Help Print this page 

Document 32008D0164

Title and reference
2008/164/EG: Beschikking van de Commissie van 21 december 2007 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit personen met beperkte mobiliteit voor het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem en het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 6633) (Voor de EER relevante tekst)
  • No longer in force
OJ L 64, 7.3.2008, p. 72–207 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 001 P. 123 - 258

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2008/164/oj
Multilingual display
Text

7.3.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/72


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 21 december 2007

betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit „personen met beperkte mobiliteit” voor het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem en het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 6633)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/164/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (1), en met name op artikel 6, lid 1,

Gelet op Richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (2), en met name op artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2001/16/EG en artikel 5, lid 1, van Richtlijn 96/48/EG geldt voor elk subsysteem een TSI. Indien nodig kunnen voor een subsysteem verschillende TSI's gelden en kan een TSI gelden voor verschillende subsystemen. Voor het besluit een TSI te ontwikkelen en/of te herzien en voor het bepalen van de technische en geografische reikwijdte daarvan is een opdracht vereist zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2001/16/EG en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 96/48/EG.

(2)

In bijlage II bij Richtlijn 2001/16/EG is bepaald dat met de behoeften van personen met beperkte mobiliteit rekening moet worden gehouden bij de opstelling van een TSI voor het subsysteem „infrastructuur” (punt 2.1 van de bijlage) en voor het subsysteem „rollend materieel” (punt 2.6 van de bijlage). Daartoe is opdracht gegeven aan de Europese Associatie voor spoorweginteroperabiliteit (AEIF), die is aangewezen als de representatieve gemeenschappelijke instantie, om een ontwerp-TSI „toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit” op te stellen met bepalingen die moeten worden toegepast op zowel de infrastructuur als het rollend materieel.

(3)

In 2001 is aan de AEIF opdracht gegeven de in 2002 aangenomen eerste reeks TSI's voor het hogesnelheidsspoorwegsysteem, die betrekking hadden op de subsystemen rollend materieel, infrastructuur, besturing en seingeving, energie, onderhoud en exploitatie, te herzien. In het kader daarvan is aan de AEIF gevraagd zich onder andere te buigen over de harmonisatie van de betrokken TSI's met die betreffende de interoperabiliteit van het conventionele spoorwegsysteem en over het aspect toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit. Daarom heeft de door de AEIF opgestelde ontwerp-TSI betreffende personen met beperkte mobiliteit zowel betrekking op het conventionele als op het hogesnelheidsspoorwegsysteem.

(4)

De eerste TSI voor het subsysteem rollend materieel van het hogesnelheidsspoorwegsysteem, die als bijlage bij Beschikking 2002/735/EG is aangenomen, is in 2002 van kracht geworden. Wegens bestaande contractuele verplichtingen kunnen nieuwe subsystemen „rollend materieel” of interoperabiliteitsonderdelen, of de vernieuwing en verbetering daarvan, thans op conformiteit moeten worden beoordeeld aan de hand van die eerste TSI. Aangezien de TSI in de bijlage bij deze beschikking van toepassing is op al het nieuwe, vernieuwde en verbeterde rollend materieel voor het conventionele en het hogesnelheidsspoorwegsysteem, is het van belang het toepassingsgebied te bepalen van de als bijlage bij Beschikking 2002/735/EG aangenomen eerste TSI „rollend materieel” voor het hogesnelheidsspoorwegsysteem. De lidstaten moeten een volledige lijst indienen van subsystemen en interoperabiliteitsonderdelen die zich in een gevorderde ontwikkelingsfase bevinden en onder de toepassing van artikel 7, onder a), van Richtlijn 96/48/EG vallen. Deze lijsten moeten aan de Commissie worden toegezonden uiterlijk zes maanden na de datum waarop deze beschikking van toepassing wordt.

(5)

De ontwerp-TSI is onderzocht door het comité dat werd opgericht krachtens Richtlijn 96/48/EG van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (3), zoals bedoeld in artikel 21 van Richtlijn 2001/16/EG.

(6)

Tijdens de opstelling van de ontwerp-TSI zijn de belangrijkste belanghebbende partijen geraadpleegd. Met hun opmerkingen en bezwaren is waar mogelijk rekening gehouden.

(7)

In haar voorstel voor een verordening betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het internationale treinverkeer (4) heeft de Commissie verschillende bepalingen opgenomen die moeten garanderen dat aan personen met beperkte mobiliteit aan boord van treinen en in stations de nodige bijstand wordt verleend opdat zij zoals alle andere burgers optimaal kunnen profiteren van de voordelen van reizen per trein.

(8)

Het voorstel betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het internationale treinverkeer bevat ook bepalingen die spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders de verplichting opleggen alle relevante informatie te verstrekken over de toegankelijkheid van en de voorwaarden voor toegang tot treinen en stations voor personen met beperkte mobiliteit.

(9)

De hoofddoelstelling van de onderliggende Richtlijnen 2001/16/EG en 96/48/EG is interoperabiliteit. Met de TSI wordt beoogd de voorzieningen te harmoniseren die moeten worden getroffen voor personen met beperkte mobiliteit die als passagiers reizen op het conventionele en het hogesnelheidsspoorwegsysteem. Treinen, stations en relevante onderdelen van de infrastructuur die voldoen aan de in de TSI beschreven maatregelen maken interoperabiliteit mogelijk en bieden een vergelijkbaar toegankelijkheidsniveau aan personen met beperkte mobiliteit op het hele trans-Europese netwerk. De TSI verhindert de lidstaten niet aanvullende maatregelen ter verbetering van de toegankelijkheid te treffen, mits deze geen belemmering vormen voor interoperabiliteit en geen overmatige kosten voor de spoorwegondernemingen met zich meebrengen. Een betere toegankelijkheid tot rollend materieel en stations voor gehandicapten en personen met verminderde mobiliteit kan ervoor zorgen dat meer mensen die thans gedwongen zijn andere vervoermiddelen te gebruiken per trein kunnen reizen.

(10)

De Richtlijnen 2001/16/EG en 96/48/EG en de TSI’s gelden voor vernieuwingen, maar niet voor onderhoudsgerelateerde vervangingen. Lidstaten worden evenwel aangemoedigd, waar dat kan en waar de omvang van het onderhoudswerk dat rechtvaardigt, de TSI’s toe te passen bij onderhoudsgerelateerde vervangingen.

(11)

In de huidige versie van de TSI worden niet alle essentiële eisen behandeld. Overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2001/16/EG en artikel 17 van Richtlijn 96/48/EG, beide zoals gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG, worden niet-behandelde technische aspecten aangeduid als „open punten” in bijlage L bij deze TSI.

(12)

Overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2001/16/EG en artikel 17 van Richtlijn 96/48/EG, beide zoals gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG, moeten individuele lidstaten de overige lidstaten en de Commissie in kennis stellen van de geldende nationale technische regels voor de tenuitvoerlegging van de met deze „open punten” verband houdende essentiële eisen, alsook van de instanties die zij aanstellen voor de uitvoering van de procedure voor de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik en de geldende keuringsprocedure voor verificatie van de interoperabiliteit van subsystemen in de zin van artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2001/16/EG en artikel 16, lid 2, van Richtlijn 96/48/EG. Met het oog op dit laatste moeten de lidstaten zoveel mogelijk de in de Richtlijnen 2001/16/EG en 96/48/EG vastgelegde principes en criteria toepassen. Waar mogelijk moeten de lidstaten gebruik maken van de krachtens artikel 20 van Richtlijn 2001/16/EG en artikel 20 van Richtlijn 96/48/EG aangemelde instanties. De Commissie moet een analyse uitvoeren van de door de lidstaten meegedeelde informatie over nationale regels, procedures, met tenuitvoerleggingsprocedures belaste instanties en duur van die procedures, en moet waar passend met het comité bespreken of maatregelen dienen te worden getroffen.

(13)

De TSI vereist geen gebruik van specifieke technologieën of technische oplossingen behoudens waar dit strikt noodzakelijk is voor de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem.

(14)

De TSI is gebaseerd op de kennis van deskundigen die beschikbaar was op het tijdstip waarop het ontwerp werd opgesteld. Door technologische, operationele, maatschappelijke of veiligheidsontwikkelingen kan een wijziging van deze TSI of een aanvulling daarop noodzakelijk zijn. Waar toepasselijk zal een herzienings- of bijwerkingsprocedure overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Richtlijn 2001/16/EG of artikel 6, lid 3, van Richtlijn 96/48/EG worden gestart. Bij deze herziening zullen organisaties worden betrokken die de belangen van personen met beperkte mobiliteit vertegenwoordigen.

(15)

Om innovatie te bevorderen en rekening te houden met verworven ervaring moet de bijgevoegde TSI op regelmatige tijdstippen worden herzien.

(16)

Wanneer innovaties worden voorgesteld vermeldt de fabrikant of de aanbestedende dienst in hoeverre deze afwijken van het desbetreffende onderdeel van de TSI. Het Europese Spoorwegbureau stelt de definitieve versie van passende functionele en interfacespecificaties voor de innovatie vast en ontwikkelt evaluatiemethodes.

(17)

De bepalingen van deze beschikking zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 21 van Richtlijn 96/48/EG van de Raad ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

De Technische Specificatie inzake Interoperabiliteit („TSI”) betreffende personen met beperkte mobiliteit wordt hierbij door de Commissie aangenomen overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2001/16/EG en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 96/48/EG.

De TSI wordt aangenomen zoals aangegeven in de bijlage bij deze beschikking.

De TSI is volledig van toepassing op het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem zoals omschreven in artikel 2 en bijlage I bij Richtlijn 2001/16/EG, en op het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem zoals omschreven in artikel 2 en bijlage I bij Richtlijn 96/48/EG. EC.

Artikel 2

De lidstaten kunnen Beschikking 2002/735/EG blijven toepassen voor projecten die onder de toepassing van artikel 7, onder a), van Richtlijn 96/48/EG vallen.

Een volledige lijst van de subsystemen en interoperabiliteitsonderdelen die onder de toepassing van dat artikel vallen wordt uiterlijk zes maanden nadat deze beschikking van kracht wordt bij de Commissie ingediend.

Artikel 3

1.   Wat betreft de aspecten die zijn aangeduid als „open punten” in bijlage C van de TSI, geschiedt de verificatie van de interoperabiliteit overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2001/16/EG en artikel 16, lid 2, van Richtlijn 96/48/EG aan de hand van de geldende technische voorschriften in de lidstaat die toestemming geeft om het subsysteem als bedoeld in deze beschikking in gebruik te nemen.

2.   Elke lidstaat stelt de overige lidstaten en de Commissie binnen zes maanden na de kennisgeving van deze beschikking in kennis van:

a)

de lijst van de in lid 1 bedoelde geldende technische voorschriften;

b)

de met betrekking tot de toepassing van deze voorschriften te volgen procedure voor de beoordeling van de conformiteit en de keuringsprocedure;

c)

de instanties die belast zijn met de uitvoering van de procedure voor de beoordeling van de conformiteit en de keuringsprocedure.

Artikel 4

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 juli 2008.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 december 2007.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vice-voorzitter van de Commissie


(1)  PB L 110 van 20.4.2001, blz. 1.

(2)  PB L 235 van 17.9.1996, blz. 6.

(3)  PB L 235 van 17.9.1996. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG (PB L 141 van 2.6.2007, blz. 63.)

(4)  Voorstel voor een verordening van het Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het internationale treinverkeer, COM (2004)143 def. van 3 maart 2004.


BIJLAGE

TRANS-EUROPESE CONVENTIONELE EN HOGESNELHEIDSPOORSYSTEMEN

TECHNISCHE SPECIFICATIE INZAKE INTEROPERABILITEIT

Subsysteem Infrastructuur en rollend materieel

Aspect: Toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit

1.

INLEIDING

1.1.

Technisch toepassingsgebied

1.2.

Geografisch toepassingsgebied

1.3.

Inhoud

2.

DEFINITIE VAN SUBSYSTEEM/TOEPASSINGSGEBIED

2.1.

Definities van de subsystemen

2.1.1.

Infrastructuur:

2.1.2..

Rollend materieel:

2.1.3.

telematicatoepassingen voor reizigers

2.2.

Definitie van „Personen met beperkte mobiliteit”

3.

ESSENTIËLE EISEN

3.1.

Algemeen

3.2.

De essentiële eisen hebben betrekking op:

3.3.

Algemene eisen

3.3.1.

Veiligheid

3.3.2.

Bedrijfszekerheid en beschikbaarheid

3.3.3.

Gezondheid

3.3.4.

Milieubescherming

3.3.5.

Technische compatibiliteit

3.4.

Specifiek aan het infrastructuursubsysteem te stellen eisen

3.4.1.

Veiligheid

3.5.

Specifieke eisen voor het subsysteem „Rollend materieel”

3.5.1.

Veiligheid

3.5.2.

Bedrijfszekerheid en beschikbaarheid

3.5.3.

Technische compatibiliteit

3.6.

Specifieke eisen voor andere subsystemen die eveneens betrekking hebben op het subsysteem „Infrastructuur” en „Rollend materieel”

3.6.1.

Subsysteem „Energie”

3.6.1.1.

Veiligheid

3.6.1.2.

Milieubescherming

3.6.1.3.

Technische compatibiliteit

3.6.2.

Besturing en seingeving

3.6.2.1.

Veiligheid

3.6.2.2.

Technische compatibiliteit

3.6.3.

Onderhoud

3.6.3.1.

Gezondheid en veiligheid

3.6.3.2.

Milieubescherming

3.6.3.3.

Technische compatibiliteit

3.6.4.

Exploitatie en verkeersleiding

3.6.4.1.

Veiligheid

3.6.4.2.

Technische compatibiliteit

3.6.5.

Telematicatoepassingen voor passagiers en vracht

3.6.5.1.

Technische compatibiliteit

3.6.5.2.

Gezondheid

3.7.

Elementen van de TSI „Personen met beperkte mobiliteit” met betrekking tot de essentiële eisen

4.

KARAKTERISERING VAN DE SUBSYSTEMEN

4.1.

Subsysteem „Infrastructuur”

4.1.1.

Inleiding

4.1.2.

Functionele en technische specificaties

4.1.2.1.

Algemeen

4.1.2.2.

Parkeerfaciliteiten voor personen met beperkte mobiliteit

4.1.2.3.

Obstakelvrije route

4.1.2.3.1.

Algemeen

4.1.2.3.2.

Routebewegwijzering

4.1.2.4.

Deuren en ingangen

4.1.2.5.

Vloeren

4.1.2.6.

Transparante obstakels

4.1.2.7.

Toiletten en luiertafels

4.1.2.7.1.

Aan subsystemen te stellen eisen

4.1.2.7.2.

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

4.1.2.8.

Meubilair en vrijstaande apparatuur

4.1.2.9.

Ticketverkoop, informatiebalies en reizigersassistentiepunten

4.1.2.9.1.

Aan subsystemen te stellen eisen

4.1.2.9.2.

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

4.1.2.10.

Verlichting

4.1.2.11.

Visuele informatie: bewegwijzering, pictogrammen, dynamische informatie

4.1.2.11.1.

Aan subsystemen te stellen eisen

4.1.2.11.2.

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

4.1.2.12.

Auditieve informatie

4.1.2.13.

Nooduitgangen, alarmmelders

4.1.2.14.

Afmetingen van voetbruggen en onderdoorgangen

4.1.2.15.

Trappen

4.1.2.16.

Leuningen

4.1.2.17.

Hellingbanen, roltrappen, liften, roltrottoirs

4.1.2.18.

Perronhoogte en -overstek

4.1.2.18.1.

Perronhoogte

4.1.2.18.2.

Perronoverstek

4.1.2.18.3.

Perronspoor

4.1.2.19.

Perronbreedte en -rand

4.1.2.20.

Perronkoppen

4.1.2.21.

Hulpmiddelen voor rolstoelgebruikers bij in- en uitstappen

4.1.2.21.1.

Aan subsystemen te stellen eisen

4.1.2.21.2.

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

4.1.2.22.

Reizigersoverpad op stations

4.1.3.

Functionele en technische specificaties van de raakvlakken

4.1.4.

Bedrijfsvoorschriften

4.1.5.

Regels voor onderhoud

4.1.6.

Beroepskwalificaties

4.1.7.

Gezondheid en veiligheid

4.1.8.

Infrastructuurregister

4.2.

Subsysteem Rollend materieel

4.2.1.

Inleiding

4.2.2.

Functionele en technische specificaties

4.2.2.1.

Algemeen

4.2.2.2.

Zitplaatsen

4.2.2.2.1.

Algemeen

4.2.2.2.2.

Gereserveerde zitplaatsen

4.2.2.2.2.1.

Algemeen

4.2.2.2.2.2.

Zitplaatsen in rijrichting

4.2.2.2.2.3.

Zitplaatsen tegenover elkaar

4.2.2.3.

Rolstoelplaatsen

4.2.2.4.

Deuren

4.2.2.4.1.

Algemeen

4.2.2.4.2.

Buitendeuren

4.2.2.4.2.1.

Aan het subsysteem te stellen eisen

4.2.2.4.2.2.

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

4.2.2.4.3.

Binnendeuren

4.2.2.4.3.1.

Aan subsystemen te stellen eisen

4.2.2.4.3.2.

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

4.2.2.5.

Verlichting

4.2.2.6.

Toiletten

4.2.2.6.1.

Algemeen

4.2.2.6.2.

Standaardtoilet (Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen)

4.2.2.6.3.

Universeel toilet

4.2.2.6.3.1.

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen (Universele toiletten)

4.2.2.6.3.2.

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen (Luiertafels)

4.2.2.7.

Rolstoelpaden

4.2.2.8.

Reizigersinformatie

4.2.2.8.1.

Algemeen

4.2.2.8.2.

Informatie (bewegwijzering, pictogrammen, inductielussen en alarmmelders)

4.2.2.8.2.1.

Aan subsystemen te stellen eisen

4.2.2.8.2.2.

Aan interoperabele onderdelen te stellen eisen

4.2.2.8.3.

Informatie (reisinformatie en zitplaatsreservering)

4.2.2.8.4.

Informatie (Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen)

4.2.2.9.

Hoogteveranderingen

4.2.2.10.

Leuningen

4.2.2.11.

Rolstoeltoegankelijke slaapruimten

4.2.2.12.

Tredeplaats voor het in- en uitstappen van de voertuigen

4.2.2.12.1.

Algemene eisen

4.2.2.12.2.

In- en uitstaptreden

4.2.2.12.3.

Instaphulpmiddelen

4.2.2.12.3.1.

Algemeen

4.2.2.12.3.2.

Beschikbaarheid van instaphulpmiddelen voor rolstoelgebruikers

4.2.2.12.3.3.

Algemene vereisten categorie A —

4.2.2.12.3.4.

Algemene vereisten categorie B —

4.2.2.12.3.5.

Specifieke vereisten voor beweegbare treden

4.2.2.12.3.6.

Specifieke vereisten voor verplaatsbare oprijplaten —

4.2.2.12.3.7.

Specifieke vereisten voor halfautomatische oprijplaten —

4.2.2.12.3.8.

Specifieke vereisten voor rolstoelbruggen —

4.2.2.12.3.9.

Specifieke vereisten voor meegevoerde liften —

4.2.3.

Functionele en technische specificaties van de raakvlakken

4.2.4.

Bedrijfsvoorschriften

4.2.5.

Onderhoudsvoorschriften

4.2.6.

Beroepskwalificaties

4.2.7.

Gezondheid en veiligheid

4.2.8.

Register van rollend materieel

4.3.

Definities van de in dit document gebruikte termen

5.

INTEROPERABILITEITSONDERDELEN

5.1.

Definitie

5.2.

Innovatieve oplossingen

5.3.

Lijst van interoperabiliteitsonderdelen

5.3.1.

Infrastructuur

5.3.2.

Rollend materieel

5.4.

Prestaties en specificaties van interoperabiliteitsonderdelen

5.4.1.

Infrastructuur

5.4.2.

Rollend materieel:

6.

BEOORDELING VAN CONFORMITEIT EN/OF GESCHIKTHEID VOOR GEBRUIK

6.1.

Interoperabiliteitsonderdelen

6.1.1.

Conformiteitsbeoordeling (algemeen)

6.1.2.

Overeenstemmingsbeoordelingsprocedures (modulen)

6.1.3.

Innovatieve oplossingen

6.1.4.

Beoordeling van geschiktheid voor het gebruik

6.2.

Subsystemen

6.2.1.

Conformiteitsbeoordeling (algemeen)

6.2.2.

Conformiteitbeoordelingsprocedures (modulen)

6.2.3.

Innovatieve oplossingen

6.2.4.

Onderhoudskeuringen

6.2.5.

Keuring van bedrijfsvoorschriften

6.2.6.

Keuring van individuele voertuigen

6.3.

Interoperabiliteitsonderdelen zonder EG-keuringsverklaring

6.3.1.

Algemeen

6.3.2.

Overgangsperiode

6.3.3.

De certificering van subsystemen met interoperabiliteitsonderdelen zonder keuringsverklaring tijdens de overgangsperiode

6.3.3.1.

Voorwaarden

6.3.3.2.

Kennisgeving

6.3.3.3.

Overgangsregeling

6.3.4.

Controle

7.

TENUITVOERLEGGING VAN DE TSI „PERSONEN MET BEPERKTE MOBILITEIT”

7.1.

De toepassing van de onderhavige TSI op nieuwe infrastructuur/nieuw rollend materieel

7.1.1.

Infrastructuur

7.1.2.

Rollend materieel:

7.1.2.1.

Algemeen

7.1.2.2.

Recent rollend materieel van nieuw ontwerp

7.1.2.2.1.

Definities

7.1.2.2.2.

Algemeen

7.1.2.2.3.

Fase A

7.1.2.2.4.

Fase B

7.1.2.3.

Rollend materieel van bestaand ontwerp

7.1.2.4.

Overgangsperiode

7.2.

Herziening van TSI's

7.3.

De toepassing van de onderhavige TSI op bestaande infrastructuur/bestaand rollend materieel

7.3.1.

Infrastructuur

7.3.1.1.

Algemeen

7.3.1.2.

Obstakelvrije routes — Algemeen (4.1.2.4.1)

7.3.1.3.

Afmetingen van voetbruggen, trappen en onderdoorgangen (4.1.2.14 en 4.1.2.15)

7.3.1.4.

Hellingbanen, roltrappen, liften en roltrottoirs

7.3.1.5.

Perronbreedte en -rand (4.1.2.19)

7.3.1.6.

Perronhoogte en -overstek

7.3.1.7.

Historische gebouwen

7.3.2.

Rollend materieel

7.3.2.1.

Algemeen

7.3.2.2.

Zitplaatsen

7.3.2.3.

Rolstoelplaatsen

7.3.2.4.

Buitendeuren

7.3.2.5.

Binnendeuren

7.3.2.6.

Verlichting

7.3.2.7.

Toiletten

7.3.2.8.

Rolstoelpaden

7.3.2.9.

