Help Print this page 

Document 32007R0614

Title and reference
Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het Financieringsinstrument voor het Milieu (LIFE+) - Verklaring van de Commissie
  • No longer in force
OJ L 149, 9.6.2007, p. 1–17 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 001 P. 170 - 185

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2007/614/oj
Multilingual display
Text

9.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 149/1


VERORDENING (EG) Nr. 614/2007 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 mei 2007

betreffende het Financieringsinstrument voor het Milieu (LIFE+)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3), en gezien de gemeenschappelijke tekst die op 8 mei 2007 door het Bemiddelingscomité is goedgekeurd.

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Milieubescherming is één van de belangrijkste dimensies van de duurzame ontwikkeling van de Europese Unie. Milieubescherming is een prioriteit voor medefinanciering door de Gemeenschap en dient hoofdzakelijk te worden gefinancierd met de horizontale financiële instrumenten van de Gemeenschap, waaronder het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, het Europees Visserijfonds en het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratieactiviteiten.

(2)

Deze communautaire financiële instrumenten bestrijken niet alle prioriteiten op milieugebied. Derhalve is er een financieringsinstrument voor het milieu (LIFE+) nodig om specifieke steun te verlenen voor de ontwikkeling en de uitvoering van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving, met name de doelstellingen van het zesde milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (6e MAP) vastgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 (4).

(3)

Deze steun moet worden verstrekt in de vorm van subsidieovereenkomsten en contracten voor overheidsopdrachten overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5).

(4)

Door LIFE+ gefinancierde projecten dienen te voldoen aan bepaalde selectiecriteria, teneinde te waarborgen dat de financiële middelen van de Gemeenschap optimaal worden benut teneinde een Europese meerwaarde te bieden en te voorkomen dat steeds terugkerende activiteiten, zoals de dagelijkse werkzaamheden, worden gefinancierd. Dit mag de financiering van innovatieve of demonstratieprojecten niet verhinderen.

(5)

Op het gebied van natuur en biodiversiteit vormt de uitvoering van het beleid en van de wetgeving van de Gemeenschap als zodanig een kader voor Europese meerwaarde. Maatregelen en projecten op het gebied van beste praktijken of demonstratiemaatregelen en -projecten, met inbegrip van projecten met betrekking tot het beheer en het aanwijzen van Natura 2000-gebieden overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (6) en Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (7), moeten voor communautaire financiering uit hoofde van LIFE+ in aanmerking komen, tenzij zij in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van andere financiële instrumenten van de Gemeenschap.

(6)

Er dienen regelingen te worden opgesteld om een adequate financiering voor het Natura 2000-netwerk te waarborgen, inclusief cofinanciering door de Gemeenschap. Omdat het doel van deze verordening is alleen projecten inzake beste praktijken en demonstratie in verband met het beheer van Natura 2000-locaties te financieren, dienen de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld via andere instrumenten voor het beheer van het netwerk, waarvan de jaarlijkse kosten in 2004 werden geraamd op 6 100 000 000 EUR.

(7)

Innoverende projecten dan wel demonstratiemaatregelen of -projecten met betrekking tot communautaire milieudoelstellingen, met inbegrip van de ontwikkeling of verspreiding van beste praktijken, knowhow en technologieën, alsmede projecten gericht op voorlichtingscampagnes en speciale opleiding van personen die betrokken zijn bij initiatieven op het gebied van bosbrandpreventie moeten in aanmerking komen voor communautaire financiering uit hoofde van LIFE+, tenzij zij in aanmerking komen voor financiering uit andere financiële instrumenten van de Gemeenschap.

(8)

Projecten ter ontwikkeling en uitvoering van de communautaire doelstellingen gericht op de breed opgezette, geharmoniseerde en alomvattende bewaking van bossen en milieu-interacties op de lange termijn, moeten in aanmerking komen voor communautaire financiering uit hoofde van LIFE+, tenzij zij in aanmerking komen voor financiering uit andere financiële instrumenten van de Gemeenschap.

(9)

Voor een doeltreffende ontwikkeling en uitvoering van het beleid in het kader van het 6e MAP is steun voor beste praktijken of demonstratieprojecten voor de ontwikkeling en de uitvoering van het communautaire milieubeleid onontbeerlijk. Het gaat om voorbeelden van innovatieve beleidsaanpak, technologieën, methoden en instrumenten;eb;normal;j versterken van de kennis; opbouwen van een competente uitvoeringspraktijk; bevorderen van behoorlijk bestuur, netwerken, sociale leertrajecten en uitwisseling van ervaringen; optimale verspreiding van informatie, bewustmaking en communicatie. Financiële steun in het kader van deze verordening moet derhalve bijdragen tot de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie van milieubeleid en milieuwetgeving, alsmede de bekendmaking en verspreiding daarvan in de hele Gemeenschap.

(10)

LIFE+ moet uit drie onderdelen bestaan: LIFE+ Natuur en Biodiversiteit; LIFE+ Milieubeleid en Bestuur; en LIFE+ Informatie en Communicatie. De door LIFE+ gefinancierde projecten kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van meer dan één van deze drie onderdelen. Ook kunnen zij deelname van meer dan één lidstaat betreffen. Zij kunnen tevens bijdragen tot de ontwikkeling van strategische benaderingen voor het realiseren van milieudoelstellingen.

(11)

Teneinde haar taken op het gebied van het initiëren van milieubeleidsontwikkeling en -uitvoering te kunnen vervullen, heeft de Commissie middelen van LIFE+ nodig om studies en evaluaties af te ronden, bepaalde diensten te verlenen met het oog op de uitvoering en integratie van milieubeleid en milieuwetgeving, vergaderingen, studiebijeenkomsten en workshops voor deskundigen en belanghebbenden te organiseren, netwerken te vormen en te onderhouden, en computersystemen op te zetten en te onderhouden. Daarnaast zou de Commissie een deel van de LIFE+-begroting gebruiken om activiteiten te ontplooien op het gebied van voorlichting, publicatie en verspreiding, onder meer via manifestaties, tentoonstellingen en vergelijkbare bewustmakingsactiviteiten, voor de ontwikkelings- en productiekosten van audiovisueel materiaal, en om technische en/of administratieve bijstand te krijgen in verband met selectie, voorbereiding, beheer, monitoring, controle en supervisie van programma's en projecten.

