Help Print this page 
Title and reference
Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 332, 18.12.2007, p. 27–45 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 06 Volume 008 P. 314 - 332
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

18.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/27


RICHTLIJN 2007/65/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 december 2007

tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, en artikel 55,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 89/552/EEG (4) coördineert bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten. Nieuwe transmissietechnologieën voor audiovisuele mediadiensten maken evenwel een aanpassing van dit wettelijke kader noodzakelijk zodat rekening kan worden gehouden met de effecten van structurele veranderingen, de verbreiding van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en technologische ontwikkelingen op businessmodellen, in het bijzonder de financiering van commerciële omroep, en kan worden gezorgd voor optimale concurrentievoorwaarden en rechtszekerheid voor Europese informatietechnologie en Europese mediabedrijven en -diensten, alsmede voor eerbiediging van de culturele en taalkundige verscheidenheid.

(2)

De wettelijke, regelgevende en bestuursrechtelijke maatregelen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten worden al gecoördineerd door Richtlijn 89/552/EEG, terwijl de regels voor activiteiten zoals audiovisuele mediadiensten op aanvraag discrepanties bevatten, waarvan sommige het vrije verkeer van deze diensten in de Europese Gemeenschap kunnen belemmeren en de concurrentie op de interne markt kunnen vervalsen.

(3)

Audiovisuele mediadiensten zijn zowel culturele als economische diensten. Het toenemende belang ervan voor de samenleving, de democratie — met name ten aanzien van het waarborgen van informatievrijheid, meningsverscheidenheid en mediapluriformiteit — het onderwijs en de cultuur rechtvaardigt de toepassing van bijzondere voorschriften voor deze diensten.

(4)

Artikel 151, lid 4, van het Verdrag bepaalt dat de Gemeenschap bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van het Verdrag rekening moet houden met culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen.

(5)

In zijn resolutie van 1 december 2005 (5) en 4 april 2006 (6) over de Doharonde en de ministersconferenties van de WTO riep het Europees Parlement op, essentiële overheidsdiensten zoals audiovisuele diensten uit te sluiten van de liberalisering in het kader van de GATS-onderhandelingen. In zijn standpunt van 27 april 2006 (7) steunde het Europees Parlement het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, waarin met name bepaald is dat culturele activiteiten, goederen en diensten zowel een economisch als een cultureel aspect hebben omdat zij dragers zijn van identiteiten, waarden en betekenissen, en bijgevolg niet mogen worden behandeld alsof zij uitsluitend een commerciële waarde hebben. Bij Besluit 2006/515/EG van de Raad van 18 mei 2006 inzake de sluiting van het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen (8) is het Unesco-Verdrag namens de Gemeenschap goedgekeurd. Het Verdrag is op 18 maart 2007 in werking getreden. Deze richtlijn eerbiedigt de beginselen van dat Verdrag.

(6)

Traditionele audiovisuele mediadiensten — zoals televisie — en de opkomende audiovisuele mediadiensten op aanvraag bieden een aanzienlijk werkgelegenheidspotentieel in de Gemeenschap, met name in kleine en middelgrote ondernemingen, en stimuleren economische groei en investeringen. Gezien het belang van een eerlijk speelveld en een echte Europese markt voor audiovisuele mediadiensten, dienen de fundamentele beginselen van de interne markt, zoals de vrije mededinging en gelijke behandeling, in acht te worden genomen om te waarborgen dat er op de markt van audiovisuele mediadiensten sprake is van transparantie en voorspelbaarheid en om te zorgen voor lage toegangsdrempels.

(7)

Europese bedrijven die audiovisuele mediadiensten aanbieden, worden met rechtsonzekerheid en ongelijke mededinginsgvoorwaarden geconfronteerd waar het de wettelijke regelingen ten aanzien van de nieuwe audiovisuele mediadiensten op aanvraag betreft. Het is derhalve noodzakelijk, teneinde concurrentievervalsing te voorkomen, de rechtszekerheid te vergroten, bij te dragen tot de voltooiing van de interne markt en het ontstaan van één enkele informatieruimte te vergemakkelijken, om voor alle audiovisuele mediadiensten, zowel televisieomroep (d.w.z. lineaire audiovisuele mediadiensten) als audiovisuele mediadiensten op aanvraag (d.w.z. non-lineaire audiovisuele mediadiensten), ten minste een basispakket van gecoördineerde voorschriften vast te stellen. De grondbeginselen van Richtlijn 89/552/EEG, namelijk het land-van-oorsprongbeginsel en gemeenschappelijke minimumnormen, hebben hun nut bewezen en moeten dan ook worden gehandhaafd.

(8)

De Commissie heeft op 15 december 2003 een mededeling aangenomen over de toekomst van het Europese audiovisuele regelgevingsbeleid, waarin zij benadrukt dat het regelgevingsbeleid in deze sector bepaalde algemene belangen dient te waarborgen, zoals de culturele verscheidenheid, het recht op informatie, mediapluralisme, de bescherming van minderjarigen en de bescherming van de consument, en de bewustwording en de mediageletterdheid, nu en in de toekomst, moet verhogen.

(9)

In de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 25 januari 1999 betreffende de publieke omroep (9) is bevestigd dat de publieke omroep bij het vervullen van zijn opdracht voordeel moet blijven halen uit de technologische vooruitgang. Het naast elkaar bestaan van particuliere en openbare aanbieders van audiovisuele mediadiensten is een onderscheidend kenmerk van de Europese audiovisuele mediamarkt.

(10)

De Commissie heeft het initiatief „i2010: de Europese informatiemaatschappij” aangenomen, dat de groei en de werkgelegenheid in de informatiemaatschappij en de media-industrie moet bevorderen. Dit is een totaalstrategie die de productie van Europese inhoud, de ontwikkeling van de digitale economie en de integratie van ICT moet stimuleren tegen de achtergrond van de convergentie van de diensten van de informatiemaatschappij en mediadiensten, -netwerken en -apparatuur, door alle EU-beleidsinstrumenten te moderniseren en te benutten: regelgeving, onderzoek en partnerschappen met de industrie. De Commissie heeft toegezegd om in het kader van de interne markt een samenhangend raamwerk te zullen creëren voor de diensten van de informatiemaatschappij en mediadiensten door het wetgevingskader voor audiovisuele diensten te moderniseren, allereerst door in 2005 een voorstel voor de modernisering van de „Televisie zonder grenzen”-richtlijn in te dienen en deze om te zetten in een richtlijn voor audiovisuele mediadiensten. De doelstelling van het initiatief „i2010” dient in principe te worden bereikt door de sectoren in staat te stellen te groeien met slechts de noodzakelijke regelgeving en door kleine startende ondernemingen, die rijkdom en werkgelegenheid creëren voor de toekomst, in staat te stellen om te groeien, te innoveren en werkgelegenheid te scheppen op een vrije markt.

(11)

Het Europees Parlement heeft op 4 september 2003 (10), 22 april 2004 (11) en 6 september 2005 (12) resoluties aanvaard waarin wordt aangedrongen op de aanpassing van Richtlijn 89/552/EEG zodat deze structurele veranderingen en technologische ontwikkelingen weergeeft, zij het met behoud van de uitgangspunten ervan, welke nog steeds geldig zijn. Bovendien ondersteunde het in principe de algemene aanpak van basisvoorschriften voor alle audiovisuele mediadiensten en aanvullende voorschriften voor televisieomroep.

(12)

Deze richtlijn versterkt de naleving van de fundamentele rechten en beantwoordt volledig aan de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (13) erkende beginselen, met name artikel 11. In dit verband dient niets in deze richtlijn de lidstaten te beletten om hun grondwettelijke regels inzake persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in de media toe te passen.

(13)

Deze richtlijn dient niets af te doen aan de verplichtingen die voor de lidstaten voortvloeien uit de toepassing van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (14). Voorstellen voor nationale maatregelen met betrekking tot audiovisuele mediadiensten op aanvraag die strenger of meer gedetailleerd zijn dan de maatregelen die vereist zijn voor de omzetting van deze richtlijn, vallen dienovereenkomstig onder de procedureverplichtingen van artikel 8 van Richtlijn 98/34/EG.

(14)

Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (15) laat volgens haar artikel 1, lid 3 de maatregelen onverlet die op communautair of nationaal niveau met inachtneming van het communautair recht zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder voor wat betreft regulering van de inhoud en audiovisueel beleid.

(15)

Geen van de bepalingen van deze richtlijn mag de lidstaten verplichten of aanmoedigen om nieuwe stelsels van vergunningen of administratieve machtigingen voor enigerlei audiovisuele mediadiensten in te voeren.

(16)

Voor de toepassing van deze richtlijn, dient de definitie van audiovisuele mediadienst alleen audiovisuele mediadiensten, televisieomroepdiensten of diensten op aanvraag, die massamedia zijn, te omvatten, dat wil zeggen, die bedoeld zijn voor ontvangst door, en een duidelijke impact kunnen hebben op, een significant deel van het publiek. Het bereik daarvan dient zich evenwel te beperken tot diensten als gedefinieerd door het Verdrag, waardoor het wel op alle vormen van economische activiteit betrekking heeft, met inbegrip van die van openbare dienstverleningsbedrijven, doch niet op activiteiten die in hoofdzaak niet-economisch zijn en niet concurreren met televisie-uitzendingen, zoals particuliere websites en diensten die bestaan in het leveren of verspreiden van audiovisuele inhoud die door particuliere gebruikers wordt gegenereerd om te worden gedeeld en uitgewisseld met groepen met gemeenschappelijke belangen.

