Help Print this page 
Title and reference
Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 114, 27.4.2006, p. 64–85 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 12 Volume 002 P. 222 - 243
Special edition in Romanian: Chapter 12 Volume 002 P. 222 - 243
Special edition in Croatian: Chapter 12 Volume 003 P. 61 - 82
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

27.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 114/64


RICHTLIJN 2006/32/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 5 april 2006

betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de Gemeenschap bestaat er behoefte aan een betere energie-efficiëntie bij het eindgebruik, moet de vraag naar energie worden beheerst en moet de productie van hernieuwbare energie worden bevorderd, aangezien er relatief beperkte mogelijkheden zijn om de condities van de levering en distributie van energie op korte tot middellange termijn op een andere wijze te beïnvloeden, door nieuwe capaciteit op te bouwen of door het transport en de distributie te verbeteren. Deze richtlijn is derhalve een bijdrage tot een betere zekerheid van de levering.

(2)

Een betere energie-efficiëntie bij het eindgebruik zal ook bijdragen tot een beperking van het verbruik van primaire energie, tot het terugdringen van de emissie van CO2 en andere broeikasgassen en daarmee tot voorkoming van gevaarlijke klimaatveranderingen. De emissie van deze gassen blijft verder stijgen, waardoor het steeds moeilijker wordt aan de afspraken van Kyoto te voldoen. Menselijke activiteiten in het kader van de energiesector veroorzaken 78 % van de emissie van broeikasgassen in de Gemeenschap. In het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap zoals neergelegd in Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), wordt gesteld dat een verdere daling nodig is om de doelstelling op lange termijn van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering te verwezenlijken, namelijk dat de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer wordt gestabiliseerd op een niveau waarbij een gevaarlijke ontregeling van het klimaatsysteem door de mens wordt voorkomen. Derhalve zijn een concreet beleid en maatregelen noodzakelijk.

(3)

Een betere energie-efficiëntie bij het eindgebruik zal de mogelijkheid bieden om op een economisch efficiënte manier potentiële kosteneffectieve energiebesparingen te benutten. Deze energiebesparingen zouden kunnen worden gerealiseerd met maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie en aldus de Gemeenschap helpen haar afhankelijkheid van de invoer van energie te verkleinen. Bovendien kan de stap naar meer energie-efficiënte technologieën het innovatie- en concurrentievermogen van de Gemeenschap, waarop in de Lissabonstrategie de nadruk wordt gelegd, stimuleren.

(4)

In de mededeling van de Commissie over de uitvoering van de eerste fase van het Europees programma inzake klimaatverandering wordt een richtlijn inzake de beheersing van de vraag naar energie vermeld als een prioritaire maatregel inzake klimaatverandering op communautair niveau.

(5)

Deze richtlijn is in overeenstemming met Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (5) en met Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (6), die de mogelijkheid bieden om energie-efficiëntie en vraagsturing te gebruiken als alternatieven voor nieuwe capaciteit en ten behoeve van milieubescherming, waardoor de instanties van de lidstaten onder andere de mogelijkheid hebben nieuwe capaciteit aan te besteden of kunnen kiezen voor maatregelen voor energie-efficiëntie en beheersing van de vraag, mede door middel van systemen voor „witte certificaten”.

(6)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan artikel 3 van Richtlijn 2003/54/EG waarin is bepaald dat de lidstaten waarborgen dat alle huishoudelijke afnemers en, wanneer de lidstaten dit dienstig achten, kleine ondernemingen, aanspraak kunnen maken op universele dienstverlening, dat wil zeggen het recht op levering op hun grondgebied van elektriciteit van een bepaalde kwaliteit tegen redelijke, eenvoudig en duidelijk vergelijkbare en doorzichtige prijzen.

(7)

Het doel van deze richtlijn is derhalve niet alleen om de aanbodzijde van energiedienstensector verder te bevorderen, maar ook om sterkere prikkels voor de vraagzijde te creëren. Om deze reden dient de publieke sector in alle lidstaten te worden verplicht het voortouw te nemen met goede voorbeelden op het gebied van investeringen, onderhoud en andere uitgaven voor energieverbruikende apparatuur, energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie. Derhalve dient de publieke sector te worden aangemoedigd overwegingen ten aanzien van de verbetering van energie-efficiëntie in aanmerking te nemen bij zijn investeringen, afschrijvingen en exploitatiebegrotingen. Verder dient de publieke sector ernaar te streven energie-efficiëntiecriteria toe te passen bij aanbestedingsprocedures voor overheidsopdrachten, een praktijk die mogelijk is op grond van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (7) en Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (8). Het beginsel van deze praktijk werd bevestigd in het arrest van 17 september 2002 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zaak C-513/99 (9). Gezien het feit dat er grote verschillen in administratieve structuren tussen de lidstaten zijn, moeten de verschillende soorten door de publieke sector te nemen maatregelen plaatsvinden op het geschikte nationale, regionale en/of lokale niveau.

(8)

Er zijn een groot aantal verschillende manieren waarop de publieke sector zijn tot voorbeeld dienende rol kan spelen: afgezien van de in aanmerking komende maatregelen die in de bijlagen III en VI zijn opgesomd, kunnen bijvoorbeeld proefprojecten op het gebied van energie-efficiëntie worden geïnitieerd en kan energie-efficiënt gedrag van werknemers worden aangemoedigd. Om het gewenste versterkende effect te bereiken, moet aan een aantal van dergelijke acties tegenover individuele burgers en/of bedrijven op doeltreffende wijze bekendheid worden gegeven, waarbij de nadruk op de kostenvoordelen moet worden gelegd.

(9)

De liberalisering van de detailhandelsmarkt voor eindafnemers van elektriciteit, aardgas, steenkool en bruinkool, verwarming en in sommige gevallen zelfs stadsverwarming en ‐koeling heeft in vrijwel alle gevallen geleid tot een verhoging van de efficiëntie en tot lagere kosten bij de opwekking, de omzetting en de distributie van energie. Deze liberalisering heeft niet geleid tot significante concurrentie in producten en diensten, die een verbetering van de energie-efficiëntie aan de vraagzijde met zich had kunnen brengen.

(10)

In zijn resolutie van 7 december 1998 inzake energie-efficiëntie in de Europese Gemeenschap (10) spreekt de Raad zijn steun uit voor een streefdoel voor de Gemeenschap als geheel om de energie-intensiteit van het eindverbruik tot het jaar 2010 per jaar met gemiddeld één extra procentpunt te verbeteren.

(11)

De lidstaten dienen derhalve nationale indicatieve streefwaarden vast te stellen om de energie-efficiëntie bij het eindgebruik te bevorderen en om een blijvende groei en levensvatbaarheid van de markt voor energiediensten te waarborgen en zo bij te dragen tot de uitvoering van de Lissabon-strategie. De vaststelling van nationale indicatieve streefwaarden ter bevordering van een efficiënt eindgebruik van energie zorgt voor effectieve synergie met andere communautaire wetgeving die, wanneer zij wordt toegepast, zal bijdragen tot het bereiken van die nationale streefwaarden.

(12)

Deze richtlijn vergt maatregelen van de lidstaten, waarbij de mate waarin haar doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt, afhankelijk is van de gevolgen van deze maatregelen voor de eindverbruikers van energie. Het eindresultaat van de maatregelen van de lidstaten hangt af van een groot aantal externe factoren die van invloed zijn op het gedrag van de verbruikers wat betreft energiegebruik, en van hun bereidheid om energiebesparende methoden toe te passen en gebruik te maken van energiebesparende voorzieningen. Daarom is de nationale energiebesparingsstreefwaarde indicatief van aard en houdt zij voor de lidstaten geen juridisch afdwingbare verplichting in om het streefwaardecijfer van 9 % te halen, ook al zeggen de lidstaten toe zich te zullen inspannen om die streefwaarde te bereiken.

(13)

De lidstaten mogen in hun streven om hun nationale indicatieve streefwaarde te bereiken, voor zichzelf een streefwaarde die hoger is dan 9 % vaststellen.

(14)

Aan de verbetering van de energie-efficiëntie kan een grote bijdrage worden geleverd door het uitwisselen van informatie, ervaringen en optimale praktijken op alle niveaus, waaronder met name in de publieke sector. Daarom moeten de lidstaten in het kader van deze richtlijn genomen maatregelen registreren en hun effect zoveel mogelijk in actieplannen voor energie-efficiëntie evalueren.

(15)

Wanneer naar energie-efficiëntie door technologische, gedrags‐ en/of economische veranderingen wordt gestreefd, moeten omvangrijke negatieve milieueffecten worden voorkomen en dienen sociale prioriteiten in acht te worden genomen.

(16)

De financiering van het aanbod en de kosten voor de vraagzijde spelen bij energiediensten een belangrijke rol. Het instellen van fondsen waaruit de uitvoering van programma's ter verbetering van de energie-efficiëntie en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie worden gesubsidieerd en waarmee de ontwikkeling van een markt voor energiediensten wordt bevorderd, kan derhalve een belangrijk instrument zijn voor een niet-discriminerende opstartfinanciering op een dergelijke markt.

(17)

Een verbetering van de energie-efficiëntie bij het eindgebruik kan worden verwezenlijkt door de beschikbaarheid van en de vraag naar energiediensten te vergroten of door andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

(18)

Met het oog op de verwezenlijking van het energiebesparingspotentieel voor bepaalde marktsegmenten waarin energieaudits in het algemeen niet in de handel worden verkocht, zoals huishoudens, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat dergelijke audits beschikbaar zijn.

