenen van een PEF, alsmede voor het ontwikkelen van methodologische eisen voor specifieke productcategorieën die moeten worden gebruikt in regels voor de milieuvoetafdruk van een productcategorie (PEFCR’s, Product Environmental Footprint Category Rules). PEF’s zijn een aanvulling op andere instrumenten die zijn gericht op specifieke locaties en drempels.

Achtergrond

Deze PEF-gids is opgesteld in het kader van een van de bouwstenen van het vlaggenschipinitiatief van de Europa 2020-strategie – "Efficiënt gebruik van hulpbronnen" (2). Het stappenplan van de Europese Commissie voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa (3) stelt manieren voor om de hulpbronnenproductiviteit te vergroten en economische groei los te koppelen van hulpbronnengebruik en milieueffecten, en het kiest daarbij voor een levenscyclusperspectief. Een van de doelstellingen van het plan is een gemeenschappelijke methode vast te stellen volgens dewelke lidstaten en de privésector de milieuprestaties van producten, diensten en bedrijven kunnen beoordelen, weergeven en benchmarken, op basis van een uitgebreide beoordeling van de milieueffecten tijdens de volledige levensloop (‘milieuvoetafdruk’). De Europese Raad heeft de Commissie uitgenodigd om ondersteunende methodologieën te ontwikkelen.

Daartoe is project Milieuvoetafdruk van producten en organisaties (Product and Organisation Environmental Footprint) opgezet, dat tot doel heeft een geharmoniseerde Europese methodologie voor milieuvoetafdrukonderzoek (EF-onderzoeken) te ontwikkelen die door middel van een levenscyclusbenadering een breder scala van relevante milieuprestatiecriteria kan bestrijken (4). Een levenscyclusbenadering is een benadering die rekening houdt met het spectrum van hulpbronnenstromen en milieu-interventies die verband houden met een product of organisatie, vanuit het perspectief van de toeleveringsketen. Zij bestrijkt alle fasen van de verwerving van grondstoffen en de verwerking, de distributie en het gebruik tot processen in de eindfase van de levenscyclus, alsook alle relevante gerelateerde milieueffecten, gezondheidseffecten, hulpbrongerelateerde bedreigingen en lasten voor de samenleving. Deze benadering is ook van essentieel belang om alle potentiële wisselwerkingen tussen de verschillende typen milieueffecten van specifieke beleids- en beheerbeslissingen aan het licht te brengen. Zij helpt dus onbedoelde lastenverschuivingen te voorkomen.

Doelstellingen en doelgroepen

Dit document heeft ten doel gedetailleerde en uitvoerige technische richtsnoeren te verstrekken voor de wijze waarop een PEF-onderzoek moet worden uitgevoerd. PEF-onderzoeken kunnen voor allerlei doeleinden worden gebruikt, zoals intern beheer en participatie in vrijwillige of verplichte programma’s. Het document is in de eerste plaats bestemd voor technisch deskundigen die een PEF-onderzoek moeten opstellen, zoals ingenieurs en milieubeheerders bij bedrijven en andere instellingen. Er is geen deskundigheid op het gebied van milieubeoordelingsmethoden vereist om deze gids te kunnen gebruiken bij het uitvoeren van een PEF-onderzoek.

Deze PEF-gids is niet bedoeld voor de directe onderbouwing van vergelijkingen of vergelijkende beweringen (dat wil zeggen, uitspraken over de algemene milieu-superioriteit of -gelijkwaardigheid van een product in vergelijking tot een ander product (naar ISO 14040:2006)). Voor zulke vergelijkingen moeten aanvullende PEFCR’s worden ontwikkeld die de hier gegeven algemenere richtsnoeren aanvullen om de methodologische harmonisatie, de specificiteit, de relevantie en de reproduceerbaarheid voor een gegeven producttype verder te vergroten. PEFCR’s zullen bovendien helpen om de aandacht te richten op de belangrijkste parameters, waardoor tijd, inspanningen en kosten voor het voltooien van een PEF-onderzoek kunnen worden bespaard. Dit document verschaft niet alleen algemene richtsnoeren en beschrijft uitputtend de eisen voor PEF-onderzoeken, maar specificeert ook de eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s.

Processen en resultaten

Bij het kiezen van elk van de in deze PEF-gids gespecificeerde eisen is rekening gehouden met de aanbevelingen van vergelijkbare, algemeen erkende milieuboekhoudmethoden en desbetreffende richtsnoeren. De methodologierichtsnoeren waarmee in het bijzonder rekening is gehouden, zijn: ISO-normen (5), (in het bijzonder: ISO 14044(2006), Ontwerp ISO/DIS 14067(2012); ISO 14044(2006), ontwerp van ISO/DIS 14067(2012), ISO 14025(2006) en ISO 14020(2000)), het handboek van het ILCD (International Reference Life Cycle Data System) (6), de Ecological Footprint Standards (7), het broeikasgassenprotocol (WRI/WBCSD) (8), de algemene beginselen voor milieumededelingen over massaproducten BPX 30-323-0 (ADEME) (9), en de specificatie voor de beoordeling van de broeikasgasemissies gedurende de levensduur van goederen en diensten (PAS 2050, 2011) (10)..

De uitkomst van deze analyse wordt samengevat in Bijlage X. Een gedetailleerdere beschrijving is te vinden in "Analysis of Existing Environmental Footprint Methodologies for Products and Organizations: Recommendations, Rationale, and Alignment" (EC-JRC-IES 2011b) (11).. Hoewel bestaande methoden meerdere alternatieven voor een gegeven methodologisch beslispunt kunnen verschaffen, is het de bedoeling van deze PEF-gids om (voor zover haalbaar) voor elk beslispunt één enkele eis vast te stellen of aanvullende richtsnoeren te verstrekken die consistentere, deugdelijkere en beter reproduceerbare PEF-onderzoeken ondersteunen. Er wordt dus prioriteit gegeven aan vergelijkbaarheid boven flexibiliteit.

Zoals eerder genoemd, zijn PEFCR’s een noodzakelijke uitbreiding van en aanvulling op de algemenere leidraad voor PEF-onderzoeken die in dit document wordt verstrekt (namelijk wat betreft de vergelijkbaarheid tussen verschillende PEF-onderzoeken). Naarmate PEFCR’s worden ontwikkeld, zullen deze een belangrijke rol gaan spelen in het vergroten van de reproduceerbaarheid, kwaliteit, consistentie en relevantie van PEF-onderzoeken.

Samenhang tussen deze gids en de gids voor de milieuvoetafdruk van organisaties

Zowel de milieuvoetafdruk van een organisatie (OEF, Organisation Environmental Footprint) als de milieuvoetafdruk van een product (PEF, Product Environmental Footprint) verschaft een levenscyclusbenadering voor het kwantificeren van milieuprestaties. Terwijl de PEF-methode specifiek bestemd is voor afzonderlijke goederen of diensten, is de OEF-methode van toepassing op activiteiten van een organisatie als geheel – met andere woorden, op alle activiteiten die verband houden met de goederen en/of diensten die de organisatie verstrekt, vanuit het perspectief van de toeleveringsketen (van de winning van grondstoffen en het gebruik tot opties voor het eindafvalstoffenbeheer). Het berekenen van de milieuvoetafdruk van een organisatie en het berekenen van de milieuvoetafdruk van een product kunnen daarom worden gezien als elkaar aanvullende activiteiten, die elk worden ondernomen om specifieke toepassingen te ondersteunen.

Het is niet nodig om meerdere productanalyses uit te voeren om de OEF te berekenen. De OEF wordt in plaats daarvan berekend aan de hand van geaggregeerde gegevens over de hulpbronnenstromen en afvalstoffenstromen die de afgebakende organisatiegrens passeren. Wanneer de OEF eenmaal is berekend, kan deze met behulp van geschikte verdeelsleutels worden teruggebracht naar productniveau. In theorie zou de som van de PEF’s van de producten die in de loop van een bepaalde rapporteringsperiode (bijv. een jaar) door een organisatie worden geproduceerd, ongeveer gelijk moeten zijn aan de OEF van de organisatie voor dezelfde rapporteringsperiode (12). De methodologieën in deze PEF-gids zijn bewust met dit oogmerk ontwikkeld. De OEF kan bovendien gebieden van de productenportefeuille van de organisatie helpen identificeren waar de milieueffecten het grootst zijn en waarvoor dus gedetailleerde, individuele analyses op productniveau noodzakelijk kunnen zijn.

Terminologie: moeten, zou moeten en mogen

In deze PEF-gids wordt een precieze woordkeus gebruikt om de eisen, de aanbevelingen en de opties die bedrijven kunnen kiezen, aan te geven.

De term "moeten" wordt gebruikt om aan te geven wat vereist is, wil een PEF-onderzoek in overeenstemming zijn met deze gids.

De term "zou moeten" wordt gebruikt, wanneer er sprake is van een aanbeveling in plaats van een eis. Elke afwijking van een "zou moeten"-bepaling moet door de uitvoerder van de studie worden verantwoord en transparant worden gemaakt.

De term "mogen" wordt gebruikt, wanneer er sprake is van een optie die toegestaan is.

1.   ALGEMENE OVERWEGINGEN VOOR STUDIES VAN DE MILIEUVOETAFDRUK VAN PRODUCTEN (PEF-ONDERZOEKEN)

1.1   Benadering en toepassingen

De milieuvoetafdruk van een product (PEF, Product Environmental Footprint) is een op meerdere criteria gebaseerde maat voor de milieuprestaties van een goed of dienst gedurende zijn levenscyclus (13). PEF-informatie wordt opgesteld voor het algemenere doel van beperking van de milieueffecten van goederen en diensten.

Dit document bevat richtsnoeren voor de wijze van berekenen van een PEF, alsmede voor het ontwikkelen van methodologische productcategoriespecifieke eisen voor gebruik in regels voor de milieuvoetafdruk van een productcategorie (PEFCR’s). PEFCR’s zijn een noodzakelijke uitbreiding van en aanvulling op de algemene leidraad voor PEF-onderzoeken. PEFCR’s die worden ontwikkeld, zullen een belangrijke rol spelen in het vergroten van de reproduceerbaarheid, de consistentie en de relevantie van PEF-onderzoeken. PEFCR’s helpen de aandacht te richten op de belangrijkste parameters, waardoor ze mogelijk ook de tijd, inspanningen en kosten die komen kijken bij het uitvoeren van een PEF-onderzoek, kunnen beperken.

De PEF-gids is gebaseerd op een levenscyclusbenadering (14) en verschaft een methode voor het modelleren van de milieueffecten van de materiaal- en energiestromen en de resulterende emissies en afvalstoffenstromen (15) die verband houden met een product (16), vanuit het perspectief van de toeleveringsketen (17) (van de winning van grondstoffen (18) en het gebruik tot het eindafvalstoffenbeheer). Een levenscyclusbenadering is een benadering die rekening houdt met het spectrum van hulpbronnenstromen en milieu-interventies die verband houden met een product of organisatie, vanuit het perspectief van de toeleveringsketen. Zij bestrijkt alle fasen van de verwerving van grondstoffen en de verwerking, de distributie en het gebruik tot processen in de eindfase van de levenscyclus, alsook alle relevante gerelateerde milieueffecten, gezondheidseffecten, hulpbrongerelateerde bedreigingen en lasten voor de samenleving.

De gids is in de eerste plaats bestemd voor technisch deskundigen die een PEF-onderzoek moeten opstellen, zoals ingenieurs en milieubeheerders. Voor het gebruiken van deze gids om een PEF-onderzoek op te stellen is geen deskundigheid op het gebied van milieubeoordelingsmethoden vereist.

De PEF-methode is gebaseerd op de levenscyclusbenadering. De levenscyclusbenadering van milieubeheer, en levenscyclusdenken (Life-Cycle Thinking, LCI) in het algemeen, houdt — i.t.t. het zich uitsluiten richten op effecten op het niveau van een terrein of op enkelvoudige milieueffecten — rekening met alle relevante milieu-interacties die verband houden met een goed, dienst, activiteit of entiteit, vanuit het perspectief van de toeleveringsketen, om de kans op de onbedoelde verschuiving van lasten te verkleinen, zoals de verschuiving van de last van een milieueffect van een fase in de toeleveringsketen naar een andere fase, van een effectcategorie naar een andere effectcategorie, tussen effecten en hulpbronnenefficiëntie, en/of tussen landen.

Om een model te ontwikkelen dat een realistische weergave van deze fysieke stromen en effecten geeft, moeten modelparameters worden gedefinieerd, voor zover mogelijk, op basis van duidelijke fysieke begrippen en verbanden.

Bij het kiezen van elk van de in deze PEF-gids gespecificeerde eisen is rekening gehouden met de aanbevelingen van vergelijkbare, algemeen erkende milieuboekhoudmethoden voor producten en documenten met richtsnoeren. De methodologierichtsnoeren waarmee in het bijzonder rekening is gehouden, zijn:

ISO-normen (19), in het bijzonder: ISO 14044(2006), Ontwerp ISO/DIS 14067(2012); ISO 14025(2006), ISO 14020(2000);

het handboek van het ILCD (International Reference Life Cycle Data System) (20);

de Ecological Footprint Standards (21);

het broeikasgassenprotocol (22) (WRI/WBCSD);

de algemene beginselen voor milieumededelingen over massaproducten BPX 30-323-0 (ADEME) (23);

de specificatie voor de beoordeling van de broeikasgasemissies gedurende de levensduur van goederen en diensten (PAS 2050, 2011) (24).

Bijlage X geeft een overzicht van enkele belangrijke geselecteerde eisen die in deze PEF-gids worden geformuleerd, afgezet tegen de eisen/specificaties vervat in de bovengenoemde methodologische richtsnoeren. Een gedetailleerdere beschrijving van de geanalyseerde methoden en van de uitkomst van de analyse is te vinden in "Analysis of Existing Environmental Footprint Methodologies for Products and Organizations: Recommendations, Rationale, and Alignment" (25). Hoewel bestaande methoden meerdere alternatieven voor een gegeven methodologisch beslispunt kunnen verschaffen, is het de bedoeling van deze PEF-gids om (voor zover haalbaar) voor elk beslispunt één enkele eis vast te stellen of aanvullende richtsnoeren te verstrekken die consistentere, deugdelijkere en beter reproduceerbare PEF-onderzoeken ondersteunen.

De potentiële toepassingen van PEF-onderzoeken kunnen in groepen worden geplaatst, afhankelijk van hun interne of externe doelstellingen:

interne toepassingen kunnen de ondersteuning van milieubeheer, het vaststellen van ecologische zwakke plekken, en het verbeteren en volgen van milieuprestaties zijn, en kunnen impliciet kostenbesparende mogelijkheden bevatten;

externe toepassingen (bijvoorbeeld business-to-business (B2B) en business-to-consumers (B2C)) kunnen heel divers zijn en variëren van het reageren op vragen van klanten en consumenten tot marketing, benchmarking, milieu-etikettering, ondersteuning van ecologische ontwerpen in toeleveringsketens, groene inkoop en het reageren op de eisen van milieubeleid op Europees of nationaal niveau;

benchmarking kan bijvoorbeeld omvatten het omschrijven van een gemiddeld presterend product (gebaseerd op door belanghebbenden verstrekte gegevens of op generieke gegevens of benaderingen) gevolgd door het geven van een beoordelingscijfer aan andere producten naar gelang van hun prestaties ten opzichte van de benchmark.

Tabel 1 geeft een overzicht van de beoogde toepassingen van PEF-onderzoeken en de belangrijkste bijbehorende eisen voor het uitvoeren van PEF-onderzoeken volgens deze PEF-gids.

Tabel 1

Belangrijkste eisen voor PEF-onderzoeken, gerelateerd aan de beoogde toepassingen

Beoogde toepassingen

Omschrijving doel en reikwijdte

Screening

Voldoen aan eisen m.b.t. gegevenskwaliteit

Hiërarchie voor multifunctionaliteit

Keuze van methoden voor effectbeoordeling

Classificatie en karakterisering

Normalisatie

Aanpassingscoëfficiënt

Interpretatie van PEF-resultaten

Onderdelen van rapportage

Kritische evaluatie (1 persoon)

Panel voor kritische evaluatie (3 personen)

PEFCR vereist

Intern

(zou in overeenstem-ming zijn met de PEF-gids)

V

A

A

V

V

V

A

F

V

F

V

F

F

Extern

B2B/B2C zonder vergelijkingen/vergelijkende beweringen

V

A

V

V

V

V

A

F

V

V

V

A

A

B2B/B2C met vergelijkingen/vergelijkende beweringen

V

A

V

V

V

V

A

F

V

V

/

V

V

"V"

=

verplicht;

"A"

=

aanbevolen (niet verplicht);

"F"

=

facultatief (niet verplicht);

"/"

=

niet van toepassing

Eisen Voor PEF-Onderzoeken

Een PEF-onderzoek moet zijn gebaseerd op een levenscyclusbenadering.

1.2   Aanwijzingen voor het gebruik van deze gids

Deze gids verschaft de informatie die nodig is om een PEF-onderzoek uit te voeren. Het materiaal in de PEF-gids wordt sequentieel gepresenteerd, in de volgorde van de methodologische fasen die moeten worden voltooid wanneer een PEF wordt berekend. Elke paragraaf begint met een algemene beschrijving van de betreffende methodologische fase, tezamen met een overzicht van de nodige overwegingen en ondersteunende voorbeelden. De "eisen" specificeren de methodologische normen waaraan "moet/zou moeten" worden voldaan om tot een studie te komen die in overeenstemming is met deze PEF-gids. Deze eisen zijn in tekstvakken geplaatst met een enkele lijn als rand, en zij volgen op de alinea’s met de algemene beschrijvingen. "Tips" beschrijven niet-verplichte, maar aanbevolen beste praktijken. Deze zijn geplaatst in gearceerde tekstvakken, ook met een ononderbroken lijn als rand. Wanneer er aanvullende eisen voor het opstellen van PEFCR’s worden gespecificeerd, zijn deze in tekstvakken met een dubbele lijn als rand geplaatst aan het eind van de betreffende paragraaf.

1.3   Uitgangspunten voor PEF-onderzoeken

Om consistente, deugdelijke en reproduceerbare PEF-onderzoeken te produceren, wordt strikt vastgehouden aan een kernverzameling van analytische beginselen. Deze beginselen verschaffen overkoepelende richtsnoeren voor de toepassing van de PEF-methode. Zij moeten in elke fase van PEF-onderzoeken in acht worden genomen, van de bepaling van het doel van de studie en de reikwijdte van het onderzoek tot het verzamelen van gegevens, de effectbeoordeling, de rapportage en de verificatie van de uitkomsten van de studie.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Gebruikers van deze gids moeten bij het uitvoeren van een PEF-onderzoek de volgende uitgangspunten in acht nemen:

(1)

Relevantie

Alle gebruikte methoden en verzamelde gegevens voor het kwantificeren van de PEF moeten zo relevant mogelijk zijn voor de studie.

(2)

Volledigheid

De kwantificering van de PEF moet alle vanuit milieuoogpunt relevante materiaal- en energiestromen en andere milieu-interventies omvatten die nodig zijn om de vastgestelde systeemgrenzen (26), de gegevenseisen en de gebruikte effectbeoordelingsmethoden te respecteren.

(3)

Consistentie

Deze gids moet in alle stappen van het PEF-onderzoek strikt worden nageleefd, om interne consistentie en de vergelijkbaarheid met soortgelijke analyses te garanderen.

(4)

Nauwkeurigheid

Alle redelijke inspanningen moeten worden geleverd om onzekerheden in de modellering van het productsysteem (27) en de rapportage van de resultaten te beperken.

(5)

Transparantie

PEF-informatie moet op zodanige wijze openbaar worden gemaakt dat de beoogde gebruikers de benodigde basis voor besluitvorming krijgen en belanghebbenden de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van de informatie kunnen beoordelen.

Uitgangspunten voor PEFCR

1.   Samenhang met de PEF-gids

Behalve de eisen in deze PEF-gids, gelden voor PEF-onderzoeken ook de methodologische eisen die zijn uiteengezet in PEFCR’s. Wanneer de eisen van de PEFCR specifieker zijn dan die van de PEF-gids, moet worden voldaan aan de specifiekere eisen.

2.   Betrokkenheid van geselecteerde belanghebbende partijen

Het proces van het opstellen van PEFCR’s moet open en transparant zijn en moet raadpleging van relevante groepen belanghebbenden omvatten. Er zouden redelijke inspanningen moeten worden geleverd om in de loop van het proces tot overeenstemming te komen (naar ISO 14020:2000, 4.9.1, beginsel 8). De PEFCR’s moeten worden onderworpen aan collegiale toetsing.

3.   Streven naar vergelijkbaarheid

De resultaten van PEF-onderzoeken die zijn uitgevoerd in overeenstemming met deze PEF-gids en het toepasselijke PEFCR-document, kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van de vergelijking van de milieuprestaties van producten uit dezelfde productcategorie op levenscyclusbasis, alsook om vergelijkende beweringen (28) (bedoeld om openbaar te worden gemaakt) te ondersteunen. Het is daarom cruciaal dat de resultaten vergelijkbaar zijn. De voor deze vergelijking verstrekte informatie moet transparant zijn, zodat de gebruiker een duidelijk beeld heeft van de beperkingen van de vergelijkbaarheid die inherent zijn aan het berekende resultaat (naar ISO 14025).

1.4   Fasen van een PEF-onderzoek

Om een PEF-onderzoek uit te voeren in overeenstemming met deze gids moeten diverse fasen worden doorlopen – te weten, bepaling van het doel, bepaling van de reikwijdte, hulpbronnengebruik- en emissieprofiel, milieuvoetafdruk-effectbeoordeling, en interpretatie en rapportage van de milieuvoetafdruk – zie figuur 1.

Figuur 1

Fasen van een PEF-onderzoek

Image

2.   ROL VAN REGELS VOOR DE MILIEUVOETAFDRUK VAN EEN PRODUCTCATEGORIE (PEFCR’S)

2.1   Algemeen

Deze PEF-gids verstrekt niet alleen algemene richtsnoeren en eisen voor PEF-onderzoeken, maar specificeert ook de eisen voor het ontwikkelen van regels voor de milieuvoetafdrukken van productcategorieën (PEFCR’s). PEFCR’s zullen een belangrijke rol spelen in het vergroten van de reproduceerbaarheid, de consistentie (en daardoor de vergelijkbaarheid van PEF-berekeningen binnen dezelfde productcategorieniveau (29)) en de relevantie van PEF-onderzoeken. PEFCR’s zullen de aandacht helpen richten op de belangrijkste parameters van het PEF-onderzoek en zo tijd, inspanningen en kosten helpen besparen.

De doelstelling is te garanderen dat PEFCR’s worden ontwikkeld overeenkomstig de PEF-gids en dat deze PEFCR’s de benodigde specificaties verschaffen om te komen tot vergelijkbaarheid en grotere reproduceerbaarheid, consistentie, relevantie, gerichtheid en efficiëntie van PEF-onderzoeken. PEFCR’s zouden tot doel moeten hebben PEF-onderzoeken te richten op de aspecten en parameters die het meest relevant zijn voor het bepalen van de milieuprestatie van een gegeven producttype. Een PEFCR kan de in deze PEF-gids geformuleerde eisen bovendien nader specificeren en kan nieuwe eisen toevoegen, wanneer de PEF-gids meerdere keuzemogelijkheden biedt.

PEF-onderzoeken kunnen worden uitgevoerd zonder dat er PEFCR’s zijn, als het niet de bedoeling is de studies te gebruiken voor het doen van vergelijkende beweringen die openbaar worden gemaakt.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Bij het ontbreken van PEFCR’s moeten de belangrijkste gebieden die in PEFCR’s zouden worden bestreken (zoals vermeld in deze PEF-gids) worden gespecificeerd, onderbouwd en expliciet worden gerapporteerd in het PEF-onderzoek.

2.2   Rol van PEFCR’s en samenhang met bestaande productcategorieregels (PCR’s)

PEFCR’s hebben ten doel gedetailleerde technische richtsnoeren te verstrekken inzake de wijze waarop een PEF-onderzoek voor een specifieke productcategorie moet worden uitgevoerd. PEFCR’s moeten een nadere specificatie op het proces- en/of productniveau verschaffen. In het bijzonder zullen PEFCR’s doorgaans nadere specificaties en richtsnoeren verschaffen met betrekking tot bijvoorbeeld het:

bepalen van het doel en de reikwijdte van de studie;

vaststellen van relevante/irrelevante effectcategorieën;

identificeren van geschikte systeemgrenzen voor de analyse;

identificeren van de belangrijkste parameters en fasen in de levenscyclus;

verschaffen van richtsnoeren met betrekking tot mogelijke gegevensbronnen;

voltooien van de fase van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel;

nader specificeren van de wijze waarop problemen met betrekking tot multifunctionaliteit (30) moeten worden opgelost.

Al deze aspecten komen in deze PEF-gids aan bod.

Zoals gedefinieerd in ISO 14025(2006), bevatten productcategorieregels (31) (PCR’s, Product Category Rules) reeksen specifieke regels, richtsnoeren en eisen die ten doel hebben voor een productcategorie (dat wil zeggen, goederen en/of diensten die gelijkwaardige functies vervullen) "milieuverklaringen van type III" op te stellen. "Milieuverklaringen van type III" zijn kwantitatieve, op een levenscyclusbeoordeling (LCA, Life Cycle Assessment) gebaseerde uitspraken over de milieuaspecten (32) van een bepaald goed of een bepaalde dienst, bijvoorbeeld kwantitatieve informatie over potentiële milieueffecten.

ISO 14025(2006) beschrijft de procedure voor het ontwikkelen en toetsen van productcategorieregels en stelt eisen vast met betrekking tot de vergelijkbaarheid van verschillende zogenoemde "milieuverklaringen van type III". Milieuverklaringen van type III kunnen bijvoorbeeld een potentiële toepassing van een PEF-onderzoek zijn.

De richtsnoeren met betrekking tot de wijze waarop PEFCR’s moeten worden ontwikkeld, zijn gebaseerd op de minimuminhoud van een PCR-document zoals vereist door ISO 14025. Overeenkomstig ISO 14025 voor PCR’s gaat het hierbij onder meer om (maar is het niet beperkt tot):

de identificatie van de productcategorie waarvoor een PCR wordt ontwikkeld, met inbegrip van een beschrijving van bijvoorbeeld de functie(s), technische prestaties en toepassing(en) van het product;

de bepaling van het doel en de reikwijdte van de levenscyclusbeoordeling (LCA) (33) van het product, volgens de eis van de ISO 14040-reeks op het punt van bijvoorbeeld de functionele eenheid, systeemgrens, eisen inzake gegevenskwaliteit (34);

een beschrijving van de analyse van de levenscyclusinventarisatie (Life Cycle Inventory, LCI), met speciale aandacht voor de fase van de gegevensverzameling, berekeningsprocedures en regels voor allocatie (35);

de keuze van de EF-effectcategorie-indicatoren die in de LCA moeten worden opgenomen;

een beschrijving van elke eventueel vooraf vastgestelde parameter voor de rapportage van LCA-gegevens, bijvoorbeeld bepaalde vooraf vastgestelde categorieën inventarisgegevens en/of EF-effectcategorie-indicatoren;

indien niet alle fasen van de levenscyclus in de LCA worden opgenomen, informatie over de fasen die niet worden beoordeeld, met een rechtvaardiging;

de lengte van de geldigheidsperiode van de PEFCR die wordt ontwikkeld.

Als er andere PCR’s in het kader van andere regelingen beschikbaar zijn, kunnen deze als basis voor de ontwikkeling van een PEFCR (36) worden gebruikt, overeenkomstig de in deze PEF-gids vastgestelde eisen.

Eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

PEFCR’s zouden, voor zover mogelijk en met erkenning van de verschillende toepassingssituaties, in overeenstemming moeten zijn met bestaande internationale richtsnoeren met betrekking tot productcategorieregels (PCR’s).

2.3   PEFCR-structuur gebaseerd op de classificatie van producten gekoppeld aan economische activiteiten in de EG (CPA)

Het PEFCR-document beschrijft het type informatie dat vanuit levenscyclusperspectief over een product moet worden verstrekt, alsmede de wijze waarop deze informatie moet worden gegenereerd. Voor het coderen en bepalen van de informatiemodules die worden gebruikt om de levenscyclus van een product weer te geven, moet het schema van de classificatie van producten gekoppeld aan economische activiteiten in de EG (CPA, Classification of Products by Activity) (figuur 2) worden gebruikt.

De CPA-productcategorieën hebben betrekking op activiteiten als gedefinieerd door de NACE-codes (dat wil zeggen, door de Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap). Elk CPA-product is ingedeeld onder één enkele NACE-activiteit, waardoor de CPA-structuur op alle niveaus analoog is aan die van NACE.

NACE heeft een hiërarchische structuur die als volgt is opgebouwd (NACE Rev. 2 2008 (37), blz. 15):

1.

rubrieken die worden geïdentificeerd door een alfabetische code (secties);

2.

rubrieken die worden geïdentificeerd door een tweecijferige numerieke code (afdelingen);

3.

rubrieken die worden geïdentificeerd door een driecijferige numerieke code (groepen);

4.

rubrieken die worden geïdentificeerd door een viercijferige numerieke code (klassen).

De internationale industriële standaardclassificatie (International Standard Industrial Classification, ISIC) en NACE hebben op de hoogste niveaus dezelfde code, maar NACE is op de lagere niveaus gedetailleerder. Aangezien in de context van deze studie op sectorniveau de NACE-code van toepassing is, moet ten minste een tweecijferige code (dat wil zeggen, een code op afdelingsniveau) worden toegekend (38). Dit is in overeenstemming met het ISIC-systeem.

Een voorbeeld van deze benadering voor een PEFCR-document wordt hieronder gegeven voor "Melk en producten op basis van melk". De tweecijferige code (afdelingen) bakent hier een industriespecifieke productgroep af (bijvoorbeeld afdeling 10 - Voedingsmiddelen) die een aantal afzonderlijk gecodeerde producten omvat (bijv. groep 10.51.1 – Verwerkte vloeibare melk en room) (figuur 2). De tweecijferige code, en soms de eencijferige code, kan dus worden gebruikt om industriespecifieke informatiemodules te bepalen die, wanneer ze worden gecombineerd, specifieke productlevenscycli in een horizontale structuur vormen. Elk daarvan verschaft ook een ingebedde verticale structuur die loopt van een algemene productgroep naar specifiekere individuele producten.

Figuur 2

Schets van de beginselen van het CPA-schema

Image

Eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

PEFCR’s moeten zijn gebaseerd op ten minste een tweecijferige CPA-afdelingscode (standaardoptie). PEFCR’s mogen echter (onderbouwde) afwijkingen toestaan (bijv. driecijferige codes). Het kan bijvoorbeeld nodig zijn meer dan twee cijfers te gebruiken om rekening te houden met de complexiteit van de sector. Wanneer meerdere productieroutes voor gelijksoortige producten worden gepreciseerd met verschillende CPA’s, moet de PEFCR een plaats geven aan al deze CPA’s.

3.   BEPALING VAN HET DOEL VAN HET PEF-ONDERZOEK

3.1   Algemeen

De eerst stap in een PEF-onderzoek is het bepalen van het doel en deze stap bepaalt de algemene context van de studie. Het duidelijk bepalen van het doel moet garanderen dat de analytische doelen, methoden, resultaten en beoogde toepassingen optimaal op elkaar worden afgestemd en dat de deelnemers aan de studie worden geleid door een gezamenlijk visie. Wanneer wordt besloten om de PEF-gids te gebruiken, moet van tevoren een besluit worden genomen over bepaalde aspecten van de bepaling van het doel. Toch is het voor het slagen van het PEF-onderzoek belangrijk voldoende tijd te nemen om zorgvuldig na te denken over het doel en dit doel te formuleren.

Bij het bepalen van het doel is het belangrijk de beoogde toepassingen te identificeren, alsook de mate van analytische diepgang en nauwkeurigheid van de studie. Deze zouden tot uitdrukking moeten komen in de vastgestelde beperkingen van de studie (fase van de bepaling van de reikwijdte). Voor analyses die zijn gericht op, bijvoorbeeld, inkoop tegen zo laag mogelijke milieukosten, productontwerp, benchmarking en rapportage, zullen kwantitatieve studies in overeenstemming met de in deze PEF-gids gespecificeerde analytische eisen nodig zijn. Binnen één PEF-onderzoek zijn ook gecombineerde benaderingen mogelijk, wanneer slechts bepaalde delen van de toeleveringsketen worden onderworpen aan een kwantitatieve analyse en andere delen voorwerp van kwalitatieve beschrijvingen van potentiële ecologische zwakke plekken zijn. Zo kan bijvoorbeeld een kwantitatieve wieg-tot-poortanalyse (39) worden gecombineerd met kwalitatieve beschrijvingen van milieuoverwegingen van poort tot graf (40) of met kwantitatieve analyses van de gebruiksfase en de eindfase van de levenscyclus voor geselecteerde representatieve producttypen.

Eisen voor PEF-onderzoeken

De bepaling van het (de) doel(en) van een PEF-onderzoek moet omvatten:

de beoogde toepassing(en);

de redenen voor het uitvoeren van de studie en de beslissingscontext;

de doelgroepen;

of vergelijkingen en/of vergelijkende beweringen (41) openbaar zullen worden gemaakt;

de opdrachtgever van de studie;

de toetsingsprocedure (indien van toepassing).

Voorbeeld – Milieuvoetafdruk van een T-shirt: bepaling van het doel

Aspecten

Toelichting

Beoogde toepassing(en):

verstrekken van productinformatie aan klant

Redenen voor het uitvoeren van de studie en de beslissingscontext:

reageren op een verzoek van een klant

Vergelijkingen die openbaar zullen worden gemaakt:

nee, de studie zal openbaar worden gemaakt, maar het is niet de bedoeling dat deze wordt gebruikt voor vergelijkingen of vergelijkende beweringen.

Doelgroepen:

extern technisch publiek, business-to-business.

Toetsing:

onafhankelijke externe beoordelaar, dhr Y.

Opdrachtgever van de studie:

G company limited

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR moet de eisen voor een PEF-onderzoek op het punt van toetsing specificeren.

4.   BEPALING VAN DE REIKWIJDTE VAN HET PEF-ONDERZOEK

4.1   Algemeen

Bij het bepalen van de reikwijdte van het PEF-onderzoek worden het te evalueren systeem en de daarmee samenhangende analytische specificaties in detail beschreven.

Eisen voor PEF-onderzoeken

De bepaling van de reikwijdte van een PEF-onderzoek moet in overeenstemming zijn met de vastgestelde doelen van de studie en moet omvatten (zie latere paragrafen voor een gedetailleerdere beschrijving):

de eenheid van analyse (42) en de referentiestroom (43);

de systeemgrenzen;

de milieuvoetafdrukeffectcategorieën;

de aannames en beperkingen.

4.2   Eenheid van analyse en referentiestroom

Gebruikers van de PEF-gids zijn verplicht om de eenheid van analyse en referentiestroom voor het PEF-onderzoek te definiëren. De eenheid van analyse beschrijft kwalitatief en kwantitatief de functie(s) en de (levens)duur van het product.

Eisen voor PEF-onderzoeken

De eenheid van analyse voor een PEF-onderzoek moet worden bepaald aan de hand van de volgende aspecten:

de geleverde functie(s)/dienst(en): "wat";

de omvang van de functie of dienst: "hoeveel";

het verwachte kwaliteitsniveau: "hoe goed";

de (levens)duur van het product: "hoelang";

de NACE-code(s).

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

PEFCR’s moeten de eenhe(i)d(en) van analyse specificeren.

Voorbeeld:

Richtsnoer / Vereiste: Bepaling van de functionele eenheid Benoemt en kwantificeert de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de functie(s) van het product aan de hand van de vragen „wat”, „hoeveel”, „hoe goed” en „voor hoelang”.

Voorbeeld van de bepaling van de functionele eenheid,

Functionele eenheid van T-shirt:

 

(WAT) T-shirt (gemiddelde voor de maten S, M, L) gemaakt van polyester,

 

(HOEVEEL) één T-shirt,

 

(HOE GOED) één keer per week dragen en wassen in wasmachine op 30 graden

 

(HOELANG) gedurende vijf jaar.

Noot:

Sommige halffabricaten kunnen meer dan een functie hebben. Het kan nodig zijn deze functies te identificeren en er een keuze tussen te maken.

De referentiestroom is de hoeveelheid product die nodig is om de uitgedrukte functie te vervullen. Alle overige input (44)- en output (45)-stromen in de analyse staan hiermee in kwantitatief opzicht in verband. De referentiestroom kan direct met betrekking tot de eenheid van analyse of op een meer productgerichte manier worden uitgedrukt.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Er moet een geschikte referentiestroom worden vastgesteld met betrekking tot de eenheid van analyse. De kwantitatieve input- en outputgegevens die ter ondersteuning van de analyse worden verzameld, moeten worden berekend met betrekking tot deze stroom.

Voorbeeld:

Referentiestroom: 160 grams polyester

4.3   Systeemgrenzen voor PEF-onderzoeken

De systeemgrenzen bepalen welke delen van de levenscyclus van een product en welke daarmee samenhangende processen tot het geanalyseerde systeem behoren (dat wil zeggen, nodig zijn om de functie van het systeem als bepaald door de eenheid van analyse te vervullen). De systeemgrens van het te evalueren productsysteem moet daarom duidelijk worden afgebakend.

Systeemgrensdiagram (aanbevolen)

Een systeemgrensdiagram, of stroomdiagram, is een schematische weergave van het geanalyseerde systeem. Het geeft aan welke delen van de levenscyclus van het product worden opgenomen in de analyse en welke eruit worden weggelaten. Een systeemgrensdiagram kan een nuttig hulpmiddel zijn bij het bepalen van de systeemgrens en het organiseren van de daaropvolgende activiteiten met betrekking tot het verzamelen van gegevens.

TIP: Het opstellen van een systeemgrensdiagram is niet verplicht, maar wordt wel ten zeerste aanbevolen. Een systeemgrensdiagram helpt de analyse af te bakenen en structuur te geven.

Eisen voor PEF-onderzoeken

De systeemgrens moet worden bepaald volgens algemene logica van de toeleveringsketen en omvat alle fasen, van de winning van de grondstoffen (46) en de fasen van de verwerking, de productie, de distributie, de opslag en het gebruik tot de behandeling in de eindfase van de levenscyclus van het product (dat wil zeggen, van wieg tot graf (47)), zoals passend is voor de beoogde toepassing van de studie. De systeemgrenzen moeten alle processen omvatten die verband houden met de toeleveringsketen van de eenheid van analyse.

De binnen de systeemgrenzen opgenomen processen moeten worden verdeeld in voorgrondprocessen (d.w.z. kernprocessen in de levenscyclus van het product waarvoor directe toegang tot informatie beschikbaar is (48)) en achtergrondprocessen (d.w.z. processen in de levenscyclus van het product waarvoor geen directe toegang tot informatie mogelijk is (49)).

Een systeemgrensdiagram zou deel moeten uitmaken van de bepaling van de reikwijdte.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR moet de systeemgrenzen voor PEF-onderzoeken van productcategorieën specificeren, met inbegrip van de specificatie van de relevante fasen in de levenscyclus en de processen die doorgaans aan elke fase moeten worden toegewezen (met inbegrip van tijds-, geografische en technologische specificaties). Elke afwijking van de standaard wieg-tot-grafbenadering, bijvoorbeeld uitsluiting van de onbekende gebruiksfase of eindfase in de levenscyclus van halffabricaten, moet expliciet worden gespecificeerd en gerechtvaardigd (50).

De PEFCR moet downstreamscenario’s (51) specificeren, om de vergelijkbaarheid en consistentie van PEF-onderzoeken te garanderen.