(17)

Eigen aan audiovisuele mediadiensten op aanvraag is dat zij „met televisie te vergelijken” zijn, dit wil zeggen dat zij wedijveren om hetzelfde publiek als televisie-uitzendingen, en dat vanwege de aard van, en wijze van toegang tot, de dienst de gebruiker redelijkerwijs kan veronderstellen aanspraak te kunnen maken op regulerende bescherming binnen het bestek van deze richtlijn. Derhalve moet, teneinde ongelijkheid op het gebied van vrij verkeer en mededinging te voorkomen, het begrip „programma” dynamisch worden geïnterpreteerd, om rekening te houden met de ontwikkelingen op het gebied van televisieomroep.

(18)

Voor de toepassing van deze richtlijn dient de definitie van audiovisuele mediadienst massamedia te bestrijken voor zover zij ter informatie, vermaak of educatie van het algemene publiek dienen, en dient zij audiovisuele commerciële communicatie te omvatten, maar geen betrekking te hebben op welke vorm van particuliere correspondentie dan ook, zoals e-mails die aan een beperkt aantal ontvangers worden gezonden. Onder de definitie dienen evenmin te vallen alle diensten waarvan het hoofddoel niet het aanbieden van programma’s is, d.w.z. waarbij audiovisuele inhoud een zuiver bijkomstig aspect is en niet het hoofddoel van de dienst. Voorbeelden hiervan zijn websites die weliswaar audiovisuele elementen bevatten maar enkel en alleen ter ondersteuning, zoals grafische animaties, korte advertentiespots of informatie in verband met een product of niet-audiovisuele dienst. Om deze redenen dienen ook van de werkingssfeer van de richtlijn te worden uitgesloten kansspelen met een inzet die een geldwaarde vertegenwoordigt, waaronder loterijen, weddenschappen en andere gokdiensten, evenals onlinespelen en zoekmachines, doch niet uitzendingen gewijd aan gokken of kansspelen.

(19)

Natuurlijke personen of rechtspersonen die uitsluitend programma’s doorgeven waarvoor derden de redactionele verantwoordelijkheid dragen, zijn uitgesloten van de definitie van aanbieder van mediadiensten.

(20)

Tot de televisieomroep behoren op dit moment met name analoge en digitale televisie, live streaming, webcasting en „near-video-on-demand”, terwijl bijvoorbeeld video-on-demand een audiovisuele mediadienst op aanvraag is. In het algemeen dient er, bij televisieomroep of televisie-uitzendingen die door dezelfde aanbieder van mediadiensten ook als audiovisuele mediadiensten op aanvraag worden aangeboden, van te worden uitgegaan dat met het respecteren van de voor de televisieomroep geldende voorwaarden voldaan is aan de voorwaarden van deze richtlijn. Wanneer diverse soorten diensten parallel worden aangeboden, doch duidelijk afzonderlijke diensten zijn, dient de richtlijn evenwel op elk van de betrokken diensten van toepassing te zijn.

(21)

Het toepassingsgebied van deze richtlijn mag elektronische versies van kranten en tijdschriften niet omvatten.

(22)

Voor de toepassing van deze richtlijn verwijst de term „audiovisueel” naar bewegende beelden met of zonder geluid, waardoor deze wel betrekking heeft op stomme films, maar niet op de doorgifte van geluid of radiodiensten. Terwijl het hoofddoel van een audiovisuele mediadienst het aanbieden van programma’s is, bestrijkt de definitie van een dergelijke dienst ook op tekst gebaseerde inhoud die deze programma’s vergezelt, zoals ondertitelingsdiensten en elektronische programmagidsen. Autonome op tekst gebaseerde diensten dienen niet te vallen binnen de werkingssfeer van deze richtlijn, die de vrijheid van de lidstaten om bedoelde diensten overeenkomstig het Verdrag op nationaal niveau te reguleren, onverlet laat.

(23)

Het begrip van redactionele verantwoordelijkheid is essentieel voor de definiëring van de rol van de aanbieder van mediadiensten en derhalve ook voor de definitie van audiovisuele mediadiensten. De lidstaten kunnen bij de aanneming van de bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn bepaalde aspecten van de definitie van redactionele verantwoordelijkheid, met name het begrip „effectieve controle”, nader specificeren. Deze richtlijn laat de aansprakelijkheidsvrijstellingen van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (16) (Richtlijn „elektronische handel”) onverlet.

(24)

In de context van televisieomroep dient het begrip „gelijktijdig bekijken” ook het bijna-gelijktijdig bekijken te omvatten, omwille van de variaties in de korte tijdsspanne tussen de transmissie en de ontvangst van de uitzending die het gevolg zijn van technische redenen inherent aan het transmissieproces.

(25)

Aan alle criteria van audiovisuele mediadiensten, zoals vermeld in de definitie ervan en verklaard in de overwegingen 16 tot en met 23, moet tegelijkertijd worden voldaan.

(26)

Naast televisiereclame en telewinkelen dient het ruimere begrip audiovisuele commerciële communicatie in deze richtlijn te worden geïntroduceerd. Dit begrip dient echter niet te omvatten de kosteloos uitgezonden boodschappen van de overheid en liefdadigheidsinstanties.

(27)

Het land-van-oorsprongbeginsel dient het kernpunt te blijven van deze richtlijn, aangezien het essentieel is voor de totstandbrenging van een interne markt. Dit beginsel moet daarom voor alle audiovisuele mediadiensten gelden teneinde de aanbieders van mediadiensten de rechtszekerheid te bieden die zij nodig hebben als grondslag voor nieuwe businessmodellen en voor de ontwikkeling van deze diensten. Het is tevens essentieel voor het vrije verkeer van informatie en audiovisuele programma’s in de interne markt.

(28)

Om een sterke, concurrerende en geïntegreerde Europese audiovisuele industrie te bevorderen en het pluralisme van de media in de gehele Europese Unie te versterken, dient slechts één enkele lidstaat de rechtsbevoegdheid te hebben over een aanbieder van audiovisuele mediadiensten en pluralisme op informatiegebied een fundamenteel beginsel van de Europese Unie te zijn.

(29)

Vanwege de technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van digitale satellietuitzendingen, dienen de bijkomende criteria te worden aangepast teneinde een adequate regelgeving en een effectieve toepassing ervan te garanderen en om de marktspelers werkelijk greep op de inhoud van audiovisuele mediadiensten te geven.

(30)

Aangezien deze richtlijn betrekking heeft op diensten die aan het algemene publiek in de Europese Unie worden aangeboden, dient zij uitsluitend te gelden voor audiovisuele mediadiensten die direct of indirect door het algemene publiek in een of meer lidstaten met standaardapparatuur voor de consument kunnen worden ontvangen. De definitie van „standaardapparatuur voor de consument” dient aan de bevoegde nationale instanties te worden overgelaten.

(31)

In de artikelen 43 tot en met 48 van het Verdrag is het fundamentele recht op vrijheid van vestiging neergelegd. Daarom staat het de aanbieders van mediadiensten in het algemeen vrij te bepalen in welke lidstaten zij zich vestigen. Het Hof van Justitie heeft ook benadrukt dat „het Verdrag een onderneming immers niet verbiedt gebruik te maken van de vrijheid van dienstverrichting wanneer zij in de lidstaat waarin zij is gevestigd, geen diensten aanbiedt” (17).

(32)

De lidstaten moeten op de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden meer gedetailleerde of strengere maatregelen kunnen toepassen op aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, er evenwel op toeziend dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht. Voor gevallen waarin een onder de bevoegdheid van een lidstaat vallende omroeporganisatie een televisie-uitzending aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op het grondgebied van een andere lidstaat is gericht, vormt de eis dat lidstaten met elkaar samenwerken en, voor gevallen van omzeiling, een codificatie van de rechtspraak van het Hof van Justitie (18), gecombineerd met een doeltreffendere procedure, een passende oplossing, waarbij rekening wordt gehouden met de bedenkingen van de lidstaten zonder de juiste toepassing van het land-van-oorsprongbeginsel ter discussie te stellen. Het begrip „regels van algemeen publiek belang” is door het Hof van Justitie ontwikkeld in zijn rechtspraak betreffende de artikelen 43 en 49 van het Verdrag, en omvat onder meer regels inzake consumentenbescherming, bescherming van minderjarigen en cultuurbeleid. De verzoekende lidstaat moet ervoor zorgen dat de specifieke nationale regels ter zake objectief noodzakelijk zijn, op niet-discriminerende wijze worden toegepast, geschikt zijn om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en zich beperken tot hetgeen noodzakelijk is om deze te verwezenlijken.

(33)

Bij de beoordeling, per geval, of een uitzending door een in een andere lidstaat gevestigde aanbieder van mediadiensten volledig of hoofdzakelijk op zijn grondgebied is gericht, kan een lidstaat verwijzen naar indicatoren, zoals de herkomst van de televisiereclame- en/of abonnementsgelden, de hoofdtaal van de dienst of het bestaan van programma’s of commerciële communicatie die specifiek zijn gericht op het publiek van de lidstaat van ontvangst.

(34)

Krachtens deze richtlijn mogen de lidstaten niettemin, onverminderd de toepassing van het land-van-oorsprongbeginsel, maatregelen nemen die het vrije verkeer van televisie-uitzendingen beperken, doch enkel onder bepaalde voorwaarden en overeenkomstig de in deze richtlijn vastgelegde procedure. Het Hof van Justitie heeft steeds gesteld dat elke beperking van de vrijheid van dienstverrichting, zoals elke afwijking van een van de grondbeginselen van het Verdrag, restrictief moet worden uitgelegd (19).