(19)

In de conclusies van de Raad van 5 december 2000 wordt de bevordering van energiediensten via de ontwikkeling van een communautaire strategie vermeld als een van de prioriteiten voor maatregelen tot verbetering van de energie-efficiëntie.

(20)

Energiedistributeurs, distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie kunnen de energie-efficiëntie in de Gemeenschap verbeteren als in de energiediensten die zij verkopen een efficiënt eindgebruik is opgenomen, zoals diensten op het gebied van warmtecomfort binnenshuis, warmwatervoorziening voor huishoudens, koeling, vervaardiging van producten, verlichting en aandrijfkracht. Een maximalisering van de winst wordt voor energiedistributeurs, distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie daarmee eerder sterker gekoppeld aan de verkoop van energiediensten aan een zo groot mogelijk aantal afnemers dan aan de verkoop van zoveel mogelijk energie aan elke afnemer. Teneinde dezelfde marktvoorwaarden voor alle leveranciers van energiediensten te waarborgen, dienen de lidstaten ernaar te streven iedere concurrentievervalsing op dit terrein te vermijden; zij kunnen echter deze taak aan de nationale regelgever delegeren.

(21)

De lidstaten dienen, met volledige inachtneming van de nationale organisatie van marktdeelnemers in de energiesector en met het oog op de implementatie van energiediensten en de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, over de mogelijkheid te beschikken om de energiedistributeurs, distributienetbeheerders of detailhandelaars in energie of, in voorkomend geval, twee van deze of al deze marktdeelnemers te verplichten dergelijke diensten te verlenen en aan dergelijke maatregelen deel te nemen.

(22)

Het gebruik van financieringsregelingen via derden is een innovatieve praktijk die gestimuleerd dient te worden. Met die regeling behoeft de begunstigde geen investeringskosten te maken door een deel van de financiële waarde van de door de investering van derden gerealiseerde energiebesparing te gebruiken om de investerings‐ en rentekosten van derden terug te betalen.

(23)

Teneinde ervoor te zorgen dat tarieven en andere regelingen voor aan een net gebonden energie een energie-efficiënt eindverbruik bevorderen, dienen niet te rechtvaardigen stimuleringsmaatregelen die aan het energievolume zijn gerelateerd, te worden ingetrokken.

(24)

De bevordering van de markt voor energiediensten kan met verscheidene middelen worden bereikt, waaronder niet-financiële.

(25)

Energiediensten, programma's ter verbetering van de energie-efficiëntie en andere maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie die worden uitgevoerd om de streefwaarde voor energiebesparing te bereiken, kunnen worden ondersteund en/of uitgevoerd via vrijwillige overeenkomsten tussen belanghebbenden en organen van de publieke sector die door de lidstaten worden aangewezen.

(26)

De vrijwillige overeenkomsten die vallen onder deze richtlijn dienen transparant te zijn en, in voorkomend geval, informatie over ten minste de volgende punten te bevatten: gekwantificeerde en gefaseerde doelstellingen, houden van toezicht en verslaglegging.

(27)

De motorbrandstof- en vervoerssector komt een belangrijke rol toe op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparingen.

(28)

Bij de vaststelling van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie dient rekening te worden gehouden met de efficiëntiewinst dankzij het wijdverbreide gebruik van kosteneffectieve technologische innovaties, zoals elektronische meteropneming. In de context van deze richtlijn worden onder concurrerend geprijsde individuele meters ook accurate calorimeters verstaan.

(29)

Om de eindverbruiker in staat te stellen met kennis van zaken beslissingen te nemen over zijn individueel energieverbruik, moet hem terzake een redelijke hoeveelheid informatie ter beschikking worden gesteld, samen met andere relevantie informatie, zoals informatie over beschikbare maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen of objectieve technische specificaties van energieverbruikende apparaten, waaronder „factor vier”- of vergelijkbare apparaten. Er zij aan herinnerd dat een deel van deze informatie reeds op grond van artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2003/54/EG aan eindafnemers ter beschikking moet worden gesteld. Bovendien moeten verbruikers actief ertoe worden aangemoedigd om hun meterstanden zelf regelmatig te controleren.

(30)

Alle soorten informatie in verband met energie-efficiëntie moeten in een geschikte vorm, onder meer via facturering, op grote schaal onder de in aanmerking komende doelgroepen worden verspreid. Deze informatie kan omvatten: gegevens over financiële en wettelijke kaders, communicatie- en promotiecampagnes alsmede een uitgebreide uitwisseling van informatie over optimale praktijken op alle niveaus.

(31)

Met de vaststelling van deze richtlijn worden alle materiële bepalingen van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad van 13 september 1993 tot beperking van kooldioxide-emissies door verbetering van de energie-efficiëntie (Save) (11) door andere communautaire wetgeving bestreken; Richtlijn 93/76/EEG dient derhalve te worden ingetrokken.

(32)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de bevordering van energie-efficiëntie bij het eindgebruik en de ontwikkeling van een markt voor energiediensten, niet in voldoende mate door de lidstaten kunnen worden gerealiseerd en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(33)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (12),

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOEL EN WERKINGSSFEER

Artikel 1

Doel

Het doel van deze richtlijn is de energie-efficiëntie bij het eindgebruik in de lidstaten op kosteneffectieve wijze te verbeteren door:

a)

te voorzien in de noodzakelijke indicatieve streefwaarden en mechanismen, stimulansen en institutionele, financiële en juridische raamwerken om de bestaande marktbelemmeringen en tekortkomingen die het efficiënte eindgebruik van energie in de weg staan, weg te nemen;

b)

de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling en bevordering van een markt voor energiediensten en voor het aanbieden van andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie aan eindverbruikers.

Artikel 2

Werkingssfeer

Deze richtlijn is van toepassing op

a)

aanbieders van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, energiedistributeurs, distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie. De lidstaten kunnen echter besluiten dat de artikelen 6 en 13 niet van toepassing zijn op kleine distributeurs, kleine distributienetbeheerders en kleine detailhandelaars in energie;

b)

eindafnemers; deze richtlijn is evenwel niet van toepassing op ondernemingen die activiteiten verrichten bedoeld in de activiteitencategorieën vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (13);

c)

de strijdkrachten, maar enkel voorzover de toepassing van de richtlijn niet in strijd is met de aard en het voornaamste doel van de activiteiten van de strijdkrachten en met uitzondering van materieel dat uitsluitend voor militaire doeleinden gebruikt wordt.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„energie”: alle vormen van in de handel verkrijgbare energie, waaronder elektriciteit, aardgas (met inbegrip van vloeibaar aardgas en LPG), brandstoffen voor verwarming of koeling (met inbegrip van stadsverwarming en -koeling), steenkool en bruinkool, turf, transportbrandstof (met uitzondering van bunkerbrandstoffen voor het lucht- en zeevervoer) en biomassa zoals deze laatste omschreven wordt in Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (14);

b)

„energie-efficiëntie”: de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer hiervoor;

c)

„verbetering van energie-efficiëntie”: een toename van de energie-efficiëntie bij het eindgebruik ten gevolge van technologische, gedrags‐ en/of economische veranderingen;

d)

„energiebesparingen”: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door meting en/of raming van het verbruik voor en na de uitvoering van één of meer maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, waarbij de externe omstandigheden die het energieverbruik beïnvloeden, genormaliseerd worden;

e)

„energiedienst”: het fysieke voordeel, het fysieke nut of het fysieke welzijn dat wordt bereikt met een combinatie van energie met energie-efficiënte technologie en/of handeling, die de bewerkingen, het onderhoud en de controle kan omvatten die nodig zijn voor de levering van de diensten, welke worden geleverd op basis van een overeenkomst en welke onder normale omstandigheden hebben aangetoond te leiden tot een controleerbare en meetbare of een te ramen verbetering van de energie-efficiëntie en/of van primaire energiebesparingen;

f)

„mechanismen voor energie-efficiëntie”: algemene instrumenten gebruikt door regeringen of overheidsinstanties voor het tot stand brengen van een ondersteunend kader of van stimuleringsmaatregelen voor marktdeelnemers voor het leveren en aankopen van energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie;

g)

„programma's ter verbetering van de energie-efficiëntie”: activiteiten die gericht zijn op groepen eindafnemers en normaliter leiden tot een controleerbare en meetbare of te ramen verbetering van de energie-efficiëntie;

h)

„maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie”: alle maatregelen die normaliter leiden tot een controleerbare en meetbare of te ramen verbetering van de energie-efficiëntie;

i)

„leverancier van energiediensten”: een natuurlijke of rechtspersoon die in de inrichtingen of gebouwen van een gebruiker energiediensten en/of andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie levert en daarbij tot op zekere hoogte financiële risico's accepteert. De betaling van de geleverde diensten wordt (geheel of gedeeltelijk) gebaseerd op de realisatie van verbeteringen van de energie-efficiëntie en op de inachtneming van de andere overeengekomen prestatiecriteria;

j)

„energieprestatiecontract”: een contractuele regeling tussen de begunstigde en de aanbieder (normaliter een leverancier van energiediensten) met betrekking tot een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie, waarbij investeringen in die maatregelen worden vergoed in verhouding tot de contractueel vastgelegde mate van verbetering van de energie-efficiëntie;

k)