(12)

Niet-gouvernementele organisaties (NGO's) dragen bij tot de ontwikkeling en uitvoering van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving. Daarom is het wenselijk dat een deel van de LIFE+-begroting de activiteiten van een aantal naar behoren gekwalificeerde NGO's ondersteunt door op competitieve en transparante wijze jaarlijkse exploitatiesubsidies toe te kennen. Deze NGO's moeten onafhankelijk zijn en mogen geen winstoogmerk hebben, en moeten actief zijn in ten minste drie Europese landen, hetzij alleen hetzij in de vorm van een samenwerkingsverband.

(13)

De ervaring die met bestaande en eerdere instrumenten is opgedaan, heeft de noodzaak verduidelijkt van planning en programmering op meerjarenbasis en van een concentratie van de inspanningen ter bevordering van de bescherming van het milieu door prioritering en de aanwijzing van de activiteitsterreinen waar medefinanciering door de Gemeenschap nut kan hebben.

(14)

De lidstaten dienen in staat te zijn nationale jaarlijkse prioriteiten in te dienen die geen plannen en programma's zijn die voor een aantal sectoren worden opgesteld en een kader bieden voor de goedkeuring van ontwikkelingen in de toekomst, die geen plannen en programma's zijn die uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG moeten worden beoordeeld, en die prioriteiten mogen niet worden beschouwd als plannen en programma's waarop Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (8) van toepassing is.

(15)

De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap, met inbegrip van de financieringsinstrumenten. LIFE+ moet derhalve complementair zijn met andere financieringsinstrumenten van de Gemeenschap, en de Commissie en de lidstaten moeten die complementariteit op communautair, nationaal, regionaal en lokaal niveau waarborgen.

(16)

Conform de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg (december 1997) en Thessaloniki (juni 2003) dienen de kandidaat-lidstaten en de landen van de westelijke Balkan die betrokken zijn bij het stabilisatie- en associatieproces, in aanmerking te kunnen komen voor deelname aan de communautaire programma's, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende met deze landen gesloten bilaterale overeenkomsten.

(17)

Een aantal bestaande milieu-instrumenten moet worden geconsolideerd, en programmering en beheer moeten worden vereenvoudigd door het opzetten van één enkel gestroomlijnd financieel instrument voor het milieu.

(18)

Ook moet worden gezorgd voor een vlotte overgang, en dienen de monitoring en de financiële controle alsmede de kwalitatieve evaluatie van de via lopende programma's gefinancierde activiteiten na het aflopen daarvan te worden voortgezet.

(19)

Bij deze verordening worden voor de gehele looptijd van het programma de financiële middelen vastgesteld die voor de begrotingsautoriteit tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure het belangrijkste referentiepunt vormen in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en goed financieel beheer (9).

(20)

De algemene doelstelling van LIFE+ is bij te dragen tot de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving, en met name de uitvoering van het 6e MAP te ondersteunen. De lidstaten kunnen een Europese meerwaarde bereiken door, in het kader van de communautaire instrumenten, onderling samen te werken teneinde de doelstellingen op nationaal en lokaal niveau dichterbij te brengen, de communautaire doelstellingen te verwezenlijken of kennis in de gehele Gemeenschap uit te wisselen. De doelstelling van LIFE+ kan niet voldoende door de lidstaten en dus beter op communautair niveau worden gerealiseerd. De Gemeenschap kan derhalve maatregelen treffen in overeenstemming met het in artikel 5 van het EG-Verdrag opgenomen subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in dat artikel bedoelde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(21)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (10).

(22)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven, maatregelen aan bijlage I bij deze verordening toe te voegen en bijlage II bij deze verordening te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening of ter aanvulling van deze verordening met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.   Deze verordening stelt een financieringsinstrument voor het milieu („LIFE+”) vast.

2.   De algemene doelstelling van LIFE+ is bij te dragen tot de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving, met inbegrip van de integratie van het milieu in de andere beleidssectoren, en aldus bij te dragen tot duurzame ontwikkeling. LIFE+ ondersteunt in het bijzonder de uitvoering van het 6e MAP, waaronder de thematische strategieën, en financiert maatregelen en projecten met een Europese meerwaarde in de lidstaten.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„6e MAP”: het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap, vastgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG;

2)

„Financieel Reglement”: Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

Artikel 3

Selectiecriteria

1.   De door LIFE+ gefinancierde projecten voldoen aan de volgende criteria. Zij moeten:

a)

van communautair belang zijn en een significante bijdrage leveren tot de in artikel 1, lid 2, neergelegde algemene doelstelling van LIFE+;

b)

technisch en financieel coherent zijn, haalbaar zijn en een gunstige kosten-batenverhouding hebben.

Waar mogelijk versterken door LIFE+ gefinancierde projecten de synergieën tussen de verschillende prioriteiten van het 6e MAP en bevorderen de integratie

2.   Bovendien moeten, teneinde een Europese meerwaarde te garanderen en financiering van steeds terugkerende activiteiten te voorkomen, de projecten ten minste aan één van de volgende criteria voldoen:

a)

projecten zijn op het gebied van beste praktijken dan wel demonstratieprojecten ter uitvoering van Richtlijn 79/409/EEG of Richtlijn 92/43/EEG;

b)

innoverende projecten dan wel demonstratieprojecten zijn met betrekking tot communautaire milieudoelstellingen, met inbegrip van de ontwikkeling of verspreiding van beste praktijken, knowhow of technologieën;

c)

voorlichtingscampagnes zijn en speciale opleiding van personen die betrokken zijn bij bosbrandpreventie;

d)

projecten zijn ter ontwikkeling en uitvoering van de communautaire doelstellingen met betrekking tot de breed opgezette, geharmoniseerde en alomvattende monitoring van bossen en milieu-interacties op de lange termijn.

Artikel 4

Specifieke doelstellingen

1.   LIFE+ bestaat uit drie onderdelen:

LIFE+ Natuur en Biodiversiteit,

LIFE+ Milieubeleid en Bestuur,

LIFE+ Informatie en Communicatie.

2.   De specifieke doelstellingen van LIFE+ Natuur en Biodiversiteit zijn:

a)

bijdragen tot de uitvoering van communautair beleid en wetgeving inzake natuur en biodiversiteit, in het bijzonder ten aanzien van de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG met inbegrip van op lokaal en regionaal niveau, alsmede de verdere ontwikkeling en uitvoering van Netwerk Natura 2000, waaronder kustgebieden en mariene habitats en soorten;

b)

bijdragen tot de consolidering van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring en evaluatie van communautair beleid en wetgeving inzake natuur en biodiversiteit;

c)

ondersteuning van het ontwerpen en de uitvoering van beleidsbenaderingen en -instrumenten voor monitoring en evaluatie van de toestand van de natuur en de biodiversiteit en van de factoren, de milieudruk en de reactiemechanismen die hen beïnvloeden, met name in verband met de verwezenlijking van de doelstelling om vóór 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit in de Gemeenschap een halt toe te roepen en in verband met de bedreiging die de klimaatsverandering vormt voor de natuur en de biodiversiteit;

d)

zorgen voor ondersteuning van een beter milieubestuur, met een bredere participatie van de belanghebbende partijen - met inbegrip van NGO's - in het overleg over en de uitvoering van beleid en wetgeving op het gebied van natuur en biodiversiteit.