Compensaties

De term "compensatie" ("offset") wordt veel gebruikt in verband met activiteiten van derde partijen op het gebied van de bestrijding van broeikasgassen, bijvoorbeeld in regelingen in het kader van het Protocol van Kyoto (CDM – Clean Development Mechanism (mechanisme voor schone ontwikkeling), JI – Joint Implementation (gezamenlijke uitvoering), ETS - Emissions Trading Schemes (emissiehandelssysteem)) of in vrijwillige regelingen. Compensaties zijn afzonderlijke reducties van broeikasgasemissies die worden gebruikt om broeikasgasemissies elders te compenseren, bijvoorbeeld om te voldoen aan een vrijwillige of verplichte broeikasgasdoelstelling of -bovengrens. Compensaties worden berekend ten opzichte van een basislijn die het hypothetische scenario vertegenwoordigt voor wat de emissies zouden zijn geweest zonder de maatregelen ter vermindering van broeikasgassen die de compensaties genereren. Voorbeelden van compenserende emissies zijn koolstofcompensaties door het Clean Development Mechanism, koolstofkredieten en andere compensaties buiten het systeem.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Compensaties (offsets) mogen niet worden opgenomen in het PEF-onderzoek, maar mogen wel apart worden gerapporteerd als "aanvullende milieu-informatie".

4.4   Selectie van effectcategorieën en beoordelingsmethoden voor de milieuvoetafdruk

De effectcategorieën voor de milieuvoetafdruk (52) (EF, Environmental Footprint) zijn specifieke categorieën van effecten die in een PEF-onderzoek in beschouwing worden genomen. Deze effectcategorieën hangen doorgaans samen met het hulpbronnengebruik en emissies van voor het milieu schadelijke stoffen (bijvoorbeeld broeikasgassen en giftige stoffen), die ook een ongunstige invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid. EF-effectbeoordelingsmethoden maken gebruik van modellen om de oorzakelijke verbanden te kwantificeren tussen de materiaal- en/of energie-inputs en emissies verband houdend met de levenscyclus van het product (geïnventariseerd in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel) en elke onderzochte EF-effectcategorie (53). Elke categorie heeft dus betrekking op een bepaald zelfstandig EF-effectbeoordelingsmodel.

Het doel van de EF-effectbeoordeling (54) is de geïnventariseerde gegevens in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel te groeperen en samen te voegen volgens de respectieve bijdragen aan elk van de EF-effectcategorieën. Dit verschaft de benodigde basis voor de interpretatie van de EF-resultaten in het licht van de doelen van het PEF-onderzoek (bijvoorbeeld het vaststellen van "zwakke plekken" in de toeleveringsketen en "opties" voor verbetering). De selectie van EF-effectcategorieën zou daarom veelomvattend moeten zijn, in de zin dat de categorieën alle relevante milieuaangelegenheden moeten bestrijken die verband houden met de toeleveringsketen van het betrokken product.

Tabel 2 bevat een standaardlijst van EF-effectcategorieën en de daarmee samenhangende toe te passen beoordelingsmethoden (55). Verdere aanwijzingen met betrekking tot de wijze waarop deze effecten moeten worden berekend, zijn te vinden in hoofdstuk 6.

Tabel 2

Standaard EF-effectcategorieën (met bijbehorende EF-effectcategorie-indicatoren) en EF-effectbeoordelingsmodellen voor PEF-onderzoeken

EF-effectcategorie

EF-effectbeoordelingsmodel

EF-effectcategorie-indicatoren

Bron

Klimaatverandering

Bern-model – Aardopwarmingspotentieel (GWP) over een periode van honderd jaar.

kg CO2-equivalent

Intergovernmental Panel on Climate Change, 2007

Ozonvermindering

EDIP-model gebaseerd op de berekende waarden voor het ozonafbrekend vermogen van de World Meteorological Organization (WMO) over onbeperkte tijd.

kg CFC-11 (56)-equivalent

WMO, 1999

Ecotoxiciteit voor zoet water

USEtox-model

CTUe (Comparative Toxic Unit for ecosystems)

Rosenbaum et al., 2008

Toxiciteit voor de mens – kankereffecten

USEtox-model

CTUh (Comparative Toxic Unit for humans)

Rosenbaum et al., 2008

Toxiciteit voor de mens – geen kankereffecten

USEtox-model

CTUh (Comparative Toxic Unit for humans)

Rosenbaum et al., 2008

Vaste deeltjes / Ingeademde anorganische stoffen

RiskPoll-model

kg PM2,5 (57)-equivalent

Humbert, 2009

Ioniserende straling – gevolgen voor de gezondheid van de mens

Model voor effecten op de gezondheid van de mens

kg U235-equivalent (in lucht)

Dreicer et al., 1995

Fotochemische ozonvorming

LOTOS-EUROS-model

kg NMVOS (58)-equivalent

Van Zelm et al., 2008 als toegepast in ReCiPe

Verzuring

Model voor de geaccumuleerde overschrijding (Accumulated Exceedance)

mol H+ eq

Seppälä et al.,2006; Posch et al., 2008

Eutrofiëring – land

Model voor de geaccumuleerde overschrijding (Accumulated Exceedance)

mol N eq

Seppälä et al.,2006; Posch et al., 2008

Eutrofiëring – water

EUTREND-model

zoet water: kg P-equivalent marien milieu: kg N-equivalent

Struijs et al., 2009 zoals geïmplementeerd in ReCiPe

Grondstofvermindering – water

Zwitsers Ecoscarcity-model

m3 watergebruik gerelateerd aan lokale waterschaarste

Frischknecht et al., 2008

Grondstofvermindering – mineraal, fossiel

CML2002-model

kg antimoon- (Sb-) equivalent

van Oers et al., 2002

Landtransformatie

Soil Organic Matter- (SOM-)model

Kg (tekort)

Milà i Canals et al., 2007

Afhankelijk van het productsysteem en de beoogde toepassing, kunnen gebruikers van deze PEF-gids ervoor kiezen de verzameling in aanmerking te nemen EF-effectcategorieën te beperken. Zulke uitsluitingen zouden moeten worden ondersteund door passende documenten, waaronder (maar niet beperkt tot):

een internationaal consensusproces;

een onafhankelijke externe beoordeling;

een proces waarbij veel belanghebbenden betrokken zijn;

LCA-studies die collegiaal zijn getoetst;

een screeningstap (zie paragraaf 5.2).

Eisen voor PEF-onderzoeken

De selectie van EF-effectcategorieën zou veelomvattend moeten zijn, in de zin dat de categorieën alle relevante milieuaangelegenheden moeten bestrijken die verband houden met de toeleveringsketen van het betrokken product. Voor een PEF-onderzoek moeten alle gespecificeerde standaard EF-effectcategorieën en de daarmee verbonden gespecificeerde EF-effectbeoordelingsmodellen worden toegepast. Elke uitsluiting moet expliciet worden gedocumenteerd, gerechtvaardigd, gerapporteerd in het PEF-rapport en worden ondersteund door passende documentatie.

De invloed van een uitsluiting op de eindresultaten, in het bijzonder op beperkingen op het punt van de vergelijkbaarheid met andere PEF-onderzoeken, moet in de interpretatiefase worden besproken en worden gerapporteerd. Deze uitsluitingen worden onderworpen aan een toetsing.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

PEFCR’s moeten elke uitsluiting van de standaard EF-effectcategorieën specificeren en rechtvaardigen, in het bijzonder uitsluitingen die verband houden met vergelijkbaarheidsaspecten.

4.5   Selectie van in de PEF op te nemen aanvullende milieu-informatie

De relevante potentiële milieueffecten van een product kunnen verder gaan dan de algemeen aanvaarde, op de levenscyclus gebaseerde EF-effectbeoordelingsmodellen. Het is belangrijk om, indien mogelijk, rekening te houden met deze milieueffecten. Veranderingen in landgebruik in verband met een specifiek terrein of specifieke activiteit kunnen bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de biodiversiteit. Het kan nodig zijn hiervoor aanvullende EF-effectcategorieën te gebruiken die niet zijn opgenomen in de standaardlijst die in deze PEF-gids wordt gegeven, of zelfs aanvullende kwalitatieve beschrijvingen te gebruiken wanneer effecten niet op een kwantitatieve manier aan de toeleveringsketen van een product kunnen worden gekoppeld. Zulke bijkomende methoden zouden moeten worden gezien als een aanvulling op de standaardlijst van EF-effectcategorieën.

Sommige producten worden geproduceerd in bedrijven die dicht bij zee zijn gelegen. Hun emissies zouden daardoor onmiddellijk effect kunnen hebben op zeewater, in plaats van op zoet water. Omdat de standaardset EF-effectcategorieën uitsluitend ecotoxiciteit als gevolg van emissies in zoet water bevat, is het belangrijk ook te denken aan directe emissies in het zeewater. Deze moeten worden opgenomen op elementair niveau, omdat voor dergelijke emissies momenteel geen effectbeoordelingsmodel beschikbaar is.

Aanvullende milieu-informatie kan omvatten (niet-uitputtende lijst):

a)

gegevens van de materiaalstaat;

b)

demonteerbaarheid, recycleerbaarheid, winningsfactor, informatie over de herbruikbaarheid, hulpbronnenefficiëntie;

c)

informatie over het gebruik van gevaarlijke stoffen;

d)

informatie over de verwijdering van gevaarlijke/ongevaarlijke afvalstoffen;

e)

informatie over energieverbruik;

f)

informatie over lokale/locatiespecifieke effecten, bijvoorbeeld lokale effecten op verzuring, eutrofiëring en biodiversiteit;

andere relevante milieu-informatie over de betrokken activiteiten en/of terreinen, alsook over de productoutput.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Als de standaardset EF-effectcategorieën of de standaard-effectbeoordelingsmodellen de potentiële milieueffecten van het product dat wordt beoordeeld, niet goed bestrijken, moeten alle gerelateerde relevante (kwalitatieve/kwantitatieve) milieuaspecten aanvullend worden opgenomen onder "aanvullende milieu-informatie". Deze aspecten mogen echter niet in de plaats worden gesteld van de verplichte beoordelingsmodellen van de standaard EF-effectcategorieën. De ondersteunende modellen van deze aanvullende categorieën moeten duidelijk worden voorzien van verwijzingen en worden gedocumenteerd met de bijbehorende indicatoren.

Aanvullende milieu-informatie moet:

zijn gebaseerd op informatie die is onderbouwd en is getoetst of geverifieerd in overeenstemming met de eisen van ISO 14020 en clausule 5 van ISO 14021:1999;

specifiek, nauwkeurig en niet misleidend zijn;

relevant zijn voor de betreffende productcategorie.

Emissies die direct in zeewater plaatsvinden, moeten worden opgenomen in de aanvullende milieu-informatie (op inventarisniveau).

Als aanvullende milieu-informatie wordt gebruikt om de interpretatiefase van een PEF-onderzoek te ondersteunen, moeten alle gegevens die nodig zijn om deze informatie te genereren, voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als vastgesteld voor de gegevens die worden gebruikt om de PEF-resultaten te berekenen (zie paragraaf 5.6 (59)).

Aanvullende milieu-informatie mag uitsluitend betrekking hebben op milieuaangelegenheden. Informatie en aanwijzingen, bijvoorbeeld veiligheidsinformatiebladen van producten die geen betrekking hebben op de milieuprestaties van het product, mogen geen deel uitmaken van een PEF. Evenzo mag geen informatie worden opgenomen die betrekking heeft op wettelijke voorschriften.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR moet aanvullende milieu-informatie specificeren die moet worden opgenomen in het PEF-onderzoek, en moet dit rechtvaardigen. Deze aanvullende informatie moet apart van de op de levenscyclus gebaseerde PEF-resultaten worden gerapporteerd en daarbij moeten alle methoden en aannames duidelijk worden gedocumenteerd. Aanvullende milieu-informatie kan kwantitatief en/of kwalitatief zijn.

Aanvullende milieu-informatie kan omvatten (niet-uitputtende lijst):

overige relevante milieueffecten voor de productcategorie;

overige relevante technische parameters die kunnen worden gebruikt om het onderzochte product te beoordelen en vergelijkingen met andere producten op het punt van de totale productefficiëntie mogelijk te maken. Deze technische parameters kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gebruik van hernieuwbare versus niet-hernieuwbare energie, het gebruik van hernieuwbare versus niet-hernieuwbare brandstoffen, het gebruik van secundaire materialen, het gebruik van zoetwatervoorraden, of de verwijdering van gevaarlijke versus ongevaarlijke typen afvalstoffen;

overige relevante benaderingen voor het uitvoeren van de karakterisering (60) van de stromen uit het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel, wanneer in de standaardmethode voor bepaalde stromen (bijvoorbeeld groepen chemische stoffen) geen karakteriseringsfactoren (61) (CF’s) beschikbaar zijn;

milieu- of productaansprakelijkheidsindicatoren (conform het Global Reporting Initiative (GRI));

het energieverbruik tijdens de volledige levenscyclus per primaire energiebron, met daarbij een aparte verantwoording van het verbruik van "hernieuwbare" energie;

het direct energieverbruik per primaire energiebron, met daarbij een aparte verantwoording van het verbruik van "hernieuwbare" energie;

voor poort-tot-poortfasen, het aantal soorten op de rode lijst van de IUCN en het aantal soorten op nationale lijsten van beschermde soorten, met habitats in gebieden die door de activiteiten worden getroffen, per niveau van het risico van uitsterven;

een beschrijving van de substantiële effecten van activiteiten, producten en diensten op de biodiversiteit in beschermde gebieden en in gebieden met een grote biodiversiteit buiten beschermde gebieden;

het totaalgewicht van afvalstoffen per type en verwijderingsmethode;

het gewicht van vervoerde, ingevoerde, uitgevoerde en behandelde afvalstoffen die als gevaarlijk worden beschouwd volgens de bepalingen van de bijlagen I, II, III en VIII bij het Verdrag van Bazel, en het percentage vervoerde afvalstoffen dat naar het buitenland is verzonden.

4.6   Aannames/beperkingen

In PEF-onderzoeken kunnen zich meerdere beperkingen voor het uitvoeren van de analyse voordoen, en daardoor kan het nodig zijn aannames te maken. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat generieke gegevens (62) niet de volledige werkelijkheid van het geanalyseerde product weergeven, en aangepast moeten worden om een betere weergave te krijgen.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Alle beperkingen en aannames moeten op transparante wijze worden gerapporteerd.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR moet de beperkingen rapporteren die specifiek zijn voor een productcategorie, en uitputtend de aannames beschrijven die nodig zijn om de beperkingen op te heffen.

5.   SAMENSTELLING EN VASTLEGGING VAN HET HULPBRONNENGEBRUIK EN EMISSIEPROFIEL

5.1   Algemeen

Er moet een inventaris (profiel) van alle materiaal- en energiebroninputs en -outputs en emissies in de lucht, het water en de bodem voor de toeleveringsketen van het product worden opgesteld als basis voor de modellering van de PEF. Deze inventaris wordt het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel (Resource Use and Emissions Profiel) genoemd (63).

In het ideale geval wordt het model van de toeleveringsketen van een product geconstrueerd met behulp van gegevens die specifiek zijn voor de faciliteit of het product (dat wil zeggen, gegevens die de precieze levenscyclus modelleren om de fasen van de toeleveringsketen, het gebruik en de eindfase van de levensduur passend weer te geven). In de praktijk, en in het algemeen, zouden direct verzamelde inventarisgegevens die specifiek zijn voor de faciliteit, moeten worden gebruikt, wanneer dat mogelijk is. Voor processen waarvoor het bedrijf geen directe toegang heeft tot specifieke gegevens (dat wil zeggen, achtergrondprocessen), zullen vaak generieke gegevens (64) worden gebruikt. Het is echter een goede gewoonte om, indien mogelijk, toegang te zoeken tot direct bij leveranciers verzamelde gegevens over de belangrijkste, door hen geleverde producten, tenzij generieke gegevens representatiever of geschikter zijn.

Het grondstoffengebruik- en emissieprofiel moet gebruikmaken van de volgende classificaties (65) van de opgenomen stromen:

elementaire stromen, dat wil zeggen, materiaal of energie uit de natuur/omgeving dat/die het onderzochte systeem binnenkomt zonder voorafgaande bewerking door mensen, of materiaal dat of energie die het onderzochte systeem verlaat en in de natuur/omgeving belandt zonder nog door mensen bewerkt te worden (naar ISO 14040:2006, 3.12). Elementaire stromen zijn bijvoorbeeld hulpbronnen die aan de natuur worden onttrokken of emissies in de lucht, het water of de bodem die direct gekoppeld zijn aan de karakteriseringsfactoren van de EF-effectcategorieën;

niet-elementaire (of samengestelde) stromen, dat wil zeggen, alle inputs (bijvoorbeeld elektriciteit, materialen, vervoersprocessen) en outputs (bijvoorbeeld afvalstoffen, bijproducten) in een systeem die verder moeten worden gemodelleerd om ze terug te brengen tot elementaire stromen.

Alle niet-elementaire stromen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel moeten worden teruggebracht tot elementaire stromen. Afvalstoffenstromen moeten bijvoorbeeld niet alleen worden gerapporteerd als kilo’s huishoudelijk afval of gevaarlijke afvalstoffen, maar moeten ook de emissies omvatten in water, lucht en bodem als gevolg van de behandeling van het vaste afval. Dit is nodig voor de vergelijkbaarheid van PEF-onderzoeken. De samenstelling van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel is dus pas voltooid wanneer alle stromen zijn uitgedrukt als elementaire stromen.

TIP: Het is nuttig het gegevensverzamelingsproces te documenteren om de gegevenskwaliteit in de loop van de tijd te verbeteren, als voorbereiding op kritische evaluaties (66), en om toekomstige productinventarissen te herzien, teneinde veranderingen in de productiepraktijken weer te geven. Om te garanderen dat alle relevante informatie wordt gedocumenteerd, kan het nuttig zijn om al vroeg in het inventarisatieproces een gegevensbeheerplan op te stellen (zie bijlage II).

Het samenstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel in een PEF-onderzoek kan in twee stappen geschieden, zoals wordt uitgelegd in figuur 3. De eerste stap is niet verplicht, maar wordt wel ten zeerste aanbevolen.

Figuur 3

Procedure in twee stappen voor het opstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

Image

Eisen voor PEF-onderzoeken

Alle hulpbronnengebruik en emissies die verband houden met de verschillende fasen van de levenscyclus binnen de vastgestelde systeemgrenzen, moeten worden opgenomen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel. De stromen moeten worden gegroepeerd in "elementaire stromen" en "niet-elementaire (dat wil zeggen, samengestelde) stromen". Alle niet-elementaire stromen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel moeten vervolgens worden teruggebracht tot elementaire stromen.

5.2   Screeningstap (aanbevolen)

Een eerste hulpbronnengebruik- en emissieprofiel op "screeningniveau", dat wordt aangeduid als de screeningstap, wordt ten zeerste aanbevolen, omdat deze stap helpt richting te geven aan de activiteiten met betrekking tot het verzamelen van gegevens en de prioriteiten voor de gegevenskwaliteit voor het werkelijke hulpbronnengebruik- en emissieprofiel.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Als een screeningstap wordt uitgevoerd (ten zeerste aanbevolen), moeten gemakkelijk beschikbare specifieke en/of generieke gegevens worden gebruikt om te voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit zoals vastgelegd in paragraaf 5.6. Alle processen en activiteiten die in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel moeten worden bestudeerd, moeten in de screeningstap worden opgenomen. Elke uitsluiting van fasen in de toeleveringsketen moet expliciet worden gerechtvaardigd en worden onderworpen aan het toetsingsproces, en de invloed van deze uitsluitingen op de eindresultaten moet worden besproken.

Voor fasen van de toeleveringsketen waarvoor geen kwantitatieve EF-effectbeoordeling wordt voorgenomen, moet de screeningstap naar bestaande literatuur en andere bronnen verwijzen om kwalitatieve beschrijvingen op te stellen van de processen die potentieel substantiële effecten hebben op het milieu. Zulke kwalitatieve beschrijvingen moeten worden opgenomen in de aanvullende milieu-informatie.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR moet de op te nemen processen specificeren, alsmede de daaraan verbonden eisen inzake gegevenskwaliteit en toetsing, die strenger kunnen zijn dan de eisen in deze PEF-gids. De PEFCR moet ook specificeren voor welke processen specifieke gegevens vereist zijn, en voor welke processen het gebruik van generieke gegevens toelaatbaar is of vereist is.

5.3   Gegevensbeheerplan (facultatief)

Een gegevensbeheerplan kan een waardevol hulpmiddel zijn voor het beheer van gegevens en om het proces van het samenstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel van een product te volgen.

Het gegevensbeheerplan kan omvatten:

een beschrijving van de procedures voor het verzamelen van gegevens;

gegevensbronnen;

berekeningsmethoden;

procedures voor de transmissie, de opslag en het maken van back-ups van gegevens;

procedures voor kwaliteitscontrole en toetsing van activiteiten met betrekking tot de verzameling, invoer en verwerking van gegevens, alsook van de gegevensdocumentatie en berekeningen van emissies.

Zie bijlage II voor aanvullende richtsnoeren met betrekking tot mogelijke benaderingen van het opstellen van een gegevensbeheerplan.

5.4   Gegevens in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

Eisen voor PEF-onderzoeken

Alle hulpbronnengebruik en emissies die verband houden met de verschillende fasen van de levenscyclus binnen de vastgestelde systeemgrenzen, moeten worden opgenomen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel.

Overwogen moeten worden om de volgende elementen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel op te nemen:

verwerving en voorbewerking van grondstoffen;

kapitaalgoederen: de afschrijving moet lineair zijn. De verwachte levensduur van de kapitaalgoederen (en niet de tijd die nodig is om een economische boekwaarde van 0 te bereiken) moet gebruikt worden;

productie;

distributie en opslag van producten;

gebruiksfase;

logistiek;

eindfase van de levenscyclus.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR’s moeten een of meer voorbeelden geven van het samenstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel, met inbegrip van specificaties met betrekking tot:

stoffenlijsten voor de opgenomen activiteiten/processen;

eenheden;

nomenclatuur voor elementaire stromen.

Deze kunnen van toepassing zijn op een of meer fasen van de toeleveringsketen, processen of activiteiten, teneinde een gestandaardiseerde gegevensverzameling en rapportage te waarborgen. De PEFCR mag voor belangrijke upstream-, poort-tot-poort (67)- of downstreamfasen strengere gegevenseisen specificeren dan de eisen die in deze PEF-gids zijn vastgelegd.

Voor het modelleren van processen/activiteiten binnen de kernmodule (dat wil zeggen, poort-tot-poortfase) moet de PEFCR ook specificeren:

de opgenomen processen/activiteiten;

specificaties voor het opstellen van gegevens voor de belangrijkste processen, met inbegrip van de middeling van gegevens over faciliteiten;

de eventuele locatiespecifieke gegevens die voor de rapportage vereist zijn als "aanvullende milieu-informatie";

specifieke eisen inzake de gegevenskwaliteit, bijvoorbeeld het meten van specifieke activiteitsgegevens.

Als de PEFCR ook afwijkingen van de standaard wieg-tot-graf-systeemgrens eist (de PEFCR schrijft bijvoorbeeld het gebruik van de wieg-tot-poortgrens voor), moet de PEFCR specificeren hoe in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel rekenschap moet worden gegeven van materiaal- en energiebalansen.

5.4.1   Verwerving en voorbewerking van grondstoffen (wieg-tot-poort)  (68)

De fase van de verwerving en voorbewerking van grondstoffen begint wanneer de grondstoffen aan de natuur worden onttrokken, en zij eindigt wanneer de componenten van het product (via de poort) de productiefaciliteit van het product binnenkomen. Processen die in deze fase kunnen voorkomen, zijn onder andere:

ontginning en winning van hulpbronnen;

voorbewerking van alle materiaalinputs van het onderzochte product, zoals:

vorming van metalen tot ingots;

koolverzuivering;

conversie van gerecycleerd materiaal;

fotosynthese voor biogene materialen;

teelt en oogst van bomen of gewassen;

vervoer binnen en tussen winnings- en voorbewerkingsfaciliteiten en naar de productiefaciliteit.

5.4.2   Kapitaalgoederen

Voorbeelden van kapitaalgoederen die moeten worden opgenomen, zijn:

machines die worden gebruikt in productieprocessen;

gebouwen;

kantooruitrusting;

vervoersmiddelen;

vervoersinfrastructuur.

Kapitaalgoederen moeten lineair worden afgeschreven. De verwachte levensduur van de kapitaalgoederen (en niet de tijd die nodig is om een economische boekwaarde van 0 te bereiken) moet gebruikt worden.

5.4.3   Productie(68)

De productiefase begint wanneer de componenten van het product het productieterrein binnenkomen, en eindigt wanneer het voltooide product de productiefaciliteit verlaat. Voorbeelden van productiegerelateerde activiteiten zijn onder andere:

chemische bewerking;

vervaardiging;

vervoer van halffabricaten tussen fabricageprocessen;

assemblage van materiaalcomponenten;

verpakking;

behandeling van afvalstoffen;

vervoer van werknemers (indien van toepassing);

zakenreizen (indien van toepassing).

5.4.4   Distributie en opslag van product(68)

Producten worden gedistribueerd naar gebruikers en kunnen op verschillende punten in de toeleveringsketen worden opgeslagen. Voorbeelden van processen die verband houden met de distributie en opslag en die moeten worden opgenomen, zijn (niet-uitputtende lijst):

energie-inputs voor verlichting en verwarming van opslagplaatsen;

gebruik van koelmiddelen in opslagplaatsen en vervoersmiddelen;

brandstofverbruik door voertuigen.

5.4.5   Gebruiksfase(68)

De gebruiksfase begint wanneer de consument of eindgebruiker het product in bezit neemt, en eindigt wanneer het gebruikte product wordt weggedaan om te worden vervoerd naar een faciliteit voor de recycling of behandeling van afvalstoffen. Voorbeelden van processen in de gebruiksfase die moeten worden opgenomen, zijn (niet-uitputtende lijst):

patronen, locatie, tijd (dag/nacht, zomer/winter, door de week/in het weekend) van het gebruik/verbruik, en de veronderstelde duur van de gebruiksfase van producten;

vervoer naar de plaats van gebruik;

koelmiddelen op de plaats van gebruik;

voorbereiding voor gebruik (bijvoorbeeld verhitting in magnetron);

hulpbronnenverbruik tijdens gebruik (bijvoorbeeld wasmiddel-, energie- en waterverbruik voor wasmachine);

reparatie en onderhoud van het product gedurende de gebruiksfase.

Het gebruiksscenario moet ook weerspiegelen of het gebruik van de geanalyseerde producten wel of niet zou kunnen leiden tot veranderingen in de systemen waarin zij worden gebruikt. Energieverbruikende producten zouden bijvoorbeeld van invloed kunnen zijn op de hoeveelheid energie die nodig is voor verwarming/koeling in een gebouw, en het gewicht van de accu van een auto zou van invloed kunnen zijn op het brandstofverbruik van de auto. Er zou rekening moeten worden gehouden met de volgende bronnen van technische informatie over het gebruiksscenario (niet-uitputtende lijst):

gepubliceerde internationale normen die richtsnoeren en eisen specificeren voor het opstellen van scenario’s voor de gebruiksfase en voor de inschatting van de levensduur van het product;

gepubliceerde nationale richtsnoeren voor het opstellen van scenario’s voor de gebruiksfase en voor de inschatting van de levensduur van het product;

door de desbetreffende bedrijfstak gepubliceerde richtsnoeren voor het opstellen van scenario’s voor de gebruiksfase en voor de inschatting van de levensduur van het product;

marktstudies of andere marktgegevens.

Noot: De door de fabrikant aanbevolen methode die in de gebruiksfase moet worden toegepast (bijvoorbeeld verhitten in een oven bij een bepaalde temperatuur gedurende een opgegeven tijd), kan een uitgangspunt geven voor het bepalen van de gebruiksfase van een product. Het werkelijke gebruikspatroon kan echter afwijken van het aanbevolen gebruikspatroon en zou moeten worden gebruikt, indien deze informatie beschikbaar is.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Wanneer er geen methode voor het bepalen van de gebruiksfase van producten is vastgesteld overeenkomstig de in deze PEF-gids gespecificeerde technieken, moet de benadering die wordt gekozen voor het bepalen van de gebruiksfase van producten worden vastgesteld door de organisatie die de studie uitvoert. Het werkelijke gebruikspatroon kan echter afwijken van het aanbevolen gebruikspatroon en zou moeten worden gebruikt, indien deze informatie beschikbaar is. Relevante invloeden op andere systemen als gevolg van het gebruik van de producten moeten worden opgenomen.

Er moet documentatie van de methoden en aannames worden verstrekt. Alle relevante aannames voor de gebruiksfase moeten worden gedocumenteerd.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR’s moeten specificeren:

de eventuele scenario’s voor de gebruiksfase die in de studie moeten worden opgenomen;

de tijdsspanne die voor de gebruiksfase moet worden beschouwd.

5.4.6   Modellering van de logistiek voor het geanalyseerde product

Belangrijke parameters waarmee bij de modellering van vervoer rekening gehouden moet worden, of zou moeten worden (afhankelijk van het geval, zie hieronder), zijn onder andere:

1.

type vervoer: er moet rekening worden gehouden met het type vervoer, bijvoorbeeld over land (vrachtwagen, spoor, pijplijn), over water (schip, veerboot, sloep), of door de lucht (vliegtuig);

2.

voertuigtype en brandstofverbruik: per type vervoer moet rekening worden gehouden met het type voertuig, alsmede met het brandstofverbruik, zowel bij volledige belading als in lege toestand. Het verbruik van een volledig beladen voertuig wordt daarbij aangepast, naar rato van de belading (69);

3.

belading: milieueffecten hangen direct samen met de werkelijke belading, dus moet rekening worden gehouden met de belading;

4.

aantal retourritten met lege voertuigen: er moet rekening worden gehouden met het aantal retourritten met lege voertuigen (dat wil zeggen, de verhouding van de afgelegde afstand om de volgende vracht op te halen na het uitladen van het product, en de afgelegde afstand om het product te vervoeren), voor zover van toepassing en relevant. De door het lege voertuig afgelegde kilometers moeten worden toegeschreven aan het product. Er moeten specifieke waarden per land en per type vervoerd product worden ontwikkeld;

5.

vervoerafstand: vervoerafstanden moeten worden gedocumenteerd en daarbij moeten gemiddelde vervoerafstanden worden toegepast die specifiek zijn voor de onderzochte situatie;

6.

allocatie van effecten van vervoer: een deel van de effecten van vervoersactiviteiten moet worden toegewezen aan de eenheid van analyse (voor het onderzochte product) naar gelang van de beladingsbeperkende factor. De volgende modelleringsbeginselen moeten in acht worden genomen:

goederenvervoer: tijd of afstand EN massa of volume (of in specifieke gevallen: stuks/pallets) van het vervoerde goed:

a)

als het toegestane maximumgewicht is bereikt voordat het voertuig zijn maximale fysieke belading heeft bereikt: bij 100% van het toegestane volume (producten met hoge dichtheid) moet de allocatie worden gebaseerd op het massa van de vervoerde producten;

b)

als het voertuig is beladen tot 100% van het volume, maar het toegestane maximumgewicht niet wordt bereikt (producten met lage dichtheid), moet de allocatie worden gebaseerd op het volume van de vervoerde producten;

personenvervoer: tijd of afstand;

zakenreizen van personeel: tijd, afstand of economische waarde;

7.

brandstofproductie: er moet rekening worden gehouden met brandstofproductie. De standaardwaarden voor brandstofproductie zijn te vinden in bijvoorbeeld het Europees referentiesysteem voor levenscyclusgegevens (European Reference Life Cycle Database, ELCD) (70);

8.

infrastructuur: er zou rekening moeten worden gehouden met de vervoersinfrastructuur, van de weg, het spoor en het water;

9.

hulpbronnen en hulpmiddelen: Er zou rekening moeten worden gehouden met de hoeveelheid en het type van de aanvullende hulpbronnen en hulpmiddelen die nodig zijn voor de logistiek, zoals kranen en transportmiddelen.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Er moet rekening worden gehouden met de volgende vervoersparameters: type vervoer, type voertuig en brandstofverbruik, belading, aantal lege retourritten (voor zover relevant), vervoerafstand, allocatie voor goederenvervoer op basis van beladingsbeperkende factor (dat wil zeggen, massa voor producten met een hoge dichtheid en volume voor producten met een lage dichtheid) en brandstofproductie.

Er zou rekening moeten worden gehouden met de volgende vervoersparameters: vervoersinfrastructuur, aanvullende hulpbronnen en hulpmiddelen zoals kranen en transportmiddelen, allocatie voor personenvervoer op basis van tijd of afstand, en allocatie voor zakenreizen op basis van tijd, afstand of economische waarde.

De effecten als gevolg van vervoer moeten worden uitgedrukt in de standaardreferentie-eenheden, dat wil zeggen, tonkilometers voor goederen en personenkilometers voor passagiersvervoer. Elke afwijking van deze standaardreferentie-eenheden moet worden gerechtvaardigd en gerapporteerd.

Het milieueffect als gevolg van vervoer moet worden berekend door het effect per referentie-eenheid voor elk type voertuig te vermenigvuldigen met:

a)

voor goederen: de afstand en de last;

b)

voor personen: de afstand en het aantal personen, op basis van de vastgestelde vervoerscenario’s.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR’s moeten, in voorkomend geval, de scenario’s voor het vervoer, de distributie en de opslag specificeren die in de studie moeten worden opgenomen.

5.4.7   Eindfase van de levenscyclus  (71)

De eindfase van de levenscyclus begint wanneer het gebruikte product door de gebruiker wordt weggedaan, en eindigt wanneer het product als afvalproduct aan de natuur wordt teruggegeven of de levenscyclus van een ander product binnenkomt (dat wil zeggen, als gerecycleerde input). Voorbeelden van processen in de eindfase van de levenscyclus die in het PEF-onderzoek moeten worden opgenomen, zijn:

inzamelen en vervoer van producten in de eindfase van hun levenscyclus en van verpakkingen;

uitnemen van componenten;

breken en sorteren;

omzetten in gerecycleerd materiaal;

composteren of andere behandelingsmethoden van organische afvalstoffen;

strooien;

verbranden en verwijderen van bodemas;

storten en exploitatie en onderhoud van stortplaatsen;

benodigde vervoer naar alle faciliteiten voor behandeling in eindfase van levenscyclus.

Omdat vaak niet bekend is wat er precies zal gebeuren aan het einde van de levenscyclus van een product, moeten er scenario’s voor de eindfase van de levenscyclus worden vastgesteld.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Afvalstoffenstromen die voortvloeien uit processen binnen de systeemgrenzen, moeten worden gemodelleerd tot het niveau van de elementaire stromen.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

In voorkomend geval moeten in de PEFCR’s scenario’s voor de eindfase van de levenscyclus worden vastgesteld. Deze scenario’s moeten zijn gebaseerd op de actuele (in het jaar van de analyse) praktijk, technologie en gegevens.

5.4.8   Verantwoording van elektriciteitsverbruik (inclusief verbruik van hernieuwbare energie)

Elektriciteit van het elektriciteitsnet die upstream of binnen de vastgestelde PEF-grens wordt verbruikt, moet zo nauwkeurig mogelijk worden gemodelleerd, waarbij de voorkeur moet worden gegeven aan gegevens die specifiek zijn voor de betreffende leverancier. Als (een deel van) de elektriciteit hernieuwbaar is, is het belangrijk erop te letten dat er geen dubbeltelling plaatsvindt. De leverancier moet daarom garanderen dat de hernieuwbare elektriciteit die aan de organisatie wordt geleverd om het product te produceren, daadwerkelijk met hernieuwbare bronnen is opgewekt en dat deze niet aan het netwerk wordt geleverd om door andere consumenten te worden gebruikt (d.i. een garantie van oorsprong voor de productie van hernieuwbare elektriciteit) (72).

Eisen voor PEF-onderzoeken

Voor elektriciteit van het elektriciteitsnet die upstream of binnen de vastgestelde PEF-grens wordt verbruikt, moeten gegevens worden gebruikt die specifiek zijn voor de leverancier, indien zulke gegevens beschikbaar zijn. Als geen leverancierspecifieke gegevens beschikbaar zijn, moeten gegevens van een landenspecifieke verbruiksmix worden gebruikt van het land waarin de fasen van de levenscyclus zich voordoen. Voor elektriciteit die wordt verbruikt in de gebruiksfase van producten, moet de energiemix de omzetverhoudingen tussen landen en regio’s weerspiegelen. Wanneer zulke gegevens niet beschikbaar zijn, moet een gemiddelde EU-verbruiksmix worden gebruikt, of anders de meest representatieve mix.

Er moet worden gegarandeerd dat de hernieuwbare elektriciteit (en de effecten daarvan) van het elektriciteitsnet die upstream of binnen de vastgestelde PEF-grens wordt verbruikt, niet dubbel wordt geteld. Er moet een verklaring van de leverancier als bijlage bij het PEF-rapport worden gevoegd, waarin wordt gegarandeerd dat de geleverde elektriciteit effectief is gegenereerd met behulp van hernieuwbare bronnen en niet aan een andere organisatie wordt verkocht.

5.4.9   Aanvullende overwegingen voor het opstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

Verwijderingen en emissies van biogene koolstoffen

Koolstof wordt door bijvoorbeeld boomgroei aan de atmosfeer onttrokken (karakteriseringsfactor (73) van -1 CO2-eq. voor opwarming van de aarde), en komt vrij bij het verbranden van hout (karakteriseringsfactor van +1 CO2-eq. voor opwarming van de aarde).

Eisen voor PEF-onderzoeken

Verwijderingen en emissies van biogene koolstofbronnen moeten in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel gescheiden worden gehouden (74).

Directe verandering in landgebruik (effect op klimaatverandering): veranderingen in landgebruik kunnen leiden tot veranderingen in de koolstofvoorraad op dat land, en op die manier van invloed zijn op klimaatverandering. Er is sprake van een directe verandering in landgebruik als een bepaald stuk land dat eerst op een manier werd gebruikt, op een andere manier wordt gebruikt, en dit gevolgen heeft voor de koolstofvoorraad van dat specifieke stuk land, maar niet daarbuiten, in een ander systeem. Zie bijlage VI voor details.

Indirecte verandering in landgebruik (effect op klimaatverandering): veranderingen in landgebruik kunnen leiden tot veranderingen in de koolstofvoorraad op dat land, en daardoor van invloed zijn op klimaatverandering. Er is sprake van een indirecte verandering in landgebruik wanneer een verandering in gebruik van één stuk land leidt tot veranderingen buiten de systeemgrenzen, dat wil zeggen, in land dat op andere manieren wordt gebruikt. Aangezien er binnen het kader van de milieuvoetafdruk geen overeengekomen methodologie is voor indirecte veranderingen in landgebruik wordt daar bij de berekening van broeikasgassen voor de PEF geen rekening mee gehouden.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Broeikasgasemissies die zich voordoen als gevolg van directe veranderingen in landgebruik moeten aan producten worden toegeschreven voor (i) een periode van twintig jaar na de verandering in landgebruik, of (ii) een enkele oogstperiode gerekend vanaf de winning van het beoordeelde product (ook als deze langer is dan twintig jaar) (75), waarbij de langste van de twee perioden wordt gebruikt. Zie Bijlage VI voor details. Broeikasgasemissies die zich voordoen als gevolg van indirecte veranderingen in landgebruik worden niet in aanmerking genomen tenzij dat uitdrukkelijk in de PEFCR's wordt vereist. In dat geval wordt apart opgave gedaan van indirecte veranderingen in landgebruik, onder "aanvullende milieu-informatie", maar worden deze niet meegenomen in de berekening van de broeikasgaseffectcategorie.

