Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EG) nr. 829/2007 van de Commissie van 28 juni 2007 tot wijziging van de bijlagen I, II, VII, VIII, X en XI bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het in de handel brengen van bepaalde dierlijke bijproducten (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 191, 21.7.2007, p. 1–99 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

21.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 191/1


VERORDENING (EG) Nr. 829/2007 VAN DE COMMISSIE

van 28 juni 2007

tot wijziging van de bijlagen I, II, VII, VIII, X en XI bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het in de handel brengen van bepaalde dierlijke bijproducten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (1), en met name op artikel 28, tweede alinea, artikel 29, lid 3, eerste alinea, en artikel 32, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1774/2002 bevat veterinairrechtelijke en gezondheidsvoorschriften voor de invoer in en doorvoer door de Gemeenschap van bepaalde dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten. Die verordening bevat algemene hygiënevoorschriften voor de verwerking van materiaal van de categorieën 1, 2 en 3, alsmede voorschriften voor het in de handel brengen van die dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten, met inbegrip van modellen van gezondheidscertificaten voor de invoer ervan in de Gemeenschap.

(2)

In verband met de dreiging van insleep van de kleine bijenkastkever in de Gemeenschap, die op dit moment vrij is van die parasiet, moeten er voorschriften worden vastgesteld voor de invoer van bijenwas voor technisch gebruik en moet de definitie van producten van de bijenteelt in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 worden gewijzigd. De desbetreffende definitie in bijlage I bij die verordening, de invoervoorschriften in bijlage VIII, hoofdstuk IX, en het model van het gezondheidscertificaat in bijlage X, hoofdstuk 13, bij die verordening moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Bijlage II, hoofdstuk X, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 bevat een model van een handelsdocument waarvan dierlijke bijproducten en verwerkte producten tijdens het vervoer vergezeld moeten gaan. Met het oog op een betere traceerbaarheid van huiden tijdens het vervoer moet dat model worden gewijzigd. Bijlage II bij die verordening moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (2) is van toepassing op de productie en het in de handel brengen van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong. Die verordening verbiedt het vervoederen van verwerkte dierlijke eiwitten aan landbouwhuisdieren die worden gehouden, vetgemest of gefokt voor de productie van voedingsmiddelen.

(5)

Onder handhaving van dat verbod van Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten voor verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn uit varkensbloed, minder strenge verwerkingsnormen gelden dan verwerkingsmethode 1 die overeenkomstig bijlage VII, hoofdstuk II, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 nu als enige is toegestaan, aangezien er geen wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat via varkens TSE’s kunnen worden overgedragen. Wel moet met het oog op de volksgezondheid en de diergezondheid een minimumtemperatuur voor de verwerking van varkensbloed worden voorgeschreven. Bijlage VII, hoofdstuk II, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Volgens bijlage VIII, hoofdstuk II, onder A, punt 1, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 mogen delen van geslachte dieren die geschikt zijn verklaard voor menselijke consumptie, maar om commerciële redenen niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, in de Gemeenschap voor de productie van rauw voeder voor gezelschapsdieren worden gebruikt. Delen van geslachte dieren die ongeschikt zijn verklaard voor menselijke consumptie, maar die geen symptomen van op mens of dier overdraagbare ziekten vertonen, blijken ook veilig te kunnen worden gebruikt in voeder voor gezelschapsdieren. Bijlage VIII, hoofdstuk II, onder A, punt 1, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd en hetzelfde geldt voor bijlage VIII, hoofdstuk XI, bij die verordening, dat de desbetreffende voorschriften voor invoer in de Gemeenschap bevat.

(7)