Informatie

7.3.2.10.

Hoogteveranderingen

7.3.2.11.

Leuningen

7.3.2.12.

Rolstoeltoegankelijke slaapruimten

7.3.2.13.

Tredeplaatsen, treden en instaphulpmiddelen

7.4.

Specifieke gevallen

7.4.1.

Algemeen

7.4.1.1.

Perronhoogte

7.4.1.2.

Perronoverstek

7.4.1.3.

In- en uitstaptreden

7.4.1.3.1.

Algemeen

7.4.1.3.2.

Specifiek geval „P” voor rollend materieel in Groot-Brittannië

7.4.1.3.3.

Specifiek geval „P” voor rollend materieel in Finland

7.4.1.3.4.

Specifiek geval „P” voor rollend materieel voor exploitatie op het Portugese conventionele spoorwegsysteem

7.4.1.4.

Rolstoelpaden

7.4.1.5.

Deurgeluidsignalen volgens artikel 4.2.2.1 „P”

7.4.1.6.

Gereserveerde zitplaatsen „P”

7.4.1.7.

Obstakelvrije routes „P” (artikel 4.1.2.3.1)

7.4.1.8.

Reizigersstromen

7.5.

Rollend materieel dat wordt gebruikt in het kader van nationale, bilaterale, multilaterale of internationale overeenkomsten

7.5.1.

Bestaande overeenkomsten

7.5.2.

Toekomstige overeenkomsten

7.6.

Indienststelling van reeds in gebruik zijnd rollend materieel

1.   INLEIDING

1.1.   Technisch toepassingsgebied

Het toepassingsgebied van deze TSI betreft de trans-Europese conventionele en hogesnelheidsspoorwegsubsystemen beschreven in bijlage I van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG voor wat betreft het aspect „Personen met beperkte mobiliteit”. Ook een aantal aspecten van de TSI „Telematicatoepassingen ten behoeve van het reizigersvervoer” komen aan bod, zoals bijvoorbeeld apparatuur voor vervoerbewijzen.

Het doel van deze TSI is, de toegankelijkheid van het vervoer per spoor voor personen met beperkte mobiliteit te verbeteren. Hierbij gaat het om de toegankelijkheid van de delen van de infrastructuur die voor het publiek toegankelijk zijn (met inbegrip van de stations) en beheerd worden door de spoorwegondernemingen, de infrastructuurbeheerders of de stationsbeheerders. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan:

i)

problemen gesteld door het raakvlak tussen perron en trein, die een holistisch perspectief tussen infrastructuur en rollend materieel vereisen;

ii)

de noodzaak van evacuatie bij gevaarlijke situaties.

Deze TSI specificeert geen evacuatievoorschriften, maar bepaalt uitsluitend de technische eisen en bekwaamheden die voor evacuatie noodzakelijk zijn. Het doel van technische eisen is, het evacueren van alle reizigers te vergemakkelijken.

Bepaalde bedrijfsvoorschriften die geen betrekking hebben op evacuatie kunnen gevonden worden in artikel 4.1.4 en 4.2.4 van deze TSI.

Deze TSI heeft betrekking op:

Het subsysteem „Infrastructuur voor conventionele spoorwegsystemen” bedoeld in de lijst in punt 1 van bijlage II van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG.

Het subsysteem „Conventioneel rollend materieel” bedoeld in de lijst in punt 1 van bijlage II van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG waar dit bedoeld is voor reizigersvervoer. Rollend materieel dat als erfgoed beschouwd moet worden, behoeft evenwel bij aanpassing of vernieuwing niet aan de eisen te voldoen.

Het subsysteem „Infrastructuur voor hogesnelheidspoorwegsystemen” bedoeld in de lijst in punt 1 van bijlage II van Richtlijn 96/48/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG.

Het subsysteem „Infrastructuur voor hogesnelheidsspoorwegsystemen” bedoeld in de lijst in punt 1 van bijlage II van Richtlijn 96/48/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG.

In mindere mate eveneens het subsysteem „Telematicatoepassingen ten dienste van passagiers” voor het conventionele en hogesnelheidspoorsysteem, als bedoeld in bijlage II van Richtlijn 96/48/EG, als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG en in bijlage II bij Richtlijn 2001/16/EG.

Meer gegevens betreffende subsystemen is te vinden in hoofdstuk 2.

1.2.   Geografisch toepassingsgebied

Het geografische toepassingsgebied van deze TSI is het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem als bepaald in bijlage I van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG en het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem als beschreven in bijlage I van Richtlijn 96/48/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG.

Hierbij moet met name worden verwezen naar de lijnen van het trans-Europese conventionele en hogesnelheidsvervoersnet zoals beschreven in Beschikking nr. 1692/96/EG van 23 juli 1996 van het Europese Parlement en de Raad betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet, of in enigerlei bijwerking van deze beschikking ten gevolge van een herziening van de richtsnoeren overeenkomstig artikel 21 van de beschikking en wel in het bijzonder Beschikking nr. 884/2004/EG van 29 april 2004 van het Europese Parlement en de Raad.

1.3.   Inhoud

Ingevolge lid 3 van artikel 5 van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG alsmede lid 3 van artikel 5 van Richtlijn 96/48/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG bepaalt deze TSI:

a)

het beoogde toepassingsgebied (deel van het netwerk of van het rollend materieel waarnaar wordt verwezen in bijlage I van de richtlijn; het subsysteem of deel van het subsysteem waarnaar wordt verwezen in bijlage II van de richtlijn) — artikel 2;

b)

de essentiële eisen vastgesteld voor elk betrokken subsysteem en de interfaces van dat subsysteem met andere subsystemen — artikel 3;

c)

de functionele en technische specificaties waaraan het subsysteem en de interfaces ervan met de overige subsystemen moeten voldoen — artikel 4;

d)

de interoperabiliteitsonderdelen en interfaces waarvoor Europese specificaties zijn vastgesteld, waaronder de Europese normen die noodzakelijk zijn om de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem tot stand te brengen — artikel 5;

e)

per geval de procedures voor de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor het gebruik. Dit omvat in het bijzonder de modules omschreven in Besluit 93/465/EEG of, naar gelang van het geval, de specifieke procedures die moeten worden gebruikt voor de beoordeling van de overeenstemming of de geschiktheid voor het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen en de „EG”-keuring van subsystemen — artikel 6;

f)

de uitvoeringsstrategie voor deze TSI. Daarin dienen met name de stappen te worden omschreven via welke de bestaande situatie geleidelijk overgaat in de uiteindelijke situatie waarin overal aan de eisen van de TSI wordt voldaan — artikel 7;

g)

voor het betrokken personeel de kwalificaties en gezondheids- en veiligheidsvoorschriften op het werk voor de exploitatie en het onderhoud van het subsysteem in kwestie en voor de toepassing van de TSI — artikel 4.

Daarnaast kan overeenkomstig artikel 5, lid 5, binnen elke TSI rekening worden gehouden met specifieke gevallen; deze zijn opgenomen in artikel 7.

De TSI bepaalt ten slotte in hoofdstuk 4 de regels voor exploitatie en onderhoud die specifiek van toepassing zijn op het toepassingsgebied vermeld in bovenstaande artikelen 1.1 en 1.2.

2.   DEFINITIE VAN SUBSYSTEEM/TOEPASSINGSGEBIED

2.1.   Definities van de subsystemen

2.1.1.   Infrastructuur:

De sporen, wissels, kunstwerken (bruggen, tunnels e.d.), de bij de stations behorende infrastructuren (perrons, toegang, voorzieningen voor personen met beperkte mobiliteit e.d.), veiligheids- en beschermingsinstallaties.

Hierbij gaat het om de toegankelijkheid van de delen van de infrastructuur die voor het publiek toegankelijk zijn (met inbegrip van de stations) en beheerd worden door de spoorwegondernemingen, de infrastructuurbeheerders of de stationsbeheerders.

Deze TSI is uitsluitend van toepassing op de delen van de infrastructuur die voor het publiek toegankelijk zijn (met inbegrip van de stations) en beheerd worden door de spoorwegondernemingen, de infrastructuurbeheerders of de stationsbeheerders.

2.1.2.   Rollend materieel:

De structuur, het besturingssysteem van de gehele uitrusting van de trein, de tractie-eenheden en transformatoren, het remsysteem, koppeling, loopwerk (draaistellen, assen e.d.) en vering, deuren, mens/machine-interfaces (bestuurder, treinpersoneel, passagiers, met inbegrip van de voorzieningen voor personen met beperkte mobiliteit), passieve en actieve beveiligingen, de nodige voorzieningen voor de gezondheid van passagiers en treinpersoneel.

2.1.3.   telematicatoepassingen voor reizigers

Toepassingen ten dienste van de passagiers, met inbegrip van systemen voor reizigersinformatie vóór en tijdens de reis, reserveringssystemen, betalingssystemen, het bagagebeheer, het beheer van aansluitingen tussen treinen en andere vervoersmodaliteiten.

2.2.   Definitie van „Personen met beperkte mobiliteit”

Met „Personen met beperkte mobiliteit” worden alle personen bedoeld die moeilijkheden ondervinden bij het gebruik van treinen en de spoorweginfrastructuur. Dit betreft de volgende categorieën:

Rolstoelgebruikers (personen die zich wegens ziekte of gebrek in een rolstoel moeten verplaatsen);

Andere personen met verminderde mobiliteit, met inbegrip van:

Personen met beschadigde ledematen;

Personen met mobiliteitsbeperkingen;

Personen met kinderen;

Personen met zware of volumineuze bagage;

Bejaarden;

Zwangere vrouwen.

Slechtzienden.

Blinden.

Slechthorenden.

Doven.

Communicatief gehandicapten (personen die moeite hebben met spreken of schrijven, met inbegrip van buitenlanders die de landstaal niet machtig zijn, zintuiglijk, psychologisch en verstandelijk gehandicapten).

Personen van kleine gestalte (met inbegrip van kinderen).

Een handicap kan permanent of tijdelijk, zichtbaar of verborgen zijn.

Onder de noemer „Personen met beperkte mobiliteit” vallen evenwel geen personen die onder invloed van alcohol of verslavende middelen zijn, tenzij dit voortvloeit uit een medische behandeling.

Het vervoer van overmaatse voorwerpen (voorbeeld: rijwielen en dergelijke) behoort niet tot het toepassingsgebied van deze TSI. Dit is onderworpen aan de regels, veiligheidseisen en exploitatievoorschriften uitgevaardigd door infrastructuurbeheerders, stationsbeheerders en spoorwegondernemingen ten aanzien van afmetingen, gewicht en risico.

3.   ESSENTIËLE EISEN

3.1.   Algemeen

In het toepassingsgebied van de onderhavige TSI voldoet het subsysteem aan de relevante essentiële eisen als genoemd in artikel 3 van deze TSI wanneer het voldoet aan de specificaties

in artikel 4 voor het subsysteem,

in artikel 5 voor de interoperabiliteitsonderdelen,

hetgeen blijkt uit een gunstig resultaat van de beoordeling van:

conformiteit en/of geschiktheid voor het gebruik van de interoperabiliteitsonderdelen,

keuring van het subsysteem,

als beschreven in artikel 6.

Indien niettemin een deel van de essentiële eisen wegens de onderstaande redenen in landelijke voorschriften is opgenomen:

bij gebrek van specificaties voor punten genoemd in bijlage L;

handlichting onder art. 7 van Richtlijn 2001/16/EG,

specifieke gevallen als omschreven in paragraaf 7.3 van deze TSI,

moet de conformiteitscontrole worden uitgevoerd aan de hand van de procedures van en onder de verantwoordelijkheid van de betrokken lidstaat.

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG moeten het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem, zijn subsystemen en de interoperabiliteitsonderdelen voldoen aan de essentiële eisen die in algemene zin zijn omschreven in bijlage III van de richtlijn.

Het voldoen van de subsystemen „Infrastructuur” en „Rollend Materieel” en de onderdelen daarvan aan de essentiële eisen wordt gecontroleerd aan de hand van de bepalingen van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG alsook aan de specificaties van de onderhavige TSI.

3.2.   De essentiële eisen hebben betrekking op:

veiligheid,

bedrijfszekerheid en beschikbaarheid,

gezondheid,

milieubescherming,

technische compatibiliteit.

Deze eisen omvatten algemene eisen alsmede eisen die specifiek op elk subsysteem betrekking hebben. Krachtens Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG, bijlage II, behoren de subsystemen „Infrastructuur” en „Rollend materieel” tot de „structurele gebieden”. De betreffende beschrijvingen van de subsystemen luidt als volgt, die in beide gevallen specifiek verwijzen naar de behoeften van personen met beperkte mobiliteit:

Infrastructuur:

„De sporen, wissels, kunstwerken (bruggen, tunnels e.d.), de bij de stations behorende infrastructuren (perrons, toegang, voorzieningen voor personen met beperkte mobiliteit e.d.), veiligheids- en beschermingsinstallaties.”

Rollend materieel:

„De structuur, het besturingssysteem van de gehele uitrusting van de trein, de tractie-eenheden en transformatoren, het remsysteem, de koppelingen, loopwerken (draaistellen, assen e.d.) en vering, deuren, mens/machine-interfaces (bestuurder, treinpersoneel, passagiers, met inbegrip van de voorzieningen voor personen met beperkte mobiliteit), passieve en actieve beveiligingen, de nodige voorzieningen voor de gezondheid van passagiers en treinpersoneel.”

De volgende essentiële eisen zijn gelicht uit bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG, die de meest recente is.

3.3.   Algemene eisen

3.3.1.   Veiligheid

Essentiële Eis 1.1.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Het ontwerp, de bouw of de fabricage, het onderhoud van en het toezicht op voor de veiligheid kritieke inrichtingen en meer bepaald de bij het treinverkeer betrokken onderdelen moeten de veiligheid waarborgen op het niveau dat beantwoordt aan de voor het net gestelde doelstellingen, ook in specifieke situaties waar van gestoord bedrijf sprake is.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.2.4 (Infrastructuur — Deuren en ingangen)

4.2.2.4 (Rollend materieel — Deuren)

4.2.2.4.2 (Rollend materieel — Buitendeuren)

4.2.2.4.3 (Rollend materieel — Binnendeuren)

4.2.2.9 (Rollend materieel — Hoogteveranderingen)

4.2.2.10 (Rollend materieel — Leuningen)

4.2.2.12 (Rollend materieel — Tredeplaats voor het in- en uitstappen van de voertuigen)

4.2.2.12.1 Rollend materieel — Algemene vereisten)

4.2.2.12.2 (Rollend materieel — In- en uitstaptreden)

4.2.2.12.3 (Rollend materieel — Hulpmiddelen voor rolstoelgebruikers bij het in- en uitstappen)

4.1.2.21 (Infrastructuur — Instaphulpmiddelen)

Essentiële Eis 1.1.5, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Inrichtingen die zijn bestemd om door de gebruikers te worden bediend, moeten zodanig zijn ontworpen dat het veilig gebruik van de inrichtingen of de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers niet in gevaar wordt gebracht wanneer deze niet volgens de gebruiksaanwijzingen kunnen worden bediend.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.4 (Rollend materieel — Deuren)

4.2.2.4.2 (Rollend materieel — Buitendeuren)

4.2.2.4.3 (Rollend materieel — Binnendeuren)

3.3.2.   Bedrijfszekerheid en beschikbaarheid

Essentiële Eis 1.2, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Het toezicht op en het onderhoud van de vaste of mobiele elementen die bij het treinverkeer zijn betrokken, moeten zodanig worden georganiseerd, uitgevoerd en gekwantificeerd dat de werking daarvan in te voorziene omstandigheden in stand wordt gehouden.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.4 (Rollend materieel — Buiten- en binnendeuren)

4.2.2.4.2 (Rollend materieel — Buitendeuren)

4.2.2.4.3 (Rollend materieel — Binnendeuren)

3.3.3.   Gezondheid

Essentiële Eis 1.3.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De materialen die, bij het beoogde gebruik, de gezondheid van de personen die daartoe toegang hebben, in gevaar kunnen brengen, mogen niet gebruikt worden in de treinen en de spoorweginfrastructuren.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.2 (Rollend materieel — Zitplaatsen)

4.2.2.2.1 (Rollend materieel — Algemeen)

4.2.2.2.2 (Rollend materieel — Gereserveerde zitplaatsen)

4.2.2.7 (Rollend materieel — Rolstoelpaden)

3.3.4.   Milieubescherming

Op deze TSI niet van toepassing.

3.3.5.   Technische compatibiliteit

Essentiële Eis 1.5, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De technische eigenschappen van de infrastructuren en de vaste installaties moeten onderling en met die van de treinen die op het conventionele trans-Europese spoorwegnet rijden compatibel zijn.”

„Wanneer het op bepaalde gedeelten van het net moeilijk is om deze technische eigenschappen in acht te nemen, mogen tijdelijke oplossingen, waardoor de compatibiliteit in de toekomst wordt gewaarborgd, ten uitvoer worden gelegd.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.2.18 (Infrastructuur — Perronhoogte en -overstek)

4.2.2.12 (Rollend materieel — Tredeplaats voor het in- en uitstappen van de voertuigen)

3.4.   Specifiek aan het infrastructuursubsysteem te stellen eisen

3.4.1.   Veiligheid

Essentiële Eis 2.1.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Er moeten maatregelen worden getroffen om de gevaren voor personen te beperken, met name in stations waar treinen passeren.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.2.19 (Infrastructuur — Perronbreedte en -rand)

„Infrastructuren die voor het publiek toegankelijk zijn, moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat de gevaren voor de veiligheid van personen beperkt zijn (stabiliteit, brand, toegang, ontruiming, perrons, enz.).”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.2.3 (Infrastructuur — Obstakelvrije routes)

4.1.2.3.1 (Infrastructuur — Algemeen)

4.1.2.3.2 (Infrastructuur — Routebewegwijzering)

4.1.2.4 (Infrastructuur — Deuren en ingangen)

4.1.2.5 (Infrastructuur — Vloeren)

4.1.2.6 (Infrastructuur — Transparante obstakels)

4.1.2.8 (Infrastructuur — Meubilair en vrijstaande apparatuur)

4.1.2.9 (Infrastructuur — Ticketverkoop, informatiebalies en reizigersassistentiepunten)

4.1.2.10 (Infrastructuur — Verlichting)

4.1.2.12 (Infrastructuur — Auditieve informatie)

4.1.2.13 (Infrastructuur — Nooduitgangen)

4.1.2.14 (Infrastructuur — Afmetingen van voetbruggen en onderdoorgangen)

4.1.2.15 (Infrastructuur — Trappen)

4.1.2.16 (Infrastructuur — Leuningen)

4.1.2.17 (Infrastructuur — Hellingbanen, roltrappen, liften en roltrottoirs)

4.1.2.18 (Infrastructuur — Perronhoogte en -overstek)

4.1.2.19 (Infrastructuur — Perronbreedte en -rand)

4.1.2.20 (Infrastructuur — Perronrand)

4.1.2.21 (Infrastructuur — Instaphulpmiddelen)

4.1.2.22 (Infrastructuur — Reizigersoverpad op stations)

3.5.   Specifieke eisen voor het subsysteem „Rollend materieel”

3.5.1.   Veiligheid

Essentiële Eis 2.4.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De constructie van het rollend materieel en van de verbindingen tussen de voertuigen moet zodanig zijn ontworpen dat de ruimten voor de reizigers en de bestuurder bij botsing of ontsporing beschermd zijn.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.3 (Rollend materieel — Rolstoelplaatsen)

„Er moeten maatregelen worden getroffen met betrekking tot de toegang tot onder spanning staande onderdelen, teneinde de veiligheid van personen niet in gevaar te brengen.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

„Er moeten inrichtingen zijn aangebracht die het mogelijk maken dat de reizigers gevaren melden aan de bestuurder en dat het treinpersoneel bij gevaar in contact kan treden met de bestuurder.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.3 (Rollend materieel — Rolstoelplaatsen)

4.2.2.6.3 (Rollend materieel — Universele toiletten)

4.2.2.11 (Rollend materieel– Rolstoeltoegankelijke slaapruimten)

„De toegangsdeuren moeten van een systeem voor het openen en sluiten daarvan zijn voorzien dat de veiligheid van de reizigers waarborgt.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.4.2 (Deuren — Buitendeuren)

„Er moet in nooduitgangen en in de aanduiding daarvan zijn voorzien.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.4.2 (Rollend materieel — Buitendeuren)

4.2.2.8 (Rollend materieel — Reizigersinformatie)

„Een noodverlichtingsysteem van voldoende sterkte en met voldoende eigen voeding is verplicht aan boord van de treinen.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.5 (Rollend materieel — Verlichting)

„De treinen moeten zijn voorzien van een geluidsinstallatie waarmee het treinpersoneel en de verkeersleiding berichten kunnen doorgeven aan de passagiers.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.8 (Rollend materieel — Reizigersinformatie)

4.2.2.8.2 (Rollend materieel — Informatie (bewegwijzering en pictogrammen))

3.5.2.   Bedrijfszekerheid en beschikbaarheid

Essentiële Eis 2.4.2, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Het ontwerp van de vitale rij-, tractie-, rem- en besturingsuitrusting moet het mogelijk maken dat de trein in een nader omschreven situatie met beperkte functionaliteit de reis voortzet zonder nadelige gevolgen voor de uitrusting die nog functioneert.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.12.3 (Rollend materieel — Hulpmiddelen voor rolstoelgebruikers bij het in- en uitstappen)

4.2.2.12.3.5 (Rollend materieel — Beweegbare treden)

3.5.3.   Technische compatibiliteit

Essentiële Eis 2.4.3, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De elektrische uitrusting moet compatibel zijn met de werking van de besturings- en seingevingsinstallaties.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

„In het geval van elektrische tractie, moeten de eigenschappen van de stroomafname-inrichtingen het treinverkeer met de verschillende energievoorzieningsystemen van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem mogelijk maken.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

„De eigenschappen van het rollend materieel moeten het rijden op alle lijnen waarop de exploitatie ervan is gepland, mogelijk maken.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.2.2.12 (Rollend materieel — Tredeplaats voor het in- en uitstappen van de voertuigen)

3.6.   Specifieke eisen voor andere subsystemen die eveneens betrekking hebben op het subsysteem „Infrastructuur” en „Rollend materieel”

3.6.1.   Subsysteem „Energie”

3.6.1.1.   Veiligheid

Essentiële Eis 2.2.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De werking van de energievoorzieningsinstallaties mag de veiligheid van treinen of personen (gebruikers, spoorwegpersoneel, aanwonenden en derden) niet in gevaar brengen.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

3.6.1.2.   Milieubescherming

Essentiële Eis 2.2.2, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De werking van de elektrische of thermische energievoorzieningsinstallaties mag geen verstoring van het milieu teweegbrengen die de aangegeven grenzen overschrijdt.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

3.6.1.3.   Technische compatibiliteit

Essentiële Eis 2.2.3, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De elektrische of thermische energievoorzieningsystemen die worden gebruikt, moeten:

de treinen in staat stellen de opgegeven prestatieniveaus te bereiken;

bij elektrische energievoorziening compatibel zijn met de op de treinen gemonteerde stroomafname-inrichtingen.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

3.6.2.   Besturing en seingeving

3.6.2.1.   Veiligheid

Essentiële Eis 2.3.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Door middel van de installaties voor besturing en seingeving en van de gebruikte procedures moeten treinen kunnen rijden met een mate van veiligheid die overeenkomt met de geformuleerde doelstellingen voor het netwerk. De systemen voor besturing en seingeving dienen veilig verkeer mogelijk te blijven maken van treinen die ook in situaties met beperkte werking mogen rijden.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

3.6.2.2.   Technische compatibiliteit

Essentiële Eis 2.3.2, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Nieuwe infrastructuren en nieuw rollend materieel die zijn ontwikkeld of gebouwd na de invoering van compatibele besturings- en seinstelsels moeten aan de toepassing van deze systemen worden aangepast.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

„Besturings- en seingevingsinstallaties in de stuurcabine van een trein moeten een normale exploitatie in de opgegeven omstandigheden in het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem mogelijk maken.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

3.6.3.   Onderhoud

3.6.3.1.   Gezondheid en veiligheid

Essentiële Eis 2.5.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De technische installaties en de methoden die in de werkplaatsen worden toegepast, moeten een veilig gebruik van het betrokken subsysteem garanderen en mogen geen gevaar vormen voor de gezondheid en de veiligheid.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

3.6.3.2.   Milieubescherming

Essentiële Eis 2.5.2, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De technische installaties en de methoden die in de werkplaatsen worden toegepast, mogen het toegestane niveau van schadelijke gevolgen voor het omgevingsmilieu niet overschrijden.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

3.6.3.3.   Technische compatibiliteit

Essentiële Eis 2.5.3, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De onderhoudsinstallaties voor het conventionele rollend materieel moeten het mogelijk maken op al het materieel de veiligheids-, hygiëne- en comfortbehandelingen te verrichten waarvoor zij zijn ontworpen.”