„financiering door derden”: een contractuele regeling waarbij — naast de energieleverancier en de begunstigde van de maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie — een derde betrokken is die het kapitaal voor de maatregel verstrekt en de begunstigde een financiële bijdrage aanrekent die in verhouding staat tot een deel van de energiebesparingen die worden gerealiseerd ten gevolge van de maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie. Deze derde kan al dan niet een leverancier van energiediensten zijn;

l)

„energieaudit”: een systematische procedure waarmee afdoende informatie wordt verkregen omtrent het huidige energiegebruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële activiteit en/of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing worden gesignaleerd en gekwantificeerd en de resultaten worden gerapporteerd;

m)

„financiële instrumenten voor energiebesparing”: alle financiële instrumenten zoals kapitaal, subsidies, belastingvoordelen, leningen, financiering door derden, energieprestatiecontracten, contracten met energiebesparingsgarantie, contracten voor energie-outsourcing en andere verwante contracten die door publieke of private organismen op de markt worden gebracht teneinde de aanloopkosten voor de uitvoering van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie deels of volledig te dekken;

n)

„eindafnemer”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die energie koopt voor eigen eindgebruik;

o)

„energiedistributeur”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het transport van energie, met het oog op levering aan de eindafnemers en aan de distributiestations die energie aan eindafnemers verkopen. Onder deze definitie vallen niet de distributienetbeheerders van elektriciteit en aardgas, die onder p) vallen;

p)

„distributienetbeheerder”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en, zo nodig, de ontwikkeling van het distributienet van elektriciteit en aardgas en, indien van toepassing, de koppeling met andere netten en die ervoor zorgt dat het net op lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar distributie van elektriciteit of aardgas;

q)

„detailhandelaar in energie”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die energie aan eindafnemers verkoopt;

r)

„kleine distributeur, kleine distributienetbeheerder of kleine detailhandelaar in energie”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die energie aan eindafnemers distribueert of verkoopt en die minder dan het equivalent van 75 GWh aan energie per jaar distribueert of verkoopt, of minder dan tien personen in dienst heeft of wiens jaaromzet of jaarlijkse balanstotaal niet meer bedraagt dan 2 000 000 EUR;

s)

„witte certificaten”: door onafhankelijke certificeringsinstanties afgegeven certificaten waarin de claims van marktdeelnemers ten aanzien van de besparing van energie ten gevolge van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie worden bevestigd.

HOOFDSTUK II

STREEFWAARDEN VOOR ENERGIEBESPARING

Artikel 4

Algemene streefwaarde

1.   De lidstaten stellen een algemene nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde van 9 % vast, en streven ernaar die voor het negende toepassingsjaar van deze richtlijn te bereiken, die wordt verwezenlijkt door energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie. De lidstaten nemen kosteneffectieve, uitvoerbare en redelijke maatregelen die erop gericht zijn ertoe bij te dragen dat deze streefwaarde wordt bereikt.

Deze nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde wordt vastgesteld en berekend volgens de in bijlage I vermelde bepalingen en methode. Voor de vergelijking van energiebesparingen en voor omrekening in een vergelijkbare eenheid worden de in bijlage II vermelde omrekeningsfactoren gebruikt, tenzij het gebruik van andere omrekeningsfactoren kan worden gerechtvaardigd. Voorbeelden van mogelijke maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie staan in bijlage III. Een algemeen kader voor meting en controle van de energiebesparing is weergegeven in bijlage IV. De nationale energiebesparing in verhouding tot de nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde wordt vanaf 1 januari 2008 gemeten.

2.   Met het oog op het eerste actieplan voor energie-efficiëntie (APEE), dat overeenkomstig artikel 14 moet worden ingediend, stelt elke lidstaat een tussentijdse nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde op voor het derde toepassingsjaar van deze richtlijn en een overzicht van hun strategie met betrekking tot het bereiken van de tussentijdse en algemene streefwaarden. Deze tussentijdse streefwaarde is realistisch en spoort met de algemene nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde bedoeld in lid 1.

De Commissie brengt een advies uit over de vraag of de tussentijdse nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde realistisch is en spoort met de algemene streefwaarde.

3.   Elke lidstaat legt programma's en maatregelen vast ter verbetering van de energie-efficiëntie.

4.   De lidstaten belasten één of meer nieuwe of bestaande instanties of agentschappen met het algehele toezicht en de verantwoordelijkheid voor de bewaking van het kader dat is opgezet in verband met de in lid 1 vermelde streefwaarde; deze organen controleren vervolgens de energiebesparingen ten gevolge van energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, waaronder ook de bestaande nationale maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, en brengen verslag uit over de resultaten.

5.   Nadat de Commissie de eerste drie toepassingsjaren van deze richtlijn heeft geëvalueerd en hierover verslag heeft uitgebracht, gaat zij na of het wenselijk is een voorstel voor een richtlijn in te dienen teneinde de marktbenadering met het oog op de verbetering van de energie-efficiëntie door middel van „witte certificaten” verder te ontwikkelen.

Artikel 5

Energie-efficiëntie bij eindgebruik in de publieke sector

1.   De lidstaten dragen ervoor zorg dat de publieke sector in het kader van deze richtlijn een voorbeeldrol vervult. Hiertoe geven zij tegenover burgers en/of bedrijven in voorkomende gevallen op doeltreffende wijze bekendheid aan de tot voorbeeld dienende rol en acties van de publieke sector.

De lidstaten zorgen ervoor dat de publieke sector één of meer maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie neemt en zich richt op kosteneffectieve maatregelen die de grootste energiebesparing in de kortst mogelijke tijd realiseren. Deze maatregelen worden op elk passend nationaal, regionaal en/of lokaal niveau genomen en kunnen wetgevende initiatieven en/of vrijwillige overeenkomsten, zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b), of andere regelingen met een vergelijkbaar effect omvatten. Onverminderd de nationale en communautaire wetgeving inzake overheidsopdrachten:

worden ten minste twee maatregelen gekozen uit de indicatieve lijst die is opgenomen in bijlage VI;

vergemakkelijken de lidstaten dit proces door richtsnoeren te publiceren over energie-efficiëntie en energiebesparingen als een mogelijk beoordelingscriterium bij de concurrerende aanbesteding van overheidsopdrachten.

De lidstaten vergemakkelijken en scheppen de mogelijkheden voor de uitwisseling van optimale praktijken tussen organen van de publieke sector, bijvoorbeeld over op energie-efficiëntie gerichte praktijken voor het plaatsen van overheidsopdrachten, zowel op nationaal als op internationaal niveau; daartoe werkt de in lid 2 bedoelde organisatie met de Commissie samen in verband met de uitwisseling van optimale praktijken zoals bedoeld in artikel 7, lid 3.

2.   De lidstaten belasten één of meer nieuwe of bestaande organisaties met de administratieve, beheerstechnische en uitvoerende taken met betrekking tot de integratie van eisen inzake de verbetering van energie-efficiëntie, zoals bepaald in lid 1. Hierbij kan het gaan om dezelfde instanties of agentschappen van de publieke sector als die welke in artikel 4, lid 4, worden bedoeld.

HOOFDSTUK III

BEVORDERING VAN ENERGIE-EFFICIËNTIE BIJ HET EINDGEBRUIK EN ENERGIEDIENSTEN

Artikel 6

Energiedistributeurs, distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat energiedistributeurs en/of distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie:

a)

op verzoek, maar niet meer dan eenmaal per jaar, geaggregeerde statistische informatie verstrekken over hun eindafnemers aan de in artikel 4, lid 4, bedoelde instanties of agentschappen, of aan een andere aangewezen instantie, mits de laatstgenoemde op zijn beurt de informatie aan de eerstgenoemde doorzendt. Deze informatie moet voldoende zijn voor een adequate opzet en uitvoering van programma's ter verbetering van de energie-efficiëntie en voor de bevordering en de controle van energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie. Zij mag, indien van toepassing, informatie uit het verleden bevatten en moet actuele gegevens bevatten over het verbruik van de eindafnemer, waaronder in voorkomend geval laadprofielen, segmentering van de klantenkring en de geografische locatie van afnemers, zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de vertrouwelijkheid van informatie die een privé-karakter heeft of commercieel gevoelig is, overeenkomstig de toepasselijke communautaire wetgeving;

b)

zich onthouden van activiteiten die een belemmering kunnen vormen voor de vraag naar en de levering van energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie of die de ontwikkeling van de markt voor energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie in het algemeen belemmeren. De betrokken lidstaat neemt de nodige maatregelen om dergelijke activiteiten, wanneer deze plaatsvinden, te beëindigen.