(35)

Met betrekking tot audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen beperkingen op de vrije aanbieding alleen mogelijk te zijn volgens voorwaarden en procedures die overeenkomen met die welke reeds zijn vastgesteld in Richtlijn 2000/31/EG, artikel 3, leden 4, 5 en 6.

(36)

In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad getiteld „Betere regelgeving met het oog op economische groei en meer banen in de Europese Unie” heeft de Commissie benadrukt dat een zorgvuldige analyse van de passende regelgevingsaanpak moet worden gemaakt, met name om vast te stellen of voor de betrokken sector en het betrokken probleem wetgeving de voorkeur moet krijgen of dat alternatieven zoals coregulering en zelfregulering moeten worden overwogen. De ervaring heeft voorts uitgewezen dat zowel coregulerings- als zelfreguleringsinstrumenten die worden uitgevoerd overeenkomstig de verschillende wetgevingstradities van de lidstaten, een belangrijke rol kunnen spelen bij het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming. Maatregelen tot verwezenlijking van doelen van publiek belang in de opkomende sector van audiovisuele mediadiensten zijn doelmatiger als zij worden genomen met actieve steun van de aanbieders van de diensten zelf.

Zelfregulering is op deze manier een soort vrijwillig initiatief dat economische actoren, de sociale partners, niet-gouvernementele organisaties of verenigingen in staat stelt onderling voor zichzelf gezamenlijke richtsnoeren vast te stellen. De lidstaten moeten, overeenkomstig hun uiteenlopende rechtstradities, de rol erkennen die doelmatige zelfregulering kan spelen als aanvulling op de wetgeving en de bestaande gerechtelijke en/of bestuursrechtelijke mechanismen en de nuttige bijdrage die zij kan leveren tot verwezenlijking van de doelen van deze richtlijn. Zelfregulering kan dus een aanvullende manier zijn om bepaalde voorschriften van deze richtlijn toe te passen, maar kan niet volledig in de plaats treden van de verplichting van de nationale wetgever.

Coregulering in haar minimale vorm verschaft de „juridische schakel” tussen zelfregulering en de nationale wetgever overeenkomstig de wetgevingstradities van de lidstaten. Coregulering dient de mogelijkheid te bieden voor overheidsoptreden indien de doelstellingen ervan niet worden bereikt. Onverminderd de formele verplichtingen van de lidstaten inzake omzetting, moedigt deze richtlijn het gebruik van coregulering en zelfregulering aan. Zulks verplicht de lidstaten echter niet te voorzien in co- en/of zelfregulering, en leidt evenmin tot een verstoring of het in gevaar brengen van reeds bestaande, daadwerkelijk functionerende co- en/of zelfreguleringsinitiatieven in de lidstaten.

(37)

„Mediageletterdheid” heeft betrekking op vaardigheden, kennis en inzicht die consumenten in staat stellen doeltreffend en veilig gebruik te maken van media. Mediageletterde mensen zijn in staat geïnformeerde keuzes te maken, de aard van inhoud en diensten te begrijpen en hun voordeel te doen met het volledige scala aan mogelijkheden die de nieuwe communicatietechnologieën bieden. Zij zijn beter in staat zichzelf en hun gezinnen te beschermen tegen schadelijk of aanstootgevend materiaal. Daarom moet de ontwikkeling van mediageletterdheid in alle lagen van de samenleving worden bevorderd, en de vorderingen ter zake moeten op de voet worden gevolgd.

De aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten (20) bevat reeds een reeks mogelijke maatregelen ter bevordering van de mediageletterdheid, zoals bijvoorbeeld permanente bijscholing van leerkrachten en opvoeders, specifiek internetonderricht voor kinderen vanaf zeer jonge leeftijd, met inbegrip van sessies die ook voor ouders toegankelijk zijn, of het organiseren van nationale campagnes voor burgers, met gebruikmaking van alle media, om informatie over een verantwoord gebruik van internet te verspreiden.

(38)

Omroeporganisaties kunnen op basis van exclusiviteit de televisieomroeprechten verwerven op de uitzending van bepaalde evenementen van groot belang voor het publiek. Het is evenwel essentieel het pluralisme te bevorderen door de diversiteit van de nieuwsproductie- en -programmering in de gehele Europese Unie te bevorderen en door de beginselen van artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in acht te nemen.

(39)

Teneinde het fundamentele recht op het vergaren van informatie te waarborgen en de belangen van de kijkers in de Europese Unie volledig en afdoende te beschermen, dienen zij die de exclusieve televisieomroeprechten uitoefenen op de uitzending van het verslag van een evenement van groot belang voor het publiek andere omroeporganisaties het recht te geven korte fragmenten van dat verslag te gebruiken voor hun algemene nieuwsprogramma’s op basis van eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, zij het met inachtneming van die exclusieve rechten. Deze voorwaarden dienen tijdig vóór het evenement van groot belang voor het publiek te worden bekendgemaakt, teneinde anderen de gelegenheid te geven van dit recht gebruik te maken. Een omroeporganisatie moet dit recht kunnen uitoefenen via een tussenpersoon die specifiek per geval namens die organisatie optreedt. Dergelijke korte fragmenten mogen door alle netten, met inbegrip van aan sport gewijde netten, worden gebruikt voor uitzendingen in de gehele Europese Unie, en dienen zij niet langer te zijn dan 90 seconden.

Het recht van toegang tot korte fragmenten is op grensoverschrijdende basis alleen van toepassing wanneer dat noodzakelijk is. Een omroeporganisatie moet die toegang dan ook eerst proberen te verkrijgen via een in dezelfde lidstaat gevestigde omroeporganisatie die exclusieve rechten heeft op het evenement van groot belang voor het publiek.

Onder het begrip algemeen nieuwsprogramma valt niet de compilatie van fragmenten in amusementsprogramma’s.

Het land-van-oorsprongbeginsel is van toepassing op zowel de toegang tot als de uitzending van de korte fragmenten. In een grensoverschrijdend geval betekent dit dat de verschillende wetgevingen achtereenvolgens worden toegepast. Ten eerste is, voor de toegang tot de korte fragmenten, de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar de omroeporganisatie is gevestigd die het oorspronkelijke signaal verstrekt (d.w.z. die toegang geeft). Dat is gewoonlijk de lidstaat waar het evenement plaatsheeft. Wanneer een lidstaat een gelijkwaardig systeem van toegang tot het evenement heeft ingesteld, is de wetgeving van deze lidstaat in elk geval van toepassing. Ten tweede is, voor de uitzending van de korte fragmenten, de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar de omroeporganisatie is gevestigd die de korte fragmenten uitzendt (d.w.z. doorgeeft).

(40)

De vereisten van deze richtlijn betreffende de toegang tot evenementen van groot belang voor het publiek met het oog op korte nieuwsverslagen doen geen afbreuk aan Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (21) en de desbetreffende internationale overeenkomsten op het gebied van auteursrecht en naburige rechten. De lidstaten faciliteren de toegang tot evenementen van groot belang voor het publiek door toegang te verlenen tot het signaal van de omroeporganisatie, in de zin van deze richtlijn. Zij kunnen evenwel kiezen voor andere, gelijkwaardige middelen als bedoeld in deze richtlijn. Daartoe behoort onder meer het verlenen van toegang tot de plaats van het evenement, alvorens toegang te verlenen tot het signaal. Deze bepaling belet omroeporganisaties niet meer gedetailleerde overeenkomsten te sluiten.

(41)

Er dient voor te worden gezorgd dat de praktijk van aanbieders van mediadiensten om hun rechtstreekse televisie-uitzendingen van nieuwsprogramma’s na de rechtstreekse uitzending op aanvraag aan te bieden, mogelijk blijft zonder dat individuele programma’s behoeven te worden bewerkt waarbij fragmenten moeten worden weggelaten. Deze mogelijkheid wordt beperkt tot de aanbieding op aanvraag van identieke televisieprogramma’s door dezelfde aanbieder van mediadiensten, zodat zij niet kan worden benut om nieuwe businessmodellen op aanvraag te creëren op basis van fragmenten.

(42)

Audiovisuele mediadiensten op aanvraag verschillen van televisieomroep in de keuze en de invloed van de gebruiker en in de gevolgen ervan voor de samenleving (22). Dit rechtvaardigt dat minder strenge wetgeving wordt vastgesteld voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag, die uitsluitend aan de basisvoorschriften van deze richtlijn hoeven te voldoen.

(43)

Vanwege het specifieke karakter van audiovisuele mediadiensten, in het bijzonder het effect van deze diensten op de opinievorming, is het essentieel voor de gebruikers dat zij precies weten wie voor de inhoud van deze diensten verantwoordelijk is. Daarom is het belangrijk dat de lidstaten ervoor zorgen dat de gebruikers te allen tijde gemakkelijk en rechtstreeks toegang hebben tot de informatie over de aanbieder van mediadiensten. Het is aan de lidstaten om de praktische bijzonderheden te bepalen van de methode waarmee deze doelstelling kan worden bereikt zonder daarbij afbreuk te doen aan andere relevante bepalingen van het Gemeenschapsrecht.