Deze essentiële eis is niet relevant in het kader van deze TSI.

3.6.4.   Exploitatie en verkeersleiding

3.6.4.1.   Veiligheid

Essentiële Eis 2.6.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Het op elkaar afstemmen van de exploitatievoorschriften van de netten en de kwalificatie van de bestuurders, het treinpersoneel en de treindienstleiding moeten een veilige exploitatie waarborgen met inachtneming van de verschillende eisen van grensoverschrijdende en binnenlandse diensten”.

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.4 (Infrastructuur — Bedrijfsvoorschriften)

4.1.6 (Infrastructuur — Beroepskwalificaties)

4.2.4 (Rollend materieel — Bedrijfsvoorschriften)

4.2.6 (Rollend materieel — Beroepskwalificaties)

„De periodieke onderhoudsbeurten, de opleiding en de kwalificatie van het onderhoudspersoneel en het kwaliteitsborgingsysteem dat door de betrokken exploitanten in de onderhoudscentra is opgezet, moeten een hoog niveau van veiligheid waarborgen.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.4 (Infrastructuur — Bedrijfsvoorschriften)

4.1.6 (Infrastructuur — Beroepskwalificaties)

4.2.4 (Rollend materieel — Bedrijfsvoorschriften)

4.2.6 (Rollend materieel — Beroepskwalificaties)

3.6.4.2.   Technische compatibiliteit

Essentiële Eis 2.6.3, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„Het op elkaar afstemmen van de exploitatievoorschriften van de netten, alsmede de kwalificatie van de bestuurders, het treinpersoneel en de treindienstleiding moeten de doeltreffendheid van de exploitatie op het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem waarborgen met inachtneming van de verschillende eisen van grensoverschrijdende en binnenlandse diensten.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.4 (Infrastructuur — Bedrijfsvoorschriften)

4.1.6 (Infrastructuur — Beroepskwalificaties)

4.2.4 (Rollend materieel — Bedrijfsvoorschriften)

4.2.6 (Rollend materieel — Beroepskwalificaties)

3.6.5.   Telematicatoepassingen voor passagiers en vracht

3.6.5.1.   Technische compatibiliteit

Essentiële Eis 2.7.1, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De essentiële eisen op het gebied van telematicatoepassingen die een minimum-dienstverleningskwaliteit voor de reizigers en de klanten in de goederenvervoersector moeten garanderen, hebben meer bepaald betrekking op de technische compatibiliteit.

Wat deze toepassingen betreft moet ervoor worden gezorgd dat:

de databanken, de programma's en de communicatieprotocollen voor gegevensoverdracht zodanig worden ontwikkeld dat de mogelijkheden voor gegevensuitwisseling tussen verschillende toepassingen en tussen verschillende exploitanten maximaal zijn met uitzondering van vertrouwelijke commerciële gegevens;

de gebruikers gemakkelijk toegang hebben tot de informatie.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.2.9 (Infrastructuur — Ticketverkoop, informatiebalies en reizigersassistentiepunten)

4.1.2.11 (Infrastructuur — Visuele informatie, bewegwijzering, pictogrammen en dynamische informatie)

4.1.2.12 (Infrastructuur — Auditieve informatie)

4.2.2.8 (Rollend materieel — Reizigersinformatie)

3.6.5.2.   Gezondheid

Essentiële Eis 2.7.3, bijlage III van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG:

„De interfaces tussen deze systemen en de gebruikers moeten voldoen aan minimumvoorschriften op het gebied van ergonomie en bescherming van de gezondheid.”

Aan deze essentiële eis wordt voldaan door de functionele en technische specificaties in de volgende artikelen:

4.1.2.9 (Infrastructuur — Ticketverkoop, informatiebalies en reizigersassistentiepunten)

4.1.2.12 (Infrastructuur — Auditieve informatie)

4.2.2.8 (Rollend materieel — Reizigersinformatie)

3.7.   Elementen van de TSI „Personen met beperkte mobiliteit” met betrekking tot de essentiële eisen

Infrastructuur

Verwijzing naar artikel van Richtlijn 16/2004/EG als gewijzigd bij Richtlijn 50/50/EG

Bijlage II

Essentiële eis in bijlage III

Onderdeel van de TSI „PRM”

Onderdeel §

 

Veiligheid

Bedrijfszekerheid en beschikbaarheid

Gezondheid

Milieubescherming

Technische compatibiliteit

Algemeen

4.1.2.1

2.1

 

 

 

 

 

Parkeerfaciliteiten voor personen met beperkte mobiliteit

4.1.2.2

2.1

 

 

 

 

 

Obstakelvrije routes

4.1.2.3

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Algemeen

4.1.2.3.1

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Routebewegwijzering

4.1.2.3.2

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Deuren en ingangen

4.1.2.4

2.1

1.1.1

2.1.1

 

 

 

 

Vloeren

4.1.2.5

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Transparante obstakels

4.1.2.6

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Toiletten en luiertafels

4.1.2.7

2.1

1.1.5

2.1.1

 

 

 

 

Meubilair en vrijstaande apparatuur

4.1.2.8

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Ticketverkoop, informatiebalies en reizigersassistentie-punten

4.1.2.9

2.1

2.1.1

2.7.3

 

 

2.7.1

Verlichting

4.1.2.10

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Visuele informatie: bewegwijzering, pictogrammen Dynamische informatie

4.1.2.11

2.1

 

 

 

 

2.7.1

Auditieve informatie

4.1.2.12

2.1

2.1.1

2.7.3

 

 

2.7.1

Nooduitgangen, alarmmelders

4.1.2.13

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Afmetingen van voetbruggen en onderdoorgangen

4.1.2.14

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Trappen

4.1.2.15

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Leuningen

4.1.2.16

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Hellingbanen, roltrappen, liften, roltrottoirs

4.1.2.17

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Perronhoogte en -overstek

4.1.2.18

2.1

2.1.1

 

 

 

1.5

Perronhoogte

4.1.2.18.1

2.1

2.1.1

 

 

 

1.5

Perronoverstek

4.1.2.18.2

2.1

2.1.1

 

 

 

1.5

Perronspoor

4.1.2.18.3

2.1

2.1.1

 

 

 

1.5

Perronbreedte en -rand

4.1.2.19

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Perronkop

4.1.2.20

2.1

2.1.1

 

 

 

 

Hulpmiddelen voor rolstoelgebruikers bij in- en uitstappen

4.1.2.21

2.1

1.1.1

 

 

 

 

Reizigersoverpad op stations

4.1.2.22

2.1

2.1.1

 

 

 

 


Rollend materieel

Verwijzing naar artikel van Richtlijn 16/2004/EG als gewijzigd bij Richtlijn 50/50/EG

Bijlage II

Essentiële eis in bijlage III

Onderdeel van de TSI „PRM”

Onderdeel §

 

Veiligheid

Bedrijfszekerheid en beschikbaarheid

Gezondheid

Milieubescherming

Technische compatibiliteit

Algemeen

4.2.2.1

2.6

 

 

 

 

 

Zitplaatsen

4.2.2.2

2.6

 

 

1.3.1

 

 

Algemeen

4.2.2.2.1

2.6

 

 

1.3.1

 

 

Gereserveerde zitplaatsen

4.2.2.2.2

2.6

 

 

1.3.1

 

 

Rolstoelruimte

4.2.2.3

2.6

2.4.1

 

 

 

 

Deuren

4.2.2.4

2.6

1.1.1

1.1.5

1.2

 

 

 

Buitendeuren

4.2.2.4.2

2.6

1.1.1

1.1.5

2.4.1

1.2

 

 

 

Binnendeuren

4.2.2.4.3

2.6

1.1.1

1.1.5

1.2

 

 

 

Verlichting

4.2.2.5

2.6

2.4.1

 

 

 

 

Toiletten

4.2.2.6

2.6

2.4.1

 

 

 

 

Algemeen

4.2.2.6.1

2.6

2.4.1

 

 

 

 

Standaardtoilet

4.2.2.6.2

2.6

2.4.1

 

 

 

 

Universeel toilet

4.2.2.6.3

2.6

2.4.1

 

 

 

 

Rolstoelpaden

4.2.2.7

2.6

 

 

1.3.1

 

 

Reizigersinformatie

4.2.2.8

2.6

2.4.1

2.7.3

 

 

2.7.1

Algemeen

4.2.2.8.1

2.6

 

 

 

 

 

Informatie (bewegwijzering en pictogrammen)

4.2.2.8.2

2.6

2.4.1

 

 

 

 

Informatie (reisinformatie en zitplaatsreservering)

4.2.2.8.3

2.6

 

 

 

 

 

Hoogteveranderingen

4.2.2.9

2.6

1.1.5

 

 

 

 

Leuningen

4.2.2.10

2.6

1.1.5

 

 

 

 

Rolstoeltoegankelijke slaapruimten

4.2.2.11

2.6

2.4.1

 

 

 

 

Tredeplaats voor het in- en uitstappen van de voertuigen

4.2.2.12

2.6

1.1.1

 

 

 

1.5

2.4.3

Algemene vereisten

4.2.2.12.1

2.6

1.1.1

 

 

 

1.5

2.4.3

In- en uitstaptreden

4.2.2.12.2

2.6

1.1.1

 

 

 

1.5

2.4.3

Instaphulpmiddelen

4.2.2.12.3

2.6

1.1.1

2.4.2

 

 

1.5

2.4.3

4.   KARAKTERISERING VAN DE SUBSYSTEMEN

4.1.   Subsysteem „Infrastructuur”

4.1.1.   Inleiding

Het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem, waarop Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG van toepassing en het subsysteem een onderdeel is, vormt een geïntegreerd systeem waarvan de samenhang gecontroleerd moet worden. Met name dient deze compatibiliteit te worden gecontroleerd voor de specificaties van het subsysteem, zijn interfaces met het systeem waarin het is geïntegreerd, alsmede de voorschriften voor exploitatie en onderhoud.

De in artikel 4.1.2 en 4.3 omschreven functionele en technische specificaties van het subsysteem en zijn interfaces vereisen geen gebruik van specifieke technologieën of technische oplossingen behoudens waar dit strikt noodzakelijk is voor de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegnetwerk. Innovatieve oplossingen voor interoperabiliteit kunnen echter nieuwe specificaties en/of nieuwe beoordelingsmethoden noodzakelijk maken. Om technische innovatie mogelijk te maken, dienen deze specificaties en beoordelingsmethoden te worden ontwikkeld in het kader van het proces dat is beschreven in artikel 6.1.4 en 6.2.4.

Gezien alle toepasselijke essentiële eisen wordt het subsysteem „Infrastructuur” gekarakteriseerd door:

4.1.2.   Functionele en technische specificaties

4.1.2.1.   Algemeen

Gelet op de essentiële eisen als omschreven in artikel 3 zijn de functionele en technische specificaties van het subsysteem „Infrastructuur” met betrekking tot toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit als volgt opgezet:

Parkeerfaciliteiten voor personen met beperkte mobiliteit

Deuren en gelijkvloerse ingangen

Reizigersroutes, hoofdlooproutes

Vloeren

Tactiele informatie

Geleidelijnen

Markeringen op glazen deuren en wanden

Toiletten

Meubilair

Loketten of ticketautomaten/Informatiebalies

Ontwaardingstoestellen

Verlichting

Visuele informatie: bewegwijzering, pictogrammen, dynamische informatie

Auditieve informatie

Nooduitgangen, alarmmelders

Afmetingen van voetbruggen en onderdoorgangen

Trappen

Leuningen

Hellingbanen, roltrappen, liften, roltrottoirs

Perronhoogten en -overstekken

Perronbreedten en -randen

Perronkoppen

Instaphulpmiddelen

Spooroverpaden

Voor elke fundamentele parameter vormt een algemene paragraaf de inleiding op de overige paragrafen.

In deze volgende paragrafen worden de voorwaarden omschreven waaraan dient te worden voldaan om te voldoen aan de eisen die zijn omschreven in de algemene paragraaf.

4.1.2.2.   Parkeerfaciliteiten voor personen met beperkte mobiliteit

Waar een station een eigen parkeerterrein bezit moeten daarop zo dicht mogelijk bij een toegankelijke ingang parkeerplaatsen voor gehandicapten worden ingericht.

Andere specifiek op spoorwegen van toepassing zijnde eisen zijn er niet aangezien voor parkeerfaciliteiten Europese of landelijke voorschriften gelden (deze omvatten, maar zijn niet beperkt tot: — aantal, toegang, plaats, afmetingen, materiaal, kleuren, bewegwijzering en verlichting).

4.1.2.3.   Obstakelvrije route

4.1.2.3.1.   Algemeen

Een obstakelvrije route is een route die door personen met beperkte mobiliteit gebruikt kan worden zonder daarbij hindernissen te ontmoeten. Hiertoe kunnen gerekend worden hellingbanen en liften wanneer deze gebouwd en gebruikt worden volgens artikel 4.1.2.17.

Er moet minimaal in één obstakelvrije route worden voorzien die aansluit op — indien aanwezig — de volgende punten en diensten: —

Haltes voor ander vervoer op het stationsterrein (bij voorbeeld taxi's, bussen, trams, metro's, verboten e.d.);

Parkeergarages

Toegankelijke in- en uitgangen

Informatiebalies

Andere informatiesystemen

Ticketverkoop

Reizigersassistentie

Wachtruimten

Bagagedepots

Toiletten

Perrons

Alle obstakelvrije routes, trappen, voetbruggen en onderdoorgangen moeten een vrije breedte van 1 600 mm en over die breedte een minimumhoogte van 2 300 mm bezitten. Bij deze minimumbreedte mag eventuele meerbreedte voor ander reizigersverkeer niet worden meegerekend. De eis geldt niet voor roltrappen, roltrottoirs en liften.

De lengte van een obstakelvrije route moet zo kort mogelijk worden gehouden.

Vloeren van obstakelvrije routes mogen geen reflecterende eigenschappen bezitten.

Nieuwe stations met een reizigersstroom van minder dan 1 000 personen per dag (d.w.z. het totaal van aankomende en vertrekkende reizigers) hoeven geen liften of hellingbanen te bezitten op voorwaarde dat er zich binnen 30 km op dezelfde lijn een station bevindt dat obstakelvrije routes bezit die volledig aan de eisen voldoen. In dit geval moet het station zo worden ontworpen dat de benodigde liften en/of hellingbanen op latere datum kunnen worden aangebracht om het voor alle categorieën van personen met beperkte mobiliteit toegankelijk te maken.

4.1.2.3.2.   Routebewegwijzering

Obstakelvrije routes moeten duidelijk bebakend worden met visuele informatie als beschreven in artikel 4.1.2.11.

Voor slechtzienden moet de informatie op de obstakelvrije routes minimaal op een van de volgende wijzen verschaft worden: tactiele paden, hoorbare of tactiele symbolen, spraakbakens, Braillekaarten.

Tactiele paden moeten voldoen aan de landelijke voorschriften en even lang zijn als de obstakelvrije routes.

Leuningen en muren van obstakelvrije routes moeten beknopte gegevens verschaffen (perronnummers of richtingwijzers). Deze moeten in Braille aan de achterkant van de leuning of met reliëfletters op een hoogte van 850 en 1 000 mm op de muur worden aangebracht. Cijfers en pijlen zijn de enig toegestane tactiele pictogrammen.

4.1.2.4.   Deuren en ingangen

Deze paragraaf is van toepassing op alle deuren en ingangen van obstakelvrije routes.

Per station en perron moet minimaal in één toegankelijke ingang worden voorzien.

Deuren en ingangen moeten een nuttige breedte van minimaal 800 mm en een nuttige hoogte van minimaal 2 100 mm bezitten.

Het gebruik van handbediende, halfautomatische en automatische deuren is toegestaan.

Deurbedieningsvoorzieningen moeten zich op een hoogte van 800 à 1 200 mm bevinden.

Handbediende deuren moeten over de gehele breedte en aan beide zijden voorzien zijn van horizontale duwstangen.

Automatische en halfautomatische deuren moeten voorzien zijn van een inklembeveiliging.

Waar drukknoppen of andere afstandbedieningen voor het bedienen van de deuren worden gebruikt moeten deze contrasteren met hun achtergrond en mag de kracht voor het bedienen daarvan de 15 Newton niet overschrijden.

Waar knoppen voor openen en sluiten boven elkaar zijn aangebracht moet de bovenste knop altijd de knop voor openen zijn.

Het middelpunt van de knop mag zich niet lager dan 800 mm en niet hoger dan 1 200 mm boven de vloer bevinden.

Knoppen moeten op de tast herkenbaar zijn (door tactiele markeringen, bij voorbeeld) en de functie aangeven.

De kracht voor het openen van een handbediende deur mag onder windvrije omstandigheden niet meer dan 25 Newton bedragen.

Deurkrukken moeten met de handpalm bediend kunnen worden. De daartoe benodigde kracht mag niet meer dan 20 Newton bedragen.

Bij gebruik van een draaideur moet daarnaast eveneens een niet-draaiende, vrijelijk bruikbare deur worden aangebracht.

Drempels van deuren en ingangen mogen niet hoger zijn dan 25 mm. Drempels moeten in contrasterende kleuren worden uitgevoerd.

4.1.2.5.   Vloeren

Vloeren moeten in overeenstemming met de landelijke voorschriften voor openbare gebouwen van het antisliptype zijn.

Binnen de stationsgebouwen mogen oneffenheden in beloopbare delen van vloeren met uitzondering van tactiele geleidepaden, goten en tactiele waarschuwingssymbolen niet groter zijn dan 5 mm.

4.1.2.6.   Transparante obstakels

Transparante obstakels op of langs reizigerspaden zoals glazen deuren of wanden moeten minimaal voorzien zijn van twee duidelijke banden (symbolen, logo's, emblemen of decoraties) op een hoogte van 1 500 à 2 000 mm voor de bovenste en op een hoogte van 850 à 1 050 mm voor de onderste. Deze markeringen moeten contrasteren met hun achtergrond. Markeringen moeten minimaal 100 mm hoog zijn.

Markeringen op glazen wanden zijn niet vereist wanneer de reizigers daarvan op een afstand worden gehouden door bijvoorbeeld leuningen of continue banken.

4.1.2.7.   Toiletten en luiertafels

4.1.2.7.1.   Aan subsystemen te stellen eisen

Waar op stations toiletten aanwezig zijn, moet minimaal één unisekstoilet rolstoeltoegankelijk zijn.

Waar op stations toiletten aanwezig zijn moeten daarin verluierplaatsen beschikbaar zijn die voor zowel dames als heren toegankelijk zijn. Deze voorzieningen moeten voldoen aan de eisen gesteld in artikel 4.1.2.7.2.

Teneinde reizigers met bagage in staat te stellen, van de toiletten gebruik te maken, moeten deze tussen de wanden 900 mm breed en bij naar binnen openslaande deur 1 700 mm lang en naar buiten openslaande deur dan wel een schuifdeur 1 500 mm lang zijn. Deuren en ingangen van toiletten moeten een minimum nuttige breedte van 650 mm bezitten.

Op de afmetingen en uitrusting van rolstoeltoegankelijke toiletten zijn de Europese en landelijke voorschriften van toepassing.

4.1.2.7.2.   Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Luiertafels

In uitgeklapte toestand moet de luiertafel zich op een hoogte van 800 à 1 000 mm boven het vloeroppervlak bevinden. Het tafelblad moet minimaal 500 mm breed en 700 mm lang zijn.

Het moet zo ontworpen zijn dat een kind er niet af kan glijden, het mag geen scherpe randen bezitten en moet berekend zijn op een gewicht van 80 kg.

Voor het opklappen van het tafelblad mag niet meer kracht dan 25 Newton nodig zijn.

4.1.2.8.   Meubilair en vrijstaande apparatuur

Alle meubilair en vrijstaande apparatuur op stations moet met hun achtergrond contrasteren en afgeronde hoeken bezitten.

Dit meubilair en vrijstaande apparatuur mag blinden en slechtzienden niet in de weg staan en het moet gedetecteerd kunnen worden met een taststok.

Vrijdragende voorwerpen die lager dan 2 100 mm zijn aangebracht en die niet meer dan 150 mm uitsteken moeten worden aangeduid met een obstakel op een maximumhoogte van 300 mm dat met een taststok gedetecteerd kan worden.

Hangende voorwerpen mogen zich niet lager dan 2 100 mm bevinden.

Op elk reizigersperron en op elke halteplaats moeten zich abri's met ergonomische zitplaatsen bevinden. Deze zitplaatsen moeten van rugleuningen zijn voorzien; ten minste éénderde moet armsteunen hebben. Tevens moet worden voorzien in een leunstang met een minimumlengte van 1 400 mm en een rolstoelplaats.