2.   De lidstaten:

a)

kiezen een van de volgende voorschriften die moeten worden nageleefd door energiedistributeurs, distributienetbeheerders en/of detailhandelaars in energie, rechtstreeks en/ofwel onrechtstreeks via andere leveranciers van energiediensten of maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie:

i)

ervoor zorgen dat hun eindafnemers energiediensten tegen concurrerende prijzen worden aangeboden en dat dit aanbod gestimuleerd wordt, of

ii)

ervoor zorgen dat hun eindafnemers tegen concurrerende prijzen de beschikking hebben over onafhankelijk uitgevoerde energieaudits en/of maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 12, en dat dergelijke audits en maatregelen worden gestimuleerd, of

iii)

aan de fondsen en financieringsmechanismen bedoeld in artikel 11 de financiële middelen verstrekken; de hoogte van die bijdragen stemt minimaal overeen met de geraamde kosten van het aanbieden van de activiteiten bedoeld in dit lid en wordt overeengekomen met de desbetreffende instanties of agentschappen bedoeld in artikel 4, lid 4, en/of

b)

zorgen ervoor dat vrijwillige overeenkomsten en/of andere marktgerichte regelingen, zoals witte certificaten, met een effect dat gelijkwaardig is aan één of meer van de voorschriften bedoeld onder a), bestaan of opgezet worden. De lidstaten evalueren en controleren die vrijwillige overeenkomsten en volgen deze op om ervoor te zorgen dat zij in de praktijk een gelijkwaardig effect hebben als één of meer van de voorschriften bedoeld onder a).

Hiertoe voorzien de vrijwillige overeenkomsten in duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen en toezichts- en verslagleggingsvoorschriften die gekoppeld zijn aan procedures die kunnen leiden tot herziene en/of extra maatregelen, wanneer de doelstellingen niet worden gehaald of waarschijnlijk niet zullen worden gehaald. Om transparantie te garanderen, worden de vrijwillige overeenkomsten beschikbaar gesteld aan het publiek en gepubliceerd vóór de uitvoering ervan, voorzover de geldende bepalingen inzake het vertrouwelijke karakter dit mogelijk maken, en omvatten zij een verzoek aan de belanghebbenden om opmerkingen te formuleren.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat er voldoende stimulansen, eerlijke concurrentie en gelijke kansen zijn voor andere marktdeelnemers dan energiedistributeurs, distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie — bijvoorbeeld leveranciers van energiediensten, installateurs van energieapparatuur, energieadviseurs en energieconsultants — om onafhankelijk de energiediensten, energieaudits en de in lid 2, letter a), onder i) en ii), omschreven maatregelen aan te bieden en te implementeren.

4.   Krachtens de leden 2 en 3 kunnen de lidstaten distributienetbeheerders alleen verantwoordelijkheden opleggen indien daarbij de voorschriften inzake scheiding van de boekhouding van in artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2003/54/EG en in artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2003/55/EG in acht genomen worden.

5.   Dit artikel wordt toegepast onverminderd de ontheffingen of vrijstellingen die worden verleend krachtens de Richtlijnen 2003/54/EG en 2003/55/EG.

Artikel 7

Beschikbaarheid van informatie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat informatie over mechanismen voor energie-efficiëntie en financiële en juridische kaders die worden vastgesteld ter verwezenlijking van de nationale indicatieve streefwaarde voor energiebesparing, transparant is en ruime verspreiding krijgt onder de betrokken marktdeelnemers.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de energie-efficiëntie bij het eindgebruik sterker wordt gestimuleerd. De lidstaten zorgen voor de geschikte randvoorwaarden en prikkels voor meer informatie- en adviesverstrekking door de marktdeelnemers aan de eindafnemers over energie-efficiëntie bij het eindgebruik.

3.   De Commissie ziet erop toe dat informatie over optimale energiebesparingspraktijken in de lidstaten wordt uitgewisseld en ruime verspreiding vindt.

Artikel 8

Beschikbaarheid van regelingen voor kwalificatie, erkenning en certificering

De lidstaten zorgen ervoor, wanneer zij het nodig achten, dat adequate regelingen beschikbaar zijn voor kwalificaties, erkenning en/of certificering voor leveranciers van energiediensten die de in artikel 6, lid 2, letter a), onder i) en ii), bedoelde energieaudits en/of maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie leveren, teneinde de technische deskundigheid, objectiviteit en betrouwbaarheid op een hoog niveau te handhaven.

Artikel 9

Financiële instrumenten voor energiebesparing

1.   Nationale wetgeving en regelgeving, behalve die welke duidelijk van fiscale aard zijn, die een onnodige of onevenredige belemmering of beperking vormen voor het gebruik van financiële instrumenten voor energiebesparing op de markt voor energiediensten of andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, worden door de lidstaten ingetrokken of gewijzigd.

2.   De lidstaten stellen modelcontracten voor deze financiële instrumenten beschikbaar aan bestaande en potentiële afnemers van energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie in de publieke en private sector. Die contracten kunnen worden afgegeven door de instantie of het agentschap bedoeld in artikel 4, lid 4.

Artikel 10

Tarieven en andere regelgeving inzake energie-efficiëntie van toepassing op aan een net gebonden energie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat stimulansen in de transmissie- en de distributietarieven die leiden tot een onnodige verhoging van de hoeveelheid gedistribueerde of getransporteerde energie, worden weggenomen. Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2003/54/EG en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2003/55/EG, mogen de lidstaten in dit verband verplichtingen inzake openbaredienstverlening op het gebied van energie-efficiëntie opleggen aan ondernemingen die respectievelijk in de gas- en elektriciteitssector actief zijn.

2.   De lidstaten kunnen onderdelen van regelingen en tariefstructuren met een sociaal doel toestaan, mits de verstorende effecten voor het transport- en distributienet minimaal zijn en niet onevenredig zijn ten opzichte van het sociale doel.

Artikel 11

Fondsen en financieringsmechanismen

1.   Onverminderd de artikelen 87 en 88 van het Verdrag kunnen de lidstaten één of meer fondsen oprichten voor de subsidiëring van de levering van programma's ter verbetering van de energie-efficiëntie en van andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie en voor de stimulering van de ontwikkeling van een markt voor maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie. Deze maatregelen omvatten de stimulering van energieaudits, financiële instrumenten voor energiebesparing en, indien van toepassing, verbeterde meteropnemingstechnieken en transparante facturering. De fondsen zijn ook gericht op sectoren van eindverbruik met hogere transactiekosten en hogere risico's.

2.   De fondsen kunnen na hun oprichting subsidies, leningen, financiële garanties en/of andere vormen van financiering aanbieden waarmee resultaten worden gegarandeerd.

3.   De fondsen staan open voor alle aanbieders van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, zoals leveranciers van energiediensten, onafhankelijke energieadviseurs, energiedistributeurs, distributienetbeheerders, detailhandelaars in energie en installateurs. De lidstaten kunnen besluiten de fondsen open te stellen voor alle eindafnemers. Aanbestedingen of gelijkwaardige methoden die volledige transparantie garanderen, worden met volledige inachtneming van de toepasselijke voorschriften inzake overheidsopdrachten uitgevoerd. De lidstaten zorgen ervoor dat deze fondsen een aanvulling vormen op en geen concurrentie opleveren voor commercieel gefinancierde maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

Artikel 12

Energieaudits

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat regelingen voor efficiënte, kwalitatief hoogwaardige energieaudits die bedoeld zijn om mogelijke maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te signaleren en die onafhankelijk worden uitgevoerd, beschikbaar zijn voor alle eindafnemers, inclusief kleinere huishoudelijke, commerciële en in het midden- en kleinbedrijf actieve industriële afnemers.

2.   Marktsegmenten die hogere transactiekosten en niet-complexe inrichtingen hebben, kunnen worden bereikt door andere maatregelen, zoals vragenlijsten en computerprogramma's die op het internet worden geplaatst en/of per post naar de afnemers worden gestuurd. Voor marktsegmenten waarin geen energieaudits in de handel verkocht worden, zorgen de lidstaten ervoor dat deze beschikbaar zijn, met inachtneming van artikel 11, lid 1.

3.   Certificaten die in overeenstemming zijn met artikel 7 van Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (15) worden beschouwd als zijnde gelijkwaardig aan een energieaudit die voldoet aan de in de leden 1 en 2 van dit artikel vastgestelde eisen en als zijnde gelijkwaardig aan de energieaudit genoemd in bijlage VI, punt e). Voorts worden audits die het resultaat zijn van regelingen gebaseerd op vrijwillige overeenkomsten tussen organisaties van belanghebbenden en een door de betrokken lidstaat gecontroleerd en gevolgd aangewezen orgaan, overeenkomstig artikel 6, lid 2, onder b), van deze richtlijn eveneens geacht te voldoen aan de in de leden 1 en 2 van dit artikel vermelde eisen.

Artikel 13

Meteropneming en informatieve facturering van het energieverbruik

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers voor elektriciteit, aardgas, stadsverwarming en/of stadskoelingen en warm water voor huishoudelijke doeleinden, voorzover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voorzover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het actuele energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over de tijd waarin sprake was van daadwerkelijk verbruik.