In de bestaande modellen van gezondheidscertificaten voor de invoer van huiden in de Gemeenschap moeten enkele technische wijzigingen worden aangebracht. Voor de duidelijkheid moeten de specifieke voorschriften voor die producten in bijlage VIII, hoofdstuk VI, en de modellen van gezondheidscertificaten in bijlage X, hoofdstukken 5 (A), 5 (B) en 5 (C), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar wetenschappelijke advies over de diergezondheids- en dierenwelzijnsaspecten van aviaire influenza van 13 en 14 september 2005 geconcludeerd dat veren een behandeling moeten ondergaan voordat zij in de handel gebracht worden, om het risico van verspreiding van aviaire influenza te beperken. Bijlage VIII, hoofdstuk VIII, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 bevat permanente communautaire maatregelen betreffende het in de handel brengen en de invoer van veren. Gezien het bovengenoemde advies en de huidige epizoötiologische situatie met betrekking tot aviaire influenza in de wereld moeten de desbetreffende communautaire maatregelen voor de invoer van veren en de behandeling daarvan voordat zij worden ingevoerd, worden gewijzigd. Bijlage VIII bij die verordening moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Het gezondheidscertificaat in bijlage X, hoofdstuk 1, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 voor de invoer in de Gemeenschap van niet voor menselijke consumptie bestemde verwerkte dierlijke eiwitten alsmede producten, met uitzondering van voeder voor gezelschapsdieren, die dergelijke eiwitten bevatten, moet dienovereenkomstig worden gewijzigd, zodat voor derde landen en voor de Gemeenschap gelijkwaardige verwerkingsopties gelden. Bijlage X, hoofdstuk 1, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

Bijlage X, hoofdstuk 3 (B), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 bevat het model van het gezondheidscertificaat voor de invoer in de Gemeenschap van verwerkt voeder voor gezelschapsdieren, met uitzondering van blikvoeder voor gezelschapsdieren. Steeds vaker blijkt verwerkt voeder voor gezelschapsdieren in derde landen te worden geproduceerd door menging van verwerkte bestanddelen die elk op zich al overeenkomstig de voorschriften van die verordening zijn behandeld. Warmtebehandeling van die bestanddelen zou hun voedingseigenschappen nadelig kunnen beïnvloeden. Daarom moet de invoer in de Gemeenschap van verwerkt voeder voor gezelschapsdieren dat uit dergelijke veilige bestanddelen bestaat, worden toegestaan en moet het model van het gezondheidscertificaat in bijlage X, hoofdstuk 3 (B), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Volgens Verordening (EG) nr. 1774/2002 mogen bepaalde dierlijke bijproducten die bestemd zijn voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren, ook in de Gemeenschap worden ingevoerd als zij materiaal bevatten afkomstig van dieren die met bepaalde verboden stoffen zijn behandeld. De invoer in de Gemeenschap van verwerkt voeder voor gezelschapsdieren, hondenkluiven en smaakgevende ingewanden die dergelijk materiaal bevatten, is momenteel echter niet toegestaan. Aangezien het gezondheidsrisico bij de invoer van dergelijk materiaal voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren in de Gemeenschap niet groter zal zijn dan wanneer dat materiaal een bestanddeel is van ingevoerde verwerkte voeders voor gezelschapsdieren, hondenkluiven en smaakgevende ingewanden, moet de invoer in de Gemeenschap van die verwerkte producten met dergelijk materiaal ook worden toegestaan. Daarom moeten de modellen van gezondheidscertificaten in bijlage X, hoofdstukken 3 (A), 3 (B), 3 (C) en 3 (E), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Overeenkomstig bijlage X, hoofdstuk 3 (B), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet het gezondheidscertificaat voor verwerkt voeder voor gezelschapsdieren, met uitzondering van blikvoeder voor gezelschapsdieren, een verklaring bevatten waarin staat dat het voeder in nieuwe verpakkingen is verpakt met etiketten waarop „NIET VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE” is vermeld. Richtlijn 79/373/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende het verkeer van mengvoeders (3) voorziet al in gelijkwaardige etiketteringseisen om te voorkomen dat dergelijke producten onopzettelijk of uit onachtzaamheid voor menselijke consumptie worden gebruikt. De voorschriften voor het model van het gezondheidscertificaat in bijlage X, hoofdstuk 3 (B), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moeten met die bepalingen rekening houden en daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

Bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 vermeldt de eisen voor het in de handel brengen en de invoer in de Gemeenschap van voeder voor gezelschapsdieren, hondenkluiven en technische producten. Volgens hoofdstuk II, onder B, punt 4, van die bijlage moeten hondenkluiven een zodanige warmtebehandeling ondergaan dat ziekteverwekkers worden gedood. Verscheidene lidstaten hebben erom verzocht andere behandelingen die gelijkwaardige veiligheidsgaranties bieden bij de verwerking van hondenkluiven toe te staan. Bijlage VIII, hoofdstuk II, onder B, punt 4, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Bijlage X, hoofdstuk 3 (C), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 bevat het model van het gezondheidscertificaat voor de invoer van hondenkluiven in de Gemeenschap. Aangezien voor de verwerking van hondenkluiven in de Gemeenschap andere behandelingen dan warmtebehandeling zullen worden toegestaan, moeten die behandelingen ook voor ingevoerde hondenkluiven worden toegestaan. Sommige hondenkluiven worden op traditionele wijze van vis gemaakt. In dat geval is warmtebehandeling om redenen van diergezondheid niet nodig. Het model van het gezondheidscertificaat in bijlage X, hoofdstuk 3 (C), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