4.1.2.9.   Ticketverkoop, informatiebalies en reizigersassistentiepunten

4.1.2.9.1.   Aan subsystemen te stellen eisen

Waar langs de obstakelvrije route voorzien is in bemande balies voor de verkoop van vervoersbewijzen, het verstrekken van informatie of hulp aan reizigers moet de hoogte van ten minste één balie minimaal 650 mm bedragen, moet deze een knieruimte met een diepte van 300 mm hebben en minimaal 600 mm breed zijn. De hoogte van het blad of een deel daarvan, dat minimaal 300 mm breed en 200 mm diep moet zijn, moet 700 à 800 mm bedragen. Deze ruimte moet ter beschikking van rolstoelgebruikers worden gesteld; voor andere personen met beperkte mobiliteit moet voorzien worden in alternatieve zitgelegenheden.

Wordt gebruikt gemaakt van een glazen plaat tussen reizigers en balie- of loketpersoneel dan moet deze plaat verwijderd kunnen worden. Is dit niet het geval, dan moet van een intercomsysteem gebruik worden gemaakt. De glazen plaat moet doorzichtig zijn.

Ten minste één balie- of loketplaats moet zodanig zijn uitgevoerd dat een slechthorend persoon met beperkte mobiliteit kan horen wat er wordt gezegd door het hoorapparaat naar de stand „T” te schakelen.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van elektronische apparatuur waarop het balie- of loketpersoneel de prijs kan zien, moet deze informatie ook zichtbaar zijn voor de persoon die de aankoop verricht.

Waar op een obstakelvrije route ticketautomaten worden gebruikt moet ten minste een van die machines voldoen aan de eisen van artikel 4.1.2.9.2.

Waar stempelautomaten worden gebruikt moet ten minste een van de machines een vrije doorgang van minimaal 800 mm breed bezitten en geschikt zijn voor rolstoelen met een lengte van 1 200 mm.

Waar tourniquets worden gebruikt moet tijdens diensturen een doorgang voor personen met beperkte mobiliteit beschikbaar zijn.

4.1.2.9.2.   Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Het tactiele bedieningspaneel van kaartautomaten bedoeld in artikel 4.1.2.9.1 (met inbegrip van toetsenbord, betaal- en kaartafgiftegedeelten) op obstakelvrije routes van stations moet op een hoogte van 700 à 1 200 mm zijn aangebracht. Tenminste één weergavenscherm alsmede het toetsenbord moeten zichtbaar zijn voor zowel de persoon in de rolstoel en een persoon die voor de automaat staat. Touchscreens moeten voldoen aan de eisen van deze paragraaf.

4.1.2.10.   Verlichting

De verlichting van stationspleinen moet voldoen aan Europese of landelijke voorschriften.

Van de toegankelijke stationsingang tot de perrons moet de obstakelvrije route verlicht zijn met een op de vloer gemeten lichtsterkte van 100 lux. De lichtsterkte in de stationshal, de trappen en aan het einde van hellingbanen moet op de vloer gemeten minimaal 100 lux bedragen. Wanneer hiertoe kunstlicht nodig is, moet de minimumlichtsterkte 40 lux groter zijn dan de omgevingslichtsterkte, waarbij het kunstlicht een koelere kleurtemperatuur moet bezitten.

Perrons en andere reizigersruimten in de buitenlucht moeten op de vloer gemeten een gemiddelde minimumlichtsterkte van 20 lux hebben met een minimumwaarde van 10 lux.

Waar kunstlicht nodig is om gedetailleerde informatie te lezen moeten deze plekken met 15 lux meer dan de omgeving worden verlicht. Tevens moet deze sterkere verlichting een andere kleurtemperatuur bezitten dan die van de omgeving.

Noodverlichting moet voldoen aan Europese of landelijke voorschriften.

4.1.2.11.   Visuele informatie: bewegwijzering, pictogrammen, dynamische informatie

4.1.2.11.1.   Aan subsystemen te stellen eisen

De informatie op een station moet van consistente aard zijn en voldoen aan de Europese of landelijke voorschriften.

Voor alle geschreven informatie moet een schreefloos lettertype in hoofd- en kleine letters worden gebruikt (dus niet alleen hoofdletters).

Ingekorte stokken en staarten mogen niet worden gebruikt.

Staartletters moeten duidelijk herkenbaar zijn (minimaal 20 % van de X-hoogte).

Algemene bewegwijzering en informatieverstrekking moeten coherent zijn, met name wat betreft kleuren en contrasten op perrons en ingangen.

Visuele informatie moet tijdens diensturen onder alle lichtcondities leesbaar zijn.

Visuele informatie moet goed tegen de achtergrond afsteken.

Waar dynamische visuele informatie wordt verstrekt moet deze overeenkomen met essentiële auditieve informatie.

De volgende informatie moet worden verstrekt:

Veiligheidsinformatie en veiligheidsvoorschriften volgens Europese of landelijke voorschriften.

Waarschuwings- verbods- en gebodsborden volgens Europese of landelijke voorschriften.

Treinvertrektijden.

De aanwezigheid van stationsfaciliteiten en de routes daarheen.

Kruispunten en afslagen moeten duidelijk aangegeven zijn en de route zelf moet maximaal om de 100 meter gesignaleerd worden. Wegwijzers, symbolen en pictogrammen moeten consistent over de gehele route worden toegepast.

De informatie moet voor elke richtingsverandering voldoende zijn om een beslissing te nemen. Voorbeeld: „Naar de perrons” kan voldoende zijn voor het eerste punt waar een beslissing moet worden genomen en is te verkiezen boven aanduidingen voor elk perron afzonderlijk.

Tactiele informatie moet voorhanden zijn in:

Toiletten — voor functionele aanwijzingen en hulpverlening.

Liften moeten voldoen aan EN 81-70:2003 Bijlage E.4.

Bewegwijzering en informatieverstrekking mogen geen reclame bevatten.

Opmerking: Algemene informatie betreffende openbare vervoersdiensten worden in dit artikel niet als reclame beschouwd.

De volgende grafische symbolen en pictogrammen voor personen met beperkte mobiliteit moeten worden aangebracht:

Het internationale toegankelijkheidssymbool als beschreven in bijlage N, artikel N.2 en N.4

Wegwijzers voor obstakelvrije routes en voor rolstoelgebruikers toegankelijke voorzieningen

Wegwijzer naar universele toiletten

Wanneer de treinsamenstelling op het perron is aangegeven, de plaats waar de rolstoelingang zich bevindt.

De symbolen mogen gecombineerd worden met andere (bij voorbeeld: lift, toilet, enz.).

Waar ringleidingen zijn aangebracht moet dit worden aangegeven met een symbool als beschreven in Bijlage N, artikel N.2 en N.5

Ruimten voor zware en volumineuze bagage moeten worden aangegeven met een grafisch symbool.

Hulp- en informatiediensten moeten worden aangegeven met een symbool als beschreven in bijlage N, artikel N.2 en N.6.

Indien een alarmmelder aanwezig is:

moet dit voorzien zijn van visuele en tactiele symbolen,

moet het worden aangegeven met een symbool als beschreven in bijlage N, artikel N.2 en N.7

en moet het voorzien zijn van:

een visuele en auditieve verklikker die aangeeft dat het toestel in werking gesteld is,

aanvullende instructies voor het gebruik (indien nodig).

Rolstoeltoegankelijke universele toiletten met scharnierende handgrepen moeten een grafisch symbool hebben dat de handgreep in de geheven en neergelaten positie toont.

Er mogen zich niet meer dan vijf pictogrammen met een enkele pijl op eenzelfde plaats bevinden die dezelfde richting aanwijzen.

4.1.2.11.2.   Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Beeldschermen moeten zodanig bemeten zijn dat zij de stationsnamen, woorden of berichten voluit kunnen weergeven. Elke stationsnaam, elk woord en elk bericht moet minimaal 2 seconden worden weergegeven. Wanneer het beeldscherm tekst horizontaal of verticaal schuivend weergeeft moet elk heel woord minimaal 2 seconden zichtbaar zijn en mag de schuifsnelheid niet groter zijn dan 6 tekens per seconde.

De minimumtekenhoogte moet berekend worden met de volgende formule: Leesafstand in mm gedeeld door 250 = lettergrootte (voorbeeld: 10 000 mm/250 = 40 mm).

Alle symbolen met betrekking tot veiligheid, waarschuwingen, verplichte en verboden handelingen moeten pictogrammen hebben en worden ontworpen volgens ISO 3864-1.

De maximumleesafstand is een karakteristiek van het interoperabiliteitsonderdeel.

4.1.2.12.   Auditieve informatie

Auditieve informatie moet overeenkomstig IEC 60268-16, deel 16, op alle plaatsen RASTI index 0,5 hebben.

Auditieve informatie moet overeenkomen met essentiële visuele informatie.

Waar auditieve informatie niet automatisch wordt aangeboden moet voorzien worden in een audiosysteem dat op verzoek auditieve informatie verstrekt.

4.1.2.13.   Nooduitgangen, alarmmelders

Nooduitgangen en alarmmelders moeten aan Europese of landelijke eisen voldoen.

4.1.2.14.   Afmetingen van voetbruggen en onderdoorgangen

Waar voetbruggen of onderdoorgangen op stations deel uitmaken van de normale reizigerslooproutes moeten deze over de gehele lengte een obstakelvrij gedeelte hebben met een minimumbreedte van 1 600 mm en een minimale vrije hoogte van 2 300 mm. Voor grote hoeveelheden reizigers mag in een meerbreedte moeten worden voorzien, die aan de landelijke voorschriften moet voldoen.

4.1.2.15.   Trappen

Trappen moeten aan Europese of landelijke voorschriften voldoen.

Trappen op hoofdroutes moeten een obstakelvrije minimumbreedte tussen de leuningen van 1 600 mm bezitten. Bij deze minimumbreedte mag eventuele meerbreedte voor ander reizigersverkeer niet worden meegerekend.

Alle traptreden moeten van het antisliptype zijn.

De eerste trede onder- en bovenaan de trap moet over de gehele breedte voorafgegaan worden met een tactiele band. Deze band moet minimaal 400 mm breed zijn en moet in de vloer zijn ingelaten en daarmee contrasteren. De band moet verschillen van de banden die voor tactiele gidslijnen worden gebruikt.

Ruimten onder de trappen moet zodanig zijn afgesloten dat reizigers zich nergens aan kunnen stoten.

4.1.2.16.   Leuningen

Trappen en hellingbanen moeten aan beide kanten en op twee hoogten van leuningen zijn voorzien. De bovenste leuning moet zich tussen 850 en 1 000 mm en de onderste moet zich tussen 500 en 750 mm boven de vloer bevinden.

De vrije ruimte tussen de leuning en muren, wanden e.d. moet, bevestigingspunten niet meegerekend, 40 mm bedragen.

Leuningen mogen nergens worden onderbroken. Trapleuningen moeten minimaal 300 mm buiten de onderste en de bovenste treden uitsteken maar mogen uit de weg worden gebogen.

Handleuningen moeten rond van vorm zijn en een diameter van 30 à 50 mm bezitten.

Leuningen moeten contrasteren met de kleur van de muur of wand.

4.1.2.17.   Hellingbanen, roltrappen, liften, roltrottoirs

Waar geen liften voorhanden zijn moeten voor personen met beperkte mobiliteit die geen gebruik van trappen kunnen maken hellingbanen worden aangelegd.

Hellingbanen moeten voldoen aan Europese of landelijke voorschriften.

De maximumsnelheid van roltrappen mag niet groter zijn dan 0,65 m/s. Roltrappen moeten voldoen aan Europese of landelijke voorschriften.

Waar geen hellingbanen voorhanden zijn moet in liften worden voorzien. Liften moeten voldoen aan de eisen van EN 81-70, artikel 5.3.2.1, tabel 1.

De maximumsnelheid van roltrottoirs mag niet groter zijn dan 0,75 m/s; de helling mag niet groter zijn dan 12 graden (21,3 %). Roltrottoirs moeten voldoen aan Europese of landelijke voorschriften.

4.1.2.18.   Perronhoogte en -overstek

4.1.2.18.1.   Perronhoogte

Voor de perrons van conventionele spoorwegnetten zijn twee nominale hoogten toegestaan: 550 en 760 mm boven spoorstaaf. De hiervoor geldende toleranties zijn - 35/+0 mm.

Voor de perrons van conventionele spoorwegnetten waar tevens trams aan stoppen (bij voorbeeld stadsspoorweg of Tram-Trein) zijn nominale hoogten van 300 en 380 mm toegestaan. De hiervoor geldende tolerantie is +/- 20 mm.

In bogen met een straal van minder dan 500 m mag de perronhoogte groter of kleiner zijn dan voorgeschreven, op voorwaarde dat de eerste trede van het voertuig voldoet aan afbeelding 11 van artikel 4.2.2.12.1.

4.1.2.18.2.   Perronoverstek

Aantekening verwijderen uit de CR PRM TSI aan het einde van het proces: De TSI voor hogesnelheidsinfrastructuur geeft de eisen voor de perrons van het hogesnelheidsnetwerk.

De randen van de perrons van het conventionele spoorwegnet met nominale hoogten van 550 of 760 mm moeten voldoen aan het minimumprofiel van de infrastructuur als bepaald in EN (nog ter discussie — hangende de herziening van de TSI na de uitgave van EN15273-3:2006 gelden de landelijke voorschriften); de conventionele waarde voor bq0 , d.w.z. de afstand van de hartlijn spoor evenwijdig aan de rijspiegel moet uit de formule worden berekend, waarbij de onderstaande effecten niet in rekening worden gebracht:

spoorbreedteverwijding in bogen,

verkanting,

wissels en kruisingen,

quasi-statisch neiging,

bouw- en onderhoudstoleranties,

waarin:

Formula

R de boogstraal in meters is,

de berekende waarde bqlim wordt gegeven in pr EN15273-3:2006 en brengt alle waarden die niet in formule van bq0 gebruikt worden in rekening. De nieuwe waarde voor bq voor de afstand van de perronranden tot de hartlijn spoor evenwijdig aan de rijspiegel houdt rekening met tolerantie Tq voor bouw en onderhoud: bqlim bq bqlim + Tq.

Tolerantie Tq moet 0 ≤ Tq ≤ 50 mm bedragen.

Het verkantingseffect moet buiten de boog voor het gedeelte groter dan 25 mm gecompenseerd worden met een overstekende perronrand boven de uitsparing benodigd voor de quasi-statische neiging van het infrastructuurprofiel haaks op de rijspiegel.

Dientengevolge kan de ware tussenafstand groter zijn dan de conventionele.

4.1.2.18.3.   Perronspoor

Aantekening verwijderen uit de CR PRM TSI aan het einde van het proces: De perrons aan lijnen van categorie I van het hogesnelheidsnetwerk moeten voldoen aan de eisen van de TSI voor hogesnelheidsinfrastructuur.

Aantekening voor opname in de TST voor hogesnelheidsinfrastructuur: De perrons aan lijnen van categorie II en III van het hogesnelheidsnetwerk moeten voldoen aan de eisen van artikel 4.1.2.18.3 van de CR PRM TSI.

Spoor langs perrons van het conventionele spoorwegnet moet liefst recht lopen maar mag nergens een boogstraal kleiner dan 300 m bezitten.

4.1.2.19.   Perronbreedte en -rand

De breedte van het perron mag over de gehele lengte wisselend zijn. De minimumbreedte van het perron zonder obstakels moet:

hetzij de breedte van de gevarenzone plus de breedte van de twee vrije stroken aan elke kant van 800 mm (1 600 mm), of

voor een enkelzijdig perron 2 500 mm of voor een eilandperron 3 300 mm bedragen (deze breedte mag naar de koppen toe taps afnemen).

Bij deze minimumbreedte mag eventuele meerbreedte voor ander reizigersverkeer niet worden meegerekend.

Binnen deze vrije strook van 1 600 mm mogen zich kleine obstakels tot een lengte van 1 000 mm bevinden (bij voorbeeld masten, palen, hokjes of zitplaatsen). De afstand van de perronrand tot het obstakel moet minimaal 1 600 mm bedragen en er moet voorzien worden in een vrije strook van 800 mm van het obstakel tot de gevarenzone.

Wanneer de afstand tussen twee kleine obstakels kleiner is dan 2 400 mm moeten ze beschouwd worden als één groot obstakel.

De minimumafstand van obstakels tot de gevarenzone als muren, zitplaatsen, liften en trappen die langer zijn dan 1 000 mm maar korter dan 10 000 mm moet 1 200 mm bedragen. De afstand van de rand van het perron tot deze obstakels moet minimaal 2 000 mm bedragen.

De minimumafstand van obstakels tot de gevarenzone als muren, zitplaatsen, roltrottoirs en trappen die langer zijn dan 10 000 mm moet 1 600 mm bedragen. De afstand van de rand van het perron tot deze obstakels moet minimaal 2 400 mm bedragen.

Wanneer er in de trein of op het perron hulpmiddelen aanwezig zijn om rolstoelgebruikers in- of uit te laten stappen moet er zich tussen de rand van zulk een hulpmiddel en het eerste obstakel op het perron of de tegenoverliggende gevarenzone een vrije ruimte bevinden. Voor nieuwe stations moet voor alle treinen die aan het perron zullen stoppen aan deze eis worden voldaan.

De gevarenzone van een perron begint aan de perronrand aan de kant van het spoor en wordt gedefinieerd als de zone waarin reizigers blootgesteld kunnen worden aan gevaarlijke krachten die worden veroorzaakt door luchtwervelingen van passerende treinen. Voor het conventionele spoorwegnet moet de gevarenzone voldoen aan de landelijke voorschriften.

De begrenzing van de gevarenzone tegenover de spoorzijde van het perron moet worden aangegeven met visuele en tactiele waarschuwingssymbolen. De tactiele markeringen moeten voldoen aan de landelijke voorschriften.

Het visuele waarschuwingsteken moet een lijn met een minimumbreedte van 100 mm zijn die een contrasterende kleur moet hebben en van het antisliptype moet zijn.

De kleur van het materiaal aan de spoorzijde van het perron moet duidelijk afsteken tegen de donkere kleur van het spoor. Dit materiaal moet van het antisliptype zijn.

4.1.2.20.   Perronkoppen

De perronkoppen moeten aangegeven worden met visuele en tactiele waarschuwingssymbolen.

4.1.2.21.   Hulpmiddelen voor rolstoelgebruikers bij in- en uitstappen

4.1.2.21.1.   Aan subsystemen te stellen eisen

Wanneer aan een perron van een station met obstakelvrije routes volgens artikel 4.1.2.3.1 volgens dienstregeling treinen met een rolstoeldeur stoppen moet in een rolstoelbrug tussen die deur en het perron worden voorzien,

tenzij de afstand tussen de drempel van de deuropening en de perronrand horizontaal kleiner dan 75 mm en verticaal kleiner dan 50 mm is;

en

tenzij er op dezelfde route binnen 30 km gestopt wordt op een station met hulpmiddelen voor rolstoelgebruikers.

De verantwoordelijke infrastructuurbeheerder (of de stationsbeheerder(s), wanneer deze verantwoordelijk zijn) en de spoorwegonderneming moeten volgens verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europese Parlement en de Raad inzake de rechten en plichten van internationale treinreizigers het beheer van de rolstoelhulp op zich nemen (1) teneinde vast te stellen wie verantwoordelijk is voor het verschaffen van instaphulpmiddelen. De infrastructuurbeheerder (of de stationsbeheerder(s)) en de spoorwegonderneming moeten in onderling overleg tot de meest praktische oplossing besluiten.

De overeenkomst moet bepalen:

op welke perrons de infrastructuurbeheerder of de stationsbeheerder een instaphulpmiddel moet verschaffen en voor welk rollend materieel dit moet worden ingezet,

op welke perrons de spoorwegonderneming een instaphulpmiddel moet verschaffen en voor welk rollend materieel dit moet worden ingezet,

het rollend materieel waarvoor de spoorwegonderneming een instijghulp moet verschaffen en op welk perron dit moet worden ingezet,

de specifieke voorschriften voor het laten stilstaan van de treinen teneinde te voldoen aan artikel 4.1.2.19 (plaats voor instaphulpmiddelen voor rolstoelgebruikers).

De spoorwegonderneming moet in haar veiligheidsbeheersysteem aangeven welke onder zulke overeenkomsten haar verplichtingen zijn en hoe zij daaraan zal voldoen.

De infrastructuurbeheerder moet in zijn veiligheidsbeheersysteem aangeven welke onder zulke overeenkomsten haar verplichtingen zijn en hoe zij daaraan zal voldoen.

In de voorgaande paragrafen wordt de stationsbeheerder die de perrons in beheer heeft volgens Richtlijn 91/440/EG, artikel 3, geacht de infrastructuurbeheerder te zijn: definitie van infrastructuur en verordening 2598/70/EG.

Wanneer het bovenstaande tot gevolg heeft dat alle typen rollend materieel die aan het perron stoppen uitgevoerd worden met instaphulpmiddelen die met het perron compatibel zijn is het toegestaan, op het perron zelf geen instaphulpmiddelen te verschaffen.

Het instaphulpmiddel moet voldoen aan de eisen van artikel 4.1.2.21.2. Wanneer de positie voor het aan boord nemen van de rolstoelgebruiker van te voren is vastgesteld, mag die plaats het perron worden aangegeven met het internationale toegankelijkheidssymbool. Dit moet in overeenstemming zijn met artikel N.2 en N.4. van bijlage N.

Oprijplaten

Een door het treinpersoneel te bedienen handbediende of halfautomatische oprijplaat moet beschikbaar worden gesteld, of deze nu op de trein of op het perron is opgeslagen.

De oprijplaat moet voldoen aan de eisen van artikel 4.1.2.21.2.

Rolstoelliften

Rolstoelliften moeten voldoen aan de eisen van artikel 4.1.2.21.2.

4.1.2.21.2.   Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

De instaphulpmiddelen op de stations moeten geschikt zijn voor rolstoelen met de eigenschappen gegeven in bijlage M.

Het instaphulpmiddel moet berekend zijn op een gewicht van ten minste 300 kg in het midden en verdeeld over een oppervlak van 660 × 660 mm.

Elektrische instaphulpmiddelen moeten in geval van stroomstoring met de hand bediend kunnen worden.

Oprijplaten

Oprijplaten moeten van het antisliptype zijn en een nuttige vrije breedte van minimaal 760 mm bezitten.

Oprijplaten moeten aan beide kanten opstaande randen hebben om te voorkomen dat de wielen van de rolstoel over de rand geraken.

De opstaande randen moeten schuine kanten hebben en mogen niet hoger zijn dan 20 mm. Zij moeten worden uitgevoerd met contrasterende waarschuwingsbanden.

Oprijplaten moeten een maximumhelling van 10,2 graden (18 %) hebben.

Oprijplaten moeten tijdens het gebruik vastgezet kunnen worden.

Oprijplaten, met inbegrip van verplaatsbare, moeten zodanig kunnen worden opgeslagen dat zij geen hindernis voor de reizigers vormen.

Rolstoelliften

Aan rolstoelliften te stellen eisen:

De hefplaat moet van het antisliptype zijn. De hefplaat moet op de grond een nuttige minimumbreedte van 720 mm hebben.