Wanneer een bestaande meter wordt vervangen, worden deze individuele meters tegen concurrerende prijzen altijd ter beschikking gesteld, tenzij dit technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt in verhouding tot de geraamde potentiële besparingen op lange termijn. Wanneer een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw of in geval van een ingrijpende renovatie overeenkomstig Richtlijn 2002/91/EG worden deze individuele meters tegen concurrerende prijzen altijd ter beschikking gesteld.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien van toepassing, de facturering door energiedistributeurs, distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie is gebaseerd op het actuele energieverbruik en in duidelijke en begrijpelijke taal is gesteld. De eindafnemer krijgt samen met de rekening de nodige informatie zodat hij over een volledig overzicht van de huidige energiekosten beschikt. De facturering op basis van het daadwerkelijke verbruik is frequent genoeg om de afnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien van toepassing, de energiedistributeurs, distributienetbeheerders of detailhandelaars in energie in of bij rekeningen, contracten, transacties en/of ontvangstbewijzen bij distributiestations in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende informatie aan de eindafnemers beschikbaar stellen:

a)

de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie;

b)

een vergelijking van het huidige energieverbruik van de eindafnemer met het verbruik in dezelfde periode van het voorgaande jaar, bij voorkeur in grafische vorm;

c)

wanneer dit mogelijk en nuttig is, een vergelijking met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-energieverbruiker van dezelfde verbruikerscategorie;

(d)

contactinformatie voor consumentenorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindgebruikersprofielen en/of objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 14

Verslagen

1.   De lidstaten die, ongeacht de reden, bij de inwerkingtreding van deze richtlijn voor het meten van energiebesparingen reeds gebruikmaken van berekeningsmethoden die vergelijkbaar zijn met die van bijlage IV, kunnen bij de Commissie informatie indienen en daarbij, zo nodig, details verstrekken. Deze informatie wordt zo spoedig mogelijk ingediend, bij voorkeur uiterlijk op 17 november 2006. De informatie zal de Commissie in staat stellen naar behoren rekening te houden met de bestaande praktijken.

2.   De lidstaten dienen bij de Commissie de volgende APEE's in:

uiterlijk op 30 juni 2007, een eerste APEE;

uiterlijk op 30 juni 2011, een tweede APEE;

uiterlijk op 30 juni 2014, een derde APEE.

Alle APEE's bevatten een omschrijving van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie die zijn gepland om de in artikel 4, leden 1 en 2, genoemde streefwaarden te bereiken en te voldoen aan de bepalingen inzake de bedoelde voorbeeldrol van de publieke sector en de informatie- en adviesverstrekking aan de eindverbruiker, bedoeld in artikel 5, lid 1, respectievelijk artikel 7, lid 2.

Het tweede en het derde APEE:

bevatten een evaluatie en beoordeling van het vorige APEE;

vermelden de definitieve resultaten voor wat betreft de verwezenlijking van de energiebesparingsstreefwaarden bedoeld in artikel 4, leden 1 en 2;

bevatten plannen voor — en informatie inzake het geanticipeerde effect van — extra maatregelen voor het geval dat de streefwaarde feitelijk of vermoedelijk niet wordt gehaald;

maken in toenemende mate gebruik van geharmoniseerde efficiëntie-indicatoren en -benchmarks zoals bedoeld in artikel 15, lid 4, zowel voor de evaluatie van voorgaande maatregelen als voor de geschatte effecten van geplande toekomstige maatregelen;

zijn gebaseerd op beschikbare gegevens, aangevuld met schattingen.

3.   Uiterlijk op 17 mei 2008 publiceert de Commissie een impact- en kosten-batenanalyse waarin het verband tussen EU-normen, -regelingen, -beleid en -maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie bij het eindgebruik wordt onderzocht.

4.   De APEE's worden als volgt geëvalueerd overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde procedure:

het eerste APEE wordt geëvalueerd vóór 1 januari 2008;

het tweede APEE wordt geëvalueerd vóór 1 januari 2012;

het derde APEE wordt geëvalueerd vóór 1 januari 2015.

5.   Op basis van de APEE's evalueert de Commissie in hoeverre de lidstaten vorderingen hebben geboekt bij het bereiken van hun nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde. De Commissie publiceert verslagen over de APEE's met haar conclusies, en wel:

over het eerste APEE vóór 1 januari 2008;

over het tweede APEE vóór 1 januari 2012;

over het derde APEE vóór 1 januari 2015.

Deze verslagen bevatten informatie over aanverwant optreden op Europees niveau, inclusief informatie over bestaande en toekomstige regelgeving. Het verslag besteedt aandacht aan het benchmarkingsysteem bedoeld in artikel 15, lid 4, wijst de beste praktijken aan, signaleert de gevallen waarin de lidstaten en/of de Commissie niet voldoende vooruitgang boeken, en doet eventueel aanbevelingen.

Na het tweede rapport worden, indien van toepassing en waar nodig, voorstellen voor aanvullende maatregelen bij het Europees Parlement en de Raad ingediend, waaronder een mogelijke verlenging van de toepassingsduur voor de streefwaarden. Indien het verslag concludeert dat onvoldoende vooruitgang is gemaakt bij het behalen van de nationale indicatieve streefwaarden, behandelen deze voorstellen het niveau en de aard van de streefwaarden.

Artikel 15

Herziening en aanpassing van het kader

1.   De in de bijlagen II, III, IV en V vermelde waarden en berekeningsmethoden worden volgens de procedure van artikel 16, lid 2, aan de technische vooruitgang aangepast.

2.   Vóór 1 januari 2008 werkt de Commissie de punten 2 tot en met 6 van bijlage IV nader uit en vult zij die aan, volgens de procedure van artikel 16, lid 2, en met inachtneming van het algemene kader bedoeld in bijlage IV.

3.   Vóór 1 januari 2012 besluit de Commissie, volgens de procedure van artikel 16, lid 2, tot een verhoging van het percentage van geharmoniseerde bottom-up-berekeningen, dat in de in bijlage IV, punt 1, bedoelde geharmoniseerde berekeningsmethode wordt gehanteerd, onverminderd de regelingen in de lidstaten die reeds een hoger percentage hanteren. Het nieuwe geharmoniseerde berekeningsmodel met een aanzienlijk hoger percentage van bottom-up-berekeningen wordt voor het eerst gebruikt vanaf 1 januari 2012.

Waar mogelijk en doenlijk, wordt voor het meten van de totale besparing over de gehele periode van toepassing van de richtlijn het geharmoniseerde berekeningsmodel gebruikt, onverminderd de regelingen in die lidstaten die reeds een hoger percentage bottom-up-berekeningen gebruiken.

4.   Uiterlijk op 30 juni 2008 werkt de Commissie volgens de in artikel 16, lid 2, bedoelde procedure een reeks geharmoniseerde energie-efficiëntie-indicatoren uit en daarop gebaseerde benchmarks, rekening houdende met beschikbare gegevens of gegevens die op kostenefficiënte wijze voor elke lidstaat kunnen worden verzameld. Voor het uitwerken van deze geharmoniseerde energie-efficiëntie-indicatoren en benchmarks gebruikt de Commissie de indicatieve lijst in bijlage V als leidraad. De lidstaten verwerken deze indicatoren en benchmarks geleidelijk in de statistische gegevens van hun APEE'S, zoals bedoeld in artikel 14, en gebruiken deze als een van de instrumenten waarover zij beschikken bij hun beslissing omtrent toekomstige prioriteitsgebieden in hun APEE's.

De Commissie legt aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 17 mei 2011 een verslag voor over de vorderingen die bij het vastleggen van de indicatoren en benchmarks zijn geboekt.

Artikel 16

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 17

Intrekking

Richtlijn 93/76/EEG wordt ingetrokken.

Artikel 18

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 17 mei 2008 aan deze richtlijn te voldoen, met uitzondering van de bepalingen van artikel 14, leden 1, 2 en 4, die uiterlijk op 17 mei 2006 moeten zijn omgezet. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 20

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 5 april 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

H. WINKLER


(1)  PB C 120 van 20.5.2005, blz. 115.

(2)  PB C 318 van 22.12.2004, blz. 19.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 7 juni 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 23 september 2005 (PB C 275 E van 8.11.2005, blz. 19), standpunt van het Europees Parlement van 13 december 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 maart 2006.

(4)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/85/EG van de Raad (PB L 236 van 7.7.2004, blz. 10).

(6)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57.

(7)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2083/2005 van de Commissie (PB L 333 van 20.12.2005, blz. 28).

(8)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2083/2005.

(9)  Zaak C-513/99 (Concordia Bus Finland Oy Ab, voorheen Stagecoach Finland Oy Ab/Helsingin kaupunki en HKL-Bussiliikenne), Jurisprudentie. 2002, blz. I-7213.

(10)  PB C 394 van 17.12.1998, blz. 1.

(11)  PB L 237 van 22.9.1993, blz. 28.

(12)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(13)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/101/EG (PB L 338 van 13.11.2004, blz. 18).

(14)  PB L 283 van 27.10.2001, blz. 33. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(15)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 65.


BIJLAGE I

Methode voor de berekening van de nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde

De methode die wordt gebruikt voor de berekening van de in artikel 4 genoemde nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde, is de volgende:

1.

De lidstaten berekenen het gemiddelde jaarlijkse verbruik aan de hand van het jaarlijkse binnenlandse energie-eindverbruik voor de onder deze richtlijn vallende energiegebruikers voor de recentste periode van vijf jaar voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van deze richtlijn waarvoor officiële gegevens beschikbaar zijn. Het energie-eindverbruik behelst de gedistribueerde of aan de eindafnemers verkochte energie gedurende deze vijf jaar, zonder aanpassing voor graaddagen, structurele veranderingen of wijzigingen van de productie.

Aan de hand van dit gemiddelde jaarlijkse verbruik wordt de nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde eenmalig berekend en wordt de daaruit voortvloeiende absolute hoeveelheid te besparen energie toegepast voor de volledige looptijd van deze richtlijn.

De nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde:

a)

bestaat uit 9 % van het hierboven bedoelde gemiddelde jaarlijkse verbruik;

b)

wordt gemeten na het negende toepassingsjaar van de richtlijn;

c)

is het resultaat van de cumulatieve jaarlijkse energiebesparing verwezenlijkt over de negenjarige looptijd van de richtlijn;

d)

is het gevolg van energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

Deze methode voor het meten van energiebesparing zorgt ervoor dat de door de richtlijn voorgeschreven totale energiebesparing een vaste hoeveelheid is en dus losstaat van toekomstige groei van het BBP en van toekomstige stijgingen van het energieverbruik.

2.

De nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde wordt uitgedrukt in absolute termen in GWh (Gigawattuur) of equivalent, berekend overeenkomstig bijlage II.

3.

Bij de berekening van de jaarlijkse energiebesparing mogen energiebesparingen die in een bepaald jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn gerealiseerd zijn en die resulteren uit maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie die in een voorafgaand jaar (niet eerder dan 1995) zijn getroffen en een duurzaam effect hebben, worden meegerekend. In bepaalde gevallen, wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, mogen maatregelen worden meegerekend die vóór 1995 maar niet eerder dan 1991 zijn getroffen. Maatregelen van technologische aard moeten ofwel worden aangepast aan eventuele nieuwe technische ontwikkelingen, ofwel worden getoetst aan de benchmark voor zulke maatregelen. De Commissie verschaft richtsnoeren voor de wijze waarop het effect van zulke maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie kan worden gemeten of geschat, uitgaande van bestaande Gemeenschapswetgeving zoals Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt (1) en Richtlijn 2002/91/EG.

In elk geval moeten de resulterende energiebesparingen meetbaar en controleerbaar of te ramen zijn, in overeenstemming met het algemene kader van bijlage IV.


(1)  PB L 52 van 21.2.2004, blz. 50.


BIJLAGE II

Energie-inhoud van geselecteerde brandstoffen voor het eindgebruik — omzettingstabel (1)

Energiedrager

kJ (NCV)

kgoe (NCV)

kWh (NCV)

1 kg cokes

28 500

0,676

7,917

1 kg steenkool

17 200 — 30 700

0,411 — 0,733

4,778 — 8,528

1 kg geperste bruinkool

20 000

0,478

5,556

1 kg zwart ligniet

10 500 — 21 000

0,251 — 0,502

2,917 — 5,833

1 kg bruinkool

5 600 — 10 500

0,134 — 0,251

1,556 — 2,917

1 kg olieleisteen

8 000 — 9 000

0,191 — 0,215

2,222 — 2,500

1 kg turf

7 800 — 13 800

0,186 — 0,330

2,167 — 3,833

1 kg turfbriketten

16 000 — 16 800

0,382 — 0,401

4,444 — 4,667

1 kg zware stookolie

40 000

0,955

11,111

1 kg gasolie

42 300

1,010

11,750

1 kg benzine

44 000

1,051

12,222

1 kg paraffine

40 000

0,955

11,111

1 kg LPG

46 000

1,099

12,778

1 kg aardgas (2)

47 200

1,126

13,10

1 kg vloeibaar aardgas

45 190

1,079

12,553

1 kg hout (25 % vochtigheidsgraad) (3)

13 800

0,330

3,833

1 kg pellets/houtbriketten

16 800

0,401

4,667

1 kg afval

7 400 — 10 700

0,177 — 0,256

2,056 — 2,972

1 MJ afgeleide warmte

1 000

0,024

0,278

1 kWh elektrische energie

3 600

0,086

1 (4)

Bron : Eurostat.


(1)  De lidstaten mogen verschillende omzettingsfactoren gebruiken, indien deze kunnen worden gerechtvaardigd.

(2)  93 % methaan.

(3)  De lidstaten mogen andere waarden gebruiken naar gelang van hun meest gebruikte houtsoort.

(4)  Voor de besparing in kWh elektriciteit mogen de lidstaten een standaardcoëfficiënt van 2,5 gebruiken, die de geraamde gemiddelde EU-opwekkingsefficiëntie van 40 % gedurende de doelperiode weerspiegelt. De lidstaten kunnen een verschillende coëfficiënt gebruiken indien zij dat kunnen rechtvaardigen.


BIJLAGE III

Indicatieve lijst van voorbeelden van mogelijke maatregelen ter verbetering van energie‐efficiëntie

In deze bijlage worden voorbeelden gegeven van sectoren waarin programma's en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie in de context van artikel 4 kunnen worden ontwikkeld en uitgevoerd.

Om te kunnen worden meegeteld moeten deze maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie resulteren in energiebesparingen die duidelijk meetbaar en controleerbaar of raambaar zijn volgens de richtsnoeren in bijlage IV, en hun effect op energiebesparingen mag niet reeds meegerekend zijn in andere specifieke maatregelen. De volgende lijsten zijn niet limitatief maar bedoeld als richtsnoer.

Voorbeelden van mogelijke maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

 

Huisvesting en tertiaire sector

a)

Verwarming en koeling (bv. warmtepompen, nieuwe efficiënte boilers, installatie/modernisering van collectieve verwarmings‐/koelingssystemen).

b)

Isolatie en verluchting (bv. spouwmuur‐ en dakisolatie, ramen met dubbel/driedubbel glas, passieve verwarming en koeling enz.).

c)

Warm water (bv. installatie van nieuwe apparaten, direct en efficiënt gebruik voor ruimteverwarming, wasmachines).

d)

Verlichting (bv. nieuwe efficiënte lampen en voorschakelapparaten, digitale besturingssystemen, gebruik van bewegingsdetectoren voor de verlichting in handelsgebouwen).

e)

Koken en invriezen (bv. nieuwe efficiënte apparaten, warmteterugwinningssystemen).

f)

Andere uitrusting en apparatuur (bv. gecombineerde warmtekrachttoestellen, nieuwe efficiënte toestellen, tijdschakelaars voor een optimaal energiegebruik, beperking van stand-by-verliezen, installatie van condensatoren om het blindvermogen te beperken, transformatoren met lage verliezen).

g)

Thuisopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, waarbij de gekochte energie wordt beperkt (bv. toepassingen op zonne-energie, warm water voor het huishouden, ruimteverwarming en ‐koeling met zonne-energie en koeling).

 

Industriële sector

h)

Productieprocessen (bv. efficiënter gebruik van perslucht, condensaat en schakelaars en kleppen, gebruik van automatische en geïntegreerde systemen, efficiënte stand-by modes).

i)

Motoren en aandrijfeenheden (bv. intensiever gebruik van elektronische regelingen, aandrijfeenheden met variabele snelheid, geïntegreerde applicatieprogrammering, frequentieomzetting, elektromotoren met hoog rendement).

j)

Ventilatoren, aandrijfeenheden/ventilatoren met variabele snelheid (bv. nieuwe apparaten/systemen, gebruik van natuurlijke ventilatie).

k)

Beheer van de vraag en respons (bv. beheer van de belasting van het net, systemen voor het beperken van piekbelastingen).

l)

Hoogrenderende cogeneratie (bv. apparaten met gecombineerde warmtekrachtkoppeling).

 

Vervoerssector

m)

Gebruikte vervoersmethode (bv. bevorderen van energie-efficiënte voertuigen, energie-efficiënt gebruik van voertuigen, waaronder programma's voor aanpassing van de bandenspanning, energie-efficiëntievoorzieningen, extra voorzieningen voor voertuigen, brandstofadditieven die de energie-efficiëntie verbeteren, oliën met hoge smeercapaciteit, banden met lage weerstand).

n)

Verandering van vervoerswijze (regelingen voor autoloos woon-werkverkeer, autodelen, verandering van vervoerswijze die zorgen voor een omschakeling naar minder energieverbruikende vervoerswijzen per passagier/km of ton/km).

o)

Autoloze dagen.

 

Sectoroverschrijdende maatregelen

p)

Standaarden en normen die hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de energie-efficiëntie van producten en diensten, waaronder gebouwen.

q)

Etikettering van het energieverbruik.

r)

Meteropneming, intelligente meetsystemen zoals individuele, op afstand bediende meetinstrumenten en informatieve facturering.

s)

Opleiding en onderwijs leidend tot toepassing van energie-efficiënte technologie en/of technieken.

 

Horizontale maatregelen

t)

Voorschriften, heffingen, enz. die leiden tot beperking van het energieverbruik bij de eindgebruiker.

u)

Gerichte informatiecampagnes ter bevordering van verbetering van de energie-efficiëntie en maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.


BIJLAGE IV

Algemeen kader voor de meting en controle van de energiebesparing

1.   Energiebesparingsmetingen en ‐berekeningen en hun normalisatie

1.1.   Meten van de energiebesparing

Algemeen

Bij het meten van de verwezenlijkte energiebesparing zoals omschreven in artikel 4 wordt, ten einde de algehele verbetering van de energie-efficiëntie vast te leggen en het effect van de afzonderlijke maatregelen na te gaan, een geharmoniseerd berekeningsmodel met een combinatie van top-down- en bottom-up-berekeningsmethoden gebruikt om de jaarlijkse verbetering van de energie-efficiëntie te meten ten behoeve van de in artikel 14 bedoelde APEE's.

Bij het ontwikkelen van een geharmoniseerd berekeningsmodel overeenkomstig artikel 15, lid 2, gebruikt het comité, voorzover mogelijk, gegevens die al routinematig door Eurostat en/of de nationale bureaus voor de statistiek worden verstrekt.