Verrekening van de opwekking van hernieuwbare energie

Binnen de grens van het beoordeelde systeem kan energie worden geproduceerd uit hernieuwbare bronnen. Als meer hernieuwbare energie wordt geproduceerd dan de hoeveelheid die binnen de vastgestelde systeemgrens wordt verbruikt, en het energieoverschot wordt geleverd aan bijvoorbeeld het elektriciteitsnet, mag de geleverde energie alleen worden toegerekend aan het beoordeelde product als er nog geen rekening is gehouden met deze krediet in andere regelingen. Documentatie (bijvoorbeeld een garantie van oorsprong voor de productie van hernieuwbare elektriciteit (76)) is vereist om duidelijk te maken of in de berekening al dan niet rekening is gehouden met de krediet.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Kredieten die verband houden met hernieuwbare energie die binnen de systeemgrens wordt gegenereerd, moeten worden berekend op basis van de gecorrigeerde gemiddelde verbruiksmix op niveau van het land waaraan de energie wordt geleverd (waarbij de correctie bestaat in het in mindering brengen van de van buitenaf geleverde hoeveelheid hernieuwbare energie). Wanneer zulke gegevens niet beschikbaar zijn, moet de gecorrigeerde gemiddelde EU-verbruiksmix, of anders de meest representatieve mix, worden gebruikt. Als er geen gegevens over de berekening van gecorrigeerde mixen beschikbaar zijn, moeten ongecorrigeerde gemiddelde mixen worden gebruikt. Er moet op transparante wijze worden gerapporteerd welke energiemixen zijn aangenomen voor de berekening van de baten, en of deze mixen zijn gecorrigeerd.

Verrekening van tijdelijke (koolstof)opslag en uitgestelde emissies

Tijdelijke opslag van koolstof vindt plaats wanneer een product "de broeikasgassen in de atmosfeer verminderen" of "tot negatieve emissies leidt", door koolstof tijdelijk te verwijderen en op te slaan.

Uitgestelde emissies zijn emissies die niet direct (als een enkele emissie op tijdstip t) vrijkomen, maar pas na verloop van enig tijd, bv. vanwege langdurig gebruik of langdurige definitieve-verwijderingsfasen.

Een voorbeeld hiervan: als je meubilair van hout hebt dat 120 jaar meegaat, wordt koolstof gedurende 120 jaar in het meubilair opgeslagen, en worden de emissies als gevolg van vernietiging of verbranding in de eindfase van de levenscyclus 120 jaar uitgesteld. CO2 wordt bij de productie van hout opgenomen, 120 jaar lang vastgehouden, en komt vrij wanneer het hout aan het eind van de (product)levenscyclus wordt afgedankt of verbrand. De CO2 wordt 120 jaar opgeslagen, en de uitstelde CO2-emissies vinden pas na 120 jaar plaats (aan het eind van de levenscyclus van het meubilair), in plaats van nu.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Met kredieten die verband houden met tijdelijke (koolstof)opslag of uitgestelde emissies mag in de berekening van de standaard EF-effectcategorieën geen rekening worden gehouden. Deze kredieten mogen echter wel worden opgenomen als "aanvullende milieu-informatie". Bovendien moeten zij onder "aanvullende milieu-informatie" worden opgenomen, als dit zo is bepaald in een ondersteunende PEFCR.

5.5   Nomenclatuur voor het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

De ontwikkelaars van PEF-onderzoeken moeten erop toezien dat de gedocumenteerde nomenclatuur en eigenschappen voor een gegeven stroom in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel in overeenstemming is met de nomenclatuur en eigenschappen in het International Reference Life Cycle Data System (ILCD) (77).

Eisen voor PEF-onderzoeken

Alle relevante hulpbronnengebruik en alle emissies die verband houden met de fasen van de levenscyclus binnen de vastgestelde systeemgrenzen, moeten worden gedocumenteerd met behulp van de nomenclatuur en eigenschappen (74) van het International Reference Life Cycle Data System (ILCD), zoals beschreven in bijlage IV.

Als in het ILCD geen nomenclatuur en eigenschappen voor een gegeven stroom beschikbaar zijn, moet de beroepsbeoefenaar een passende nomenclatuur creëren en de eigenschappen van de stroom documenteren.

5.6   Eisen inzake gegevenskwaliteit

Deze paragraaf beschrijft hoe de gegevenskwaliteit moet worden beoordeeld. Er zijn voor PEF-onderzoeken zes kwaliteitscriteria vastgesteld, waarvan vijf criteria betrekking hebben op de gegevens en één criterium betrekking heeft op de methode. Deze criteria zijn samengevat in. De representativiteit (technologisch, geografisch en chronologisch) geeft aan in welke mate de geselecteerde processen en producten het geanalyseerd systeem weerspiegelen. Als eenmaal de processen en producten zijn gekozen die het geanalyseerd systeem weerspiegelen, wordt een inventaris opgemaakt van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel van deze processen en producten. Het volledigheidscriterium evalueert in welke mate het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel van deze processen en producten alle emissies en hulpbronnen van deze processen en producten dekt.

Behalve deze criteria zijn nog eens drie aspecten opgenomen in de kwaliteitsbeoordeling, te weten, toetsing, documentatie (naleving van de ILCD-format) en naleving van de ILCD-nomenclatuur. Deze laatste drie aspecten zijn niet opgenomen in de semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit die wordt beschreven in de onderstaande paragrafen. Aan deze criteria moet echter wel worden voldaan.

Tabel 3

Criteria inzake gegevenskwaliteit, documentatie, nomenclatuur en evaluatie

Criteria voor de gegevens-kwaliteit

technologische representativiteit (78)

geografische representativiteit (79)

chronologische representativiteit (80)

volledigheid

parameteronzekerheid (81)

methodologische geschiktheid en consistentie (82) (de in tabel 7 vastgelegde eisen zijn van toepassing tot eind 2015; vanaf 2016 is volledige overeenstemming met de PEF-methodologie vereist)

Documentatie

conform ILCD-formaat

Nomenclatuur

conform ILCD-nomenclatuur (bijvoorbeeld gebruik van elementaire referentiestromen van het ILCD voor IT-compatibele inventarissen)

Evaluatie

evaluatie door een "gekwalificeerde beoordelaar" (zie hoofdstuk 8)

apart evaluatierapport


Tabel 4

Overzicht van de eisen inzake gegevenskwaliteit en de beoordeling van de gegevenskwaliteit

 

Vereiste minimum-gegevenskwaliteit

Vereiste soort beoordeling van de gegevenskwaliteit

Gegevens die ten minste 70% van de bijdragen aan elk van de EF-effectcategorieën bestrijken

In het algemeen "goede" gegevenskwaliteit (DQR ≤ 3,0)

Semikwantitatief op basis van tabel 5

Gegevens die 20-30 % van de bijdragen aan elk van de EF-effectcategorieën bestrijken

In het algemeen "redelijke" gegevenskwaliteit

Kwalitatieve beoordeling door deskundigen (tabel 7 kan worden gebruikt om de beoordeling door deskundigen te ondersteunen). Geen kwantificering vereist.

Gegevens die worden gebruikt voor benaderingen en voor het vullen van geïdentificeerde hiaten (niet meer dan 10 % van de bijdragen aan elk van de EF-effectcategorieën)

Beste beschikbare gegevens

Kwalitatieve beoordeling door deskundigen (tabel 7 kan worden gebruikt om de beoordeling door deskundigen te ondersteunen).

Semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit

Tabel 5 geeft een overzicht van de criteria die worden gebruikt voor de semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit; tabel 6 en de bijbehorende vergelijkingen beschrijven de criteria die moeten worden gebruikt voor een semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit. Bijlage VII geeft een voorbeeld van de eisen inzake gegevenskwaliteit voor intermediaire papierwaren.

Tabel 5

Criteria voor de semikwantitatieve beoordeling van de totale gegevenskwaliteit van de levenscyclusinventarisgegevens die in het PEF-onderzoek worden gebruikt

Kwaliteitsniveau

Kwali teits score

Definitie

Volledigheid

Methodologische geschiktheid en consistentie

Chronologische representativiteit

Technologische representativiteit

Geografische representativiteit

Parameter onzekerheid

 

 

 

Te beoordelen wat betreft de dekking voor elke EF-effectcategorie en in vergelijking tot een hypothetische ideale gegevenskwaliteit

De toegepaste LCI-methoden en methodologische keuzes (bijv. allocatie, substitutie, enz.) zijn in overeenstemming met het doel en de reikwijdte van de gegevensset, in het bijzonder met de beoogde toepassingen ter ondersteuning van besluiten. De methoden zijn ook consequent toegepast op alle gegevens (83).

Mate waarin de gegevensset de specifieke omstandigheden van het onderzochte systeem weerspiegelt m.b.t. de tijd/ouderdom van de gegevens, en inclusief achtergrond-gegevenssets, indien beschikbaar.

Toelichting: dat wil zeggen, van het gegeven jaar (en – indien van toepassing - van jaarlijkse of dagelijkse verschillen).

Mate waarin de gegevensset de werkelijke relevante populatie weerspiegelt wat betreft technologie, ook voor opgenomen achtergrondgegevenssets, indien beschikbaar.

Toelichting: dat wil zeggen, van de technologische kenmerken, met inbegrip van bedrijfsomstandigheden.

Mate waarin de gegevensset een afspiegeling is van de werkelijke relevante populatie voor geografie, ook voor opgenomen achtergrondgegevenssets, indien beschikbaar.

Toelichting: dat wil zeggen, van de (het) gegeven locatie/terrein, regio, land, markt, werelddeel, enz.

Kwalitatieve beoordeling door deskundigen of relatieve standaardafwijking als %, als een Monte Carlo-simulatie wordt gebruikt.

Toelichting: de beoordeling van de onzekerheid heeft alleen betrekking op de gegevens over het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel; zij bestrijkt niet de EF-effectbeoordeling.

Zeer goed

1

Voldoet in zeer hoge mate aan het criterium, zonder noodzaak van verbetering.

Zeer goede volledigheid

(≥ 90 %)

Voldoet volledig aan alle eisen van de PEF-gids

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Zeer lage onzekerheid

Zeer lage onzekerheid

(≤ 10 %)

Goed

2

Voldoet in hoge mate aan het criterium, met weinig noodzaak van verbetering.

Goede volledigheid

(80 % tot 90 %)

Attributionele (84), op processen gebaseerde benadering EN:

voldoet aan onderstaande drie methodologische eisen van de PEF-gids:

behandeling van multifunctionaliteit

modellering van eindfase van levenscyclus

systeemgrens

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Lage onzekerheid

Lage onzekerheid

(10 % tot 20 %)

Redelijk

3

Voldoet in aanvaardbare mate aan het criterium, maar verdient verbetering.

Redelijke volledigheid

(70 % tot 80 %)

Attributionele, op processen gebaseerde benadering EN:

voldoet aan twee van onderstaande drie methodologische eisen van de PEF-gids:

behandeling van multifunctionaliteit

modellering van eindfase van levenscyclus

systeemgrens

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Redelijke onzekerheid

Redelijke onzekerheid

(20 % tot 30 %)

Slecht

4

Voldoet niet in voldoende mate aan het criterium. Vereist verbetering.

Slechte volledigheid

(50 % tot 70 %)

Attributionele, op processen gebaseerde benadering EN:

voldoet aan één van onderstaande drie methodologische eisen van de PEF-gids:

behandeling van multifunctionaliteit

modellering van eindfase van levenscyclus

systeemgrens

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Hoge onzekerheid

Hoge onzekerheid

(30% tot 50%)

Zeer slecht

5

Voldoet niet aan het criterium. Vereist substantiële verbetering OF:

Dit criterium is niet beoordeeld / getoetst of de kwaliteit kon op dit punt niet worden geverifieerd / is onbekend.

Zeer slechte of onbekende volledigheid

(< 50 %)

Attributionele, op processen gebaseerde benadering, MAAR:

Aan geen van onderstaande drie methodologische eisen van de PEF-gids is voldaan:

behandeling van multifunctionaliteit

modellering van eindfase van levenscyclus

systeemgrens

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Contextspecifiek

Zeer hoge onzekerheid

Zeer hoge onzekerheid

(> 50 %)

De totale gegevenskwaliteit moet worden berekend door de bereikte kwaliteitsbeoordelingen voor de verschillende kwaliteitscriteria bij elkaar op te tellen en de som vervolgens te delen door het totale aantal criteria (dat wil zeggen, zes). Het resultaat van de bepaling van de gegevenskwaliteit (DQR, Data Quality Rating) wordt gebruikt om het bijbehorende kwaliteitsniveau in tabel 6 te bepalen. Formule 1 toont de berekeningswijze:

Formule 1

Formula

—   DQR:

gegevenskwaliteitscore van de verzameling gegevens

—   TeR:

technologische representativiteit

—   GR:

geografische representativiteit

—   TiR:

chronologische representativiteit

—   C:

volledigheid

—   P:

precisie/onzekerheid

—   M:

methodologische geschiktheid en consistentie

Formule 1 moet worden gebruikt om het totale kwaliteitsniveau van de gegevens vast te stellen volgens de bereikte bepaling van de gegevenskwaliteit (DQR).

Tabel 6

Algehele gegevenskwaliteit volgens de behaalde gegevenskwaliteitsscore (DQR)

Algehele kwaliteitsscore van de gegevens (DQR)

Algehele kwaliteitsniveau van de gegevens

≤ 1,6

"Excellente kwaliteit"

1,6 tot 2,0

"Zeer goede kwaliteit"

2,0 tot 3,0

"Goede kwaliteit"

3 tot 4,0

"Redelijke kwaliteit"

> 4

"Slechte kwaliteit"


Tabel 7

Voorbeeld van een semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit die vereist is voor de belangrijkste gegevensverzamelingen voor de levenscyclusinventaristaie.

Proces: verfproces


Kwaliteitsniveau

Kwali teits score

Definitie

Volledigheid

Methodologische naleving en consistentie

Chronologische representativiteit

Technologische representativiteit

Geografische representativiteit

Parameter-onzekerheid (relatieve standaard-afwijking als %, als een Monte Carlo-simulatie wordt gebruikt, anders kwalitatieve beoordeling door des-kundigen)

Zeer goed

1

Voldoet in zeer hoge mate aan het criterium, zonder noodzaak van verbetering.

Zeer goede volledigheid

(≥ 90 %)

Voldoet volledig aan alle eisen van de PEF-gids

2009-2012

Discontinu met airflow verfmachines

Mix voor Midden-Europa

Zeer lage onzekerheid

(≤ 10 %)

Goed

2

Voldoet in hoge mate aan het criterium, met weinig noodzaak van verbetering.

Goede volledigheid

(80 % tot 90 %)

Attributionele, op processen gebaseerde benadering EN:

voldoet aan onderstaande drie methodologische eisen van de PEF-gids:

behandeling van multifunctionaliteit

modellering van eindfase van levenscyclus

systeemgrens

2006-2008

Voorbeeld "Verbruiksmix in EU: 30% semi-continu verven, 50 % in batches en 20 % continu verven"

Mix voor EU-27; UK, DE; IT; FR

Lage onzekerheid

(10 % tot 20 %)

Redelijk

3

Voldoet in aanvaardbare mate aan het criterium, maar verdient verbetering.

Redelijke volledigheid

(70 % tot 80 %)

Attributionele, op processen gebaseerde benadering EN:

voldoet aan twee van onderstaande drie methodologische eisen van de PEF-gids:

behandeling van multifunctionaliteit

modellering van eindfase van levenscyclus.

Aan de volgende methodologische eis van de PEF-gids wordt echter niet voldaan:

systeemgrens

1999-2005

Voorbeeld "Productiemix in EU: 35% semi-continu verven, 40 % in batches en 25 % continu verven"

Scandinavië; andere landen van EU-27

Redelijke onzekerheid

(20 % tot 30 %)

Slecht

4

Voldoet niet in voldoende mate aan het criterium. Vereist verbetering.

Slechte volledigheid

(50 % tot 75 %)

Attributionele, op processen gebaseerde benadering EN:

Voldoet aan één van onderstaande drie methodologische eisen van de PEF-gids:

behandeling van multifunctionaliteit.

Aan de volgende twee methodologische eisen van de PEF-gids wordt echter niet voldaan:

modellering van eindfase van levenscyclus

systeemgrens

1990-1999

Voorbeeld: "verven in batches"

Midden-Oosten; VS; JP

Hoge onzekerheid

(30 % tot 50 %)

Zeer slecht

5

Voldoet niet aan het criterium. Vereist substantiële verbetering OF:

Dit criterium is niet beoordeeld / getoetst of de kwaliteit kon op dit punt niet worden geverifieerd / is onbekend.

Zeer slechte of onbekende volledigheid

(< 50 %)

Attributionele, op processen gebaseerde benadering, MAAR:

aan geen van onderstaande drie methodologische eisen van de PEF-gids is voldaan:

behandeling van multifunctionaliteit

Modellering van eindfase van levenscyclus

systeemgrens

< 1990; Onbekend

Continu verven; overig; onbekend

Overig; Onbekend

Zeer hoge onzekerheid

(> 50 %)

Eisen voor PEF-onderzoeken:

PEF-onderzoeken die openbaar zullen worden gemaakt, dat wil zeggen, B2B of B2C, moeten voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit. Voor PEF-onderzoeken (die beweren in overeenstemming te zijn met deze PEF-gids) die bedoeld zijn voor interne toepassingen, zou aan de gespecificeerde eisen inzake gegevenskwaliteit moeten worden voldaan (dat wil zeggen, deze eisen worden aanbevolen), maar dit is niet verplicht. Alle afwijkingen van de eisen moeten worden gedocumenteerd. De eisen inzake gegevenskwaliteit gelden voor zowel specifieke (85).als generieke gegevens (86)

De volgende zes criteria moeten worden gehanteerd voor een semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit in PEF-onderzoeken: technologische representativiteit, geografische representativiteit, chronologische representativiteit, volledigheid, parameteronzekerheid en methodologische geschiktheid en consistentie.

In de facultatieve screeningstap is minimaal een "redelijke" kwaliteit vereist voor gegevens die bijdragen tot ten minste 90 % van het effect dat voor elke EF-effectcategorie wordt geschat, volgens een kwalitatieve beoordeling door deskundigen.

In het definitieve hulpbronnengebruik- en emissieprofiel moet voor de processen of activiteiten die verantwoordelijk zijn voor ten minste 70 % van de bijdragen aan elke EF-effectcategorie, door zowel de specifieke als de generieke gegevens een totaal kwaliteitsniveau van ten minste "goede kwaliteit" worden gehaald (de drempel van 70 % is gekozen om het evenwicht te bewaren tussen het doel van het bereiken van een deugdelijke beoordeling en de noodzaak om het niveau haalbaar en toegankelijk te houden). Voor deze processen moet een semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit worden uitgevoerd en gerapporteerd. Ten minste twee derde van de resterende 30 % (dat wil zeggen, 20 % tot 30 %) moet worden gemodelleerd met gegevens die ten minste van "redelijke kwaliteit" zijn. Gegevens van minder dan redelijke kwaliteit mogen niet meer dan 10 % van de bijdragen aan elke EF-effectcategorie uitmaken.

De eisen inzake gegevenskwaliteit op het punt van de technologische, geografische en chronologische representativiteit moeten in het kader van het PEF-onderzoek aan toetsing worden onderworpen. Aan de eisen inzake gegevenskwaliteit die betrekking hebben op de volledigheid, methodologische geschiktheid en consistentie, en de parameteronzekerheid moet worden voldaan door generieke gegevens uitsluitend te betrekken van gegevensbronnen die voldoen aan de eisen van de PEF-gids.

Wat betreft het criterium van "methodologische geschiktheid en consistentie" voor de gegevenskwaliteit, moeten tot het einde van 2015 de eisen als beschreven in tabel 6 worden toegepast. Vanaf 2016 is volledige overeenstemming met de PEF-methodologie vereist.

De beoordeling van de kwaliteit van generieke gegevens moet worden uitgevoerd op het niveau van de inputstromen (bijvoorbeeld ingekocht papier dat wordt gebruikt in een drukkerij), terwijl de beoordeling van de kwaliteit van specifieke gegevens moet worden uitgevoerd op het niveau van een individueel proces of geaggregeerd proces of op het niveau van individuele inputstromen.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

PEFCR’s moeten verdere richtsnoeren verstrekken voor het bepalen van de gegevenskwaliteitsscore voor de productcategorie op het punt van de chronologische, geografische en technologische representativiteit. PEFCR’s moeten bijvoorbeeld specificeren welke gegevenskwaliteitsscore op het punt van de chronologische representativiteit moet worden toegekend aan een gegevensset die een bepaald jaar bestrijkt.

PEFCR’s mogen aanvullende criteria voor de beoordeling van de gegevenskwaliteit specificeren (ten opzichte van de standaardcriteria).

PEFCR’s mogen strengere eisen inzake gegevenskwaliteit specificeren, indien dit voor de productcategorie in kwestie passend is. Deze eisen kunnen omvatten:

poort-tot-poortactiviteiten en -processen;

upstream- of downstreamfasen;

de belangrijkste activiteiten in de toeleveringsketen voor de productcategorie;

de belangrijkste EF-effectcategorieën voor de productcategorie.

Voorbeeld voor het bepalen van de score voor gegevenskwaliteit

Onderdeel

Behaald kwaliteitsniveau

Bijbehorende kwaliteitsscore (DQR)

Technologische representativiteit (TeR)

goed

2

Geografische representativiteit (GR)

goed

2

Chronologische representativiteit (TiR)

redelijk

3

Volledigheid (C)

goed

2

Parameteronzekerheid (P)

goed

2

Methodologische geschiktheid en consistentie (M)

goed

2

Formula

Een DQR van 2,2 komt overeen met de totale beoordeling "goede kwaliteit".

5.7   Verzamelen van specifieke gegevens

In deze paragraaf wordt het verzamelen van specifieke gegevens beschreven. Dit zijn gegevens die direct worden gemeten of verzameld en die representatief zijn voor activiteiten bij een bepaalde faciliteit of verzameling faciliteiten. De gegevens zouden alle bekende inputs en outputs van de processen moeten omvatten. Inputs zijn (bijvoorbeeld) verbruik van energie, water, materialen, enz. Outputs zijn de producten, co-producten en emissies (87). De emissies kunnen worden ingedeeld in vier categorieën: emissies in de lucht, in water, in de bodem, en emissies in de vorm van vast afval. Specifieke gegevens kunnen worden verzameld, gemeten of berekend met behulp van activiteitsgegevens (88) en de daarmee verbonden emissiefactoren. Er zij opgemerkt dat emissiefactoren mogen worden afgeleid van generieke gegevens, mits zij voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit.

Gegevensverzameling - metingen en op maat gesneden vragenlijsten

De meest representatieve gegevensbronnen voor specifieke processen zijn metingen die direct op het proces worden verricht of die via interviews of vragenlijsten worden verkregen van marktdeelnemers. De gegevens moeten mogelijk worden geschaald, worden geaggregeerd of een andere wiskundige behandeling ondergaan om ze te laten overeenstemmen met de eenheid van analyse en referentiestroom van het proces.

Typische bronnen van specifieke gegevens zijn:

verbruiksgegevens op proces- of fabrieksniveau;

facturen en voorraad-/inventariswijzigingen van hulpstoffen;

emissiemetingen (hoeveelheden en concentraties van emissies van gas en afvalwater);

de samenstelling van producten en afvalstoffen;

inkoop- en verkoopafdeling(en)/-eenhe(i)d(en).

Eisen voor PEF-onderzoeken

Specifieke gegevens (89) moeten worden verkregen voor alle voorgrondprocessen en, in voorkomend geval, voor achtergrondprocessen (90). Als generieke gegevens echter representatiever of geschikter zijn dan specifieke gegevens voor voorgrondprocessen (dit moet worden onderbouwd en gerapporteerd), moeten ook voor de voorgrondprocessen generieke gegevens worden gebruikt.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

PEFCR’s moeten:

1.

aangeven voor welke processen specifieke gegevens moeten worden verzameld;

2.

de eisen voor het verzamelen van specifieke gegevens specificeren;

3.

voor elk terrein de eisen inzake de gegevensverzameling bepalen voor:

doelfase(n) en het bereik van de gegevensverzameling;

plaats van gegevensverzameling (binnenlands, internationaal, specifieke fabrieken, enzovoort);

periode van gegevensverzameling (jaar, seizoen, maand, enzovoort);

wanneer de plaats of de periode van de gegevensverzameling moet worden beperkt tot een bepaald bereik, moet hiervoor een onderbouwing worden gegeven en moet worden aangetoond dat de verzamelde gegevens voldoende steekproeven opleveren.

5.8   Verzamelen van generieke gegevens

Generieke gegevens zijn gegevens die niet zijn gebaseerd op directe metingen of berekening van de respectieve processen in het systeem. Generieke gegevens kunnen sectorspecifiek zijn, bijvoorbeeld specifiek voor de sector die voor het PEF-onderzoek wordt onderzocht, of multisectoraal. Voorbeelden van generieke gegevens zijn onder andere:

gegevens uit literatuur of wetenschappelijke artikelen;

gemiddelde levenscyclusgegevens uit levenscyclusinventarisdatabanken voor de betreffende bedrijfstak, rapporten van bedrijfsverenigingen, overheidsstatistieken, enz.

Bronnen van generieke gegevens

Generieke gegevens moeten, indien beschikbaar, worden ontleend aan de gegevensbronnen die in deze PEF-gids worden gespecificeerd. De overige generieke gegevens zouden bij voorkeur moeten worden ontleend aan:

databanken die worden verstrekt door internationale gouvernementele organisaties (bijvoorbeeld FAO, UNEP);

landenspecifieke LCI-databankprojecten van nationale overheden (voor gegevens die specifiek zijn voor de databank van het gastland);

LCI-databankprojecten van nationale overheden;

andere LCI-databanken van derde landen;

door collega’s getoetste literatuur.

Er zijn ook andere potentiële bronnen van generieke gegevens te vinden, bijvoorbeeld in de LCA Resources Directory van het Europees LCA-platform (European Platform on LCA) (91). Indien de benodigde gegevens niet in de hierboven genoemde bronnen zijn te vinden, mogen andere bronnen worden gebruikt.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Generieke gegevens zouden alleen gebruikt moeten worden voor processen in het achtergrondsysteem, tenzij de generieke gegevens representatiever of geschikter zijn dan specifieke gegevens voor voorgrondprocessen; in dat geval moeten ook voor de voorgrondprocessen generieke gegevens worden gebruikt. Voor zover beschikbaar, moeten sectorspecifieke generieke gegevens worden gebruikt, in plaats van multisectorale generieke gegevens. Alle generieke gegevens moeten voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit die in dit document zijn gespecificeerd. De bronnen van de gebruikte gegevens moeten duidelijk worden gedocumenteerd en gerapporteerd in het PEF-rapport.

Zo die er zijn en mits zij voldoen aan de in deze PEF-gids gespecificeerde eisen inzake gegevenskwaliteit moeten generieke gegevens worden ontleend aan:

gegevens die zijn ontwikkeld in overeenstemming met de eisen van de relevante PEFCR’s;

gegevens die zijn ontwikkeld in overeenstemming met de eisen voor PEF-onderzoeken;

het gegevensnetwerk van het lnternational Reference Life Cycle Data System (ILCD) (92) (waarbij gegevenssets die volledig in overeenstemming zijn met ILCD-gegevensnetwerk de voorkeur genieten boven gegevenssets die alleen overeenstemmen op basisniveau);

de European Reference Life Cycle Database (ELCD) (93).

Aanvullende eis voor het ontwikkelen van PEFCR’S

De PEFCR moeten specificeren:

wanneer het gebruik van generieke gegevens is toegestaan als benadering voor een stof waarvoor geen specifieke gegevens beschikbaar zijn;

het niveau van de vereiste overeenkomst tussen de werkelijke stof en de generieke stof;

indien nodig, de combinatie van meer dan één generieke gegevensset.

5.9   Omgaan met resterende gegevenshiaten/ontbrekende gegevens van eenheidsprocessen

Er is sprake van een gegevenshiaat wanneer er geen specifieke of generieke gegevens beschikbaar zijn die voldoende representatief zijn voor het gegeven proces in de levenscyclus van het product. Voor de meeste processen waarvoor mogelijk gegevens ontbreken, zou het mogelijk moeten zijn om voldoende informatie te verkrijgen om een redelijke schatting van de ontbrekende gegevens te maken. Er zouden dus maar weinig, of geen, gegevenshiaten moeten zijn in het definitieve hulpbronnengebruik- en emissieprofiel. Ontbrekende informatie kan van verschillende typen zijn en verschillende kenmerken hebben, die elk vragen om een aparte oplossing.

Er kunnen gegevenshiaten bestaan wanneer:

voor een specifieke input of een specifiek product geen gegevens bestaan, of

er gegevens bestaan voor een vergelijkbaar proces, maar:

de gegevens zijn gegenereerd in een andere regio;

de gegevens zijn gegenereerd met hulp van een andere technologie;

de gegevens zijn gegenereerd in een andere tijdsperiode.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Elk gegevenshiaat moet worden gevuld met behulp van de beste beschikbare generieke of geëxtrapoleerde gegevens (94). De bijdrage van deze gegevens (met inbegrip van hiaten in generieke gegevens) mag niet meer uitmaken dan 10% van de totale bijdrage aan elke onderzochte EF-effectcategorie. Dit wordt weerspiegeld in de eisen inzake gegevenskwaliteit, volgens welke 10% van de gegevens mag worden ontleend aan de beste beschikbare gegevens (zonder enige verdere eisen inzake gegevenskwaliteit).

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR moet potentiële gegevenshiaten specificeren en gedetailleerde richtsnoeren verstrekken voor het vullen van deze hiaten.

5.10   Behandeling van multifunctionele processen

Processen of faciliteiten die meer dan een functie vervullen, dat wil zeggen, meerdere goederen en/of diensten ("co-producten") leveren, zijn "multifunctioneel". In zulke situaties moeten alle inputs en emissies die verband houden met het proces volgens vaste beginselen worden verdeeld tussen het onderzochte product en de overige producten. Systemen waarin sprake is van multifunctionele processen, moeten worden gemodelleerd overeenkomstig de volgende beslissingshiërarchie, waarvoor PEFCR’s aanvullende richtsnoeren kunnen geven.

Beslissingshiërarchie

I)   Onderverdeling of systeemuitbreiding

Voor zover mogelijk, zou gebruik moeten worden gemaakt van onderverdeling of systeemuitbreiding om allocatie te vermijden. Onderverdeling is het opsplitsen van multifunctionele processen of faciliteiten om de inputstromen te isoleren die direct verband houden met de output van de verschillende processen of faciliteiten. Systeemuitbreiding is het uitbreiden van het systeem door aanvullende functies die verband houden met de co-producten in het systeem op te nemen. Er moet eerst worden onderzocht of het geanalyseerde proces kan worden onderverdeeld of uitgebreid. Wanneer onderverdeling mogelijk is, hoeven inventarisgegevens uitsluitend te worden verzameld voor de eenheidsprocessen (95) die direct aan de betrokken goederen en/of diensten kunnen worden toegerekend (96). Als het systeem kan worden uitgebreid, moeten de aanvullende functies in de analyse worden opgenomen en moeten de resultaten worden gecommuniceerd voor het uitgebreide systeem als geheel, in plaats van op het niveau van de afzonderlijke co-producten.

II)   Allocatie op basis van een relevante onderliggende fysieke relatie

Wanneer onderverdeling of systeemuitbreiding niet mogelijk is, moet allocatie worden toegepast: de inputs en outputs van het systeem zouden tussen de verschillende producten of functies van het systeem moeten worden verdeeld op een manier die de relevante onderliggende fysieke relaties tussen hen weerspiegelt. (ISO 14044:2006, 14).

Allocatie op basis van een relevante onderliggende fysieke relatie is het verdelen van de input- en outputstromen van een multifunctioneel proces of multifunctionele faciliteit overeenkomstig een relevante, kwantificeerbare fysieke relatie tussen de procesinputs en co-productoutputs (bijvoorbeeld een fysieke eigenschap van de inputs en outputs die relevant is voor de door het betreffende co-product vervulde functie). Allocatie op basis van een fysieke relatie kan worden gemodelleerd met behulp van directe substitutie, als er een product kan worden geïdentificeerd dat direct wordt gesubstitueerd (97).

Kan er een direct substitutie-effect deugdelijk worden gemodelleerd? Deze vraag kan worden beantwoord door na te gaan of (1) er een direct, empirisch aantoonbaar substitutie-effect is, EN (2) het vervangen product kan worden gemodelleerd en de emissieprofielgegevens op een direct representatieve wijze in mindering kunnen worden gebracht:

zo ja (dat wil zeggen, als aan beide voorwaarden is voldaan), modelleer dan het substitutie-effect;

of

kunnen input-/outputstromen worden toegewezen op basis van een andere relevante onderliggende fysieke relatie die een verband legt tussen enerzijds de inputs en outputs en anderzijds de door het systeem vervulde functie? Deze vraag kan worden beantwoord door na te gaan of er een relevante fysieke relatie kan worden vastgesteld volgens welke de stromen voor het vervullen van de vastgestelde functie van het productsysteem kunnen worden toegewezen (98):

zo ja, wijs dan toe op basis van deze fysieke relatie.

III)   Allocatie op basis van een andere relatie

Allocatie op basis van een andere relatie kan mogelijk zijn. Economische allocatie is bijvoorbeeld het toewijzen van inputs en outputs die verband houden met multifunctionele processen, aan de outputs van co-producten naar gelang van hun relatieve marktwaarden. De marktprijs van de co-functies zou een relatie moeten vertonen met de specifieke situatie waarin en het specifieke punt waarop de co-producten worden geproduceerd. Allocatie op basis van economische waarde mag uitsluitend worden toegepast wanneer (I en II) niet mogelijk zijn. In elk geval moet het verwerpen van stap I en II en het kiezen van een bepaalde allocatieregel in stap III worden gerechtvaardigd, om ervoor te zorgen dat de PEF-resultaten zo representatief mogelijk zijn.

Allocatie op basis van een andere relatie kan op een van de volgende alternatieve wijzen worden benaderd.

Kan een indirect substitutie-effect (99) worden geïdentificeerd? EN kan het vervangende product op een redelijk representatieve manier worden gemodelleerd en de inventaris in mindering worden gebracht?

zo ja (dat wil zeggen, aan beide voorwaarden is voldaan), modelleer dan het indirecte substitutie-effect;

of

kunnen de input-/outputstromen tussen de producten en functies worden verdeeld op basis van een andere relatie (bijvoorbeeld de relatieve economische waarde van de co-producten)?

zo ja, wijs producten en functies dan toe op basis van de vastgestelde relatie.

Het omgaan met multifunctionaliteit van producten is vooral een uitdaging wanneer er sprake is van recycling of energieherwinning van een (of meer) van deze producten, omdat de systemen dan doorgaans tamelijk complex worden. Bijlage V verschaft de benadering die moet worden gebruikt om de totale emissies te schatten die verband houden met een bepaald proces waarbij sprake is van recycling en/of energieherwinning. Dit geldt ook voor afvalstoffenstromen die binnen de systeemgrenzen worden gegenereerd.

Voorbeelden van directe en indirecte substitutie

Directe substitutie:

directe substitutie kan worden gemodelleerd als een vorm van "allocatie op basis van een onderliggende fysieke relatie", wanneer een direct, empirisch aantoonbaar substitutie-effect kan worden geïdentificeerd. Wanneer bijvoorbeeld stikstof uit dierlijke mest op landbouwgrond wordt aangebracht, waarbij direct een gelijke hoeveelheid van de specifieke stikstof uit kunstmest die de boer anders zou hebben toegepast, wordt vervangen, krijgt het veehouderijsysteem waarvan de dierlijke mest afkomstig is, kredieten voor de verplaatste productie van meststoffen (rekening houdend met verschillen in vervoer, behandeling en emissies).

Indirecte substitutie:

indirecte substitutie kan worden gemodelleerd als een vorm van "allocatie op basis van een andere relatie", wanneer een co-product verondersteld wordt een marginaal of gemiddeld marktequivalent product te vervangen via door de markt tot stand gebrachte processen. Wanneer bijvoorbeeld dierlijke mest wordt verpakt en verkocht voor gebruik in moestuinen, krijgt het veehouderijsysteem waarvan de dierlijke mest afkomstig is, kredieten voor de marktgemiddelde meststoffen voor moestuinen die verondersteld worden te zijn vervangen (rekening houdend met verschillen in vervoer, behandeling en emissies).

Eisen voor PEF-onderzoeken

De volgende PEF-beslissingshiërarchie voor multifunctionaliteit moet worden toegepast voor het oplossen van alle multifunctionaliteitsproblemen: (1) onderverdeling of systeemuitbreiding; (2) allocatie op basis van een relevante onderliggende fysieke relatie (met inbegrip van directe substitutie of een relevante onderliggende fysieke relatie); (3) allocatie op basis van een andere relatie (met inbegrip van indirecte substitutie of een andere relevante onderliggende relatie).

Alle keuzes die in deze context worden gemaakt, moeten worden gerapporteerd en er moet worden onderbouwd dat het overkoepelende doel van het garanderen van fysiek representatieve, voor het milieu relevante resultaten wordt gehaald. Voor multifunctionaliteit van producten in situaties van recycling of energieherwinning moet de in bijlage V gegeven vergelijking worden toegepast. Het bovenstaande beslissingsproces is ook van toepassing op multifunctionaliteit in de eindfase van de levenscyclus.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR specificeert voorts multifunctionaliteitsoplossingen die binnen de vastgestelde systeemgrenzen en, in voorkomend geval, voor upstream- en downstreamfasen moeten worden toegepast. Indien uitvoerbaar/passend, kan de PEFCR voorts specifieke factoren verstrekken die in geval van allocatie-oplossingen moeten worden gebruikt. Alle in de PEFCR gespecificeerde multifunctionaliteitsoplossingen moeten duidelijk worden onderbouwd met verwijzingen naar de hiërarchie voor PEF-multifunctionaliteitsoplossingen.

Wanneer onderverdeling wordt toegepast, moet de PEFCR specificeren welke processen moeten worden onderverdeeld en volgens welke beginselen de onderverdeling moet plaatsvinden.

Wanneer allocatie op basis van een fysieke relatie wordt toegepast, moet de PEFCR specificeren met welke relevante onderliggende fysieke relatie rekening moet worden gehouden, en de relevante allocatiefactoren vaststellen.

Wanneer allocatie op basis van een andere relatie wordt toegepast, moet de PEFCR deze relatie specificeren en de relevante allocatiefactoren vaststellen. In geval van economische allocatie moet de PEFCR bijvoorbeeld de regels specificeren voor het bepalen van de economische waarde van co-producten.

Voor multifunctionaliteit in de eindfase van de levenscyclus moet de PEFCR specificeren hoe de verschillende elementen in de verstrekte verplichte vergelijking worden berekend.

Figuur 4

Beslissingsboom voor het behandelen van multifunctionele processen

Image

5.11   Gegevens verzamelen die betrekking hebben op de volgende methodologische fasen in een PEF-onderzoek

Figuur 5 heeft betrekking op de stap van de gegevensverzameling die moet worden gezet wanneer een PEF-onderzoek wordt uitgevoerd. Voor zowel specifieke als generieke gegevens worden de "moeten/zou moeten/mogen"-bepalingen samengevat. De figuur geeft bovendien het verband aan tussen de stap van het gegevens verzamelen en de ontwikkeling van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel en de daaropvolgende EF-effectbeoordeling.