3.   De specifieke doelstellingen van LIFE+ Milieubeleid en Bestuur ten aanzien van de doelstellingen van het 6e MAP en voor de prioriteitsgebieden klimaatverandering, milieu en gezondheid en kwaliteit van leven, alsmede natuurlijke hulpbronnen en afvalstoffen zijn:

a)

bijdragen tot de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve beleidsbenaderingen, technologieën, methoden en instrumenten;

b)

bijdragen tot de versterking van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring en evaluatie van het milieubeleid en de milieuwetgeving;

c)

de ontwikkeling en uitvoering ondersteunen van methoden van de monitoring en evaluatie van de toestand van het milieu en de factoren, de milieudruk en de reactiemechanismen die deze toestand beïnvloeden;

d)

de uitvoering van het communautaire milieubeleid vergemakkelijken, met bijzondere nadruk op de uitvoering op lokaal en regionaal niveau;

e)

zorgen voor ondersteuning van een beter milieubestuur, met een bredere participatie van de belanghebbende partijen — met inbegrip van NGO's — in het overleg over en de uitvoering van het beleid.

4.   De specifieke doelstellingen van LIFE+ Informatie en Communicatie zijn:

a)

informatie verspreiden en de bewustwording ten aanzien van milieuvraagstukken, daaronder begrepen bosbrandpreventie, vergroten;

b)

steun verlenen aan begeleidende maatregelen (zoals informatie, communicatieacties en -campagnes, conferenties en opleiding, daaronder begrepen opleiding inzake bosbrandpreventie).

5.   Bijlage I bevat een lijst van in aanmerking komende maatregelen.

Artikel 5

Financieringsvormen

1.   Communautaire financiering kan de volgende juridische vormen aannemen:

a)

financieringsovereenkomsten;

b)

contracten voor overheidsopdrachten.

2.   Communautaire subsidies kunnen worden verstrekt in verschillende vormen, zoals kaderpartnerschapsovereenkomsten, participatie in financieringsmechanismen en fondsen, medefinanciering van subsidies voor huishoudelijke kosten en het uitvoeren van acties. Op subsidies voor huishoudelijke kosten verleend aan organisaties die doelstellingen van algemeen Europees belang nastreven, zijn de bepalingen inzake degressiviteit van het Financieel Reglement niet van toepassing.

3.   Het maximumpercentage van de medefinanciering van subsidies voor het uitvoeren van acties bedraagt 50 % van de in aanmerking komende kosten. Bij wijze van uitzondering kan het maximumpercentage van de medefinanciering voor LIFE+ Natuur en Biodiversiteit tot 75 % van de in aanmerking komende kosten bedragen in het geval van projecten met betrekking tot prioritaire habitats of soorten ter uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG of vogelsoorten die door het overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 79/409/EEG ingestelde comité als een financieringsprioriteit zijn aangemerkt, voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstelling.

4.   In geval van contracten voor overheidsopdrachten kan de communautaire financiering voor de aankoop van diensten en goederen worden gebruikt. Het kan daarbij onder meer gaan om uitgaven in samenhang met informatie en communicatie, voorbereidende werkzaamheden, uitvoering, monitoring, controles en evaluatie van projecten, beleid, programma's en wetgeving.

5.   De salariskosten van ambtenaren kunnen alleen worden gefinancierd voor zover zij verband houden met de kosten van activiteiten voor de uitvoering van een project die de betrokken overheidsinstantie niet zou hebben verricht indien het project niet was ondernomen. Het personeel moet specifiek voor het project gedetacheerd zijn en extra kosten vertegenwoordigen ten opzichte van die voor het permanente personeel.

6.   De Commissie voert deze verordening uit overeenkomstig het Financieel Reglement.

Artikel 6

Programmering en selectie van projecten

1.   Ten minste 78 % van de begrotingsmiddelen voor LIFE+ wordt voor subsidies voor het uitvoeren van acties in het kader van projecten gebruikt.

2.   De Commissie zorgt voor een evenredige verdeling van projecten door de vaststelling van indicatieve jaarlijkse nationale toewijzingen voor de perioden 2007-2010 en 2011-2013, gebaseerd op de volgende criteria:

a)

bevolking:

i)

de totale bevolking van elke lidstaat. Op dit criterium wordt een wegingsfactor van 50 % toegepast;

en

ii)

de bevolkingsdichtheid van elke lidstaat, tot een maxímum van tweemaal de gemiddelde bevolkingsdichtheid in de EU; op dit criterium wordt een wegingsfactor van 5 % toegepast;

b)

natuur en biodiversiteit:

i)

de totale oppervlakte die gebieden van communautair belang beslaan op het oppervlak van elke lidstaat, uitgedrukt als deel van de totale oppervlakte van de gebieden van communautair belang. Op dit criterium wordt een wegingsfactor van 25 % toegepast;

en

ii)

de verhouding tussen het grondgebied van een lidstaat dat door gebieden van communautair belang wordt ingenomen en het deel van het oppervlak van de Gemeenschap dat door gebieden van communautair belang wordt ingenomen. Op dit criterium wordt een wegingsfactor van 20 % toegepast.

Zodra de desbetreffende gegevens voor alle lidstaten beschikbaar zijn, maakt de Commissie berekeningen voor natuur en biodiversiteit, zowel op basis van de gebieden van communautair belang als op basis van de speciale beschermingszones, waarbij dubbele telling moet worden voorkomen.

De Commissie kan voorzien in extra toewijzingen voor niet aan zee grenzende lidstaten. Ten hoogste 3 % van de totale begrotingsmiddelen voor het uitvoeren van acties in het kader van projecten wordt op deze manier toegewezen.

De Commissie zorgt er evenwel voor dat het bedrag van de toewijzing voor geen enkele lidstaat lager ligt dan een passend minimum van tussen EUR 1 en 3 miljoen per jaar, rekening houdend met de bevolkingsdichtheid, de milieu-uitgaven, de milieubehoeften en het absorptievermogen.

3.   Het in bijlage II neergelegde strategische meerjarenprogramma specificeert de prioritaire gebieden voor communautaire financiering met betrekking de in de artikelen 1, 3 en 4 bedoelde doelstellingen en criteria.