Bijlage VIII, hoofdstuk II, onder B, punt 6, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 bevat microbiologische normen voor rauw voeder voor gezelschapsdieren dat in de Gemeenschap wordt geproduceerd. Die normen moeten ook verplicht worden gesteld voor in de Gemeenschap ingevoerd rauw voeder voor gezelschapsdieren voor rechtstreekse verkoop en voor dierlijke bijproducten die als voeder voor pelsdieren worden gebruikt, bestemd voor verzending naar de Europese Gemeenschap. Bijlage X, hoofdstuk 3 (D), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

Bijlage XI bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 omvat lijsten van derde landen waaruit de lidstaten de invoer kunnen toestaan van dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn. Deel XIII van die bijlage bevat een lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van serum van paardachtigen kunnen toestaan. Die lijst van deel XIII omvat de derde landen die zijn opgenomen in bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG van de Commissie van 6 januari 2004 tot vaststelling van de lijst van derde landen en delen van hun grondgebied waaruit de lidstaten de invoer toestaan van levende paardachtigen en sperma, eicellen en embryo’s van paarden en tot wijziging van de Beschikkingen 93/195/EEG en 94/63/EG (4) en waaruit de invoer van paarden voor de slacht is toegestaan.

(17)

Serum van paardachtigen kan echter van levende dieren worden verkregen. Als een derde land op grond van zijn diergezondheidsstatus is opgenomen in die lijst van derde landen waaruit de invoer van fok- en gebruikspaardachtigen is toegestaan, moet ook serum van paardachtigen uit dat derde land ingevoerd kunnen worden. Aldus zou met name de invoer van serum van paardachtigen uit Mexico toegestaan worden. Bijlage XI, deel XIII, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(18)

Veterinaire certificaten moeten eruitzien zoals bepaald in Beschikking 2007/240/EG van de Commissie (5), waarin geharmoniseerde modellen worden vastgesteld voor veterinaire certificaten voor de invoer van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong in de Europese Gemeenschap. Het handelsdocument in bijlage II, hoofdstuk X, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 en de modellen van gezondheidscertificaten in bijlage X bij die verordening moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(19)

Er moet na de inwerkingtreding van deze verordening een overgangsperiode komen zodat de invoer in de Gemeenschap van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten die onder Verordening (EG) nr. 1774/2002 vallen en vergezeld gaan van gezondheidscertificaten die met die verordening in overeenstemming zijn, toegestaan blijft.

(20)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I, II, VII, VIII, X en XI bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Gedurende een overgangsperiode van zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening mogen het handelsdocument in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 en de modellen van gezondheidscertificaten in bijlage X bij die verordening, indien zij overeenkomstig de vóór de inwerkingtreding van deze verordening geldende bepalingen zijn ingevuld, de producten waarvoor die documenten respectievelijk certificaten bedoeld zijn, blijven vergezellen.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 juni 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2007/2006 van de Commissie (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 98).

(2)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1923/2006 van de Commissie (PB L 404 van 30.12.2006, blz. 1).

(3)  PB L 86 van 6.4.1979, blz. 30. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

(4)  PB L 73 van 11.3.2004, blz. 1. Beschikking gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1792/2006 (PB L 362 van 20.12.2006, blz. 1).

(5)  PB L 104 van 21.4.2007, blz. 37.


BIJLAGE

De bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1 komt als volgt te luiden:

„1.

„bijproduct van de bijenteelt”: honing, bijenwas, koninginnengelei, propolis of pollen, niet bestemd voor menselijke consumptie;”;

b)

punt 42 komt als volgt te luiden:

„42.