Figuur 5

Verband tussen gegevensverzameling, hulpbronnengebruik en emissieprofiel en EF-effectbeoordeling

Image

6.   MILIEUVOETAFDRUK-EFFECTBEOORDELING

Wanneer het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel eenmaal is voltooid, moet de EF-effectbeoordeling ter hand worden genomen om met behulp van de geselecteerde EF-effectcategorieën en modellen de milieuprestatie van het product te berekenen. De EF-effectbeoordeling omvat twee verplichte en twee facultatieve stappen. De EF-effectbeoordeling is niet bedoeld als vervanging van andere (gereglementeerde) instrumenten die een andere reikwijdte en doelstelling hebben, zoals de (milieu)risicobeoordeling, de locatiespecifieke milieueffectbeoordeling (MEB) of de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften op productniveau of met betrekking tot de veiligheid op het werk. De EF-effectbeoordeling heeft in het bijzonder niet ten doel te voorspellen of op enige specifieke locatie op enig tijdstip drempels worden overschreden en daadwerkelijke effecten optreden. Zij beschrijft daarentegen de bestaande druk op het milieu. De EF-effectbeoordeling is dus een aanvulling op andere goed functionerende instrumenten: zij voegt het levenscyclusperspectief toe.

6.1   Verplichte stappen: Classificatie en Karakterisering

Eisen voor PEF-onderzoeken

De EF-effectbeoordeling moet een classificatie en karakterisering van de milieuvoetafdrukstromen van het product omvatten.

6.1.1   Classificatie van de milieuvoetafdrukstromen van het product

In de classificatiefase moeten de materiaal- en energie-inputs en -outputs die zijn geïnventariseerd in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel worden toegewezen aan de relevante EF-effectcategorie. In deze fase worden bijvoorbeeld alle inputs en outputs die leiden tot broeikasgasemissies, toegewezen aan de categorie "klimaatverandering". Evenzo worden de inputs en outputs die leiden tot emissies van ozonverminderende stoffen, ingedeeld in de categorie "ozonvermindering". In enkele gevallen kan een input of output bijdragen aan meer dan één EF-effectcategorie (chloorfluorkoolstoffen (CFK’s) dragen bijvoorbeeld bij aan zowel klimaatverandering als ozonvermindering).

Het is belangrijk de gegevens uit te drukken in termen van de bestanddelen waarvoor karakteriseringsfactoren beschikbaar zijn (zie volgende paragraaf). Gegevens voor een samengestelde NPK-meststof moeten bijvoorbeeld worden gesplitst en geclassificeerd naar gelang van hun fracties N, P en K, omdat de verschillende bestanddelen zullen bijdragen aan verschillende EF-effectcategorieën. In de praktijk kan mogelijk een groot deel van de gegevens in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel worden ontleend aan bestaande openbare of commerciële levenscyclusinventarisdatabanken, waar de classificatie al is uitgevoerd. In zulke gevallen moet, bijvoorbeeld door de aanbieder, worden gewaarborgd dat de classificatie en de gekoppelde EF-effectbeoordelingspaden overeenkomen met de eisen van deze PEF-gids.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Alle inputs en outputs die tijdens het samenstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel zijn geïnventariseerd, moeten worden toegewezen aan de EF-effectcategorieën waaraan zij bijdragen ("classificatie"), met behulp van de classificatiegegevens die beschikbaar zijn op http://lct.jrc.ec.europa.eu/assessment/projects.

In het kader van de classificatie van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel zouden gegevens moeten worden uitgedrukt in termen van de bestanddelen waarvoor karakteriseringsfactoren beschikbaar zijn.

Voorbeeld: classificatie van gegevens voor een studie voor een T-shirt

Classificatie van gegevens in de effectcategorie "klimaatverandering":

CO2

Ja

CH4

Ja

SO2

Nee

NOx

Nee


Classificatie van gegevens in de effectcategorie "verzuring":

CO2

Nee

CH4

Nee

SO2

Ja

NOx

Ja

6.1.2   Karakterisering van milieuvoetafdrukstromen

Karakterisering is de berekening van de omvang van de bijdrage van elke geclassificeerde input en output aan hun respectieve EF-effectcategorieën, en aggregatie van de bijdragen binnen elke categorie. Dit geschiedt door de waarden in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel te vermenigvuldigen met de relevante karakteriseringsfactor voor elke EF-effectcategorie.

De karakteriseringsfactoren zijn stof- of hulpbronspecifiek. Zij weerspiegelen de intensiteit van het effect van een stof vergeleken met dat van een gemeenschappelijke referentiestof voor een EF-effectcategorie (effectcategorie-indicator). In het geval van het berekenen van klimaatveranderingseffecten worden bijvoorbeeld alle broeikasgasemissies die in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel zijn geïnventariseerd, gewogen op het punt van de intensiteit van hun effect vergeleken met dat van kooldioxide, dat de referentiestof voor deze categorie is. Dit maakt het mogelijk het effectpotentieel van stoffen te aggregeren en uit te drukken in termen van één equivalente stof (in dit geval CO2-equivalenten) voor elke EF-effectcategorie. Zo is de karakteriseringsfactor uitgedrukt als aardopwarmingspotentieel voor methaan gelijk aan 25 CO2-equivalenten, en is zijn effect op de opwarming van de aarde dus 25 keer zo hoog als die van CO2 (die een karakteriseringsfactor of CF van 1 CO2-equivalent heeft).

Eisen voor PEF-onderzoeken

Aan alle geclassificeerde inputs en outputs in elke EF-effectcategorie moeten karakteriseringsfactoren worden toegewezen die de bijdrage per eenheid input/output aan de categorie weerspiegelen, met behulp van de verstrekte karakteriseringsfactoren die online beschikbaar zijn op http://lct.jrc.ec.europa.eu/assessment/projects. Voor elke EF-effectcategorie moeten vervolgens EF-effectbeoordelingsresultaten worden berekend door de hoeveelheid van elke input of output te vermenigvuldigen met zijn karakteriseringsfactor en de bijdragen van alle inputs en outputs binnen elke categorie op te tellen om tot één enkele maat te komen, die wordt uitgedrukt in de passende referentie-eenheid.

Als voor bepaalde stromen (bijvoorbeeld een groep chemische stoffen) van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel geen karakteriseringsfactoren uit het standaardmodel beschikbaar zijn, mogen andere benaderingen voor het karakteriseren van deze stromen worden gebruikt. In zulke situaties moet dit worden gerapporteerd onder "aanvullende milieu-informatie". De karakteriseringsmodellen moeten wetenschappelijk en technisch verdedigbaar zijn en zijn gebaseerd op aparte, identificeerbare milieumechanismen (100) of reproduceerbare empirische waarnemingen.

Voorbeeld: Berekening van EF-effectbeoordelingsresultaten

Opwarming van de aarde

CF

CO2

g

5,132

×

1

=

5,132 kg CO2eq

CH4

g

8,2

×

25

=

0,205 kg CO2eq

SO2

g

3,9

×

0

=

0 kg CO2eq

NOx

g

26,8

×

0

=

0 kg CO2eq

Totaal

=

5,337 kg CO2-eq


Verzuring

CF

CO2

g

5,132

×

0

=

0 Mol H+ eq

CH4

g

8,2

×

0

=

0 Mol H+ eq

SO2

g

3,9

×

1,31

=

0,005 Mol H+ eq

NOx

g

26,8

×

0,74

=

0,019 Mol H+ eq

Totaal

=

0,024kg Mol H+ eq

6.2   Facultatieve stappen: normalisatie en weging

Na de twee verplichte stappen van classificatie en karakterisering kan de EF-effectbeoordeling worden aangevuld met de aanbevolen/facultatieve stappen van normalisatie en weging.

6.2.1   Normalisatie van de resultaten van een milieuvoetafdruk-effectbeoordeling

Normalisatie is niet een verplichte, maar wel een aanbevolen stap waarin de EF-effectbeoordelingsresultaten worden vermenigvuldigd met normalisatiefactoren om de omvang van hun bijdragen aan de EF-effectcategorieën te berekenen en te vergelijken met die van een referentie-eenheid (doorgaans de druk op die categorie veroorzaakt door de emissies gedurende één jaar van een heel land of een gemiddelde burger). Hierdoor worden dimensieloze, genormaliseerde EF-resultaten verkregen. Deze weerspiegelen de relatieve last die aan het product kan worden toegeschreven, in verhouding tot de referentie-eenheid, zoals per hoofd van de bevolking voor een gegeven jaar en regio. Dit maakt het mogelijk de relevantie van de bijdragen van individuele processen te vergelijken met die van de referentie-eenheid van de onderzochte EF-effectcategorieën. Specifieke EF-effectbeoordelingsresultaten kunnen bijvoorbeeld worden vergeleken met die voor een gegeven regio, zoals de EU-27, en per persoon. In dit geval zouden ze relatieve persoonsequivalenten ten opzichte van de emissies voor de EU-27 weergeven. Genormaliseerde milieuvoetafdrukresultaten geven echter niet de ernst/relevantie van de betreffende effecten aan.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Normalisatie is geen verplichte stap voor PEF-onderzoeken, maar wordt wel aanbevolen. Als normalisatie wordt toegepast, moeten de genormaliseerde milieuvoetafdrukresultaten worden gerapporteerd onder "aanvullende milieu-informatie", waarbij alle methoden en aannames moeten worden gedocumenteerd.

Genormaliseerde resultaten mogen niet worden geaggregeerd, omdat daarbij impliciet weging plaatsvindt. Tezamen met de genormaliseerde resultaten moeten ook de resultaten van de EF-effectbeoordeling vóór normalisatie worden gerapporteerd.

6.2.2   Weging van de resultaten van een milieuvoetafdruk-effectbeoordeling

Weging is een aanvullende, niet verplichte maar facultatieve stap die de interpretatie en communicatie van de analyseresultaten kan ondersteunen. In deze stap worden de EF-resultaten, bijvoorbeeld genormaliseerde resultaten, vermenigvuldigd met een reeks wegingsfactoren die het waargenomen relatieve belang van de onderzochte EF-effectcategorieën weergeven. De gewogen EF-resultaten kunnen vervolgens worden vergeleken om hun relatieve belang te beoordelen. Ze kunnen ook over EF-effectcategorieën worden geaggregeerd om meerdere geaggregeerde waarden of één enkele totale effectindicator te verkrijgen.

Voor weging moeten waardeoordelen worden geveld met betrekking tot het relatieve belang van de onderzochte EF-effectcategorieën. Deze oordelen kunnen worden gebaseerd op de expertise van deskundigen, sociale-wetenschapsmethodiek, cultureel-politieke zienswijzen of economische overwegingen (101).

Eisen voor PEF-onderzoeken

Weging is niet verplicht; het is een facultatieve stap voor PEF-onderzoeken. Als weging wordt toegepast, moeten de methoden en resultaten worden gerapporteerd onder "aanvullende milieu-informatie". Tezamen met de gewogen resultaten moeten de resultaten van de EF-effectbeoordeling vóór weging worden gerapporteerd.

De toepassing van normalisatie- en wegingsstappen in PEF-onderzoeken moet consistent zijn met de vastgestelde doelen en reikwijdte van de studie, met inbegrip van de beoogde toepassingen (102).

7.   INTERPRETATIE VAN DE MILIEUVOETAFDRUKRESULTATEN VAN EEN PRODUCT

7.1   Algemeen

De interpretatie van de resultaten van de PEF-studie (103) dient twee doelen:

het eerste doel is te waarborgen dat de prestatie van het PEF-model in overeenstemming is met de doelen en de kwaliteitseisen van de studie. In dit opzicht kan de interpretatie van het PEF-onderzoek informatie geven die kan worden gebruikt voor herhaalde verbeteringen van het PEF-model, totdat alle doelen zijn bereikt en aan alle eisen wordt voldaan;

het tweede doel is deugdelijke conclusies te trekken uit de analyse en tot solide aanbevelingen te komen, bijvoorbeeld ter ondersteuning van milieuverbeteringen.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken, moet de fase van de PEF-interpretatie vier hoofdstappen omvatten, die in dit hoofdstuk worden beschreven.

Eisen voor PEF-onderzoeken

De interpretatiefase moet de volgende stappen omvatten: "beoordeling van de deugdelijkheid van het PEF-model"; "vaststelling van zwakke plekken"; "inschatting van de onzekerheid"; en "conclusies, beperkingen en aanbevelingen".

7.2   Beoordeling van de deugdelijkheid van het model voor de milieuvoetafdruk van een product

Bij de beoordeling van de deugdelijkheid van het PEF-model wordt beoordeeld in hoeverre methodologische keuzes zoals systeemgrenzen, gegevensbronnen, keuzes met betrekking tot de allocatie, en de dekking van EF-effectcategorieën van invloed zijn op de uitkomsten van de analyse.

Instrumenten die zouden moeten worden gebruikt om de deugdelijkheid van het PEF-model te beoordelen, zijn onder andere:

controles op volledigheid: hierbij moet het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel worden getoetst aan de vastgestelde doelen, afbakening, systeemgrenzen en kwaliteitscriteria. Daarbij moet ook worden gekeken of het volledige proces (dus alle relevante processen in elk stadium van de onderzochte toeleveringsketen) en de input/output (d.w.z. de input van materiaal of energie en uitstoot in verband met elk proces) worden bestreken.

controles op gevoeligheid: hierbij moet worden beoordeeld in hoeverre de resultaten worden bepaald door specifieke methodologische keuzes en het effect van de uitvoering van alternatieve keuzes voor zover deze kunnen worden aangegeven. Het is zinvol om de gevoeligheid te controleren voor elke fase van het PEF-onderzoek, waaronder de omschrijving van de doelen en de afbakening, het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel en de EF-effectbeoordeling.

controles van de consistentie: hierbij wordt beoordeeld in hoeverre aannames, methoden en overwegingen met betrekking tot gegevenskwaliteit overal in het PEF-onderzoek consistent zijn toegepast.

Elk probleem dat in deze evaluatie wordt gesignaleerd, kan worden gebruikt als informatie voor herhaalde verbetering van het PEF-onderzoek.

Eisen voor PEF-onderzoeken:

De beoordeling van de deugdelijkheid van het PEF-model moet een beoordeling omvatten van de mate waarin methodologische keuzes de resultaten beïnvloeden. Deze keuzes moeten in overeenstemming zijn met de eisen die in deze PEF-gids zijn gespecificeerd, en moeten passend zijn voor de situatie. Instrumenten die zouden moeten worden gebruikt om de deugdelijkheid van het PEF-model te beoordelen, zijn volledigheidscontroles, gevoeligheidscontroles en consistentiecontroles.

7.3   Vaststellen van zwakke plekken

Nadat is gewaarborgd dat het PEF-model deugdelijk is en in overeenstemming is met alle aspecten die zijn vastgesteld in de fasen van de bepaling van het doel en de reikwijdte, is de volgende stap de belangrijkste elementen te identificeren die bijdragen aan de PEF-resultaten. Deze stap wordt ook wel "analyse van zwakke plekken" ("hotspotanalyse") of "analyse van de zwakke punten" ("weak-pointanalyse") genoemd. Elementen die bijdragen, kunnen specifieke fasen van de levenscyclus, processen of individuele materiaal- of energie-inputs of -outputs zijn die verbonden zijn met een gegeven fase of proces in de toeleveringsketen van het product. Deze worden geïdentificeerd door de resultaten van het PEF-onderzoek systematisch te toetsen. Grafische instrumenten kunnen in dit verband bijzonder nuttig zijn. Zulke analyses verschaffen de benodigde basis om mogelijkheden tot verbetering te identificeren die verband houden met specifieke beheersmaatregelen.

Eisen voor PEF-onderzoeken

PEF-resultaten moeten worden geëvalueerd om het effect van zwakke plekken in de toeleveringsketen/zwakke punten op het niveau van de inputs/outputs, processen en toeleveringsketenfasen te beoordelen en potentiële verbeteringen te beoordelen.

Eisen voor een PEFCR

De PEFCR moet de belangrijkste EF-effectcategorieën voor de sector identificeren. Er mag normalisatie en weging worden toegepast om deze prioriteiten vast te stellen.

7.4   Inschatting van de onzekerheid

Het schatten van de onzekerheden van de definitieve PEF-resultaten ondersteunt voortdurende verbetering van PEF-onderzoeken. Het helpt de doelgroepen ook om de deugdelijkheid en toepasbaarheid van de resultaten van het PEF-onderzoek te beoordelen.

Er zijn twee hoofdbronnen van onzekerheid in PEF-onderzoeken.

(1)

Stochastische onzekerheden voor gegevens in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

Stochastische onzekerheden (zowel met betrekking tot parameters als met betrekking tot het model) verwijzen naar statistische beschrijvingen van spreiding rond een verwachtingswaarde/gemiddelde. Voor normaal verdeelde gegevens wordt deze spreiding doorgaans beschreven in termen van een gemiddelde en een standaardafwijking. De PEF-resultaten die worden berekend met behulp van gemiddelde gegevens (dat wil zeggen, het gemiddelde van meerdere gegevenspunten voor een gegeven proces) weerspiegelen niet de onzekerheid als gevolg van deze spreiding. Die onzekerheid kan echter worden geschat en gecommuniceerd met behulp van passende statistische instrumenten.

(2)

Keuzegerelateerde onzekerheden

Keuzegerelateerde onzekerheden doen zich voor als gevolg van methodologische keuzes, met inbegrip van modelleringsbeginselen, systeemgrenzen, keuzes met betrekking tot de allocatie, de keuze van EF-effectbeoordelingsmethoden, en andere aannames met betrekking tot tijd, technologie, geografie, enz. Deze kunnen niet gemakkelijk statistisch worden beschreven; zij kunnen alleen worden gekenschetst via scenariomodelbeoordelingen (bijvoorbeeld door de modellering van worst-case- en best-case-scenario’s voor belangrijke processen) en gevoeligheidsanalyses.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Voor zowel keuzegerelateerde onzekerheden als onzekerheden in de inventarisgegevens moet ten minste een kwalitatieve beschrijving van de onzekerheden van de PEF-resultaten worden gegeven, om een algemene waardering van de onzekerheden van de resultaten van het PEF-onderzoek te vergemakkelijken.

Eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR moet de veelvoorkomende onzekerheden voor de productcategorie beschrijven en zou het bereik moeten identificeren waarin resultaten in vergelijkingen of vergelijkende beweringen als niet significant afwijkend kunnen worden beschouwd.

TIP: Voor variantie in verband met de gegevens in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel kunnen kwantitatieve onzekerheidsbeoordelingen worden berekend met bijvoorbeeld Monte Carlo-simulaties. De invloed van keuzegerelateerde onzekerheden zou moeten worden geschat door middel van gevoeligheidsanalyses op basis van scenariobeoordelingen bij de boven- en ondergrenzen. Deze analyses zouden duidelijk moeten worden gedocumenteerd en gerapporteerd.

7.5   Conclusies, aanbevelingen en beperkingen

Het laatste aspect van de EF interpretatiefase is het trekken van conclusies op basis van de analyseresultaten, het beantwoorden van de vragen die bij aanvang van het PEF-onderzoek werden gesteld, en het doen van aanbevelingen die geschikt zijn voor het beoogde publiek en de situatie, maar ook expliciet rekening houden met alle beperkingen van de deugdelijkheid en toepasbaarheid van de resultaten. De PEF moet worden beschouwd als een aanvulling op andere beoordelingen en instrumenten, zoals locatiespecifieke milieueffectbeoordelingen of chemische risicobeoordelingen.

Er zouden potentiële verbeteringen moeten worden geïdentificeerd, zoals bijvoorbeeld schonere technologische technieken, wijzigingen in het productontwerp, milieubeheersystemen (bijvoorbeeld milieubeheer- en milieuauditsystemen (EMAS) of ISO 14001), of andere systematische benaderingen.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Conclusies, aanbevelingen en beperkingen moeten worden beschreven in overeenstemming met de vastgestelde doelen en reikwijdte van het PEF-onderzoek. PEF-onderzoeken die bedoeld zijn om vergelijkende beweringen (dat wil zeggen, beweringen over de milieu-superioriteit of -gelijkwaardigheid van het product) te ondersteunen die openbaar zullen worden gemaakt, moeten zijn gebaseerd op zowel deze PEF-gids als gerelateerde PEFCR’s. De conclusies moeten een samenvatting bevatten van de geïdentificeerde "zwakke plekken" in de toeleveringsketen en van de potentiële verbeteringen op het punt van beheersmaatregelen.

8.   RAPPORTEN OVER DE MILIEUVOETAFDRUK VAN EEN PRODUCT

8.1   Algemeen

Een PEF-rapport verschaft een relevant, uitgebreid, consistent, nauwkeurig en transparant verslag van de studie en van de berekende milieueffecten die verband houden met het product. Het geeft de best mogelijke informatie op zodanige wijze dat de bruikbaarheid van de informatie voor de beoogde huidige en toekomstige gebruikers maximaal is, terwijl het op eerlijke en transparante wijze de beperkingen mededeelt. Een effectieve PEF-rapportage moet voldoen aan meerdere criteria, zowel procedurele (kwaliteit van het rapport) als substantiële (inhoud van het rapport).

8.2   Onderdelen van rapportage

Een PEF-rapport bestaat uit ten minste drie elementen: een samenvatting, het hoofdrapport en een bijlage. Vertrouwelijke en gepatenteerde informatie kan worden gedocumenteerd in een vierde onderdeel – een aanvullend vertrouwelijk rapport. Evaluatieverslagen worden bijgevoegd als bijlage, of er wordt een verwijzing naar opgenomen.

8.2.1   Eerste onderdeel: samenvatting

De samenvatting moet zelfstandig kunnen worden gelezen, zonder de resultaten en conclusies/aanbevelingen (indien opgenomen) geweld aan te doen. De samenvatting moet voldoen aan dezelfde criteria inzake transparantie, consistentie, enz. als het gedetailleerde rapport. De samenvatting moet ten minste omvatten:

de belangrijkste elementen van het doel en de reikwijdte van de studie, met de relevante beperkingen en aannames;

een beschrijving van de systeemgrens;

de belangrijkste resultaten van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel en de onderdelen van de EF-effectbeoordeling: deze moeten op zodanige wijze worden gepresenteerd dat de informatie juist kan worden gebruikt;

indien van toepassing, de milieuverbeteringen ten opzichte van eerdere perioden;

relevante verklaringen over de gegevenskwaliteit, aannames en waardeoordelen;

een beschrijving van wat de studie heeft bereikt, de eventueel gedane aanbevelingen en getrokken conclusies;

de algemene beoordeling van de onzekerheden in de resultaten.

8.2.2   Tweede onderdeel: hoofdrapport

Het hoofdrapport (104) moet ten minste de volgende onderdelen bevatten.

Doel van de studie:

verplichte verslagleggingselementen zijn ten minste:

de beoogde toepassing(en);

de methodologische beperkingen of beperkingen met betrekking tot EF-effectcategorieën;

de redenen voor het uitvoeren van de studie;

de doelgroepen;

of de studie bedoeld is voor vergelijking of voor vergelijkende beweringen die openbaar zullen worden gemaakt;

referentie-PEFCR’s;

de opdrachtgever van de studie.

Reikwijdte van de studie:

de paragraaf over de reikwijdte van de studie moet in detail het geanalyseerde systeem identificeren en moet ingaan op de algemene benadering die is gebruikt om de systeemgrenzen vast te stellen. De paragraaf over de reikwijdte van de studie moet tevens ingaan op de eisen inzake gegevenskwaliteit. Tot slot moet deze paragraaf een beschrijving bevatten van de methoden die zijn toegepast voor het beoordelen van potentiële milieueffecten en voor het bepalen van de EF-effectcategorieën, methoden en normalisatie- en wegingscriteria die zijn gebruikt.

Verplichte verslagleggingselementen zijn ten minste:

de eenheid van analyse en de referentiestroom;

de systeemgrenzen, met inbegrip van weglatingen van fasen van de levenscyclus, processen of gegevensbehoeften, kwantificering van energie- en materiaalinputs en -outputs, aannames met betrekking tot de elektriciteitsproductie, het gebruik en de slotfasen van de levenscyclus;

de redenen voor en mogelijke betekenis van eventuele uitsluitingen;

alle aannames en waardeoordelen, tezamen met onderbouwingen van de gemaakte aannames;

de representativiteit van de gegevens, de geschiktheid van de gegevens, en de typen/bronnen van de vereiste gegevens en informatie;

PEF-effectcategorieën, -modellen en -indicatoren;

normalisatie- en wegingsfactoren (indien toegepast);

behandeling van eventuele multifunctionaliteitsproblemen die bij het modelleren van de PEF naar voren zijn gekomen.

Samenstelling en vastlegging van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel:

verplichte verslagleggingselementen zijn ten minste:

beschrijving en documentatie van alle verzamelde gegevens van het eenheidsproces (105);

gegevensverzamelingsprocedures;

bronnen van gepubliceerde literatuur;

informatie over eventuele scenario’s voor de gebruiksfase en de eindfase van de levenscyclus waarmee in downstreamfasen rekening is gehouden;

berekeningsprocedures;

validatie van gegevens, met inbegrip van documentatie en onderbouwing van allocatieprocedures;

als een gevoeligheidsanalyse (106) is uitgevoerd, moet dit worden gerapporteerd.

Berekening van de resultaten van de PEF-effectbeoordeling:

verplichte verslagleggingselementen zijn:

de EF-effectbeoordelingsprocedure, berekeningen en resultaten van het PEF-onderzoek;

beperkingen van de EF-resultaten met betrekking tot het vastgestelde doel en de vastgestelde reikwijdte van het PEF-onderzoek;

het verband tussen de resultaten van de EF-effectbeoordeling en het vastgestelde doel en de vastgestelde reikwijdte;

als een van de standaard EF-effectcategorieën is uitgesloten, moet de rechtvaardiging voor de uitsluiting(en) worden gerapporteerd;

als er is afgeweken van de standaard EF-effectbeoordelingsmethoden (wat moet worden gerechtvaardigd en moet worden opgenomen onder de aanvullende milieu-informatie), omvatten de verplichte verslagleggingselementen ook:

de effectcategorieën en effectcategorie-indicatoren die zijn onderzocht, met inbegrip van de redenen voor hun selectie en een verwijzing naar hun bron;

een beschrijving van of verwijzing naar alle karakteriseringsmodellen, karakteriseringsfactoren en methoden die zijn gebruikt, met inbegrip van alle aannames en beperkingen;

een beschrijving van of verwijzing naar alle waarde-keuzes die zijn gemaakt met betrekking tot de EF-effectcategorieën, karakteriseringsmodellen, karakteriseringsfactoren, normalisatie, groepering en weging en een rechtvaardiging van hun gebruik en hun invloed op de resultaten, conclusies en aanbevelingen;

een verklaring en rechtvaardiging van een eventuele groepering van de EF-effectcategorieën;

de eventuele analyse van de indicatorresultaten, bijvoorbeeld gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse met betrekking tot het gebruik van andere effectcategorieën of aanvullende milieugegevens, met inbegrip van de eventuele gevolgen voor de resultaten;

aanvullende milieu-informatie, indien van toepassing;

informatie over koolstofopslag in producten;

informatie over uitgestelde emissies;

de gegevens en indicatorresultaten die zijn bereikt vóór normalisatie;

indien opgenomen, normalisatie- en wegingsfactoren en resultaten.

Interpretatie van de PEF-resultaten:

verplichte verslagleggingselementen zijn:

beoordeling van de gegevenskwaliteit;

volledige transparantie van de keuzes met betrekking tot waarden, de grondgedachte en beoordeling door deskundigen;

vaststelling van ecologische zwakke plekken;

onzekerheid (ten minste een kwalitatieve beschrijving);

conclusies, aanbevelingen, beperkingen en mogelijkheden tot verbetering.

8.2.3   Derde onderdeel: bijlage

De bijlage dient ter documentatie van ondersteunende onderdelen bij het hoofdrapport die van technische aard zijn. De bijlage moet bevatten:

beschrijvingen van alle aannames, met inbegrip van de aannames waarvan is aangetoond dat ze irrelevant zijn;

een rapport van een kritische evaluatie, met inbegrip van (indien van toepassing) de naam en banden van de beoordelaar of het beoordelingspanel, een kritische evaluatie, reacties op aanbevelingen (indien van toepassing);

het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel (facultatief, als dit profiel als gevoelig wordt beschouwd en in het vertrouwelijke rapport apart wordt medegedeeld, zie hieronder);

zelfverklaring van beoordelaars inzake hun kwalificaties, waarin wordt aangegeven hoeveel punten zij voor elk van de in paragraaf 10.3 van deze PEF-gids gestelde criteria hebben gehaald.

8.2.4   Vierde onderdeel: vertrouwelijk rapport

Het vertrouwelijk rapport is een facultatief verslagleggingselement dat alle gegevens (met inbegrip van ruwe data) en informatie moet bevatten die vertrouwelijk of gepatenteerd zijn/is en niet naar buiten gebracht mogen/mag worden. Het vertrouwelijk rapport moet vertrouwelijk ter beschikking worden gesteld aan de kritische beoordelaars.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Elk PEF-onderzoek die bedoeld is voor externe mededelingen, moet een rapport over het PEF-onderzoek bevatten, dat een deugdelijke basis moet bieden voor het in de loop van de tijd beoordelen en volgen en, indien mogelijk, verbeteren van de milieuprestatie van het product. Het rapport over het PEF-onderzoek moet ten minste een samenvatting, hoofdrapport en bijlage omvatten. Deze moeten alle in dit hoofdstuk gespecificeerde elementen bevatten. Eventuele aanvullende ondersteunende informatie kan ook worden opgenomen, bijvoorbeeld een vertrouwelijk rapport.

Aanvullende eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

PEFCR’s moeten alle afwijkingen van de in hoofdstuk 8 gepresenteerde standaardverslagleggingseisen, alsmede alle aanvullende en/of onderscheidende verslagleggingseisen die afhangen van bijvoorbeeld het type toepassingen van het PEF-onderzoek en het type product dat wordt beoordeeld, specificeren en rechtvaardigen. De PEFCR’s moeten specificeren of de PEF-resultaten voor elk van de geselecteerde fasen van de levenscyclus apart moeten worden gerapporteerd.

9.   KRITISCHE EVALUATIE VAN DE MILIEUVOETAFDRUK VAN EEN PRODUCT

9.1   Algemeen  (107)

Een kritische evaluatie is essentieel om de betrouwbaarheid van de PEF-resultaten te garanderen en de kwaliteit van het PEF-onderzoek te verbeteren.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Elk PEF-onderzoek die bedoeld is voor interne communicatie en dat in overeenstemming te zijn met deze PEF-gids, en elk PEF-onderzoek voor externe communicatie (bijvoorbeeld B2B of B2C) moet kritisch worden geëvalueerd om te garanderen dat:

de voor het uitvoeren van het PEF-onderzoek gebruikte methoden consistent zijn met deze PEF-gids;

de voor het uitvoeren van het PEF-onderzoek gebruikte methoden wetenschappelijk en technisch verdedigbaar zijn;

de gebruikte gegevens geschikt en redelijk zijn en voldoen aan de vastgestelde eisen inzake gegevenskwaliteit;

de interpretatie van de resultaten de geïdentificeerde beperkingen weerspiegelt;

het rapport van de studie transparant, accuraat en consistent is.

9.2   Soort evaluatie

Het geschiktste soort evaluatie dat de vereiste minimumkwaliteitsgarantie verschaft, is een onafhankelijke externe evaluatie. Het soort evaluatie dat wordt uitgevoerd, zou mede moeten afhangen van de doelen en beoogde toepassingen van het PEF-onderzoek.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Tenzij in relevante beleidsinstrumenten anders is bepaald, moet elke studie die naar buiten zal worden gebracht (108), kritisch worden geëvalueerd door ten minste één onafhankelijke, gekwalificeerde externe beoordelaar (of team van beoordelaars). Een PEF-onderzoek om een vergelijkende bewering te ondersteunen die openbaar zal worden gemaakt, moet worden gebaseerd op relevante PEFCR’s en kritisch worden geëvalueerd door een onafhankelijk panel van drie gekwalificeerde externe beoordelaars. Elk PEF-onderzoek die bedoeld is voor interne communicatie en beweert in overeenstemming te zijn met de PEF-gids, moet kritisch worden geëvalueerd door ten minste één onafhankelijke, gekwalificeerde externe beoordelaar (of team van beoordelaars).

Het soort evaluatie dat wordt uitgevoerd, zou mede moeten afhangen van de doelen en beoogde toepassingen van het PEF-onderzoek.

Eisen voor het ontwikkelen van PEFCR’s

De PEFCR moet de evaluatie-eisen specificeren voor PEF-onderzoeken die bedoeld zijn om te worden gebruikt voor vergelijkende beweringen die openbaar zullen worden gemaakt (bijvoorbeeld of een evaluatie door ten minste drie onafhankelijke gekwalificeerde externe beoordelaars volstaat).

9.3   Kwalificatie van beoordelaars

De beoordeling van de geschiktheid van potentiële beoordelaars is gebaseerd op een scoresysteem dat rekening houdt met de evaluatie- en auditervaring, de PEF- of LCA-methodologie en -praktijk en de kennis van relevante technologieën, processen of andere activiteiten die door het (de) onderzochte product(en) worden vertegenwoordigd. Tabel 8 laat het scoresysteem voor de verschillende relevante competenties en ervaringsgebieden zien.

Tenzij in de context van de beoogde toepassing anders is bepaald, geldt een zelfverklaring van de beoordelaars op basis van het scoresysteem als minimumvereiste.

Tabel 8

Scoresysteem voor in aanmerking komende beoordelaars en beoordelingsteams

 

Score (punten)

 

Onderwerp

Criteria

0

1

2

3

4

Verplichte criteria

Evaluatie, verificatie en auditpraktijk

Jaren ervaring (109)

0 – 2

3 – 4

5 – 8

9 – 14

> 14

Aantal beoordelingen (110)

0 – 2

3 – 5

6 – 15

16 – 30

> 30

LCA- metho dologie en -praktijk

Jaren ervaring (111)

0 – 2

3 – 4

5 –8

9 – 14

> 14

Ervaring met deelname aan LCA-werk

0 – 4

5 – 8

9 – 15

16 – 30

> 30

Technologieën of andere activiteiten die relevant zijn voor het PEF-onderzoek

Aantal jaren ervaring in particuliere sector (112)

0 – 2

(in de laatste 10 jaar)

3-5

(in de laatste 10 jaar)

6-10

(in de laatste 20 jaar)

11 – 20

> 20

Aantal jaren ervaring in publieke sector (113)

0 – 2

(in de laatste 10 jaar)

3-5

(in de laatste 10 jaar)

6-10

(in de laatste 20 jaar)

11 – 20

> 20

Andere (114)

Evaluatie, verificatie en auditpraktijk

Facultatieve scores in verband met audits

2 punten: Accreditatie als externe beoordelaar voor ten minste één milieuproductverklaringsregeling, ISO 14001, of ander EMS.

1 punt: Heeft cursussen over milieuaudits gevolgd (minstens 40 uur).

1 punt: Voorzitter van ten minste één beoordelingspanel (voor LCA-studies of andere milieutoepassingen).

1 punt: Gekwalificeerde opleider van cursus over milieuaudits.

Eisen voor PEF-onderzoeken

Een kritische evaluatie van het PEF-onderzoek moet worden uitgevoerd overeenkomstig de eisen van de beoogde toepassing. Tenzij anders gespecificeerd, is het minimumaantal punten dat nodig is voor kwalificatie als beoordelaar of lid van een beoordelingsteam, zes punten, waarvan ten minste één punt voor elk van de drie verplichte criteria (dat wil zeggen, verificatie- en auditpraktijk, LCA-methodologie en -praktijk, en kennis van technologieën of andere activiteiten die relevant zijn voor het PEF-onderzoek). De scorepunten per criteria moeten zijn behaald door individuele personen, terwijl op teamniveau scorepunten voor meerdere criteria bij elkaar mogen worden opgeteld. Beoordelaars of beoordelingsteams moeten een zelfverklaring over hun kwalificaties verstrekken, waarin zij aangeven hoeveel punten zij voor elk criterium en in totaal hebben behaald. Deze zelfverklaring moet deel uitmaken van het PEF-rapport.

10.   ACRONIEMEN EN AFKORTINGEN

ADEME

Agence de l'Environnement et de la Maîtrise de l'Energie (Milieu- en energiebeheeragentschap)

B2B

Business-to-business

B2C

Business-to-consumers

BKG

broeikasgas

BSI

British Standards Institution (Brits normalisatie-instituut)

CF

karakteriseringsfactor

CFK’s

chloorfluorkoolwaterstoffen

CPA

statistische classificatie van producten gekoppeld aan economische activiteiten in de EG (Statistical Classification of Products by Activity)

DQR

gegevenskwaliteitscore (Data Quality Rating)

EF

milieuvoetafdruk

ELCD

Europees referentiesysteem voor levenscyclusgegevens (European Reference Life Cycle Database)

EMAS

milieubeheer- en milieuauditsystemen (Eco-Management and Audit Schemes)

EMS

milieubeheersystemen (Environmental Management Schemes)

EoL

eindfase van de levenscyclus (End-of-Life)

EPD

milieuproductverklaring (Environmental Product Declaration)

GRI

Global Reporting Initiative

ILCD

Internationaal referentiesysteem voor levenscyclusgegevens (International Reference Life Cycle Data System)

IPCC

Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change)

ISIC

Internationale industriële standaardclassificatie (International Standard Industrial Classification)

ISO

Internationale organisatie voor normalisatie

IUCN

Internationale Unie tot behoud van de natuur en de natuurlijke rijkdommen (International Union for Conservation of Nature and Natural Resources)

LCA

levenscyclusbeoordeling (Life-Cycle Assessment)

LCI

levenscyclusinventarisatie (Life-Cycle Inventory)

LCIA

levenscycluseffectbeoordeling (Life-Cycle Impact Assessment)

LCT

levenscyclusdenken (Life-Cycle Thinking)

MEB

milieueffectbeoordeling

NACE

statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap

OEF

milieuvoetafdruk van een organisatie (Organisation Environmental Footprint)

PAS

algemeen beschikbare specificatie (Publicly Available Specification)

PCR

productcategorieregel (Product Category Rule)

PEFCR

regel voor de milieuvoetafdruk van een productcategorie (Product Environmental Footprint Category Rule)

WBCSD

World Business Council for Sustainable Development

WRI

World Resources Institute

11.   VERKLARENDE WOORDENLIJST

Aanvullende milieu-informatie – EF-effectcategorieën en andere milieu-indicatoren die worden berekend en tezamen met PEF-resultaten worden gecommuniceerd.

Aardopwarmingspotentieel (Global Warming Potential, GWP) – vermogen van een broeikasgas om de nettostraling in de troposfeer te beïnvloeden (radiative forcing), uitgedrukt in termen van een referentiestof (bijvoorbeeld eenheden CO2-equivalent) en een gespecificeerde termijn (bijvoorbeeld GWP 20, GWP 100, GWP 500 voor respectievelijk 20, 100, en 500 jaar). Het begrip heeft betrekking op het vermogen om veranderingen teweeg te brengen in de wereldwijde gemiddelde luchttemperatuur dicht bij de grond en de daaruit voorvloeiende verandering in verschillende klimaatparameters en hun effecten, zoals de frequentie en intensiteit van stormen, de neerslagintensiteit en de frequentie van overstromingen, enz.

Achtergrondprocessen – de processen in de levenscyclus van een product waarvoor geen directe toegang tot informatie mogelijk is. De meeste upstreamlevenscyclusprocessen en over het algemeen alle processen verderop in het productieproces zullen bijvoorbeeld als achtergrondprocessen worden beschouwd.

Afvalstoffen – stoffen of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (ISO 14040:2006).

Allocatie – een manier om multifunctionaliteitsproblemen op te lossen. Allocatie is de verdeling van de input- en outputstromen van een proces of een productsysteem tussen het productsysteem dat wordt bestudeerd, en een of meer andere productsystemen (naar ISO 14040:2006).

Attributioneel – verwijst naar op processen gebaseerde modellering die ten doel heeft een statische weergave te geven van gemiddelde omstandigheden, zonder marktinvloeden.

Belading – de belasting van een voertuig tijdens een specifieke rit, gemeten in verhouding tot de volledige belasting of capaciteit (in termen van gewicht of volume) van dat voertuig.