(44)

De beschikbaarheid van schadelijke inhoud via audiovisuele mediadiensten blijft een bron van zorg voor wetgevers, de media-industrie en ouders. Er zullen tevens nieuwe uitdagingen bijkomen, met name in verband met nieuwe platforms en nieuwe producten. Derhalve is het noodzakelijk voorschriften in te voeren ter bescherming van de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en inzake de menselijke waardigheid in alle audiovisuele mediadiensten, met inbegrip van audiovisuele commerciële communicatie.

(45)

Er dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden tussen enerzijds de maatregelen ter bescherming van de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en de menselijke waardigheid en anderzijds het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting, zoals dat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is neergelegd. Het doel van deze maatregelen, zoals het gebruik van persoonlijke identificatienummers (PIN-codes), filtersystemen of etikettering, dient derhalve te zijn, de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en de menselijke waardigheid een adequate bescherming te bieden, met name wat betreft audiovisuele mediadiensten op aanvraag.

In de aanbeveling betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord wordt reeds het belang van filtersystemen en etikettering erkend en een aantal mogelijke maatregelen genoemd ten behoeve van minderjarigen, zoals het systematisch ter beschikking van de gebruikers stellen van een doeltreffend, actualiseerbaar en eenvoudig te gebruiken filtersysteem op het ogenblik dat zij zich abonneren op een toegangsdienst, of toegang tot diensten die speciaal voor kinderen zijn bestemd uitrusten met een automatisch filterinstrument.

(46)

De onder de bevoegdheid van een van de lidstaten vallende aanbieders van mediadiensten zijn in elk geval onderworpen aan de verbodsbepalingen inzake de verspreiding van kinderpornografie, krachtens Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003 ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie (23).

(47)

De bepalingen van deze richtlijn inzake de bescherming van de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en de menselijke waardigheid vereisen geen voorafgaande controle van audiovisuele mediadiensten door overheidsinstanties in het kader van de toepassing van de maatregelen ter bescherming van die belangen.

(48)

Audiovisuele mediadiensten op aanvraag hebben het potentieel om televisieomroep gedeeltelijk te vervangen. Derhalve moeten zij, waar dit uitvoerbaar is, de vervaardiging en verspreiding van Europese producties promoten om aldus een actieve bijdrage te leveren aan de bevordering van de culturele verscheidenheid. Deze ondersteuning van Europese producties kan de vorm krijgen van bijvoorbeeld financiële bijdragen van zulke diensten aan de vervaardiging van en de verwerving van de rechten op Europese producties, een minimumaandeel Europese producties in catalogi van video’s op aanvraag of een aantrekkelijke presentatie van Europese producties in elektronische programmagidsen. Het is van belang de toepassing van de bepalingen inzake het promoten van Europese producties via audiovisuele mediadiensten regelmatig opnieuw te onderzoeken. Binnen het bestek van de in deze richtlijn bedoelde rapportage dienen de lidstaten tevens rekening te houden met in het bijzonder de financiële bijdrage van zulke diensten aan de vervaardiging van en de verwerving van de rechten op Europese producties, met het aandeel Europese producties in de catalogus van audiovisuele mediadiensten, alsmede met de feitelijke consumptie van de door dergelijke diensten aangeboden Europese producties door de gebruikers.

(49)

Wanneer de lidstaten „onafhankelijke producent” als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 89/552/EEG definiëren, dienen zij naar behoren rekening houden met criteria als de eigendom van het productiebedrijf, de hoeveelheid programma’s die aan dezelfde omroeporganisatie wordt geleverd en de eigendom van secundaire rechten.

(50)

Bij de uitvoering van de bepalingen van artikel 4 van Richtlijn 89/552/EEG dienen de lidstaten omroeporganisaties aan te moedigen een voldoende groot aandeel Europese coproducties en andere Europese producties van buitenlandse oorsprong in hun programmering op te nemen.

(51)

Het is belangrijk te garanderen dat cinematografische werken worden uitgezonden in de tussen de rechthebbenden en de aanbieders van mediadiensten overeengekomen periodes.

(52)

Door de beschikbaarheid van audiovisuele mediadiensten op aanvraag worden de keuzemogelijkheden van de consument groter. Gedetailleerde voorschriften voor audiovisuele commerciële communicatie bij audiovisuele mediadiensten op aanvraag lijken derhalve niet gerechtvaardigd en vanuit technisch oogpunt evenmin zinvol. Toch dient alle audiovisuele commerciële communicatie niet alleen aan de identificatievoorschriften te voldoen, maar ook aan een basispakket van kwalitatieve voorschriften die moeten waarborgen dat zij in overeenstemming zijn met duidelijke doelstellingen van het overheidsbeleid.

(53)

Het recht op weerwoord is een geschikt rechtsmiddel voor televisieomroep en zou ook kunnen worden gebruikt in de online-omgeving. De aanbeveling betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord behelst reeds passende richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van maatregelen in de nationale wetgeving of praktijken om het recht op weerwoord of gelijkwaardige rechtsmiddelen met betrekking tot de online-media voldoende te verzekeren.

(54)

Zoals de Commissie in haar interpretatieve mededeling over bepaalde aspecten van de bepalingen van de richtlijn „Televisie zonder grenzen” inzake reclame heeft erkend (24), heeft de ontwikkeling van nieuwe reclametechnieken en marketinginnovaties tot nieuwe, doeltreffende mogelijkheden voor audiovisuele commerciële communicatie via traditionele omroepdiensten geleid, waardoor deze potentieel beter in staat zijn op voet van gelijkheid met innovaties op het gebied van diensten op aanvraag te concurreren.

(55)

Commerciële en technologische ontwikkelingen geven gebruikers meer keuzemogelijkheden en verantwoordelijkheid bij de omgang met audiovisuele mediadiensten. De regelgeving dient, teneinde in de juiste verhouding tot de doelstellingen van algemeen belang te blijven staan, een zekere mate van flexibiliteit toe te laten ten aanzien van televisieomroep. Het scheidingsbeginsel dient beperkt te blijven tot televisiereclame en telewinkelen, productplaatsing moet onder bepaalde omstandigheden mogelijk zijn, tenzij een lidstaat anders beslist, en enkele kwantitatieve beperkingen dienen te worden afgeschaft. Wanneer productplaatsing evenwel als sluikreclame moet worden beschouwd, dient deze te worden verboden. Het scheidingsbeginsel mag het gebruik van nieuwe reclametechnieken niet onmogelijk maken.

(56)

Voorts is Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (25), de onder deze richtlijn vallende activiteiten daargelaten, van toepassing op oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende en agressieve praktijken die in audiovisuele mediadiensten worden toegepast. Omdat Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (26), die reclame en sponsoring voor sigaretten en andere tabaksproducten in gedrukte media, diensten van de informatiemaatschappij en radio-uitzendingen verbiedt, Richtlijn 89/552/EEG onverlet laat, dient verder de relatie tussen Richtlijn 2003/33/EG en Richtlijn 89/552/EEG, gelet op de bijzondere eigenschappen van audiovisuele mediadiensten, na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige richtlijn ongewijzigd te blijven. Artikel 88, lid 1, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (27), dat publieksreclame voor bepaalde geneesmiddelen verbiedt, laat, zoals bepaald in lid 5 van dat artikel, artikel 14 van Richtlijn 89/552/EEG onverlet. De relatie tussen Richtlijn 2001/83/EG en Richtlijn 89/552/EEG mag door de inwerkingtreding van de onderhavige richtlijn niet worden gewijzigd. Voorts laat deze richtlijn Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (28) onverlet.

(57)

Gezien de toegenomen mogelijkheden voor kijkers om reclame te vermijden door het gebruik van nieuwe technologieën, zoals digitale persoonlijke videorecorders en het grotere aanbod van kanalen, zijn gedetailleerde voorschriften voor het invoegen van reclamespots met het oog op de bescherming van de kijker niet langer gerechtvaardigd. Deze richtlijn voorziet weliswaar niet in een uitbreiding van de toelaatbare zendtijd voor reclame per uur, maar geeft omroeporganisaties toch meer flexibiliteit bij de invoeging, voor zover de integriteit van de programma’s hierdoor niet overmatig wordt aangetast.

(58)

De richtlijn dient het eigen karakter van de Europese televisie, waar reclame bij voorkeur tussen programma’s wordt ingelast, te beschermen en stelt daarom beperkingen aan de onderbreking van cinematografische producties en voor televisie geproduceerde films, alsmede van sommige categorieën programma’s die nog steeds specifieke bescherming behoeven.

(59)

De daglimiet voor de hoeveelheid televisiereclame had een overwegend theoretisch karakter. De uurlimiet is belangrijker, aangezien deze ook voor prime time geldt. Daarom dient de daglimiet te worden afgeschaft terwijl de uurlimiet voor televisiereclame en telewinkelreclamespots moet worden gehandhaafd. Ook de kwantitatieve beperking van de zendtijd voor telewinkel- en reclamekanalen lijkt niet langer gerechtvaardigd nu de consument meer keuze heeft. Het maximum van 20 % televisiereclamespots en telewinkelreclamespots per klokuur blijft evenwel van toepassing. Onder televisiereclamespot dient te worden verstaan een televisiereclame in de zin van artikel 1, onder i), van Richtlijn 89/552/EEG met een duur van niet meer dan 12 minuten.

(60)

Audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame is een praktijk die door deze richtlijn wordt verboden vanwege de negatieve effecten ervan op de consument. Het verbod op audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame is niet van toepassing op rechtmatige productplaatsing binnen de door de richtlijn gestelde grenzen, op voorwaarde dat de kijker afdoende wordt gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing. Dit kan gebeuren door aan te geven dat productplaatsing in een bepaald programma voorkomt, bijvoorbeeld door middel van een neutraal logo.