„verwerkte dierlijke eiwitten”: dierlijke eiwitten die volledig zijn verkregen uit categorie 3-materiaal en die in overeenstemming met bijlage VII, hoofdstuk II, zijn behandeld om ze geschikt te maken voor rechtstreeks gebruik als voedermiddel of om anderszins gebruikt te worden in diervoeder, voeder voor gezelschapsdieren daaronder begrepen, of in biologische meststoffen of bodemverbeteraars; hieronder vallen echter niet bloedproducten, melk, producten op basis van melk, biest, gelatine, gehydrolyseerde eiwitten, dicalciumfosfaat, eieren en eiproducten, tricalciumfosfaat en collageen;”.

2)

Bijlage II, hoofdstuk X, komt als volgt te luiden:

„HOOFDSTUK X

Handelsdocument

1.

Tijdens het vervoer moeten de dierlijke bijproducten en de verwerkte producten vergezeld gaan van het volgende handelsdocument. De lidstaten kunnen echter besluiten een ander handelsdocument, op papier of in elektronische vorm, te gebruiken voor binnen dezelfde lidstaat vervoerde dierlijke bijproducten en verwerkte producten, mits dat handelsdocument voldoet aan de eisen van hoofdstuk III, punt 2.

2.

Indien er sprake is van meer dan een vervoerder, vult elke vervoerder een verklaring zoals bedoeld in punt 7 van het handelsdocument, in, die deel uitmaakt van dit document.

MODEL VOOR EEN HANDELSDOCUMENT VOOR HET VERVOER VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN EN VERWERKTE PRODUCTEN BINNEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

Noten

a)

Handelsdocumenten worden overeenkomstig het model in deze bijlage opgesteld. Op elk document worden, in de in het model aangegeven volgorde, de verklaringen opgenomen die voor het vervoer van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide verwerkte producten zijn vereist.

b)

Het wordt opgesteld in een van de officiële talen van de lidstaat van oorsprong of, zo nodig, van de lidstaat van bestemming. Het mag echter ook in andere officiële talen van de Gemeenschap worden opgesteld, indien het vergezeld is van een officiële vertaling of indien dit vooraf met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming is overeengekomen.

c)

Dit handelsdocument moet ten minste in drievoud worden opgemaakt (één origineel en twee afschriften). Het origineel gaat samen met de zending naar de eindbestemming. De ontvanger moet het bewaren. De producent en de vervoerder bewaren ieder een afschrift.

d)

Het originele exemplaar van elk handelsdocument bestaat uit één enkel blad waarvan de beide zijden worden gebruikt; indien meer tekst benodigd is, wordt het formulier in zodanige vorm ingediend dat alle bladen één enkel ondeelbaar geheel vormen.

e)

Indien voor de identificatie van de bestanddelen van de zending extra bladen aan het handelsdocument worden gehecht, worden deze bladen beschouwd als deel uitmakend van het originele document en wordt op elk blad de handtekening van de voor de zending verantwoordelijke persoon geplaatst.

f)

Indien het handelsdocument, inclusief de onder e) bedoelde extra bladen, meer dan één bladzijde beslaat, wordt elke bladzijde onderaan genummerd — (bladzijdenummer) van (totaal aantal bladzijden) — en wordt elke bladzijde bovenaan voorzien van het codenummer van het document dat door de verantwoordelijke persoon is toegekend.

g)

Het originele exemplaar van het handelsdocument wordt ingevuld en ondertekend door de verantwoordelijke persoon. Hierbij draagt de verantwoordelijke persoon er zorg voor dat de in bijlage II, hoofdstuk III, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 vastgelegde documentatieprincipes worden nageleefd. Op het handelsdocument moeten de volgende gegevens worden vermeld:

i)

de datum waarop het materiaal op het bedrijf is opgehaald;

ii)

de omschrijving van het materiaal, met inbegrip van de identificatie van het materiaal, de diersoort in geval van categorie 3-materiaal en daarvan afgeleide verwerkte producten die voor voedermiddelen bestemd zijn, en, indien van toepassing, het oormerknummer van het dier;

iii)

de hoeveelheid materiaal;

iv)

de plaats van oorsprong van het materiaal;

v)

de naam en het adres van de vervoerder van het materiaal;

vi)

de naam en het adres van de ontvanger en, indien van toepassing, het erkenningsnummer, en,

vii)

zo nodig, het erkenningsnummer van het bedrijf van oorsprong en de aard en de methoden van de behandeling.

h)

De kleur van de handtekening van de verantwoordelijke persoon moet verschillen van die van de gedrukte tekst.

i)

Het handelsdocument moet gedurende ten minste twee jaar worden bewaard, zodat het aan de bevoegde autoriteiten kan worden overgelegd ter controle van de in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1774/2002 bedoelde administratie.

j)

Indien lidstaten besluiten een handelsdocument in elektronische vorm te gebruiken, wordt voldaan aan de voorschriften onder a) tot en met i) voor zover die op die elektronische vorm van toepassing zijn.