Business-to-business (B2B) – beschrijft transacties tussen bedrijven, zoals tussen een fabrikant en een groothandelaar, of tussen een groothandelaar en detailhandelaar.

Business-to-consumers (B2C) – beschrijft transacties tussen bedrijven en consumenten, zoals tussen detailhandelaren en consumenten. Volgens ISO 14025:2006 wordt onder een consument verstaan "een individueel lid van de bevolking dat goederen, onroerend goed of diensten koopt of gebruikt voor particuliere doeleinden".

Classificatie – indeling van de materiaal- en energie-inputs en -outputs uit de tabellen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel, in EF-effectcategorieën overeenkomstig de potentiële bijdrage daarvan aan elk van de betrokken EF-effectcategorieën.

Co-functie – een van twee of meer functies van hetzelfde eenheidsproces of productsysteem.

Co-product – een van twee of meer producten die voortkomen uit een enkel(e) proceseenheid of productiesysteem (ISO 14040:2006).

Direct toerekenbaar – verwijst naar een proces, activiteit of effect dat/die zich voordoet binnen de vastgestelde systeemgrens.

Directe verandering in landgebruik (Direct Land Use Changes, dLUC) – de overgang van een type landgebruik naar een ander type landgebruik, die plaatsvindt op een uniek stuk land en niet leidt tot wijzigingen in een ander systeem.

Downstream – "stroomafwaarts" (later) in de toeleveringsketen van een product.

Ecologische voetafdruk – verwijst naar "de hoeveelheid productieve grond- en wateroppervlakte die nodig is om de hulpbronnen te produceren die de bevolking consumeert, en om de afvalstoffen die de bevolking produceert, te verwerken, waar op aarde het land en water zich ook mogen bevinden" (Wackernagel en Rees, 1996). Volgens de PEF-gids is de milieuvoetafdruk niet gelijk aan de ecologische voetafdruk van Wackernagel en Rees; de belangrijkste verschillen worden benoemd in bijlage X.

Ecotoxiciteit – effectcategorie van de milieuvoetafdruk betreffende de toxische effecten op een ecosysteem, die schade toebrengen aan individuele soorten en die de structuur en functie van het ecosysteem veranderen. Ecotoxiciteit is het resultaat van een verscheidenheid van toxicologische mechanismen die worden veroorzaakt door het vrijkomen van stoffen met een direct effect op de gezondheid van het ecosysteem.

Eenheid van analyse – de analyse-eenheid bepaalt de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de functie(s) en/of dienst(en) die door het onderzochte product worden geleverd; de definitie van de analyse-eenheid geeft antwoord op de vragen "wat?", "hoeveel?", "hoe goed?" en "voor hoelang?"

Eenheidsproces – kleinste element van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel waarvoor input- en outputgegevens worden gekwantificeerd (naar ISO 14040:2006).

Elementaire stromen – in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel worden elementaire stromen gedefinieerd als materiaal of energie uit de natuur/omgeving dat/die het onderzochte systeem zonder voorafgaande bewerking door mensen binnenkomt, of materiaal dat of energie die het onderzochte systeem verlaat en in de natuur/omgeving belandt zonder nog door mensen bewerkt te worden (ISO 14040, 3.12). Elementaire stromen zijn bijvoorbeeld hulpbronnen die aan de natuur worden onttrokken of emissies in de lucht, het water of de bodem die direct gekoppeld zijn aan de karakteriseringsfactoren van de EF-effectcategorieën.

Eutrofiëring – nutriënten (hoofdzakelijk stikstof en fosfor) uit afvoerbuizen en bemeste landbouwgrond versnellen de groei van algen en andere vegetatie in water. Bij de afbraak van organisch materiaal wordt zuurstof gebruikt, wat leidt tot een zuurstoftekort en, in sommige gevallen, vissterfte. Eutrofiëring kan worden gebruikt als een gemeenschappelijke maat voor de hoeveelheid uitgestoten stoffen, namelijk door te kijken naar de hoeveelheid zuurstof die nodig is voor de afbreking van dode biomassa.

Fotochemische ozonvorming – EF-effectcategorie die de vorming van troposferisch ozon op leefniveau omvat als gevolg van de fotochemische oxidatie van vluchtige organische stoffen (VOS) en koolmonoxide (CO) in aanwezigheid van stikstofoxiden (NOx) en zonlicht. Hoge concentraties troposferisch ozon op leefniveau schaden de vegetatie, de luchtwegen van mensen en kunststoffen door reacties met organische materialen.

Geëxtrapoleerde gegevens – gegevens van een proces die worden gebruikt voor de weergave van een ander, vergelijkbaar proces waarvoor geen gegevens beschikbaar zijn, onder de aanname dat de gegevens redelijk representatief zijn.

Gegevenskwaliteit – kenmerken van gegevens die betrekking hebben op hun vermogen om aan gestelde eisen te voldoen (ISO 14040:2006). De gegevenskwaliteit bestrijkt verschillende aspecten, waaronder de technologische, geografische en chronologische representativiteit van de gegevens en de volledigheid en de nauwkeurigheid van de inventarisgegevens.

Gemiddelde gegevens – een voor de gehele productie gewogen gemiddelde van bepaalde gegevens.

Generieke gegevens – gegevens die niet direct worden verzameld, gemeten of geschat, maar afkomstig zijn van een levenscyclusinventarisdatabank van een derde partij of van een andere bron die voldoet aan de gegevenskwaliteitseisen van de PEF-methode.

Gevoeligheidsanalyse – systematische procedures voor het evalueren van de effecten van keuzes wat betreft methoden en gegevens, op het resultaat van een PEF-onderzoek (naar ISO 14040: 2006).

Grondstof – primair of secundair materiaal dat wordt gebruikt om een product te vervaardigen (ISO 14040:2006).

Grondstofverbruik – EF-effectcategorie met betrekking tot het verbruik van natuurlijke, al dan niet hernieuwbare, biotische of abiotische hulpbronnen

Halffabricaat – vorm van output van een eenheidsproces die input is voor andere eenheidsprocessen en die verdere transformatie binnen het systeem zal ondergaan (ISO 14040:2006).

Hulpbronnengebruik- en emissieprofiel – het geheel van de verzamelde in- en outputgegevens die verband houden met de verschillende fasen van de toeleveringsketen van een onderzocht product. De samenstelling van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel is voltooid wanneer niet-elementaire (dat wil zeggen, samengestelde) stromen zijn teruggebracht tot elementaire stromen.

Indirecte verandering in landgebruik (Indirect Land Use Changes, iLUC) – vindt plaats wanneer de vraag naar bepaald landgebruik binnen een bepaald systeem leidt tot veranderingen in de manier waarop het land daarbuiten wordt gebruikt. Deze indirecte effecten worden meestal bepaald door middel van economische modellering van de vraag naar land of door modellering van de verplaatsing van activiteiten op wereldschaal. De belangrijkste nadelen van deze modellen zijn hun afhankelijkheid van trends, die toekomstige ontwikkelingen mogelijk niet weergeven. Ze worden doorgaans gebruikt als basis voor politieke besluiten.

Input – een product-, materiaal- of energiestroom die een eenheidsproces binnenkomt. Producten en materialen zijn onder meer grondstoffen, halffabricaten en co-producten (ISO 14040:2006).

Ioniserende straling, menselijke gezondheid – EF-effectcategorie die de ongunstige gezondheidseffecten van lozingen van radioactieve stoffen op de menselijke gezondheid omvat.

Karakterisering – berekening van de omvang van de bijdrage van elke geclassificeerde input en output aan hun respectieve EF-effectcategorieën, en aggregatie van de bijdragen binnen elke categorie. Hiervoor is lineaire vermenigvuldiging nodig van de inventarisgegevens met karakteriseringsfactoren voor elke betrokken stof en elke betrokken EF-effectcategorie. Zo is bijvoorbeeld voor de EF-effectcategorie "klimaatverandering" CO2 als referentiestof gekozen en kg CO2-equivalenten als referentie-eenheid.

Karakteriseringsfactor – de uit een karakteriseringsmodel afgeleide factor die wordt toegepast om een toegewezen hulpbronnengebruik- en emissieprofielresultaat om te zetten in de gangbare eenheid van de EF-effectcategorie-indicator (naar ISO 14040:2006).

Kritische evaluatie – proces dat ten doel heeft de consistentie tussen een PEF-onderzoek en de beginselen en eisen van deze PEF-gids en PEFCR’s (voor zover beschikbaar) te garanderen (naar ISO 14040:2006).

Landgebruik – EF-effectcategorie die zowel verband houdt met de manier waarop land wordt gebruikt (voor landbouw, wegen, huisvesting, mijnbouw, enz.) als met de daardoor veroorzaakte verandering (transformatie) van dat land. Bij het eerste wordt gekeken naar de effecten van het landgebruik, de betrokken oppervlakte en de duur van het gebruik (veranderingen in de kwaliteit vermenigvuldigd met de oppervlakte en de duur); bij transformatie wordt gekeken naar de omvang van de veranderingen in de landeigenschappen en naar de oppervlakte van het getroffen gebied (veranderingen in kwaliteit vermenigvuldigd met de oppervlakte).

Levenscyclus – opeenvolgende en onderling verbonden fasen van een productsysteem, van de verwerving van grondstoffen of de opwekking uit natuurlijke hulpbronnen tot de definitieve verwijdering (ISO 14040:2006).

Levenscyclusbenadering – houdt rekening met het spectrum van hulpbronnenstromen en milieu-interventies verband houdend met een product vanuit het perspectief van de toeleveringsketen, met inbegrip van alle fasen van de verwerving van de grondstoffen, de verwerking, de distributie en het gebruik tot de processen in de eindfase van de levenscyclus, en met alle relevante gerelateerde milieueffecten (in plaats van zich te richten op één enkel aspect).

Levenscyclusbeoordeling (Life-Cycle Assessment, LCA) – compilatie en evaluatie van de inputs, outputs en potentiële milieueffecten van een productsysteem gedurende zijn levenscyclus (ISO 14040:2006).

Levenscycluseffectbeoordeling (Life-Cycle Impact Assessment, LCIA) – de fase van een levenscyclusbeoordeling bedoeld om de omvang en betekenis van de potentiële milieueffecten voor een systeem gedurende de hele levenscyclus van het product te begrijpen en evalueren (ISO 14040:2006). De gebruikte LCIA-methoden verschaffen effectkarakteriseringsfactoren voor elementaire stromen om het effect samen te voegen en terug te brengen tot een beperkt aantal klassenmidden- en/of schade-indicatoren.

Milieuaspect – een element van de activiteiten, producten of diensten van een organisatie dat milieueffecten heeft of kan hebben (EMAS-verordening).

Milieueffect – iedere invloed op het milieu, hetzij ongunstig, hetzij gunstig, die volledig of gedeeltelijk het gevolg is van de activiteiten, producten of diensten van een organisatie (EMAS-verordening).

Milieumechanisme – systeem van fysieke, chemische en biologische processen voor een gegeven EF-effectcategorie dat de resultaten van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel koppelt aan EF-categorie-indicatoren (naar ISO 14040:2006).

Milieuverklaring van type III – een milieuverklaring die gekwantificeerde milieugegevens verschaft met behulp van vooraf vastgestelde parameters en, in voorkomend geval, aanvullende milieu-informatie (ISO 14025:2006). De vooraf vastgestelde parameters zijn gebaseerd op de reeks normen van ISO 14040, die bestaat uit ISO 14040 en ISO 14044.

Milieuvoetafdruk-effectbeoordeling (EF-effectbeoordeling, Environmental Footprint (EF) Impact Assessment) – fase van de PEF-analyse die is gericht op het begrijpen en evalueren van de omvang en betekenis van de potentiële milieueffecten voor een productsysteem gedurende de levenscyclus van het product (naar ISO 14044:2006). De methoden van de EF-effectbeoordeling verschaffen effectkarakteriseringsfactoren voor elementaire stromen om het effect samen te voegen en terug te brengen tot een beperkt aantal klassenmidden- en/of schade-indicatoren.

Milieuvoetafdruk-effectbeoordelingsmethode (Environmental Footprint (EF) Impact Assessment Method) – protocol om gegevens uit het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel om te zetten in bijdragen aan een onderzocht milieueffect.

Milieuvoetafdruk-effectcategorie (EF-effectcategorie, Environmental Footprint (EF) Impact Category) – de klasse van het hulpbronnengebruik of milieueffect waarop de gegevens uit het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel betrekking hebben.

Milieuvoetafdruk-effectcategorie-indicator (Environmental Footprint (EF) Impact Category Indicator) – kwantificeerbare weergave van een EF-effectcategorie (naar ISO 14000:2006).

Multifunctionaliteit – processen of faciliteiten zijn "multifunctioneel" als zij meer dan een functie vervullen, dat wil zeggen, meerdere goederen en/of diensten leveren ("co-producten"). In deze situaties moeten alle inputs en emissies die verband houden met het proces, volgens vaste beginselen worden verdeeld over het onderzochte product en de overige producten.

Niet-elementaire (of samengestelde) stromen – in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel worden onder "niet-elementaire stromen" verstaan alle inputs (bijvoorbeeld elektriciteit, materialen, vervoersprocessen) en outputs (bijvoorbeeld afvalstoffen, bijproducten) in een systeem die verder moeten worden gemodelleerd om ze terug te brengen tot elementaire stromen.

Normalisatie – na de karakteriseringsstap is normalisatie een facultatieve stap waarin de resultaten van de EF-effectbeoordeling worden vermenigvuldigd met normalisatiefactoren die de totale inventaris van een referentie-eenheid vertegenwoordigen (bijvoorbeeld een heel land of een gemiddelde burger). Genormaliseerde EF-effectbeoordelingsresultaten drukken de relatieve aandelen van de effecten van het geanalyseerde systeem uit in termen van de totale bijdragen aan elk van de effectcategorieën per referentie-eenheid. Wanneer de genormaliseerde EF-effectbeoordelingsresultaten voor de verschillende effectonderwerpen naast elkaar worden weergegeven, wordt duidelijk welke effectcategorieën het meest en welke het minst door het geanalyseerde systeem worden beïnvloed. Genormaliseerde EF-effectbeoordelingsresultaten weerspiegelen alleen de bijdrage van het geanalyseerde systeem aan het totale effectpotentieel, niet de ernst/betekenis van het betreffende totale effect. Genormaliseerde resultaten zijn dimensieloos, maar niet additief.

Onderverdeling – onderverdeling is het ontleden van multifunctionele processen of faciliteiten om de inputstromen te isoleren die direct verband houden met de output van elk van de processen of faciliteiten. Het proces wordt onderzocht om na te gaan of het kan worden onderverdeeld. Wanneer onderverdeling mogelijk is, hoeven uitsluitend inventarisgegevens te worden verzameld voor de eenheidsprocessen die direct aan de betrokken producten/diensten kunnen worden toegerekend.

Onzekerheidsanalyse – procedure voor het beoordelen van de onzekerheid die in de resultaten van een PEF-onderzoek wordt geïntroduceerd als gevolg van de variabiliteit van gegevens en de onzekerheid die verband houdt met keuzes.

Organisch bodemmateriaal (Soil Organic Matter, SOM) – dit is de maat voor het gehalte aan organisch materiaal in de bodem. Dit materiaal is afkomstig van planten en dieren en omvat al het organisch materiaal in de bodem, uitgezonderd het materiaal dat nog niet is vergaan.

Output – een product-, materiaal- of energiestroom die een eenheidsproces verlaat. Producten en materialen zijn onder meer grondstoffen, halffabricaten, co-producten en uitstoot (ISO 14040:2006).

Ozonvermindering – EF-effectcategorie die de afname van stratosferisch ozon omvat als gevolg van emissies van ozonverminderende stoffen, zoals langlevende chloor- en broomhoudende gassen (bijvoorbeeld CFK’s, HCFK’s, halons).

Poort tot graf (gate to grave) – een deel van de toeleveringsketen van een product, die alleen de fasen van de distributie, de opslag, het gebruik en de verwijdering of het hergebruik ervan omvat.

Poort tot poort (gate to gate) – een deel van de toeleveringsketen van een product die alleen de processen omvat die binnen een bepaalde organisatie of op een bepaald terrein op een product worden uitgevoerd.

Product – Een goed of een dienst (ISO 14040:2006).

Productcategorie – een groep producten die gelijkwaardige functies kunnen vervullen (ISO 14025:2006).

Productcategorieregels (PCR, Product Category Rules) – een verzameling specifieke regels, vereisten en richtsnoeren voor het opstellen van milieuverklaringen van type III voor een of meer productcategorieën (ISO 14025:2006).

Productstroom – de beweging of verplaatsing van producten tussen productsystemen (ISO 14040:2006).

Productsysteem – verzameling eenheidsprocessen met elementaire stromen en productstromen, die een of meer uitputtend omschreven functies vervult en die de levenscyclus van een product modelleert (ISO 14040:2006).

Referentiestroom – dit is de maat van outputs van processen in een gegeven productsysteem die vereist is om de door de analyse-eenheid uitgedrukte functie te vervullen (naar ISO 14040:2006).

Regels met betrekking tot de milieuvoetafdruk van productcategorieën (PEFCR’s, Product Environmental Footprint Category Rules) – op de levenscyclus gebaseerde regels die specifiek zijn voor een producttype en die de algemene methodologische richtsnoeren voor PEF-onderzoeken aanvullen door een nadere specificatie op het niveau van een specifieke productcategorie te verschaffen. PEFCR’s kunnen het aandachtsgebied van het PEF-onderzoek helpen verschuiven naar de aspecten en parameters die er het meest toe doen, en zo bijdragen tot grotere relevantie, reproduceerbaarheid en consistentie.

Resultaten van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel – de uitkomst van een hulpbronnengebruik- en emissieprofiel die de stromen inventariseert die de systeemgrens passeren, en het startpunt vormt voor de EF-effectbeoordeling.

Specifieke gegevens – direct gemeten of verzamelde gegevens die representatief zijn voor activiteiten bij een bepaalde faciliteit of verzameling faciliteiten. Synoniem aan "primaire gegevens".

Stroomdiagram – schematische weergave van de stromen die zich voordoen tijdens een of meer procesfasen binnen de levenscyclus van het product dat wordt beoordeeld.

Systeemgrens – uitputtende omschrijving van de aspecten die worden opgenomen in of worden uitgesloten van de studie. Voor een EF-analyse "van wieg tot graf" moet de systeemgrens bijvoorbeeld alle activiteiten omvatten van de winning van de grondstoffen en de fasen van de verwerking, de distributie, de opslag en het gebruik tot en met de fase van verwijdering of hergebruik.

Systeemgrensdiagram – grafische weergave van de systeemgrens zoals vastgesteld voor het PEF-onderzoek.

Tijdelijke opslag van koolstof vindt plaats wanneer een product "de broeikasgassen in de atmosfeer verminderen" of "tot negatieve emissies leidt", door koolstof tijdelijk te verwijderen en op te slaan.

Toxiciteit voor de mens – kanker – EF-effectcategorie die de ongunstige effecten op de gezondheid van de mens omvat die worden veroorzaakt door de opneming van toxische stoffen door de inademing van lucht, de opname van voedsel/water en penetratie door de huid, voor zover zij verband houden met kanker.

Toxiciteit voor de mens – niet kanker – EF-effectcategorie die de ongunstige effecten op de gezondheid van de mens omvat die worden veroorzaakt door de opneming van toxische stoffen door de inademing van lucht, de opname van voedsel/water en penetratie door de huid, voor zover zij verband houden met andere effecten dan kanker die niet worden veroorzaakt door vaste deeltjes/ingeademde anorganische stoffen of ioniserende straling.

Uitgestelde emissies - emissies die niet direct (als een enkele emissie op tijdstip t) vrijkomen, maar pas na verloop van enig tijd, bv. vanwege langdurig gebruik of langdurige definitieve-verwijderingsfasen.

Uitstoot – emissies in de lucht en lozingen in het water of de bodem (ISO 14040:2006).

Upstream – stroomopwaarts in de toeleveringsketen van aangeschafte goederen/diensten, vóór het passeren van de systeemgrens.

Vaste deeltjes/Ingeademde anorganische stoffen – EF-effectcategorie die de ongunstige effecten op de menselijke gezondheid omvat als gevolg van emissies van vaste deeltjes (PM, particulate matter) en hun precursoren (NOx, SOx, NH3).

Vergelijkende bewering – een bewering over de milieu-superioriteit of -gelijkwaardigheid van producten, gebaseerd op de resultaten van een PEF-onderzoek en ondersteunende PEFCR’s (naar ISO 14040:2006).

Vergelijking – een vergelijking (grafisch of anderszins) van twee of meer producten wat betreft de resultaten van hun PEF, rekening houdend met hun PEFCR’s, anders dan een vergelijkende bewering.

Verzuring – EF-effectcategorie voor de gevolgen van verzurende stoffen voor het milieu. Wanneer de gassen NOx, NH3 en SOx worden uitgestoten en vervolgens worden gemineraliseerd, komen er waterstofionen (H+) vrij. Wanneer de protonen vrijkomen in gebieden met een lage buffercapaciteit, dragen zij bij tot verzuring van bodem en water, waardoor bossen achteruitgaan en meren verzuren.

Voorgrondprocessen – de processen in de levenscyclus van een product waarvoor directe toegang tot informatie beschikbaar is. De processen op het terrein van de producent en andere door de producent of zijn contractanten beheerde processen (bijvoorbeeld goederenvervoer, hoofdkantoordiensten, enz.) behoren bijvoorbeeld tot de voorgrondprocessen.

Weging – weging is een aanvullende, maar geen verplichte, stap die de interpretatie en communicatie van de analyseresultaten kan ondersteunen. De PEF-resultaten worden vermenigvuldigd met een reeks wegingsfactoren die het waargenomen relatieve belang van de onderzochte effectcategorieën weergeven. Gewogen EF-resultaten die betrekking hebben op verschillende effectcategorieën, kunnen direct met elkaar worden vergeleken en kunnen ook bij elkaar worden opgeteld tot één enkele totale effectindicator. Voor weging moeten waardeoordelen worden geveld met betrekking tot het relatieve belang van de onderzochte EF-effectcategorieën. Deze oordelen kunnen worden gebaseerd op de expertise van deskundigen, sociale-wetenschapsmethodiek, cultureel-politieke zienswijzen of economische overwegingen.

Wieg tot graf (cradle to grave) – de levenscyclus van een product, met inbegrip van de fasen van de winning van grondstoffen, de verwerking, de distributie, de opslag, het gebruik en de verwijdering of het hergebruik. Voor alle fasen van de levenscyclus wordt rekening gehouden met alle relevante inputs en outputs.

Wieg tot poort (cradle to gate) – een deel van de toeleveringsketen van een product, vanaf de winning van de grondstoffen (wieg) tot aan de "poort" van de fabrikant. De fasen van de distributie, de opslag en het gebruik en de slotfasen van de levenscyclus in de toeleveringsketen worden niet meegerekend.

12.   REFERENTIES

ADEME (2011): General principles for an environmental communication on mass market products BPX 30-323-0. Online beschikbaar op http://www2.ademe.fr/servlet/getDoc?id=38480&m=3&cid=96.

BSI (2011): PAS 2050:2011 Specification for the assessment of the life cycle greenhouse gas emissions of goods and services. BSI, London, 38 blz.

CE Delft (2010). Biofuels: GHG impact of indirect land use change. Te vinden op http://www.birdlife.org/eu/pdfs/PPT_carbon_bomb_CE_delft.pdf

Dreicer M., Tort V. en Manen P. (1995): ExternE, Externalities of Energy, Vol. 5 Nuclear, Centre d'étude sur l'Evaluation de la Protection dans le domaine nucléaire (CEPN), onder redactie van de Europese Commissie DGXII, Wetenschap, onderzoek en ontwikkeling JOULE, Luxemburg.

Europese Commissie – Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) - Instituut voor milieu en duurzaamheid (2010): International Reference Life Cycle Data System (ILCD) Handbook - General guide for Life Cycle Assessment - Detailed guidance. Eerste editie, maart 2010. ISBN 978-92-79-19092-6, doi: 10.2788/38479. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie - Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) - Instituut voor milieu en duurzaamheid (2010): International Reference Life Cycle Data System (ILCD) Handbook - Review schemes for Life Cycle Assessment. Eerste editie, maart 2010. ISBN 978-92-79-19094-0, doi: 10.2788/39791. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie - Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) - Instituut voor milieu en duurzaamheid (2010): International Reference Life Cycle Data System (ILCD) Handbook - Framework and Requirements for Life Cycle Impact Assessment Models and Indicators. Eerste editie, maart 2010. ISBN 978-92-79-17539-8, doi: 10.2788/38719. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie - Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) – Instituut voor milieu en duurzaamheid (2010): International Reference Life Cycle Data System (ILCD) Handbook – Nomenclature and other conventions. Eerste editie, maart 2010. ISBN 978-92-79-15861-2, doi: 10.2788/96557. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie - Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) – Instituut voor milieu en duurzaamheid (2011a): International Reference Life Cycle Data System (ILCD) Handbook - Recommendations based on existing environmental impact assessment models and factors for Life Cycle Assessment in a European context. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, ter perse.

Europese Commissie - Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) – Instituut voor milieu en duurzaamheid (2011b): Analysis of Existing Environmental Footprint Methodologies for Products and Organizations: Recommendations, Rationale, and Alignment, per perse. http://ec.europa.eu/environment/eussd/corporate_footprint.htm.

European Commission (2010): Commission Decision of 10 June 2010 on guidelines for the calculation of land carbon stocks for the purpose of Annex V to Directive 2009/28/EC (notified under document C(2010) 3751), Official Journal of the European Union, Brussels.

Europese Commissie (2011): Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa - COM(2011) 571.

Europese Commissie (2012). Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. COM(2012) 595 final. Brussel.

Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (2009): Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG, Publicatieblad van de Europese Unie, Brussel.

Europese Unie (2009): Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, Publicatieblad van de Europese Unie.

Eurostat: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/environment/data/main_tables

Frischknecht R., Steiner R. en Jungbluth N. (2008): The Ecological Scarcity Method – Eco-Factors 2006. A method for impact assessment in LCA. Environmental studies nr. 0906. Federal Office for the Environment (FOEN), Bern. 188 blz.

Global Footprint Network (2009): Ecological Footprint Standards 2009. Online beschikbaar op http://www.footprintnetwork.org/images/uploads/Ecological_Footprint_Standards_2009.pdf.

Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) (2007): IPCC Climate Change Fourth Assessment Report: Climate Change 2007. http://www.ipcc.ch/ipccreports/assessments-reports.htm.

Intergovernmental Panel on Climate Change - IPCC (2003): IPCC Good Practice Guidance for Land Use, Land-Use Change and Forestry, Intergovernmental Panel on Climate Change, Hayama.

Intergovernmental Panel on Climate Change - IPCC (2006): IPCC Guidelines for National Greenhouse Gas Inventories: Volume 4 Agriculture, Forestry and Other Land Use, IGES, Japan.

ISO 14025:2006. International Standard – Environmental labels and declarations – Type III environmental declarations – Principles and procedures. International Organization for Standardization. Genève, Zwitzerland.

ISO 14040:2006. International Standard – Environmental management – Life cycle assessment – Principles and framework. International Organization for Standardization. Genève, Zwitzerland.

ISO 14044:2006. International Standard – Environmental management – Life cycle assessment – Requirements and guidelines. International Organization for Standardization. Genève, Zwitzerland.

Milà i Canals L., Romanyà J. en Cowell S.J. (2007): Method for assessing impacts on life support functions (LSF) related to the use of ‘fertile land’ in Life Cycle Assessment (LCA). Journal of Cleaner Production 15: 1426-1440.

PAS 2050 (2011). Specifications for the assessment of the life cycle greenhouse gas emissions of goods and services. Online beschikbaar op http://www.bsigroup.com/en/Standards-and-Publications/How-we-can-help-you/Professional-Standards-Service/PAS-2050/.

Raad van de Europese Unie (2008): Council Conclusions on the "Sustainable Consumption and Production and Sustainable Industrial Policy Action Plan". http://www.eu2008.fr/webdav/site/PFUE/shared/import/1204_Conseil_Environnement/Council_conclusions_Sustainable_consumption_and_production_EN.pdf.

Raad van de Europese Unie (2010): Council conclusions on sustainable materials management and sustainable production and consumption: key contribution to a resource-efficient Europe. http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/envir/118642.pdf.

Rabl A. en Spadaro J.V. (2004): de RiskPoll-software, versie 1.051 (van augustus 2004). http://www.arirabl.com.

Rosenbaum R.K., Bachmann T.M., Gold L.S., Huijbregts M.A.J., Jolliet O., Juraske R., Köhler A., Larsen H.F., MacLeod M., Margni M., McKone T.E., Payet J., Schuhmacher M., van de Meent D. en Hauschild M.Z. (2008): USEtox - The UNEP-SETAC toxicity model: recommended characterisation factors for human toxicity and freshwater ecotoxicity in Life Cycle Impact Assessment. International Journal of Life Cycle Assessment 13(7): 532-546, 2008.

Seppälä J., Posch M., Johansson M. en Hettelingh J.P. (2006): Country-dependent Characterisation Factors for Acidification and Terrestrial Eutrophication Based on Accumulated Exceedance as an Impact Category Indicator. International Journal of Life Cycle Assessment 11(6): 403-416.

Struijs J., Beusen A., van Jaarsveld H. en Huijbregts M.A.J. (2009): Aquatic Eutrophication. Chapter 6 in: Goedkoop M., Heijungs R., Huijbregts M.A.J., De Schryver A., Struijs J. en Van Zelm R. (2009): ReCiPe 2008 - A life cycle impact assessment method which comprises harmonised category indicators at the midpoint and the endpoint level. Report I: Characterisation factors, first edition.

Van Oers L., de Koning A., Guinee J.B. en Huppes G. (2002): Abiotic Resource Depletion in LCA. Road and Hydraulic Engineering Institute, Ministry of Transport and Water, Amsterdam.

Van Zelm R., Huijbregts M.A.J., Den Hollander H.A., Van Jaarsveld H.A., Sauter F.J., Struijs J., Van Wijnen H.J. en Van de Meent D. (2008): European characterisation factors for human health damage of PM10 and ozone in life cycle impact assessment. Atmospheric Environment 42, 441-453.

World Meteorological Organization (WMO) (1999): Scientific Assessment of Ozone Depletion: 1998. Global Ozone Research and Monitoring Project - Report No. 44, ISBN 92-807-1722-7, Genève.

World Resources Institute (WRI), World Business Council for Sustainable Development (2011): Product Life Cycle Accounting and Reporting Standard. Greenhouse Gas Protocol. WRI, US, 144 blz.

World Resources Institute (WRI) and World Business Council for Sustainable Development WBCSD (2004): Greenhouse Gas Protocol - Corporate Accounting and Reporting Standard.

World Resources Institute (WRI) and World Business Council for Sustainable Development WBCSD (2011): Greenhouse Gas Protocol Corporate Value Chain (Scope 3) Accounting and Reporting Standard.

Annex I

Overzicht van de belangrijkste verplichte eisen voor de milieuvoetafdruk van producten en eisen voor het ontwikkelen van regels voor de milieuvoetafdruk van productcategorieën

De onderstaande tabel geeft een samenvatting van alle verplichte bepalingen ("moeten") voor de PEF, alsmede alle aanvullende bepalingen ("moeten", "zou moeten" en "mogen") voor het ontwikkelen van PEFCR’s. Deze bepalingen worden in de hoofdtekst van deze gids uitgebreid toegelicht in de in de linker kolom van de tabel genoemde paragrafen.

Tabel 9

Samenvatting van de belangrijkste verplichte bepalingen voor PEF-onderzoeken en aanvullende bepalingen voor het ontwikkelende van PEFCR’s

Hoofdstuk/ paragraaf

Criteria

Eisen voor de milieuvoetafdruk van producten (PEF)

Aanvullende bepalingen voor de ontwikkeling van sectorvoorschriften voor de milieuvoetafdruk van producten (PEFCR’s)

1

Algemene benadering

Een PEF-onderzoek moet zijn gebaseerd op een levenscyclusbenadering.

 

1.1

Uitgangspunten

Gebruikers van deze gids moeten bij het uitvoeren van een PEF-onderzoek de volgende uitgangspunten in acht nemen:

1.

relevantie;

2.

volledigheid;

3.

consistentie;

4.

nauwkeurigheid;

5.

transparantie.

Uitgangspunten voor PEFCR’s:

1.

samenhang met de PEF-gids;

2.

betrokkenheid van geselecteerde belanghebbende partijen;

3.

streven naar vergelijkbaarheid.

2.1

Rol van PEFCR’s

Bij het ontbreken van PEFCR’s moeten de belangrijkste gebieden die in PEFCR’s zouden worden bestreken (zoals vermeld in deze PEF-gids) worden gespecificeerd, onderbouwd en expliciet worden gerapporteerd in het PEF-onderzoek.

 

2.2

Samenhang met bestaande PCR’s

 

PEFCR’s zouden, voor zover mogelijk en met erkenning van de verschillende toepassingssituaties, in overeenstemming moeten zijn met bestaande internationale richtsnoeren met betrekking tot productcategorieregels (PCR’s).

2.3

PEFCR-structuur gebaseerd op CPA

 

PEFCR’s moeten zijn gebaseerd op ten minste een tweecijferige CPA-afdelingscode (standaardoptie). PEFCR’s mogen echter (onderbouwde) afwijkingen toestaan (bijv. driecijferige codes). Er kunnen bijvoorbeeld meer dan twee cijfers nodig zijn, wanneer rekening wordt gehouden met de complexiteit van de sector. Wanneer meerdere productieroutes voor gelijksoortige producten worden gepreciseerd met verschillende CPA’s, moet de PEFCR een plaats geven aan al deze CPA’s.

3.1

Bepaling van het (de) doel(en)

De bepaling van het (de) doel(en) van een PEF-onderzoek moet omvatten:

de beoogde toepassing(en);

de redenen voor het uitvoeren van de studie en de beslissingscontext;

de doelgroepen;

of vergelijkingen en/of vergelijkende beweringen openbaar zullen worden gemaakt;

de opdrachtgever van de studie;

de toetsingsprocedure (indien van toepassing).

De PEFCR moet de eisen voor een PEF-onderzoek op het punt van toetsing specificeren.

4.1

Bepaling van de reikwijdte

De bepaling van de reikwijdte van een PEF-onderzoek moet in overeenstemming zijn met de vastgestelde doelen van de studie en moet omvatten:

de eenheid van analyse en de referentiestroom;

de systeemgrenzen;

de milieuvoetafdruk-effectcategorieën;

de aannames en beperkingen.

 

4.2

Eenheid van analyse en referentiestroom

De eenheid van analyse voor een PEF-onderzoek moet worden bepaald aan de hand van de volgende aspecten:

de geleverde functie(s)/dienst(en): "wat";

de omvang van de functie of dienst: "hoeveel";

het verwachte kwaliteitsniveau: "hoe goed";

de (levens)duur van het product: "hoelang";

de NACE-code(s).

Er moet een geschikte referentiestroom worden vastgesteld met betrekking tot de eenheid van analyse. De kwantitatieve input- en outputgegevens die ter ondersteuning van de analyse worden verzameld, moeten worden berekend met betrekking tot deze stroom.

De PEFCR’s moeten de eenhe(i)d(en) van analyse specificeren.

4.3

Systeemgrenzen

De systeemgrens moet worden bepaald volgens algemene logica van de toeleveringsketen en omvat alle fasen, van de winning van de grondstoffen en de fasen van de verwerking, de productie, de distributie, de opslag en het gebruik tot de behandeling in de eindfase van de levenscyclus van het product (dat wil zeggen, van wieg tot graf), zoals passend is voor de beoogde toepassing van de studie. De systeemgrenzen moeten alle processen omvatten die verband houden met de toeleveringsketen van de eenheid van analyse.

De binnen de systeemgrenzen opgenomen processen moeten worden verdeeld in voorgrondprocessen (d.w.z. kernprocessen in de levenscyclus van het product waarvoor directe toegang tot informatie beschikbaar is) en achtergrondprocessen (d.w.z. processen in de levenscyclus van het product waarvoor geen directe toegang tot informatie mogelijk is).

De PEFCR moet de systeemgrenzen voor PEF-onderzoeken van productcategorieën specificeren, met in begrip van de specificatie van de relevante fasen en de processen in de levenscyclus. Elke afwijking van de standaard wieg-tot-grafbenadering, bijvoorbeeld uitsluiting van de onbekende gebruiksfase of eindfase in de levenscyclus van halffabricaten, moet expliciet worden gespecificeerd en gerechtvaardigd.

De PEFCR moet downstream scenario’s specificeren, om de vergelijkbaarheid en consistentie van PEF-onderzoeken te garanderen.

4.3

Compensaties

Compensaties (offsets) mogen niet worden opgenomen in het PEF-onderzoek. Zij mogen echter wel apart worden gerapporteerd als "aanvullende milieu-informatie".

 

4.4

Selectie van EF-effectcategorieën en beoordelingsmethoden

Voor een PEF-onderzoek moeten alle gespecificeerde standaard EF-effectcategorieën en de daarmee verbonden gespecificeerde EF-effectbeoordelingsmodellen worden toegepast.

Elke uitsluiting moet expliciet worden gedocumenteerd, gerechtvaardigd, gerapporteerd in het PEF-rapport en worden ondersteund door passende documenten. De invloed van een uitsluiting op de eindresultaten, in het bijzonder op beperkingen op het punt van de vergelijkbaarheid met andere PEF-onderzoeken, moet in de interpretatiefase worden besproken en worden gerapporteerd. Deze uitsluitingen worden onderworpen aan een toetsing.

PEFCR’s moeten elke uitsluiting van de standaard EF-effectcategorieën specificeren en rechtvaardigen, in het bijzonder uitsluitingen die verband houden met vergelijkbaarheidsaspecten.

4.5

Selectie van aanvullende milieu-informatie

Als de standaardset EF-effectcategorieën of de standaard-effectbeoordelingsmodellen de potentiële milieueffecten van het product dat wordt beoordeeld, niet goed bestrijken, moeten alle gerelateerde relevante (kwalitatieve/kwantitatieve) milieuaspecten aanvullend worden opgenomen onder "aanvullende milieu-informatie". Deze aspecten mogen echter niet in de plaats worden gesteld van de verplichte beoordelingsmodellen van de standaard EF-effectcategorieën. De ondersteunende modellen van deze aanvullende categorieën moeten duidelijk worden voorzien van verwijzingen en worden gedocumenteerd met de bijbehorende indicatoren.

Aanvullende milieu-informatie moet:

zijn gebaseerd op informatie die is voorzien van gronden en is getoetst of geverifieerd in overeenstemming met de eisen van ISO 14020 en clausule 5 van ISO 14021:1999;

specifiek, nauwkeurig en niet misleidend zijn;

relevant zijn voor de betreffende productcategorie.

Emissies die direct in zeewater plaatsvinden, moeten worden opgenomen in de aanvullende milieu-informatie (op inventarisniveau).

Als aanvullende milieu-informatie wordt gebruikt om de interpretatiefase van een PEF-onderzoek te ondersteunen, moeten alle gegevens die nodig zijn om deze informatie te genereren, voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als vastgesteld voor de gegevens die worden gebruikt om de PEF-resultaten te berekenen.

Aanvullende milieu-informatie mag uitsluitend betrekking hebben op milieuaangelegenheden. Informatie en aanwijzingen, bijvoorbeeld veiligheidsinformatiebladen van producten die geen betrekking hebben op de milieuprestaties van het product, mogen geen deel uitmaken van een PEF. Evenzo mag geen informatie worden opgenomen die betrekking heeft op wettelijke voorschriften.