De lift moet zodanig zijn ontworpen dat het voertuig niet bewogen kan worden wanneer de lift niet ingeklapt is.

Uitklappen, dalen, heffen en inklappen van de lift moet een continue, met de hand uit te oefenen druk vergen en mag geen aanleiding geven tot ongewenste bewegingen wanneer het hefplatform bezet is.

De lift moet uitgevoerd zijn met handbediening van alle bewegingen, ook geladen, wanneer de stroomvoorziening van de lift uitvalt.

In geladen toestand mag geen deel van de lift tijdens heffen en dalen sneller bewegen dan 150 mm/seconde; tenzij de lift met de hand wordt in- en uitgeklapt mag de bewegingssnelheid bij in- en uitklappen niet groter zijn dan 30 mm/seconde. In geladen toestand mag de horizontale en verticale versnelling van de hefplaat niet groter zijn dan 0,3 g.

De hefplaat moet zodanig zijn uitgevoerd dat de wielen van de rolstoel tijdens het gebruik van de lift niet van de plaat kunnen geraken.

Een beweegbare barrière of een ingebouwde beveiliging moet voorkomen dat een rolstoel aan de kant van het voertuig van de hefplaat kan rijden tot de lift zich in de volledig geheven stand bevindt.

Elke kant van de hefplaat die in de geheven stand buiten het voertuig steekt moet een barrière met een minimumhoogte van 25 mm hebben. Zulke barrières mogen niet beletten dat de rolstoel in of uit het middenpad gemanoeuvreerd kan worden.

De barrière aan de inrijkant, die als oprit dient wanneer de lift zich op de grond bevindt, moet voldoende zijn om in de geheven of gesloten stand te voorkomen dat een aangedreven rolstoel deze opent of er overheen rijdt; zoniet dan moet in een aanvullend systeem worden voorzien.

De rolstoel moet zowel met de voorkant als met de achterkant naar de trein in de lift kunnen worden gereden.

De berging van de lift moet zodanig zijn dat de lift de rolstoel niet kan raken of gevaar voor reizigers kan opleveren.

4.1.2.22.   Reizigersoverpad op stations

Wanneer de landelijke voorschriften toestaan dat reizigers gebruik maken van spoorwegoverpaden en deze deel uitmaken van een obstakelvrije route, dan moeten ze toegankelijk zijn voor alle categorieën van personen met beperkte mobiliteit.

Hun ontwerp moet zodanig zijn dat het kleinste wiel van een rolstoel als bepaald in bijlage M niet tussen de spoorstaaf en het oppervlak van het overpad beklemd kan raken.

Het overpad moet duidelijk zijn aangegeven met visuele en tactiele merktekens.

4.1.3.   Functionele en technische specificaties van de raakvlakken

Gezien het feit dat de TSI's voor conventioneel rollend materieel en conventionele infrastructuur op dit ogenblik nog niet bestaan is dit hoofdstuk leeg.

Er bestaan geen raakvlakken met het subsysteem „Besturing en seingeving”.

De raakvlakken met het subsysteem „Exploitatie” worden beschreven in hoofdstuk 4.1.4 „Bedrijfsvoorschriften”.

4.1.4.   Bedrijfsvoorschriften

De volgende bedrijfsvoorschriften met betrekking tot de infrastructuur hoeven niet gekeurd te worden.

Deze TSI specificeert geen evacuatievoorschriften, maar bepaalt uitsluitend de technische eisen. Het doel van technische eisen ten aanzien van de infrastructuur is, het evacueren van alle reizigers met inbegrip van personen met beperkte mobiliteit te vergemakkelijken.

In het licht van de essentiële eisen van hoofdstuk 3 en het technische toepassingsgebied bepaald in artikel 1.1 luiden de bedrijfsvoorschriften voor het subsysteem „Infrastructuur” voor wat deze TSI betreft, als volgt:

Algemeen

De infrastructuur- of de stationsbeheerder moet over duidelijke voorschriften beschikken die waarborgen dat alle categorieën van personen met beperkte mobiliteit overeenkomstig de technische eisen van deze TSI tijdens diensturen toegang tot de infrastructuur hebben. Tevens moeten deze voorschriften stroken met de voorschriften van de spoorwegonderneming die van deze faciliteiten gebruik zouden willen maken (zie artikel 4.2.4). Deze voorschriften moeten ten uitvoer worden gelegd middels duidelijke informatie van personeel, procedures en training. Het beleid ten aanzien van de infrastructuur moet bedrijfsvoorschriften omvatten voor de onderstaande situaties maar mogen daartoe niet beperkt zijn:

Obstakelvrije routes

Waar een nieuw, vernieuwd of aangepast station met een gemiddeld dagelijks volume van 1 000 vertrekkende en aankomende reizigers per jaar of minder niet aan de eisen van artikel 4.1.2.3.1 ten aanzien van liften en hellingbanen op obstakelvrije routes voldoet, zijn de landelijke voorschriften van toepassing volgens welke het vervoer van rolstoelgebruikers met toegankelijke middelen tussen dit niet-toegankelijke station en het volgende toegankelijke station op dezelfde lijn georganiseerd moet worden.

Toegankelijkheid van stations

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in het vertrekken van informatie met betrekking tot de toegankelijkheid van alle stations.

Onbemande stopplaatsen — ticketverkoop visueel gehandicapte reizigers

Voor de kaartverkoop met ticketautomaten op onbemande stopplaatsen moeten bedrijfsvoorschriften worden opgesteld en doorgevoerd (zie artikel 4.1.2.9). In dit geval moeten voor visueel gehandicapten te allen tijde alternatieve middelen voor de aanschaf van een vervoersbewijs beschikbaar zijn. (In de trein of op het station van aankomst, bij voorbeeld).

Kaartcontrole — Tourniquets

Bij gebruik van tourniquets voor kaartcontrole moeten personen met beperkte mobiliteit in de gelegenheid worden gesteld zich op aangepaste wijze op het bezit van een geldig vervoersbewijs te laten controleren. Hieronder vallen tevens reizigers met kinderwagens, volumineuze bagage e.d. De controle kan in dit geval worden uitgeoefend door het personeel of een automaat.

Coherentie in visuele en auditieve informatie

De voorschriften moeten zodanig zijn dat de coherentie tussen essentiële visuele en auditieve informatie gewaarborgd is (zie artikel 4.1.2.12). Omroepend personeel moet terwille van volledige coherentie volgens standaardprocedures te werk gaan.

Systemen voor verstrekking van informatie op aanvraag

Waar op stations geen omroepinstallatie voorhanden is voor het verstrekken van essentiële informatie (zie artikel 4.1.2.12) moet hiertoe op dat station een ander systeem aanwezig zijn (bij voorbeeld een bemand of automatisch informatienummer).

Perron — Rolstoelbruggebied

De spoorwegonderneming en de infrastructuurmanager dan wel de stationsbeheerder moeten in onderling overleg overeenkomen op welk gedeelte van het perron instaphulpmiddelen voor gehandicapten gebruikt zullen worden. Zij moeten kunnen aantonen dat de gekozen plaats hiervoor geschikt is. Dit gedeelte moet compatibel zijn met andere perrons waaraan de trein kan stoppen.

Hieruit volgt dat de plaats waar de trein tot stilstand wordt gebracht in sommige gevallen aan deze eis zal moeten worden aangepast.

De bedrijfsvoorschriften moeten rekening houden met veranderingen van treinsamenstelling (zie artikel 4.1.2.19) en wel zo, dat de plaats waar de treinen tot stilstand worden gebracht bepaald kan worden aan de hand van de plaats van de rolstoelgebieden.

Voor elk instaphulpmiddel moet op 1 500 mm van de perronrand een vrije ruimte worden aangehouden (zie artikel 4.1.2.19).

Veiligheid van handbediende of aangedreven instaphulpmiddelen

De bediening van instaphulpmiddelen door stationspersoneel moet aan voorschriften gebonden zijn (zie artikel 4.1.2.21 & 2).

Met name het gebruik van de beweegbare veiligheidsbarrière van rolstoelliften moet in de voorschriften zijn opgenomen (zie artikel 4.1.2.12.2).

De voorschriften moeten waarborgen dat het personeel in staat is rolstoelliften veilig te bedienen (uit- en inklappen, heffen, dalen en wegbergen) — zie artikel 4.1.2.21.2).

Hulp aan rolstoelgebruikers

De voorschriften moeten waarborgen dat het personeel bekend is met het feit dat rolstoelgebruikers bij het in- en uitstappen hulp nodig kunnen hebben en in staat zijn, deze hulp waar nodig te verlenen.

Het kan voorkomen dat rolstoelgebruikers zulke hulp van tevoren moeten reserveren.

Bewaakte reizigersoverpaden

Waar de landelijke voorschriften het gebruik van bewaakte overpaden toestaan moeten de voorschriften waarborgen dat het personeel belast met de bewaking daarvan personen met beperkte mobiliteit bij het oversteken de nodige hulp verlenen.

4.1.5.   Regels voor onderhoud

In het licht van de essentiële eisen van hoofdstuk 3 en het technische toepassingsgebied bepaald in artikel 1.1 luiden de onderhoudsvoorschriften voor het subsysteem „Infrastructuur” als volgt:

De infrastructuurbeheerder of de stationsbeheerder moet voorschriften hebben voor het verstrekken van vervangende hulp aan personen met beperkte mobiliteit wanneer de hulpmiddelen ten dienste van minder validen onderhouden, vervangen of gerepareerd worden.

4.1.6.   Beroepskwalificaties

De beroepskwalificaties van het personeel belast met de exploitatie van het subsysteem „Infrastructuur” luiden ingevolge het technische toepassingsgebied en artikel 4.1.4 (Bedrijfsvoorschriften) en voor wat deze TSI betreft, als volgt:

De professionele scholing van het treinbegeleidend personeel, stationspersoneel dat hulp en diensten verleend dan wel belast is met de verkoop van vervoersbewijzen moet waarborgen dat het zich bewust is van de gelijkgerechtigdheid van alle categorieën van personen met beperkte mobiliteit alsmede van hun specifieke behoeften.

De professionele scholing van technici en managers belast met het onderhoud en de exploitatie van het subsysteem „Infrastructuur” moet waarborgen dat zij zich bewust zijn van de gelijkgerechtigdheid van alle categorieën van personen met beperkte mobiliteit alsmede van hun specifieke behoeften.

4.1.7.   Gezondheid en veiligheid

Er zijn noch specifieke eisen vallende onder het toepassingsgebied van deze TSI met betrekking tot gezondheid en veiligheid van personeel belast met de exploitatie van het subsysteem „Infrastructuur”, noch met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze TSI.

4.1.8.   Infrastructuurregister

De aan het infrastructuurregister te stellen eisen luiden als volgt:

Het geografisch toepassingsgebied als bepaald in artikel 1.2;

Binnen dit geografische toepassingsgebied moet van stations die onder deze TSI vallen een lijst worden opgesteld;

Van de perrons van deze stations die onder deze TSI vallen moet een lijst worden opgesteld;

Voor elk station en perron die onder deze TSI vallen moet de aanwezigheid van de onderstaande voorzieningen alsmede hun compatibiliteit met de artikelen van de TSI waar ze uit voortvloeien worden opgegeven:

Parkeerfaciliteiten volgens artikel 4.1.2.2;

Obstakelvrije routes volgens artikel 4.1.2.3;

Tactiele gidslijnen volgens artikel 4.1.2.3.2;

Toiletten met inbegrip van rolstoeltoegankelijke toiletten volgens artikel 4.1.2.7;

Ticketverkoop, informatiebalies en reizigersassistentiepunten volgens artikel 4.1.2.9;

Visuele informatiesystemen volgens artikel 4.1.2.11;

Hellingbanen, roltrappen, liften, roltrottoirs volgens artikel 4.1.2.17;

Hoogte, overstek, breedte en lengte van elk perron volgens artikel 4.1.2.18 en 4.1.2.19;

Instaphulpmiddelen en hun beschrijving volgens artikel 4.1.2.21;

Spooroverpaden ten gebruike van personen met mobiliteitsbeperkingen volgens artikel 4.1.2.22.

Waar landelijke voorschriften de conformiteit met deze TSI waarborgen moet in het infrastructuurregister melding worden gemaakt van de betreffende regels en artikelen voor elke eis.

4.2.   Subsysteem Rollend materieel

4.2.1.   Inleiding

Het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem, waarop Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG van toepassing en het subsysteem een onderdeel is, vormt een geïntegreerd systeem waarvan de samenhang gecontroleerd moet worden. Met name dient deze compatibiliteit te worden gecontroleerd voor de specificaties van het subsysteem, zijn interfaces met het systeem waarin het is geïntegreerd, alsmede de voorschriften voor exploitatie en onderhoud.

De in artikel 4.2.2 omschreven functionele en technische specificaties van het subsysteem en zijn interfaces vereisen geen gebruik van specifieke technologieën of technische oplossingen behoudens waar dit strikt noodzakelijk is voor de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegnetwerk. Innovatieve oplossingen voor interoperabiliteit kunnen echter nieuwe specificaties en/of nieuwe beoordelingsmethoden noodzakelijk maken. Om technische innovatie mogelijk te maken, dienen deze specificaties en beoordelingsmethoden te worden ontwikkeld in het kader van het proces dat is beschreven in artikel 6.1.4 en 6.2.4.

Gezien alle toepasselijke essentiële eisen wordt het subsysteem „Rollend materieel” gekarakteriseerd door:

4.2.2.   Functionele en technische specificaties

4.2.2.1.   Algemeen

Gelet op de essentiële eisen als omschreven in artikel 3 zijn de functionele en technische specificaties van het subsysteem „Rollend materieel” met betrekking tot toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit als volgt opgezet:

Zitplaatsen

Rolstoelplaatsen

Deuren

Verlichting

Toiletten

Rolstoelpaden

Reizigersinformatie

Hoogteveranderingen

Leuningen

Rolstoeltoegankelijke slaapruimten

Tredeplaats voor het in- en uitstappen van de voertuigen

Voor elke fundamentele parameter vormt een algemene paragraaf de inleiding op de overige paragrafen.

In deze volgende paragrafen worden de voorwaarden omschreven waaraan dient te worden voldaan om te voldoen aan de eisen die zijn omschreven in de algemene paragraaf.

4.2.2.2.   Zitplaatsen

4.2.2.2.1.   Algemeen

Rugleuningen van zitplaatsen aan het middenpad moeten voorzien worden van handgrepen, verticale leuningen e.d. tenzij een zitplaats rug aan rug met een andere zitplaats staat die een handgreep heeft of tegen een tussenwand staat.

Handgrepen of andere voorzieningen voor persoonlijke stabiliteit moeten worden aangebracht op een hoogte tussen 800 en 1 200 mm boven de vloer. Ze mogen niet uitsteken tot in het middenpad en moeten contrasteren met de zitplaats.

Voor overlangs geplaatste vaste zitplaatsen moet voorzien worden in leuningen voor persoonlijke stabiliteit. Deze leuningen moeten op een maximumafstand van 2 000 mm van elkaar op een hoogte boven de vloer van 800 à 1 200 mm worden geplaatst en moeten contrasteren met het interieur van het voertuig.

Hangrepen, leuningen e.d. mogen geen scherpe randen hebben.

4.2.2.2.2.   Gereserveerde zitplaatsen

4.2.2.2.2.1.   Algemeen

Minimaal 10 % van de zitplaatsen van treinstellen met vaste samenstelling of van de zitplaatsen van afzonderlijke wagons moet per klasse gereserveerd worden voor personen met beperkte mobiliteit.

Gereserveerde zitplaatsen alsook de rijtuigen waarin deze zich bevinden moeten aangeduid worden met symbolen volgens artikel N.3 en N.8 van bijlage N, waarbij aangegeven moet worden dat valide reizigers ze moeten afstaan aan gehandicapten.

Gereserveerde zitplaatsen moeten zich in de coupés en zo dicht mogelijk bij buitendeuren bevinden.

Waar zitplaatsen met armleuningen zijn uitgevoerd moeten de armleuningen van de gereserveerde zitplaatsen opklapbaar zijn, met uitzondering van die, welke zich aan het raam bevinden. Deze armleuningen moeten naar boven opklappen om de zitplaats of de aangrenzende zitplaatsen volledig toegankelijk te maken.

Gereserveerde zitplaatsen mogen niet opklapbaar zijn.

Elke gereserveerde zitplaats en de voor de gebruiker beschikbare ruimte moet voldoen aan de maten van afbeelding 1 t/m 4.

Het volledige nuttige zitoppervlak van de gereserveerde zitplaats moet minimaal 450 mm breed zijn (zie afbeelding 1).

Image

De bovenkant van elk zitkussen moet zich aan de voorzijde van de zitplaats 430 à 500 mm boven de vloer bevinden. De vrije ruimte boven elke zitplaats moet, vanaf de vloer gemeten, ten minste 1 680 mm bedragen (zie afbeelding 2), met uitzondering van dubbeldekkers met bagagerekken boven de zitplaatsen. In dat geval is een vrije ruimte boven de zitplaats van gereserveerde zitplaatsen onder bagagerekken van 1 520 mm toegestaan op voorwaarde dat ten minste 50 % van de gereserveerde zitplaatsen een vrije ruimte van 1 680 mm boven de zitplaats hebben.

Opmerking: De doorsneden in afbeelding 2 t/m 4 gelden vanaf de hartlijn van de zitplaats.

Image

Image

Image

Bij zitplaatsen met verstelbare rugleuning gelden de maten voor de stand waarin de rugleuning zich rechtop bevindt.

4.2.2.2.2.2.   Zitplaatsen in rijrichting

Bij zitplaatsen in rijrichting (coachopstelling) moet de vrije ruimte voor de zitplaatsen overeenkomen met de maten van afbeelding 2.

Zoals in afbeelding 1 t/m 4 te zien is moet de afstand tussen de voorzijde van de rugleuning en het verticale vlak door het achterste gedeelte van de zitplaats ervoor minimaal 680 mm bedragen; de vereiste tussenruimte tussen de stoelen moet gemeten worden vanaf het midden van de zitplaats 70 mm boven waar het zitkussen de rugleuning snijdt. Er moet zich eveneens een vrije ruimte van minimaal 230 mm tussen de voorrand van het zitkussen en hetzelfde verticale vlak van de zitplaats ervoor bevinden.

4.2.2.2.2.3.   Zitplaatsen tegenover elkaar

Bij tegenover elkaar geplaatste gereserveerde zitplaatsen moet de afstand tussen de voorranden van de zitkussens minimaal 600 mm bedragen (zie afbeelding 4).

Bij gereserveerde zitplaatsen tegenover elkaar met een tafel ertussen moet de vrije ruimte tussen de voorrand van het zitkussen en de tafelrand minimaal 230 mm bedragen (zie afbeelding 3).

4.2.2.3.   Rolstoelplaatsen

Afhankelijk van treinlengte, de locomotief of het krachtvoertuig niet meegerekend, moet de trein minimaal het aantal rolstoelplaatsen bezitten dat in de onderstaande tabel is aangegeven:

Treinlengte

Rolstoelplaatsen per trein

Minder dan 205 meter

2

205 tot 300 meter

3

Meer dan 300 meter

4

In het belang van de stabiliteit moeten de rolstoelplaatsen worden ontworpen voor plaatsing in de rijrichting of tegen de rijrichting in.

Individuele rolstoelplaatsen moeten ontworpen worden voor rolstoelen met de volgende eigenschappen:

Wanneer er op de stations instaphulpmiddelen aanwezig zijn dan moeten ze bemeten zijn voor rolstoelen met de kenmerken genoemd in bijlage M.

Overeenkomstig de eisen van artikel 4.2.2.10 mag zich in de bedoelde ruimte tussen de vloer en het plafond van het voertuig niets bevinden behalve een bagagerek, een aan de wand of aan het plafond bevestigde leuning of een tafel.

De minimumafstand in het langsvlak tussen de rolstoelruimte en een vlak 2 moet overeenkomen met afbeelding 5. Vlak 1 mag een opgeklapt klapbankje of een wand zijn.

Image

Wanneer vlak 2 de voorrand van een zitkussen van tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen is en deze zitplaats ingenomen kan worden door een reiziger moet de minimumafstand groter zijn dan 300 mm.

Wanneer vlak 2 een rugleuning van een zitplaats in rijrichting of een opgeklapt klapbankje voor een rolstoelplaats is moet de minimumafstand groter zijn dan 200 mm.

Image

Het is toegestaan, klapbankjes in de rolstoelruimte te monteren, mits deze in de opgeklapte stand niet binnen de voor de rolstoel vereiste ruimte komt.

Aan het einde van de rolstoelruimte moet een appendage of andere aanvaardbaar hulpstuk met een breedte van 700 mm zijn aangebracht (zie afbeelding 6). De hoogte van de appendage of het hulpstuk moet zodanig zijn dat een rolstoel die er met de achterkant tegenaan is geplaatst, niet achterover kan kantelen.

Naast of tegenover de rolstoelplaatsen moet ten minste één zitplaats beschikbaar zijn voor een begeleider. Deze zitplaats moet even comfortabel zijn als de andere zitplaatsen en mag zich ook aan de andere kant van het gangpad bevinden.

De rolstoelplaats moet zijn uitgevoerd met een alarmmelder die door de rolstoelgebruiker bediend kan worden. De alarmmelder moet binnen het bereik van een persoon in een referentierolstoel zijn aangebracht.

Wanneer de alarmmelder gebruikt is moet een visuele of auditieve verklikker tonen dat het alarmsysteem functioneert.

De alarmmelder mag niet zodanig worden aangebracht dat deze niet onmiddellijk met de handpalm in werking kan worden gesteld.

De plaats van de alarmmelder moet zodanig worden gekozen dat deze gemakkelijk door de rolstoelgebruiker in werking kan worden gesteld.

Image

Naast of in de rolstoelruimte moet een symbool volgens artikel N.3 en N.4 van bijlage N worden aangebracht waaruit blijkt dat het om een rolstoelplaats gaat.

4.2.2.4.   Deuren

4.2.2.4.1.   Algemeen

Een handbediende, voor reizigers toegankelijke deur moet met de handpalm onder een druk van ten hoogste 20 Newton geopend en gesloten kunnen worden.

Deurknoppen en -klinken moeten contrasteren met hun ondergrond.

Waar drukknoppen of andere afstandbedieningen voor het bedienen van de deuren worden gebruikt mag de kracht voor het bedienen daarvan 15 Newton niet overschrijden.

Waar knoppen voor openen en sluiten boven elkaar zijn aangebracht moet de bovenste knop altijd de knop voor openen zijn.

4.2.2.4.2.   Buitendeuren

4.2.2.4.2.1.   Aan het subsysteem te stellen eisen

Automatisch en halfautomatisch sluitende buitendeuren moeten zijn uitgevoerd met inkemmingsdetectoren die de deuren tot stilstand brengen en voor een beperkte tijdsduur open laten wanneer er zich een reiziger tussen de deurhelften bevindt.