Image Image Image

3)

In bijlage VII, hoofdstuk II, onder A, punt 1, komt de tekst van de eerste alinea als volgt te luiden:

„Verwerkte dierlijke eiwitten van zoogdieren moeten met verwerkingsmethode 1 zijn behandeld. Varkensbloed mag echter met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7 zijn behandeld, mits in het laatste geval een kerntemperatuur van ten minste 80 °C is bereikt.”.

4)

Bijlage VIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk II wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder A komt punt 1 als volgt te luiden:

„1.

De enige dierlijke bijproducten die gebruikt mogen worden voor de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren en hondenkluiven zijn vermeld in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met j). Rauw voeder voor gezelschapsdieren mag echter uitsluitend vervaardigd worden van de in artikel 6, lid 1, onder a) en b), bedoelde dierlijke bijproducten.”;

ii)

onder B komt punt 4 als volgt te luiden:

„4.

Hondenkluiven moeten een zodanige warmtebehandeling ondergaan dat ziekteverwekkers (met inbegrip van salmonella) worden gedood.

Na de behandeling moeten de nodige voorzorgen worden genomen om ervoor te zorgen dat de hondenkluiven niet aan verontreiniging wordt blootgesteld. De hondenkluiven moeten in nieuwe verpakkingen worden verpakt.”;

b)

hoofdstuk III wordt als volgt gewijzigd:

i)

deel I, onder A, punt 3, komt als volgt te luiden:

„3.

Onverwerkte mest van paardachtigen die wordt verhandeld, mag niet afkomstig zijn van een bedrijf waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden in verband met kwade droes, vesiculaire stomatitis, miltvuur of rabiës overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Richtlijn 90/426/EEG.”;

ii)

deel I, onder B, punt 4, komt als volgt te luiden:

„4.

De invoer van onverwerkte mest is verboden.”;

iii)

deel II, onder B, punt 6, letter d), komt als volgt te luiden:

„d)

vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat volgens het model in hoofdstuk 17 van bijlage X.”;

c)

hoofdstuk VI wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder A komt punt 1, letter a), als volgt te luiden:

„a)

huiden van hoefdieren die voldoen aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (1);

ii)

onder B komt punt 3 als volgt te luiden:

„3.

Voor het handelsverkeer in verse of gekoelde huiden gelden dezelfde gezondheidsvoorschriften als voor vers vlees gelden op grond van Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (2).

iii)

onder C, punt 5, letter b), komt het inleidende zinsdeel als volgt te luiden:

„b)

ze afkomstig zijn uit een derde land of, in geval van regionalisatie overeenkomstig de communautaire wetgeving, uit een deel van een derde land, dat voorkomt op de lijst in deel XIV, onder A, van bijlage XI en dat, al naar de diersoort in kwestie:”;

iv)

onder C, punt 6, komen de letters b) tot en met e) als volgt te luiden:

„b)

zij afkomstig zijn van:

i)

een derde land of, in geval van regionalisatie overeenkomstig de communautaire wetgeving, een deel van een derde land, dat voorkomt op de lijst in bijlage XI, deel XIV, onder B, waaruit de invoer van vers vlees van de betrokken diersoort is toegestaan, en de huiden overeenkomstig het bepaalde onder A, punt 2, letter a), b) of c), zijn behandeld, of

ii)

een derde land dat voorkomt op de lijst in bijlage XI, deel XIV, onder B, en zijn behandeld overeenkomstig het bepaalde onder A, punt 2, letter c) of d), of

iii)

paardachtigen of herkauwers uit een derde land dat voorkomt op de lijst in bijlage XI, deel XIV, onder C, en zijn behandeld overeenkomstig het bepaalde onder A, punt 2, letter a), b) of c), en na behandeling ten minste 21 dagen apart zijn gehouden;

c)

indien het gaat om gezouten huiden die per schip vervoerd worden, zij zijn behandeld overeenkomstig het bepaalde onder A, punt 2, letter b) of c), en na behandeling tijdens het vervoer ten minste 14 dagen in het geval van letter b), respectievelijk zeven dagen in het geval van letter c), apart gehouden alvorens te worden ingevoerd, en op het gezondheidscertificaat dat de zending vergezelt, de toegepaste behandeling en de duur van het vervoer is vermeld, en

d)

zij vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat volgens het model in bijlage X, hoofdstuk 5 (B), of, in het geval van huiden zoals bedoeld onder C, punt 6, letter b), iii), van een officiële verklaring volgens het model in bijlage X, hoofdstuk 5 (C).”;

d)

hoofdstuk VIII wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder B komt het inleidende zinsdeel van punt 4 als volgt te luiden:

„De lidstaten moeten de invoer van onbewerkte wol en onbewerkt haar toestaan als deze producten:”;

ii)

onder B wordt het volgende punt 5 toegevoegd:

„5.

De invoer van onbewerkte veren en delen van veren is verboden.

De lidstaten moeten de invoer van bewerkte veren en delen van veren toestaan als:

a)

het gaat om bewerkte sierveren, bewerkte veren die door reizigers voor eigen gebruik worden vervoerd, of zendingen van bewerkte veren die voor niet-industriële doeleinden aan privépersonen worden gestuurd, of

b)

zij vergezeld gaan van een handelsdocument waarin wordt verklaard dat de veren of delen van veren zijn behandeld met stoom of op een andere wijze waardoor ziekteverwekkers worden geïnactiveerd, en zij droog en stevig verpakt zijn.”;

e)

hoofdstuk IX wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder A komt de inleidende zin van punt 1 als volgt te luiden:

„1.

Bijproducten van de bijenteelt die uitsluitend voor gebruik in de bijenteelt bestemd zijn:”;

ii)

onder B komt punt 3 als volgt te luiden:

„3.

De lidstaten moeten de invoer van bijproducten van de bijenteelt, met uitzondering van bijenwas in de vorm van honingraat, die voor gebruik in de bijenteelt bestemd zijn, toestaan als:

a)

zij afkomstig zijn uit derde landen die voorkomen op de lijst in bijlage XI, deel XII;

b)

hetzij

i)

zij gedurende ten minste 24 uur aan een temperatuur van –12 °C of lager blootgesteld zijn, of,

ii)

in het geval van was, het materiaal vóór de uitvoer geraffineerd of gesmolten is, en

c)

zij vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat volgens het model in bijlage X, hoofdstuk 13.”;

iii)

onder B worden de volgende punten 4 en 5 toegevoegd:

„4.

De lidstaten moeten de invoer van bijenwas voor technisch gebruik, met uitzondering van bijenwas in de vorm van honingraat, toestaan als het materiaal:

a)

vóór de uitvoer geraffineerd of gesmolten is, en

b)

vergezeld gaat van een handelsdocument waarin wordt bevestigd dat de onder a) bedoelde behandeling heeft plaatsgevonden.

5.

De invoer van bijenwas in de vorm van honingraat is verboden.”;

f)

hoofdstuk XI wordt als volgt gewijzigd:

i)

in punt 2 komt de tweede alinea als volgt te luiden:

„Dierlijke bijproducten die als voeder voor pelsdieren of in rauw voeder voor gezelschapsdieren worden gebruikt, mogen echter uitsluitend bestaan uit dierlijke bijproducten zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a) en b);”;

ii)

punt 6 komt als volgt te luiden:

„6.

vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat volgens het model in bijlage X, hoofdstuk 3 (D), hoofdstuk 3 (F) of hoofdstuk 8.”.

5)

Bijlage X komt als volgt te luiden:

„BIJLAGE X

MODELLEN VAN GEZONDHEIDSCERTIFICATEN VOOR DE INVOER VAN BEPAALDE DIERLIJKE BIJPRODUCTEN EN DAARVAN AFGELEIDE PRODUCTEN UIT DERDE LANDEN EN VOOR DE DOORVOER ERVAN DOOR DE EUROPESE GEMEENSCHAP

Noten

a)

Het land van uitvoer stelt een veterinair certificaat op volgens het model voor de betrokken dierlijke bijproducten in deze bijlage X. Op het certificaat worden, in de in het model aangegeven volgorde, de verklaringen opgenomen die voor alle derde landen vereist zijn en, in voorkomend geval, ook de aanvullende garanties die voor het derde land van uitvoer of een deel daarvan vereist zijn.

b)

Het originele exemplaar van elk certificaat bestaat uit één dubbelzijdig blad of heeft een zodanige vorm dat alle bladzijden één ondeelbaar geheel vormen.