De PEFCR moet aanvullende milieu-informatie specificeren die moet worden opgenomen in het PEF-onderzoek, en moet dit rechtvaardigen. Deze aanvullende informatie moet apart van de op de levenscyclus gebaseerde PEF-resultaten worden gerapporteerd en daarbij moeten alle methoden en aannames duidelijk worden gedocumenteerd. Aanvullende milieu-informatie kan kwantitatief en/of kwalitatief zijn. Aanvullende milieu-informatie kan omvatten (niet-uitputtende lijst):

overige relevante milieueffecten voor de productcategorie;

overige relevante technische parameters die kunnen worden gebruikt om het onderzochte product te beoordelen en vergelijkingen met andere producten op het punt van de totale productefficiëntie mogelijk te maken. Deze technische parameters kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gebruik van hernieuwbare versus niet-hernieuwbare energie, het gebruik van hernieuwbare versus niet-hernieuwbare brandstoffen, het gebruik van secundaire materialen, het gebruik van zoetwatervoorraden, of de verwijdering van gevaarlijke versus ongevaarlijke typen afvalstoffen;

overige relevante benaderingen voor het uitvoeren van de karakterisering van de stromen uit het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel, wanneer in de standaardmethode voor bepaalde stromen (bijvoorbeeld groepen chemische stoffen) geen karakteriseringsfactoren (CF’s) beschikbaar zijn;

milieu- of productaansprakelijkheidsindicatoren (conform het Global Reporting Initiative (GRI));

energieverbruik tijdens de volledige levenscyclus per primaire energiebron, met daarbij een aparte verantwoording van het verbruik van "hernieuwbare" energie;

direct energieverbruik per primaire energiebron, met daarbij een aparte verantwoording van het verbruik van "hernieuwbare" energie vóór de poort van de faciliteit;

voor poort-tot-poortfasen, het aantal soorten op de rode lijst van de IUCN en het aantal soorten op nationale lijsten van beschermde soorten, met habitats in gebieden die door de activiteiten worden getroffen, per niveau van het risico van uitsterven;

beschrijving van de substantiële effecten van activiteiten, producten en diensten op de biodiversiteit in beschermde gebieden en in gebieden met een grote biodiversiteit buiten beschermde gebieden;

totaal gewicht van afvalstoffen per type en verwijderingsmethode;

gewicht van vervoerde, ingevoerde, uitgevoerde en behandelde afvalstoffen die als gevaarlijk worden beschouwd volgens de bepalingen van de bijlagen I, II, III en VIII bij het Verdrag van Bazel, en het percentage vervoerde afvalstoffen dat naar het buitenland is verzonden.

4.6

Aannames/beperkingen

Alle beperkingen en aannames moeten op transparante wijze worden gerapporteerd.

De PEFCR’s moet de beperkingen rapporteren die specifiek zijn voor een productcategorie, en uitputtend de aannames beschrijven die nodig zijn om de beperkingen op te heffen.

5.1

Hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

Alle hulpbronnengebruik en emissies die verband houden met de verschillende fasen van de levenscyclus binnen de vastgestelde systeemgrenzen, moeten worden opgenomen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel. De stromen moeten worden gegroepeerd in "elementaire stromen" en "niet-elementaire (dat wil zeggen, samengestelde) stromen". Alle niet-elementaire stromen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel moeten vervolgens worden teruggebracht tot elementaire stromen.

 

5.2

Hulpbronnengebruik- en emissieprofiel – Screeningstap

Als een screeningstap wordt uitgevoerd (ten zeerste aanbevolen), moeten gemakkelijk beschikbare specifieke en/of generieke gegevens worden gebruikt om te voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit zoals vastgesteld in paragraaf 5.6. Alle processen en activiteiten die in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel moeten worden bestudeerd, moeten in de screeningstap worden opgenomen. Elke uitsluiting van fasen in de toeleveringsketen moet expliciet worden gerechtvaardigd en worden onderworpen aan het toetsingsproces, en de invloed van deze uitsluitingen op de eindresultaten moet worden besproken.

Voor fasen van de toeleveringsketen waarvoor geen kwantitatieve EF-effectbeoordeling wordt voorgenomen, moet de screeningstap naar bestaande literatuur en andere bronnen verwijzen om kwalitatieve beschrijvingen op te stellen van de processen die potentieel substantiële effecten hebben op het milieu. Zulke kwalitatieve beschrijvingen moeten worden opgenomen in de aanvullende milieu-informatie.

De PEFCR moet de op te nemen processen specificeren, alsmede de daaraan verbonden eisen inzake gegevenskwaliteit en toetsing, die strenger kunnen zijn dan de eisen in deze PEF-gids. De PEFCR moet ook specificeren voor welke processen specifieke gegevens vereist zijn, en voor welke processen het gebruik van generieke gegevens toelaatbaar is of vereist is.

5.4

Hulpbronnengebruik- en emissieprofiel – Gegevensbeheerplan

Alle hulpbronnengebruik en emissies die verband houden met de verschillende fasen van de levenscyclus binnen de vastgestelde systeemgrenzen, moeten worden opgenomen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel.

Overwogen moeten worden om de volgende elementen in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel op te nemen:

verwerving en voorbewerking van grondstoffen;

kapitaalgoederen: de afschrijving moet lineair zijn. de verwachte levensduur van de kapitaalgoederen (en niet de tijd die nodig is om een economische boekwaarde van 0 te bereiken) moet gebruikt worden;

productie;

distributie en opslag van product;

gebruiksfase;

logistiek;

eindfase van de levenscyclus.

De PEFCR’s moeten een of meer voorbeelden geven van het samenstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel, met inbegrip van specificaties met betrekking tot:

stoffenlijsten voor de opgenomen activiteiten/processen;

eenheden;

nomenclatuur voor elementaire stromen.

Deze kunnen van toepassing zijn op een of meer fasen van de toeleveringsketen, processen of activiteiten, teneinde een gestandaardiseerde gegevensverzameling en rapportage te waarborgen. De PEFCR mag voor belangrijke upstream poort-tot-poortfasen of downstreamfasen strengere gegevenseisen specificeren dan de eisen die in deze PEF-gids zijn vastgelegd.

Voor het modelleren van processen/activiteiten binnen de kernmodule (dat wil zeggen, poort-tot-poortfase) moet de PEFCR ook specificeren:

de opgenomen processen/activiteiten;

specificaties voor het opstellen van gegevens voor de belangrijkste processen, met inbegrip van de middeling van gegevens over faciliteiten;

de eventuele locatiespecifieke gegevens die voor de rapportage vereist zijn als "aanvullende milieu-informatie";

specifieke eisen inzake de gegevenskwaliteit, bijvoorbeeld het meten van specifieke activiteitsgegevens.

Als de PEFCR ook afwijkingen van de standaard wieg-tot-graf-systeemgrens eist (de PEFCR schrijft bijvoorbeeld het gebruik van de wieg-tot-poortgrens voor), moet de PEFCR specificeren hoe in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel rekenschap moeten worden gegeven van materiaal- en energiebalansen.

5.4.5

Gebruiksfase

Wanneer er geen methode voor het bepalen van de gebruiksfase van producten is vastgesteld overeenkomstig de in deze PEF-gids gespecificeerde technieken, moet de benadering die wordt gekozen voor het bepalen van de gebruiksfase van producten, worden vastgesteld door de organisatie die de studie uitvoert. Het werkelijke gebruikspatroon kan echter afwijken van het aanbevolen gebruikspatroon en zou moeten worden gebruikt, indien deze informatie beschikbaar is. Relevante invloeden op andere systemen als gevolg van het gebruik van de producten moeten worden opgenomen.

Er moet documentatie van de methoden en aannames worden verstrekt. Alle relevante aannames voor de gebruiksfase moeten worden gedocumenteerd.

De PEFCR’s moeten specificeren:

de eventuele scenario’s voor de gebruiksfase die in de studie moeten worden opgenomen;

de tijdspanne die voor de gebruiksfase moet worden beschouwd.

5.4.6

Logistiek

Er moet rekening worden gehouden met de volgende vervoersparameters: type vervoer, type voertuig en brandstofverbruik, belading, aantal lege retourritten (voor zover relevant), vervoerafstand, allocatie voor goederenvervoer op basis van beladingsbeperkende factor (dat wil zeggen, massa voor producten met een hoge dichtheid en volume voor producten met een lage dichtheid) en brandstofproductie.

De effecten als gevolg van vervoer moeten worden uitgedrukt in de standaardreferentie-eenheden, dat wil zeggen, tonkilometers voor goederen en personenkilometers voor passagiersvervoer. Elke afwijking van deze standaardreferentie-eenheden moet worden gerechtvaardigd en gerapporteerd.

Het milieueffect als gevolg van vervoer moet worden berekend door het effect per referentie-eenheid voor elk type voertuig te vermenigvuldigen met a) voor goederen: de afstand en de last, en b) voor personen: de afstand en het aantal personen, op basis van de vastgestelde vervoerscenario’s.

De PEFCR’s moeten, in voorkomend geval, de scenario’s voor het vervoer, de distributie en de opslag specificeren die in de studie moeten worden opgenomen.

5.4.7

Eindfase van de levenscyclus

Afvalstoffenstromen die voortvloeien uit processen binnen de systeemgrenzen, moeten worden gemodelleerd tot het niveau van de elementaire stromen.

In voorkomend geval moeten in de PEFCR’s scenario’s voor de eindfase van de levenscyclus worden vastgesteld. Deze scenario’s moeten zijn gebaseerd op de actuele (in het jaar van de analyse) praktijk, technologie en gegevens.

5.4.8

Elektriciteitsverbruik

Voor elektriciteit van het elektriciteitsnet die upstream of binnen de vastgestelde PEF-grens wordt verbruikt, moeten gegevens worden gebruikt die specifiek zijn voor de leverancier, indien zulke gegevens beschikbaar zijn. Als geen specifieke gegevens voor de leverancier beschikbaar zijn, moeten gegevens van een landenspecifieke verbruiksmix worden gebruikt van het land waarin de fasen van de levenscyclus zich voordoen. Voor elektriciteit die wordt verbruikt in de gebruiksfase van producten, moet de energiemix de omzetverhoudingen tussen landen en regio’s weerspiegelen. Wanneer zulke gegevens niet beschikbaar zijn, moet een gemiddelde EU-verbruiksmix worden gebruikt, of anders de meest representatieve mix.

Er moet worden gegarandeerd dat de hernieuwbare elektriciteit (en de effecten daarvan) van het elektriciteitsnet die upstream of binnen de vastgestelde PEF-grens wordt verbruikt, niet dubbel wordt geteld. Er moet een verklaring van de leverancier als bijlage bij het PEF-rapportworden gevoegd, waarin wordt gegarandeerd dat de geleverde elektriciteit effectief is gegenereerd met behulp van hernieuwbare bronnen en niet aan een andere organisatie wordt verkocht.

 

5.4.9

Verwijderingen en emissies van biogene koolstoffen

Verwijderingen en emissies van biogene koolstofbronnen moeten in het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel gescheiden worden gehouden.

 

5.4.9

Directe en indirecte verandering in landgebruik (effect op klimaatverandering)

Broeikasgasemissies als gevolg van directe veranderingen in landgebruik moeten aan producten worden toegeschreven voor (i) een periode van twintig jaar na de verandering in landgebruik, of (ii) een enkele oogstperiode gerekend vanaf de winning van het beoordeelde product (ook als deze langer is dan twintig jaar), waarbij de langste van de twee perioden wordt gebruikt. Zie Bijlage VI voor details. Broeikasgasemissies als gevolg van indirecte veranderingen in landgebruik worden niet in aanmerking genomen tenzij dat uitdrukkelijk in de PEFCR's wordt vereist. In dat geval wordt apart opgave gedaan van indirecte veranderingen in landgebruik, onder "aanvullende milieu-informatie", maar worden deze niet meegenomen in de berekening van de broeikasgaseffectcategorie.

 

5.4.9

Opwekking van hernieuwbare energie

Kredieten die verband houden met hernieuwbare energie die binnen de systeemgrens wordt gegenereerd, moeten worden berekend met betrekking tot de gecorrigeerde (dat wil zeggen, door de naar buiten geleverde hoeveelheid hernieuwbare energie in mindering te brengen) gemiddelde verbruiksmix op niveau van het land waaraan de energie wordt geleverd. Wanneer zulke gegevens niet beschikbaar zijn, moet de gecorrigeerde gemiddelde EU-verbruiksmix, of anders de meest representatieve mix, worden gebruikt. Als er geen gegevens over de berekening van gecorrigeerde mixen beschikbaar zijn, moeten ongecorrigeerde gemiddelde mixen worden gebruikt. Er moet op transparante wijze worden gerapporteerd welke energiemixen zijn aangenomen voor de berekening van de baten, en of deze mixen zijn gecorrigeerd.

 

5.4.9

Tijdelijke (koolstof)opslag en uitgestelde emissies

Met kredieten die verband houden met tijdelijke (koolstof)opslag of uitgestelde emissies mag in de berekening van de standaard EF-effectcategorieën geen rekening worden gehouden. Deze kredieten mogen echter wel worden opgenomen als "aanvullende milieu-informatie". Bovendien moeten zij onder "aanvullende milieu-informatie" worden opgenomen, als dit zo is bepaald in een ondersteunende PEFCR.

 

5.5

Nomenclatuur

Alle relevante hulpbronnengebruik en alle emissies die verband houden met de fasen van de levenscyclus binnen de vastgestelde systeemgrenzen, moeten worden gedocumenteerd met behulp van de nomenclatuur en eigenschappen van het International Reference Life Cycle Data System (ILCD), zoals beschreven in bijlage IV. Als in het ILCD geen nomenclatuur en eigenschappen vooreen gegeven stroom beschikbaar zijn, moet de beroepsbeoefenaar een passende nomenclatuur creëren en de eigenschappen van de stroom documenteren.

 

5.6

Eisen inzake gegevenskwaliteit

PEF-onderzoeken die openbaar zullen worden gemaakt, dat wil zeggen, B2B of B2C, moeten voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit. PEF-onderzoeken (die beweren in overeenstemming te zijn met deze gids) die bedoeld zijn voor interne toepassingen, zouden moeten voldoen aan de gespecificeerde eisen inzake gegevenskwaliteit (d.w.z. deze eisen worden aanbevolen, maar zijn niet verplicht). Alle afwijkingen van de eisen moeten worden gedocumenteerd. De eisen inzake gegevenskwaliteit gelden voor zowel specifieke als generieke gegevens.

De volgende zes criteria moeten worden gehanteerd voor een semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit in PEF-onderzoeken: technologische representativiteit, geografische representativiteit, chronologische representativiteit, volledigheid, parameteronzekerheid en methodologische geschiktheid.

In de facultatieve screeningstap is minimaal een "redelijke" kwaliteit vereist voor gegevens die bijdragen tot ten minste 90 % van het effect dat voor elke EF-effectcategorie wordt geschat, volgens een kwalitatieve beoordeling door deskundigen.

In het definitieve hulpbronnengebruik- en emissieprofiel moet voor de processen of activiteiten die verantwoordelijk zijn voor ten minste 70 % van de bijdragen aan elke EF-effectcategorie, door zowel de specifieke als de generieke gegevens een totaal kwaliteitsniveau van ten minste "goede kwaliteit" worden gehaald (de drempel van 70 % is gekozen om een evenwicht te bewaren tussen het doel van het bereiken van een deugdelijke beoordeling en de noodzaak om het niveau haalbaar en toegankelijk te houden). Voor deze processen moet een semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit worden uitgevoerd en gerapporteerd. Ten minste twee derde van de resterende 30 % (dat wil zeggen, 20 % tot 30 %) moet worden gemodelleerd met gegevens die ten minste van "redelijke kwaliteit" zijn. Gegevens van minder dan redelijke kwaliteit mogen niet meer dan 10% van de bijdragen aan elke EF-effectcategorie uitmaken.

De eisen inzake gegevenskwaliteit op het punt van de technologische, geografische en chronologische representativiteit moeten in het kader van het PEF-onderzoek aan toetsing worden onderworpen. Aan de eisen inzake gegevenskwaliteit die betrekking hebben op de volledigheid, methodologische geschiktheid en consistentie, en de parameteronzekerheid moet worden voldaan door generieke gegevens uitsluitend te betrekken van gegevensbronnen die voldoen aan de eisen van de PEF-gids.

Wat betreft het criterium van "methodologische geschiktheid en consistentie" voor de gegevenskwaliteit, moeten tot het einde van 2015 de eisen als beschreven in tabel 6 worden toegepast. Vanaf 2016 is volledige overeenstemming met de PEF-methodologie vereist.

De beoordeling van de kwaliteit van generieke gegevens moet worden uitgevoerd op het niveau van de inputstromen (bijvoorbeeld ingekocht papier dat wordt gebruikt in een drukkerij), terwijl de beoordeling van de kwaliteit van specifieke gegevens moet worden uitgevoerd op het niveau van een individueel proces of geaggregeerd proces of op het niveau van individuele inputstromen.

PEFCR’s moeten verdere richtsnoeren verstrekken voor het bepalen van de gegevenskwaliteitsscore voor de productcategorie op het punt van de chronologische, geografische en technologische representativiteit. PEFCR’s moeten bijvoorbeeld specificeren welke gegevenskwaliteitsscore op het punt van de chronologische representativiteit moet worden toegekend aan een gegevensset die een bepaald jaar bestrijkt.

PEFCR’s mogen aanvullende criteria voor de beoordeling van de gegevenskwaliteit specificeren (ten opzichte van de standaardcriteria).

PEFCR’s mogen strengere eisen inzake gegevenskwaliteit specificeren, indien dit voor de productcategorie in kwestie passend is. Deze eisen kunnen omvatten:

poort-tot-poortactiviteiten en -processen;

upstream- of downstreamfasen;

de belangrijkste activiteiten in de toeleveringsketen voor de productcategorie;

de belangrijkste EF-effectcategorieën voor de productcategorie.

5.7

Verzamelen van specifieke gegevens

Specifieke gegevens moeten worden verkregen voor alle voorgrondprocessen en, in voorkomend geval, voor achtergrondprocessen. Als generieke gegevens echter representatiever of geschikter zijn dan specifieke gegevens voor voorgrondprocessen (dit moet worden onderbouwd en gerapporteerd), moeten ook voor de voorgrondprocessen generieke gegevens worden gebruikt. Er zij opgemerkt dat emissiefactoren mogen worden afgeleid van generieke gegevens, mits zij voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit.

PEFCR’s moeten:

1.

specificeren voor welke processen specifieke gegevens moeten worden verzameld;

2.

de eisen voor het verzamelen van specifieke gegevens specificeren;

3.

voor elk terrein de eisen inzake de gegevensverzameling bepalen voor:

doelfase(n) en het bereik van de gegevensverzameling;

plaats van gegevensverzameling (binnenlands, internationaal, specifieke fabrieken, enzovoort);

periode van gegevensverzameling (jaar, seizoen, maand, enzovoort);

wanneer de plaats of de periode van de gegevensverzameling moet worden beperkt tot een bepaald bereik, moet hiervoor een onderbouwing worden gegevens en moet worden aangetoond dat de verzamelde gegevens voldoende steekproeven opleveren.

5.8

Verzamelen van generieke gegevens

Voor zover beschikbaar, moeten sectorspecifieke generieke gegevens worden gebruikt, in plaats van multisectorale generieke gegevens.

Alle generieke gegevens moeten voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit die in dit document zijn gespecificeerd.

De bronnen van de gebruikte gegevens moeten duidelijk worden gedocumenteerd en gerapporteerd in het PEF-rapport.

Generieke gegevens moeten (mits zij voldoen aan de in deze PEF-gids gespecificeerde eisen inzake gegevenskwaliteit), indien beschikbaar, worden ontleend aan:

gegevens die zijn ontwikkeld in overeenstemming met de eisen van de relevante PEFCR’s;

gegevens die zijn ontwikkeld in overeenstemming met de eisen voor PEF-onderzoeken;

het gegevensnetwerk van het Internationaal referentiesysteem voor levenscyclusgegevens (lnternational Reference Life Cycle Data System, ILCD) (waarbij gegevenssets die volledig in overeenstemming zijn met ILCD-gegevensnetwerk, de voorkeur genieten boven gegevenssets die alleen overeenstemmen op basisniveau);

de databank van het Europees referentiesysteem voor levenscyclusgegevens (European Reference Life Cycle Database, ELCD).

De PEFCR moeten specificeren:

wanneer het gebruik van generieke gegevens is toegestaan als benadering voor een stof waarvoor geen specifieke gegevens beschikbaar zijn;

het niveau van de vereiste overeenkomst tussen de werkelijke stof en de generieke stof;

indien nodig, de combinatie van meer dan één generieke gegevensset.

5.9

Omgaan met gegevenshiaten

Elk gegevenshiaat moet worden gevuld met behulp van de beste beschikbare generieke of geëxtrapoleerde gegevens. De bijdrage van deze gegevens (met inbegrip van hiaten in generieke gegevens) mag niet meer uitmaken dan 10 % van de totale bijdrage aan elke onderzochte EF-effectcategorie. Dit wordt weerspiegeld in de eisen inzake gegevenskwaliteit, volgens welke 10 % van de gegevens mag worden ontleend aan de beste beschikbare gegevens (zonder enige verdere eisen inzake gegevenskwaliteit).

De PEFCR moet potentiële gegevenshiaten specificeren en gedetailleerde richtsnoeren verstrekken voor het vullen van deze hiaten.

5.10

Omgaan met multifunctionaliteit

De volgende PEF-beslissingshiërarchie voor multifunctionaliteit moet worden toegepast voor het oplossen van alle multifunctionaliteitsproblemen: (1) onderverdeling of systeemuitbreiding; (2) allocatie op basis van een relevante onderliggende fysieke relatie (met inbegrip van directe substitutie of een relevante onderliggende fysieke relatie); (3) allocatie op basis van een andere relatie (met inbegrip van indirecte substitutie of een andere relevante onderliggende relatie).

Alle keuzes die in deze context worden gemaakt, moeten worden gerapporteerd en er moet worden onderbouwd dat het overkoepelende doel van het garanderen van fysiek representatieve, voor het milieu relevante resultaten wordt gehaald. Voor multifunctionaliteit van producten in situaties van recycling of energieherwinning moet de in bijlage V gegeven vergelijking worden toegepast. Het bovenstaande beslissingsproces is ook van toepassing op multifunctionaliteit in de eindfase van de levenscyclus

De PEFCR specificeert voorts multifunctionaliteitsoplossingen die binnen de vastgestelde systeemgrenzen en, in voorkomend geval, voor upstream- en downstreamfasen moeten worden toegepast. Indien uitvoerbaar/passend, kan de PEFCR voorts specifieke factoren verstrekken die in geval van allocatie-oplossingen moeten worden gebruikt. Alle in de PEFCR gespecificeerde multifunctionaliteitsoplossingen moeten duidelijk worden onderbouwd met verwijzingen naar de hiërarchie voor PEF-multifunctionaliteitsoplossingen.

Wanneer onderverdeling wordt toegepast, moet de PEFCR specificeren welke processen moeten worden onderverdeeld, en volgens welke beginselen de onderverdeling moet plaatsvinden.

Wanneer allocatie op basis van een fysieke relatie wordt toegepast, moet de PEFCR specificeren met welke relevante onderliggende fysieke relatie rekening moet worden gehouden, en de relevante allocatiefactoren vaststellen.

Wanneer allocatie op basis van een andere relatie wordt toegepast, moet de PEFCR deze relatie specificeren en de relevante allocatiefactoren vaststellen. In geval van economische allocatie moet de PEFCR bijvoorbeeld de regels specificeren voor het bepalen van de economische waarde van co-producten.

Voor multifunctionaliteit in de eindfase van de levenscyclus moet de PEFCR specificeren hoe de verschillende elementen in de verstrekte verplichte vergelijking worden berekend.

6.1

Milieuvoetafdruk-effectbeoordeling

De EF-effectbeoordeling moet een classificatie en karakterisering van de milieuvoetafdrukstromen van het product omvatten.

 

6.1.1

Classificatie

Alle inputs en outputs die tijdens het samenstellen van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel zijn geïnventariseerd, moeten worden toegewezen aan de EF-effectcategorieën waaraan zij bijdragen ("classificatie"), met behulp van de classificatiegegevens die beschikbaar zijn op http://lct.jrc.ec.europa.eu/assessment/projects.

In het kader van de classificatie van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel zouden gegevens moeten worden uitgedrukt in termen van de bestanddelen waarvoor karakteriseringsfactoren beschikbaar zijn.

 

6.1.2

Karakterisering

Aan alle geclassificeerde inputs en outputs in elke EF-effectcategorie moeten karakteriseringsfactoren worden toegewezen die de bijdrage per eenheid input/output aan de categorie weerspiegelen, met behulp van de verstrekte karakteriseringsfactoren die online beschikbaar zijn op http://lct.jrc.ec.europa.eu/assessment/projects.

Voor elke EF-effectcategorie moeten vervolgens EF-effectbeoordelingsresultaten worden berekend door de hoeveelheid van elke input of output te vermenigvuldigen met zijn karakteriseringsfactor en de bijdragen van alle inputs en outputs binnen elke categorie op te tellen tot één enkele maat, die wordt uitgedrukt in de passende referentie-eenheid.

Als voor bepaalde stromen (bijvoorbeeld een groep chemische stoffen) van het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel geen karakteriseringsfactoren (CF’s) uit het standaardmodel beschikbaar zijn, mogen andere benaderingen voor het karakteriseren van deze stromen worden gebruikt. In zulke situaties moet dit worden gerapporteerd onder "aanvullende milieu-informatie". De karakteriseringsmodellen moeten wetenschappelijk en technisch verdedigbaar zijn en zijn gebaseerd op aparte, identificeerbare milieumechanismen of reproduceerbare empirische waarnemingen.

 

6.2.1

Normalisatie (indien toegepast)

Normalisatie is geen verplichte stap voor PEF-onderzoeken, maar wordt wel aanbevolen. Als normalisatie wordt toegepast, moeten de genormaliseerde milieuvoetafdrukresultaten worden gerapporteerd onder "aanvullende milieu-informatie", waarbij alle methoden en aannames moeten worden gedocumenteerd.

Genormaliseerde resultaten mogen niet worden geaggregeerd, omdat daarbij impliciet weging plaatsvindt. Tezamen met de genormaliseerde resultaten moeten ook de resultaten van de EF-effectbeoordeling vóór normalisatie worden gerapporteerd.

 

6.2.2

Weging (indien toegepast)

Normalisatie is niet verplicht; het is een facultatieve stap voor PEF-onderzoeken. Als weging wordt toegepast, moeten de methoden en resultaten worden gerapporteerd onder "aanvullende milieu-informatie". Tezamen met de gewogen resultaten moeten de resultaten van de EF-effectbeoordeling vóór weging worden gerapporteerd.

De toepassing van normalisatie- en wegingsstappen in PEF-onderzoeken moet consistent zijn met de vastgestelde doelen en reikwijdte van de studie, met inbegrip van de beoogde toepassingen.

 

7.1

Interpretatie van resultaten

De interpretatiefase moet de volgende stappen omvatten: "beoordeling van de deugdelijkheid van het PEF-model", "vaststellen van zwakke plekken", "inschatting van de onzekerheid" en "conclusies, beperkingen en aanbevelingen".

 

7.2

Deugdelijkheid van modellen

De beoordeling van de deugdelijkheid van het PEF-model moet een beoordeling omvatten van de mate waarin methodologische keuzes de resultaten beïnvloeden. Deze keuzes moeten in overeenstemming zijn met de eisen die in deze PEF-gids zijn gespecificeerd, en moeten passend zijn voor de situatie. Instrumenten die zouden moeten worden gebruikt om de deugdelijkheid van het PEF-model te beoordelen, zijn volledigheidscontroles, gevoeligheidscontroles en consistentiecontroles.

 

7.3

Vaststellen van zwakke plekken

PEF-resultaten moeten worden geëvalueerd om het effect van zwakke plekken in de toeleveringsketen/zwakke punten op het niveau van de inputs/outputs, processen en toeleveringsketenfasen te beoordelen en potentiële verbeteringen te beoordelen.

De PEFCR moet de belangrijkste EF-effectcategorieën voor de sector identificeren. Er mag normalisatie en weging worden toegepast om deze prioriteiten vast te stellen.

7.4

Inschatting van de onzekerheid

Voor zowel keuzegerelateerde onzekerheden als onzekerheden in de inventarisgegevens moet ten minste een kwalitatieve beschrijving van de onzekerheden van de PEF-resultaten worden gegeven, om een algemene waardering van de onzekerheden van de resultaten van het PEF-onderzoek te vergemakkelijken.

De PEFCR moet de veelvoorkomende onzekerheden voor de productcategorie beschrijven en zou het bereik moeten identificeren waarin resultaten in vergelijkingen of vergelijkende beweringen als niet significant afwijkend kunnen worden beschouwd.

7.5

Conclusies, aanbevelingen en beperkingen

Conclusies, aanbevelingen en beperkingen moeten worden beschreven in overeenstemming met de vastgestelde doelen en reikwijdte van het PEF-onderzoek. PEF-onderzoeken die bedoeld zijn om vergelijkende beweringen (dat wil zeggen, beweringen over de milieu-superioriteit of -gelijkwaardigheid van het product) te ondersteunen die openbaar zullen worden gemaakt, moeten zijn gebaseerd op zowel deze PEF-gids als gerelateerde PEFCR’s.

De uit het PEF-onderzoek getrokken conclusies moeten een samenvatting bevatten van de geïdentificeerde "zwakke plekken" in de toeleveringsketen en van de potentiële verbeteringen op het punt van beheersmaatregelen.

 

8.2

Rapportage

Elk PEF-onderzoek die bedoeld is om voor externe mededelingen, moet een rapport over het PEF-onderzoek bevatten, dat een deugdelijke basis moet bieden voor het in de loop van de tijd beoordelen en volgen en, indien mogelijk, verbeteren van de milieuprestatie van het product. Het rapport over het PEF-onderzoek moet ten minste een samenvatting, hoofdrapport en bijlage omvatten. Deze moeten alle in dit hoofdstuk gespecificeerde elementen bevatten. Eventuele aanvullende ondersteunende informatie kan ook worden opgenomen, bijvoorbeeld een vertrouwelijk rapport.

PEFCR’s moeten alle afwijkingen van de in hoofdstuk 8 gepresenteerde standaardverslagleggingseisen, alsmede alle aanvullende en/of onderscheidende verslagleggingseisen die afhangen van bijvoorbeeld het type toepassingen van het PEF-onderzoek en het type product dat wordt beoordeeld, specificeren en rechtvaardigen. De PEFCR’s moeten specificeren of de PEF-resultaten voor elk van de geselecteerde fasen van de levenscyclus apart moeten worden gerapporteerd.

9.1

Evaluatie

Elk PEF-onderzoek die bedoeld is voor interne communicatie en beweert in overeenstemming te zijn met deze PEF-gids, en elk PEF-onderzoek voor externe communicatie (bijvoorbeeld B2B of B2C) moet kritisch worden geëvalueerd om te garanderen dat:

de voor het uitvoeren van het PEF-onderzoek gebruikte methoden consistent zijn met deze PEF-gids;

de voor het uitvoeren van het PEF-onderzoek gebruikte methoden wetenschappelijk en technisch verdedigbaar zijn;

de gebruikte gegevens geschikt en redelijk zijn en voldoen aan de vastgestelde eisen inzake gegevenskwaliteit;

de interpretatie van de resultaten de geïdentificeerde beperkingen weerspiegelt;

het rapport van de studie transparant, accuraat en consistent is.

 

9.2

Soort evaluatie

Tenzij in relevante beleidsinstrumenten anders is bepaald, moet elke PEF-studie die naar buiten zal worden gebracht (d.i. B2B en B2C), kritisch worden geëvalueerd door tenminste één onafhankelijke, gekwalificeerde externe beoordelaar (of team van beoordelaars). Een PEF-onderzoek bedoeld ter ondersteuning van een vergelijkende bewering die openbaar zal worden gemaakt, moet worden gebaseerd op relevante PEFCR’s en kritisch worden geëvalueerd door een onafhankelijk panel van drie gekwalificeerde externe beoordelaars. Elk PEF-onderzoek die bedoeld is voor interne communicatie en beweert in overeenstemming te zijn met de PEF-gids, moet kritisch worden geëvalueerd door ten minste één onafhankelijke, gekwalificeerde externe beoordelaar (of team van beoordelaars).

De PEFCR moet de evaluatie-eisen specificeren voor PEF-onderzoeken die bedoeld zijn om te worden gebruikt voor vergelijkende beweringen die openbaar zullen worden gemaakt (bijvoorbeeld of een evaluatie door ten minste drie onafhankelijke gekwalificeerde externe beoordelaars volstaat).

9.3

Kwalificatie van beoordelaars

Een kritische evaluatie van het PEF-onderzoek moet worden uitgevoerd overeenkomstig de eisen van de beoogde toepassing. Tenzij anders gespecificeerd, is het minimumaantal punten dat nodig is voor kwalificatie als beoordelaar of lid van een beoordelingsteam, zes punten, waarvan ten minste één punt voor elk van de drie verplichte criteria (dat wil zeggen, verificatie- en auditpraktijk, LCA-methodologie en -praktijk, en kennis van technologieën of andere activiteiten die relevant zijn voor het PEF-onderzoek). De scorepunten per criteria moeten zijn behaald door individuele personen, terwijl op teamniveau scorepunten voor meerdere criteria bij elkaar mogen worden opgeteld. Beoordelaars of beoordelingsteams moeten een zelfverklaring over hun kwalificaties verstrekken, waarin zij aangeven hoeveel punten zij voor elk criterium en in totaal hebben behaald. Deze zelfverklaring moet deel uitmaken van het PEF-rapport.

 

(TER INFORMATIE)

Bijlage II

Gegevensbeheerplan (naar het initiatief inzake een broeikasgassenprotocol  (115))

Als er een gegevensbeheerplan wordt opgesteld, zouden de volgende stappen moeten worden ondernomen en gedocumenteerd.

1.

Aanstellen van een kwaliteitsfunctionaris/-team voor de registratie van de organisatie . Deze functionaris/dit team zou verantwoordelijk moeten zijn voor de invoering en instandhouding van het gegevensbeheerplan, voor de continue verbetering van inventarisaties binnen de organisatie en voor de coördinatie van de interne uitwisseling van gegevens en externe interacties (onder meer met relevante registratieprogramma's van de organisatie en met beoordelaars).

2.

Ontwikkelen van gegevensbeheerplan en checklist. Met de ontwikkeling van het gegevensbeheerplan zou moeten worden begonnen nog voordat gegevens worden verzameld, om te zorgen dat alle relevante informatie over de inventarisatie gaandeweg wordt gedocumenteerd. Het plan zou voortschrijdend moeten zijn, om aan te sluiten bij latere verfijningen van de gegevensverzameling en processen. In het plan moeten de kwaliteitscriteria en eventuele evaluatie-/scoresystemen uitputtend worden omschreven. In de checklist van het gegevensbeheerplan staat aangegeven uit welke onderdelen een gegevensbeheerplan zouden moeten bestaan. Deze lijst kan worden gebruikt als handleiding voor het opstellen van een plan of voor het samenvoegen van bestaande documenten tot een plan.

3.

Controleren van de gegevenskwaliteit . Alle aspecten van het inventarisatieproces zouden moeten worden gecontroleerd, met speciale aandacht voor de gegevenskwaliteit, gegevensverwerking, documentatie en berekeningsprocedures. De vastgestelde kwaliteitscriteria en scoresystemen vormen de basis voor de controles van de gegevenskwaliteit.

4.

Evaluatie van de inventarisatie en rapporten van de organisatie. Geselecteerde onafhankelijke externe beoordelaars zouden de studie moeten evalueren, idealiter vanaf het eerste begin.

5.

Opstellen van formele feedbacktrajecten om de gegevensverzamelings-, verwerkings- en documentatieprocessen te verbeteren. Er zijn feedbacktrajecten nodig om de kwaliteit van de inventarisatie van de organisatie in de loop van de tijd te verbeteren en om eventuele fouten of inconsistenties die in het beoordelingsproces aan het licht zijn gekomen, te corrigeren.

6.

Opstellen van procedures voor rapportage, documentatie en archivering. Opstellen van registratieprocessen waarin wordt omschreven welke gegevens moeten worden opgeslagen en op welke manier, welke informatie moet worden gerapporteerd als onderdeel van interne en externe rapportages van de inventarisatie en wat moet worden gedocumenteerd ter ondersteuning van het verzamelen van gegevens en van berekeningsmethodieken. Een onderdeel van dit proces kan zijn de onderlinge afstemming of ontwikkeling van relevante databanksystemen voor het vastleggen van gegevens.

Het gegevensbeheerplan zal waarschijnlijk een document zijn dat zich in de loop van de tijd ontwikkelt en dat wordt bijgewerkt, wanneer gegevensbronnen veranderen, de procedures voor het verwerken van gegevens worden verfijnd, de berekeningsmethodieken worden verbeterd, de inventarisatieverantwoordelijkheden binnen een organisatie veranderen, of de doelstellingen van de organisatie met betrekking tot de inventarisatie wijzigen.

(TER INFORMATIE)

Bijlage III

Checklist gegevensverzameling

Een template voor de gegevensverzameling is nuttig om de activiteiten met betrekking tot het verzamelen van gegevens en de resultaten te ordenen en tegelijkertijd het hulpbronnengebruik- en emissieprofiel samen te stellen. De volgende niet-uitputtende checklist kan worden gebruikt als uitgangspunt voor het verzamelen van gegevens en voor het opzetten van een template voor de gegevensverzameling.

De belangrijkste elementen voor de gegevensverzameling zijn onder andere:

inleiding tot het PEF-onderzoek, met inbegrip van een overzicht van de gegevensverzameling en de gebruikte template/vragenlijst;

informatie over de entiteit(en) of perso(o)n(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor de meeten gegevensverzamelingsprocedures;

beschrijving van het terrein waar gegevens zullen worden verzameld (bijvoorbeeld maximale en normale operationele capaciteit, jaarlijkse productiviteit, locatie, aantal werknemers, enz.);

gegevensbronnen en bepaling van de gegevenskwaliteit;

datum/jaar van de gegevensverzameling;

beschrijving van het product (en de eenheid van analyse);

beschrijving van het productsysteem en de systeemgrens;

afzonderlijk proces-fasediagram;

input en output per referentiestroom per eenheid.

Voorbeeld: Vereenvoudigde template voor de gegevensverzameling

Technisch overzicht

Procesoverzichtsdiagram voor de productiefase in een T-shirtbedrijf

Image

Lijst van processen binnen de systeemgrens: productie van vezels, spinnen, twijnen, texturiseren, weven, voorbewerking, verven, bedrukken, coating, afwerking.

Verzameling van eenheidsproces – gegevens hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

Procesnaam: afwerkingsproces

Procesdiagram: de "afwerking" omvat de processen die, na het weven of breien, op een garen of stof worden uitgevoerd om de aanblik en prestaties van het voltooide textielproduct te verbeteren.

Figuur

Procesdiagram – afwerkingsproces

Image

Input

Code

Naam

Hoeveelheid

Eenheid

 

 

 

 

 

 

 

 

Output (per referentiestroom)

Code

Naam

Hoeveelheid

Eenheid

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 10

Voorbeeld van hulpbronnengebruik- en emissieprofiel  (116)

Parameter

Eenheid/kg

Hoeveelheid

Energieverbruik (niet-elementair)

MJ

115,5

Elektriciteit (elementair)

MJ

34,6

Fossiele brandstoffen (elementair)

MJ

76

Overige (niet- elementair)

MJ

4,9

Niet-hernieuwbare hulpbronnen (niet-elementair)

kg

2,7

Aardgas (elementair)

kg

0,59

Aardgas, grondstof (elementair)

kg

0,16

Ruwe olie (elementair)

kg

0,57

Ruwe olie, grondstof (elementair)

kg

0,48

Kolen (elementair)

kg

0,66

Kolen, grondstof (elementair)

kg

0,21

LPG (elementair)

kg

0,02

Waterkrachtenergie (MJel) (elementair)

MJ

5,2

Water (elementair)

kg

12 400

Emissies in de lucht (elementaire stromen)

CO2

g

5,132

CH4

g

8,2

SO2

g

3,9

Nox

g

26,8

CH

g

25,8

CO

g

28

Emissies in water (elementaire stromen)

CZV Mn

g

13,3

BZV

g

5,7

Tot-P

g

0,052

Tot-N

g

0,002

Bijlage IV

Het vaststellen van passende nomenclatuur en eigenschappen voor specifieke stromen

De voornaamste doelgroep voor deze bijlage is de groep van ervaren beroepsbeoefenaren en beoordelaars op het gebied van milieuvoetafdrukken.