De lidstaten kunnen voor het deel van de begroting dat voor subsidies voor het uitvoeren van acties in het kader van projecten dient te worden gebruikt, bij de Commissie jaarlijkse nationale prioriteiten indienen die zijn geselecteerd uit bijlage II, en in voorkomend geval het volgende bevatten:

a)

de vaststelling van prioritaire gebieden en soorten projecten, met inachtneming van de vastgestelde langetermijnbehoeften;

en

b)

een overzicht van de specifieke nationale doelstellingen.

Indien een lidstaat beslist bij de Commissie nationale jaarlijkse prioriteiten in te dienen, kan hij daarin transnationale prioriteiten opnemen

4.   Wanneer een lidstaat beslist, bij de Commissie nationale jaarlijkse prioriteiten in te dienen, doet hij dit zo spoedig mogelijk en uiterlijk op de overeenkomstig artikel 14, lid 2, onder a), vastgestelde datum. Dergelijke prioriteiten worden niet ingediend met betrekking tot de jaarlijkse oproep tot het indienen van voorstellen voor de begroting 2007.

5.   De Commissie doet jaarlijks een oproep tot het indienen van voorstellen voor de in artikel 4, lid 1, opgesomde onderdelen, met name met inachtneming van het in bijlage II neergelegde strategische meerjarenprogramma en eventuele, overeenkomstig lid 4 van dit artikel ingediende, nationale jaarlijkse prioriteiten.

6.   De lidstaten zenden alle voorstellen voor door de Commissie te financieren projecten in. Bij transnationale projecten zendt de lidstaat op wiens grondgebied de begunstigde is ingeschreven, het voorstel in. Het project telt naar evenredigheid mee in de nationale toewijzingen van de betrokken lidstaten.

De lidstaten kunnen schriftelijke opmerkingen maken over individuele projectvoorstellen. Zij kunnen met name opmerkingen maken over de vraag of het voorstel overeenstemt met de nationale jaarlijkse prioriteiten die uit bijlage II zijn geselecteerd.

7.   De Commissie selecteert projecten op basis van de in de artikelen 1, 3 en 4 en in de bijlagen I en II neergelegde doelstellingen en criteria.

Wanneer de Commissie de lijst opstelt met de projecten die overeenkomstig de krachtens lid 2 vastgestelde nationale toewijzingen voor financiële steun in aanmerking komen, geeft zij voorrang aan de projecten die de grootste bijdrage aan de verwezenlijking van doelstellingen van de Gemeenschap leveren, daarbij rekening houdend met:

a)

overeenkomstig lid 4 ingediende nationale prioriteiten;

en

b)

overeenkomstig lid 6 door lidstaten gemaakte opmerkingen over individuele projectvoorstellen.

De Commissie besteedt bijzondere aandacht aan transnationale projecten, wanneer transnationale samenwerking van wezenlijk belang is voor de milieubescherming, en met name voor de instandhouding van soorten en streeft ernaar dat minstens 15 % van de begrotingsmiddelen voor LIFE+ wordt toegewezen aan nationale projecten.

8.   Wanneer het totaal van de cofinanciering die voor de overeenkomstig lid 7 opgestelde lijst met projecten met betrekking tot een bepaalde lidstaat nodig is, minder bedraagt dan de indicatieve toewijzing voor deze lidstaat op basis van de in lid 2 neergelegde criteria, gebruikt de Commissie het saldo ter cofinanciering van door andere lidstaten ingediende projecten, die de grootste bijdrage aan de verwezenlijking van de in de artikelen 1, 3 en 4 en de bijlagen I en II neergelegde communautaire doelstellingen leveren.

9.   Wanneer de Commissie de lijst met te cofinancieren projecten aan het in artikel 13, lid 1, bedoelde comité voorstelt, verstrekt zij een schriftelijke uitleg over de wijze waarop zij de overeenkomstig lid 2 vastgestelde toewijzingscriteria en de overeenkomstig de leden 4 en 6 van dit artikel ingediende nationale jaarlijkse prioriteiten en opmerkingen heeft toegepast, met inachtneming van de in de artikelen 1, 3 en 4 neergelegde doelstellingen en criteria.

10.   De Commissie publiceert regelmatig lijsten van via LIFE+ gefinancierde projecten, inclusief een korte beschrijving van de doelstellingen en bereikte resultaten en een overzicht van de gedane bestedingen. Daartoe maakt zij gebruik van passende media en technologieën, inclusief internet.

Artikel 7

Begunstigden

Openbare en/of privaatrechtelijke organen, actoren en instellingen kunnen LIFE+-financiering ontvangen.

Artikel 8

Deelname van derde landen

Door LIFE+ gefinancierde programma's staan open voor participatie van de volgende landen, op voorwaarde dat aanvullende kredieten ter beschikking worden gesteld:

a)

de EVA-landen die lid zijn geworden van het Europees Milieuagentschap, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 933/1999 van de Raad van 29 april 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1210/90 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (11);

b)

landen die kandidaat zijn om tot de Europese Unie toe te treden;

c)

de landen van de Westelijke Balkan die bij het stabilisatie- en associatieproces zijn betrokken.

Artikel 9

Complementariteit tussen financiële instrumenten

Uit hoofde van deze verordening worden geen maatregelen gefinancierd die voldoen aan de selectiecriteria of het hoofddoel van, of steun voor hetzelfde doel ontvangen uit, een ander communautair financieringsinstrument, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, het programma voor concurrentievermogen en innovatie, het Europees Visserijfonds en het 7e Kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie-activiteiten. De begunstigden van maatregelen krachtens deze verordening stellen de Commissie in kennis van de financiering die zij uit de Gemeenschapsbegroting ontvangen, alsook van hun lopende financieringsaanvragen. De Commissie en de lidstaten doen stappen om te zorgen voor coördinatie en complementariteit met andere communautaire instrumenten. De Commissie brengt hierover verslag uit in het kader van de in artikel 15 bedoelde tussentijdse evaluatie en eindevaluatie.

Artikel 10

Looptijd en begrotingsmiddelen

1.   Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

2.   De financiële toewijzing voor de uitvoering van LIFE+ voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013, bedraagt EUR 2 143 409 000.

3.   De begrotingsmiddelen die worden toegewezen voor de acties waarin deze verordening voorziet, worden jaarlijks opgevoerd in de algemene begroting van de Europese Unie.

De jaarlijkse toewijzingen worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van het financieel kader.

4.   Ten minste 50 % van de begrotingsmiddelen voor LIFE+ die zijn bestemd voor subsidies voor het uitvoeren van acties, wordt toegewezen voor steunmaatregelen ter instandhouding van natuur en biodiversiteit.