Alle buitendeuren moeten in geopende stand een nuttige doorgangsbreedte van 800 mm bezitten.

Buitendeuren moeten aan de buitenkant als zodanig geverfd of gemerkt zijn en contrasteren met de rest van de zijwand van het voertuig.

Als zodanig aangeduide buitendeuren voor rolstoelgebruikers moet zo dicht mogelijk bij de rolstoelplaatsen zijn aangebracht.

Buitendeuren voor rolstoelgebruikers moeten als zodanig worden aangegeven met een symbool volgens artikel N.3 en N.4 van bijlage N.

Binnenin het voertuig moet de plaats van de buitendeuren duidelijk worden aangeduid met een contrasterende vloer.

Wanneer een deur voor openen wordt vrijgegeven moet dit een geluidssignaal te gevolge hebben dat binnen en buiten de trein duidelijk hoorbaar is. Dit signaal moet minimaal 5 seconden worden afgegeven, tenzij de deur geopend open loopt, in welk geval het na 3 seconden mag ophouden. Deze eis is niet van toepassing op uitwendige geluidssignalen voor hogesnelheidstreinen van klasse 1 en 2.

Wanneer een deur automatisch of door de machinist of ander treinpersoneel op afstand kan worden geopend moet het waarschuwingssignaal vanaf het ogenblik dat de deur begint te openen minimaal 3 seconden lang hoorbaar zijn.

Wanneer een deur automatisch of op afstand kan worden gesloten moet het waarschuwingssignaal vanaf het ogenblik dat de deur begint te sluiten binnen en buiten de trein hoorbaar zijn. Dit signaal moet minimaal 2 seconden lang worden afgegeven voor de deur begint te sluiten en moet van toon verschillen met het signaal dat waarschuwt dat de deur open zal gaan. Het signaal mag niet ophouden voor de deur gesloten is.

De geluidsbron voor deursignalen moet zich in de buurt van de knop of klink bevinden, en als er geen knop of klink aanwezig is, naast de deur.

Geluidssignalen voor buitendeuren — Deur wordt geopend

Karakterisering

Een aanhoudende of onderbroken combinatie van 2 tonen van maximaal 2 stoten per seconde

Frequenties

3 000 Hz +/- 500 Hz

en

1 750 Hz +/- 500 Hz

Geluidsdrukniveau

70 dB LAeq, T +/- 2 op 1,5 m boven de vloer in het midden van het balkon. (T = totale tijdsduur)

Geluidssignalen voor buitendeuren — Deur wordt gesloten

Karakterisering

Korte stoten van 6 à 10 per seconde

Frequentie

1 900 Hz +/- 500 Hz

Geluidsdrukniveau

70 dB LAeq, T +/- 2 op 1,5 m boven het perron en op een afstand van 1,5 m van de middellijn van de deur. Binnen gemeten als voor deur openen. (T = totale tijdsduur)

De deur moet geopend kunnen worden door het treinpersoneel of moet halfautomatisch zijn (door reizigers te bedienen drukknop).

De knop moet zich naast of op de deur bevinden, de klink op de deur.

Het middelpunt van vanaf het perron te bedienen deurapparatuur moet zich op alle perrons waaraan de trein stopt tussen 800 en 1 200 mm boven het perron bevinden. Het middelpunt van vanaf het balkon te bedienen deurapparatuur moet zich tussen 800 en 1 200 mm boven de vloer daarvan bevinden.

4.2.2.4.2.2.   Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Bij toepassing van drukknoppen voor deurbediening moeten de knoppen of de ruimtes daaromheen visueel duidelijk als zodanig en als vrijgegeven herkenbaar zijn; de vereiste drukkracht mag niet groter zijn dan 15 Newton. Wanneer de deuren door het treinpersoneel op afstand gesloten worden mag de visuele herkenbaarheid niet eerder verdwijnen dan 2 seconden voor de deur begint te sluiten.

Knoppen moeten op de tast herkenbaar zijn (door tactiele markeringen, bij voorbeeld) en de functie aangeven.

4.2.2.4.3.   Binnendeuren

4.2.2.4.3.1.   Aan subsystemen te stellen eisen

Automatische en halfautomatische deuren moeten voorzien zijn van een inklembeveiliging.

Binnendeuren moeten voldoen aan de eisen van dit artikel.

Deuropeningen voor rolstoelgebruikers moeten een nuttige vrije minimumbreedte hebben van 800 mm.

Een handbediende, voor reizigers toegankelijke deur moet met de handpalm onder een druk van ten hoogste 20 Newton geopend en gesloten kunnen worden.

De kracht voor het openen en sluiten van een handbediende deur mag niet meer dan 60 Newton bedragen.

Het middelpunt van vanaf het balkon te bedienen deurapparatuur moet zich tussen 800 en 1 200 mm boven de vloer daarvan bevinden.

Automatische verbindingsdeuren moeten hetzij synchroon openen en sluiten of de tweede deur moet automatisch een nadering detecteren en openen.

Wanneer de deur voor meer dan 75 % uit transparant materiaal bestaat moet deze van twee duidelijke banden van symbolen, logo's, emblemen of decoraties zijn voorzien. Deze banden moeten op een hoogte van 1 500 à 2 000 mm voor de bovenste en op een hoogte van 850 à 1 000 mm voor de onderste over de gehele breedte van de deur zijn aangebracht. De banden moeten minimaal 100 mm hoog zijn.

4.2.2.4.3.2.   Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Bij toepassing van drukknoppen voor deurbediening moeten de knoppen of de ruimtes daaromheen verlicht worden en als vrijgegeven herkenbaar zijn; de vereiste drukkracht mag niet groter zijn dan 15 Newton.

Het middelpunt van de knop mag zich niet lager dan 800 mm en niet hoger dan 1 200 mm boven de vloer bevinden.

Knoppen moeten op de tast herkenbaar zijn (door tactiele markeringen, bij voorbeeld) en de functie aangeven.

4.2.2.5.   Verlichting

Opstaptreden van voertuigen moeten over 80 % van hun breedte verlicht worden met een lamp van 75 lux in of vlak naast de treden.

4.2.2.6.   Toiletten

4.2.2.6.1.   Algemeen

Wanneer de trein toiletten heeft moet een universeel toilet vanaf de rolstoelplaats bereikt kunnen worden; de toiletten moeten voldoen aan de eisen ten aanzien van zowel standaardtoiletten als universele toiletten.

4.2.2.6.2.   Standaardtoilet (Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen)

Standaardtoiletten zijn niet ontworpen voor rolstoelgebruikers.

De nuttige minimumbreedte van de deur moet 500 mm bedragen.

Het middelpunt van deurklinken, deursloten of deurbedieningsapparatuur aan de buiten- en binnenkant van toiletcompartimenten moet zich op een minimumhoogte van 800 en een maximumhoogte van 1 200 mm boven de vloer bevinden.

Een vergrendelde deur moet visueel, tactiel of auditief als zodanig worden aangegeven.

Het gebruik van deurbedienings- en andere apparatuur in de toiletruimte (met uitzondering van luiertafels) mag niet meer kracht dan 20 Newton benodigen.

Bedieningshulpmiddelen, met inbegrip van het doortreksysteem, moeten in contrasterende kleuren zijn uitgevoerd en op de tast herkenbaar zijn.

Bedieningshulpmiddelen moeten van duidelijke instructies in de vorm van pictogrammen en tactiele symbolen zijn voorzien.

Naast het toilet en de wastafel moet zich een vast gemonteerde verticale en/of horizontale handgreep bevinden.

Handgrepen moeten een ronde doorsnede hebben met een buitendiameter van 30 tot 40 mm. Zij moeten op een minimumafstand van 45 mm van enigerlei ander oppervlak bevestigd zijn. De straal van een gebogen handgreep tot de binnenkant van de boog moet minimaal 50 mm bedragen.

Toiletbrillen, kleppen en handgrepen moeten in contrasterende kleuren zijn uitgevoerd.

4.2.2.6.3.   Universeel toilet

Universele toiletten zijn ontworpen voor zowel validen als gehandicapten (alle categorieën personen met beperkte mobiliteit).

4.2.2.6.3.1.   Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen (Universele toiletten)

De toegangsdeur van het toilet moet een nuttige minimumbreedte van 800 mm hebben.

De buitenkant van de deur moet worden gemerkt met een symbool volgens artikel N.3 en N.4 van bijlage N.

Het middelpunt van deurklinken, deursloten of deurbedieningsapparatuur aan de buiten- en binnenkant van toiletcompartimenten moet zich op een minimumhoogte van 800 en een maximumhoogte van 1 200 mm boven de vloer bevinden.

Een vergrendelde deur moet visueel, tactiel of auditief als zodanig worden aangegeven.

Het gebruik van deurbedienings- en andere apparatuur in de toiletruimte (met uitzondering van luiertafels) mag niet meer kracht dan 20 Newton benodigen.

Binnen de toiletruimte moet genoeg plaats zijn om een rolstoel als gedefinieerd in bijlage M tot naast de closetpot te manoeuvreren, zie afbeelding 8a.

Image

Vóór het toilet moet zich een vrije ruimte van minimaal 700 mm bevinden (zie afbeelding 8b).

Image

Aan beide zijden van het toilet moeten handgrepen als gedefinieerd in het voorgaande artikel zijn aangebracht. De handgreep aan de kant waar de rolstoel toegankelijk is moet zodanig scharnierend zijn uitgevoerd dat de rolstoelgebruiker het toilet en vervolgens de rolstoel gemakkelijk kan bereiken (zie afbeelding 9 en 10).

Image

Image

Het oppervlak van de toiletbril moet zich in de neergelaten stand op een hoogte van 450 à 500 mm boven de vloer bevinden.

Alle sanitaire voorzieningen (wastafel, zeepdispenser, spiegel, waterkraan en handendroger) moeten voor rolstoelgebruikers gemakkelijk bereikbaar zijn.

De toiletruimte moet voorzien zijn van minstens twee alarmmelders waarmee een persoon van beperkte mobiliteit bij gevaar iemand kan waarschuwen die handelend kan optreden. De ene alarmmelder moet op een hoogte van maximaal 450 mm gemeten van de vloer tot de bovenkant van het apparaat worden aangebracht. De andere alarmmelder moet op een hoogte tussen 800 en 1 200 mm gemeten van de vloer tot de bovenkant van het apparaat worden aangebracht.

De laagste alarmmelder moet zodanig worden geplaatst dat deze door een op de vloer liggend persoon gemakkelijk kan worden bereikt. Beide melders moeten op verschillende wanden worden aangebracht waar ze uit diverse posities kunnen worden bereikt.

De melders moeten een zodanige vorm en kleur hebben dat ze terstond van andere bedieningshulpmiddelen in de toiletruimte te onderscheiden zijn.

Boven elke alarmmelder moet een symbool als beschreven in artikel N.3 en N.7 van bijlage N worden aangebracht. Het symbool moet de functie en de bediening aanduiden, duidelijke visuele en tactiele informatie verstrekken en in een contrasterende kleur zijn uitgevoerd.

In de toiletruimte moet een visuele en auditieve verklikker aangeven dat de alarmmelder in werking is gesteld.

4.2.2.6.3.2.   Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen (Luiertafels)

Waar geen complete babyvoorzieningen voorhanden zijn moet het universele toilet een luiertafel bevatten voor het verschonen van zuigelingen. In uitgeklapte toestand moet de luiertafel zich op een hoogte van 800 à 1 000 mm boven de vloer bevinden. Het tafelblad moet minimaal 500 mm breed en 700 mm lang zijn.

Het moet zo ontworpen zijn dat een kind er niet af kan glijden, het mag geen scherpe randen bezitten en moet berekend zijn op een gewicht van 80 kg.

Voor het opklappen van het tafelblad mag niet meer dan 25 Newton nodig zijn.

4.2.2.7.   Rolstoelpaden

Rolstoelpaden moeten gerekend vanaf de ingang van het voertuig tussen de vloer en een hoogte van 1 000 mm een nuttige vrije breedte van 450 mm en tussen een hoogte van 1 000 mm tot een hoogte van 1 950 mm een nuttige vrije breedte van 550 mm bezitten.

Het rolstoelpad tussen gekoppelde rijtuigen van een treinstel moet op rechte, vlakke baanvakken minimaal 550 mm breed zijn.

De toegang tot rolstoelplaatsen, rolstoeltoegankelijke ruimten en rolstoeltoegankelijke deuren moet tot op een minimumhoogte van 1 450 mm overal een minimum nuttige vrije breedte van 800 mm bezitten. Rolstoelpaden moeten ontworpen worden voor het vrij bewegen van de referentierolstoel als beschreven in bijlage M.

Naast de rolstoelplaats moet een keerplek met een minimumdiameter van 1 500 mm voor een referentierolstoel worden voorzien. De rolstoelplaats mag binnen de draaicirkel vallen.

4.2.2.8.   Reizigersinformatie

4.2.2.8.1.   Algemeen

Informatie moet van consistente aard zijn en voldoen aan de Europese of landelijke voorschriften.

Algemene bewegwijzering en informatieverstrekking moeten coherent zijn, met name wat betreft kleuren en contrasten in treinen, op perrons en ingangen.

Visuele informatie moet tijdens diensturen onder alle lichtcondities leesbaar zijn.

Visuele informatie moet goed afsteken tegen de achtergrond.

Staartletters in Romeins schrift moeten duidelijk herkenbaar zijn (minimaal 20 % van de X-hoogte).

Ingekorte stokken en staarten mogen niet worden gebruikt.

De mogelijkheid moet aanwezig zijn gesproken en visuele informatie in meer dan één taal te verkrijgen. (De taalkeuze is de verantwoordelijkheid van de spoorwegonderneming en is afhankelijk van de clientèle op een bepaalde lijn).

De volgende informatie moet worden verstrekt:

Veiligheidsinformatie en veiligheidsvoorschriften volgens Europese of landelijke voorschriften.

Gesproken veiligheidsinstructies in noodgevallen

Waarschuwings- verbods- en gebodsborden volgens Europese of landelijke voorschriften.

Informatie over de reisweg

Informatie betreffende de faciliteiten aan boord

4.2.2.8.2.   Informatie (bewegwijzering, pictogrammen, inductielussen en alarmmelders)

4.2.2.8.2.1.   Aan subsystemen te stellen eisen

Alle symbolen met betrekking tot veiligheid, waarschuwingen, verplichte en verboden handelingen moeten pictogrammen hebben en worden ontworpen volgens ISO 3864-1.

Er mogen zich niet meer dan vijf pictogrammen met een enkele pijl op eenzelfde plaats bevinden die dezelfde richting aanwijzen.

Tactiele informatie moet voorhanden zijn in:

Toiletten — voor functionele aanwijzingen en hulpverlening.

Treinen, op knoppen voor deurenbediening en alarmmelding

Bewegwijzering en informatieverstrekking mogen geen reclame bevatten.

De volgende grafische symbolen en pictogrammen voor personen met beperkte mobiliteit moeten worden gebruikt:

Rolstoelsymbool volgens artikel N.3 en N.4 van bijlage N

Wegwijzers naar rolstoeltoegankelijke voorzieningen

Wegwijzers naar een rolstoeltoegankelijke deur buiten de treinen

Wegwijzers naar de rolstoelplaats in de treinen

Wegwijzer naar universele toiletten

De symbolen mogen gecombineerd worden met andere (bij voorbeeld: lift, toilet, enz.).

4.2.2.8.2.2.   Aan interoperabele onderdelen te stellen eisen

Waar inductielussen zijn aangebracht moet dit worden aangegeven met een symbool als beschreven in Bijlage N, artikel N.3 en N.5.

Ruimten voor zware en volumineuze bagage moeten worden aangegeven met een grafisch symbool.

Hulp- en informatiediensten moeten worden aangegeven met een symbool als beschreven in bijlage N, artikel N.3 en N.6.

en moet het voorzien zijn van:

een visuele en auditieve verklikker die aangeeft dat het toestel in werking gesteld is

aanvullende instructies voor het gebruik (indien nodig)

Indien een alarmmelder aanwezig is moet deze voldoen aan de voorschriften van artikel N.3 en N.7 van bijlage N en moet het voorzien zijn van:

visuele en tactiele symbolen,

een visuele en auditieve verklikker die aangeeft dat het toestel in werking gesteld is

aanvullende instructies voor het gebruik (indien nodig)

Rolstoeltoegankelijke universele toiletten met scharnierende handgrepen moeten een grafisch symbool hebben dat de handgreep in de geheven en neergelaten positie toont.

4.2.2.8.3.   Informatie (reisinformatie en zitplaatsreservering)

Naast ten minste één van de toegangsdeuren voor reizigers moet minimaal om het rijtuig op de zijkant daarvan het station van bestemming of de reisroute worden aangegeven.

Waar op de perrons binnen een afstand van 50 meter gebruik wordt gemaakt van een dynamisch informatiesysteem en het station van bestemming of de reisroute eveneens op de kop van de trein zijn aangegeven is het aangeven van bestemming en route op de zijkanten van de rijtuigen niet verplicht.

Het station van bestemming en de reisroute moeten in elk voertuig worden aangegeven.

Het volgende station waar de trein stopt moet zodanig worden aangegeven dat dit zichtbaar is vanaf ten minste 51 % van de zitplaatsen in het rijtuig. Deze informatie moet ten minste 2 minuten voor de trein op dat station aankomt worden getoond. Wanneer het volgende station minder dan twee minuten rijden weg is, moet deze informatie onmiddellijk na het vertrek van het vorige station worden getoond.

Aan de eis, het station van bestemming en het volgende station zichtbaar te maken voor 51 % van de zittende reizigers behoeft niet te worden voldaan wanneer de trein geheel of gedeeltelijk in coupés van minder dan 8 zitplaatsen aan een gangpad is ingedeeld. Dit geldt evenwel niet voor reizigers die buiten een coupé in het gangpad verblijven en personen in de rolstoelplaats.

Gegevens betreffende de reisroute of het netwerk moeten beschikbaar zijn (de spoorwegonderneming moet bepalen op welke wijze deze informatie wordt verschaft).

De informatie betreffende het volgende station mag naast het station van bestemming worden getoond. Zodra de trein tot stilstand is gebracht mag evenwel uitsluitend het station van bestemming worden getoond.

Het omroepsysteem moet in staat zijn, informatie in meer dan één taal te verstrekken. (De taalkeuze is de verantwoordelijkheid van de spoorwegonderneming en is afhankelijk van de clientèle op de lijn).

Bij gebruik van een automatisch systeem moet het mogelijk zijn misleidende informatie te corrigeren of te verwijderen.

Waar in het rijtuig gereserveerde zitplaatsen aanwezig zijn dan moet het nummer of de letter van het rijtuig (als gebruikt in het reserveringssysteem) op of naast elke deur worden vermeld in tekens die niet kleiner mogen zijn dan 70 mm.

Wanneer de zitplaatsen zijn aangeduid met nummers of letters dan moet het nummer of de letter van de zitplaats op of naast elke zitplaats worden vermeld in tekens die niet kleiner mogen zijn dan 12 mm. Zulke nummers en letters moeten contrasteren met hun achtergrond.

De trein moet zijn uitgevoerd met een omroepinstallatie die door de machinist of het personeel met specifieke verantwoordelijkheid voor de reizigers hetzij voor dienstmeldingen of noodmeldingen moet worden gebruikt.

De installatie mag handmatig bediend, automatisch of voorgeprogrammeerd zijn. Bij gebruik van een automatisch systeem moet het mogelijk zijn misleidende informatie te corrigeren of te verwijderen.

De omroepinstallatie moet gebruikt worden om de bestemming en het volgende station aan te kondigen. Bij het vertrek van de trein moeten alle stations worden aangekondigd waar de trein zal stoppen.

De installatie moet worden gebruikt om ten minste twee minuten voor aankomst het volgende station aan te kondigen. Wanneer het volgende station minder dan twee minuten rijden weg is, moet deze informatie onmiddellijk na het vertrek van het vorige station worden aangekondigd.

Auditieve informatie moet overeenkomstig IEC 60268-16, deel 16, op alle plaatsen RASTI index 0,5 hebben. Aan deze eis moet voor elke zit- en rolstoelplaats worden voldaan.

Het omroepsysteem moet in staat zijn, informatie in meer dan één taal te verstrekken. (De taalkeuze is de verantwoordelijkheid van de spoorwegonderneming en is afhankelijk van de clientèle op de lijn).

Bij gebruik van een automatisch systeem moet het mogelijk zijn misleidende informatie te corrigeren of te verwijderen.

4.2.2.8.4.   Informatie (Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen)

Elke stationsnaam (die afgekort mag worden), elk woord en elk bericht moet minimaal 2 seconden worden weergegeven. Wanneer het beeldscherm tekst horizontaal of verticaal schuivend weergeeft moet elk heel woord minimaal 2 seconden zichtbaar zijn en mag de schuifsnelheid niet groter zijn dan 6 tekens per seconde. Voor alle geschreven informatie moet een schreefloos lettertype in hoofd- en kleine letters worden gebruikt (dus niet alleen hoofdletters).

Hoofdletters en cijfers op de kop van de trein moeten minimaal 70 mm hoog zijn en op de treinzijkanten en in de trein zelf 35 mm.

Voor een leesafstand van meer dan 5 000 mm in de trein mogen letters en cijfers niet kleiner zijn dan 35 mm.

Lettertekens met een hoogte van 35 mm moeten worden beschouwd tot een leesafstand van 10 000 mm leesbaar te zijn.

4.2.2.9.   Hoogteveranderingen

Treden binnen de treinen (en dus niet de in- en uitstaptreden) mogen, gemeten aan de lengte-as van de trap, ten hoogste 200 mm hoog en moeten minimaal 280 mm diep zijn. De eerste en de laatste trede moeten worden aangegeven met een contrasterende band met een breedte tussen 45 en 50 mm. De band moet over de volle breedte van de treden op zowel de voor- en bovenkant van de tredeneus worden aangebracht. Voor dubbeldekstreinen mag deze waarde voor trappen naar het bovendek tot 270 mm worden teruggebracht.

Tussen een rolstoeltoegankelijk balkon en de buitendeur, de rolstoelplaats, een universele slaapcoupé en het universele toilet mogen zich geen treden bevinden, met uitzondering van een drempelstrip die niet hoger mag zijn dan 15 mm.

Hellingen in treinen moeten aan de volgende voorschriften voldoen:

Hellinglengte

Maximumhelling (o)

Maximumhelling ( %)

> 1 000 mm

4,47

8

600 t/m 1 000 mm

8,5

15

Minder dan 600 mm

10,2

18

Opmerking: Hellingen moeten worden gemeten met een op recht en vlak spoor stilstaande wagon.

4.2.2.10.   Leuningen

Handgrepen moeten een ronde doorsnede hebben met een buitendiameter van 30 tot 40 mm. Zij moeten op een minimumafstand van 45 mm van enigerlei ander oppervlak bevestigd zijn. De straal van een gebogen handgreep tot de binnenkant van de boog moet minimaal 50 mm bedragen.