Deze bijlage is gebaseerd op het "International Reference Life Cycle Data System (ILCD) Handbook - Nomenclature and other conventions" (Europese Gemeenschappen, JRC–IES, 2010). Raadpleeg dit document, dat beschikbaar is op http://lct.jrc.ec.europa.eu/, voor nadere informatie en achtergrondinformatie over nomenclatuur en naamgevingsconventies.

Verschillende groepen gebruiken vaak een zeer verschillende nomenclatuur en andere conventies. Hierdoor zijn hulpbronnengebruik- en emissieprofielen (voor degenen die beroepshalve werken met levenscyclusbeoordelingen: levenscyclusinventaris- (LCI-) gegevenssets) op verschillende niveaus niet vergelijkbaar, zodat het gecombineerde gebruik van gegevenssets voor hulpbronnengebruik- en emissieprofielen die afkomstig zijn van verschillende bronnen, of een efficiënte, elektronische uitwisseling van gegevens tussen beroepsbeoefenaren sterk wordt beperkt. Deze situatie belemmert ook een duidelijk, ondubbelzinnig en efficiënt begrip en de toetsing van rapporten van EF- en LCA-studies.

Het doel van deze bijlage is het verzamelen, documenteren en gebruiken van gegevens voor hulpbronnengebruik- en emissieprofielen en LCI’s in EF- en LCA-studies te ondersteunen door een gemeenschappelijke nomenclatuur en gemeenschappelijke bepalingen inzake verwante onderwerpen te verschaffen. Het document vormt ook de basis voor een gemeenschappelijke referentielijst van elementaire stromen die zowel in EF- als in LCA-activiteiten kan worden gebruikt.

Dit ondersteunt efficiënte EF-, LCA- en gegevensuitwisseling tussen verschillende instrumenten en databanken.

Het doel is een leidraad te verschaffen voor de gegevensverzameling, naamgeving en documentatie, zodat de gegevens:

betekenisvol, precies en bruikbaar zijn voor verdere EF-effectbeoordelingen, interpretatie en rapportage;

op kostenefficiënte wijze kunnen worden bijeengebracht en verstrekt;

allesomvattend zijn en geen overlap vertonen;

op efficiënte wijze kunnen worden uitgewisseld tussen beroepsbeoefenaren die verschillende databanken en softwaresystemen hebben, zodat de kans op fouten afneemt.

Deze nomenclatuur en andere conventies richten zich op elementaire stromen, eigenschappen van stromen en de bijbehorende eenheden, en zij doen suggesties voor de naamgeving van gegevenssets van processen, product- en afvalstoffenstromen, ten behoeve van een betere vergelijkbaarheid tussen verschillende databanksystemen. Tevens worden basisaanbevelingen gedaan en eisen geformuleerd inzake de classificatie van bron- en contactgegevens. Tabel 11 geeft een overzicht van de voorschriften uit het ILCD-Handboek die verplicht zijn in PEF-onderzoeken. Tabel 12 specificeert de categorieën voorschriften en de relevante hoofdstukken van het ILCD-Handboek.

Tabel 11

Bindende voorschriften per type stroom

Onderwerp

Bindende voorschriften uit de ILCD-nomenclatuur

(zie tabel 14)

Grondstof, input

2, 4, 5

Emissie, output

2, 4, 9

Productstroom

10, 11, 13, 14, 15, 16, 17


Tabel 12

Nomenclatuurregels

Regel #

Regelcategorie

Hoofdstuk en deel in het ILCD Handbook - Nomenclature and other conventions

2

Specificeer de "elementaire-stroomcategorieën" per afgevend/ontvangend milieucompartiment

Paragraaf 2.1.1

4

Verdere differentiatie van afgevende/ontvangende milieucompartimenten

Paragraaf 2.1.2

5

Aanvullende, niet-identificerende classificatie van elementaire stromen van bodemschatten

Paragraaf 2.1.3.1

9

Aanbevolen voor zowel technisch als niet-technische doelgroepen: aanvullende, niet-identificerende classificatie van emissies

Paragraaf 2.1.3.2

10

Classificatie van productstromen, afvalstoffenstromen en processen op het hoogste niveau

Paragraaf 2.2

11

Classificatie van productstromen, afvalstoffenstromen en processen op het een na hoogste niveau (na voorafgaande classificatie op hoogste niveau)

Paragraaf 2.2

13

Veld "Base name" (Basisnaam)

Paragraaf 3.2

14

Naamveld "Treatment, standards, routes" (behandeling, standaarden, routes)

Paragraaf 3.2

15

Naamveld "Mix type and location type" (Type mix en type locatie)

Paragraaf 3.2

16

Naamveld "Quantitative flow properties" (Kwantitatieve stroomeigenschappen)

Paragraaf 3.2

17

Naamgevingsconventie voor stromen en processen

Paragraaf 3.2

Voorbeeld van het identificeren van passende nomenclatuur en eigenschappen voor specifieke stromen

Grondstof, input: ruwe olie (regels 2, 4, 5)

(1)

Specificeer de "elementary flow category" per afgevend/ontvangend milieucompartiment:

Voorbeeld: "Resources – Resources from ground" (Hulpbronnen – Bodemschatten)

(2)

Verdere differentiatie van afgevende/ontvangende milieucompartimenten

Voorbeeld: "Non-renewable energy resources from ground" (Niet-hernieuwbare energiebronnen uit de bodem)

(3)

Aanvullende, niet-identificerende classificatie voor elementaire stromen van bodemschatten

Voorbeeld: "Non-renewable energy resources from ground" (bijv. "Crude oil; 42.3 MJ/kg net calorific value" (ruwe olie; 42,3 MJ/kg onderste verbrandingswaarde))

Stroomgegevensset: ruwe olie: 42,3 MJ/kg onderste verbrandingswaarde

Image

Emissie, output: Voorbeeld: koolstofdioxide (regels 2, 4, 9)

(1)

Specificeer de "elementaire-stroomcategorieën" per afgevend/ontvangend milieucompartiment:

Voorbeeld: "Emissions – Emissions to air – Emissions to air, unspecified"

(2)

Verdere differentiatie van afgevende/ontvangende milieucompartimenten

Voorbeeld: Voorbeeld: "Emissions to air, DE"

(3)

Aanvullende, niet-identificerende classificatie van emissies

Voorbeeld: Voorbeeld: "Inorganic covalent compounds" (anorganische covalente verbindingen) (bijv. "Carbon dioxide, fossil" (koolstofdioxide, fossiel), "Carbon monoxide" (koolmonoxide), "Sulphur dioxide (zwaveldioxide)", „Ammonia” (ammoniak), enz.)

Image

Productstroom: Voorbeeld: T-shirt (regels 10-17)

(1)

Classificatie voor productstromen, afvalstoffenstromen en processen op hoogste niveau:

Voorbeeld: "System"

(2)

Classificaties voor productstromen, afvalstoffenstromen en processen op een na hoogste niveau (voor voorafgaande classificatie op hoogste niveau):

Voorbeeld: "Textiles, furniture and other interiors"

(3)

Veld "Base name" (Basisnaam):

Voorbeeld: "Base name": "Witte polyester T-shirt"

(4)

Naamveld "Treatment, standards, routes" (behandeling, normen, routes):

Voorbeeld:" "

(5)

Naamveld "Mix type and location type" (Type mix en type locatie): Voorbeeld:

"Production mix, at point of sale"

(6)

Naamveld "Quantitative flow properties" (Kwantitatieve stroomeigenschappen):

Voorbeeld: "160 grammes polyester"

(7)

Naamgevingsconventie voor stromen en processen.

<"Base name"; "Treatment, standards, routes"; "Mix type and location type"; "Quantitative flow properties">.

Voorbeeld: “White polyester T-shirt; product mix at point of sale; 160 grammes polyester”

Bijlage V

Het omgaan met multifunctionaliteit in geval van recycling

Het omgaan met multifunctionaliteit van producten is vooral een uitdaging wanneer er sprake is van hergebruik, recycling of energieherwinning van een (of meer) van deze producten, omdat de systemen dan doorgaans tamelijk complex worden.

Het totale resulterende hulpbronnengebruik- en emissieprofiel (RUaEP) per eenheid van analyse kan worden geschat met behulp van de onderstaande vergelijking, die:

van toepassing is op zowel open-lus (117) als gesloten-lus (118) recycling; en

indien relevant/van toepassing, kan worden toegepast in geval van hergebruik van het beoordeelde product. Dit wordt op dezelfde wijze gemodelleerd als recycling;

indien relevant/van toepassing, kan worden toegepast in geval van "downcycling", dat wil zeggen, verschillen in kwaliteit tussen het secundaire materiaal (dat wil zeggen, gerecycleerd of hergebruikt materiaal) en het primaire materiaal (dat wil zeggen, nieuw materiaal);

indien relevant/van toepassing, kan worden toegepast in geval van energieterugwinning;

de effecten en voordelen van de recycling gelijkelijk verdeelt tussen de producent die het gerecycleerd materiaal gebruikt en de producent die het gerecycleerd product fabriceert: 50/50 verdeling (119).

De kwantitatieve cijfers voor de relevante betrokken parameters moeten worden verzameld om met de hieronder verstrekte vergelijking het totale RUaEP per eenheid van analyse te schatten. Voor zover uitvoerbaar moeten deze worden bepaald aan de hand van gegevens over de werkelijke betrokken processen. Dit zal echter niet altijd mogelijk/haalbaar zijn, in welk geval gegevens elders gevonden zullen moeten worden (NB. de onderstaande toelichting op elk van de termen van de vergelijking bevat aanbevelingen over hoe/waar de ontbrekende gegevens gevonden kunnen worden).

Het RUaEP per eenheid van analyse (120) wordt berekend met de volgende vergelijking:

Formula

De bovenstaande vergelijking kan in vijf blokken worden verdeeld:

Formula

Deze blokken hebben de volgende betekenis (de verschillende parameters worden hierna in detail toegelicht):

Formula is het RUaEP van de verwerving en voorbewerking van nieuw materiaal.

Formula is het RUaEP in verband met de input van gerecycleerd materiaal en is evenredig met de fractie van de materiaalinput die in een eerder systeem is gerecycleerd.

Formula is het RUaEP van het recyclingproces (of hergebruiksproces) waarop de krediet van vermeden input van nieuw materiaal (rekening houdend met eventuele downcycling) in mindering wordt gebracht.

Formula is het RUaEP dat voortvloeit uit het energieherwinningsproces waarop de vermeden emissies in verband met de vervangen energiebron in mindering zijn gebracht.

Formula is het netto RUaEP van de verwijdering van de fractie van materiaal die niet is gerecycleerd (of hergebruikt) in de eindfase van de levenscyclus of is overgedragen aan een energieherwinningsproces.

Waarin:

—   EV= specifieke emissies en verbruikte hulpbronnen (per eenheid van analyse) voortvloeiend uit de verwerving en voorbewerking van nieuw materiaal. Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt die afkomstig zijn van de in paragraaf 5.8 genoemde bronnen van generieke gegevens.

—   E*V= specifieke emissies en verbruikte hulpbronnen (per eenheid van analyse) voortvloeiend uit de verwerving en voorbewerking van nieuw materiaal dat verondersteld wordt te zijn vervangen door recyclebare materialen:

in geval van uitsluitend gesloten-lus recycling: E*V = EV

in geval van uitsluitend open-lus recycling: E*V = E’V vertegenwoordigt de input van nieuw materiaal die betrekking heeft op werkelijk nieuw materiaal dat wordt vervangen via open-lus recycling. Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden aannames moeten worden gemaakt met betrekking tot het nieuwe materiaal dat is vervangen, of zouden gemiddelde gegevens moeten worden gebruikt die afkomstig zijn van de in paragraaf 5.8 genoemde bronnen van generieke gegevens. Als geen andere relevante informatie beschikbaar is, kan worden aangenomen dat E’V = EV, alsof gesloten-lus recycling heeft plaatsgevonden.

—   Erecycled= specifieke emissies en verbruikte hulpbronnen (per eenheid van analyse) voortvloeiend uit het recyclingproces van het gerecycleerde (of hergebruikte) materiaal, met inbegrip van de inzamelings-, sorteeren vervoersprocessen. Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt die afkomstig zijn van de in paragraaf 5.8 genoemde bronnen van generieke gegevens.

—   ErecyclingEoL= specifieke emissies en verbruikte hulpbronnen (per eenheid van analyse) voortvloeiend uit het recyclingproces in de eindfase van de levensduur, met inbegrip van de inzamelings-, sorteeren vervoersprocessen. Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt die afkomstig zijn van de in paragraaf 5.8 genoemde bronnen van generieke gegevens.

Noot: In geval van gesloten-lus recycling Erecycled = ErecyclingEoL and E*V = EV.

—   ED= specifieke emissies en verbruikte hulpbronnen (per eenheid van analyse) voortvloeiend uit de verwijdering van afvalstoffen op de EoL van het geanalyseerde product (bijvoorbeeld storten, verbranding, pyrolyse). Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt die afkomstig zijn van de in paragraaf 5.8 genoemde bronnen van generieke gegevens.

—   E*D= specifieke emissies en verbruikte hulpbronnen (per eenheid van analyse) voortvloeiend uit de verwijdering van afvalstoffen (bijvoorbeeld storten, verbranding, pyrolyse) op de EoL van het materiaal waarvan het gerecycleerd deel afkomstig is. Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt die afkomstig zijn van de in paragraaf 5.8 genoemde bronnen van generieke gegevens.

in geval van uitsluitend gesloten-lus recycling: E*D = ED

in geval van uitsluitend open-lus recycling: E*D = E’D vertegenwoordigt de verwijdering van materiaal waarvan het gerecycleerd deel afkomstig is. Als deze informatie niet voorhanden is, moeten aannamen worden gedaan over hoe dit materiaal verwijderd zou worden, bij gebrek aan recyclage. Als geen andere relevante informatie beschikbaar is, kan worden aangenomen dat E’D = ED, alsof gesloten-lus recycling heeft plaatsgevonden.

—   EER= specifieke emissies en verbruikte hulpbronnen (per eenheid van analyse) voortvloeiend uit het energieherwinningsproces. Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt die afkomstig zijn van de in paragraaf 5.8 genoemde bronnen van generieke gegevens.

—   ESE,heat and ESE,elec= specifieke emissies en verbruikte hulpbronnen (per eenheid van analyse) die zouden hebben plaatsgehad als gevolg van de specifieke vervangen energiebron, warmte en elektriciteit respectievelijk. Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt die afkomstig zijn van de in paragraaf 5.8 genoemde bronnen van generieke gegevens.

—   R1 [dimensieloos]= "gehalte aan gerecycleerd (of hergebruikt) materiaal", dat wil zeggen, het aandeel van materiaal dat in een eerder systeem is gerecycleerd in de input in de productie (0=<R1<=1). Als deze informatie niet beschikbaar is, kan uitgebreide en regelmatig bijgewerkte statistische informatie over recyclingpercentages en andere relevante parameters worden verkregen bij leveranciers zoals Eurostat (121).

—   R2 [dimensieloos]= "te recycleren (of hergebruiken) fractie aan materiaal", dat wil zeggen, het aandeel van materiaal in het product dat in een later systeem zal worden gerecycleerd (of hergebruikt). R2 moet daarom rekening houden met de ondoelmatigheden in de inzamelings- en recycling- (of hergebruiks-) processen (0=<R2=<1). Als deze informatie niet beschikbaar is, kan uitgebreide en regelmatig bijgewerkte statistische informatie over recyclingpercentages en andere relevante parameters worden verkregen bij leveranciers zoals Eurostat (122).

—   R3 [dimensieloos]= het aandeel van materiaal in het product dat wordt gebruikt voor energieherwinning (bijvoorbeeld verbranding met energieherwinning) in de eindfase van de levenscyclus (0=<R3=<1). Als deze informatie niet beschikbaar is, kan uitgebreide en regelmatig bijgewerkte statistische informatie over recyclingpercentages en andere relevante parameters worden verkregen bij leveranciers zoals Eurostat.

—   LHV= Onderste verbrandingswaarde (Lower Heating Value) [bijv. J/kg] van het materiaal in het product dat wordt gebruikt voor energieherwinning. Deze waarde zou met een passende laboratoriummethode moeten worden bepaald. Als dit niet mogelijk of niet uitvoerbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt (zie bijvoorbeeld de "ILCD Reference elementary flows" (123) en het ELCD-referentiesysteem voor behandeling in de eindfase van de levenscyclus/energieherwinning (124)).

—   XER,heat and XER,elec [dimensieloos]= de efficiëntie van het energieherwinningsproces (0<XER<1) zowel voor warmte als voor elektriciteit, dat wil zeggen, de verhouding tussen de energie-inhoud van output (dat wil zeggen, output aan warmte of elektriciteit) en de energie-inhoud van het materiaal in het product dat wordt gebruikt voor energieherwinning. XER moet dus rekening houden met de ondoelmatigheden van het energieherwinningsproces (0=<XER<1). Als deze informatie niet beschikbaar is, zouden generieke gegevens moeten worden gebruikt (zie bijvoorbeeld het ELCD-referentiesysteem voor behandeling in de eindfase van de levenscyclus / energieherwinning).

—   Qs= kwaliteit van het secundaire materiaal, dat wil zeggen, de kwaliteit van het gerecycleerde of hergebruikte materiaal (zie onderstaande noot).

—   Qp= kwaliteit van het primaire materiaal, dat wil zeggen, de kwaliteit van het nieuwe materiaal (zie onderstaande noot).

Noot: Qs/Qp is een dimensieloze verhouding die een benadering is van eventuele verschillen in kwaliteit tussen het secundaire materiaal en het primaire materiaal ("downcycling"). Volgens de EF-multifunctionaliteitshiërarchie (zie paragraaf 5.10) moet de waarschijnlijkheid van het identificeren van een relevante, onderliggende fysieke relatie als basis voor de kwaliteitscorrectieratio worden beoordeeld (de beperkende factor is bepalend). Als dit niet mogelijk is, moet een andere relatie worden gebruikt, bijvoorbeeld de economische waarde. In dit geval worden de prijzen van primaire versus secundaire materialen geacht als proxy te dienen voor kwaliteit. In zo’n situatie zou Qs/Qp overeenkomen met de verhouding tussen de marktprijs van het secundaire materiaal (Qs) en de marktprijs van het primaire materiaal (Qp). Marktprijzen van primaire en secundaire materialen zijn te vinden in online bronnen (125). De kwaliteitsaspecten waarmee voor het primaire en het secundaire materiaal rekening moet worden gehouden, moeten worden gespecificeerd in de PEFCR.

Bijlage VI

Richtsnoeren voor de boekhouding van emissies als gevolg van voor klimaatverandering relevante directe veranderingen in landgebruik

Deze bijlage geeft richtsnoeren voor de boekhouding van broeikasgasemissies als gevolg van directe veranderingen in landgebruik die bijdragen tot klimaatverandering.

Het effect op klimaatverandering wordt veroorzaakt door biogene CO2-emissies en -verwijderingen door veranderingen in de koolstofvoorraad, en biogene en non-biogene CO2-, N2O- en CH4-emissies (bijvoorbeeld verbranding van biomassa). Biogene emissies zijn onder meer emissies als gevolg van de verbranding of afbreking van biogene materialen, afvalwaterbehandeling en biologische bronnen in de bodem en het water (met inbegrip van CO2, CH4 en N2O), terwijl het bij biogene verwijderingen gaat om de opname van CO2 tijdens fotosynthese. Niet-biogene emissies komen overeen met alle emissies die het gevolg zijn van niet-biogene bronnen, zoals materialen op basis van fossiele grondstoffen, terwijl niet-biogene verwijderingen overeenkomen met de CO2 die uit de atmosfeer wordt verwijderd door een niet-biogene bron (WRI en WBCSD 2011b).

Veranderingen in landgebruik kunnen worden geclassificeerd als directe of indirecte veranderingen.

 

Een directe verandering in landgebruik (dLUC) is de overgang van een type landgebruik naar een ander type landgebruik, die plaatsvindt op een uniek stuk land, waarbij mogelijk veranderingen in de koolstofvoorraad van dat specifieke stuk land optreden, maar niet leidt tot wijzigingen in een ander systeem.

 

Een indirecte verandering in landgebruik (iLUC) vindt plaats wanneer de verandering in landgebruik binnen een bepaald systeem leidt tot veranderingen in de manier waarop het land daarbuiten wordt gebruikt.

Figuur 6 is een schematische weergave van zowel directe als indirecte veranderingen in landgebruik in verband met de productie van biobrandstof.

Figuur 6

Schematische weergave van directe en indirecte veranderingen in landgebruik [aangepast uit (CE Delft 2010)]

Image

Image

De rest van deze bijlage beperkt zich tot directe veranderingen in landgebruik, in overeenstemming met de eisen van de PEF; indirecte veranderingen in landgebruik moeten niet in aanmerking genomen worden (zie punt 5.4.4).

DEEL 1   REFERENTIES VOOR DE BEREKENING VAN EMISSIES ALS GEVOLG VAN DIRECTE VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK

Besluit van de Commissie C(2010)3751 bevat richtlijnen voor het berekenen van de koolstofvoorraden op het land voor referentie- en werkelijk landgebruik. Het besluit geeft waarden voor koolstofvoorraden voor vier verschillende categorieën landgebruik: akkerland, permanente gewassen, grasland en bosland. Voor veranderingen in landgebruik in deze categorieën moeten de richtlijnen van Besluit van de Commissie C(2010)3751 worden gevolgd. Voor emissies als gevolg van de omschakeling naar andere categorieën landgebruik zoals wetlands (moerige bodems), nederzettingen en andere soorten landgebruik (kale grond, rotsen, ijs, enz.) die geen deel uitmaken van het besluit, moeten de IPCC-richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen (2006) worden gevolgd.

Voor het vrijkomen en de opname van CO2 als gevolg van een directe verandering in landgebruik moeten in overeenstemming met Besluit van de Commissie C(2010)3751 de meest recente CO2-emissiefactoren van het IPCC worden gebruikt, tenzij nauwkeurigere, specifiekere gegevens beschikbaar zijn. Andere emissies als gevolg van veranderingen in landgebruik (bijvoorbeeld NO3-verliezen naar water, emissies als gevolg van de verbranding van biomassa, bodemerosie, enz.) zouden moeten worden gemeten of gemodelleerd voor het specifieke geval of met behulp van gezaghebbende bronnen.

DEEL 2   PRAKTISCHE WENKEN VOLGENS PAS 2050:2011

Voor praktische wenken over specifieke kwesties (bijvoorbeeld als het vorige landgebruik niet bekend is) wordt aanbevolen de PAS 2050:2011 (BSI 2011) toe te passen (samen met de European Food Sustainable Consumption and Production Roundtable (Food SCP) en het gepubliceerde ENVIFOOD Protocol). De PAS 2050:2011 wordt aangevuld door de PAS 2050-1 (BSI 2012) voor het beoordelen van BKG-emissies van de fasen van wieg tot poort (van de winning van grondstoffen tot de productie) van de levenscyclus van tuinbouwproducten. De PAS 2050-1:2012 houdt rekening met de emissies en verwijderingen die verband houden met de verbouw van een tuinbouwgewas, en vormt een aanvulling op (en niet een vervanging van) de PAS 2050:2011. Ook verschaft de British Standard Institution (BSI) een aanvullend Excel-bestand voor de PAS 2050-1:2012-berekeningen.

Categorie van eerder landgebruik en productielocatie

Volgens de PAS 2050:2011 (BSI 2011) kunnen drie aparte situaties (en respectieve richtsnoeren) worden onderscheiden, afhankelijk van de beschikbaarheid van informatie over de productielocatie en de categorie van het eerdere landgebruik:

Land van productie en eerder LU zijn bekend: de BKG-emissies als gevolg van een verandering in LU van een eerder landgebruik naar het huidige landgebruik kunnen mogelijk worden gevonden in bijlage C bij de PAS 2050:2011 (BSI 2011). Voor de emissies die niet in bijlage C worden genoemd, moeten de IPCC Guidelines for National Greenhouse Gas Inventories van 2006 worden gebruikt” (BSI 2011).

Land van productie is bekend en eerder LU is onbekend: de BKG-emissies moeten gelijk zijn aan de schatting van de gemiddelde emissies als gevolg van de verandering in LU voor dat gewas in dat land” (BSI 2011).

Land van productie en eerder LU zijn onbekend: de BKG-emissies moeten gelijk zijn aan de gewogen gemiddelde emissies als gevolg van de verandering in LU van het specifieke product in de landen waarin het wordt verbouwd” (BSI 2011).

In de beoordeling op te nemen algemene BKG-emissies en -verwijderingen

Volgens de PAS 2050:2011 (BSI 2011) moeten de volgende emissies en verwijderingen in de beoordeling worden opgenomen:

Gassen opgenomen in bijlage A bij de PAS 2050:2011 (BSI 2011);

OPM: Er kunnen enkele uitzonderingen gelden voor biogene koolstofemissies en -verwijderingen die verband houden met levensmiddelen en diervoerderproducten. Voor levensmiddelen en diervoeder mogen emissies en verwijderingen uit biogene bron die deel worden van het product worden uitgesloten. Deze uitsluiting is niet van toepassing op:

emissies en verwijderingen van biogene koolstof dat wordt gebruik bij de productie van levensmiddelen en diervoeder (bv. bij de verbranding van biomassa als brandstof), wanneer die biogene koolstof geen deel wordt van het product;

emissies anders dan CO2 als gevolg van de afbraak van afval van levensmiddelen en diervoeder en darmgisting;

enig biogeen component in materiaal dat deel uitmaakt van het eindproduct maar niet bedoeld is om te worden ingenomen (bv. de verpakking)." (BSI 2011, blz. 9).

Raadpleeg 8.2.2, blz. 22, PAS 2050:2011, voor methaan- (CH4-) emissies als gevolg van afvalstoffenverbranding met energieherwinning.

(TER INFORMATIE)

Bijlage VII

Voorbeeld van PEFCR’s voor intermediaire papierwaren – Eisen inzake gegevenskwaliteit

De onderstaande tabel geeft een voorbeeld van eisen inzake gegevenskwaliteit en het daaraan verbonden gegevenskwaliteitsniveau op basis van bestaande PEFCR’s voor intermediaire papierwaren.

Tabel 13

Voorbeeld van eisen inzake gegevenskwaliteit voor intermediaire papierwaren  (126)

 

 

 

Elementen van de gegevenskwaliteit

 

 

 

Representativiteit

Volledigheid

Methodologische geschiktheid, naleving en consistentie

Precisie/onzekerheid

Geografische

Kwaliteitsniveau

Definitie

Technologische

Geografisch

Chronologische

Excellent

1

Voldoet in zeer hoge mate aan het criterium, zonder noodzaak van verbetering.

Bijv. proces is hetzelfde. Voor elektriciteit van het net, gemiddelde technologie als landenspecifieke verbruiksmix.

Landenspecifieke gegevens

≤ 3 jaar oude gegevens

Zeer goede volledigheid

(≥ 90 %)

Volledige naleving van alle eisen van de PEF-gids

Zeer lage onzekerheid

(≤ 7 %)

Zeer goed

2

Voldoet in hoge mate aan het criterium, met weinig noodzaak van verbetering.

Bijv. gemiddelde technologie als landenspecifieke verbruiksmix.

Midden-Europa, Noord-Europa, representatieve EU-27-mix

3-5 jaar oude gegevens

Goede volledigheid

(80 % tot 90 %)

Benadering gebaseerd op attributioneel proces EN er wordt voldaan aan de volgende drie methodische eisen van de PEF-gids: 1) behandeling van multifunctionaliteit 2) modellering van eindfase van levenscyclus 3) systeemgrens

Lage onzekerheid

(7 % tot 10 %)

Goed

3

Voldoet in aanvaardbare mate aan het criterium, maar verdient verbetering.

Bijv. gemiddelde technologie als landenspecifieke productiemix of gemiddelde technologie als gemiddelde EU-verbruiksmix.

Landen in de EU-27, ander Europees land

5-10 jaar oude gegevens

Redelijke volledigheid

(70 % tot 80 %)

Benadering gebaseerd op attributioneel proces EN er wordt voldaan aan twee van de volgende drie methodische eisen van de PEF-gids: 1) behandeling van multifunctionaliteit 2) modellering van eindfase van levenscyclus 3) systeemgrens

Redelijke onzekerheid

(10 % tot 15 %)

Redelijk

4

Voldoet in onvoldoende mate aan het criterium en vereist verbetering.

Bijv. gemiddelde technologie als landenspecifieke verbruiksmix van een groep vergelijkbare producten.

Midden-Oosten, Noord-Amerika, Japan enz.

10-15 jaar oude gegevens

Slechte volledigheid

(50 % tot 70 %)

Benadering gebaseerd op attributioneel proces EN er wordt voldaan aan een van de volgende drie methodische eisen van de PEF-gids: 1) behandeling van multifunctionaliteit 2) modellering van eindfase van levenscyclus 3) systeemgrens

Hoge onzekerheid

(15 % tot 25 %)

Slecht

5

Voldoet niet aan het criterium. Substantiële verbetering is noodzakelijk.

Bijv. ander proces of onbekend of niet van toepassing

Mondiale gegevens of onbekend

≥ 15 jaar oude gegevens

Zeer slechte of onbekende volledigheid

(< 50 %)

Benadering gebaseerd op attributioneel proces MAAR er wordt voldaan aan geen van de volgende drie methodische eisen van de PEF-gids: 1) behandeling van multifunctionaliteit 2) modellering van eindfase van levenscyclus 3) systeemgrens

Zeer hoge onzekerheid

(>25 %)

Bijlage VIII

Vergelijkend overzicht van terminologie uit deze PEF-gids en ISO-terminologie

Deze bijlage geeft een overzicht van de belangrijkste termen die in deze PEF-gids worden gebruikt, en de corresponderende termen die in ISO 14044:2006 worden gebruikt. Er wordt van de ISO-terminologie afgeweken om de PEF-gids toegankelijker te maken voor zijn doelgroepen, dat ook groepen omvat die misschien geen uitgebreide achtergrondkennis van milieubeoordelingen hebben. De onderstaande tabellen geven een overzicht van de afwijkende termen.

Tabel 14

Vergelijkend overzicht van de belangrijkste termen

Terminologie uit ISO 14044:2006

Overeenkomende terminologie uit deze PEF-gids

Functionele eenheid (functional unit)

Eenheid van analyse

Levenscyclusinventarisanalyse (life cycle inventory analysis)

Hulpbronnengebruik- en emissieprofiel

Levenscycluseffectbeoordeling (life cycle impact assessment)

Milieuvoetafdruk-effectbeoordeling

Levenscyclusinterpretatie (life cycle interpretation)

Milieuvoetafdruk-interpretatie

Effectcategorie (impact category)

Milieuvoetafdruk-effectcategorie

Effectcategorie-indicator (impact category indicator)

Milieuvoetafdruk-effectcategorie-indicator


Tabel 15

Vergelijkend overzicht van criteria inzake gegevenskwaliteit

Terminologie uit ISO 14044:2006

Overeenkomende terminologie uit deze PEF-gids

Chronologische dekking

Chronologische representativiteit

Geografische dekking

Geografische representativiteit

Technologische dekking

Technologische representativiteit

Precisie

Parameteronzekerheid

Volledigheid

Volledigheid

Consistentie

Methodologische geschiktheid en consistentie

Gegevensbronnen

Valt onder "hulpbronnengebruik- en emissieprofiel"

Onzekerheid van de informatie

Valt onder "parameteronzekerheid"

Bijlage IX

Belangrijkste verschillen tussen deze PEF-gids en het ILCD-Handboek

Wanneer er discrepanties zijn tussen de PEF-gids en het ILCD-Handboek, gaat de PEF-gids vóór.

In deze bijlage worden de belangrijkste punten uiteengezet waarop deze PEF-gids afwijkt van het ILCD-Handboek, en wordt een beknopte rechtvaardiging voor deze afwijkingen gegeven. Er zij echter opgemerkt dat het ILCD-Handboek een startpunt voor het ontwikkelen van PEF-onderzoeken is. Het ILCD-Handboek kan verder worden herzien om het in overeenstemming te brengen met de PEF-gids, en overtollige paragrafen die in de PEF-gids aan bod komen, kunnen worden verwijderd uit het ILCD-Handboek.

1.

Doelgroep (en)

Anders dan het ILCD-Handboek, is de PEF-gids bedoeld voor mensen die een beperkte kennis van levenscyclusbeoordelingen hebben. De gids is daarom op een toegankelijkere manier geschreven.

2.

Volledigheidscontrole

Het ILCD-Handboek geeft twee opties voor het controleren van de volledigheid: (1) volledigheidscontrole op het niveau van elk milieueffect, en (2) volledigheidscontrole op het niveau van het totale (dat wil zeggen, geaggregeerde) milieueffect. De PEF-gids kijkt alleen naar volledigheid op het niveau van elk afzonderlijk milieueffect. Aangezien de PEF-gids geen specifieke verzameling wegingsfactoren aanbeveelt, kan het totale (dat wil zeggen, geaggregeerde) milieueffect niet worden geschat.

3.

Uitbreiding van de bepaling van het doel

Het is de bedoeling dat de PEF-gids wordt gebruikt in specifieke toepassingen, en daarom worden geen uitbreidingen van de bepaling van het doel voorzien.

4.

De bepaling van de reikwijdte omvat "beperkingen"

De bepaling van de reikwijdte moet volgens de PEF-gids ook specificaties van de beperkingen van de studie omvatten. Op basis van de ervaring die is opgedaan met het ILCD-Handboek, kunnen de beperkingen in feite uitsluitend goed worden vastgesteld wanneer beroepsbeoefenaren beschikken over informatie over alle aspecten die verband houden met de doelbepaling en de functie van de analyse.

5.

De toetsingsprocedure wordt vastgesteld in het kader van de bepaling van het doel

De toetsingsprocedure is essentieel om de kwaliteit van een PEF-onderzoek te verbeteren en moet daarom al in de eerste stap van het proces, dat wil zeggen, in het kader van de bepaling van het doel, worden beschreven.

6.

Een screeningstap in plaats van de iteratieve benadering

De PEF-gids beveelt aan een screeningstap uit te voeren om voor de standaard EF-effectcategorieën een grove schatting te verkrijgen van elk milieueffect. Deze stap is vergelijkbaar met de iteratieve benadering die in het ILCD-Handboek wordt aanbevolen.

7.

Bepaling van de gegevenskwaliteit

De PEF-gids maakt gebruik van vijf niveaus voor de gegevenskwaliteit (excellent, zeer goed, goed, redelijk, slecht), vergeleken met drie niveaus in het ILCD-Handboek. Dit maakt het mogelijk om in de studie gegevens te gebruiken met een lager kwaliteitsniveau dan door het ILCD-Handboek wordt geëist. De PEF-gids gebruikt ook een semikwantitatieve vergelijking voor het beoordelen van de gegevenskwaliteit, wat het gemakkelijker maakt om bijvoorbeeld een "goede" gegevenskwaliteit te bereiken.

8.

Beslissingshiërarchie in geval van multifunctionaliteit

De PEF-gids verschaft een beslissingshiërarchie voor het oplossen van de multifunctionaliteit van producten die afwijkt van de door het ILCD-Handboek goedgekeurde benadering. De PEF-gids bevat ook een vergelijking voor het oplossen van multifunctionaliteit in recycling- en energieherwinningssituaties in de eindfase van de levenscyclus.

9.

Gevoeligheidsanalyse

Het uitvoeren van een gevoeligheidsanalyse van de resultaten is een facultatieve stap in de PEF-gids. Deze stap zal naar verwacht de werklast voor gebruikers van de PEF-gids verminderen.

Bijlage X

Vergelijking van de belangrijkste eisen van de PEF-gids met andere methoden

Hoewel vergelijkbare, algemeen geaccepteerde milieuboekhoudmethoden en richtsnoeren voor producten op veel methodologische punten nauw overeenkomen, zijn er op een aantal belangrijke beslispunten enkele discrepanties en/of gebrek aan duidelijkheid, wat de consistentie en vergelijkbaarheid van de uitkomsten van analyses verkleint. Deze bijlage bevat een samenvatting van geselecteerde belangrijke eisen van deze PEF-gids en vergelijkt deze met een aantal bestaande methoden. De bijlage is gebaseerd op het document "Analysis of Existing Environmental Footprint Methodologies for Products and Organizations: Recommendations, Rationale, and Alignment", waartoe toegang kan worden verkregen via http://ec.europa.eu/environment/eussd/corporate_footprint.htm (EC-JRC-IES, 2011b). Er worden verschillende achtergrondarceringen gebruikt om aan te geven waar de PEF-gids overeenstemt met (lichtgrijze achtergrond), conflicteert met (diagonale strepen) of verder gaat dan een andere methode (bijvoorbeeld meer details verstrekt of zwaardere eisen stelt) (donkergrijze achtergrond). Wanneer geen zinvolle vergelijking mogelijk is, is geen achtergrondarcering gebruikt.

Tabel 16

Vergelijking van de belangrijkste eisen van de PEF-gids ten opzichte van andere methoden

Criteria

PEF-gids

ISO 14044 (2006) LCA – eisen en richtsnoeren

ISO/DIS 14067 (2012): koolstofvoetafdruk van product

ILCD-Handboek – 1e editie (2010) (127)

Ecologische voetafdruk (2009) (128)

Broeikasgassenprotocol (2011) (WRI – WBCSD) (129)

Franse milieuvoetafdruk

(BPX 30-323) (130)

Britse koolstofvoetafdruk van product PAS 2050 (2011) (131)

Gebaseerd op LCT

Ja.

Ja.

Ja.

Ja.

Ja.

Ja.

Ja.

Ja.

Toepassingen en uitsluitingen

Interne toepassingen kunnen onder meer zijn ondersteuning van milieubeheer, vaststelling van ecologische zwakke plekken, milieuverbetering en het volgen van prestaties;

Externe toepassingen (bijv. B2B, B2C) bestrijken een breed scala van mogelijkheden, zoals reacties op verzoeken van klanten en consumenten, marketing, benchmarking, milieuetikettering, enz.

Identificeren van mogelijkheden om de milieuprestatie van producten te verbeteren.

Vergelijkende bewering met aanvullende eisen.

Verschaffen van informatie aan besluitvormers.

Informatieverstrekking aan consumenten voor besluitvorming.

Volgen van prestaties.

Vergelijkende bewering met aanvullende eisen.

Toepassingssituatie "A": Analyseren van milieuprestatie van producten gedurende hun levenscyclus met het oog op verbetering (volgen van prestaties), vergelijkingen, klantinformatie (bedrijf, consument). Met inbegrip van vergelijkende beweringen met aanvullende eisen.

Informatieverstrekking aan besluitvormers en consumenten over verbruiksgedrag op verschillende niveaus, d.w.z. op landelijk, sub-regionaal en bedrijfsniveau.

Volgen van prestaties, met inbegrip van het signaleren van mogelijkheden om broeikasgasemissies te beperken.

Verschaffen van gegevens over BKG-emissies aan bedrijven en geïnteresseerde belanghebbenden via mededelingen aan het publiek.

Aanvullende typen communicatie (bijv. etiketten, beweringen) worden door de standaard ondersteund met aanvullende specificaties (bijv. productregels).