Artikel 11

Monitoring

1.   Voor door LIFE+ gefinancierde projecten dient de begunstigde bij de Commissie technische en financiële voortgangsverslagen in. Tevens wordt binnen drie maanden na het afsluiten van het project een eindverslag ingediend.

2.   Onverminderd de financiële controles die door de Rekenkamer overeenkomstig artikel 248 van het Verdrag worden uitgevoerd in overleg met de bevoegde nationale controle-instanties of diensten, en onverminderd eventuele uit hoofde van artikel 279, lid 1, onder b), van het Verdrag uitgevoerde controles, voeren ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie controles ter plaatse, met inbegrip van steekproefsgewijze controles, uit met betrekking tot via LIFE+ gefinancierde projecten, met name om na te gaan of aan de selectiecriteria van artikel 3 is voldaan.

3.   Uit deze verordening voortvloeiende contracten en overeenkomsten voorzien met name in toezicht en financiële controle door de Commissie (of een door haar gemachtigde vertegenwoordiger) alsook in, indien nodig ter plaatse uit te voeren, audits door de Rekenkamer.

4.   Gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste betaling voor een project, houdt de begunstigde van financiële steun alle bewijsstukken met betrekking tot uitgaven voor het project in kwestie ter beschikking van de Commissie.

5.   Op basis van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen en steekproefsgewijze controles past de Commissie zo nodig de omvang van de oorspronkelijk toegekende financiële steun of de desbetreffende toekenningsvoorwaarden alsmede het tijdschema van de betalingen aan.

6.   De Commissie doet al het nodige om te verifiëren of gefinancierde projecten correct en in overeenstemming met deze verordening en met het Financieel Reglement worden uitgevoerd.

Artikel 12

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.   De Commissie ziet erop toe dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde projecten de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale handelingen, zulks door de uitvoering van doeltreffende controles en de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (12), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (13) en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (14).

2.   Ten aanzien van uit hoofde van LIFE+ gefinancierde projecten wordt overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 onder „onregelmatigheid” verstaan, elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht of elke schending van een contractuele verplichting die bestaat uit een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Europese Unie of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld door een onverschuldigde uitgave.

3.   De Commissie vermindert de voor een project toegekende financiering, schorst de uitbetaling ervan of vordert deze terug indien zij onregelmatigheden vaststelt, met inbegrip van de niet-naleving van de bepalingen van deze verordening of van de individuele beschikking of het contract of de overeenkomst waarbij de financiering in kwestie werd toegekend, of indien aan het licht komt dat, zonder dat de Commissie daarvoor om toestemming werd verzocht, het project werd gewijzigd op een manier die in strijd is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden ervan.

4.   Indien termijnen niet werden gerespecteerd of indien slechts een deel van de toegekende financiële steun gerechtvaardigd blijkt in het licht van de voortgang die met de uitvoering van het project wordt gemaakt, verzoekt de Commissie de begunstigde om binnen een vastgestelde termijn zijn opmerkingen kenbaar te maken. Indien de begunstigde geen bevredigend antwoord geeft, kan de Commissie de resterende financiële bijstand schrappen en de terugbetaling van de reeds uitbetaalde bedragen eisen.

5.   Alle niet verschuldigde bedragen worden aan de Commissie terugbetaald. Bedragen die niet tijdig worden terugbetaald, worden verhoogd met een achterstandsrente overeenkomstig de in het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarden.

Artikel 13

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dit besluit.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 2, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 14

Uitvoeringsbesluiten

1.   De volgende besluiten die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing:

a)

toevoeging van maatregelen aan bijlage I;

b)

wijzigingen van bijlage II.

2.   De volgende uitvoeringsbesluiten worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 13, lid 3, bedoelde procedure:

a)

besluiten tot specificatie van de vorm, de inhoud en de tijdstippen voor de indiening van de nationale jaarlijkse prioriteiten voor de toepassing van artikel 6, lid 4;

b)

besluiten tot vaststelling van de methodologie van selectieprocedures voor de periode 2008-2013 overeenkomstig artikel 6;

c)

besluiten tot aanvaarding van de lijst van projecten voor cofinanciering als bedoeld in artikel 6, leden 7 en 8;

d)

besluiten tot vaststelling van de vorm en de inhoud van de in artikel 11, lid 1, bedoelde verslagen;

en

e)

besluiten tot vaststelling van indicatoren om de controle op door LIFE+ gefinancierde maatregelen te ondersteunen.

Artikel 15

Evaluatie

1.   De Commissie zorgt voor een regelmatige monitoring van de meerjarenprogramma's, teneinde hun effect te evalueren.

2.   Uiterlijk op 30 september 2010 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij het in artikel 13, lid 1, bedoelde comité een tussentijdse evaluatie van LIFE+ in. Daarin wordt een balans opgemaakt van de uitvoering van deze verordening in de periode 2007 tot en met 2009. Indien nodig stelt de Commissie, overeenkomstig artikel 14, wijzigingen in de uitvoeringsbesluiten voor.

3.   De Commissie maakt een eindevaluatie van de uitvoering van deze verordening, waarin zowel in detail als op algemeen niveau de bijdrage van de uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties en projecten aan de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving worden beoordeeld, alsmede de wijze waarop de toewijzingen zijn gebruikt. Zij dient deze eindevaluatie uiterlijk op 31 december 2012 in bij het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel voor de verdere ontwikkeling van een exclusief op het milieu gericht financieringsinstrument dat vanaf 2014 van toepassing wordt.

Artikel 16

Vereenvoudiging en consolidatie

1.   Met het oog op vereenvoudiging en consolidatie worden ingetrokken:

a)

Verordening (EG) nr. 1655/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE) (15);

b)

Besluit nr. 1411/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende een communautair samenwerkingskader ter bevordering van duurzame stadsontwikkeling (16);

c)

Besluit nr. 466/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 1 maart 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter ondersteuning van niet-gouvernementele organisaties die voornamelijk werkzaam zijn op het gebied van milieubescherming (17);

d)

Verordening (EG) nr. 2152/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van bossen en milieu-interacties in de Gemeenschap (Forest Focus) (18).

2.   Maatregelen die vóór 31 december 2006 uit hoofde van de in lid 1 vermelde verordeningen en besluiten zijn aangevat, worden daardoor verder beheerst totdat zij zijn voltooid. De bij die verordeningen en besluiten ingestelde comités worden vervangen door het in artikel 13, lid 1, bedoelde comité. Deze verordening wordt gebruikt voor de financiering van alle verplichte monitoring en evaluatie die krachtens die verordeningen en besluiten na hun afloop zijn vereist. Totdat zij zijn voltooid, voldoen de maatregelen aan de technische voorschriften van de in lid 1 genoemde instrumenten.