(61)

Productplaatsing is een gegeven in cinematografische werken en in audiovisuele producties voor televisie, maar de lidstaten hebben uiteenlopende voorschriften voor deze praktijk vastgesteld. Teneinde voor een eerlijk speelveld te zorgen en dus het concurrentievermogen van de Europese media-industrie te verbeteren, is het noodzakelijk voorschriften voor productplaatsing vast te stellen. Onder de in deze richtlijn geïntroduceerde definitie van productplaatsing valt elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van opname van of verwijzing naar een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk in een programma, tegen betaling of soortgelijke vergoeding. Het gratis leveren van goederen of diensten, zoals rekwisieten en prijzen, dient alleen als productplaatsing te worden beschouwd indien de betrokken goederen of diensten van grote waarde zijn. Voor productplaatsing dienen dezelfde kwalitatieve voorschriften en beperkingen te gelden als voor audiovisuele commerciële communicatie. Het belangrijkste verschil tussen sponsoring en productplaatsing is dat, in het geval van productplaatsing, de verwijzing naar een product is ingebed in de actie van een programma, hetgeen verklaart waarom in de definitie in artikel 1, onder m), het woord „binnen het kader van” is opgenomen. Verwijzingen naar een sponsor kunnen daarentegen worden getoond tijdens een programma maar maken geen deel uit van de plot.

(62)

Productplaatsing dient, in beginsel, verboden te zijn. Voor sommige programmagenres is het evenwel passend om op basis van een positieve lijst afwijkingen toe te staan. De lidstaten dienen te kunnen besluiten deze afwijkingen geheel of gedeeltelijk niet toe te passen, bijvoorbeeld door productplaatsing alleen toe te staan in programma’s die niet exclusief in die lidstaat zijn geproduceerd.

(63)

Voorts dienen sponsoring en productplaatsing te zijn verboden wanneer zij de inhoud van programma’s zodanig beïnvloeden dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten erdoor worden aangetast. Dat is het geval bij themaplaatsing.

(64)

Het recht van personen met een handicap en ouderen om te participeren en te integreren in het maatschappelijke en culturele leven van de Gemeenschap is onlosmakelijk verbonden met de beschikbaarheid van toegankelijke audiovisuele mediadiensten. De middelen om dit te verwezenlijken dienen minstens gebarentaal, ondertiteling, audiodescriptie en gemakkelijk te begrijpen menunavigatie te omvatten.

(65)

De lidstaten zijn, volgens de hen bij het Verdrag toegewezen taken, verantwoordelijk voor de omzetting en de daadwerkelijke uitvoering van deze richtlijn. Het staat hen vrij de passende instrumenten te kiezen, overeenkomstig hun rechtstradities en gevestigde structuren, en met name de vorm van hun bevoegde onafhankelijke regulerende organen, zodat zij hun werk bij de uitvoering van deze richtlijn op onvooringenomen en transparante wijze kunnen doen. Meer specifiek dienen de door de lidstaten gekozen instrumenten bij te dragen tot de bevordering van mediapluralisme.

(66)

Nauwe samenwerking tussen de bevoegde regulerende organen van de lidstaten en de Commissie is noodzakelijk om te garanderen dat deze richtlijn correct wordt toegepast. Ook is nauwe samenwerking tussen de lidstaten en tussen de regulerende organen van de lidstaten met name belangrijk vanwege het effect dat een in een lidstaat gevestigde omroeporganisatie kan hebben in een andere lidstaat. Indien het nationale recht in vergunningsprocedures voorziet en indien meer dan één lidstaat betrokken is, is het wenselijk dat de betrokken organen met elkaar contact opnemen voordat dergelijke vergunningen worden verleend. Deze samenwerking moet gelden voor alle gebieden die door Richtlijn 89/552/EEG, en met name door de artikelen 2, 2 bis en 3 daarvan, worden gecoördineerd.

(67)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het realiseren van een ruimte zonder binnengrenzen voor audiovisuele mediadiensten waarbij tegelijk een hoog beschermingsniveau wordt gewaarborgd wat betreft doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid, en de bevordering van de rechten van personen met een handicap, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(68)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (29) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 89/552/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1.

De titel wordt vervangen door:

2.

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„audiovisuele mediadienst”:

een dienst in de zin van de artikelen 49 en 50 van het Verdrag die valt onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, met als hoofddoel de levering aan het algemene publiek van programma’s ter informatie, vermaak of educatie via elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG. Bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd in punt e) van dit artikel hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd in punt g) van dit artikel; en/of

audiovisuele commerciële communicatie;

b)

„programma”: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die een afzonderlijk element van een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde schema of catalogus vormt en waarvan de vorm en de inhoud vergelijkbaar zijn met die van televisie-uitzendingen. Voorbeelden van programma’s zijn bioscoopfilms, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma’s en origineel drama;

c)

„redactionele verantwoordelijkheid”: het uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma’s en de organisatie ervan in hetzij een chronologisch schema, in het geval van televisie-uitzendingen, hetzij een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Redactionele verantwoordelijkheid behelst niet noodzakelijkerwijs een wettelijke aansprakelijkheid voor de inhoud of de aangeboden diensten krachtens het nationale recht;

d)

„aanbieder van mediadiensten”: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd;

e)

„televisieomroep” of „televisie-uitzending”: (d.w.z. een lineaire audiovisuele mediadienst) een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadienst voor het gelijktijdig bekijken van programma’s op basis van een programmaschema;

f)

„omroeporganisatie”: een mediadienstenaanbieder van televisie-uitzendingen;

g)

„audiovisuele mediadienst op aanvraag” (d.w.z. een niet-lineaire audiovisuele mediadienst): een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadienst die de gebruiker de mogelijkheid biedt tot het bekijken van programma’s op diens individueel verzoek en op het door hem gekozen moment op basis van een door de aanbieder van mediadiensten geselecteerde programmacatalogus;

h)

„audiovisuele commerciële communicatie”: beelden, al dan niet met geluid, welke dienen om rechtstreeks of onrechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten. Dergelijke beelden vergezellen of maken deel uit van een programma, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van audiovisuele commerciële communicatie zijn onder meer televisiereclame, sponsoring, telewinkelen en productplaatsing;

i)

„televisiereclame”: de door een publieke of particuliere onderneming of natuurlijke persoon, tegen betaling of soortgelijke vergoeding dan wel ten behoeve van zelfpromotie uitgezonden boodschap — in welke vorm dan ook — in verband met de uitoefening van een commerciële, industriële, ambachtelijke activiteit of van een beroep, ter bevordering van de levering tegen betaling van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen;

j)

„audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame”: het vermelden of vertonen van goederen, diensten, naam, handelsmerk of activiteiten van een producent van goederen of een aanbieder van diensten in programma’s, indien de aanbieder van mediadiensten daarmee beoogt reclame te maken en het publiek kan worden misleid omtrent de aard van deze vermelding c.q. vertoning. Deze bedoeling wordt met name geacht aanwezig te zijn indien de vermelding c.q. vertoning tegen betaling of soortgelijke vergoeding geschiedt;

k)

„sponsoring”: elke bijdrage van een publieke of particuliere onderneming of een natuurlijke persoon die zich niet bezighoudt met het aanbieden van audiovisuele mediadiensten of met de vervaardiging van audiovisuele producties, aan de financiering van audiovisuele mediadiensten of programma’s met het doel haar naam, handelsmerk, imago, activiteiten of producten meer bekendheid te geven;

l)

„telewinkelen”: rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek die worden uitgezonden met het oog op de levering tegen betaling van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen;

m)

„productplaatsing”: elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie die bestaat in het opnemen van of het verwijzen naar een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk binnen het kader van een programma, tegen betaling of soortgelijke vergoeding;

n)

i)

„Europese producties”:

producties die afkomstig zijn uit lidstaten;

producties die afkomstig zijn uit derde Europese staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa en die voldoen aan de voorwaarden van punt ii);

coproducties die zijn vervaardigd in het kader van tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten met betrekking tot de audiovisuele sector en die voldoen aan de voorwaarden van de betrokken overeenkomsten.

Voorwaarde voor de toepassing van het tweede en derde streepje is dat producties die afkomstig zijn uit lidstaten, in de betrokken derde landen niet worden getroffen door discriminerende maatregelen.

ii)

De onder i), eerste en tweede streepje, bedoelde producties zijn producties welke voornamelijk tot stand zijn gebracht met hulp van auteurs en medewerkers die in een of meer van de onder i), eerste en tweede streepje, bedoelde staten woonachtig zijn en die aan een van de volgende drie voorwaarden voldoen:

de producties zijn tot stand gebracht door een of meer in een of meer van deze staten gevestigde producenten; of

de vervaardiging ervan geschiedt onder het toezicht en de feitelijke controle van een of meer in een of meer van deze staten gevestigde producenten; of

de bijdrage van de coproducenten van deze staten in de totale kosten van de coproductie is doorslaggevend en de coproductie staat niet onder controle van een of meer buiten deze staten gevestigde producenten.

iii)

Producties die geen Europese producties in de zin van punt i) zijn, maar die vervaardigd worden in het kader van tussen de lidstaten en derde landen gesloten bilaterale coproductieverdragen, worden als Europese producties beschouwd mits de coproducenten uit de Gemeenschap een meerderheidsaandeel hebben in de totale productiekosten en de productie niet onder controle staat van een of meer buiten de lidstaten gevestigde producenten.”.