c)

Het wordt opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de EU-lidstaat waar de controle in de grensinspectiepost wordt uitgevoerd, en van de EU-lidstaat van bestemming. Deze lidstaten kunnen evenwel toestaan dat in plaats van de eigen taal een andere taal wordt gebruikt, indien nodig vergezeld van een officiële vertaling.

d)

Indien voor de identificatie van de bestanddelen van de zending extra bladen aan het certificaat worden gehecht, worden deze bladen beschouwd als deel uitmakend van het originele certificaat, en moeten op elk blad de handtekening en het stempel van de certificerende officiële dierenarts worden aangebracht.

e)

Indien het certificaat, inclusief de onder d) bedoelde aanvullingen, meer dan één bladzijde beslaat, wordt elke bladzijde onderaan genummerd – (bladzijdenummer) van (totaal aantal bladzijden) – en wordt elke bladzijde bovenaan voorzien van het referentienummer van het certificaat dat door de bevoegde autoriteit is toegekend.

f)

Het originele exemplaar van het certificaat moet door een officiële dierenarts worden ingevuld en ondertekend. De bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer zien er daarbij op toe dat beginselen van certificering worden toegepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van Richtlijn 96/93/EG van de Raad (PB L 13 van 16.1.1997, blz. 28).

g)

De kleur van de handtekening moet verschillen van die van de gedrukte tekst. Dat geldt ook voor de stempels, met uitzondering van reliëfstempels en watermerken.

h)

Het originele exemplaar van het certificaat vergezelt de zending tot in de EU-grensinspectiepost.

i)

Indien gezondheidscertificaten worden gebruikt voor doorvoerzendingen, worden in vak I.5 („Geadresseerde”) van het gezondheidscertificaat de naam en het adres van de grensinspectiepost ingevuld via welke de zending de Europese Gemeenschap zal verlaten.

Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

6)

Bijlage XI wordt als volgt gewijzigd:

a)

De titel van deel VI komt als volgt te luiden:

„DEEL VI

Lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer kunnen toestaan van dierlijke bijproducten en bloedproducten (met uitzondering van bloedproducten van paardachtigen) voor technisch of farmaceutisch gebruik (gezondheidscertificaten in de hoofdstukken 4 (C) en 8)”.

b)

In deel VII A komen de titel en punt A als volgt te luiden:

„DEEL VII A

Lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer kunnen toestaan van dierlijke bijproducten voor de vervaardiging van verwerkt voeder voor gezelschapsdieren (gezondheidscertificaten in de hoofdstukken 3 (B) en 3 (F))

A.

Dierlijke bijproducten van runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen, zowel vee als wilde dieren

Derde landen of delen van derde landen die zijn opgenomen in de lijst in bijlage II, deel 1, bij Beschikking 79/542/EEG en waaruit de invoer van deze categorie vers vlees van de betrokken soorten toegestaan is, alsook de volgende landen wat betreft de volgende bijproducten:

landen of delen van landen in Zuid-Amerika en zuidelijk Afrika waar gerijpt en ontbeend vlees van de betrokken soorten toegestaan is, wat betreft gerijpt en ontbeend vlees (met inbegrip van diafragma's) en/of gerijpte opgemaakte slachtafvallen van runderen, schapen, geiten en (vrij of gekweekt) wild.”.

c)

Deel IX komt als volgt te luiden:

„DEEL IX

Lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer kunnen toestaan van verwerkte mest en verwerkte producten uit mest voor bodemverbetering (gezondheidscertificaat in hoofdstuk 17)

Voor verwerkte mest en verwerkte producten uit mest de derde landen die zijn opgenomen in:

a)

bijlage II, deel 1, bij Beschikking 79/542/EEG,

b)

bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG van de Commissie, of

c)

bijlage II bij Beschikking 2006/696/EG van de Commissie (PB L 295 van 25.10.2006, blz. 1).”.

d)

Deel XIII komt als volgt te luiden:

„DEEL XIII

Lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer kunnen toestaan van serum van paardachtigen (gezondheidscertificaat in hoofdstuk 4 (A))

Derde landen of delen van derde landen die zijn opgenomen in de lijst in bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG van de Commissie (8) en waaruit de invoer van fok- en gebruikspaardachtigen is toegestaan.”.


(1)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55, gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 22.”;

(2)  PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.”;


Top