Alle leuningen moeten contrasteren met hun achtergrond.

Deuropeningen met meer dan twee treden moeten voorzien worden van handgrepen aan beide zijden. Deze moeten aan de binnenzijde van de deuropening en zo dicht mogelijk bij de buitenwand van het rijtuig worden gemonteerd. Ze moeten tot een hoogte vanaf de eerste opstap van 800 à 900 mm reiken, afhankelijk van de perronhoogte waarvoor het rollend materieel ontworpen is en evenwijdig lopen met de lijn van de tredeneuzen.

Tevens moet worden voorzien in een verticale handgreep voor in- en uitstappen. Deuropeningen met twee treden of minder moeten voorzien worden van handgrepen aan beide zijden. Deze moeten aan de binnenzijde van de deuropening en zo dicht mogelijk bij de buitenwand van het rijtuig worden gemonteerd. Ze moeten tot een hoogte vanaf de eerste opstap van 700 tot 1 200 mm boven de drempel van de eerste trede reiken.

Waar de vrije doorgang van de loopbrug nauwer is dan 1 000 en langer dan 2 000 mm moet worden voorzien in handgrepen of leuningen in of naast de loopbruggen tussen de rijtuigen die door de reizigers gebruikt mogen worden. Waar de vrije ruimte van de loopbrug 1 000 mm of breder is moet de loopbrug worden voorzien van handgrepen of leuningen.

4.2.2.11.   Rolstoeltoegankelijke slaapruimten

In een trein met slaapcoupés voor reizigers moet worden voorzien in een wagon met ten minste één rolstoeltoegankelijke slaapruimte die bemeten is voor rolstoelen volgens de specificaties in bijlage M.

Waar de trein meer dan één wagon met slaapcoupés heeft moet er in ten minste twee rolstoeltoegankelijke slaapruimten worden voorzien.

Een wagon met rolstoeltoegankelijke slaapruimten moet aan de buitenkant als zodanig kenbaar worden gemaakt met een symbool als voorgeschreven in artikel N.3 en N.4 van bijlage N.

De slaapcoupé moet voorzien zijn van minstens twee alarmmelders waarmee een persoon van beperkte mobiliteit bij gevaar iemand kan waarschuwen die handelend kan optreden. De ene alarmmelder moet op een hoogte van maximaal 450 mm gemeten van de vloer tot de bovenkant van het apparaat worden aangebracht. De andere alarmmelder moet op een hoogte tussen 600 en 800 mm gemeten van de vloer tot de bovenkant van het apparaat worden aangebracht.

De laagste alarmmelder moet zodanig worden geplaatst dat deze door een op de vloer liggend persoon gemakkelijk kan worden bereikt. Beide melders moeten zodanig op verschillende wanden van de slaapcoupé worden aangebracht dat ze uit diverse posities kunnen worden bereikt. De melders moeten een zodanige vorm en kleur hebben dat ze terstond van andere bedieningshulpmiddelen in de slaapcoupé te onderscheiden zijn.

Boven elke alarmmelder moet een symbool als beschreven in artikel N.3 en N.7 van bijlage N worden aangebracht. Het symbool moet de functie en de bediening aanduiden, duidelijke visuele en tactiele informatie verstrekken en in een contrasterende kleur zijn uitgevoerd.

In de slaapruimte moet een visuele en auditieve verklikker aangeven dat de alarmmelder in werking is gesteld.

4.2.2.12.   Tredeplaats voor het in- en uitstappen van de voertuigen

4.2.2.12.1.   Algemene eisen

Aangetoond moet worden dat het middelpunt van de tredeneus (2) van elke toegangsdeur aan beide kanten van het voertuig — dat zich midden op het spoor bevindt, in rijvaardige toestand verkeert, nieuwe wielen bezit maar waarin zich geen reizigers bevinden — zich binnen het vlak bevindt dat aangeduid wordt als „de tredeplaats” op afbeelding 11 hieronder, en voldoet aan de hieronder uiteengezette eisen.

De toegangstreden van het voertuig moeten worden ontworpen om te voldoen aan de volgende eisen, afhankelijk van het type perron waar het rollend materieel onder condities van normale exploitatie moet stoppen. Het einde van de vloer aan de toegangsdeur moet beschouwd worden als een trede.

Treden moeten zodanig worden ontworpen dat het maximale constructieprofiel van het rijtuig voldoet aan de eisen van bijlage C van de TSI „Goederenwagens”.

Eis a) voor alle rollend materieel dat onder normale condities van exploitatie aan perrons met een hoogte van minder dan 550 mm moet stoppen:

De eerste trede (eerste niveau) moet krachtens de eisen van bijlage C van de TSI „Goederenwagens” die op dit voertuig betrekking hebben op het laagste punt van het constructieprofiel van het rijtuig worden aangebracht.

De horizontale plaats van de eerste trede (eerste niveau) moet krachtens de eisen van bijlage C van de TSI „Goederenwagons” die op dit voertuig betrekking hebben op het buitenste punt van het constructieprofiel van het rijtuig worden aangebracht.

Eis b) voor alle rollend materieel dat onder normale condities van exploitatie aan perrons met een hoogte van minder dan 550 mm moet stoppen:

Een trede moet voldoen aan de eisen vervat in afbeelding 11 en de volgende waarden wanneer het voertuig in de nominale positie

 

δh mm

δv+ mm

δv- mm

op recht, vlak spoor stilstaat

200

230

160

op spoor met een boogstraal van 300 m

290

230

160

Eis c) voor alle rollend materieel dat onder normale condities van exploitatie aan perrons met een hoogte van 760 mm moet stoppen:

Een trede moet voldoen aan de eisen vervat in afbeelding 11 en de volgende waarden wanneer het voertuig in de nominale positie

 

δh mm

δv+ mm

δv- mm

op recht, vlak spoor stilstaat

200

230

160

op spoor met een boogstraal van 300 m

290

230

160

Eis d) voor alle rollend materieel dat onder condities van normale exploitatie aan perrons met een hoogte van 760 en perrons met een hoogte van 550 mm of minder moeten stoppen en twee of meer toegangstreden bezit:

Naast de bovenvermelde relevante eisen moet een trede voldoen aan de in afbeelding 11 gestelde eisen en de volgende, op een nominale perronhoogte van 760 mm gebaseerde waarden voor een stilstaand voertuig in de nominale positie

 

δh mm

δv+ mm

δv- mm

op recht, vlak spoor

380

230

160

op spoor met een boogstraal van 300 m

470

230

160

Image

4.2.2.12.2.   In- en uitstaptreden

Alle in- en uitstaptreden moeten antislip zijn en een nuttige vrije lengte hebben die even groot is als de deuropening.

De binnen het voertuig liggende instaptreden mogen een maximale hoogte hebben van 200 mm en een minimumdiepte van 240 mm tussen de verticale randen van de trede. De hoogte van de treden moet gelijk zijn. De eerste en de laatste trede moeten worden aangegeven met een contrasterende band met een breedte tussen 45 en 50 mm. De band moet over de volle breedte van de treden op zowel de voor- en bovenkant van de tredeneus worden aangebracht.

De hoogte van de trede mag groter worden genomen wanneer kan worden aangetoond dat hiermee één trede kan worden uitgespaard. (Voorbeeld: door het gebruik van treden met een hoogte van 230 mm voor het overbruggen van een verticale afstand van 460 mm wordt het aantal benodigde treden van 3 tot 2 teruggebracht).

Een vaste of beweegbare buitenliggende instaptrede mag tussen de treden maximaal 230 mm hoog zijn; de minimumdiepte moet 150 mm bedragen. Waar een opstap is aangebracht die een voortzetting van een deurdrempel tot buiten het voertuig is en er geen hoogteverschil tussen de opstap en de vloer van het voertuig bestaat wordt de opstap binnen het kader van deze specificatie niet als een trede beschouwd. Een minimaal hoogteverschil van maximaal 60 mm tussen de vloer van het balkon en de buitenkant van het voertuig voor het geleiden en afdichten van de deur is eveneens toegestaan en mag niet beschouwd worden als een trede.

De toegang tot het balkon van het voertuig mag maximaal 4 treden hebben; een daarvan mag extern zijn.

4.2.2.12.3.   Instaphulpmiddelen

4.2.2.12.3.1.   Algemeen

Instaphulpmiddelen moeten voldoen aan de inhoud van de volgende tabel:

Gebruik van het instaphulpmiddel

Niet rolstoeltoegankelijk

Toegankelijk voor rolstoelgebruikers en anderen

Uitsluitend rolstoeltoegankelijk

Instaphulpmiddel-categorie*

Beweegbare trede

Oprijplaat

Lift

Andere inrichting

Brug

Andere inrichting

 

Andere inrichting

 

Algemene vereisten volgens

categorie A

categorie A

categorie B

 

categorie B

 

4.2.2.12.3.2.   Beschikbaarheid van instaphulpmiddelen voor rolstoelgebruikers

Wanneer een rolstoelcompatibele deur van een trein open moet zijn aan het perron van een station met obstakelvrije routes volgens 4.1.2.3.1 moet een instaphulpmiddel ter beschikking worden gesteld om de afstand tussen de deur en het perron te overbruggen en een rolstoelgebruiker te laten in- of uitstappen, tenzij kan worden aangetoond dat de afstand tussen de rand van de deurdrempel en de rand van het perron horizontaal gemeten niet groter is dan 75 mm en verticaal gemeten niet groter is dan 50 mm.

De positie van de rand van het perron waarmee de instaphulpmiddelen van het rollend materieel overeenkomstig het voorgaande artikel compatibel zijn moet in het register van rollend materieel worden vermeld.

Wanneer de afstand tussen de stations met perrons die het rollend materieel op dezelfde lijn moet gebruiken niet groter is dan 30 km en deze over instaphulpmiddelen voor rolstoelgebruikers beschikken hoeft het rollend materieel zulke hulpmiddelen niet mee te voeren.

De verantwoordelijke infrastructuurbeheerder (of de stationsbeheerder(s), wanneer deze verantwoordelijk zijn) en de spoorwegonderneming moeten volgens verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europese Parlement en de Raan inzake de rechten en plichten van internationale treinreizigers overeenkomen wie verantwoordelijk is voor het verschaffen van instaphulpmiddelen. De infrastructuurbeheerder (of de stationsbeheerder(s)) en de spoorwegonderneming moeten in onderling overleg tot de meest praktische oplossing besluiten.

De overeenkomst moet bepalen:

op welke perrons de infrastructuurbeheerder of de stationsbeheerder een instaphulpmiddel moet verschaffen en voor welk rollend materieel dit moet worden ingezet,

op welke perrons de spoorwegonderneming een instaphulpmiddel moet verschaffen en voor welk rollend materieel dit moet worden ingezet,

het rollend materieel waarvoor de spoorwegonderneming een instijghulp moet verschaffen en op welk perron dit moet worden ingezet,

de specifieke voorschriften voor het laten stilstaan van de treinen teneinde te voldoen aan artikel 4.1.2.19 (plaats voor instaphulpmiddelen voor rolstoelgebruikers).

De spoorwegonderneming moet in haar veiligheidsbeheersysteem aangeven welke onder zulke overeenkomsten haar verplichtingen zijn en hoe zij daaraan zal voldoen.

De infrastructuurbeheerder moet in zijn veiligheidsbeheersysteem aangeven welke onder zulke overeenkomsten haar verplichtingen zijn en hoe zij daaraan zal voldoen.

In de voorgaande paragrafen wordt de stationsbeheerder die de perrons in beheer heeft volgens Richtlijn 91/440/EG, artikel 3, geacht de infrastructuurbeheerder te zijn: definitie van infrastructuur en verordening 2598/70/EG.

4.2.2.12.3.3.   Algemene vereisten categorie A —

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Het hulpmiddel moet berekend zijn op een geconcentreerde neerwaartse verticale belasting van 2 kN aan te leggen op een oppervlak van 100 × 200 mm op onverschillig welke plaats van de blootliggende trede zonder durende vervorming te veroorzaken;

Het hulpmiddel moet berekend zijn op een verdeelde neerwaartse verticale belasting van 4 kN per meter tredelengte zonder durende vervorming te veroorzaken.

De stabiliteit van het hulpmiddel moet met een geschikt mechanisme in de uitgestoken en ingetrokken stand gewaarborgd worden.

Het oppervlak van het hulpmiddel moet antislip zijn en een nuttige vrije lengte hebben die even groot is als de deuropening.

Het hulpmiddel moet zodanig zijn uitgevoerd dat de trede tot stilstand wordt gebracht wanneer de voorrand van het hulpmiddel in aanraking komt met een voorwerp of persoon.

De maximumkracht die het hulpmiddel ontwikkelt moet voldoen aan de volgende eisen:

De maximale kracht die het hulpmiddel in de openingsrichting ontwikkelt, mag een piek van 300 N bij het raken van een obstakel niet overschrijden.

Waar reizigers verondersteld worden op een verticaal beweegbaar hulpmiddel binnen het voertuig te staan mag de trede geen verticale kracht van = 150 N op een oppervlak met een diameter van 80 mm op enige positie van het tredeoppervlak uitoefenen.

Het hulpmiddel moet zijn uitgevoerd met een noodfunctie zodat het kan worden uitgestoken en opgeborgen bij stroomuitval.

4.2.2.12.3.4.   Algemene vereisten categorie B —

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Wanneer er op de stations instaphulpmiddelen aanwezig zijn dan moeten ze bemeten zijn voor rolstoelen met de kenmerken genoemd in bijlage M.

Het oppervlak van het hulpmiddel moet antislip zijn en een nuttige vrije breedte van minimaal 760 mm bezitten, met uitzondering van liften waarvoor 720 mm is toegestaan. Wanneer de plaat minder dan 900 mm breed is, moet deze aan beide kanten zijn uitgevoerd met opstaande randen om te voorkomen dat de wielen van het toestel van de plaat geraken.

Het instaphulpmiddel moet berekend zijn op een gewicht van tenminste 300 kg in het midden en verdeeld over een oppervlak van 660 × 660 mm.

4.2.2.12.3.5.   Specifieke vereisten voor beweegbare treden

Een beweegbare trede is een onderdeel van het voertuig dat automatisch tegelijk met het openen en sluiten van de deur wordt uitgestoken c.q. ingetrokken.

Beweegbare treden zijn toegestaan op voorwaarde dat zij voldoen aan het gekozen constructieprofiel van het rollend materieel volgens bijlage C van de TSI „Goederenwagons”.

Een beweegbare trede die in uitgestoken toestand buiten profiel is mag alleen worden gebruikt wanneer de trein stilstaat.

De beweegbare trede moet volledig uitgestoken zijn voor de deur geopend wordt; de trede mag pas worden ingetrokken wanneer de deur voor rolstoelgebruikers gesloten is.

4.2.2.12.3.6.   Specifieke vereisten voor verplaatsbare oprijplaten —

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Wanneer het hulpmiddel met de hand wordt bediend moet het veilig en met zo min mogelijk kracht gebruikt kunnen worden.

Elektrische instaphulpmiddelen moeten in geval van storing met de hand bediend kunnen worden. Handbediening moet te allen tijde de veiligheid van het personeel en de rolstoelgebruiker waarborgen.

Een hetzij meegevoerde, hetzij op het perron aanwezige oprijplaten moet hetzij door het personeel met de hand, hetzij halfautomatisch op mechanische wijze door het personeel of de reiziger op zijn plaats kunnen worden gebracht.

Oprijplaten moeten van het antisliptype zijn een nuttige vrije breedte van minimaal 760 mm bezitten.

Oprijplaten moeten aan beide kanten opstaande randen hebben om te voorkomen dat de wielen van de rolstoel over de rand geraken.

De opstaande randen moeten schuine kanten hebben en mogen niet hoger zijn dan 20 mm. Zij moeten worden uitgevoerd met contrasterende waarschuwingsstroken.

Oprijplaten moeten tijdens het gebruik vastgezet kunnen worden.

De berging van de oprijplaat moet zodanig zijn dat de plaat de rolstoel niet kan raken of bij plotseling remmen gevaar voor reizigers kan opleveren.

Oprijplaten moeten een maximumhelling van 10,2 graden (18 %) hebben. Bij een maximumhelling kan het zijn dat de reiziger hulp nodig heeft.

Subsysteemvereisten

De berging van de oprijplaat moet zodanig zijn dat de plaat de rolstoel niet kan raken of bij plotseling remmen gevaar voor reizigers kan opleveren.

4.2.2.12.3.7.   Specifieke vereisten voor halfautomatische oprijplaten —

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Een halfautomatische oprijplaat moet zodanig zijn uitgevoerd dat de trede niet bewegen kan wanneer de voorrand van de oprijplaat in aanraking komt met een voorwerp of persoon terwijl de plaat in beweging is.

Oprijplaten moeten een maximumhelling van 10,2 graden (18 %) hebben. Bij een maximumhelling kan het zijn dat de reiziger hulp nodig heeft.

Subsysteemvereisten

Een beveiliging moet voorkomen dat het voertuig zich in beweging kan zetten voor de halfautomatische oprijplaat geborgen is.

4.2.2.12.3.8.   Specifieke vereisten voor rolstoelbruggen —

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Een rolstoelbrug is een onderdeel van het voertuig die automatisch tegelijk met het openen en sluiten van de deur uitgestoken en neergelaten en geheven en ingetrokken wordt. In de neergelaten toestand rust de brug zonder steun op het perron.

4.2.2.12.3.9.   Specifieke vereisten voor meegevoerde liften —

Aan interoperabiliteitsonderdelen te stellen eisen

Een meegevoerde lift is een onderdeel van de deuropening en moet bediend worden door het personeel. Een lift moet het maximale hoogteverschil tussen de vloer van het voertuig en het stationsperron kunnen overbruggen.

Een meegevoerde lift moet aan de volgende eisen voldoen:

Uitklappen, dalen, heffen en inklappen van de lift moet een continue met de hand uit te oefenen druk vergen en mag geen aanleiding geven tot ongewenste bewegingen wanneer het hefplatform bezet is.

De lift moet uitgevoerd zijn met handbediening van alle bewegingen, ook geladen, wanneer de stroomvoorziening van de lift uitvalt.

In geladen toestand mag geen deel van de lift tijdens heffen en dalen sneller bewegen dan 150 mm/seconde; tenzij de lift met de hand wordt in- en uitgeklapt mag de bewegingssnelheid bij in- en uitklappen niet groter zijn dan 30 mm/seconde. In geladen toestand mag de horizontale en verticale versnelling van de hefplaat niet groter zijn dan 0,3 g.

De hefplaat moet zodanig zijn uitgevoerd dat de wielen van de rolstoel tijdens het gebruik van de lift niet van de plaat kunnen geraken.

Een beweegbare barrière of een ingebouwde beveiliging moet voorkomen dat een rolstoel aan de kant van het voertuig van de hefplaat kan rijden tot de lift zich in de volledig geheven stand bevindt.

Elke kant van de hefplaat die in de geheven stand buiten het voertuig steekt moet een barrière met een minimumhoogte van 25 mm hebben. Zulke barrières mogen niet beletten dat de rolstoel in of uit het middenpad gemanoeuvreerd kan worden.

De barrière aan de inrijkant, die als oprit dient wanneer de lift zich op de grond bevindt, moet voldoende zijn om in de geheven of gesloten stand te voorkomen dat een aangedreven rolstoel deze opent of er overheen rijdt; zoniet dan moet in een aanvullend systeem worden voorzien.

De rolstoel moet zowel met de voorkant als met de achterkant naar de trein in de lift kunnen worden gereden.

De berging van de lift moet zodanig zijn dat de lift de rolstoel niet kan raken of gevaar voor reizigers kan opleveren.

Met de lift in de geborgen positie moet de deuropening een nuttige minimumbreedte van 800 mm bezitten.

Subsysteemvereisten

De lift moet zodanig zijn ontworpen dat het voertuig niet bewogen kan worden wanneer de lift niet geborgen is.

4.2.3.   Functionele en technische specificaties van de raakvlakken

Gezien het feit dat de TSI's voor conventioneel rollend materieel en conventionele infrastructuur op dit ogenblik nog niet bestaan staat dit hoofdstuk ter discussie.

Er bestaan geen raakvlakken met het subsysteem „Besturing en seingeving”.

De raakvlakken met het subsysteem „Exploitatie” worden beschreven in hoofdstuk 4.1.4 „Bedrijfsvoorschriften”.

4.2.4.   Bedrijfsvoorschriften

De volgende bedrijfsvoorschriften met betrekking tot de Rollend materieel hoeven niet gekeurd te worden.

Deze TSI specificeert geen evacuatievoorschriften, maar bepaalt uitsluitend de technische eisen. Het doel van technische eisen ten aanzien van rollend materieel is, het evacueren van alle reizigers met inbegrip van personen met beperkte mobiliteit te vergemakkelijken.

In het licht van de essentiële eisen van hoofdstuk 3 en het technische toepassingsgebied bepaald in artikel 1.1 luiden de bedrijfsvoorschriften voor het subsysteem „Rollend materieel” voor wat deze TSI betreft, als volgt:

Algemeen

De spoorwegonderneming moet over duidelijke voorschriften beschikken die waarborgen dat alle categorieën personen met beperkte mobiliteit overeenkomstig de technische eisen van deze TSI tijdens diensturen toegang tot het rollend materieel hebben. Daarnaast moeten deze voorschriften stroken met die van de infrastructuurbeheerder of de stationsbeheerder (zie artikel 4.2.4). Deze voorschriften moeten ten uitvoer worden gelegd middels duidelijke informatie van personeel, procedures en training. Het beleid ten aanzien van rollend materieel moet bedrijfsvoorschriften omvatten voor de onderstaande situaties maar mogen daartoe niet beperkt zijn:

Toewijzen van gereserveerde zitplaatsen

Er bestaan voor gereserveerde zitplaatsen twee mogelijkheden: i) ze zijn niet besproken ii) ze zijn wel besproken (zie artikel 4.2.2.2.1). In geval i) richten de bedrijfsvoorschriften zich tot de valide reizigers (d.m.v. signalisatie) met het verzoek, personen met beperkte mobiliteit van alle categorieën die recht hebben op deze zitplaatsen voorrang te geven en eventueel hun plaats aan deze personen af te staan. In geval ii) moet de spoorwegonderneming de bedrijfsvoorschriften ten uitvoer leggen en er voor zorgen dat het reserveringsysteem billijk is ten aanzien van personen met beperkte mobiliteit. In de voorschriften moet worden bepaald dat gereserveerde zitplaatsen voor personen met beperkte mobiliteit alleen bespreekbaar zijn tot een bepaalde tijd voor het vertrek. Tevens moet het personen met beperkte mobiliteit mogelijk zijn een plaats voor een geleidehond en een zitplaats voor zichzelf te reserveren. Wanneer de reserveringstermijn verstreken is, mogen de zitplaatsen worden toegewezen aan zowel valide als mindervalide reizigers.