3.

Artikel 2 wordt vervangen door:

„Artikel 2

1.   Elke lidstaat ziet erop toe dat alle audiovisuele mediadiensten, uitgezonden door onder zijn bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten, voldoen aan de regels van het rechtsstelsel dat van toepassing is op audiovisuele mediadiensten die bestemd zijn voor het publiek in die lidstaat.

2.   In deze richtlijn wordt onder aanbieders van mediadiensten die onder de bevoegdheid van een lidstaat vallen, verstaan:

a)

die welke overeenkomstig lid 3 in die lidstaat gevestigd zijn; of

b)

die waarop lid 4 van toepassing is.

3.   In deze richtlijn wordt een aanbieder van mediadiensten geacht in een lidstaat gevestigd te zijn in de volgende gevallen:

a)

de aanbieder van mediadiensten heeft zijn hoofdkantoor in die lidstaat en de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele mediadienst worden in die lidstaat genomen;

b)

indien een aanbieder van mediadiensten zijn hoofdkantoor in een lidstaat heeft, maar de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele mediadiensten in een andere lidstaat worden genomen, wordt die aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar een aanzienlijk deel van het bij de activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is. Indien in elk van die lidstaten een aanzienlijk deel van het bij de activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is, wordt de aanbieder van mediadienst geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar hij zijn hoofdkantoor heeft. Indien in geen van die lidstaten een aanzienlijk deel van het bij de activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is, wordt de aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar hij het eerst met zijn activiteiten is begonnen overeenkomstig het recht van die lidstaat, mits hij een duurzame en reële band met de economie van die lidstaat onderhoudt;

c)

indien een aanbieder van mediadiensten zijn hoofdkantoor in een lidstaat heeft, terwijl beslissingen betreffende de audiovisuele mediadienst in een derde land worden genomen, of andersom, wordt hij geacht gevestigd te zijn in de betrokken lidstaat, mits een aanzienlijk deel van het bij de activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel in die lidstaat werkzaam is.

4.   Aanbieders van mediadiensten waarop lid 3 niet van toepassing is, worden geacht onder de bevoegdheid van een lidstaat te vallen, wanneer zij:

a)

gebruikmaken van een aarde-satellietverbinding in die lidstaat;

b)

gebruikmaken van tot die lidstaat behorende satellietcapaciteit, hoewel zij geen gebruikmaken van een aarde-satellietverbinding in die lidstaat.

5.   Indien niet volgens de leden 3 en 4 kan worden bepaald welke lidstaat bevoegd is, is de bevoegde lidstaat die waarin de aanbieder van mediadiensten is gevestigd in de zin van de artikelen 43 tot en met 48 van het Verdrag.

6.   Deze richtlijn is niet van toepassing op audiovisuele mediadiensten die uitsluitend voor ontvangst in derde landen bestemd zijn en die niet rechtstreeks of onrechtstreeks met standaardapparatuur voor de consument door het publiek in een of meer lidstaten worden ontvangen.”.

4.

Artikel 2 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren niet de doorgifte op hun grondgebied van audiovisuele mediadiensten uit andere lidstaten om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen.”;

b)

in lid 2 worden de inleidende zin en punt a) vervangen door:

„2.   Met betrekking tot televisie-uitzendingen mogen de lidstaten tijdelijk afwijken van lid 1 wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

een televisie-uitzending uit een andere lidstaat vormt een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk op artikel 22, lid 1 of 2, en/of op artikel 3 ter;”;

c)

de volgende leden worden toegevoegd:

„4.   Met betrekking tot audiovisuele mediadiensten op aanvraag mogen de lidstaten voor een bepaalde dienst maatregelen nemen die afwijken van lid 1, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

De maatregelen:

i)

zijn noodzakelijk voor een van de volgende doelstellingen:

de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen,

de bescherming van de volksgezondheid,

de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie,

de bescherming van consumenten, met inbegrip van beleggers;

ii)

worden genomen ten aanzien van een bepaalde audiovisuele mediadienst op aanvraag die een inbreuk maakt op de onder i) genoemde doelstellingen of een ernstig risico daarvoor inhoudt;

iii)

zijn evenredig aan die doelstellingen;

b)

de lidstaat moet, alvorens de betrokken maatregelen te nemen en onverminderd eventuele rechtszaken, met inbegrip van het vooronderzoek en in het kader van een strafrechtelijk onderzoek verrichte handelingen:

de lidstaat onder wiens bevoegdheid de dienstverlener valt, verzoeken maatregelen te nemen, maar deze is daar niet of onvoldoende op ingegaan;

de Commissie en de lidstaat onder wiens bevoegdheid de dienstverlener valt, kennis geven van zijn voornemen dergelijke maatregelen te nemen.

5.   In urgente gevallen kunnen de lidstaten afwijken van de in lid 4, onder b), genoemde voorwaarden. In dat geval moeten de maatregelen op zo kort mogelijke termijn de Commissie en de lidstaat onder wiens bevoegdheid de dienstverlener valt, ter kennis worden gebracht met opgave van de redenen waarom de lidstaat van oordeel is dat het om een urgente situatie gaat.

6.   Onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaat om de uitvoering van de in de leden 4 en 5 bedoelde maatregelen voort te zetten, gaat de Commissie zo spoedig mogelijk na of de haar ter kennis gebrachte maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht. Concludeert zij dat de maatregelen niet verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht, dan verzoekt zij de lidstaat in kwestie om van de beoogde maatregelen af te zien of om de uitvoering daarvan onmiddellijk te staken.”.

5.

Artikel 3 wordt vervangen door.

„Artikel 3

1.   Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van strengere of meer gedetailleerde regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, op voorwaarde dat deze regels met het Gemeenschapsrecht stroken.

2.   In het geval dat een lidstaat:

a)

op grond van de hem door lid 1 geboden vrijheid strengere of meer gedetailleerde regels van algemeen publiek belang heeft aangenomen, en tevens

b)

van oordeel is dat een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende omroeporganisatie een televisie-uitzending aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op zijn grondgebied is gericht,

kan hij contact opnemen met de bevoegde lidstaat teneinde een wederzijds aanvaardbare oplossing voor ondervonden problemen mogelijk te maken. Indien de bevoegde lidstaat van jurisdictie daartoe een met redenen omkleed verzoek van de eerstbedoelde lidstaat ontvangt, verzoekt hij de omroeporganisatie de desbetreffende regels van algemeen publiek belang na te leven. De bevoegde lidstaat licht de eerstbedoelde lidstaat binnen de twee maanden in over het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. Beide lidstaten mogen het bij artikel 23 bis ingestelde Contactcomité vragen de zaak te onderzoeken.

3.   Indien de eerst bedoelde lidstaat van oordeel is dat:

a)

het resultaat van de toepassing van lid 2 niet bevredigend is, en tevens

b)

de betrokken omroeporganisatie zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om, de strengere voorschriften op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd en die op haar van toepassing zouden zijn indien zij in de eerst bedoelde lidstaat zou zijn gevestigd te omzeilen, kan deze lidstaat passende maatregelen tegen de betrokken omroeporganisatie nemen.

Dergelijke maatregelen zijn objectief noodzakelijk, worden op niet-discriminerende wijze genomen, zijn geschikt om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en beperken zich tot hetgeen noodzakelijk is om deze te verwezenlijken.

4.   Een lidstaat mag slechts maatregelen uit hoofde van lid 3 nemen indien alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

hij heeft de Commissie en de lidstaat waarin de omroeporganisatie gevestigd is, in kennis gesteld van zijn voornemen om dergelijke maatregelen te nemen, met opgave van de redenen waarop hij zijn beoordeling heeft gebaseerd; en

b)

de Commissie heeft besloten dat de maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht, en in het bijzonder dat de beoordeling van de lidstaat die de maatregelen bedoeld in de leden 2 en 3 neemt, gegrond zijn.

5.   De Commissie neemt binnen drie maanden na de in lid 4, onder a), bedoelde kennisgeving een besluit. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht, ziet de lidstaat in kwestie ervan af de voorgestelde maatregelen te nemen.

6.   De lidstaten zorgen er in het kader van hun wetgeving met passende middelen voor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten de bepalingen van deze richtlijn daadwerkelijk naleven.

7.   De lidstaten stimuleren co- en/of zelfregulering op nationaal niveau op de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden, voor zover hun rechtsstelsels dat toestaan. De betrokken regelingen zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste belanghebbenden in de betrokken lidstaten en in effectieve handhaving voorzien.

8.   Richtlijn 2000/31/EG is volledig van toepassing, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Indien een bepaling van Richtlijn 2000/31/EG strijdig is met een bepaling van onderhavige richtlijn, prevaleren de bepalingen van onderhavige richtlijn, tenzij in onderhavige richtlijn anders is bepaald.”.

6.

Artikel 3 bis wordt geschrapt.

7.

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK II bis

VOOR ALLE AUDIOVISUELE MEDIADIENSTEN GELDENDE BEPALINGEN

Artikel 3 bis

De lidstaten zorgen ervoor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten ten minste de volgende informatie gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ter beschikking stellen van de ontvangers van een dienst:

a)

de naam van de aanbieder van mediadiensten;

b)

het geografische adres waar de aanbieder van de mediadiensten gevestigd is;

c)

nadere gegevens van de aanbieder van mediadiensten, waaronder diens e-mail- of webadres, zodat hij snel, rechtstreeks en doeltreffend kan worden bereikt;

d)

voor zover van toepassing, de bevoegde nationale regulerende of toezichthoudende organen.