3.   Voor subsidies die in 2007 uit hoofde van punt a) van bijlage I worden verleend, kunnen uitgaven vanaf 1 januari 2007 in aanmerking komen, op voorwaarde dat de uitgave niet vroeger dan de datum waarop het financieel jaar van de begunstigde aanvangt, plaatsvindt. Voor dergelijke subsidies kunnen de in artikel 112, lid 2, van het Financieel Reglement bedoelde overeenkomsten uitzonderlijk uiterlijk op 31 oktober 2007 worden ondertekend.

4.   Het in de financiële toewijzing vereiste bedrag om in de periode na 31 december 2013 in monitoring- en auditmaatregelen te voorzien, wordt slechts geacht bevestigd te zijn indien het strookt met het nieuwe, in 2014 een aanvang nemende financiële kader.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2007.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

G. GLOSER


(1)  PB C 255 van 14.10.2005, blz. 52.

(2)  PB C 231 van 20.9.2005, blz. 72.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 7 juli 2005 (PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 451), Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 27 juni 2006 (PB C 238 E van 3.10.2006, blz. 1) en Standpunt van het Europees Parlement van 24 oktober 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 mei 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en Besluit van de Raad van 14 mei 2007.

(4)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 (PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1).

(6)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368).

(7)  PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG.

(8)  PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.

(9)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(10)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(11)  PB L 117 van 5.5.1999, blz. 1.

(12)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(13)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(14)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(15)  PB L 192 van 28.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1682/2004 (PB L 308 van 5.10.2004, blz. 1).

(16)  PB L 191 van 13.7.2001, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit nr. 786/2004/EG (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 7).

(17)  PB L 75 van 16.3.2002, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit nr. 786/2004/EG.

(18)  PB L 324 van 11.12.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 788/2004 (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 17).


BIJLAGE I

VOOR FINANCIERING IN AANMERKING KOMENDE MAATREGELEN

Onverminderd artikel 9 kunnen de volgende maatregelen door LIFE+ worden gefinancierd indien zij aan de selectiecriteria van artikel 3 voldoen:

a)

operationele activiteiten van NGO's die zich hoofdzakelijk bezighouden met de bescherming en verbetering van het milieu op Europese schaal en betrokken zijn bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van communautair beleid en gemeenschapswetgeving;

b)

de ontwikkeling en het onderhoud van netwerken, databases en computersystemen die rechtstreeks gelieerd zijn aan de uitvoering van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving met name om de toegang van het publiek tot milieu-informatie te verbeteren;

c)

studies, onderzoeken, modelontwikkeling en het uitwerken van scenario's;

d)

monitoring, met inbegrip van bossen;

e)

ondersteuning van capaciteitsopbouw;

f)

opleiding, workshops en vergaderingen, met inbegrip van de opleiding van personeel dat betrokken is bij initiatieven op het gebied van bosbrandpreventie;

g)

netwerkvorming en platforms voor beste praktijken;

h)

acties op het gebied van voorlichting en communicatie, waaronder bewustmakingscampagnes en, met name, voorlichtingscampagnes inzake bosbranden;

i)

demonstratie van innoverende beleidsbenaderingen, technologieën, methoden en instrumenten;

j)

specifiek voor het onderdeel Natuur en Biodiversiteit:

het aanpakken en beheren van gebieden en soorten en gebiedsinrichting, met inbegrip van de verbetering van de ecologische samenhang van het Natura 2000-netwerk;

monitoring van de instandhoudingsstatus, waaronder de uitwerking van procedures en structuren van dergelijke monitoring;

de ontwikkeling en uitvoering van actieplannen voor de instandhouding van soorten en habitats;

de uitbreiding van het Natura 2000-netwerk in mariene gebieden;

de aankoop van land, mits:

de aankoop bijdraagt tot het handhaven of herstellen van de integriteit van een Natura 2000-gebied;

de landaankoop de enige of meest efficiënte manier is om de beoogde instandhouding te bereiken;

het aangekochte land op lange termijn bestemd is voor doelstellingen die in overeenstemming zijn met die van artikel 4, lid 2,

en

de betrokken lidstaat er door middel van overdracht of op andere wijze zorg voor draagt dat deze grond langdurig bestemd blijft voor natuurbeschermingsdoeleinden.


BIJLAGE II

STRATEGISCH MEERJARENPROGRAMMA

NATUUR EN BIODIVERSITEIT

1.   Hoofddoelstelling

Natuurlijke systemen, natuurlijke habitats, in het wild voorkomend flora en fauna beschermen, in stand houden, herstellen en monitoren, teneinde tegen 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit, met inbegrip van de diversiteit aan genetisch materiaal, binnen de EU een halt toe te roepen.

1.1.   Prioritaire gebieden voor actie

bijdragen aan de tenuitvoerlegging van het beleid en de wetgeving van de Gemeenschap inzake natuur en biodiversiteit, met name van de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG, en de integratie ervan in andere beleidsdomeinen bevorderen;

ondersteunen van de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het Natura 2000 netwerk, met inbegrip van mariene habitats en soorten alsmede habitats en soorten in kustgebieden;

ondersteunen van het ontwerpen en de uitvoering van beleidsbenaderingen en -instrumenten voor monitoring en evaluatie van de toestand van de natuur en de biodiversiteit en van de factoren, de milieudruk en de reactiemechanismen die hen beïnvloeden, met name in verband met de verwezenlijking van de doelstelling om vóór 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit in de Gemeenschap een halt toe te roepen;

en

verbeteren van de kennis van de invloed van genetisch gemodificeerde organismen op ecosystemen en biodiversiteit: methodologieën voor risicobeoordeling.

MILIEUBELEID EN GOVERNANCE

2.   Hoofddoelstelling „klimaatverandering”

Broeikasgasconcentratie stabiliseren op een niveau dat een opwarming van de aarde met meer dan 2 °C verhindert.

2.1.   Prioritaire gebieden voor actie

zorgen voor de tenuitvoerlegging van EU-verplichtingen uit hoofde van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering en ontwikkelen van een strategie en een uitvoeringsprogramma voor de periode na 2012;

ervoor zorgen dat de EU-economie en de EU-maatschappij, de natuur en de bioversiteit, watervoorraden en de gezondheid van de mens zich aan de nadelige gevolgen van de klimaatverandering (een potentiële toename van de temperatuur met 2 °C ten gevolge van verhoogde broeikasgasconcentraties) aanpassen en de gevolgen van de klimaatverandering verlichten;

zorgen voor de tenuitvoerlegging en het gebruik van op de marktwerking gebaseerde instrumenten, met name de handel in broeikasgasemissies, om te komen tot een kostenefficiënte beperking van de emissies in een kader voor na 2012.