Vervoer van geleidehonden

Voor het vervoer van geleidehonden mogen geen extrakosten in rekening worden gebracht.

Toewijzen van rolstoelplaatsen

De regels voor het toewijzen van gereserveerde plaatsen gelden ook voor rolstoelplaatsen (zie artikel 4.2.2.3) met dien verstande dat rolstoelgebruikers daar alleen voor in aanmerking komen. Daarnaast moeten de bedrijfsvoorschriften voorzien in i) gereserveerde en ii) niet-gereserveerde plaatsen voor valide begeleidende personen naast of tegenover de rolstoelplaats. Opklapbare zitplaatsen kunnen dienen om van rolstoelplaatsen universele plaatsen te maken.

Toewijzing van universele slaapruimten

De bovenstaande regels voor het toewijzen van zitplaatsen gelden eveneens voor het toewijzen van slaapruimten (zie artikel 4.2.2.3). Niettemin moeten de bedrijfsvoorschriften voorkomen dat universele slaapruimten die niet besproken zijn in beslag kunnen worden genomen (d.w.z. dat alle slaapruimten van te voren besproken moeten worden).

Alarmmeldingen uit rolstoelruimten

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in geëigende reacties van het treinpersoneel bij een alarmmelding afkomstig uit een rolstoelruimte (zie 4.2.2.3).

Bediening van de buitendeuren door het treinpersoneel

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in een procedure voor het openen en sluiten van de buitendeuren die de veiligheid van alle reizigers met inbegrip van personen met beperkte mobiliteit waarborgen (zie artikel 4.2.2.4.1).

Alarmmeldingen uit universele toiletten

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in geëigende reacties van het treinpersoneel bij een alarmmelding afkomstig uit een universeel toilet (zie 4.2.2.6.3).

Gesproken veiligheidsinstructies in noodgevallen

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in het omroepen van veiligheidsinstructies in noodgevallen (zie artikel 4.2.8.1). De voorschriften moeten de aard en de wijze van overdracht van de instructies behelzen.

Visuele informatie — Uitsluiting van reclame

De bedrijfsvoorschriften moeten voorkomen dat de aandacht van de reizigers van visuele informatie door reclame wordt afgeleid (zie artikel 4.2.2.8.2). Plaats, afmetingen en verlichting van de reclame moeten aan voorschriften gebonden zijn.

Automatische informatiesystemen — Handmatige correctie van onjuiste of misleidende informatie

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in de goedkeuring en de correctie door het treinpersoneel van onjuiste automatische meldingen (zie artikel 4.2.2.8).

Voorschriften voor het aankondigen van bestemming en volgend station

De bedrijfsvoorschriften moeten waarborgen dat het volgende station niet later dan 2 minuten voor aankomst wordt aangekondigd (zie artikel 4.2.2.8).

Taalkeuze voor aankondigingen in de treinen

De aankondigingen in de treinen mogen van tevoren opgenomen zijn of door het treinpersoneel worden waargenomen. De bedrijfsvoorschriften moeten in beide gevallen aan de hand van de landsaard van de reizigers bepalen welke taal voor de aankondigingen gebruikt moet worden (zie artikel 4.2.2.8).

Alarmmelders in slaapcoupés

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in geëigende reacties van het treinpersoneel bij een alarmmelding afkomstig uit een slaapcoupé (zie 4.2.2.11).

Regels voor treinsamenstelling met inachtneming van de plaats van instaphulpmiddelen op de perrons

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in flexibele treinsamenstellingen om de treinen te kunnen doen stoppen op een plaats waar instaphulpmiddelen veilig gebruikt kunnen worden.

Veiligheid van handbediende of aangedreven instaphulpmiddelen

De bediening van instaphulpmiddelen door trein- en stationspersoneel moet aan voorschriften gebonden zijn. Handbediende instaphulpmiddelen moeten met zo min mogelijk kracht door het personeel bediend kunnen worden. Bij aangedreven instaphulpmiddelen moet het mogelijk zijn deze in geval van stroomstoring met de hand te bedienen. Met name het gebruik van de beweegbare veiligheidsbarrière van rolstoelliften door trein- of stationspersoneel moet in de voorschriften zijn opgenomen.

De bedrijfsvoorschriften moeten waarborgen dat het personeel in staat is rolstoelliften veilig te bedienen (uit- en inklappen, heffen, dalen en wegbergen).

Hulp aan rolstoelgebruikers

De voorschriften moeten waarborgen dat het personeel bekend is met het feit dat rolstoelgebruikers bij het in- en uitstappen hulp nodig kunnen hebben en in staat zijn, deze hulp waar nodig te verlenen.

Het kan voorkomen dat rolstoelgebruikers zulke hulp van tevoren moeten reserveren.

Perron — Rolstoelbruggebied

De spoorwegonderneming en de infrastructuurbeheerder dan wel de stationsbeheerder moeten in onderling overleg overeenkomen op welk gedeelte van het perron instaphulpmiddelen voor minder validen gebruikt zullen worden. Zij moeten kunnen aantonen dat de gekozen plaats hiervoor geschikt is. Dit gedeelte moet compatibel zijn met andere perrons waar de trein kan stoppen.

Hieruit volgt dat de plaats waar de trein tot stilstand wordt gebracht in sommige gevallen aan deze eis zal moeten worden aangepast.

De bedrijfsvoorschriften moeten rekening houden met veranderingen van treinsamenstelling (zie artikel 4.1.2.19) en wel zo, dat de plaats waar de treinen tot stilstand worden gebracht bepaald kan worden aan de hand van de rolstoelgebieden.

Handbediening van beweegbare treden

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in het handmatig bergen of gebruiken van beweegbare treden in geval van stroomstoring.

Vervoer van kinderwagens

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in het vervoer van kinderwagens.

Vervoer van bagage

De bedrijfsvoorschriften moeten voorzien in het vervoer van bagage.

Gecombineerd gebruik van rollend materieel dat wel en niet aan de eisen van de TSI „Personen met beperkte mobiliteit” voldoet

Wanneer een trein moet worden samengesteld uit rollend materieel dat deels wel en deels niet aan deze TSI voldoet moeten de bedrijfsvoorschriften waarborgen dat de trein minimaal twee rolstoelplaatsen biedt. Tevens moet gewaarborgd zijn dat — indien de trein universele toiletten heeft — deze toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers.

Bij dit soort treincombinaties moeten de bedrijfsvoorschriften voorzien in visuele en auditieve reisinformatie op alle voertuigen.

Het is onvermijdelijk dat dynamische informatiesystemen en alarmmelders in rolstoelruimten en universele toiletten bij dit soort combinaties niet volledig functioneel kunnen blijken.

Het samenstellen van treinen uit afzonderlijke voertuigen die elk voldoen aan de eisen van de TSI „Personen met beperkte mobiliteit”.

Wanneer een trein wordt samengesteld uit voertuigen die apart zijn gekeurd volgens artikel 6.2.7 moeten de bedrijfsvoorschriften waarborgen dat de trein als zodanig voldoet aan alle relevante eisen van artikel 4.2 van deze TSI.

4.2.5.   Onderhoudsvoorschriften

In het licht van de essentiële eisen van hoofdstuk 3 en het technische toepassingsgebied bepaald in artikel 1.1 luiden de onderhoudsvoorschriften voor het subsysteem „Rollend materieel” voor wat deze TSI betreft, als volgt:

Wanneer een faciliteit voor personen met beperkte mobiliteit defect raakt (met inbegrip van tactiele symbolen) moet de spoorwegonderneming deze binnen 6 werkdagen na melding van het defect repareren of vervangen.

4.2.6.   Beroepskwalificaties

De beroepskwalificaties van het personeel belast met de exploitatie van het subsysteem „Rollend materieel” luiden ingevolge het technische toepassingsgebied als gedefinieerd in artikel 1.1 en artikel 4.2.4 (Bedrijfsvoorschriften) en voor wat deze TSI betreft, als volgt:

De professionele scholing van het treinbegeleidend personeel, stationspersoneel dat hulp en diensten verleend dan wel belast is met de verkoop van vervoersbewijzen moet waarborgen dat het zich bewust is van de gelijkgerechtigdheid van alle categorieën van personen met beperkte mobiliteit alsook van hun specifieke behoeften.

De professionele scholing van technici en managers belast met het onderhoud en de exploitatie van de treinen moet waarborgen dat zij zich bewust zijn van de gelijkgerechtigdheid van alle categorieën van personen met beperkte mobiliteit alsmede van hun specifieke behoeften.

4.2.7.   Gezondheid en veiligheid

Er zijn noch specifieke eisen vallende onder het toepassingsgebied van deze TSI met betrekking tot gezondheid en veiligheid van personeel belast met de exploitatie van het subsysteem „Rollend materieel”, noch met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze TSI.

4.2.8.   Register van rollend materieel

De aan het Register van rollend materieel te stellen eisen luiden als volgt:

Het Register van rollend materieel moet de volgende algemene gegevens van elke type rollend materieel bevatten:

Een algemene beschrijving van het type rollend materieel (met inbegrip van de maximale dienstsnelheid en het aantal vaste zitplaatsen);

De spoorwegonderneming of de eigenaar die het rollend materieel in exploitatie heeft;

De lidstaat die het rollend materieel voor de doeleinden van deze TSI heeft goedgekeurd;

Het klassenummer en nummers van individuele rijtuigen;

De constructeur van het rollend materieel;

De datum van indienststelling voor openbaar reizigersvervoer;

De lijnen waarop het rollend materieel mag worden ingezet;

De datum van de verklaring van overeenstemming met de eisen van deze TSI van het rollend materieel;

De naam van de aangewezen instantie die het certificaat van conformiteit heeft afgegeven;

De treinconfiguraties van het rollend materieel bij exploitatie volgens deze TSI.

Daarnaast moeten voor elk rijtuig de volgende eigenschappen worden opgegeven en beschreven ten aanzien van de relevante artikelen van de TSI, en wel als volgt:

Het aantal gereserveerde zitplaatsen volgens artikel 4.2.2.2;

Het aantal rolstoelplaatsen volgens artikel 4.2.2.3;

Het aantal toiletten volgens artikel 4.2.2.6;

Het aantal rolstoeltoegankelijke slaapruimten volgens artikel 4.2.2.11;

De vloerhoogte en de positie van alle treden voor in- en uitstappen volgens artikel 4.2.2.12.1, 4.2.2.12.2 en 4.2.2.12.3;

De perronhoogten (met inbegrip van eventuele specifieke gevallen) waarmee het rollend materieel volgens artikel 4.2.2.12.1 compatibel moet zijn;

De beschrijving van meegevoerde instaphulpmiddelen volgens artikel 4.2.2.12.4;

De beschrijving van verplaatsbare instijgmiddelen die onder normale omstandigheden worden meegevoerd volgens artikel 4.2.2.12.4.

Waar landelijke voorschriften de conformiteit met deze TSI waarborgen moet melding worden gemaakt van de betreffende regels en artikelen voor elke eis.

Bij wijziging van de lidstaat van registratie dient de inhoud van het register van rollend materieel voor de desbetreffende wagen door de oorspronkelijke lidstaat van registratie te worden overgedragen aan de nieuwe lidstaat van registratie.

De gegevens uit het register van rollend materieel zijn bestemd voor:

De lidstaat, om te bevestigen dat het rollend materieel voldoet aan de eisen van deze TSI;

De infrastructuurbeheerder, om te bevestigen dat het rollend materieel geschikt is voor de infrastructuur waarop het dient te gaan rijden;

De spoorwegonderneming, om te bevestigen dat het rollend materieel geschikt is voor zijn verkeerseisen.

4.3.   Definities van de in dit document gebruikte termen

Met de handpalm bediend

Met de handpalm bediend wil zeggen dat het betreffende toestel met de handpalm of enig ander deel van de hand bediend moet kunnen worden zonder de hand te openen. Dit voorkomt dat bijvoorbeeld artrosepatiënten het toestel met één vingertop moeten bedienen, wat ze eventueel niet zouden kunnen of waarbij ze hevige pijn zouden kunnen ondervinden. Velen kunnen hiertoe de hand niet openen.

Contrast

Contrast is de mate waarin één kleur zich onderscheidt van zijn achtergrond. Het kleurverschil wordt bepaald door de mate waarin de kleuren licht weerkaatsen, de tint en de chromatische waarde van elke kleur.

In het kader van deze TSI moet contrast worden afgemeten aan de lichtreflectiewaarde, maar mag verbeterd worden door de kleurtint en de kleurwaarde aan te passen.

De lichtreflectiewaarde van twee contrasterende oppervlakken wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Formula

K

=

contrast

L0

=

de lichtreflectiewaarde van het voorwerp.

Lh

=

licht reflectiewaarde van de achtergrond of het aangrenzende oppervlak.

Wanneer in deze TSI contrast wordt voorgeschreven moet de minimumwaarde van K 0,3 bedragen.

L is de sterkte van het weerkaatste licht dat door een element van het oppervlak in een gegeven richting wordt afgestraald gedeeld door het oppervlak van dat element dat in dezelfde richting wordt gestraald.

Een combinatie van rood en groen mag voor contrastwerking niet gebruikt worden.

Metingen van de lichtreflectiewaarde moeten voldoen aan landelijke of internationale normen.

Het contrastniveau van een kleurtint wordt bepaald door de nabijheid van de twee kleuren in het kleurenspectrum; twee kleuren die zich in het spectrum dicht bij elkaar bevinden contrasteren minder dan kleuren die verder van elkaar liggen.

De kleurwaarde is een maat voor kleurintensiteit en kleurverzadiging. Hoe groter de kleurverzadiging, des te groter de kleurintensiteit.

Eerste trede

Met „Eerste trede” wordt de trede van een voertuig bedoeld die wordt gebruikt om in of uit dat voertuig te stappen. Dit is gewoonlijk de trede die zich het dichtst bij de perronrand bevindt. De eerste trede kan een vaste of een beweegbare trede zijn.

Antislip

Een antislipoppervlak is een oppervlak dat ruw genoeg of zodanig is uitgevoerd dat de wrijving tussen een schoenzool of een mobiliteitshulpmiddel en dat oppervlak — nat of droog — van een acceptabel niveau blijft.

Er bestaat geen universeel systeem voor het bepalen van het wrijvingscoëfficiënt voor antislipvloeren.

Voor rollend materieel is het voldoende aan te tonen dat het statische wrijvingscoëfficiënt van een antislipoppervlak en een rubber zool minimaal 0,35 bedraagt wanneer dat oppervlak met schoon water is natgemaakt. Hiervoor mag een landelijk of internationaal erkende testmethode worden gebruikt. Het soort rubber dat in de test is gebruikt moet bij de testresultaten worden vermeld en moet representatief zijn voor de rubberzolen die meestal in de Europese Gemeenschap worden gebruikt.

Voor infrastructuur zijn de landelijke voorschriften ten aanzien van vloeren van toepassing.

Tactiele symbolen en tactiele bedieningshulpmiddelen

Tactiele symbolen en tactiele bedieningshulpmiddelen zijn voorzien van reliëfpictogrammen, reliëfletters of Brailleletters. Pictogrammen, letters en cijfers moeten 0,5 mm boven het oppervlak uitsteken. Ze mogen niet gegraveerd zijn en moeten rechte randen hebben (dus niet afgerond of scherp).

De tussenruimte tussen de tekens en pictogrammen moet zodanig zijn dat beide kanten van het teken of pictogram tegelijkertijd betast worden.

De minimumhoogte van de letter of het cijfer moet 15 mm bedragen.

Voor Brailletekens moet de nationale Braillenorm worden gehanteerd. De Braillepunt moet koepelvormig zijn. Voor enkele woorden moet eerstegraads Braille met een localisator worden gebruikt.

Stationsbeheerder

De stationsbeheerder is verantwoordelijk voor de dagelijkse werkzaamheden op een station. Deze functie kan worden vervuld door de spoorwegonderneming, de infrastructuurbeheerder of een andere instantie.

Veiligheidsinformatie

Veiligheidsinformatie verschaft de reiziger richtlijnen voor noodgevallen.

Veiligheidsinstructies

Veiligheidsinstructies zijn opdrachten voor noodgevallen.

Rolstoelpad

Een rolstoelpad is een vrije doorgang met de afmetingen van een referentierolstoel.

Overloopbrug

De verbinding tussen twee rijtuigen.

5.   INTEROPERABILITEITSONDERDELEN

5.1.   Definitie

Volgens artikel 2, lid d, van Richtlijn 2001/16/EG zijn als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG zijn interoperabiliteitsonderdelen „basiscomponenten, groepen van componenten, delen van een samenstel of een volledig samenstel van materieel, deel uitmakend of bestemd om deel uit te maken van een subsysteem en waarvan de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem direct of indirect afhankelijk is. Het begrip onderdeel dekt niet alleen materiele, maar ook immateriële objecten, zoals programmatuur.”

5.2.   Innovatieve oplossingen

Zoals reeds aangegeven in artikel 4 van deze TSI kunnen voor innovatieve oplossingen nieuwe specificaties en/of beoordelingsmethoden vereist zijn. Deze specificaties en beoordelingsmethoden dienen te worden ontwikkeld in het kader van het proces dat is omschreven in artikel 6.1.3.

5.3.   Lijst van interoperabiliteitsonderdelen

Op interoperabiliteitsonderdelen zijn de relevante bepalingen van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG van toepassing. Dit betreft de volgende onderdelen:

5.3.1.   Infrastructuur

De volgende onderdelen worden beschouwd als interoperabiliteitsonderdelen:

 

Apparatuur voor het verstrekken van visuele informatie aan reizigers

 

Instaphulpmiddelen

 

Drukknoppen

 

Luiertafels

 

Tactiele bewegwijzering

 

Ticketautomaten

5.3.2.   Rollend materieel

De volgende onderdelen worden beschouwd als interoperabiliteitsonderdelen:

 

Standaard- en universele toiletten

 

Apparatuur voor het verstrekken van visuele en auditieve informatie

 

Alarmmelders ten behoeve van reizigers

 

Instaphulpmiddelen

 

Drukknoppen

 

Luiertafels

 

Visuele en tactiele bewegwijzering

5.4.   Prestaties en specificaties van interoperabiliteitsonderdelen

5.4.1.   Infrastructuur

Karakteristieken waaraan moet worden voldaan zijn vermeld in de relevante artikelen van hoofdstuk 4.1 hieronder.

 

Apparatuur voor het verstrekken van visuele informatie aan reizigers (4.1.2.11.2 en bijlage N.)

 

Instaphulpmiddelen (4.1.2.21.2)

 

Tactiele drukknoppen (4.1.2.4)

 

Luiertafels (4.1.2.7.2)

 

Tactiele bewegwijzering (4.1.2.11)

 

Ticketautomaten (4.1.2.9.2)

5.4.2.   Rollend materieel:

Karakteristieken waaraan moet worden voldaan zijn vermeld in de relevante artikelen van hoofdstuk 4.2 hieronder.

 

Toiletten (4.2.2.6)

 

Apparatuur voor het verstrekken van visuele informatie aan reizigers (4.2.2.8.3 en bijlage N.)

 

Alarmmelders ten behoeve van reizigers:

Alarmmelders moeten met de handpalm te bedienen zijn en mogen daartoe een kracht van 30 N niet overschrijden.

Instaphulpmiddelen (4.2.2.12.3)

 

Drukknoppen:

Drukknoppen moeten bediend kunnen worden met een kracht die 15 Newtons niet mag overschrijden.

 

Luiertafels (4.2.2.6.3.2)

 

Visuele en tactiele bewegwijzering (4.2.2.8.1, 4.2.2.8.2 en Bijlage N)

6.   BEOORDELING VAN CONFORMITEIT EN/OF GESCHIKTHEID VOOR GEBRUIK

6.1.   Interoperabiliteitsonderdelen

6.1.1.   Conformiteitsbeoordeling (algemeen)

De fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde stelt overeenkomstig artikel 13, lid 1, en punt 3 van bijlage IV van Richtlijn 2001/16/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor het gebruik op voordat het interoperabiliteitsonderdeel in de handel wordt gebracht.

De conformiteitskeuring van een interoperabiliteitsonderdeel moet worden uitgevoerd met de volgende modulen (deze zijn beschreven in bijlage F van deze TSI):

Modulen voor interoperabiliteitsonderdelen:

Moduul A: Interne productiecontrole (ontwerp, ontwikkeling en productie)

Moduul A1: Interne ontwerpcontrole met productkeuring (ontwerp, ontwikkeling en productie)

Moduul B: Typegoedkeuringsprocedure voor de ontwerp- en ontwikkelingsfasen

Moduul C: Typeconformiteit voor de productiefase

Moduul D: Productkwaliteitsborgingsysteem

Moduul F: Productkeuring

Moduul H1: Totale kwaliteitsborging met toetsing van de ontwerp-, ontwikkelings- en productiefasen

Moduul H2: Totale kwaliteitsborging met toetsing van de ontwerp-, ontwikkelings- en productiefasen

Moduul V: Proefondervindelijke typekeuring (Geschiktheid voor het gebruik)

Wanneer de medewerking van een aangewezen instantie voor een moduul vereist is

Procedures en strekking van de keuring moeten bepaald worden in overleg tussen aanvrager, zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde en de aangewezen Instantie en moeten voldoen aan de eisen van deze TSI.

Voor elk interoperabiliteitsonderdeel moet de door de fabrikant gekozen aangewezen instantie gemachtigd zijn om:

de interoperabiliteitsonderdelen van het subsysteem „Rollend materieel” en/of de interoperabiliteitsonderdelen van het subsysteem „Infrastructuur” te keuren.

6.1.2.   Overeenstemmingsbeoordelingsprocedures (modulen)

De beoordeling van de overeenstemming heeft betrekking op de fasen en karakteristieken die in tabel D1 van bijlage D van deze TSI zijn aangekruist. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet een van de modulen (of een combinatie van modulen) uit tabel 16 kiezen.

Tabel 16

Keuringsprocedures

Artikel

Te keuren onderdelen

Moduul A

Moduul A1 (3)

Moduul B+C

Moduul B+D

Moduul B+F

Moduul H1 (3)

Moduul H2

4.1.2.11.2

en

4.1.2.12.2

Apparatuur voor het verstrekken van visuele informatie aan reizigers

 

X

X

X

 

X

X

4.1.2.21.2

Instaphulpmiddelen

 

X

 

X

X

X

X

4.1.2.4

Tactiele drukknoppen

X

 

X

 

 

X

 

4.1.2.7.2

Luiertafels

X

 

X

 

 

X

 

4.1.2.11

Tactiele bewegwijzering

X

 

X

 

 

X

 

4.1.2.9.2

Ticketautomaten

X

 

X

 

 

X

 

4.2.2.6

Toiletten

 

X

X

X

 

X

X

4.2.2.8

Apparatuur voor het verstrekken van visuele informatie aan reizigers

 

X

X

X

 

X

X

4.2.2.3,

4.2.2.6 en

4.2.2.11

Alarmmelders ten behoeve van reizigers

X

 

X