Vergelijkende beweringen (als gedefinieerd door ISO 14044) worden niet ondersteund.

Informatieverstrekking aan consument; vergelijking van producten die tot dezelfde categorie behoren en, indien relevant, tussen productcategorieën mogelijk maken.

De methode is bedoeld om te worden gebruikt voor interne beoordeling, bijv.:

Om de evaluatie van alternatieve productconfiguraties of benchmarking te vergemakkelijken

Voor het volgen van prestaties, met inbegrip van het signaleren van mogelijkheden om BKG-emissies te beperken

Om het vergelijken van BKG-emissies van goederen en diensten te vergemakkelijken.

Doelgroepen van communicatie

B2B en B2C.

B2B en B2C.

B2B en B2C.

B2B en B2C.

Openbare informatie.

B2B en B2C.

B2C.

Specificeert geen eisen voor de communicatie.

Functionele eenheid

De eenheid van analyse voor een PEF-onderzoek moet worden bepaald aan de hand van de volgende aspecten: de geleverde functie(s)/dienst(en): "wat"; de omvang van de functie of dienst: "hoeveel"; de duur van de geleverde dienst of levensduur van de dienst: "hoelang"; het verwachte kwaliteitsniveau: "hoe goed".

Er moet een geschikte referentiestroom worden vastgesteld met betrekking tot de eenheid van analyse. De kwantitatieve input- en outputgegevens die ter ondersteuning van de analyse worden verzameld, moeten worden berekend met betrekking tot deze stroom.

De functionele eenheid moet consistent zijn met het doel en de reikwijdte van de studie. Zij moet duidelijk worden gedefinieerd en meetbaar zijn.

Nadat de functionele eenheid is gekozen, moet de referentiestroom worden bepaald.

Duidelijk gedefinieerd en meetbaar.

De functionele eenheid moet consistent zijn met het doel en de reikwijdte van de studie. Zij moet duidelijk worden gedefinieerd, zowel op het punt van kwantitatieve als op het punt van kwalitatieve aspecten.

Aparte referentiestroom voor ondersteuning van de gegevensverzameling.

De standaard zelf verschaft geen specifieke informatie over het definiëren van de functionele eenheid, maar er zijn meerdere studies die het concept van de functionele eenheid op basis van ISO 14044 gebruiken.

De omvang, de duur of levensduur, en het verwachte kwaliteitsniveau van de functie of dienst.

Aparte referentiestroom voor ondersteuning van de gegevensverzameling.

De functionele eenheid wordt gedefinieerd op PCR-niveau.

Verwijst naar de functionele eenheid als de eenheid van analyse.

Geeft heel weinig informatie en richtsnoeren.

Systeemgrens

De systeemgrenzen moeten alle processen omvatten die verband houden met de toeleveringsketen van de eenheid van analyse.

Wieg-tot-grafanalyse als standaardaanpak, of anders, indien gespecificeerd in PEFCR’s.

De binnen de systeemgrenzen opgenomen processen moeten worden verdeeld in voorgrondprocessen (d.w.z. kernprocessen in de levenscyclus van het product waarvoor directe toegang tot informatie beschikbaar is) en achtergrondprocessen (d.w.z. processen in de levenscyclus van het product waarvoor geen directe toegang tot informatie mogelijk is).

Iteratief proces:

De initiële systeemgrenzen worden vastgesteld op basis van doel en reikwijdte van de studie.

De definitieve systeemgrenzen worden bepaald na initiële berekeningen en een gevoeligheidsanalyse.

[…]

Van de verwerving van grondstoffen tot de eindfase in de levenscyclus en de verwijdering. Houdt rekening met zowel wieg-tot-graf- als wieg-tot-poortanalyses.

Van de verwerving van grondstoffen tot de eindfase in de levenscyclus en de verwijdering. Iteratief, gericht op de meest relevante processen.

Omvat alle relevante processen (zowel toerekenbare processen als niet-toerekenbare processen).

Standaard verschaft geen regels voor de bepaling van systeemgrenzen. Een van de eisen is dat het rapport duidelijk alle activiteiten beschrijft die binnen de systeemgrenzen zijn opgenomen.

De meeste EF-analyses van producten definiëren de grenzen van de "levenscyclus" zo, dat

activiteiten van wieg tot punt van aankoop binnen de grenzen vallen.

Van de verwerving van grondstoffen tot de eindfase in de levenscyclus en de verwijdering. Toerekenbare processen vereist, relevante niet-toerekenbare processen aanbevolen.

Houdt rekening met zowel wieg-tot-graf- als wieg-tot-poortanalyses.

Van de verwerving van grondstoffen tot de eindfase in de levenscyclus en de verwijdering.

Uitsluitingen:

Koolstofcompensatie

O & O

Vervoer van werknemers van huis naar werkplek

Diensten verband houdend met product of systeem (bijv. reclame, marketing, enz.)

Vervoer van consument naar en van het detailhandelsverkooppunt.

Van de verwerving van grondstoffen tot de eindfase in de levenscyclus en de verwijdering. Houdt rekening met zowel wieg-tot-graf- als wieg-tot-poortanalyses.

Er gelden andere aanvullende eisen.

Systeemgrens

Uitsluitingen:

Kapitaalgoederen

Inputs van menselijke energie in processen

Dieren die vervoersdiensten verrichten

Vervoer van consument naar en van het detailhandelsverkooppunt (kan eventueel worden opgenomen na herziening)

Woon-werkverkeer van werknemers.

Ondergrens (Cut-off)

Niet toegestaan.

Toegestaan – op basis van massa, energie of betekenis voor het milieu.

Geen richtsnoer.

De criteria voor het bepalen van de ondergrens moeten rekening houden met de kwantitatieve mate van volledigheid op het punt van de totale milieueffecten van het productsysteem.

Voor vergelijkende studies moet de ondergrens altijd verband houden met massa en energie.

Geen richtsnoer.

Niet toegestaan.

5 % massa en energie en milieueffect.

5 % GWP (Alle emissies die een substantiële bijdrage leveren

(d.w.z. >1 % van emissies), moeten worden opgenomen en ten minste95 % van het totaal uitmaken).

Effectcategorieën

Levenscycluseffectbeoordelingsmethoden (LCIA-methoden)

Een standaardset van 14 middelpunt-effectcategorieën moet worden onderzocht, tenzij (1) anders is gespecificeerd in de PEFCR, of (2) uitsluiting van bepaalde effectcategorieën gerechtvaardigd is, zoals gespecificeerd in de PEF-gids.

De standaardset van verstrekte middelpunt-LCIA-methoden moet worden gebruikt.

Een groot aantal milieueffecten als gevolg van de levering van producten, met inbegrip van:

BKG-emissies

Ozonverminderend potentieel

Verzuringspotentieel

Eutrofiëringspotentieel

Fotochemisch ozonvormend potentieel

Overige milieueffecten, bijv. grondstofvermindering en gezondheid van de mens (eindpunt).

Klimaatverandering, met inbegrip van verandering in landgebruik.

Alle BKG-emissies moeten worden gerapporteerd.

Kijkt naar twaalf middelpunt-effectcategorieën en drie eindpunt-effectcategorieën.

Het ILCD-Handboek verschaft aanbevolen methoden, voor zowel middelpunt als eindpunt (voor beschermde gebieden).

Ecologische voetafdrukwaarden (bijv. hectares wereldwijd)

Klimaatverandering, met inbegrip van verandering in landgebruik.

De zes stoffen waarop het Protocol van Kyoto van toepassing is, moeten worden gerapporteerd. Andere stoffen die van toepassing zijn in verband met het onderzochte product of de onderzochte waardeketen, worden aanbevolen.

Er worden door het JRC aanbevolen LCIA-methoden gevolgd.

Effectcategorieën worden vastgesteld per productcategorie.

Er moet een standaardset van verstrekte middelpunt-effectcategorieën worden gebruikt

Klimaatverandering, met inbegrip van verandering in landgebruik.

Alle BKG-emissies moeten worden gerapporteerd.

Modelleringsbenadering (attributioneel vs. consequentieel)

Gebruikt elementen van zowel attributionele als consequentiële modelleringsbenaderingen.

Verschaft beginsel voor de wijze waarop de milieubelasting in verband met producten moet worden berekend. Het vermijden van allocatie is de benadering die de voorkeur geniet.

Verschaft beginsel voor de wijze waarop BKG-emissies (klimaatverandering) in verband met producten moet worden berekend. Het vermijden van allocatie is de benadering die de voorkeur geniet.

Attributionele benadering plus substitutie voor eindfase van levenscyclus en andere multi-productprocessen. Het vermijden van allocatie is de benadering die de voorkeur geniet.

Accountingbenadering (vergelijkbaar met attributionele benadering).

Staat proces-LCA, input-output- of hybride modellering toe.

Attributionele benadering plus directe systeemuitbreiding voor multi-productprocessen en gesloten-lusbenadering voor recycling (volgens de eisen van de standaard).

Attributionele benadering.

Allocatieregels voor recycling en energieherwinning worden voorgesteld per materiaal.

Attributionele benadering. Het vermijden van allocatie is de benadering die de voorkeur geniet.

Gegevenskwaliteit

De gegevenskwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

Technologische representativiteit

Geografische representativiteit

Chronologische representativiteit

Volledigheid

Parameter onzekerheid

Methodologische geschiktheid en consistentie (d.w.z. voltooiing van hulpbronnen gebruik- en emissieprofiel volgens deze algemene gids).

Een PEF-onderzoek die bedoeld is voor externe communicatie, moet voldoen aan de eisen inzake gegevenskwaliteit (zowel voor specifieke gegevens als voor generieke gegevens). PEF-onderzoeken (die beweren in overeenstemming te zijn met deze gids) die bedoeld zijn voor interne toepassingen, zouden moeten voldoen aan de gespecificeerde eisen inzake gegevenskwaliteit (d.w.z. deze eisen worden aanbevolen, maar zijn niet verplicht).

In het definitieve hulpbronnengebruik- en emissieprofiel moet voor de processen en activiteiten die verantwoordelijk zijn voor ten minste 70% van de bijdragen aan elke effectcategorie (gebaseerd op de screeningsoefening, indien deze is uitgevoerd), zowel voor specifieke als voor generieke gegevens ten minste het totaalniveau "goede kwaliteit" worden bereikt. Voor deze processen moet een semikwantitatieve beoordeling van de gegevenskwaliteit worden uitgevoerd en gerapporteerd. […]

Wat betreft het niveau waarop de beoordeling van de gegevenskwaliteit moet worden uitgevoerd:

Voor generieke gegevens moet de beoordeling worden uitgevoerd op het niveau van de inputstromen, bijv. ingekocht papier dat wordt gebruikt in een drukkerij

Voor specifieke gegevens moet de beoordeling worden uitgevoerd op het niveau van een individueel proces of geaggregeerde processen, of op het niveau van de individuele inputstromen.

Voor de volgende criteria zouden eisen inzake gegevenskwaliteit moeten worden gespecificeerd:

Chronologische dekking

Geografische dekking

Technologische dekking

Precisie

Volledigheid

Consistentie

Gegevensbronnen

Onzekerheid van de informatie

Er worden geen minimumeisen inzake gegevenskwaliteit gespecificeerd.

Voor vergelijkende beweringen moeten de bovenstaande acht criteria worden onderzocht.

Vergelijking PEF vs. ISO 14044:

1.

de criteria inzake de gegevenskwaliteit (zes vs. acht) bestrijken voor een groot deel dezelfde aspecten, maar ISO gaat verder dan PEF.

2.

In de PEF moeten de zes criteria altijd worden onderzocht, terwijl de acht ISO-criteria allemaal uitsluitend hoeven te worden onderzochtvoor vergelijkende beweringen.

3.

PEF stelt werkelijke minimumeisen inzake gegevenskwaliteit vast, terwijl ISO dat niet doet.

Neemt ISO 14044 over.

Gewijzigde versie van ISO 14044 (geldt voor zowel primaire als secundaire gegevens):

Technologische representativiteit,

Geografische representativiteit,

Chronologische representativiteit,

Volledigheid/precisie,

Methodologische geschiktheid en consistentie.

Geen specifieke eisen inzake gegevenskwaliteit in de methodologie. Verwijst naar ISO 14044.

Vijf indicatoren voor de gegevenskwaliteit moeten worden gebruikt om de gegevenskwaliteit te beoordelen:

Technologische representativiteit

Chronologische representativiteit

Geografische representativiteit

Volledigheid

Betrouwbaarheid

Voor belangrijke processen moeten bedrijven een beschrijvende verklaring afgeven over de gegevensbronnen, de gegevenskwaliteit en de geleverde inspanningen om de gegevenskwaliteit te verbeteren.

ADEME heeft een Governance Advisory Committee opgezet voor de openbare databank. Dit comité beoordeelt ook de gegevenskwaliteit/Kwaliteit en kritische evaluatie

Geografische representativiteit

Technologische representativiteit

Chronologische representativiteit

Volledigheid van de elementaire stromen

Precisie en onzekerheid

Reproduceerbaarheid

Er worden geen minimumeisen inzake gegevenskwaliteit gespecificeerd.

Aangepaste versie van ISO 14044.

Er worden geen minimumeisen inzake gegevenskwaliteit gespecificeerd.

Type gegevens en gegevensverzameling

Template voor gegevensverzameling

Specifieke gegevens moeten worden verkregen voor alle voorgrondprocessen en, in voorkomend geval, voor achtergrondprocessen. Indien generieke gegevens voor voorgrondprocessen echter representatiever of geschikter zijn dan specifieke gegevens (dit moet worden onderbouwd en gerapporteerd), moeten ook generieke gegevens worden gebruikt voor deze voorgrondprocessen.

Generieke gegevens zouden uitsluitend moeten worden gebruikt voor processen in het achtergrondsysteem, tenzij [generieke gegevens] representatiever of geschikter zijn dan specifieke gegevens voor voorgrondgrond processen, in welk geval generiekegegevens ook gebruikt moeten worden voor voorgrondsysteem processen.

Generieke gegevens (mits deze voldoen aan de in de PEF-gids gespecificeerde eisen inzake gegevenskwaliteit) moeten, indien beschikbaar, worden ontleend aan:

Gegevens ontwikkeld in overeenstemming met de eisen van de relevante PEFCR’s

Gegevens ontwikkeld in overeenstemming met de eisen voor PEF-onderzoeken

ILCD Data Network (gegevens die voldoen aan de ILCD-eisen voor situatie A)

ELCD

Template voor gegevensverzameling: de verstrekte template dient ter informatie.

Primaire gegevens: Verzameld (gemeten, berekend of geschat) bij productielocaties die verband houden met de eenheidsprocessen binnen de systeemgrens.

Secundaire gegevens: Gegevens ontleend aan andere bronnen, zoals literatuur of databanken. Er wordt geen specifieke gegevensbron aanbevolen. De beroepsbeoefenaar moet de vastgestelde eisen inzake gegevenskwaliteit voor het selecteren van secundaire gegevens volgen.

Template voor gegevensverzameling: Zie ISO/TR 14049

Neemt ISO 14044 over.

Primaire gegevens: Primaire gegevens genieten de voorkeur voor het voorgrond systeem en de belangrijkste achtergrond processen; secundaire gegevens mogen ook worden gebruikt, mits deze ILCD-compliant zijn en een goede en aantoonbare representativiteit hebben voor deze processen/ producten.

Voor alle andere gegevensbehoeften gaat de voorkeur uit naar ILCD-compliante secundaire gegevens van de beste kwaliteit. De resterende gegevenshiaten moeten worden gevuld met "gegevens schattingen" van minimum kwaliteit.

De methodologie gids erkent dat het gegevens beheerplan een template voor gegevensverzameling zou moeten bevatten.

Indien proces-LCA wordt toegepast, moet een vereiste/aanbeveling inzake primaire gegevens ISO 14044 volgen.

Secundaire gegevens: Er wordt geen specifieke bron gegeven.

Er wordt geen template voor gegevensverzameling verstrekt.

Primaire gegevens zijn vereist voor alle processen die eigendom zijn of onder controle staan van het rapporterende bedrijf.

Secundaire gegevens: Aanbevolen wordt om gegevens van de beste kwaliteit te gebruiken, waarbij primaire gegevens de voorkeur genieten, indien deze beschikbaar zijn.

De methodologiegids erkent dat het gegevensbeheerplan een template voor gegevensverzameling zou moeten bevatten.

In de standaard wordt echter geen voorbeeld verstrekt.

Primaire gegevens genieten de voorkeur.

Specifieke eis verstrekt op PCR-niveau.

Verstrekt template voor gegevensverzameling voor vervoer en voor eenheidsproces in bijlage E.

Primaire activiteitsgegevens zijn vereist voor alle processen die eigendom zijn of onder controle staan van de uitvoerende organisatie.

Secundaire gegevens moeten worden gebruikt voor inputs wanneer geen primaire activiteitsgegevens zijn verkregen.

De secundaire gegevens zijn bij voorkeur in overeenstemming met de eisen van de PAS. De selectie van secundaire gegevens moet zijn gebaseerd op

(1)

Regels inzake gegevenskwaliteit, afkomstig van ISO 14044,

(2)

Voorkeur voor secundaire gegevens van collegiaal getoetste publicaties, tezamen met gegevens van andere competente bronnen

Template voor gegevensverzameling: Verstrekt in de PAS 2050-gids.

Allocatie / multifunctionaliteitshiërarchie

De volgende PEF-beslissingshiërarchie voor multifunctionaliteit moet worden toegepast voor het oplossen van alle multifunctionaliteits problemen: (1) onderverdeling of systeemuitbreiding; (2) allocatie op basis van een relevante onderliggend fysieke relatie (hier kan substitutie van toepassing zijn); (3) allocatie op basis van een andere relatie.

Allocatie moet op de eerste plaats worden vermeden door onderverdeling van het proces of systeemuitbreiding, voor zover mogelijk. Indien dit niet mogelijk is, zouden fysieke relaties (bijv. massa, energie) tussen producten of functies moeten worden gebruikt om inputs en outputs te verdelen.

Wanneer geen fysieke relaties kunnen worden vastgesteld, moeten in plaats daarvan andere relaties worden gebruikt (bijv. economische waarde).

Neemt ISO 14044 over.

Verder ontwikkeld en gespecificeerd op basis van ISO 14044:

Vermijding van allocatie door onderverdeling of virtuele onderverdeling.

Substitutie / systeemuitbreiding (ook van bredere functies) van marktmix.

Allocatie op basis van oorzakelijke fysieke relatie, bijv. massa, energie.

Economische allocatie.

Als de analyse een nieuwe berekening van P-LCA-gegevens bevat die een voltooid product herleidt tot zijn primaire productequivalenten, moet de analyse voldoen aan de ISO LCA-normen 14040 en 14044.

Aanpassing van ISO 14044:

Bedrijven moeten, voor zover mogelijk, allocatie vermijden door processen onder te verdelen, door de functionele eenheid anders te definiëren, of door systeemuitbreiding.

Als allocatie onvermijdelijk is, moeten bedrijven emissies en verwijderingen toerekenen op basis van de onderliggende fysieke relaties tussen het onderzochte product en het (de) co-product(en).

Wanneer niet uitsluitend fysieke relaties kunnen worden vastgesteld, moeten bedrijven hetzij economische allocatie hetzij een andere allocatiemethode die andere relaties tussen het onderzochte product en het (de) co-product(en) weerspiegelt, toepassen.

Neemt ISO 14044 over.

Verder ontwikkeld op basis van ISO 14044:

1.

Co-productallocatie wordt vermeden door eenheidsprocessen opte delen in sub-processen of het productsysteem uit te breiden.

2.

Als 1 is niet kan worden toegepast, allocatie conform aanvullende eisen.

3.

Als er geen aanvullende eisen zijn, gaat de voorkeur uit naar de economische waarde.

Allocatie voor recycling

Er wordt een specifieke richtsnoer (met inbegrip van een vergelijking!) verstrekt, die ook rekening houdt met energieherwinning.

Deze kwestie wordt apart behandeld, waarbij als algemeen beginsel het vermijden van allocatie wordt gegeven, maar geen specifieke regel wordt verstrekt – geen vergelijking.

Onderverdeling van primaire productie van vermeden product.

De norm volgt de allocatiehiërarchie van ISO 14044. Bijlage C, die de vergelijkingen bevat, dient louter TER INFORMATIE.

Onderverdeling van marktgemiddelde primaire productie van vermeden product.

Geen richtsnoeren.

Hetzij de gesloten-lusbenadering hetzij de methode van het gerecycleerde gehalte moet worden toegepast. Als geen van beide methodengeschikt is, mogen andere methoden – consistent met ISO 14044 – worden gebruikt, mits dat in het inventarisatierapport openbaar wordt gemaakt en gerechtvaardigd.

Verschaft zeer gedetailleerde richtsnoeren en vergelijkingen voor gesloten-lus recycling en open-lus recycling, met of zonder energieherwinning.

Verschaft vergelijkingen om emissies te berekenen – maakt onderscheid tussen de methode van het gerecycleerde gehalte en de methode van de gesloten-lusbenadering van recycling.

(Zet criteria uiteen voor situaties waarin 0/100, 100/0 moet worden toegepast).

Fossiele en biogene koolstofemissies en -verwijderingen

Verwijderingen en emissies moeten apart worden gerapporteerd voor zowel fossiele als biogene bronnen.

Geen bepalingen.

Verwijderingen en emissies moeten apart worden gerapporteerd voor zowel fossiele als biogene bronnen.

Verwijderingen en emissies moeten apart worden gerapporteerd voor zowel fossiele als biogene bronnen.

Geen bepalingen.

Koolstofemissies en -verwijderingen van zowel fossiele als biogene bronnen worden opgenomen in de inventarisresultaten en moeten ten behoeve van de transparantie apart worden gerapporteerd (verplicht, tenzij niet van toepassing).

Koolstofemissies en -verwijderingen van zowel fossiele als biogene bronnen zouden apart moeten worden gerapporteerd.

Koolstofemissies en -verwijderingen worden beide opgenomen in de beoordeling (verplicht), uitgezonderd biogene emissies en verwijderingen uit voedingsmiddelen en voeders (wat niet verplicht is).

Directe verandering in landgebruik / indirecte verandering in landgebruik

Broeikasgasemissies als gevolg van een directe verandering in landgebruik moeten aan goederen/diensten worden toegerekend gedurende een periode van twintig jaar vanaf het moment waarop de verandering in landgebruik plaatsvindt, met behulp van de tabel van IPCC-standaardwaarden.

Indirecte verandering in landgebruik: Broeikasgasemissies als gevolg van indirecte veranderingen in landgebruik mogen niet in de standaard milieuvoetafdruk-effectcategorieën worden meegenomen.

Geen bepaling.

Directe verandering in landgebruik: Maakt gebruik van IPCC-richtsnoeren.

Indirecte verandering in landgebruik: Zal rekening mee worden gehouden zodra er een internationaal overeengekomen methode is vastgesteld.

Directe verandering in landgebruik: Specifieke, van de IPCC-richtsnoeren afgeleide richtsnoer met standaardtabel; toegerekend aan producten gedurende een periode van twintig jaar vanaf het moment waarop de verandering in landgebruik plaatsvindt (kan worden aangepast in geval van betere specifieke, getoetste gegevens).

Indirecte verandering in landgebruik (ILUC): wordt rekening mee gehoudenin het kader van consequentiële modellering, maar niet voor (attributionele) LCA’s op productniveau.

Directe verandering in landgebruik: De in het rapport gebruikte typen landgebruik komen overeen met de National Footprint Accounts, zowel voor de voetafdruk als voor de biocapaciteit.

Indirecte verandering in landgebruik: Geen bepaling.

Directe verandering in landgebruik: Vereist wanneer toerekenbaar. Aanvullende. richtsnoer voor berekening beschikbaar, gegevensbronnen verwijzen naar IPCC.

Indirecte verandering in landgebruik: Is niet vereist.

Directe verandering in landgebruik: Verwijzing naar methodologie van IPCC.

Indirecte verandering in landgebruik: Zal rekening mee worden gehouden zodra er een internationaal overeengekomen methode is vastgesteld.

Directe verandering in landgebruik: Omvat specifiek emissies als gevolg van verandering in landgebruik die hebben plaatsgehad in de voorafgaande twintig jaar.

Indirecte verandering in landgebruik wordt uitgesloten.

Koolstofopslag en uitgestelde emissies

Kredieten in verband met tijdelijke (koolstof)opslag of uitgestelde emissies mogen in de berekening van de PEF voor de standaardeffectcategorieën niet worden meegenomen, tenzij in een ondersteunende PEFCR anders is bepaald.

Er wordt geen specifieke bepaling / informatie verstrekt. De interpretatie van de verstrekte definitie van LCA suggereert echter dat koolstofopslag en uitgestelde emissies worden uitgesloten van de gebruikelijke reikwijdte van de studie.

Koolstofopslag moet apart worden gerapporteerd.

Uitgesloten van de gebruikelijke reikwijdte van de studie. Indien ze echter worden meegenomen omdat ze deel uitmaken van het doel van de studie, verschaft het ILCD-Handboek een gedetailleerde operationele richtsnoer.

Vergelijkbaar met de aanbevolen benadering in de PAS 2050 voor de methoden voor het berekenen van koolstofopslageffecten.

Maakt onderscheid tussen tijdelijke opslag en permanente opslag, mits gegarandeerd voor meer dan tienduizend jaar.

Geen bepalingen.

Koolstof die niet vrijkomt als gevolg van een behandeling in de eindfase van de levenscyclus in de tijdsperiode van de studie, wordt behandeld als opgeslagen koolstof. De tijdsperiode zou, voor zover mogelijk, moeten worden gebaseerd op wetenschappelijke informatie of minimaal honderd jaar moeten zijn.

Uitgestelde emissies of wegingsfactoren (bijv. tijdelijke koolstof) mogen niet worden opgenomen in de inventarisresultaten, maar kunnen wel apart worden gerapporteerd.

Biogene en fossiele koolstof. Tijdgewogen gemiddelde voor opslag/uitstel voor maximaal honderd jaar.

Het besluit om het concept van uitgestelde emissies toe te passen is facultatief en zal in elke PEFCR afzonderlijk worden genomen.

Voor producten die biomassa bevatten, kan rekening worden gehouden met BKG-verwijdering, als deze biomassa afkomstig is van opnieuw geplant bos.

Elk effect van koolstofopslag wordt opgenomen in de inventaris, maar moet ook apart worden geregistreerd. Wegingsfactoren voor uitgestelde emissies worden niet in het inventarisresultaat opgenomen, maar er wordt (in bijlage B) een methode verstrekt voor het geval organisaties ze toch willen toepassen. In dat geval moet dit apart van het inventarisresultaat worden vastgelegd.

Compensatie van emissies

Mag niet worden opgenomen in de beoordeling.

Geen bepalingen.

Mag niet worden opgenomen in de beoordeling

Mag niet worden opgenomen in de beoordeling.

Geen bepalingen.

Mag niet worden opgenomen in de beoordeling.

Mag niet worden opgenomen in de beoordeling

Mag niet worden opgenomen in de beoordeling

Toetsing en kwalificaties van beoordelaars

Tenzij anders gespecificeerd in relevante beleidsinstrumenten, moet elke studie die is bedoeld voor externe communicatie, worden getoetst door een onafhankelijke en gekwalificeerde externe beoordelaar (of beoordelingsteam). Een studie om een openbaar te maken vergelijkende bewering te ondersteunen, moet worden gebaseerd op relevante PEFCR’s en worden getoetst door een onafhankelijke, externe beoordelaar, tezamen met een panel van belanghebbenden.

Er gelden minimumeisen inzake de kwalificaties van beoordelaars.

Verschaft eis voor vergelijkende studies:

Als de studie zal worden gebruikt voor een openbaar te maken vergelijkende bewering, moeten belanghebbende partijen deze evaluatie uitvoeren als een kritische evaluatie, en algemene informatie verstrekken over het soort evaluatie.

Stelt verschillende verificatieregelingen vast, afhankelijk van de aard en beoogde toepassing van de studie: verklaring, bewering, etikettering.

Verschaft minimumeisen voor het type toetsing, de kwalificaties van de beoordelaars en de wijze waarop de toetsing moet worden uitgevoerd (bijv. voor een algemene LCA-studie is een onafhankelijke externe toetsing een minimumvereiste).

Specificeert dat het rapport onafhankelijk moet worden beoordeeld, maar er wordt geen specifieke richtsnoer verstrekt.

Er wordt zekerheid geëist en deze kan worden bereikt door:

Verificatie door eerste partij

Verificatie door derde partij

Kritische evaluatie.

Secundaire gegevens die niet afkomstig zijn van aanbevolen bronnen, moeten door een comité worden beoordeeld.

In de PCR worden de tijdelijke geldigheid van gegevens en de bijwerkfrequentie en het validatieproces voor gegevens en resultaten uitputtend beschreven.

Onafhankelijke certificatie door een derde certificatie-instelling die is geaccrediteerd om beoordelingen en certificeringen te verrichten voor de PAS 2050.

Er zijn andere verificatiemogelijkheden, met inbegrip van zelfverificatie en verificatie door een niet-geaccrediteerde instelling, afhankelijk van de beoogde communicatie.

Rapportage

Het rapport van de studie moet ten minste een samenvatting, een hoofdrapport en een bijlage bevatten. Deze moeten de gespecificeerde elementen bevatten. Eventuele aanvullende ondersteunende informatie kan ook worden opgenomen, bijv. in een vertrouwelijk rapport.

(De inhoud van deze verplichte onderdelen van rapportage volgt nauw de verslagleggingseisen van ISO 14044. Als de beoordeling echter (openbaar te maken) vergelijkende beweringen ondersteunt, gaan de ISO-eisen verder dan de PEF-verslagleggingseisen).

Verstrekt algemene verslagleggingsvereisten en aanvullende eisen voor rapportage aan derde partijen.

ISO 140xx verstrekt geen voorbeeld van een LCA-verslagleggingstemplate.

ISO 14048 verstrekt alleen de template en/of eisen voor de gegevensset.

Verstrekt algemene eisen (aanpassing van ISO 14044).

Aanvullende eisen voor rapportage aan derde partijen:

a)

wijzigingen in de initiële reikwijdte met een rechtvaardiging daarvan;

b)

beschrijving van de fasen van de levenscyclus;

c)

systeemgrens, met inbegrip van het type inputs en outputs van het systeem als elementaire stromen […];

d)

beschrijving van belangrijke eenheidsprocessen […];

e)

gegevens […];

f)

resultaten van de interpretatie, met inbegrip van conclusies en beperkingen.

Verstrekt algemene verslagleggingseisen en aanvullende eisen voor rapportage aan derde partijen.

Verstrekt format en templates voor gegevenssets en de rapportage van studies.

Ondersteunt elektronische / internet-gegevensuitwisseling en -werkstromen.

Geen rapporttemplate verstrekt

Andere eisen zijn van toepassing […]

Verstrekt een lijst van vereiste en facultatieve elementen voor mededeling aan het publiek (template beschikbaar op de website van het BKG-protocol).

Geen rapporttemplate verstrekt.

Geen rapporttemplate verstrekt.

Interpretatie van resultaten

De fase van de interpretatie van de milieuvoetafdruk moet de volgende stappen omvatten: (1) "beoordeling van de deugdelijkheid van het PEF-model", (2) "vaststellen van zwakke plekken", (3) "inschatting van de onzekerheid", en (4) "conclusies, beperkingen en aanbevelingen".

Optionele tools voor de interpretatie van resultaten: volledigheidscontrole, gevoeligheidscontrole, consistentiecontrole (deze zijn verplicht in ISO 14044).

Identificatie van de belangrijkste kwesties op basis van de resultaten van de LCI- en LCIA-fasen van de LCA;

Een evaluatie die kijkt naar volledigheids-, gevoeligheids- en consistentiecontroles;

Conclusies, beperkingen en aanbevelingen.

Neemt ISO 14044 over.

Verdere specificatie van ISO 14044.

Neemt ISO 14044 over.

Aspecten van de interpretatie zijn opgenomen in de hoofdstukken over onzekerheid, verslaglegging en het volgen van prestaties.

Neemt ISO 14044 over.

Neemt ISO 14044 over.

Onzekerheid van resultaten

Er moet ten minste een kwalitatieve beschrijving van de onzekerheden worden verstrekt.

TIP: Met behulp van Monte Carlo-simulaties kunnen kwantitatieve onzekerheidsbeoordelingen worden berekend voor de variantie die samenhangt met belangrijke processen en karakteriseringsfactoren.

Genoemd als een eis, maar er wordt geen gedetailleerde richtsnoer verstrekt.

"Voor studies die in openbaar te maken vergelijkende beweringen zullen worden gebruikt, moet een gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse van de resultaten worden uitgevoerd."

Genoemd als een eis, maar er wordt geen gedetailleerde richtsnoer verstrekt.

De bestaande gids bevat geen specifieke methode. Verschaft slechts een kader.

Er wordt geen gedetailleerde richtsnoer verstrekt, maar er wordt wel aangegeven dat aparte inschattingen van de volgende typen onzekerheid zouden moeten worden gegeven:

Inputparameters

Proportionaliteitsaannames

Categoriefouten

Onvolledige of gedeeltelijke dekking

Eist verslaglegging over kwalitatieve onzekerheid voor belangrijke processen.

Richtsnoeren en instrumenten voor het uitvoeren van kwantitatieve onzekerheidsanalyses zijn beschikbaar als aanvullende informatie op de website van het BKG-protocol.

De sectorspecifieke werkgroepen moeten onzekerheids- en gevoeligheidsanalyses uitvoeren op basis van ISO 14040:2006.

Er moet specifiek aandacht worden geschonken aan belangrijke milieuaspecten om te waarborgen dat de aan consumenten medegedeelde informatie relevant blijft.

Bedrijven moeten een kwalitatieve verklaring overleggen over de onzekerheid van de inventaris en de gemaakte methodologische keuzes. De methodologische keuzes zijn onder andere:

Profiel in gebruiksfase en eindfase van levenscyclus

Methoden van allocatie, met inbegrip van allocatie als gevolg van recycling

Bron van gebruikte waarden voor aardopwarmingspotentieel (GWP)

Berekeningsmodellen.


(1)  De toeleveringsketen wordt in de literatuur vaak aangeduid als "waardeketen". Hier wordt echter de voorkeur gegeven aan de term "toeleveringsketen" om de economische connotatie van "waardeketen" te vermijden.

(2)  Europese Commissie 2011: COM(2011) 571 final: Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa.

(3)  http://ec.europa.eu/environment/resource_efficiency/index_en.htm

(4)  http://ec.europa.eu/environment/eussd/corporate_footprint.htm

(5)  Online beschikbaar op http://www.iso.org/iso/iso_catalogue.htm

(6)  Online beschikbaar op http://lct.jrc.ec.europa.eu/assessment/publications

(7)  "Ecological Footprint Standards 2009" – Global Footprint Network. Online beschikbaar op http://www.footprintnetwork.org/images/uploads/Ecological_Footprint_Standards_2009.pdf

(8)  WRI en WBCSD (2011). Greenhouse Gas Protocol Product Life Cycle Accounting and Reporting Standard, 2011.

(9)  http://www2.ademe.fr/servlet/getDoc?id=11433&m=3&cid=96

(10)  Online beschikbaar op http://www.bsigroup.com/en/Standards-and-Publications/How-we-can-help-you/Professional-Standards-Service/PAS-2050/

(11)  Tot dit document kan toegang worden verkregen via http://ec.europa.eu/environment/eussd/corporate_footprint.htm

(12)  Een bedrijf produceert bijvoorbeeld 40 000 T-shirts en 20 000 broeken per jaar en de producten hebben een milieuvoetafdruk van respectievelijk X voor T-shirts en Y voor broeken. De milieuvoetafdruk van de organisatie is Z per jaar. In theorie geldt: Formula.

(13)  De levenscyclus is de reeks van opeenvolgende en onderling verbonden fasen van een productsysteem, van de verwerving van grondstoffen of de opwekking uit natuurlijke hulpbronnen tot de definitieve verwijdering (ISO 14040:2006).

(14)  Een levenscyclusbenadering houdt rekening met het spectrum van hulpbronnenstromen en milieu-interventies verband houdend met een product vanuit het perspectief van de toeleveringsketen, met inbegrip van alle stadia van de verwerving van grondstoffen, de verwerking, de distributie en het gebruik tot de processen in de eindfase van de levenscyclus, en met alle relevante gerelateerde milieueffecten (in plaats van zich te richten op één enkel aspect binnen de levenscyclus).

(15)  "Afvalstoffen" zijn stoffen of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te doen of zich moet ontdoen (ISO 14040:2006).

(16)  "Product" – een goed of een dienst (ISO 14040:2006).

(17)  De toeleveringsketen wordt in de literatuur vaak aangeduid als "waardeketen". Hier wordt echter de voorkeur gegeven aan de term "toeleveringsketen" om de economische connotatie van "waardeketen" te vermijden.

(18)  "Grondstof" – primair of secundair materiaal dat wordt gebruikt om een product te vervaardigen (ISO 14040:2006).

(19)  Online beschikbaar op http://www.iso.org/iso/iso_catalogue.htm

(20)  Online beschikbaar op http://lct.jrc.ec.europa.eu/assessment/publications

(21)  "Ecological Footprint Standards 2009" – Global Footprint Network. Online beschikbaar op http://www.footprintnetwork.org/images/uploads/Ecological_Footprint_Standards_2009.pdf

(22)  GHGP 2011, Greenhouse Gas Protocol Product Life Cycle Accounting and Reporting Standard.

(23)  Online beschikbaar op http://www2.ademe.fr/servlet/getDoc?id=11433&m=3&cid=96

(24)  Online beschikbaar op http://www.bsigroup.com/en/Standards-and-Publications/How-we-can-help-you/Professional-Standards-Service/PAS-2050/

(25)  European Commission - Joint Research Centre - Institute for Environment and Sustainability (2011b). Analysis of Existing Environmental Footprint Methodologies for Products and Organizations: Recommendations, Rationale, and Alignment. EC – IES - JRC, Ispra, november 2011. http://ec.europa.eu/environment/eussd/corporate_footprint.htm

(26)  Systeemgrens – uitputtende omschrijving van de aspecten die worden opgenomen in of worden uitgesloten van de studie. Voor een EF-analyse "van wieg tot graf" moet de systeemgrens alle activiteiten omvatten van de winning van de grondstoffen en de fasen van de verwerking, de distributie, de opslag en het gebruik tot en met de fase van verwijdering of hergebruik.

(27)  Productsysteem – verzameling eenheidsprocessen met elementaire stromen en productstromen, die een of meer uitputtend omschreven functies vervult en die de levenscyclus van een product modelleert (ISO 14040:2006).

(28)  Vergelijkende beweringen zijn beweringen over de milieu-superioriteit of -gelijkwaardigheid van een product in vergelijking tot een concurrerend product dat dezelfde functie vervult (ISO 14040:2006).

(29)  Een productcategorie is een groep producten die gelijkwaardige functies kunnen vervullen (ISO 14025:2006).

(30)  Als processen of faciliteiten meer dan een functie vervullen, dat wil zeggen, meerdere goederen en/of diensten leveren ("co-producten"), zijn ze "multifunctioneel". In deze situaties moeten alle inputs en emissies die verband houden met het proces, volgens vaste beginselen worden verdeeld over het onderzochte product en de overige producten (zie paragraaf 6.10 en bijlage V).

(31)  Productcategorieregels (PCR’s) zijn een verzameling specifieke regels, vereisten en richtsnoeren voor het opstellen van milieuverklaringen van type III voor een of meer productcategorieën (ISO 14025:2006).

(32)  Een milieuaspect is een element van de activiteiten, producten of diensten van een organisatie dat milieueffecten heeft of kan hebben.

(33)  Een levenscyclusbeoordeling is een compilatie en evaluatie van de inputs, outputs en potentiële milieueffecten van een productsysteem gedurende zijn levenscyclus (ISO 14