Artikel 3 ter

De lidstaten zorgen er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet aanzetten tot haat op grond van ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit.

Artikel 3 quater

De lidstaten sporen de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan ervoor te zorgen dat hun diensten, gefaseerd toegankelijk worden voor personen met een visuele of auditieve handicap.

Artikel 3 quinquies

De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten geen cinematografische werken uitzenden buiten de met de houders van rechten overeengekomen tijdvakken.

Artikel 3 sexies

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan de volgende eisen voldoet:

a)

audiovisuele commerciële communicatie moet gemakkelijk als zodanig herkenbaar zijn. Audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame is verboden;

b)

bij audiovisuele commerciële communicatie mogen geen subliminale technieken worden gebruikt;

c)

audiovisuele commerciële communicatie mag niet:

i)

de menselijke waardigheid aantasten;

ii)

enige vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, nationaliteit, godsdienst of levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bevatten of bevorderen;

iii)

aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor gezondheid of veiligheid;

iv)

aansporen tot gedrag dat in hoge mate schadelijk is voor het milieu;

d)

audiovisuele commerciële communicatie voor sigaretten en andere tabaksproducten is verboden;

e)

audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken mag niet specifiek gericht zijn op minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;

f)

audiovisuele commerciële communicatie voor geneesmiddelen en medische behandelingen die in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, is verboden;

g)

audiovisuele commerciële communicatie mag minderjarigen geen lichamelijke of zedelijke schade toebrengen. Derhalve mag zij minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten een product of dienst te kopen of te huren door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, hen niet rechtstreeks aanzetten hun ouders of anderen te overreden de aangeprezen goederen of diensten aan te kopen, niet profiteren van het bijzondere vertrouwen dat minderjarigen in ouders, leerkrachten of andere personen stellen, en minderjarigen niet zonder gegronde redenen in gevaarlijke situaties tonen.

2.   De lidstaten en de Commissie moedigen aanbieders van mediadiensten aan een gedragscode te ontwikkelen betreffende ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie, die kinderprogramma’s vergezelt of daar deel van uitmaakt, inzake voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen en andere stoffen met nutritieve en fysiologische effecten bevatten, met name stoffen zoals vetten, trans-vetzuren, zout/natrium en suikers, waarvan een overmatig gebruik in het algehele dieet niet aanbevolen is.

Artikel 3 septies

1.   Audiovisuele mediadiensten of programma’s die worden gesponsord, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de inhoud en, in het geval van televisie-uitzendingen, de programmering, mogen nimmer dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;

b)

zij mogen niet rechtstreeks aansporen tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzingen van die goederen of diensten;

c)

de kijkers moeten duidelijk worden gewezen op het bestaan van een sponsoringovereenkomst. Gesponsorde programma’s moeten duidelijk als zodanig worden gekenmerkt doordat aan het begin, tijdens en/of aan het einde van het programma op passende wijze naam, logo en/of ander symbool van de sponsor, zoals een verwijzing naar diens product(en) of dienst(en) of een onderscheidingsteken daarvan, worden vermeld.

2.   Audiovisuele mediadiensten of programma’s mogen niet worden gesponsord door ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten.

3.   Bij sponsoring van audiovisuele mediadiensten of programma’s door ondernemingen waarvan de activiteiten de vervaardiging of verkoop van geneesmiddelen en medische behandelingen omvatten, mag de naam of het imago van de onderneming worden aangeprezen, maar mogen geen specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen worden aangeprezen die in de lidstaten onder de bevoegdheid waarvan de aanbieder van deze mediadiensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn.

4.   Nieuws en actualiteitenprogramma’s mogen niet worden gesponsord. De lidstaten mogen het vertonen van een logo van een sponsor tijdens programma’s voor kinderen, documentaires en godsdienstige programma’s verbieden.

Artikel 3 octies

1.   Productplaatsing is verboden.

2.   In afwijking van lid 1 is productplaatsing evenwel toegestaan, tenzij een lidstaat hierover anders besluit:

in cinematografische producties, voor audiovisuele mediadiensten gemaakte films en series, sportprogramma’s en lichte amusementsprogramma’s; of

ten aanzien van bepaalde goederen of diensten die niet tegen betaling, maar uitsluitend gratis worden geleverd, zoals productiehulp en prijzen, met het oog op de opneming ervan in een programma.

De onder het eerste streepje genoemde afwijking geldt niet voor kinderprogramma’s.

De programma’s die productplaatsing bevatten, voldoen ten minste aan alle volgende voorwaarden:

a)

de inhoud en, in het geval van televisie-uitzendingen, de programmering ervan, mogen nimmer dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;

b)

zij sporen niet rechtstreeks aan tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzing van die producten of diensten;

c)

het betrokken product krijgt geen overmatige aandacht;

d)

de kijkers worden duidelijk gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing. Programma’s die productplaatsing bevatten, worden aan het begin en het eind van het programma, alsook wanneer een programma na een reclamepauze wordt hervat, op passende wijze als zodanig aangeduid om verwarring bij de kijker te voorkomen.

De lidstaten mogen bij wijze van afwijking afzien van de onder d) genoemde vereisten op voorwaarde dat het betrokken programma niet is geproduceerd noch besteld door de aanbieder van mediadiensten zelf of door een aan de aanbieder van mediadiensten verbonden onderneming.

3.   Programma’s mogen in geen geval productplaatsing bevatten voor:

tabaksproducten of sigaretten of productplaatsing van ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit in de productie of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten bestaat; of

specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die alleen op voorschrift beschikbaar zijn in de lidstaat onder de bevoegdheid waarvan de betrokken aanbieder van mediadiensten valt.

4.   De leden 1, 2 en 3 zijn alleen van toepassing op programma’s die na 19 december 2009 zijn geproduceerd.”.

8.

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK II ter

BEPALINGEN DIE UITSLUITEND GELDEN VOOR AUDIOVISUELE MEDIADIENSTEN OP AANVRAAG

Artikel 3 nonies

De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekte diensten op aanvraag die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen dergelijke audiovisuele mediadiensten op aanvraag normaliter niet te horen of te zien krijgen.

Artikel 3 decies

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekte diensten op aanvraag, voor zover haalbaar en met passende middelen, de vervaardiging van en de toegang tot Europese producties bevorderen. Een dergelijke promotie kan onder meer betrekking hebben op de financiële bijdrage van zulke diensten aan de vervaardiging van en de verwerving van rechten van Europese producties, of op het aandeel en/of de prominente aanwezigheid van Europese producties in de door de audiovisuele mediadienst op aanvraag aangeboden programmacatalogus.

2.   De lidstaten brengen uiterlijk op 19 december 2011 en vervolgens om de vier jaar aan de Commissie verslag uit over de uitvoering van lid 1.

3.   De Commissie brengt op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie en een onafhankelijke studie, verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van lid 1, rekening houdend met de marktontwikkelingen, de technologische vooruitgang en de nagestreefde culturele diversiteit.”.

9.

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK II quater

BEPALINGEN INZAKE EXCLUSIEVE RECHTEN EN KORTE NIEUWSVERSLAGEN IN TELEVISIE-UITZENDINGEN

Artikel 3 undecies

1.   Iedere lidstaat kan in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat onder zijn bevoegdheid vallende omroeporganisaties evenementen die door die lidstaat van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht, niet op een exclusieve basis uitzenden op zodanige wijze dat een belangrijk deel van het publiek in die lidstaat dergelijke evenementen niet via rechtstreekse of uitgestelde verslaggeving op de kosteloze televisie kan volgen. In dat geval stelt de betrokken lidstaat een lijst van aangewezen nationale of niet-nationale evenementen op die hij van aanzienlijk belang voor de samenleving acht. De lidstaat doet dit te gepasten tijde op duidelijke en transparante wijze. Daarbij bepaalt de betrokken lidstaat tevens of deze evenementen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving beschikbaar moeten zijn.

2.   De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van alle maatregelen die zij krachtens lid 1 nemen of hebben genomen. Binnen een periode van drie maanden na de kennisgeving vergewist de Commissie zich ervan dat deze maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en stelt zij de andere lidstaten ervan in kennis. Zij wint advies in bij het krachtens artikel 23 bis ingestelde contactcomité. Zij maakt de genomen maatregelen onverwijld bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en publiceert ten minste eenmaal per jaar de geconsolideerde lijst van door de lidstaten getroffen maatregelen.

3.   De lidstaten zorgen er in het kader van hun wetgeving met passende middelen voor dat onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties de door deze organisaties na de datum van bekendmaking van deze richtlijn verworven exclusieve rechten niet op zodanige wijze uitoefenen dat een belangrijk deel van het publiek in een andere lidstaat evenementen die door die andere lidstaat overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn aangewezen, niet op de kosteloze televisie kan volgen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving, zoals door die andere lidstaat overeenkomstig lid 1 is bepaald.

Artikel 3 duodecies

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, met het oog op korte nieuwsverslagen, elke in de Gemeenschap gevestigde omroeporganisaties op billijke, redelijke en niet-discriminerende basis toegang hebben tot evenementen van groot belang voor het publiek die op basis van exclusiviteit door een onder hun rechtsbevoegdheid vallende omroeporganisatie worden uitgezonden.