Top-down-berekeningen

Een top-down-berekeningsmethode houdt in dat de omvang van de energiebesparing wordt berekend door de nationale of de op grotere schaal geaggregeerde sectorale niveaus van energiebesparingen als uitgangspunt te nemen. De jaarlijkse gegevens worden dan aangepast voor externe factoren zoals graaddagen, structurele veranderingen, productmix enz. om tot een maatstaf te komen die een goede indicatie geeft van de totale verbetering van de energie-efficiëntie, zoals omschreven in punt 1.2. Deze methode levert geen gedetailleerde exacte metingen op en legt ook geen oorzakelijk verband bloot tussen de maatregelen en de daaruit voortvloeiende energiebesparingen. Het is gewoonlijk echter een eenvoudigere en minder kostbare methode (vaak bestempeld als „energie-efficiëntie-indicator”, omdat ze een idee geeft van de ontwikkelingen).

Bij het ontwikkelen van de top-down-berekeningsmethode die in dit geharmoniseerde berekeningsmodel wordt gebruikt, baseert het comité zijn werkzaamheden zoveel mogelijk op bestaande methodes zoals het ODEX-model (1).

Bottom-up-berekeningen

Een bottom-up-berekeningsmethode houdt in dat de energiebesparing die wordt bereikt door toepassing van een specifieke maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie, wordt gemeten in kilowattuur (kWh), in Joule (J) of in kilogram aardolie-equivalent (kgoe) en wordt samengeteld met de energiebesparingsresultaten van andere specifieke maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie De in artikel 4, lid 4, bedoelde instanties of agentschappen moeten voorkomen dat energiebesparingen ten gevolge van een combinatie van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie (waaronder mechanismen) dubbel worden geteld. Voor de bottom-up-berekeningsmethode kunnen de in de punten 2.1 en 2.2 bedoelde gegevens en methoden worden gebruikt.

Vóór 1 januari 2008 ontwikkelt de Commissie een geharmoniseerd bottom-up-model. Dit model moet een peil van tussen 20 en 30 % van het jaarlijkse binnenlandse energie-eindverbruik dekken voor de sectoren die onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen, met inachtneming van de onder a), b) en c) genoemde factoren.

Tot 1 januari 2012 blijft de Commissie dit geharmoniseerde bottom-up-model ontwikkelen, dat een aanzienlijk hoger peil van het jaarlijkse binnenlandse energie-eindverbruik moet dekken voor de sectoren die onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen, met inachtneming van de onder a), b) en c) genoemde factoren.

Bij de ontwikkeling van het geharmoniseerde bottom-up-model houdt de Commissie rekening met de volgende factoren en motiveert zij haar besluit overeenkomstig:

a)

ervaring met het geharmoniseerde berekeningsmodel in de eerste jaren van de toepassing ervan;

b)

verwachte potentiële toename van de precisie als gevolg van de vervanging van een deel van de top-down-berekeningen door bottom-up-berekeningen;

c)

geraamde potentiële extra kosten en/of administratieve last.

Bij de ontwikkeling van het geharmoniseerde bottom-up-model overeenkomstig artikel 15, lid 2, streeft het comité ernaar gestandaardiseerde methodes te gebruiken die een minimum aan administratieve lasten en kosten meebrengen, met name door de in de punten 2.1 en 2.2 vermelde meetmethoden te gebruiken en zich te concentreren op sectoren waar het geharmoniseerde bottom‐up-model op de meest kosteneffectieve manier kan worden toegepast.

De lidstaten die dat wensen, kunnen, naast het door het geharmoniseerde bottom-up-model voorgeschreven deel, nog meer bottom-up-metingen toepassen nadat de Commissie daarmee heeft ingestemd overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 16, lid 2, en op basis van een beschrijving van de door de betrokken lidstaat voorgestelde methode.

Indien voor bepaalde sectoren geen bottom-up-berekeningen beschikbaar zijn, worden in de rapporten aan de Commissie top-down-indicatoren of een combinatie van top-down- en bottom-up-berekeningen gebruikt, met instemming van de Commissie, overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 16, lid 2. Wanneer zij in de context van het in artikel 14, lid 2, genoemde eerste APEE een verzoek beoordeelt, legt de Commissie de passende soepelheid aan de dag. Er zullen bepaalde top-down-berekeningen nodig zijn om de invloed te meten van de na 1995 (en in sommige gevallen reeds vanaf 1991) uitgevoerde, maar nog steeds effect sorterende maatregelen.

1.2.   Hoe de meting van energiebesparing moet worden genormaliseerd

De hoeveelheid bespaarde energie wordt vastgesteld door de meting en/of raming van het verbruik voor en na toepassing van de maatregel, onder toepassing van aanpassingen en normalisatie om rekening te houden met eventuele externe omstandigheden die het energieverbruik gewoonlijk beïnvloeden. Omstandigheden die het energieverbruik gewoonlijk beïnvloeden, kunnen ook in de tijd variëren. Dergelijke omstandigheden kunnen het waarschijnlijke effect zijn van één of meer plausibele factoren zoals:

a)

weersomstandigheden, zoals de graaddagen;

b)

bezettingsgraad;

c)

openingsuren van openbare of bedrijfsgebouwen;

d)

geïnstalleerd vermogen (verwerkingscapaciteit van de fabriek), productmix;

e)

verwerkingscapaciteit van de fabriek, productieniveau, volume of meerwaarde, waaronder veranderingen in BBP-niveau;

f)

dienstregeling voor het gebruik van installaties en voertuigen;

g)

verhouding met andere eenheden.

2.   Gegevens en methoden die kunnen worden gebruikt (meetbaarheid)

Er bestaan diverse methoden om gegevens in te zamelen die dienen om de energiebesparing te meten en/of te ramen. Op het tijdstip waarop een energiedienst of een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie wordt geëvalueerd, zal het vaak niet mogelijk zijn om alleen op metingen te vertrouwen. Daarom wordt een onderscheid gemaakt tussen methoden om de energiebesparing te meten en methoden om die te ramen, waarbij dat laatste het meest gebruikelijk is.

2.1.   Op metingen gebaseerde gegevens en methoden

Facturen van distributiemaatschappijen of detailhandelaars

De op meteropneming gebaseerde facturen kunnen de basis vormen voor de meting gedurende een representatieve periode vóór de invoering van de maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie. Deze facturen kunnen dan worden vergeleken met de op meteropneming gebaseerde facturen betreffende de periode na de invoering en het gebruik van die maatregel, eveneens gedurende een representatieve periode. De resultaten moeten zo mogelijk worden vergeleken met die van een controlegroep (geen deelnemende groep) of anders worden genormaliseerd zoals omschreven in punt 1.2.

Verkoopgegevens voor energie

Het verbruik van de verschillende soorten energie (b.v. elektriciteit, gas, stookolie) kan worden gemeten door de verkoopgegevens van de verdeler of detailhandelaar in een periode vóór de invoering van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te vergelijken met de verkoopgegevens in de periode na die invoering. Daarbij kan een controlegroep worden gebruikt of kunnen de gegevens worden genormaliseerd.

Verkoopgegevens voor uitrusting en apparatuur

De prestaties van uitrusting en apparaten kunnen worden berekend op basis van direct van de fabrikant verkregen informatie. Gegevens over de verkoop van uitrusting en apparaten kunnen over het algemeen worden verkregen bij de detailhandelaars. Ook kunnen speciale studies en metingen worden uitgevoerd. Om de omvang van de energiebesparing te bepalen, kunnen de beschikbare gegevens worden vergeleken met de verkoopcijfers. Als deze methode wordt gebruikt, moet een correctie worden aangebracht voor wijzigingen in het gebruik van de uitrusting en apparatuur.

Laadgegevens met betrekking tot het eindgebruik

Het energiegebruik van een gebouw of inrichting kan volledig worden gemonitord om de energievraag vóór en na de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te registreren. Belangrijke relevante factoren (bv. productieproces, speciale apparatuur, verwarmingsinstallaties) kunnen meer in detail worden gemeten.

2.2.   Op ramingen gebaseerde gegevens en methoden

Eenvoudige technische ramingsmethode, zonder inspectie

Berekening volgens een eenvoudige technische ramingsmethode zonder inspectie ter plaatse is de meest gebruikelijke methode om gegevens te verkrijgen voor het meten van vermeende energiebesparingen. De gegevens kunnen worden geraamd met gebruikmaking van technische principes, zonder gebruik van ter plaatse ingewonnen gegevens, maar met behulp van aannamen die gebaseerd zijn op de specificaties van de apparatuur, prestatiekenmerken, gebruiksinstructies voor uitgevoerde maatregelen en statistieken.

Verfijnde technische ramingsmethode, met inspectie

Energiegegevens kunnen worden berekend op basis van de informatie die door een externe deskundige wordt verkregen gedurende een audit van, of ander type bezoek aan, één of meer gerichte locaties. Op deze basis kunnen meer verfijnde algoritmen/simulatiemodellen worden ontwikkeld en toegepast op een groter aantal locaties (bv. gebouwen, inrichtingen, voertuigen). Dit soort meting kan vaak worden gebruikt in aanvulling op en ter ijking van de eenvoudige technische ramingsmethode.