3.   Hoofddoelstelling „water”

Bijdragen aan een betere waterkwaliteit door de ontwikkeling van kostenefficiënte maatregelen ter bereiking van een goede ecologische toestand met het oog op de ontwikkeling tegen 2009 van het eerste stroomgebiedbeheerplan uit hoofde van Richtlijn 2000/60/EG (1).

3.1.   Prioritaire gebieden voor actie

uitwisselen van voor het beleid relevante informatie en beste praktijken;

verbetering van de integratie tussen wetenschap en beleid en overdracht van resultaten ter ondersteuning van lidstaten bij de voorbereiding van stroomgebiedbeheerplannen, met inbegrip van de voorbereiding van de maatregelenprogramma's op grond van Richtlijn 2000/60/EG en de integratie van maatregelen op basis van verwante richtlijnen, waaronder Richtlijn 91/271/EEG (2), Richtlijn 91/414/EEG (3), Richtlijn 91/676/EEG (4), Richtlijn 96/61/EG (5), Richtlijn 98/83/EG (6) en Richtlijn 2006/7/EG (7);

bijdragen aan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu;

hydromorfologische maatregelen zoals het herstel van uiterwaarden en andere maatregelen in uitvoering van een richtlijn over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's.

4.   Hoofddoelstelling „lucht”

Luchtkwaliteitniveaus bereiken die geen aanleiding geven tot aanzienlijke gevolgen en risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu.

4.1.   Prioritair gebied voor actie

tenuitvoerlegging van de thematische strategie inzake luchtverontreiniging.

5.   Hoofddoelstelling „bodem”

Beschermen van en zorgen voor duurzaam bodemgebruik door de instandhouding van de bodemfuncties, de preventie van bodembedreigingen, het verlichten van de gevolgen ervan en herstel van aangetaste bodems.

5.1.   Prioritaire gebieden voor actie

tenuitvoerlegging van de thematische strategie voor bodembescherming;

en

zorgen voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit in de bodem.

6.   Hoofddoelstelling „stadsmilieu”

Bijdragen aan de verbetering van de milieuprestaties van de stedelijke gebieden in de Gemeenschap.

6.1.   Prioritair gebied voor actie

bijdragen aan een betere tenuitvoerlegging van het bestaande milieubeleid en de bestaande milieuwetgeving van de EU op lokaal niveau door de lokale autoriteiten te steunen en aan te moedigen hun stadsbeheer op een meer geïntegreerde wijze te benaderen, met inbegrip van de sectoren vervoer en energie.

7.   Hoofddoelstelling „lawaai”

Bijdragen aan de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van een beleid inzake omgevingslawaai.

7.1.   Prioritaire gebieden voor actie

preventie en beperking van de schadelijke gevolgen van blootstelling aan omgevingslawaai.

8.   Hoofddoelstelling „chemische stoffen”

Tegen 2020 verbeteren van de bescherming van het milieu en de gezondheid tegen risico's van chemische stoffen, door de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake chemische stoffen, met name Verordening (EG) nr. 1907/2006 (8) (REACH) en de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden.

8.1.   Prioritaire gebieden voor actie

uitwisseling van voor het beleid relevante informatie, beste praktijken;

verbetering van de integratie tussen wetenschap en beleid en overdracht van resultaten om een degelijke technische achtergrond ter ondersteuning van REACH tot stand te brengen;

tenuitvoerlegging van de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden.

9.   Hoofddoelstelling „milieu en gezondheid”

Ontwikkelen van de informatiebasis voor een beleid inzake milieu en gezondheid (Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010).

9.1.   Prioritaire gebieden voor actie

humane biomonitoring en gegevenskoppeling inzake milieu en gezondheid;

bescherming van de ozonlaag om de negatieve gevolgen voor de gezondheid en het milieu te beperken.

10.   Hoofddoelstelling „Natuurlijke hulpbronnen en afval”

ontwikkelen en tenuitvoerleggen van beleid dat erop gericht is te zorgen voor een duurzaam beheer en gebruik van natuurlijke hulpbronnen en afval, de milieuprestatie van producten verbeteren, duurzame productie- en consumptiepatronen, afvalpreventie, terugwinning en recycling;

bijdragen aan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de thematische strategie inzake afval.

10.1.   Prioritaire gebieden voor actie

ontwikkelen en tenuitvoerleggen van een beleid inzake duurzame productie en consumptie, met inbegrip van het geïntegreerd productbeleid;

bevorderen van het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met een levenscyclusbenadering, met inbegrip van ecologische, sociale en economische aspecten, teneinde milieuschade en economische groei van elkaar los te koppelen;

bevorderen van afvalpreventie, terugwinning en recycling, met de nadruk op een levenscyclusvisie, eco-design en de ontwikkeling van recyclingmarkten;

bijdragen aan de tenuitvoerlegging van het beleid en de wetgeving van de Gemeenschap inzake afval, met name Richtlijn 75/439/EEG (9), Richtlijn 91/689/EG (10), Richtlijn 96/59/EG (11), Richtlijn 1999/31/EG (12), Richtlijn 2000/53/EG (13), Richtlijn 2002/95/EG (14), Richtlijn 2002/96/EG (15), Verordening (EG) nr. 850/2004 (16), Richtlijn 2006/12/EG (17), Richtlijn 2006/21/EG (18) en Verordening (EG) nr. 1013/2006 (19).

11.   Hoofddoelstelling „bossen”

Totstandbrengen, met name via een EU coördinatienetwerk, van een bondige en allesomvattende basis voor het beleid relevante informatie over bossen met betrekking tot klimaatverandering (gevolgen voor bosecosystemen, mildering, substitutie-effect), biodiversiteit (basisinformatie en beschermde bosgebieden), bosbranden, de toestand van het bos en de beschermende functies van bossen (water, bodem, infrastructuur), alsmede bijdragen aan de bescherming van bossen tegen branden.