2.   Indien een andere omroeporganisatie die in dezelfde lidstaat als de om toegang verzoekende omroeporganisatie is gevestigd, exclusieve rechten heeft verworven voor het betrokken evenement van groot belang voor het publiek, dient bij deze omroeporganisatie om toegang te worden verzocht.

3.   De lidstaten waarborgen die toegang door de omroeporganisaties de mogelijkheid te geven vrijelijk korte fragmenten te kiezen uit het signaal van de omroeporganisatie die de uitzending verzorgt waarbij, tenzij zulks om praktische redenen niet mogelijk is, in ieder geval minstens de bron dient te worden vermeld.

4.   Bij wijze van alternatief voor lid 3 kan een lidstaat een gelijkwaardig systeem opzetten dat met andere middelen op billijke, redelijke en niet-discriminerende basis toegang bewerkstelligt.

5.   Korte fragmenten worden alleen voor algemene nieuwsprogramma’s gebruikt, en mogen uitsluitend in audiovisuele mediadiensten op aanvraag worden gebruikt indien hetzelfde programma door dezelfde aanbieder van mediadiensten via uitgestelde verslaggeving wordt aangeboden.

6.   Onverminderd de leden 1 tot en met 5 zorgen de lidstaten, overeenkomstig hun rechtsstelsel en -praktijk, ervoor dat de wijze van en de voorwaarden voor het aanbieden van dergelijke korte fragmenten worden gedefinieerd, met name wat betreft de compensatieregelingen, de maximale duur van de korte fragmenten en de termijnen voor de transmissie ervan. Eventuele compensatie overschrijdt niet de extra kosten die rechtstreeks voortkomen uit het verschaffen van toegang.”.

10.

In artikel 4, lid 1, wordt de zinsnede „in de zin van artikel 6” geschrapt.

11.

De artikelen 6 en 7 worden geschrapt.

12.

De titel van hoofdstuk IV wordt vervangen door:

13.

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

1.   Televisiereclame en telewinkelprogramma’s dienen duidelijk herkenbaar te zijn en te kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud. Zonder afbreuk te doen aan het gebruik van nieuwe reclametechnieken dienen televisiereclame en telewinkelprogramma’s met visuele en/of akoestische en/of ruimtelijke middelen van andere onderdelen van het programma te worden gescheiden.

2.   Afzonderlijke reclame- en telewinkelspots blijven een uitzondering, behalve in uitzendingen van sportevenementen.”.

14.

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer programma’s worden onderbroken voor televisiereclame of telewinkelen, de integriteit en de waarde van de programma’s niet worden geschaad, rekening houdende met de natuurlijke pauzes in en de duur en de aard van het programma, en er geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de rechtenhouders.

2.   Uitzendingen van televisiefilms (met uitsluiting van series, feuilletons en documentaires), cinematografische producties, en nieuwsprogramma’s mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor reclame en/of telewinkelen. Uitzendingen van kinderprogramma’s mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor reclame en/of telewinkelen, mits de geprogrammeerde duur van het programma meer dan 30 minuten bedraagt. Uitzendingen van religieuze erediensten mogen niet worden onderbroken voor televisiereclame of telewinkelen.”.

15.

De artikelen 12 en 13 worden geschrapt.

16.

Artikel 14, lid 1, wordt geschrapt.

17.

De artikelen 16 en 17 worden geschrapt.

18.

Artikel 18 wordt vervangen door:

„Artikel 18

1.   Het aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots, mag per klokuur niet meer dan 20 % bedragen.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op boodschappen van de omroeporganisatie in verband met haar eigen programma’s en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten, sponsorboodschappen en productplaatsing.”.

19.

Artikel 18 bis wordt vervangen door:

„Artikel 18 bis

Telewinkelprogramma’s moeten met visuele en akoestische middelen duidelijk als zodanig worden gekenmerkt, en moeten zonder onderbreking minimaal 15 minuten in beslag nemen.”.

20.

Artikel 19 wordt vervangen door:

„Artikel 19

De bepalingen van deze richtlijn zijn mutatis mutandis van toepassing op televisiezenders die uitsluitend gewijd zijn aan reclame en telewinkelen, alsmede op televisiezenders die uitsluitend aan zelfpromotie gewijd zijn. Hoofdstuk III, alsmede artikel 11 en artikel 18 zijn niet op deze zenders van toepassing.”.

21.

Artikel 19 bis wordt geschrapt.

22.

Artikel 20 wordt vervangen door:

„Artikel 20

Onverminderd artikel 3 kunnen de lidstaten, met eerbiediging van het Gemeenschapsrecht, andere voorwaarden vaststellen dan die welke zijn neergelegd in artikel 11, lid 2, en in artikel 18 ten aanzien van televisie-uitzendingen die uitsluitend bestemd zijn voor het nationale grondgebied en die niet rechtstreeks of onrechtstreeks in een of meer andere lidstaten door het publiek kunnen worden ontvangen.”.

23.

De titel van hoofdstuk V wordt vervangen door:

24.

De artikelen 22 bis en 22 ter worden geschrapt.

25.

De titel van hoofdstuk VI wordt vervangen door:

26.

Artikel 23 bis, lid 2, onder e), wordt vervangen door:

„e)

de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over de toestand en de ontwikkeling van de regelgevende werkzaamheden betreffende audiovisuele mediadiensten bevorderen, rekening houdend met het audiovisueel beleid van de Gemeenschap, en met relevante ontwikkelingen op technisch gebied;”.

27.

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK VI ter

SAMENWERKING TUSSEN DE REGULERENDE INSTANTIES VAN DE LIDSTATEN

Artikel 23 ter

De lidstaten nemen passende maatregelen om elkaar en de Commissie de informatie te verschaffen die nodig is voor de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn, en met name de artikelen 2, 2 bis en 3, met name via hun bevoegde onafhankelijke regulerende organen.”.

28.

De artikelen 25 en 25 bis worden geschrapt.

29.

Artikel 26 wordt vervangen door:

„Artikel 26

Uiterlijk op 19 december 2011, en vervolgens om de drie jaar, brengt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van deze richtlijn en doet zij, indien nodig, nieuwe voorstellen om de richtlijn aan te passen aan de ontwikkelingen op het gebied van audiovisuele mediadiensten, met name gelet op recente technologische ontwikkelingen, het concurrentievermogen in de sector en de niveaus van mediageletterdheid in alle lidstaten.

In dit verslag wordt ook het punt van de televisiereclame in en rond kinderprogramma’s besproken, met name de vraag of de kwantitatieve en kwalitatieve regels in deze richtlijn voor het vereiste beschermingsniveau hebben gezorgd.”.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (30) wordt als volgt gewijzigd:

Punt 4 van de bijlage: „Lijst van de in artikel 3, onder a), bedoelde richtlijnen en verordeningen” wordt vervangen door:

„4.

Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn Audiovisuele mediadiensten) (31): de artikelen 3 octies en 3 nonies en de artikelen 10 tot en met 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van (32).

Artikel 3

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 19 december 2009 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 11 december 2007.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

M. LOBO ANTUNES


(1)  PB C 318 van 23.12.2006, blz. 202.

(2)  PB C 51 van 6.3.2007, blz. 7.

(3)  Advies uitgebracht op 13 december 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 15 oktober 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), standpunt van het Europees Parlement van 29 november 2007.

(4)  Besluit 89/522/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG (PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60).

(5)  PB C 285 E van 22.11.2006, blz. 126.

(6)  PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 155.

(7)  PB C 296 E van 6.12.2006, blz. 104.

(8)  PB L 201 van 25.7.2006, blz. 15.

(9)  PB C 30 van 5.2.1999, blz. 1.

(10)  Resolutie van het Europees Parlement over Televisie zonder grenzen (PB C 76 E van 25.3.2004, blz. 453).

(11)  Resolutie van het Europees Parlement over de risico’s van schending in de Europese Unie en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten) (PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 1026).

(12)  Resolutie van het Europees Parlement over de toepassing van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG („Televisie zonder grenzen”), gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, voor de periode 2001-2002 (PB C 193 E van 17.8.2006, blz. 117).

(13)  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(14)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/96/EG van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 81).

(15)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 717/2007 (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 32).

(16)  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(17)  Zaak C-56/96 (VT4), r.o. 22; zaak C-212/97 (Centros Ltd tegen Erhvervs-og Selskabsstyrelsen); zie ook: zaak C-11/95 (Commissie tegen het Koninkrijk België) en zaak C-14/96 (Paul Denuit).

(18)  Zaak C-212/97 (Centros Ltd tegen Erhvervs-og Selskabsstyrelsen); zaak C-33/74 (Van Binsbergen tegen Bestuur van de Bedrijfsvereniging); zaak C-23/93 (TV 10 SA tegen Commissariaat voor de Media), r.o. 21.

(19)  Zaak C-355/98 (Commissie tegen België), Jurispr. 2000, blz. I-1221, r.o. 28; zaak C-348/96 (Calfa), Jurispr. 1999, blz. I-0011, r.o. 23.

(20)  PB L 378 van 27.12.2006, blz. 72.

(21)  PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.

(22)  Zaak C-89/04 (Mediakabel).

(23)  PB L 13 van 20.1.2004, blz. 44.

(24)  PB C 102 van 28.4.2004, blz. 2.

(25)  PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

(26)  PB L 152 van 20.6.2003, blz. 16.

(27)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1901/2006 (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 1).

(28)  PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9; gerectificeerd in PB L 12 van 18.1.2007, blz. 3.

(29)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(30)  PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/29/EG.

(31)  PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23.

(32)  PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27.”


Top