3.   Hoe onzekerheden in te calculeren

Alle in punt 2 vermelde methoden kunnen een bepaalde onzekerheid inhouden. Die onzekerheid kan het gevolg zijn van (2):

a)

instrumentenfouten, zijnde fouten die typisch het gevolg zijn van fouten in de door de fabrikant verstrekte specificaties;

b)

modelleringsfouten, waarmee typische fouten worden bedoeld in het model dat wordt gebruikt om de parameters voor de verzamelde gegevens te ramen;

c)

bemonsteringsfouten, waarmee typische fouten worden bedoeld die resulteren uit het feit dat er een monster is bestudeerd in plaats van de gehele relevante verzameling.

Onzekerheid kan ook voortvloeien uit bepaalde geplande of ongeplande aannamen, die in het algemeen verbonden zijn met schattingen, bepalingen en/of het gebruik van technische gegevens. De fouten in kwestie houden ook verband met het gekozen dataverzamelingssysteem zoals geschetst in de punten 2.1 en 2.2. Het is dan ook aanbevelenswaardig de desbetreffende onzekerheid nader te specificeren.

De lidstaten mogen ervoor kiezen om, wanneer zij verslag uitbrengen over de in deze richtlijn omschreven streefwaarden, de methode van gekwantificeerde onzekerheid te hanteren. Die gekwantificeerde onzekerheid wordt dan op een statistisch betekenisvolle wijze uitgedrukt, waarbij zowel de nauwkeurigheid als het betrouwbaarheidsniveau wordt aangegeven. Bijvoorbeeld: „De kwantificeerbare fout bedraagt ± 20 % met 90 % betrouwbaarheid”.

Als de methode van de gekwantificeerde onzekerheid wordt gebruikt, houden de lidstaten er ook rekening mee dat het niveau van onzekerheid dat bij de berekening van de energiebesparing kan worden aanvaard, een afgeleide is van het energiebesparingsniveau en van de kosteneffectiviteit van vermindering van de onzekerheid.

4.   Looptijd van maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie in bottom-up-berekeningen

Sommige maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie hebben een looptijd van decennia, andere duren korter. De onderstaande lijst bevat enkele voorbeelden van de gemiddelde looptijd van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie:

Isolatie van zolders en particuliere woningen

30 jaar.

Isolatie van spouwmuren — particuliere woningen

40 jaar.

Beglazing E- tot C-kwaliteit (in m2)

20 jaar.

Boilers B- tot A-kwaliteit

15 jaar.

Bedieningssystemen verwarming — modernisering door vervanging boilers

15 jaar.

CFL's — detailhandel

16 jaar.

Bron: Energy Efficiency Commitment 2005 — 2008, Verenigd Koninkrijk.

Om ervoor te zorgen dat alle lidstaten dezelfde looptijd voor soortgelijke maatregelen hanteren, zullen deze op Europees niveau worden geharmoniseerd. De Commissie, bijgestaan door het krachtens artikel 16 ingestelde comité, vervangt derhalve uiterlijk op 17 november 2006 de bovengenoemde lijst door een overeengekomen voorlopige lijst met de gemiddelde looptijd van de verschillende maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

5.   Hoe om te gaan met multiplicatoreffecten van energiebesparing en hoe te voorkomen dat bij gemengde top-down- en bottom-up-berekeningsmethoden dubbel wordt geteld

De toepassing van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie, bv. warmwaterketel en isolatie van de leidingen in een gebouw, of een andere maatregel met een vergelijkbaar effect, kan in de toekomst leiden tot multiplicatoreffecten op de markt, wat betekent dat de markt een maatregel automatisch zal uitvoeren zonder inmenging van de instanties of agentschappen bedoeld in artikel 4, lid 4, of een leverancier van energiediensten uit de private sector. Een maatregel met een potentieel multiplicatoreffect zou in de meeste gevallen kosteneffectiever zijn dan maatregelen die regelmatig moeten worden herhaald. De lidstaten ramen het energiebesparingspotentieel van dergelijke maatregelen, inclusief hun multiplicatoreffect, en gaan het totale effect na in een ex-post evaluatie met in voorkomend geval gebruik van indicatoren.

Bij de evaluatie van horizontale maatregelen kan gebruik worden gemaakt van energie-efficiëntie-indicatoren, mits het mogelijk is de trendontwikkeling daarvan, die zonder de horizontale maatregelen zou zijn opgetreden, te bepalen. Het moet daarbij echter grotendeels mogelijk zijn dubbeltellingen met besparingen als gevolg van gerichte energie-efficiëntieprogramma's, energiediensten en andere beleidsinstrumenten zoveel mogelijk uit te sluiten. Dit geldt met name bij energie- of CO2-belastingen en voorlichtingscampagnes.

Er zullen correcties worden aangebracht voor het dubbel tellen van energiebesparing. Het gebruik van matrixen om het totale effect van maatregelen te ramen, wordt aangemoedigd.

Een potentiële energiebesparing die zich voordoet na de doelperiode, wordt niet in aanmerking genomen wanneer de lidstaten verslag uitbrengen over de in artikel 4 vermelde algemene streefwaarde. Maatregelen die markteffecten op de lange termijn stimuleren, moeten in elk geval worden aangemoedigd en maatregelen die reeds hebben geleid tot energiebesparing met een multiplicatoreffect, moeten in aanmerking worden genomen bij het uitbrengen van een verslag over de in artikel 4 vermelde streefwaarden, mits zij kunnen worden gemeten en gecontroleerd met gebruikmaking van de in deze bijlage verstrekte richtsnoeren.

6.   Hoe de energiebesparing te controleren

Als dit kosteneffectief en noodzakelijk wordt geacht, moet de energiebesparing die dankzij een specifieke energiedienst of een andere maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie wordt bereikt, worden gecontroleerd door een derde partij. Dit kan gebeuren door onafhankelijke consultants, leveranciers van energiediensten of andere marktdeelnemers. De in artikel 4, lid 4, bedoelde instanties of agentschappen van de lidstaten kunnen op dit gebied nadere instructies geven.

Bronnen: A European Ex-post Evaluation Guidebook for DSM and EE Service Programmes; IEA, INDEEP database; IPMVP, Volume 1 (Versie maart 2002).


(1)  Odyssee-Mure project, Save-programma. Commissie, 2005.

(2)  Een op deze drie types fouten gebaseerd model voor de vaststelling van het niveau van gekwantificeerde onzekerheid is gegeven in aanhangsel B van het International Performance Measurement & Verification Protocol (IPMVP).


BIJLAGE V

Indicatieve lijst van markten en deelmarkten voor energieomzetting waarvoor benchmarks kunnen worden uitgewerkt:

1.

Markt voor huishoudelijke apparaten/informatietechniek en verlichting:

1.1.

Keukenapparatuur (witgoed)

1.2.

Amusements-/informatietechniek

1.3.

Verlichting

2.

Markt voor huisverwarmingstechniek:

2.1.

Verwarming

2.2.

Warmwatervoorziening

2.3.

Klimatisering

2.4.

Ventilatie

2.5.

Warmteisolatie

2.6.

Vensters

3.

Markt voor industriële ovens

4.

Markt voor motoraandrijving in de industrie

5.

Markt voor openbare inrichtingen:

5.1.

Scholen/openbaar bestuur

5.2.

Ziekenhuizen

5.3.

Zwembaden

5.4.

Straatverlichting

6.

Markt voor vervoersdiensten.


BIJLAGE VI

Lijst van in aanmerking komende maatregelen voor energie-efficiëntie bij overheidsopdrachten

Onverminderd nationale en communautaire wetgeving op de overheidsopdrachten, zorgen de lidstaten ervoor dat de publieke sector in het kader van de voorbeeldrol van de publieke sector bedoeld in artikel 5, ten minste twee voorschriften toepast uit de volgende lijst:

a)

voorschriften voor het gebruik van financiële instrumenten voor energiebesparing, zoals energieprestatiecontracten, waarin wordt vastgelegd welke meetbare en vooraf bepaalde energiebesparing (ook wanneer de overheid taken heeft uitbesteed) moet worden gehaald;

b)

voorschriften voor de aankoop van apparatuur en voertuigen op basis van lijsten van energie-efficiënte productspecificaties van verschillende categorieën apparatuur en voertuigen, op te stellen door de instanties of -agentschappen bedoeld in artikel 4, lid 4, waarbij, indien van toepassing, gebruik wordt gemaakt van analyse van de minimale kosten van de levenscyclus of vergelijkbare methoden om de kosteneffectiviteit te waarborgen;

c)

voorschriften voor de aankoop van apparatuur die in alle modi een efficiënt energieverbruik heeft, ook in standby-modus, waarbij, indien van toepassing, gebruik wordt gemaakt van analyse van de minimale kosten van de levenscyclus of vergelijkbare methoden om de kosteneffectiviteit te waarborgen;

d)

voorschriften om bestaande apparatuur en voertuigen te vervangen door de onder b) en c) opgesomde apparatuur, of deze achteraf in te bouwen;

e)

voorschriften voor het gebruik van energieaudits en de uitvoering van de daaruit resulterende aanbevelingen voor kosteneffectiviteit;

f)

voorschriften om energie-efficiënte gebouwen of delen van gebouwen aan te kopen of te huren of voorschriften om aangekochte of gehuurde gebouwen of delen van gebouwen te vervangen of aan te passen, om ze energie-efficiënter te maken.


Top