Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EG) nr. 1319/2007 van de Commissie van 9 november 2007 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad, wat betreft het gebruik van diervoeders van percelen die zich in het eerste jaar van de omschakeling naar de biologische landbouw bevinden

OJ L 293, 10.11.2007, p. 3–4 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

10.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 293/3


VERORDENING (EG) Nr. 1319/2007 VAN DE COMMISSIE

van 9 november 2007

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad, wat betreft het gebruik van diervoeders van percelen die zich in het eerste jaar van de omschakeling naar de biologische landbouw bevinden

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 13, tweede streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 dient het vee voornamelijk te worden gevoederd met op het eigen bedrijf geproduceerde diervoeders en moet ervoor worden gezorgd dat herbivoren ruim gebruik kunnen maken van weidegronden. Om aan die voorschriften te kunnen voldoen, breiden biologische landbouwers hun bedrijf met name uit door percelen weidegrond en blijvende voedergewassen te kopen of te pachten.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2092/91 moet aangekochte en gepachte niet-biologische grond een omschakelingsperiode doormaken vóór deze als biologisch kan worden beschouwd. Diervoeders die tijdens het eerste omschakelingsjaar worden verkregen, worden niet beschouwd als omschakelingsdiervoeders en kunnen in de conventionele landbouw slechts moeilijk worden verkocht aangezien de markt voor dergelijke niet-biologische blijvende voedergewassen zeer klein is.

(3)

Het vervoederen van niet-biologisch geproduceerde diervoeders aan herbivoren is na 31 december 2007 niet meer in overeenstemming met bijlage I, deel B, punt 4.8, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91. Na die datum wordt het moeilijk te voldoen aan voorschriften inzake het voortzetten van de begrazing of het gebruik van gekochte of gepachte grond voor het eigen bedrijf tijdens het eerste jaar van de omschakeling naar de biologische landbouw.

(4)

Daarom moet worden toegestaan dat in het voederrantsoen een bepaald percentage diervoeders wordt verwerkt die zijn verkregen van percelen die zich in het eerste omschakelingsjaar bevinden.

(5)

Verordening (EEG) nr. 2092/91 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In deel B van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt punt 4.4 vervangen door:

„4.4.

Tot en met 31 december 2008 mag gemiddeld maximaal 50 % van het voederrantsoen uit omschakelingsdiervoeders bestaan. Dit aandeel mag tot 80 % worden verhoogd indien de omschakelingsdiervoeders afkomstig zijn van een eenheid van het eigen bedrijf.

Met ingang van 1 januari 2009 mag gemiddeld maximaal 30 % van het voederrantsoen uit omschakelingsdiervoeders bestaan. Dit aandeel mag tot 60 % worden verhoogd indien de omschakelingsdiervoeders afkomstig zijn van een eenheid van het eigen bedrijf.

Het begrazen of de oogst van percelen blijvende voedergewassen of blijvend grasland die zich in het eerste omschakelingsjaar bevinden, mag maximaal 20 % van de totale gemiddelde hoeveelheid van de aan het vee vervoederde diervoeders vormen, op voorwaarde dat deze percelen van het eigen bedrijf zijn en tijdens de laatste vijf jaar geen deel hebben uitgemaakt van een biologische eenheid van dat bedrijf. Wanneer gebruik wordt gemaakt van zowel omschakelingsdiervoeders als diervoeders afkomstig van percelen die zich in het eerste omschakelingsjaar bevinden, mag het totale percentage van die diervoeders samen niet hoger zijn dan de in de eerste en de tweede alinea vastgestelde maximumpercentages.

Deze percentages worden jaarlijks berekend als procent droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 november 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2007 van de Commissie (PB L 181 van 11.7.2007, blz. 10).


Top