11.1.   Prioritaire gebieden voor actie

bevorderen van de vergaring, de analyse en de verspreiding van voor het beleid relevante informatie over bossen en interacties tussen bossen en het milieu;

bevorderen van de harmonisering en de doeltreffendheid van bosmonitoringactiviteiten en systemen voor de verzameling van gegevens en gebruik maken van synergieën door tussen op regionaal, nationaal, communautair en mondiaal niveau ingestelde monitoringmechanismen verbanden te leggen;

synergieën bevorderen tussen bepaalde aangelegenheden inzake bossen en milieu-initiatieven en -wetgeving (bijvoorbeeld Thematische Strategie voor bodembescherming, Natura 2000, Richtlijn 2000/60/EG);

bijdragen aan duurzaam bosbeheer, met name door het verzamelen van gegevens met betrekking tot de verbeterde pan-Europese indicatoren voor duurzaam bosbeheer, aangenomen door de Ministeriële Conferentie over de bescherming van de bossen in Europa, bijeenkomst van deskundigen op 7-8 oktober 2002 te Wenen, Oostenrijk;

capaciteitsopbouw op nationaal niveau en op dat van de Gemeenschap om coördinatie en richtinggeving inzake bosmonitoring mogelijk te maken.

12.   Hoofddoelstelling „innovatie”

Bijdragen aan het ontwikkelen en demonstreren van innovatieve beleidsbenaderingen, technologieën, methoden en instrumenten ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het Actieplan inzake milieutechnologieën (ETAP).

12.1.   Prioritaire gebieden voor actie

de verwezenlijkingen van ETAP verder definiëren en optimaliseren door een betere planning en coördinatie, daadwerkelijke monitoring van de vooruitgang, het tijdig identificeren en opvullen van lacunes in de kennis, en het efficiënte gebruik van wetenschappelijke, economische en andere voor de uitvoering van het beleid relevante informatie;

het bevorderen van de identificatie, demonstratie en verspreiding van innovatieve technologieën en pratijken, via acties die het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie aanvullen;

informatie en goede praktijken tussen EU-actoren uitwisselen met betrekking tot de internationale handel in milieutechnologieën, verantwoord investeren in ontwikkelingslanden, tenuitvoerlegging van acties van de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling (WSSD) die op milieutechnologieën betrekking hebben.

13.   Hoofddoelstelling „strategische aanpak”

de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en handhaving van milieuwetgeving van de Gemeenschap bevorderen en de kennisbasis voor het mileubeleid verbeteren;

zorgen voor efficiënter en coherenter beleid;

de milieuprestaties van KMO's verbeteren;

werktuigen aanreiken voor de ontwikkeling van milieubeleid en -wetgeving;

zorgen voor passend toezicht op projecten door de Commissie.

13.1.   Prioritaire gebieden voor actie

de beoordeling van nieuwe beleidsmaatregelen verbeteren, met name bij hun aanvankelijke formulering en latere herziening;

de kennisbasis voor het ontwikkelen en het ten uitvoer leggen van het beleid verbeteren door de oprichting van een gezamenlijk milieu-informatiesysteem en het ondersteunen van de uitvoering van het initiatief betreffende de mondiale bewaking inzake milieu en veiligheid (GMES);

de beoordeling van de tenuitvoerlegging en de evaluatie achteraf verbeteren;

voor het milieu schadelijke subsidies identificeren en geleidelijk afschaffen;

meer gebruik maken van op de marktwerking gebaseerde instrumenten om tot een betere mix van beleidsinstrumenten te komen;

in werktuigen voorzien ter ondersteuning van beleidsvormen inzake duurzame ontwikkeling, met name indicatoren;

het Environmental Compliance Assitance Programme voor KMO's uitvoeren;

de nodige stappen ondernemen met gebruikmaking van externe bijstand om het milieubeleid te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen;

voorzien in de instrumenten om technische en/of administratieve bijstand te verkrijgen met betrekking tot de identificatie, de voorbereiding, het beheer, de monitoring, audit van en toezicht op projecten, met inbegrip van LIFE III en LIFE+ projecten.

14.   Hoofddoelstelling „Governance”

Tot een betere milieugovernance komen, met inbegrip van een grotere bewustwording inzake milieuvraagstukken en participatie van de Europese burgers in de besluitvorming op milieugebied.

14.1.   Prioritair gebied voor actie

in de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het beleid en de wetgeving inzake milieu meer ruimte laten om de belanghebbenden, waaronder consumentenverenigingen en NGO's erbij te betrekken.

15.   Hoofddoelstelling „NGO's”

Bevorderen van NGO's die hoofdzakelijk actief zijn op milieugebied op Europees niveau.

15.1.   Prioritaire gebieden voor actie

de deelname van NGO's aan de dialoog over de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het milieubeleid versterken;

de deelname van NGO's aan het Europees normalisatieproces bevorderen om te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de belanghebbenden en de systematische integratie van milieuaspecten.

INFORMATIE EN COMMUNICATIE

16.   Hoofddoelstelling

Zorgen voor een regelmatige en doeltreffende informatiestroom om de basis voor beleidsbeslissingen inzake het milieu aan te reiken en om de burgers toegankelijke informatie inzake de toestand en de evolutie van het milieu aan te reiken.

16.1.   Prioritair gebied voor actie

informatie verspreiden, eco-labelling, bewustwording bevorderen en specifieke vaardigheden ontwikkelen inzake milieuaangelegenheden, met inbegrip van de preventie van bosbranden.


(1)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1). Richtlijn gewijzigd bij Besluit nr. 2455/2001/EG (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).

(2)  Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(3)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/21/EG van de Commissie (PB L 97 van 12.4.2007, blz. 42).

(4)  Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1). Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(5)  Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

(6)  Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32). Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(7)  Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit (PB L 64 van 4.3.2006, blz. 37).

(8)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(9)  Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB L 194 van 25.7.1975, blz. 23). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91).

(10)  Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

(11)  Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) (PB L 243 van 24.9.1996, blz. 31).

(12)  Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(13)  Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit van de Raad 2005/673/EG (PB L 254 van 30.9.2005, blz. 69).

(14)  Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (PB L 37 van 13.2.2003, blz. 19). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit van de Commissie 2006/692/EG (PB L 283 van 14.10.2006, blz. 50).

(15)  Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (PB L 37 van 13.2.2003, blz. 24). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/108/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 106).

(16)  Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening van de Commissie (EG) nr. 323/2007 (PB L 85 van 27.3.2007, blz. 3).

(17)  Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9).

(18)  Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15).

(19)  Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).


VERKLARING VAN DE COMMISSIE

Op basis van de gegevens die de lidstaten haar zullen toezenden en vroeg genoeg voor de herziening van het financieel kader in 2008/2009, zal de Commissie een evaluatie opstellen van de gemaakte en de verwachte kosten van het beheer van de Natura 2000-netwerken, zowel op nationaal niveau als op dat van de Europese Unie, ten einde de communautaire instrumenten, en met name het programma LIFE+, aan te passen en een hoog niveau van communautaire medefinanciering te verzekeren.


Top